• Twintig verhelderende essays

    Twintig verhelderende essays

    Piet Gerbrandy is dichter, classicus, docent en essayist. In zijn boek Het woord en de wereld laat hij in ruim twintig essays zien hoe deze vier domeinen van zijn werkterrein samenkomen, sterker nog, noodzakelijk zijn in hun samenhang. De essays zijn geschreven tussen 2018 en 2024 en bestrijken diverse terreinen: van religie tot de klassieke oudheid, van filosofie, Griekse en Latijnse schrijvers tot aan moderne poëzie. Vanuit verschillende invalshoeken en wetenschappen hebben mensen volgens Gerbrandy geprobeerd antwoord te geven op de eeuwige vragen: ‘Wie zijn wij? Hoe staan we in de wereld? Wat is schoonheid? Hoe moeten we handelen?’

    Ook Gerbrandy zelf buigt zich over deze vragen, waarbij zijn dichterschap leidend is in zijn zoektocht naar antwoorden, zoals de ondertitel van dit boek al aangeeft: Duidingen van een dichter. Maar je zou deze ondertitel ook anders kunnen lezen: er staat immers niet: duidingen door een dichter. Je zou je ook kunnen afvragen welke dichter er geduid wordt. Want dit boek gaat over veel dichters, die allen zoeken naar wat zij ‘aan de wereld kunnen toevoegen.’

    Poëzie als middel tot begrijpen

    Alles wat mensen naar elkaar willen overbrengen, geschiedt door middel van taal die ‘zowel verheldert als vertroebelt.’ In den beginne was het woord en dan met name beeldspraak en metafoor, zegt Gerbrandy. ‘Het is het enige gereedschap dat ons […] ten dienste staat om greep te krijgen op het geheel waarvan we zelf deel uitmaken.’ Poëzie zou daarbij het middel bij uitstek zijn om te begrijpen ‘wie, wat en waar we zijn’ omdat zij zich het meeste bedient van beeldspraak. Hij haalt daarom ook Aristoteles aan: ‘Poëzie onderzoekt wat het is te zijn’.

    Verrassend genoeg begint Gerbrandy zijn zoektocht naar samenhang en betekenis niet bij de hem zo vertrouwde klassieke oudheid, maar bij de dichter Lucebert (1924-1994) en het geheim dat hij zijn hele leven bij zich droeg. Namelijk dat hij nazistische en antisemitische opvatting zou hebben gekoesterd terwijl hij zich eerst keerde tegen oorlogsgeweld en onderdrukking. Gerbrandy onderzoekt of er in Luceberts poëzie sporen zijn aan te wijzen die duiden op sympathie voor het gedachtegoed van de nazi’s. Een gedegen analyse waarbij Gerbrandy diep ingaat op enkele gedichten van Lucebert en tot verrassende conclusies komt, maar nergens een oordeel velt.

    Heldere taal

    Andere dichters wier werk zorgvuldig en indringend wordt onderzocht zijn onder anderen Gorter, Sasja Janssen, H.C. ten Berge, Hans Faverey en Annemarie Estor. Het betoog van Gerbrandy over het werk van deze dichters is scherpzinnig en verrassend en biedt verschillende nieuwe inzichten in de analyse van poëzie. Belangrijk is dat hij zich in deze analyses niet verliest in vage bespiegelingen. Dat maakt zijn essays buitengewoon leesbaar, ook al zou je nog nooit iets hebben gelezen over de onderwerpen die Gerbrandy tegen het licht houdt. Niet iedere lezer beheerst de kennis van Grieks of Latijn, maar dat hoeft geen belemmering te zijn om deze essays te lezen; Gerbrandy neemt je mee naar de klassieke oudheid, waar hij je rondleidt en je nieuwsgierig en enthousiast maakt over alles wat hij erbij vertelt.

    Zoals bijvoorbeeld de essays over de Romeinse dichter Ovidius en zijn Metamorfosen, de Griekse Pindarus of de verteller Claudius Claudianus, over wie Hella S. Haasse Een nieuwer testament schreef. Het is Gerbrandy’s grote kracht dat hij het gedachtegoed van deze mensen naar onze tijd kan halen door te laten zien dat hun verhalen en mythen van alle tijden zijn:

    ‘Er is geen definitieve interpretatie, en iedere versie heeft evenveel bestaansrecht. het lichaam van de mythe trekt bij elke herneming een ander kleed aan, een weefsel van woorden die ertoe uitnodigen betekenis toe te kennen aan wat zich mogelijk onder de taal bevindt.’

    Nieuw licht op de bijbel

    Van de Klassieke Oudheid en haar goden is het een kleine stap naar een hoofdstuk over het ontstaan van offeren en dan vooral de overgang van mensenoffers naar het doden van dieren vanuit een religieuze overtuiging. Gerbrandy geeft een verklaring die aannemelijk is: ‘In eerste instantie is het waarschijnlijk een sociaal automatisme geweest: ik neem iets, dus ik moet iets geven. Het omgekeerde geldt eveneens: ik geef iets, dus mag ik verwachten iets te krijgen.’ Later wordt het offer getransformeerd tot een zoenoffer voor eerwraak tussen twee strijdende partijen om verder bloedvergieten te voorkomen.

    Ook het Christendom kent mensenoffers: de kruisiging van Christus, die Gerbrandy een ‘Unschuldskomödie’ noemt, ‘een vorm van ritueel gesjoemel’, omdat ‘zowel offeraar als slachtoffer wist dat de laatste na zijn dood opnieuw zijn comfortabele positie naast zijn vader zou kunnen innemen.’

    Gerbrandy noemt zichzelf een ‘ex-gereformeerde classicus’ en werpt vanuit die positie een geheel nieuw licht op de Bijbel en verschillende verhalen daaruit. Vooral zijn verhandelingen over het Hooglied en het verhaal over Job zijn verrassend en de bevindingen van Gerbrandy zijn goed onderbouwd. Hij komt tot de volgende conclusie: ‘het is in de eerste plaats de literaire kwaliteit van Job die me omverblaast, maar de strekking als zou de mens niets vermogen ten overstaan van hogere krachten, of je die nu God, het Lot, het Toeval of de Natuur noemt, blijft onverminderd actueel.’

    Het belang van kennis vergaren

    De enige manier om je staande te houden in een verwarrende wereld is volgens Gerbrandy in zijn essay De vorstin der dingen, het vergaren van kennis over die wereld. Niet per se via het onderwijs, al kan dat wel een helpende hand reiken, maar vooral door verhalen en door poëzie, omdat de literaire traditie universele waarheden bevat die via symbool en metafoor worden overgeleverd. Waarheid en werkelijkheid worden duidelijk door ze in taal te vatten. Taal en teksten geven inzicht in ons bestaan. Een brede intellectuele ontwikkeling is noodzakelijk om je te kunnen weren in het maatschappelijke leven. ‘Eruditie is niet ouderwets. Eruditie zou de 21st century skill bij uitstek kunnen zijn.’ Gerbrandy pleit voor een samengaan van traditie en experiment bij het verwerven van kennis.

    Een voorbeeld daarvan geeft hij als hij in de Metamorfosen van Ovidius en het Symposium van Plato verbinding legt met de hedendaagse maatschappij: de verkrachting van vele vrouwen door Zeus. de oppergod van het Griekse godendom, de huidige Me too– beweging en de Epstein files hebben te veel overeenkomsten om te negeren als het gaat om man-vrouw-verhoudingen en de moderne opvattingen daarover. De bruggen over de kloof tussen vroeger en nu kunnen alleen geslagen worden door een grondige verdieping in de materie die te vinden is in de literatuur, de dichters en de taal. Lees Gerbrandy en word wijzer.

     

     

     

    Titel

    Titel

    auteur

  • Oogst week 9 – 2026

    Oogst week 9 – 2026

    Jong en eenzaam

    Jong en eenzaam van Kevin van Vliet is een verslag, in romanvorm, van een jonge journalist op reis langs de ruïnes van zijn verleden. Na vijf jaar in Zuid-Afrika gewoond te hebben komt hij terug naar Nederland om een nieuw werkvisum aan te vragen en ineens wordt hij geconfronteerd met zijn vroegere zelf. Alles staat op het spel, hij dreigt zijn werk, maar ook zijn verstand te verliezen. Jong en eenzaam, een verwijzing naar Oud en eenzaam van Gerard Reve, opent de aanval op de huidige stand van de Nederlandse literatuur.

    Van Vliet (1993) werkte bij HP/De Tijd, toen in Hilversum, vervolgens bij diverse kranten – en hij is nu correspondent in Zuid-Afrika voor Trouw en Het Financieele Dagblad.
    Zijn literaire debuut, de novelle Wolfsjong (2019) werd genomineerd voor een Bronzen Uil. Evenals de korte roman Bobbejaanskloof (2023)

    Jong en eenzaam
    Auteur: Kevin van Vliet
    Uitgeverij: Prometheus

    Het zwarte schip

    In de allereerste scène van deze verhalenbundel van Nicola Pugliese doemt uit de donkere nacht geruisloos een zwart schip op. Is het een collectieve zinsbegoocheling, een slecht omen of een waarschuwing? De komst van dit mysterieuze schip zet een reeks verontrustende, kafkaëske verhalen in gang, waarin het dagelijks leven in de stad van de rails loopt.

    De unieke schrijver Pugliese beschrijft in een donkere en betoverende stijl de meest onverwachte en vreemde gebeurtenissen, die iedereen in hun greep lijken te houden en alles staat op losse schroeven. Nieuwe agenda’s lopen niet meer synchroon, een steeds ontsnappende gevangene lijkt nooit echt vrij te kunnen komen; Tijdens een crisis wordt Kerstmis afgeschaft. De kettingrokende Carlo Andreoli is het alter ego van Pugliese en een terugkerend personage. In de krant leest hij over zijn aanstaande dood. De verhalen spelen zich af tegen de vage contouren van Napels.

    Nicola Pugliese (1944 – 2012) was een eigenzinnige Italiaanse schrijver en journalist. Malacqua is zijn enige boek, dat in 1977 verscheen. Het werd een soort cultroman, die niet mocht worden herdrukt van de auteur. Na Puglieses dood, verscheen Malacqua echter opnieuw in Italië. Ook hier heeft Carlo Andreoli, de melancholische journalist, een rol. Hij verslaat de mysterieuze gebeurtenissen die in Napels plaatsvinden. Dankzij vertaalster Annemart Pilon kwam het boek ook in Nederland uit.

    Het zwarte schip
    Auteur: Nicola Pugliese
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Omgeslagen dagen

    Omgeslagen dagen van Mensje van Keulen is het vervolg op haar dagboeken Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Met de haar zo kenmerkende scherpte en humor neemt Van Keulen de lezer ook in het vierde deel van haar dagboeken mee in het immer woelige schrijversleven in de jaren tachtig te Amsterdam. We volgen Van Keulen van 1983 tot 1987. Inmiddels is ze gescheiden en een gevierd schrijfster. Ze werkt aan de verhalenbundel De ketting (1983), haar roman Engelbert (1987) en haar jeugdboek Tommie Station (1985), dat een groot succes wordt. Toch gaat het schrijven, met een zoontje dat naar de basisschool gaat en een nieuwe liefde, bepaald niet vanzelf, maar Van Keulen zet door.

    Van Keulen debuteerde met de veelgeprezen roman Bleekers Zomer. Eerder was zij, van 1970 tot 1973, redacteur van het studentenweekblad Propria Cures, waar zij – naast verhalen – onder het pseudoniem Josien Meloen gedichten schreef. Later maakte zij samen met onder anderen Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Zij schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook enkele kinderboeken.

    Omgeslagen dagen
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Zoektocht naar liefde

    Zoektocht naar liefde

    Dichter, classicus en essayist Piet Gerbrandy trekt de deur achter zich dicht en neemt ons mee op een reis met onbekende bestemming. Zijn hoofdpersoon – de ik – in de bundel Ontbinding beschouwt zijn leven en zijn positie daarin, zijn lichaam en zijn liefdes om vervolgens op pad te gaan en de reis zelf de uiteindelijke aankomst te laten bepalen. In het eerste hoofdstuk Nu wordt gekeken naar de huidige stand van zaken. Klaar met het leven en de wereld om hem heen beschouwt hij eerst zichzelf.

    ‘nu dus dit lijf van mij –
     maar wie is de bron van dit zien in een vochtige avond?
     wat geeft mijn strot recht van spreken?
     is verval geen herschikking van krachten?
     blaft daar geen vos daar ja onder de oeroudste varens?’

    Verontwaardiging over huidig beleid

    In een van de volgende verzen wordt een cynische uiteenzetting over de maatschappelijke status van de ik gepresenteerd. De wat narrige toon is die van een man op leeftijd die zich steeds meer laat leiden door verontwaardiging over het gevoerde beleid.

    ‘U betaalt uw belasting integer.
     Aanvullend bent u verzekerd.
     U beft uw slavinnen met smaak.
     Uw vestigingsklimaat is mild en overwegend heilzaam.
     Uw saldi en activa ogen gezond.
     Meestal slaapt u zonder middel vredig.
     Uw bezoldiging is binnen geldende normen wel gepast.

     U ik jij men en hij: het wordt hier druk.
     Dat past in de ruimhartigheid van het vestigingsklimaat.
     Komt het echter op uitkeren aan
     dan geeft meneer niet thuis.’

    Gerbrandy is een meester in het vervlechten van poëzie en proza. De verzen in dit gedeelte van de bundel worden voorafgegaan door een paar regels in de hij-vorm die een herinnering, een gevoel of een vooruitzicht beschrijven. Om daarna gevolgd te worden door een vers dat dieper ingaat op het onderwerp en het gemoed van de ik verbeeld. De gedichten stromen over van anekdotes en metaforen die vooral de bekende aardse taal van Gerbrandy laten zien: ‘zwaluwen scheren geringd over stoffige plassen’ en even verderop ‘in slijk versterven bonte amfibieën’. Zintuiglijke zinnen die de leesbaarheid verrijken.

    Toekomstig weerzien

    Het hoofdstuk Wind is de laatste halte voordat de grote reis wordt aangevangen. Hier komt de classicus in Gerbrandy naar boven. De verteller verhaalt over de poëzie van een elfde-eeuwse kloosterling, het schrijven van klassieke sonnetten, colleges over middeleeuwse handschriften en studenten die zich fragmenten van oude zangen toe-eigenen. De aansluitende gedichten laten steeds meer los over het verlangen op pad te gaan en het toekomstige weerzien met een geliefde: ‘…er zijn er/ die goud en koel werk het mooiste vinden/ maar ik jou.’

    ‘Reis’ is het meest omvangrijke deel waarin prozastukken de overhand nemen en de grote reis begint. ‘Langzaam maar zeker naderde het moment waarop hem dringend verzocht zou worden zijn werkkamer op te ruimen en plaats te maken voor jongeren wie later een zelfde lot beschoren was. 

    Hij pakte zijn rugzak zijn stok en zijn kruik
       drie boeken voor slapeloze nachten
    hij trok door het land zonder bergen op zoek
       naar vuur voor zijn tanende krachten.’

    Het is vooral de sfeer – die de verteller oproept – die deze reis laat zien als eigenzinnige Odyssee. De hoofdpersoon, met stevige stok en ransel, heeft het vermoeden dat iets of iemand hem begeleidt. Een dier een schim of een engel. Hij loopt langs norse en ongeletterde landslieden, slaapt op een strozak in een schuur en ziet langs een bosrand twee wolven staan. Met hier en daar een verwijzing naar de actualiteit of zelfs een blik in de toekomst: ‘Toen de zomer naderde korf ik met een ontsmet stanleymes een jaap in mijn linkeronderarm om de chip los te snijden.’

    Herinneringen en een hunkeren naar liefde

    Steeds meer verandert deze omzwerving in een haast tastbare herinnering aan een geliefde. De schimmen die hem volgen lijken te transformeren in de gedaante van de vrouw. De laatste prozateksten, als verslag van de reis, worden een hartstochtelijke liefdesverklaring vol verlangen naar een lichamelijke hereniging.

    ‘Zij troonde hem mee naar haar vuren hut
       naast een beek vol kiezels en vissen
    dan troont zij hem mee naar haar nauwe alkoof
       om zijn oude leven te wissen.’

    Piet Gerbrandy lijkt zijn hoofdpersoon-op-leeftijd naar een definitief einde te sturen. Het sluitstuk van zijn leven met een grondige soul search als drijfveer. Maar het verloop van deze bundel laat nog wat anders zien: een sterke hunkering naar liefde die in de flarden ingevlochten poëzie de lust naar boven haalt.

    ‘In liefdesverklaringen was hij altijd vrij goed geweest maar ook dat ging de laatste tijd moeizamer.
     Je billen en wangen zijn blijvend
     dat is wel gebleken
     maar hoe het met mij zit en gaan moet
     daarover is minder bekend.

     Waar laatste syllaben hun -end voltrekken
     wijdt zich een witte stilte’

    Toch is in alles de klassieke aftocht te vinden. Het verdwijnen van de wereld na een oprisping vol passie en bevlogenheid. Gerbrandy dicht in grootse gebaren en minuscule details zonder zich te verliezen in te gemakkelijke metaforen. Uiteindelijk laat hij zijn protagonist achter bij het veronderstelde einddoel van diens reis:

    ‘Dit werk is onbegonnen
     zoals het ook onafgelopen is.

     Trek ik mij daarom terug uit alle rollen.
     Blijft wie stilaan verdwijnt onopgemerkt.’

     

     

  • Liefde voor het verborgene en mysterieuze in de natuur

    Liefde voor het verborgene en mysterieuze in de natuur

    Vespers, zo wordt het avondgebed van de getijden van de rooms-katholieke kerk genoemd; het begrip komt in het Nederlands alleen in het meervoud voor, waarschijnlijk naar analogie van de overige ‘grote uren’ metten, lauden en completen. Toch geven de oudste liturgische bronnen voor alle getijden het enkelvoud aan. Ook Anne Broeksma heeft als titel voor haar nieuwe bundel het enkelvoud gekozen en ze geeft daarmee meteen al aan dat zij terug wenst te gaan tot de bron, de oertoestand en het authentieke. Bij Broeksma slaat dat op de natuur, die ongetemd en wild is. Er komen dan ook niet veel mensen voor in haar gedichten, hoewel er wel altijd sprake is van een lyrisch ik. 

    Op de voorkant van de bundel staat een tekening van een draak die sereen de ogen sluit en zijn voorpoten berustend laat hangen terwijl hij bestookt wordt door papieren vliegtuigjes die langs hem heen gaan. Er komen meer dan eens draken in voor, maar de tekening zet de lezer toch op het verkeerde been. Dit is geen kinderboek. 

    Welwillende goden

    De bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste, Polytheïstische Gezangen, bevat zes gedichten die ieder gericht zijn aan een onbekende godheid, namelijk die van het Wakkere, het Geduld (die als enige een godin blijkt te zijn), het Avontuur, het Lichaam, de Lucht en de Taal. Met humor beschrijft Broeksma deze welwillende goden, maar in het laatste gedicht wordt al gedreigd met een toekomst waarin ‘niemand weet waar de wolk met documenten is gebleven / mijn toekomst zat in de wolk, zonder documenten kan ik die niet betreden’. De ‘megafauna’ is bezig te wereld te heroveren, de taal zal verdwijnen en we zullen zonder verhalen zijn, zoals een kind dat nog geen voorkennis heeft. 

    Hoewel Broeksma Nederlands gestudeerd heeft, gaat haar grootste passie uit naar natuurlijke historie, zoölogie en biologie. Ze werkt volgens een interview in Tubantia al vier jaar aan een boek over schubdieren en het is haar grote wens er een te vinden. Daarvoor reisde ze verschillende keren naar Zuidoost-Azië. Het schubdier, dat bijna uitgestorven is, was ook de aanzet om te schrijven over de verhouding tussen mens en natuur, waarvan deze bundel getuigt. Het schubdier staat wellicht symbool voor de draak, waarover ze in verschillende gedichten schrijft. 

    Geheimzinnige deurtjes

    Broeksma houdt van het verborgene, het mysterieuze in de natuur die eens weer de overhand zal nemen. Haar gedichten gaan over geheimzinnige deurtjes die je maar beter dicht kunt laten, over verdwijnen in een verborgen wereld. Ze voelt zich verbonden met de magische ‘Nachtseite’ van de natuur, die sprookjesachtig is, maar net als sprookjes gevaar en dreiging behelst. Via taal en namen als toverspreuken probeert de dichter zich toegang te verschaffen tot die onderwereld, die haar toch vreemd en sinister blijft. Als Alice in Wonderland spreekt ze in diverse gedichten over deurtjes, tunnels, kruipruimtes en kastjes, om zich in te verschuilen en te verdwijnen. 

    Ballingschap is de afdeling waarin de dichteres in vijf gedichten over zichzelf en haar kinderjaren vertelt. In tamelijk lange gedichten, waaronder enkele prozagedichten, spreekt ze in wat bijna parlando is over haar liefde voor dieren, over een excursie van vogelaars met Nico de Haan en het platteland:

    ‘Het platteland zegt iemand’

    meteen voel ik iets prikken in mijn keel
    de schuren waar de dieren waren
    die je niet kan zien maar wel kon ruiken:
    hun angst, de korrels die ze aten

    zondagen werden er gesmoord in schuurmachines
    het gapend gazon voor de deur waarin sprookjes verdwenen
    hoe groter de tuinen hoe meer de mensen binnen bleven
    vreemd verbond van spoken tussen velden bossen wegen

    ik zocht me een weg en dook in conifeer
    rook het dichtschroeien van taal
    vlees wonden perspectieven
    de eindeloze dagen op de fiets
    waarin we het diepe kijken verleerden
    de ogen afstelden op standje roedelleven

    […]

    Wie het platteland zo ervaart, moet zich wel een balling voelen. In de daaropvolgende afdeling Uittocht heeft de dichter daarom gekozen voor de uiterste consequentie ‘om in het wild te leven’. Er is zelfs sprake van een Walden, zoals Thoreau dat wilde opzetten, in het gedicht Onder Breda. Het valt op dat de gedichten lyrischer van toon worden als het gaat om iets dat haar aan het hart gaat: het parlando maakt plaats voor lyriek met alliteratie en assonantie en het ritme wordt als vanzelf sterker, zoals in de laatste strofe van Cameraval, waar een lynx door verborgen camera’s tot louter studieobject verworden is: ‘laat mijn droomlynx passeren / haal de ogen van de bomen / tot een wilder weten vanuit verre velden / weer kan spreken / maak het duister op haar pad’

    Frisse metaforen

    Broeksma gebruikt geen leestekens, op een enkele komma na en hoofdletters voor de goden in de gedichten van de eerste afdeling. Humor en zelfspot zijn haar niet vreemd. Maar vooral weet ze frisse metaforen en andere beeldspraak te verzinnen. Taal is een middel om de wereld te begrijpen, maar ook om die in te delen, te classificeren, zoals in de laatste strofe van Lied voor een lavendelmot in de afdeling Influisteringen: ‘[…]  / waarin taal zich strekt als landingsbaan / een ophangrek om de wereld aan te drogen / en ik noem de mot, ik noem haar naam  / en ze vliegt weg’

    Zoals in het gedicht Levend kruidboek verwezen wordt naar Carl Linnaeus, die de grondlegger was van de classificatie van dieren, planten en mineralen.

    De laatste afdeling is Terugkeer, niet die naar de bewoonde wereld, maar juist terug naar de natuur, ‘dieper het oerwoud in’. Hier wordt een vrede en rust bereikt die een hoogtepunt vindt als ‘een man met een draak aan zijn zijde’ de dichter leert om ‘alle schitteringen van de wereld samengeperst’ te zien door haar eigen draak op te roepen in het gedicht Opwekking: ‘[…]

    ‘dus loerde ik tweemaal daags schuin omhoog
    terwijl mijn vingers met de grond verbinding maakten
    ik loerde en loerde maar, de horizon bleef onbewogen
    toen werd er iets wakker in mijn onderrug
    kwam wervel voor wervel naar boven gekropen’

    Dat het laatste gedicht Completen heet, ‘avondgebed’ met de associatie van ‘compleet’ hoeft niet te verwonderen: het is een smeekbede om de natuur met rust te laten.

     

     

  • Oogst week 35 – 2021

    Wissel op de toekomst

    Wissel op de toekomst Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde, van Soetan Sjahrir. 

    Soetan Sjahrir (1909-1966) was oud premier van de Republiek Indonesie. Gedurende de dekolonisatie van Indonesië (1945–1949) was een belangrijke rol weggelegd voor deze kritische jongeling. Toen hij eind jaren twintig ging studeren in Amsterdam, ontmoette hij de Hollandse Maria Duchâteau. Zij werd Sjahrirs geliefde en strijdkameraad voor een vrij Indonesië. Zij volgde hem naar Indië, waar hij een politieke partij zou opzetten, maar werd teruggestuurd door het koloniale gouvernement. Vanuit die positie ontstond een briefwisseling. De brieven die Sjahrir aan Duchâteau schreef zijn zeer afwisselend, met een scherpe visie op de geopolitieke situatie en koloniale werkelijkheid, maar ook brieven vol verlangen en heimwee naar elkaar. In 1936 huwden zij ‘met de handschoen’, pas  in 1947, anderhalf jaar nadat Sjahrir was uitgeroepen tot premier van de Republiek Indonesië, zagen zij elkaar weer.

    Keuze uit de brieven is gemaakt en bezorgd door Kees Snoek, aangevuld met een biografische schets.
    Athenaeum Boekhandel publiceerde de eerste brief.

    Wissel op de toekomst
    Auteur: Bezorgd door Kees Snoek
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Toen ik klein was, was ik niet bang

    Gershwin Bonevacia (1992) is dichter, spoken word artiest en de huidige stadsdichter van Amsterdam. Kort geleden verscheen zijn nieuwe dichtbundel, Toen ik klein was, was ik niet bang. We maken kennis met Gush, de 10-jarige Gershwin Bonevacia die opgroeit in Rotterdam-Zuid. Een rebels en onbevangen kind, ondanks dat hij moeilijk meekomt op school en worstelt met dyslectie en racisme. Maar Gush is niet bang. Pas later vroeg Gershwin zich af: ‘Gush, waarom was je niet bang?’

    In deze bundel gaat Gershwin Bonevacia in dialoog met zijn 10-jarige ik middels een reeks zelfportretten en herinneringen over zijn worsteling met dyslectie, migratie, onveilig opgroeien en zijn droom om ooit astronaut te worden. Een onderzoek naar familiebanden, onverwerkte trauma’s, vergeten geschiedenis en kind-zijn. Toen ik klein was, was ik niet bang is een ode aan zijn jonge onbevreesde ik en een verwoede poging om die weer meer onderdeel van Gershwin Bonevacia te maken. Hier enkele strofen uit de bundel:

    ‘Tussen de middag’

    er zijn goede en slechte kinderen
    de slechte kinderen zijn verlaten door hun vader
    de goede kinderen gaan tussen de middag naar huis
    alle slechte kinderen worden opgehaald
    door een neef
    soms komt de neef niet
    de goede kinderen gaan naar de camping
    alle slechte kinderen worden gepest
    meisjes worden voorbereid op een cyclus
    zwarte kinderen worden profvoetballer
    ben je een gebroken kind
    dan word je gelijmd
    maar alleen als je ophoudt je te schamen
    (…)

    Toen ik klein was, was ik niet bang
    Auteur: Gershwin Bonevacia
    Uitgeverij: Das Mag

    Harlem Shuffle

    Colson Whitehead (1969) is een New Yorkse romanschrijver. Met De jongens van Nickel (2019) won hij de Pulitzerprijs.

    Zijn laatste roman, Harlem Shuffle, gaat over meubelverkoper Ray Carney, die een fatsoenlijk leven probeert te leiden. Zijn buren in 125th street in Harlem zien hem als beschaafd man, maar weten niet dat Ray afkomstig is uit een familie van bendeleden en boeven. Ray heeft er alles aan gedaan daar los van te komen. Hij heeft veel bereikt, zijn vrouw is in verwachting, beter kan het gewoon niet.

    Dan begint zijn brave burgermansbestaan barsten te vertonen. Barsten die steeds groter worden dankzij zijn louche, onfortuinlijke neef Freddy, die dankbaar gebruikmaakt van Rays keurige façade – en hem ondertussen de Harlemse onderwereld in sleurt. Terwijl Ray worstelt met zijn dubbelleven wordt het hem steeds duidelijker wie de touwtjes in handen heeft in Harlem. De vraag is of Ray hier zonder kleerscheuren vanaf komt, zijn burgermans leventje weer herpakken kan.

    Harlem Shuffle
    Auteur: Colson Whitehead
    Uitgeverij: AtlasContact
  • Moeilijke boeken

    Moeilijke boeken

    Vorige week fietste ik naar een boekpresentatie aan de Prinsengracht. Eerst fietste ik zes kilometer naar station Dieren, een van de mooiste stations die ik ken. Vandaar met de trein naar Amsterdam. Onderweg las ik verder in het boek dat gepresenteerd zou worden. De openingszin, ‘Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit.’, is een geweldige zin. Een indrukwekkende oppermacht doemt voor me op als ik over deze trekker lees. ‘Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. (…) Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder.’ 

    Ik moest op Prinsengracht 119 zijn. Ik was mooi op tijd. Uit het pand kwam een oudere man naar buiten. Ik vroeg hem naar de uitgeverij op dit adres. De man, die ik herkende als de dichter die ooit debuteerde met de bundel, Mijn broertje kende nog geen kroos, een waarlijk onheilspellende titel, keek me peinzend aan. Hij legde een vinger tegen zijn lippen, zei ‘Maar, dat is verder. Veel verder, op nummer 1119!’ Ik zette een tandje bij, ontweek net behendig genoeg andere straatgebruikers. Een jong vijgenboompje, bestemd voor de schrijver, slingerde heen en weer in een papieren tas aan het stuur. Op nummer 1119 zat geen uitgeverij. Toen dacht ik aan het archiefkaartje in mijn tas, waar ik het adres had opgeschreven. Ik las, Prinsengracht 911. Hoofdschuddend trapte ik de weg terug, over losliggende klinkers, door niet te vermijden kuilen. Tot de bodem van het papieren tasje scheurde, zwarte aarde spatte op straat. Met het boompje in mijn arm geklemd kwam ik net op tijd aan voor de afsluitende woorden van een toespraak. Het boek was er, de schrijver straalde. Er was wijn, er werd over het boek gesproken.

    Iemand zei het een moeilijker boek te vinden dan haar eerste. Ik zei zomaar dat moeilijke boeken de beste zijn. Dat zogenaamde pageturners zo lekker weglezen omdat er niets nieuws in staat, voelen als een aangenaam briesje op een warme zomeravond. Dat boeken die een duidelijke taal spreken, maar waar je desondanks niet alles van begrijpt, je uit de denkvorm trekken. Dat de schrijver zo’n boek geschreven heeft. Een wordingsverhaal over wie we ooit waren, nooit geworden zijn en wie we wel geworden zijn. Verteld door Elke, ik-figuur in deze wonderlijk mooie, intrigerende roman. Als een refrein in het verhaal komt ‘de vrouw die ze nooit werd’ steeds naar voren. Naast het mythische verhaal over de oorsprong van man, vrouw, landbouw, overlevering, kringloop van de natuur is er de veredeling van groenterassen. De zoektocht van bioloog Elke naar de weg terug van veredeling, door middel van het terugbrengen van een erwtenras naar zijn oervorm. Daartussen de relativerende opmerkingen van de vrouw die ze nooit werd: ‘Kunnen we nu eindelijk naar huis, klaagt de vrouw die ik nooit werd.’ Of, ‘Erg wollig allemaal – ja, ik ben er nog, sist de vrouw die ik nooit werd.’ Wormmaan, is een geweldige roman die aan veel raakt waarmee we nu leven en worstelen. En ja, niet alles is direct te doorgronden, maar dat, beste mensen, zet ons in beweging, maakt het ongekend boeiend. Lees dit boek!

     

     

    Wormmaan / Mariken Heitman / 259 blz. / AtlasContact


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Ambitieuze roman tegen de achtergrond van de nieuwe staat Zambia

    Ambitieuze roman tegen de achtergrond van de nieuwe staat Zambia

    De ‘Grote Afrikaanse Roman’ lijkt in de lift te zitten. Nadat de in voorbije zomer Kintu van de Oegandese Jennifer Nansubuga Makumbi de bestsellerlijsten aanvoerde, is er nu niets dan lof voor De rook die dondert,  debuut van Namwali Serpell en het Zambiaanse antwoord op Kintu. Serpell is geboren in Zambia, maar woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Heden ten dage is ze gerenommeerd hoogleraar Engels aan Berkeley University en wordt ze beschouwd als een van de meest veelbelovende Afrikaanse schrijfsters.

    Verschillende genres

    De rook die dondert is een ambitieuze roman die speelt tegen de achtergrond van de nieuwe staat Zambia. In een tijdspanne van 120 jaar schetst Serpell het ontstaan en de groei van een natie, met alle problemen en gevoeligheden die ermee gepaard gaan. Ze doet dat op een weergaloze manier. Serpell mixt verschillende genres bij elkaar om zo te komen tot de referentieroman van deze prille staat: zowel de historische roman als de liefdesroman komen aan bod, maar evenzeer thriller en sciencefiction, familiekroniek en psychologische roman, dit alles overgoten met een flinke saus magisch realisme.

    Voor de lezer die graag een rechttoe rechtaan verhaal heeft, is het misschien overdreven. Het is immers zaak de hele tijd de onderlinge relaties goed in de gaten te houden. Serpell laat heel wat thema’s aan bod komen in haar grote roman: kolonisatie, racisme, gendergelijkheid, feminisme, liefde, AIDS, nieuwe technologische ontwikkelingen. Dat maakt het boek zo rijk, maar ook ingewikkeld en soms moeilijk om te volgen. Gelukkig heeft ze een stamboom toegevoegd om de onderlinge relaties steeds goed te kunnen bij houden. 

    Drie oermoeders

    Het boek begint en eindigt bij de Victoriawatervallen en de Kambezi-dam. Vandaaruit volgt de lezer de lotgevallen van drie generaties wier lot op wonderbaarlijke wijze met elkaar verbonden lijkt. De drie stammoeders hebben nochtans verschillende achtergronden. De Italiaanse Sibilla, die een afwijking heeft – ze is namelijk overal behaard – volgt haar geliefde om in Zambia een nieuw leven op te bouwen. De veelbelovende Britse tennisspeelster Agnes wordt plots blind, ze wordt verliefd op een zwarte ingenieur en gaat er met hem vandoor naar Zambia.

    Daarnaast is er de autochtone Matha, wonderkind tegen wil en dank, maar aangezien meisjes geen onderwijs krijgen in Zambia, doet ze zich voor als jongen om toch te studeren. Ze wordt opgenomen in het Zambiaanse ruimtevaartprogramma, maar wordt ongewenst zwanger en moet noodgedwongen de wetenschap verlaten. De kinderen en kleinkinderen van deze drie oermoeders groeien in vaak moeilijke omstandigheden op in het pas opgerichte Zambia en worden door het lot steeds dichter naar elkaar toe gedreven tot ze in een zinderende finale (in de nabije toekomst) een nieuwe revolutie ontketenen.

    Serpell heeft heel veel research gedaan. Heel wat zaken zijn historisch correct, maar ze overdekt alles met een laag fictie. De stijl is zeer direct en beschrijvend, dat maakt het nochtans lijvige boek aangenaam en vlot om lezen. De personages zijn bijzonder goed en gedetailleerd uitgewerkt, levensecht en geloofwaardig, ondanks de soms bizarre gebeurtenissen. Matha, bijvoorbeeld,  is een historische figuur die deel uitmaakte van het historische Zambiaanse ruimtevaartprogramma, het Afrikaanse antwoord op de Amerikaanse en Russische race naar de maan. Eigenlijk meer propaganda dan een echt ruimtevaartprogramma, geleid door revolutieleider Nkoloso. De manier waarop Serpell dit deel beschrijft is ronduit schitterend.

    Actualiteit versus science-fiction

    Hoewel het dus historisch correct is, beschrijft ze dit onderdeel met heel veel ironie en humor en ziet de hilariteit ervan in. Serpell slaagt erin de kritiek op corruptie en onderdrukking op een omfloerste, maar toch duidelijke manier weer te geven. Ook speelt ze graag met motieven. Een van de belangrijkste motieven is ongetwijfeld: hoofdhaar. Haar speelt een belangrijke rol in het leven van nagenoeg alle hoofdpersonages, en met de haargroei of het verlies van haar gaan levens gepaard.

    De beschrijving van de race naar een vaccin tegen het Virus (AIDS) doet akelig actueel aan en schetst de problemen waarmee men geconfronteerd wordt bij de ontwikkeling van vaccins. In het laatste deel, puur science-fiction, zoomt Serpell in op de technologische evolutie en beschrijft ze hoe de Afrikaanse bevolking wordt gebruikt als proefkonijn bij verschillende vernieuwingen. Tegelijk probeert ze de weerbaarheid van de kleine revolutionairen te schetsen die niet zomaar geloven in de voordelen van de grote technologische revolutie. 

    De rook die dondert is een huzarenstuk geworden: rijk aan genres, rijk aan thema’s, rijk aan kleurrijke personages. De beeldende stijl zorgt ervoor dat de lezer zeer betrokken raakt bij het gebeuren, ondanks de soms bizarre gebeurtenissen. Serpell geeft een mooie inkijk op kolonisatie en vooral dekolonisatie en de gevolgen van een zich steeds sneller ontwikkelende maatschappij. Met dit debuut heeft ze zich onmiddellijk op de kaart gezet als betekenisvolle wereldliteratuur schrijver.

     

  • Oogst week 41 – 2020

    Zo tedere schade

    Hans Vervoort (1939) groeide op in Nederlands-Indië en kwam in 1953 naar Nederland. Vanaf 1970 publiceerde hij vele boeken, waaronder enkele jeugdboeken en Het bedrijf, een autobiografische trilogie over zijn tijd dat hij als marktonderzoeker en tijdschriften uitgever bij de Weekbladpers werkte.

    Zijn nieuwe boek Zo tedere schade…, is een kleine roman over Hans Heijmenberg die na een huwelijk van vierenvijftig jaar zijn vrouw verliest. Zij deelden hun Indisch verleden met elkaar en waren soulmates voor het leven. Zijn vrouw sterft aan longkanker, waarvoor hij zich schuldig voelt. Hij was een fervent roker en zij, als nietroker, rookte ongewild met hem mee. Na haar dood doet hij zijn best zichzelf dood te drinken. Dit lukt hem echter niet, hij kan meer alcohol verdragen dan hij dacht. Dan besluit hij een door zijn vrouw geuitte wens uit te voeren. Kort voor haar dood las ze een bericht over een onopgeloste moord op een jonge vrouw bij kamp Walaardt Sacré, waar haar man in 1960 zijn diensttijd doorbracht. Een jaar na haar overlijden begint hij de 60 jaar oude, onopgeloste moordzaak te onderzoeken.

     

    Zo tedere schade
    Auteur: Hans Vervoort
    Uitgeverij: Uitgeverij Brooklyn

    Voor permanente bewoning

    Anna de Bruyckere (1987) debuteert met de bundel Voor permanente bewoning.  Eerder werd haar werk gepubliceerd in onder andere Het Liegend Konijn, De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Middelburg.

    Haar gedichten kenmerken zich door verrassende wendingen, zo wordt regenen een vorm van prevelen. Ontpopt een warm bed zich als een plaats voor nietsontziende zelfreflectie. En uit het geel in een verder grijze polder wordt als een schuchter liefdesgedicht een warm blakend vest / precies jouw maat geweven.
    De Bruckere heeft duidelijk oog voor de kleine dingen, ze beschrijft dat, wat ons levenslang bezighoudt.  De uitgeverij  noemt, ‘Voor permanente bewoning […] een opvallend debuut dat formuleert wat ons in onze alledaagse hectiek vaak ontglipt, omdat we het niet zien of er nog geen woorden voor hadden.’

    Naast poëzie schrijft ze essays, verhalen en theater.

    Voor permanente bewoning
    Auteur: Anna de Bruyckere
    Uitgeverij: Cossee

    Het smartlappenkwartier

    Philip Snijder (1956) groeide op in de oude volksbuurt Bickerseiland in Amsterdam. Een stukje ingepolderd land dat in de 17e eeuw een bedrijvig toneel van de scheepvaart was, maar later veranderde in een volksbuurt met verkrotte huizen en bouwvallige loodsen.
    Snijder debuteerde als schrijver met verhalen over zijn jeugd op Bickerseiland in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde.

    Het smartlappenkwartier is zijn vijfde roman, even als zijn voorgaande romans speelt ook deze zich af in de volksbuurt waar hij opgroeide. In zijn vorige boeken wordt beschreven hoe een jongen zich probeert los te maken uit de benauwenis van zijn familie.
    In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal, een ongeschoolde, wereldvreemde vrouw. Op een zondagmiddag is ze opeens verdwenen. Als ze zich ’s avonds meldt, krijgt haar zestienjarige zoon het telefoonnummer waarop ze te bereiken zou zijn. Hij stapt op zijn Puch en verdwaalt in de herinneringen aan hun gezamenlijke verleden, waarin strijd, haat en schaamte de boventoon voeren.

    In een interview bij VPRO’s Nooit meer slapen vertelde de schrijver dat zijn moeder, hoewel ze verder niet echt naar haar kinderen omkeek, wel elke avond bij het naar bed gaan een kwartiertje bij hem op bed kwam liggen en daar de ene na de andere smartlap voor hem zong. Vandaar de titel, Het smartlappenkwartier.

    Het smartlappenkwartier
    Auteur: Philip Snijder
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eva

    De roman Eva verscheen in 1927 en baarde gelijk veel opzien en werd vele malen herdrukt. Hij werd als de belangrijkste roman van Carry van Bruggen gezien. Van Bruggen werd in 1881 geboren als Carry de Haan, ze was de zuster van Jacob Israël de Haan, die in 1919 als zionist naar Palestina emigreerde. Daar werd hij op 30 juni 1924 vermoord tijdens een terroristische aanslag van een Joodse paramilitaire organisatie.

    Eva, de roman die bij het verschijnen in 1927 veel opzien baarde en sindsdien vele malen is herdrukt, is een openhartige zelfportret, een biecht waarin via een voortdurende dialoog met haar alter ego beleden wordt dat de zin van het bestaan gelegen is in strijd met de wereld, in zelfstrijd. Eva is de geschiedenis van een jonge vrouw die zich losmaakt uit het milieu waaruit ze komt en van het orthodoxe geloof waarmee ze opgroeide. De dood van haar broer speelt een belangrijke rol in deze roman. Kort na verschijning van Eva belandde Van Bruggen in een jarenlange depressie, die uitmondde in een zelfmoord in 1932.

    Vanaf haar debuut In de schaduw (1907) publiceerde Van Bruggen verhalen en romans. Onder meer het sterk autobiografische Het huisje aan de sloot (1921).

    Eva
    Auteur: Carry van Bruggen
    Uitgeverij: Querido
  • Vlieg op de rand

    Vlieg op de rand

    Het aanbod aan meningen is overweldigend, ik zwalk er van links naar rechts, langs zwart en wit, roze en rood tussendoor. Mij ontbreekt richting, een voorschrift. Het is als het betreden van een zonbeschenen brede avenue, zoals de Avenida da Liberdade in Lissabon. Komend vanuit de smallere straten van de binnenstad weet ik niet waar ik kijken moet, begin te lopen als een dronkaard over uitgestrekte vlakten. Niet dat ik nu in Lissabon ben, maar het gevoel is er. Nu kijk ik naar de vlieg op de rand van de broodplank, hoe die zijn pootjes wrijft, zich voorbereidt op iets. Onderwijl zoek ik een gevel om tegenaan te leunen, tot een overzicht te komen. In Mazzeltov van de Vlaamse schrijver Margot Vanderstraeten is de werkstudent die de schrijver toen was, op zoek naar het goede, naar overeenkomsten van afwijkende levens. In 1987 komt ze als twintigjarige werkstudent bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen als huiswerkbegeleider. 

    Bij de eerste kennismaking zegt de vader nadat hij haar uitgestoken hand heeft aangenomen. ‘Zullen we dat maar één enkele keer doen? Als u mij de hand reikt, zal ik hem drukken, want ik respecteer u en uw gewoonten, nietwaar. Maar veiligheidshalve geven wij, orthodoxe joden, geen hand aan een vrouw.’ Duidelijkheid, daar snak ik dus naar.
    De vader, in het eerste oorlogsjaar geboren, werd in een onderduikgezin in Wallonië geplaatst, op zijn vijfde weer opgehaald door zijn moeder, die Auschwitz overleefde. De student vraagt zich vrijpostig de dingen af waar een ander niet aan durft te komen. Of de vader het onderduikgezin in Wallonië nog wel eens heeft opgezocht. De vader, door emoties bevangen, ‘Er bestaan twee soorten verdriet, onthoudt u dat. Een dat het kan verdragen om gekieteld te worden. En een dat zo groot is dat je ervan af moet blijven, zelfs met ogenschijnlijk onschuldige vragen.’ Kijk, zo’n inzicht geeft richting.

    Als ze met de grootmoeder een vertrouwelijk gesprek heeft, denkt ze dat deze misschien wel  ‘graag’ met haar over het kamp zou willen praten. ‘Gráág over praten? U vindt niemand die graag over de oorlog wil praten! En als u wel zo iemand vindt, moet u die persoon meteen wantrouwen! Zwijgen is het medicijn. Dus zwijg ik ook.’ Waarna de student ten ondergaat, en ik met haar door een golf van plaatsvervangende schaamte. In mij zit ook een alleswillenweter, de onbeschaamdheid van het denken.
    ‘Wij leven al in 5752’, zegt een van de kinderen. Dat doet de schrijver beseffen dat als de mensheid qua jaartelling al niet tot eensgezinsheid kan komen, hoe zou dat dan met al die andere gebruiken en gewoonten moeten?
    Mazzel tov is een doortastende zoektocht naar de waarde van de mens, ontdekken dat het westerse leven ook niet alles is. Met de familie en de student ontstaat een verbintenis voor het leven. Haar nieuwsgierigheid heeft mijn denken op een ander spoor gebracht. We komen allemaal uit een andere tijd, begrijpen elkaar niet, kunnen vrienden zijn.

     

    Mazzel tov / Margot Vanderstraeten / AtlasContact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft wakker bij een goed verhaal.

     

     

  • H.M van den Brink schreef een fijn vakantieboek

    H.M van den Brink schreef een fijn vakantieboek

    Vakantieverveling aan de Costa Brava leidde in 2005 tot de conceptie van Aurora schrijft, de nieuwe roman van H.M. van den Brink. Toen hij uit arren moede het schrijvershuis van Catalonië’s beroemdste schrijver Josep Pla (1897-1981) bezocht, wekte dit bij Van den Brink zoveel belangstelling dat hij het als  vakantieproject adopteerde. Vijftien jaar later, na uitvoerig onderzoek, besloot Van den Brink  zijn principes om niet over schrijvers en evenmin autobiografisch of biografisch te schrijven te ‘nuanceren’ en schreef hij een biografische roman waarin Pla’s verhouding met zijn grote liefde Aurora centraal staat.

    Josep Pla was in de eerste plaats journalist. Vanaf 1919 is hij actief als correspondent en later als parlementair journalist. Tijdens de Spaanse burgeroorlog vlucht hij naar Marseille waar hij als spion actief is voor Franco. Wanneer hij is teruggekeerd, schrijft hij een aantal boeken over zijn geboortestreek waardoor hij bekend staat als de chroniqueur van Catalonië. Vanaf de jaren vijftig schrijft hij reisreportages waarvoor hij zich bij voorkeur per olietanker verplaatst. In 1966, wordt zijn bekendste boek, Het grijze schrift, als eerste deel van het verzameld werk gepubliceerd- een soort dagboek waarin Pla’s herinneringen aan de periode 1918-1919 zijn beschreven. 1966 is ook het jaar waarin Aurora schrijft een aanvang neemt.

    Onzekerheid over Aurora

    Pla’s liefdesleven was in nevelen gehuld. Uit ongepubliceerde notities bleek dat Pla ooit met een zekere Aurora samenwoonde. De herinneringen die Pla aan deze relatie ophaalt – tijdens een reis per olietanker – staan centraal in deze roman waarin de gebeurtenissen op een heerlijk terloopse manier worden opgediend. De lezer verkeert vaak in lichte verwarring waar het verhaal naartoe gaat. Alsof je zelf ook een reis maakt en in prettige onzekerheid verkeert over wat de toekomst brengen zal.  

    Onzekerheid is een belangrijk thema in het boek. Onzekerheid over Aurora (Er is weinig over haar bekend en het personage Pla heeft weinig zicht op Aurora’s wensen en drijfveren) en onzekerheid over het verleden: stemt de herinnering overeen met de werkelijkheid? Als schrijver maakte Pla zich daarover weinig illusies. In zijn grijze schrift doet hij de werkelijkheid bewust geweld aan: onze herinneringen creëren de werkelijkheid.  Zonder dit allemaal uit te leggen refereert Van den Brink hieraan wanneer hij op de eerste pagina schrijft: ‘Het is, laten we zeggen, 21 januari 1966.’ 

    Dit wordt verder uitgewerkt wanneer blijkt dat Pla het laatste deel van Prousts Verloren tijd mee heeft genomen. Pla verwijt Proust zich te verschuilen achter de fictieve plaatsnaam Combray: ‘alsof je een alibi nodig hebt om de werkelijkheid zo te beschrijven als het je uitkomt’. Deze mopperkonterige weerspannigheid typeert hem als personage. Op zijn website noemt Van den Brink de schrijver Josep Pla een vreemd dubbelzinnig karakter waarvoor hij niet veel sympathie kan opbrengen. Hij vindt hem interessant, maar niet als schrijver. 

    Een sikkeneurige misantroop

    Deze distantie heeft een prachtig personage opgeleverd: Pla is neergezet als een sikkeneurige misantroop: eigengereid, geestig, egoïstisch, seksistisch, wispelturig, verre van politiek correct dus, zonder dat hij een karikatuur wordt. Terloops verweeft Van den Brink biografische feiten met interpretatie en fictie.

    Bovendien maakt Van den Brink tussen de regels zijn verhouding tot Pla subtiel duidelijk. Dit geestige, lichtvoetige spel met fictie en werkelijkheid manifesteert zich vooral aan het begin van het boek. Pla maakt regelmatig treffende en creatieve vergelijkingen, om er vervolgens aan toe te voegen dat alleen salonschrijvers dit zouden opschrijven. ‘Ze smeren er hun teksten vol mee als een hoer de groeven in haar facie, ze plamuren de werkelijkheid dicht met bloemrijke taal in plaats van gewoon de wereld te beschrijven zoals hij is.’

    Wie was Aurora?

    Dit getuigt van (zelf)spot van de schrijver, hij wordt als het ware beledigd door Pla die zijn beeldspraak belachelijk maakt. Tegelijkertijd benadrukt Pla’s decreet de wereld te beschrijven zoals hij is al zijn onbetrouwbaarheid, hij geeft de werkelijkheid weer zoals hij zich die wenst te herinneren. Wel pretendeert hij waarheidsgetrouw te zijn. Het benadrukt hoe Van den Brink zich als schrijver distantieert van de schrijver Pla. De journalistieke en autobiografische pretentie van Pla’s werk verschilt sterk Van den Brinks poëtica als romanschrijver die niet over zichzelf en niet over schrijverschap wil schrijven, maar over ‘echte mensen’ met ‘echte beroepen’. Het kenmerkt de relatie tussen Van den Brink en zijn hoofdpersoon. 

    In het tweede deel van de roman krijgt Aurora ook een stem. De vorm waarin dit gebeurt is opmerkelijk. Haar versie van het verhaal wordt in ik-perspectief opgevoerd, steeds afgewisseld door een hoofdstuk waarin Pla zijn licht op de gebeurtenissen laat schijnen in een personaal perspectief. Deze ongerijmdheid laat zich moeilijk verklaren. De hypothese dat het hele verhaal door Aurora zou zijn opgediend is niet houdbaar. Wanneer Pla het over Aurora heeft, spreekt hij van ‘Aurora’, ‘zij’ en ‘haar’. Als Aurora het hele verhaal had verteld, zou het ‘ik’ en ‘mij’ moeten zijn. 

    Ook inhoudelijk is Van den Brinks keuze niet goed te begrijpen. Misschien wil hij een spreekbuis zijn voor de stemloze Aurora als tegenwicht voor datgene wat de foute Pla over haar schrijft in zijn aantekeningen, en voor de geruchten die over haar de ronde doen. Maar als Van den Brink Aurora wil rehabiliteren, waarom heeft hij dan niet het hele boek vanuit haar beschreven? Op zijn website is te lezen dat Van den Brink de vraag wie zij nu eigenlijk was, belangrijk vindt. Maar geeft de roman daar uitsluitsel over?  In deze roman is het in ieder geval Pla die het beste in Van den Brink naar boven haalt en niet Aurora.
    Aurora schrijft is geboren tijdens een reis, gaat over een reis, en voelt als een reis. Een reis naar een andere tijd, een andere cultuur en een ander persoon. Een heerlijk vakantieboek dus, zeker als je thuisblijft.

     

     

  • Gewichtige motieven in meer dan goed boek

    Gewichtige motieven in meer dan goed boek

    Elke examenkandidaat moet eraan geloven: de mondelinge toets over de literatuurlijst. De ervaring leert dat Het Gouden Ei van Tim Krabbé op minstens de helft van de boekenlijsten prijkt. Onder adolescenten is het boek nog altijd razend populair, want toegankelijk geschreven, raadselachtig, eigentijds en precies spannend genoeg. Andere boeken bezorgen de examenkandidaat vooral angstzweet of, bij gebrek aan pen en papier, aangevreten nagelbedden. Hulde aan Gerwin van der Werf! Wie zijn roadnovel Strovuur gelezen heeft, kan in plaats van een mondelinge martelgang een geanimeerd gesprek verwachten.

    In deze vermakelijke roman rijdt de zeventienjarige Fay met haar neef, de twintigjarige Elvin spontaan naar Parijs. Die reis duurt zes dagen in een nu al legendarische gele Mitsubishi Sapporo. Michael Knight springt met zijn zwarte KITT van de ene naar de andere wolkenkrabber; mr. Bean scheurt in zijn Mini blauwe driewielers van de weg; Bassie & Adriaans Honda Prelude trakteert de kijkers elke aflevering op een vette knipoog. Niet dat Fays neef zwaar tilt aan de cultstatus van zijn vierwieler: ‘Elvin noemt zijn auto ‘De Sapporno’, dan heb je meteen een idee van zijn humor. Ik noem het een verroeste pauperbak.’ 

    Taboedoorbrekende coming-of-(r)age

    Strovuur wordt verteld vanuit het perspectief van Fay, die haar neef eigenlijk amper kent. Beiden kennen een nare geschiedenis, getekend door echtbreuk, verwaarlozing en depressie. Alle clichés vermijdend ontvouwt de schrijver deze thema’s even lichtvoetig als oprecht, even komisch als aardedonker. Zo verkondigt Fay een controversiële opvatting over suïcide: ‘Ik denk dat er voor zelfmoord veel moed nodig is’. Ze begrijpt haar vaders beslissing, hoe slecht haar moeder er ook mee omgaat. Grote Gijs, de asgrauwe mist van neerslachtigheid die haar vaders leven omsloot, beschouwt ze als een vriend die er niets aan kan doen dat hij is wie hij is. Daardoor maakt Fay een kwetsbare, veerkrachtige indruk en voorziet Van der Werf haar van de gespletenheid die de adolescentie eigen is: te oud om kind te blijven, te jong om volwassen te zijn. 

    De bij vlagen cartooneske Elvin is minstens even breekbaar. Wanneer het tweetal midden in Wallonië op een trage tractor stuit, ontploft de heethoofd: ‘‘Dat hebben wij weer, dat hebben wij weer,’ zei Elvin eerst nog grijnzend, maar ik zag zijn boosheid alweer de overhand krijgen, soms is Elvin echt een stripfiguur.’ Was Elvin de hoofdpersoon van het verhaal, dan zou het een coming-of-rage genoemd kunnen worden. Zijn woedeaanvallen brengen hen regelmatig in de problemen, waardoor Fay zich slimmer voelt dan haar neef. Dit mag cognitief zo zijn, maar dan pareert Elvin: ‘Weet je wat jouw probleem is? Jij bent zo slim dat je er zelf last van hebt. (…) Het is geen potje dammen met woorden hè? Van het echte leven begrijp jij geen ene ruk!’ Over het echte leven gesproken: de auteur speelt voortdurend met het spanningsveld tussen waarheid, verzinsel en echtheid. Zo houdt hij de lezer scherp. Fays binnenwereld blijven doorgronden is wel degelijk een potje dammen met woorden.

    Ironie en hipsters als ziektes van deze tijd

    Fay ontpopt zich als maatschappijkritische powervrouw in spe. Zij heeft lak aan prestige of uiterlijk en is klimaatbewust: ‘De auto blies een enorme wolk grijze rook uit, ik schaamde me, niet voor de andere automobilisten in die dure auto’s, maar voor de bomen langs de weg waar de wolk heen trok. Ik vertelde de bomen dat ik nog nooit in een vliegtuig had gezeten.’ Bovendien weigert Fay te buigen voor de dictatuur van het vrije woord, die in haar gegoede, witte milieu alles gedoogt en niks bevraagt: ‘Straattaal wordt bij mij op school ironisch gebruikt, zoals ze bij ons ironisch naar André Hazes luisteren en op ironische wijze racistische opmerkingen maken. (…) Ik haat het.’ Je begint langzaamaan te snappen waarom Fay naar Parijs vlucht. 

    Ook de Hollanders die Fay en Elvin op een Waalse camping aantreffen, zijn verrukkelijk irritant. Het hipsterstel Sven en Florine raadt hen aan te blijven, omdat ‘het hier minstens zo leuk was als in Parijs, (…) je kon kanoën, mountainbiken, abseilen en andere ‘vette dingen’’. Daarbij heeft Sven een tribe op zijn arm laten tatoeëren, uiteraard ook weer als ironische culturele toe-eigening. Over Fays altvioolkist weet de nep-Viking niets beters te gniffelen dan dat ze wel moet uitkijken met het machinegeweer. Tijdens een gesprek over Karel de Grote, die volgens Sven Frankrijk bestuurde rond 1500, vergaapt Fay zich aan de domheid van de veertiger: ‘Het was Karel de Vijfde, niet de Grote, en Frankrijk was nu juist het enige land waar hij niet over regeerde, maar goed. Het was gênant hoe weinig iedereen wist, nog gênanter was (…) vooral Sven, de gemakzucht waarmee hij zich indekte voor vergissingen, met zo’n achteloos uitgesproken ‘volgens mij…’, waarop de grootste onzin volgde.’ Wie meer van zulke smeuïge tirades tegen geraaskal zoekt, zit bij Van der Werf geramd. Toch biedt het boek meer dan aan onnozelaars gerichte scheldkanonnades en smakelijke ergernissen à la Jan Mulder.

    Lijdensfiguur

    Strovuur is verfrissend no-nonsense. Daarnaast bevat het voldoende gewichtige motieven om meer te zijn dan een goed boek. Eén intertekstuele verwijzing geschiedt zo talrijk als zandkorrels op het strand en sterren aan het firmament. Alleen al het feit dat het eerste dorpje waar het tweetal tankt, de naam Kruishoutem torst. In het gebedenboek, door Fay in een opwelling gestolen uit een klooster dat ze ooit met haar vader bezocht, zingt de Messias: ‘Ik ben opgestaan en ik ben met je.’ De schrijver brengt een nieuwe gelaagdheid aan in een gegeven dat vaker in literatuur vervat is: Jezus Christus als symbool voor het lijden.

    Volgens Tachtiger Willem Kloos is de dichter een gekweld genie dat lijdt zoals de Verlosser. Van der Werf gooit het over een andere boeg: de depressieve mens weet pas echt wat lijden is. Voor de met somberheid worstelende Fay is dit echter geen excuus zichzelf als lijdensfiguur te zien. Haar zelfbewustzijn is ontzagwekkend groot zonder aan geloofwaardigheid in te boeten: ‘Ik weet best hoe dit klinkt. Ik heb nooit beweerd ongevoelig te zijn voor puberaal melodrama van het type ‘oh-my-god-ik-ben-zó-anders!’’ De lezer weet wel beter. De suïcidale mens als symbool kiezen voor het lijden, is niet slechts dapper, het is bovenal volkomen logisch. Dit menstype erkent de onderwerping aan zijn doodsverlangen: ‘Het ultieme wilsbesluit: jezelf willoos maken. Je bent de baas over jezelf en je draagt de macht over.’ In een wereld waarin maakbaarheid, optimisme en Instagrammability domineren, zegt Strovuur: leven is geen heilige plicht. Maar eigenlijk zegt het zoveel meer. Als dit waanzinnige boek op de lijst staat, hoeft geen literatuurtentamen meer hetzelfde te zijn.

     

     

  • Details

    Details

    Terwijl ik nadenk over de uitspraak van de koning, ‘Sobibor begon in het Vondelpark,’ hoor ik op de radio Arnon Grunberg. Het is zaterdagochtend, ik zit aan de lange tafel aan de tuinkant van de kamer, de ongelezen krant voor me. Het waren de borden Verboden voor Joden, die de eerste stap zette naar uitsluiting van een bevolkingsgroep, naar het concentratiekamp, een schokkend begrijpen. Grunberg is te gast bij Nieuwsweekend om te praten over zijn 4 mei voordracht. Met welk doel heeft hij die geschreven? ‘Herdenken is pas zinvol als je pogingen doet tot kennisoverdracht’, zegt Grunberg. En, ‘Ik heb dit geschreven met het oogmerk om een beeld te geven van wat daar echt gebeurd is.’

    De zon straalt dwars door de kronkelende tulpen die op de vaas staan, schaduwen op het tafelblad. Grunberg zegt dat we naar de details moeten kijken, dat algemeenheden geen indruk maken. Ik denk aan het boek Draaidagen. Dat begint met het rinkelen van porselein, ‘En ik geef je de roomboter aan. Mijn ogen volgen de botervloot. (…) Ik kijk hoe je hem naast je bord zet. Het kort rinkelende geluid van porselein. Het geschuif over het tafelblad.’

    Judith is opgevoed door haar oma Nini, concentratiekamp overlevende. Na een verbroken studie woont Judith weer bij haar oma. Oma Nini heeft nooit over haar oorlogsverleden gesproken, nu ze dementeert, wordt ze angstiger, verstopt zich in een kast, verdwaalt op weg naar de bakker. Judith heeft Nini altijd in haar hoofd bij zich, praat met haar. Als figurant speelt ze in een film over de deportatie van joden uit de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch. De vernietiging van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt als een vernuftig draadje uitgesponnen van heden naar verleden en weer terug. Alles is zo uitgekiend gedoseerd dat ontroering me op verschillende momenten overvalt.

    In de film figureren kinderen met een beperking. Een jongen met het syndroom van Down wordt door een acteur die een SS’er speelt in het gezicht geslagen. Omdat hij treuzelt met zich uitkleden (de jongen acteert niet). Judith denkt, ‘Mag dit eigenlijk wel? (…) Waarom zo wreed? Ziet hij dan niet dat ze hun best doen zo snel mogelijk te zijn?’ Overheersing maakt machtig, ook als je een rol speelt.

    Boer beschrijft een gaskamer scène. De camera filmt vanuit de kleedkamer waar de gevangen zich in een eerdere scène hebben uitgekleed als de deur van de gaskamer wordt ontgrendeld (niet geopend, ‘ontgrendeld’). Lichamen rollen de kleedruimte in. Verbrijzelde schedels, gebroken lichaamsdelen, uitwerpselen, bloed. Deze passage sluit Boer af met, ‘De meesten stierven bij de deur. Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’

    Dit detail beneemt me de adem. Niet de verbrijzelde schedels of lichamelijke secreties, maar dit, ‘Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’ Waarmee de doodsangst, het gevecht om te overleven voelbaar wordt. Dat wat er echt gebeurd is, pas door de details werkelijkheid worden. Bianca Boer schreef een ongelofelijk indrukwekkend boek.

     

     

    Draaidagen / Bianca Boer / AtlasContact (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.