• Oogst week 28 – 2021

    Tot de dood ons scheidt

    De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver is ook in Nederland al lang geen onbekende meer. Vooral haar We moeten het even over Kevin hebben werd een bestseller. Daarin liet ze een moeder reflecteren op levensvragen naar aanleiding van door haar 16-jarige zoon gepleegde moorden. Zojuist is van Shriver Tot de dood ons scheidt verschenen. Het echtpaar Cyril en Kay, dat de martelgang heeft meegemaakt van een (schoon)vader die aan Alzheimer is overleden, neemt zich voor om zelf op tijd, als Kay tachtig wordt, uit het leven te stappen. Cyril, die arts is begint erover: ‘Ik heb genoeg geriatrische patiënten zien komen en gaan om vrij overtuigend te kunnen stellen dat heel weinig mensen de “kwaliteit van leven” die we tegenwoordig zo vanzelfsprekende vinden na hun tachtigste nog behouden (…) Het is een mooi rond getal. Dus ik stel me zo voor dat tachtig de grens is’. Hoe dichter die leeftijd nadert, hoe meer vraagtekens het echtpaar bij die keuze stelt. Wat voor mogelijkheden gaat de geneeskunde bieden? Wanneer is leven voltooid? Wat is ‘kwaliteit van leven’?

    Tot de dood ons scheidt
    Auteur: Lionel Shriver
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia is de derde roman van de Georgische schrijver Dato Turashvili die in het Nederlands werd vertaald. Deze nieuwste heeft als plaats van handeling Amsterdam. Zijn grootvader Melenti is daar kort na de Tweede Wereldoorlog vanuit een Russisch strafkamp naar toegevlucht, maar wat hij daar precies heeft uitgevoerd is nooit bekend geworden. Turashvili probeert het te achterhalen. Eén van de thema’s die in de roman aan bod komen is de beruchte opstand van de Georgiërs op Texel (ook wel ‘de Russenoorlog’ genoemd) in 1945. Was zijn grootvader daarbij betrokken? Had hij daar zijn verbanning naar het strafkamp van Stalin te danken?

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia
    Auteur: Dato Turashvili
    Uitgeverij: Cossee

    Het laatste kind

    Het laatste kind in de roman Het laatste kind van Philippe Besson is jongste zoon Théo. De roman doet verslag van de gevoelens die moeder Anne-Marie bestormen als ze hem mee helpt verhuizen. Ze beseft dat haar leven er vanaf nu anders uit zal zien. Als Théo voor de laatste keer voor het ontbijt naar beneden komt lezen we: ‘Ze kijkt naar hem terwijl hij op zijn plekje gaat zitten: zijn haar is ongekamd en zijn gezicht is nog slaperig, hij draagt alleen een onderbroek en een vormeloos T-shirt en loopt op blote voeten over de tegelvloer. Niet op z’n voordeligst, en toch met een schoonheid die haar blijft verbluffen en met trots vervullen. En meteen denkt ze, terwijl ze zichzelf had bezworen dat niet te doen, terwijl ze tegen zichzelf had herhaald: nee vooral niet aan denken, ja, nu denkt ze, op gevaar af dat het pijn doet, op gevaar af dat ze een hik, een snik niet kan onderdrukken: het is de laatste keer dat hij zo verschijnt, het is de laatste ochtend’.

    Het laatste kind
    Auteur: Philippe Besson
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 27 – 2021

    Een modern verlangen

    Hanna Bervoets (1984) is auteur van onder meer romans, scenario’s, korte verhalen, essays en toneelstukken. Haar boeken worden regelmatig genomineerd voor belangrijke literaire prijzen. In 2017 kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Dit jaar schreef zij het goed ontvangen boekenweekgeschenk Wat wij zagen, waarvan de vertaalrechten al voor het verschijnen aan zeven landen werden verkocht. Vrijwel gelijktijdig verscheen Een modern verlangen, een bundel met veertien korte verhalen over, op het eerste gezicht, gewone mensen, vaak met een licht ironisch tintje.

    Alles in deze verhalen draait om menselijke relaties terwijl de personages zoeken naar hun plek in de wereld.

    Een modern verlangen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Osebol

    De Zweedse journalist Marit Kapla (1970) woont in Göteborg, maar komt oorspronkelijk uit Osebol, een plaatsje dat vierhonderd kilometer bij Stockholm vandaan ligt. Als tiener verliet ze het dorp en als volwassen vrouw keert ze er terug om het leven van de inwoners in kaart te brengen. De meeste bewoners zijn naar de stad vertrokken, de winkels zijn gesloten en verkeer is niet welkom op de toegangsweg naar het dorp.

    In Osebol vertelt Kapla de verhalen van de volwassenen die er nog wél wonen. Het resultaat is een meeslepende, poëtische ode aan het Zweedse platteland. In Kapla’s thuisland werden meer dan twintigduizend exemplaren van Osebol verkocht.

    Osebol
    Auteur: Marit Kepla
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De Parelduiker

    Op de cover van De Parelduiker de prikkelende vraag: ‘Kreeg Elisabeth Eybers terecht de P.C. Hooftprijs?’ Dat zou je toch denken, voor wie hem toegewezen krijgt die ook verdient. Jurist en letterkundige H.U. Jessurun D’Oliveira vraagt zich af, met de uitreiking van de in Zuid-Afrika wonende Nederlandse dichte Alfred Schaffer, die in het Nederlands schrijft, hoe het heeft kunnen gebeuren dat in 1991 de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eylbers deze prijs kreeg terwijl de reglementen dat eigenlijk niet toestonden; zij schreef in het Zuid-Afrikaans. En hoe het kan dat de P.C. Hooftprijs nooit aan een Vlaming, die toch in het Nederlands schrijft, werd toegekend.

    Van Lieneke Frerichs, waarvan onlangs de biografie van Nescio is verschenen een bijdrage over Japi, de hoofdpersoon in De uitvreter. Lang werd er gespeculeerd wie daarvoor model stond. Frerichs onderzoekt de verschillende speculaties, zoals die van Schrijver Eelke de Jong en K. Schippers, die in de Haagse Post van november 1971 de naam van ene Arie Rezelman noemden als zijnde ‘mogelijk model’ voor de uitvreter. Interessant stuk met verrassende uitkomst.

    Een stuk over een vergeten bloemlezing, UitverkorenVerhalen en gedichten over vervolgde mensen, (1979) samengesteld door onderduikster en verzetsstijdster Beccy de Vries. Ellen Krol vraagt zich af waarom deze bloemlezing met bekende en onbekende auteurs over de Jodenvervolging vergeten is. En wie was Beccy de Vries eigenlijk?

    Verder een stuk van Peter Daerden over de Waalse schrijver Conrad Detrez, die in de jaren zeventig als radioreporter in Lissabon belandde: het theater van een wedergeboorte, gedrenkt in verlangens naar gebronsde jongelui, de poëzie van Pessoa en de onoverkomelijke saudade. Jelto Drenth schrijft over de operaheldin en mannenverslindster Lulu van Frank Wedekind. Vic van de Reijt gedenkt journalist Igor Cornelissen (1935-2021). En enkele vroege gedichten van Doeschka Meijsing.

     

     

    De Parelduiker
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    De nieuwste bundel van Frans Kuipers (1942), de Lach van de Sfinx, is een feest om te lezen. De virtuoze manier waarop Kuipers met de taal speelt en zijn woorden rangschikt, lijkt nog het meest op het componeren van een symfonie. De gedichten vloeien over van woorden vol klank. Een bundel om over je heen te laten komen alsof je naar muziek luistert en af en toe bijna kopje-onder te gaan in de aanzwellende stroom. De betekenis van de woorden komt daarom niet op de eerste plaats, ook al zijn de woorden door de dichter verzonnen. De eerste afdeling is getiteld ‘Stupor is de Sterre van de Zeggezee’. ‘Stupore’ betekent verwondering en bij ‘Zeggezee’ komt het beeld van een spraakwaterval naar voren, een overvloed van taal. Of ‘Sterre’ de naam van een vrouw is? De enige keer dat de dichter een vrouw rechtstreeks toespreekt, is dat met de naam ‘Verrelief’. ‘Sterre’ moet hier misschien letterlijk als een ster worden gezien: verwondering is de leidraad in de gedichten van deze dichter. 

    De dichter begint met zich voor te stellen: ‘Mens is een menigte, ik is iks en wie ben jij?’ en geeft daarmee aan dat de ander net zo onbekend voor hem is als hijzelf: de x, de onbekende.

    Het leven en de liefde

    De gedichten zijn genummerd van a tot en met z, de inhoud begint ook bij het begin: de geboorte van het lyrisch ik, in wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de dichter mogen herkennen. Kuipers parodieert in gedicht b de kreupelrijmpjes die je op geboortekaartjes aantreft om te vertellen dat hij geboren is in oorlogstijd, vlakbij concentratiekamp Vught: ‘Dodenakker, geboortegrond, / aan mijn wiegje oorlog stond. // Een uurtje lopen van mijn bed / bevond zich  Huize Beulenpret.’ Het verloop van zijn jeugd laat hij aan de verbeelding van de lezer over: ‘Verrelief, helemaal pluis was het niet thuis / en ook op dat internaat niet en later in heel / de wijde, wilde wereld niet, verre verrelief.’ Maar van de dichter hoef je geen treurzang te verwachten: hij zwerft als vagebond over de hele wereld en beleeft avonturen als uit een jongensboek. Zijn leven wordt opgetekend in hoogtepunten, hij leert het leven en de liefde kennen als een feest van uitbundigheid. 

    ‘Pleiadeer me, pacific me,
     spiel mir noch einmal de liefde op het eerste gezicht
     en W. Whitman mag weten
     alle gezichten zijn het eerste gezicht,
     hartspapaver me, laat mijn telraam niet stoffig worden.’

    Kuipers refereert hier misschien aan de eerste regels waarmee Whitmans Song of myself in Leaves of grass begint:

    ‘I celebrate myself, and sing myself
     And what I assume you shall assume,
     For every atom belonging to me as good belongs to you’

    Misschien, want hoewel er achter in de bundel enkele verklaringen zijn opgenomen van de verwijzingen, citaten en voorbeelden die Kuipers geïnspireerd hebben, is daar over Whitman niets terug te vinden.
    Oud geworden kijkt het lyrische ik op zijn leven terug en constateert dat verwondering de drijvende kracht is geweest. Het gedicht O uit de derde afdeling klinkt als een credo:

    ‘En dat het gezegd is vanonder de appelboom
     recht in het blauwe gezicht van juli
     dat bij Doodgewoon inwoont Wonder
     geloof ik tot ik er dood bij neervallen zal.’

    Loflied op de schepping

    De tweede afdeling, ‘Zonnesteen’, is een lange ode aan de zon in een reeks van schijnbaar losse aantekeningen waarin Kuipers gebruik maakt van typografische elementen: inspringende marges, cursief gedrukte versregels, vetgemaakte woorden, om in een krans van korte gedichten een ‘geëxplodeerd’ gebed te richten tot het leven waarvan de zon de bron is. Hij vlecht hierbij geraffineerd verwijzingen en citaten in zijn gedichten, evenals kinderrijmpjes en aftelversjes. Een vergelijking met het Zonnelied van Franciscus van Assisi is onvermijdelijk, maar waar dit laatste een loflied van alle schepselen op God is, is Zonnesteen een loflied op de schepping zelf. Het leven moet gevierd worden, de versregel ‘ik wil je vieren’ komt regelmatig terug in deze bundel. Kuipers doet dat in gedichten als een ‘toverformule’, ‘die, al was het maar / een fractie van één seconde / iemand haarwortels / verlichten kan, // dat moest me toch lukken / zo nu en dan.’

    De derde en laatste afdeling Ik wil van stromend water een kloosterkleed, eindelijk weten hoe ik heet is ook onderverdeeld in gedichten van A tot en met Z. De ‘iks’ van het begin is oud geworden en na het leven geleefd te hebben, is het tijd om zichzelf onder de loep te nemen en te kijken wie er schuilgaat achter de verwondering en uitbundigheid: ‘de getuige die niet kan verklaren.’ Ziekte en dood komen op het pad van de dichter, maar ze brengen de dichter niet van zijn levensvisie af:

    ‘Ik strompel in laarzen van lood. Ik wens een eerlijk gevecht
     van mens tegen kwaal. Ik schrijf mij voor: duinpaden in ochtendmist,
     kermende meeuwen boven een lege zee. Gisteren: ga weg en verre weg
     van mij en blijf daar wonen, dadenloze donkerdagen, kopzeer,
     kou en kul. Vandaag: oud en gelukkig getrouwd met mijzelf geweest.’

    Volstrekt origineel

    Het lyrische ik laat zich kennen als een man die ondanks alles ten diepste in het leven gelooft en net als de avontuurlijke Odysseus geleerd heeft dat zijn levensvervulling niet alleen in de wijde verte, maar ook dichterbij te vinden is. Ook doet de bundel denken aan Pallieter, van Felix Timmermans, ‘de vrije man, de ongebondene (…) die alle levensmanifestaties ondergaat in ‘n roes van verrukking of in vertederende ontroering (…)’ (T. Rutten, Felix Timmermans, 1928).  Maar Kuipers is volstrekt origineel, hij heeft van deze lyrische bundel een tomeloos feest gemaakt en in schuimende, bruisende taal op elke bladzijde iets moois gezet. Hoewel hij leed en dood niet uit de weg gaat, vervalt hij nergens in zelfbeklag of pessimisme en blijven zijn gedichten getuigen van  een ‘lebensbejahende’ intentie. Een bundel om met volle teugen van te genieten. 

     

  • Nergens zo intens geleefd

    Nergens zo intens geleefd

    Wat voor vrouw was je moeder voordat je werd geboren? In De tuinen van Buitenzorg verkent Jan Brokken deze – intrigerende –  vraag aan de hand van de brieven die zijn moeder uit Nederlands-Indië schreef aan haar zuster in Nederland. Hij krijgt ze, samen met foto’s, van zijn tante: ‘“Jij,” zei ze, “bent nog altijd op zoek naar je moeder.” En ze voegde er bijna pinnig aan toe: “En jij hebt nog altijd niet ontdekt wie ze eigenlijk was.”’ Eén foto staat op het omslag: een grote blonde vrouw zit op een kleine Arabische volbloed, mouwloze blouse, stevige kuiten. Ook het paard lijkt in de lens van de camera te kijken. Privébrieven en foto’s, materiaal voor een kleine familiegeschiedenis lonkt, maar Brokken verbindt met speels gemak petit histoire met muziekgeschiedenis en politieke geschiedenis tot een intiem, leerzaam en enerverend boek.

    Emigratie

    Dat blijkt meteen uit de eerste hoofdstukken waarin de ‘Java suite’ van componist Leopold Godowsky wordt geïntroduceerd. Brokken zoomt in op het derde deel daarvan, ‘De tuinen van Buitenzorg’. Buitenzorg is vanwege de hogere ligging koeler dan het nabije Batavia. Als Olga en Han Brokken in 1935 verhuizen naar Nederlands-Indië om een nieuw bestaan op te bouwen, vinden zij daar in een pension onderdak. Han is theoloog, een bijzondere keuze voor een zoon uit een areligieus gezin. Hij heeft de opdracht meegekregen om in Makassar onderzoek te doen naar islamitische bekeringsbewegingen die het nationalisme onder de bevolking voeden. Een belangrijke sleutelpositie in dit onderzoek neemt La Galiti in. Hij wordt door de Nederlanders gewantrouwd: is hij werkelijk de man die zich tot het christendom heeft bekeerd of speelt hij een dubbelrol? La Galiti is één van de nevenpersonages die het boek kleur geeft.

    Pensionleven

    De hoofdpersoon is Olga. Zij leidt naar eigen zeggen in Buitenzorg een ‘pensionleven’. Een bewuste keuze, want ‘ga je direct in een eigen huis wonen, dan zit je daar als twee vergeten burgers’. Door het pensionleven, het delen van de middag- en avondmaaltijd met anderen, leert ze al snel veel mensen kennen. Daarnaast leert ze Maleis van haar leraar die haar ook wegwijs maakt in de Plantentuin, zodat ze de namen van bomen, planten en bloemen leert die in de kolonie groeien. Nog belangrijker is, later, haar ontmoeting met professor Cense. Van hem leert ze Makassaars en Boeginees. Ze sluiten vriendschap, hij wordt zelfs haar vertrouwenspersoon.  Tot slot krijgt ze ingang in de inheemse samenleving dankzij haar naailessen aan Makassaarse vrouwen. Olga leidt een vol en onbezorgd bestaan, al is er ook een gevoel van eenzaamheid als haar man op dienstreis is. En die hitte! Maar wat vooral opvalt is de gulzige, leergierige blik waarmee ze om zich heen kijkt. Soms adviseert ze haar man – ze ziet bijvoorbeeld kansen om de Toradja’s voor het christendom te interesseren – en ze is nieuwsgierig naar niet-christelijke religieuze gebruiken, zoals de dodencultus van de Toradja’s, de babybomen:

    ‘Toradja’s plaatsen overleden baby’s, gewikkeld in een matje van vredespalmvezels, in een verticale holte in een boomstam. Het ritueel gold alleen baby’s van wie de tandjes nog niet waren doorgekomen. Gekozen werd voor een boom die, als je de stam inkerft, een melkachtige witte vloeistof afscheidt, een substituut voor de moedermelk. De boom groeide om het lijkje heen en beschermde de ziel van het kind tegen boze geesten.’

    Afstand en nabijheid

    Afwisselend noemt Brokken haar Olga en ‘mijn moeder’. Brokken kiest voor de laatste aanduiding wanneer passages een intiemer karakter krijgen. Zo is het ‘mijn moeder’ die in 1983 overleed aan de gevolgen van een hartziekte die ze in het jappenkamp had opgelopen. Wanneer het je opvalt zie je dat Brokken laveert tussen afstand en nabijheid, tussen Olga en moeder, een spannend en kwetsbaar spel. Ondertussen hangt de grote geschiedenis  – voor de lezer uit de 21e eeuw –  als een donderwolk boven het dagelijkse dat in de brieven de boventoon voert. Het persoonlijk verdriet van het te vroeg geboren eerste kind, Noortje, dat slechts drie dagen mag leven, het geluk bij de volgende geboortes: Boris en Michiel. Het is wachten op het moment dat op dramatische wijze het evenwicht onderuit wordt gehaald, de aanval van Japan op Nederlands-Indië. Han wordt bij het Nederlands leger gevoegd als geestelijk verzorger ‘om de doden te begraven en de gewonden bij te staan’. De gevechten duren kort en Han wordt gevangengenomen.

    Niet veel later wordt ook Olga, samen met zoveel andere Europese vrouwen, gearresteerd en naar een krijgsgevangenkamp overgebracht. De vrachtwagens met gevangen vrouwen en kinderen werden door Makassaarse en Boeginese vrouwen met stenen bekogeld. Het schokte Olga enorm, het joelende plezier waarmee zij dit deden en ‘ze vroeg zich de rest van haar leven af wat ze fout had gedaan’. Het gezin overleeft de oorlog en in 1947 keert het terug naar Nederland. Daar wordt Jan Brokken in 1949 geboren. Pas naderhand krijgt Olga een scherper oog voor de koloniale verhoudingen, en de ongelijkheid tussen kolonie en Nederland. Bijvoorbeeld op het terrein van muziek: ‘“Iedereen had wel iets met Indië, maar niemand had achting voor wat uit Indië kwam,” zei mijn moeder al.’

    Die vrouw, de keurige echtgenote van een dominee in het Hollandse dorp Rhoon, blijkt in Nederlands-Indië een avontuurlijk en idealistisch bestaan te hebben geleid. Ze vertrouwde haar jongste zoon eens toe dat ze ‘nergens zoveel geleden’ had en ‘nergens zo intens geleefd’. Dat laatste kreeg de nadruk. Misschien is dat voor een zoon het grootste geschenk om te krijgen in zijn zoektocht naar zijn moeder. Ze was niet alleen moeder, ze was ook Olga – een vrouw om verliefd op te kunnen worden –  en ze had echt geleefd, echt intens geleefd.

     

  • Oogst week 21 – 2021

    Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw

    Het is helaas nog even wachten tot we weer van een live theatervoorstelling mogen genieten, maar voor wie het toneel mist en graag meer te weten komt over de geschiedenis van de Schouwburg van Amsterdam, is er Podium van EuropaCreativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw. Het boek is geschreven door Frans Blom en verscheen onlangs bij Querido. Blom verwerpt in deze geschiedenis onder andere de aanname dat toneel destijds enkel iets was voor the lucky few: toneel was er ook juist voor de massa, en populair bovendien.

    Ook waren de Nederlandse uitvoeringen vaak gebaseerd op, of bewerkingen van, oorspronkelijk anderstalige stukken (Titus Andronicus is in dezen een bekend voorbeeld): de theatertraditie was een internationale, en verschillende theatergezelschappen en toneelschrijvers beïnvloedden elkaar. Podium van Europa is een lijvige geschiedenis: het telt ruim 500 pagina’s.
    Maar als Blom net zo bevlogen vertelt als hij doet tijdens zijn letterkundecolleges (die ondergetekende tijdens haar studie met veel plezier bijwoonde), dan belooft Podium van Europa een levendig en kleurrijk beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de Schouwburg gedurende een belangrijke periode in de Nederlandse geschiedenis.

    Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw
    Auteur: Frans Blom
    Uitgeverij: Querido

    Echt gebeurd op papier

    Zet een (onervaren) verteller op een podium en vraag diegene een verhaal te vertellen aan een publiek, met als enige voorwaarde: het is echt gebeurd. Dat initiatief van schrijvers Paulien Cornelisse en Micha Wertheim werd 12,5 jaar geleden voor het eerst georganiseerd in de vorm van een middag in comedyclub Toomler (Amsterdam). Cornelisse en Wertheim baseerden het op het Amerikaanse concept The Moth.

    De sprekers zijn als gezegd geen ‘beroepsvertellers’, maar ‘gewone’ mensen met een bijzondere persoonlijke anekdote die aansluit bij het thema van de desbetreffende editie. Het leverde een grote hoeveelheid intrigerende en grappige verhalen op (zo’n 5.000!), die resulteerden in de gelijknamige podcast en waarvan de auteurs er 72 bundelden in Echt Gebeurd op papier (verschenen bij De Harmonie). Naast de podcast en de bundeling zijn er speciale edities van Echt Gebeurd geweest op onder andere IDFA, Crossing Border en Lowlands.

    Echt gebeurd op papier
    Auteur: Paulien Cornelisse, Micha Wertheim
    Uitgeverij: De Harmonie

    De mannen die we oogstten

    Jesmyn Ward publiceerde haar memoir Men We Reaped in 2013. Nu is het boek in Nederland verschenen bij uitgeverij Atlas Contact, in de vertaling van Astrid Huisman, als De mannen die we oogstten. Ward schrijft over de vijf mannen die ze verloor door uiteenlopende gebeurtenissen, maar met institutioneel racisme, dat zo diep verankerd is in de Amerikaanse samenleving, als gedeelde oorzaak.

    Ward werd geboren in Californië en verhuisde op haar derde naar DeLisle, Mississippi, waar ze woonde met haar moeder, broer Joshua, zusjes Nerissa en Charine en neefje Aldon. Ze overleefde orkaan Katrina, waarover zij de roman Salvage the Bones (2011) schreef, en was de eerste in haar familie die naar de universiteit ging. In De mannen die we oogstten schetst Ward aan de hand van haar persoonlijke relaas het racisme, de armoede en het kansarme toekomstperspectief van de Zwarte gemeenschap in de VS.

    Het boek werd door New York Magazine een van de beste boeken van de 21e eeuw genoemd. Eerder verscheen bij Atlas Contact haar Sing, Unburied, Sing in de Nederlandse vertaling Het lied van de geesten (2017). Ward ontving maar liefst twee keer de National Book Award voor fictie, in 2011 en in 2017.

    De mannen die we oogstten
    Auteur: Jesmyn Ward
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 17 – 2021

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw

    Mensje van Keulen (1946) is al vijftig jaar niet meer weg te denken uit de literatuur. Ze stond verschillende keren op de longlist en shortlist van de Libris Literatuurprijs, kreeg in 2014 de Constantijn Huygens-prijs en won ruim twee maanden geleden de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel van het afgelopen jaar. De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw is een bundeling van Van Keulens drie recentste romans. De laatste gasten gaat over een landhuis aan de Amstel vol kunstenaars, waar de komst van hoofdpersoon Florrie de onderlinge verhoudingen op scherp zet. In de laatste gasten vermoedt een weduwe dat haar eigen zoon betrokken is bij de overval op een bejaarde vrouw. Ook Schoppenvrouw gaat over een overval, maar deze keer denkt een moeder haar dochter te herkennen wanneer beelden van het misdrijf bij Opsporing Verzocht worden vertoond.

    Ter ere van vijftig jaar schrijverschap en de vijfenzeventigste verjaardag van Mensje van Keulen organiseert uitgeverij Atlas Contact in samenwerking met Hebban een schrijfwedstrijd. De deadline hiervoor is 1 juni. Meer informatie over deze wedstrijd is hier te vinden.

    De laatste gasten, Liefde heeft geen hersens, Schoppenvrouw
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De tas

    Een man laat zijn tas achter in een stationshal. In de eerste instantie lijkt hij hem te zijn vergeten, maar al snel blijkt dat het een bewuste actie was. Dit kleine voorgeval wordt in De tas door Désanne van Brederode (1970) groots uitgewerkt: in plaats van antwoorden te geven stelt de man juist meer vragen.

    Niet alleen hij doet dat, ook het verhaal zelf verrast met vragen. Is de man met de tas eigenlijk wel de hoofdpersoon? En horen voorwerpen, zoals de tas, eigenlijk ook een stem te krijgen? Dat Van Brederode behalve schrijver ook filosoof is, komt duidelijk terug in De tas. Eerder publiceerde ze al meerdere romans en essays.

    De tas
    Auteur: Désanne van Brederode
    Uitgeverij: Querido

    Philip Roth

    Philip Roth (1933-2018) was een Amerikaanse schrijver en kind van tweede generatie Joods-Amerikaanse ouders, een thema dat vaak terugkomt in zijn werk. Hij schreef tientallen romans en won onder meer de Pulitzer-prijs en de Man Booker International Prize.

    Hij gaf biograaf Blake Bailey (1963) toestemming om zijn levensverhaal in boekvorm te gieten. Bailey kreeg toegang tot Roths archief en sprak met talloze belangrijke mensen in diens leven. Niet alleen Roths literaire carrière komt uitgebreid aan bod, ook duikt Bailey in het turbulente liefdesleven van de auteur en onthult nieuwe inzichten. Het resultaat is een uitgebreide biografie die ook nog eens uiterst leesbaar is, vertaald door Lidwien Biekmann en Frank Leken. In de Verenigde Staten is deze biografie niet meer in productie bij uitgeverij W.W. Norton omdat Bailey wordt beschuldigd van seksuele intimidatie en verkrachting. Of een andere uitgeverij met hem in zee wil gaan, is nog niet bekend.

    Philip Roth
    Auteur: Blake Bailey
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Oogst week 16 – 2021

    De stilte van de ander

    Abdelkader Benali schreef De stilte van de ander ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. Aanvankelijk koos het het Nationaal Comité 4 en 5 mei hem ook als spreker voor de 4 mei-lezing, een besluit dat begin dit jaar werd gemaakt om de dialoog tussen bevolkingsgroepen te versterken. Eind januari legde Abdelkader de mogelijkheid toch naast zich neer: online gingen stemmen van tegenstanders op nadat er een uitspraak van hem, over het aantal joden in Amsterdam-Zuid uit 2006, weer was komen bovendrijven.

    Die kwam hem online op grote tegenstand, beschuldigingen van antisemitisme en haatberichten te staan. Deze lezing, bestemd voor de 4 mei-herdenking werd, met een speciaal toegevoegde apologie, uitgebracht door De Arbeiderspers,.

    De stilte van de ander
    Auteur: Abdelkader Benali
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaal paard, vale ruiter

    Katherine Anne Porters (1890-1980) Pale Horse, Pale Rider werd in 1939 voor het eerst gepubliceerd bij Harcourt, Brace and Company. Deze maand verscheen het in vertaling van Molly van Gelder bij Atlas Contact als Vaal paard, vale ruiter. Het boek is een bundeling van drie van Porters korte verhalen, waarvan het titelverhaal is gebaseerd op autobiografische ervaringen: de hoofdpersoon, Miranda, wordt besmet met het Spaanse griepvirus. Ze wordt ernstig ziek en ziet in haar angstige koortsdromen haar geliefde die naar het front wordt gestuurd, de loopgraven van Europa tijdens WO I.

    Porter zelf kreeg in 1915 tuberculose en verbleef in een sanatorium, waarna ze de pen opnam. Toen ze als journalist in Denver werkte, raakte ze bovendien besmet met het Spaanse griepvirus. Op het eerste oog leek die griep nog een onschuldige verkoudheid. In maart van 1918 meldt de eerste zieke zich in de VS – er is nog geen reden tot paniek, tot in augustus van datzelfde jaar de epidemie een levensbedreigend karakter krijgt – iets wat voor de hedendaagse lezer van Vaal paard, vale ruiter vast angstaanjagend herkenbaar is.

    Vaal paard, vale ruiter
    Auteur: Katherine Anne Porter
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De echo van mijn voetstappen

    Een ander boek waarin de lezer weleens akelige (symbolische) parallellen met ons heden zou kunnen ontdekken: De echo van mijn voetstappen van Daniël Dee, uitgegeven door Passage. In De echo van mijn voetstappen komt een ‘eenling’ er op een ochtend achter dat alle andere levende wezens van de aardbodem zijn verdwenen. Een overstroming zorgt er een paar dagen later voor dat hij letterlijk geen kant meer op kan, en zijn eenzaamheid zelf te lijf moet gaan. Daardoor komen existentiële vragen op, maar lijkt ook de waanzin steeds dicht(er)bij.

    Dit boek is het eerste deel van een zogenoemd Rotterdams tweeluik (Dee is oud-stadsdichter van Rotterdam), waarvan het tweede deel in het najaar van 2021 verschijnt.

    De echo van mijn voetstappen
    Auteur: Daniël Dee
    Uitgeverij: Passage, Uitgeverij
  • Spannend is het niet, wel goed verteld

    Spannend is het niet, wel goed verteld

    In Vonne van der Meer’s vijftiende boek, Naar Lillehammer waagt de schrijfster zich op het pad van de thriller, al blijft het bij een paar kleine stappen. Hoofdpersoon Cecile is een 49-.jarige vrouw die – zojuist gescheiden – haar baan heeft opgezegd en is gaan wonen in een appartement aan de Sloterplas in Amsterdam. Als ze aan die plas bij een kinderspeelplaats op een bankje in de zon zit, vraagt een jonge zwarte moeder of ze even op haar dochtertje wil passen. Cecile, de goedheid zelve, vindt dat best, maar als de moeder niet terugkeert zit ze met een probleem: wat te doen? Zelf heeft ze nooit kinderen gehad omdat haar ex zich als jonge man had laten steriliseren. Ze besluit Faith, de kleuter die haar nu is toevertrouwd, mee te nemen naar haar flat en intussen overal het bericht te verspreiden waar het kind te vinden is.

    Verdwenen moeder

    Enkele dagen gaan voorbij, waarin Cecile merkt dat ze moederlijke gevoelens begint te ontwikkelen  en dankzij het kind ook contact krijgt met een andere flatbewoner, de weduwnaar Rogier, die haar gaat helpen en bij wie ze merkt dat hij gevoelens voor haar begint te krijgen. 

    Dan komt na enkele dagen Gladys, de jonge moeder, opdagen. Het blijkt dat zij eerder vanuit een andere flat Cecile heeft geobserveerd en geconcludeerd dat zij Faith zonder zorgen enkele dagen aan haar zou kunnen overlaten. Gladys is een Nigeriaans meisje dat naar Europa is gelokt met de belofte dat ze er een goede baan in de Horeca zou krijgen. Eenmaal aangekomen kwam ze in een prostitutie-netwerk terecht. Na jaren van gedwongen dienstbaarheid wil ze nu proberen zich los te maken van de macht van haar pooier. Maar ook met de hulp van Cecile lukt het haar niet het contact met hem te verbreken. Erger nog, de criminele godmother in Nigeria die haar het geld geleend heeft voor de overtocht naar Europa heeft een voodoo-vloek over haar afgesproken die pas opgeheven kan worden als de – inmiddels stevig opgelopen – schuld volledig afbetaald is. 

    De juiste keuze

    De zorg voor kleuter confronteert Cecile met het moederschap dat haar onthouden was door de voor-huwelijkse sterilisatie van haar man. Ze is nu te oud om zelf nog kinderen te krijgen. Maar wat als Gladys vermoord wordt door haar pooier of door de vloek van de madam in Nigeria? Die mogelijkheid komt dichterbij als een zwarte jonge vrouw dood gevonden wordt, met het hetzelfde brandmerk op haar been als Gladys heeft. De prostitutieketen is genadeloos voor wie zich wil los maken, is de boodschap. Cecile betrapt zich op de gedachte dat zij graag het kind zou opvoeden als moeder Gladys wegvalt.

    Grote emoties passen niet bij de nette, alles beredenerende en vooral goedwillende Cecile en haar gelijkmoedige nieuwe vriend Rogier. En deze egoïstische gedachte wordt dan ook snel weggewerkt: ze zal nooit meer dan een tante of oma voor het kind mogen en kunnen zijn. Ze besluit er alles aan te doen om Gladys en haar dochtertje vrij te maken van de vloek, zodat Gladys kan vertrekken naar het Noorse Lillehammer, waar haar Nigeriaanse broer woont.

    Naar Lillehammer is een onderhoudend verhaal en zonder literaire pretenties. Hooglopende emoties mag de lezer niet verwachten, daarvoor zijn de hoofdpersonen te braaf en te bedachtzaam. Ook de spanning van een echte thriller ontbreekt in dit wat traag lopende verhaal. Maar Vonne van der Meer kan vertellen, en dat maakt deze roman goed voor een paar uur leesgenoegen. 

     

     

  • Oogst week 14 – 2021

    De verdwenen piano's van Siberië

    De Britse reisjournalist Sophy Roberts begeeft zich bij voorkeur naar extreme bestemmingen, naar daar waar anderen niet zo snel zullen gaan. Toen ze van een Mongoolse concertpianist dan ook hoorde over een unieke, verloren gewaande piano in Siberië, was dat voor Roberts reden ernaar op zoek te gaan. De zoektocht duurde drie jaar, de uitkomst was De verdwenen piano’s van Siberië dat op 13 april verschijnt.

    Siberië roept vooraleerst de gedachte op aan ijzige kou, onherbergzaamheid, verlatenheid, ballingschap en strafkampen. In dit immense gebied vindt Roberts talloze oude piano’s, van prachtige oude vleugels uit de hoogtijdagen van de negentiende eeuw tot vormelijke piano’s uit de tijd van de Sovjetunie. Met de piano’s als leidraad vertelt Roberts hoe pianomuziek omarmd werd door het volk dat zoveel ontberingen moest doorstaan, waarmee ze ook de geschiedenis belicht. Catharina de Grote was de aanjager waardoor pianomuziek werd opgenomen in de Russische cultuurgeschiedenis. ‘Dit boek is een persoonlijk en literair avontuur,’ schrijft Roberts. ‘Als mijn definities eenzijdig zijn, komt dat doordat ik geen historicus ben. Als ze Eurocentrisch zijn, komt dat doordat ik Engels ben; al mijn reizen naar Siberië gaan van west naar oost – fysiek, cultureel, muzikaal.’

    Paul Theroux noemt De verdwenen piano’s van Siberië ‘een elegante reis door literatuur, geschiedenis en muziek maar ook langs revolutie, moord en verbanning.’ De Sunday Times vindt het boek ‘Een bijzondere kennismaking met een fascinerend deel van de wereld waar we opvallend weinig van weten.’

     

    De verdwenen piano's van Siberië
    Auteur: Sophy Roberts
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De grijzen

    Geheimzinnigheid, raadsels, dood, onbeantwoorde vragen, het zijn geliefde thema’s van Vincent Merjenberg. Zijn korte verhalen laten de lezer weifelend achter. Ook in zijn debuutroman De grijzen die 15 april verschijnt, vormen mysterie en de onmacht van het individu de hoofdmoot. Er is een grensstad, waar ‘hopelozen’ zich in buitenwijken voorbereiden op een gevaarlijke oversteek naar de ander kant van de grens. In de buitenwijken zijn ook de ‘vondsten’, lichamen van mannen, vrouwen en kinderen die rechtop in de aarde worden aangetroffen. In een appartement kijkt een oude man terug op de tijd dat hij pas in de stad woonde. Hij weet meer van de vondsten: ‘De herinneringen komen uit de diepte. Sinds de eerste vondsten werden gedaan en ik er voor het eerst over las – ondertussen alweer maanden geleden – worden ze scherper, pijnlijk scherp, en ze komen steeds vaker bovendrijven, of ik het nou wil of niet. Ik weet dat het komt door wat ik lees, doordat ik lees. Dat het daar in ieder geval mee begint. En toch volg ik de berichtgeving over de gruwelijkheden op de voet: de speculaties, de zogenaamde ooggetuigenverslagen, de beschuldigingen die steevast volgen op iedere nieuwe ontdekking.’

    De jonge journalist Lena lijkt steeds meer te weten te komen over betrokkenen, over het kwaad waartoe mensen in staat zijn. Maar juist als een antwoord op de vragen toch ver weg is, stuit Lena op een verdwenen schrijver en zijn verdwenen manuscript. Brengt dat haar dichter in de buurt van de oplossing van de raadselen?

     

     

    De grijzen
    Auteur: Vincent Merjenberg
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De hond die durfde te dromen

    Van de Zuid-Koreaanse schrijfster Sun-mi Hwang (1963) zijn in eigen land meer dan veertig boeken verschenen. Vanwege het sprookjesachtige karakter worden ze gelezen en gewaardeerd door zowel volwassenen als kinderen. In Nederland is nu De hond die durfde te dromen verschenen, het derde boek van Hwang in een Nederlandse vertaling.
    Hond Kroezel ligt niet goed bij andere honden omdat ze nogal temperamentvol is en een lange vacht heeft. Ze doet niet veel meer dan op de binnenplaats rondhangen en haar baas gezelschap houden. Toch droomt ze van een beter leven. Deze dromen geeft ze ook niet op als ze ’s winters ten prooi valt aan de donkerte. Daarvoorbij weet ze geluk, vriendschap, moederschap, maar dan moet ze wel de kansen die zich voordoen durven grijpen en de moed hebben om te zijn wie ze is.

    De hond die durfde te dromen gaat over fouten maken en daarvan leren, over de speciale band tussen mens en dier, over liefde en verlies, over vertrouwen hebben, kortom over levenswijsheid en troost.
    Van Sun-mi Hwang zijn Het huis met de kersenbloesem en De kip die dacht dat ze kon vliegen eerder in het Nederlands vertaald. Van het laatste boek is in Zuid-Korea een succesvolle animatiefilm gemaakt. De schrijfster is er erg geliefd en won met haar boeken vele prijzen.

     

    De hond die durfde te dromen
    Auteur: Sun-Mi Hwang
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • De dictatuur van de nuance

    De dictatuur van de nuance

    Een effectief middel om een boek in het collectieve geheugen te verankeren, is de onheilstijding. Een voorwaarde voor canonisering is dat de onwenselijke toekomst – of abstracter: het Kwaad – het Goede serieus bedreigt. Hierom zijn de dystopieën 1984, Brave New World en Wij, geschreven door respectievelijk George Orwell, Aldous Huxley en Jevgeni Zamjatin onomstreden meesterwerken. Zij schetsten een monoculturele, beklemmende maatschappij waaraan niet te ontkomen valt, tenzij je het als vrijdenker met de dood bekoopt. Bovendien bekruipt de lezer de angst dat de totalitaire staat weleens bewaarheid zou kunnen worden.

    Wouter Godijn stuurt met Karina of De ondergang van Nederland aan op een polderdystopie. Alle inhoudelijke ingrediënten zijn aanwezig om het publiek te boeien. In 2031 dreigt een onafwendbare klimaatcatastrofe en een extreem-rechtse radicalisering van de westerse wereld. Toch gaat dit boek meer over een liefdesgeschiedenis met Karina dan over de ondergang van Nederland, waarop Godijn aanvankelijk met veel bombarie anticipeert. Hij schrijft weliswaar luchtig en toegankelijk, speelt intelligent met het spanningsveld tussen fictie en werkelijkheid, maar biedt een zwak tegengif tegen verrechtsing en klimaatontkenning. 

    Heks en heilige

    De romantische (want: onvervulde) liefde van de ik-persoon voor Karina is een boek op zich waard. In de passages over zijn liefdesleven vermengt Godijn bittere ernst met speelse gelatenheid. Dat hij aan MS lijdt, betekent de doodsteek voor hun toch al teleurstellende huwelijk. ‘Haar blik was neutraal geworden. Een overleggen-over-de-boodschappen-achtige blik.’ Ze hebben geen seks meer, zoon Robbie zondert zich af en Karina begint een relatie met de sukkelige Willie, die op Alexander Pechtold lijkt. De hoofdpersoon plaatst Karina vanaf het begin op een voetstuk. ‘Er was iets in me aanwezig,  (…) wat de neiging had in een gedienstig, kelnerachtig type te veranderen. Of in een butler, een en al zelfopoffering.’ Vóór hun eerste kus op een zomerkamp randt ene Thomas Karina twee keer aan. De protagonist is blij met deze actie, want doordat Karina van zich afbijt, concludeert de ik-persoon dat Thomas haar tiep niet is. Hij is, kortom, van Thomas’ concurrentie verlost. 

    Wat we over Karina te weten komen, is dat zij een goeie kont heeft, uitdagend kijkt en voortanden mist. Kennelijk zijn haar ideeën niet interessant in zijn eerbetoon. ‘Ze betoogt iets, maar ik ben alweer een hele lap tekst kwijt.’ Om eventuele kritiek vanuit links-feministische hoek over de male gaze te pareren, schampert de verteller, ‘Maar het omgekeerde – dat vrouwen zich altijd weer verdringen rond Adonis – heeft nog nooit tot maatschappelijke verontwaardiging geleid. (…) Als je het zonder Brad Pitt-achtigheden moet stellen, sta je direct op achterstand.’ En die achterstand haalt de ik-persoon nooit in want Karina is sterker, daadkrachtiger dan hij. Ook na de bevalling, als volwassenheid nodig is, bepaalt zij de regie. Ze brengt meer geld in het laatje, spoort manlief aan hetzelfde te doen en laat haar gebit bijwerken. ‘Het enige uit haar oude leven waar ze nog niets aan had gedaan – was ik.’ Steeds constateert de hoofdpersoon ironisch dat hij niets is zonder zijn godin. Door innerlijke monologen als deze maakt ironie echter plaats voor werkelijke zelfverloochening: ‘ik wil je slaaf zijn, (…) ontmenst worden en veranderen in een zweetdruppel, fonkelend en doorzichtig als glas, die trilt in het kuiltje in je rug, tot hij terugzakt in je huid en joujoujou wordt.’ 

    Gulden middenweg of grauwe middenmoot

    Waar de ik-figuur de liefde van zijn leven verafgoodt, fileert hij andere vrouwen in dit boek. Behalve zijn moeder. Maar, zo stelt de hoofdpersoon baldadig vast, dat mag hij vinden. Niet voor niets trapt Godijn af met een motto over de vrijheid van meningsuiting, nota bene verwijzend naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Als voorvechter van het vrije woord zal hij even duidelijk maken waar het nou mís is gegaan in de mondiale politiek. Waarom vallen mensen massaal voor de verleiding van totalitaire staten ten koste van de democratie, zoals in de Verenigde Staten? Omdat de Democraten met een mateloos irritant wijf kwamen aanzetten dat alleen maar wilde deugen. ‘Het type feministe dat komkommers, courgettes en bananen uit de groenteafdeling wil verbannen. Dat vindt dat er een verbod moet komen, voor mannen, om staand te urineren – ‘‘omdat dit bij de man een vrouwvijandige fixatie op het eigen geslachtsdeel stimuleert’’. (…) Sharon Usher was zo’n vrouw die bij elke man, hoe positief hij ook tegenover vrouwenemancipatie staat, een vlaag misselijkheid opwekt zodra hij zich voorstelt dat hij seks met haar heeft.’ Vrij vertaald: natuurlijk zijn rechtse dictators hartstikke gevaarlijk, maar zijn die linkse, niet-neukbare, munttheedrinkende potten dan zo veel beter?

    Nu de ideeënarmoede in de politiek hoogtij viert, mede dankzij een Nederlandse premier die de woorden ‘vies’ en ‘visie’ niet uit elkaar kan houden, mag er meer verwacht worden van intelligentsia. Wouter Godijns bijdrage aan het maatschappelijke debat is schraal. Hij provoceert meer dan dat hij promoveert: sterke vrouwen zijn leeghoofdige talkshowpresentatrices, hysterische soapsterretjes én meedogenloos; lesbiennes hebben dikke benen en forse prammen; Chinezen worden ‘spleetoog’ genoemd; vrouwen hebben geen benul van hun betoverende kracht op het mannelijke geslacht; minderheden moeten gewoon kappen met hun malle tradities en stoppen een verongelijkt kind te zijn. Karina of De ondergang van Nederland had een revolutionair boek kunnen worden dat serieus de fundamenten van nieuwrechts doet wankelen. Nu is het voornamelijk een spreekbuis van het ‘redelijk’ midden. Het redelijk midden, dat geweld richting Kick Out Zwarte Piet weliswaar afkeurt, maar de activisten oproept even gezellig te blijven doen. Dat milieu belangrijk vindt, maar wel wil kunnen blijven barbecueën zonder moeilijk gezeik. Dat zich van neonazi’s distantieert, maar ook niets opheeft met de politiekcorrecte LHBTIQ+-ers en Black Lives Matter. Het redelijk midden vraagt niet om een verandering van de status quo, maar om voortgang van een ten diepste verrotte samenleving.

    Dystopie blijkt preek

    De belofte van een prikkelende ideeënroman met dystopisch karakter lost Karina of De ondergang van Nederland niet in. De urgentie neemt zienderogen af, zeker als het stijgende zeewater ook wel mee blijkt te vallen. Gelukkig barst het boek van stilistische hoogstandjes. Zo heeft de eerder genoemde Willie de handdruk van een ijsbeertje, zegt de ik-persoon dat de woorden in mannelijke taal ‘stuk voor stuk een leren jackje aankrijgen’ en schudt hij de lezer herhaaldelijk wakker met apostrofes: ‘Hallo, lieve lezer, ben je daar nog?’ Jazeker, de lezer is er nog, want die wacht met smart op de ware opvatting van de schrijver, zónder de makkelijke buutvrij van ‘ironisch grapje’. Vanuit het Redelijke Midden neemt Godijn iedereen even veel de maat, gelijk een dominee die compromisloze nuance predikt en zo de waarheid de nek omdraait. Daardoor wordt dit verhaal net zo asgrauw als de wolken die zich samenpakken boven Nederland.

     

     

  • Struikelen

    Struikelen

    Ik maakte me zorgen over de roep om sensitivityreaders, meelezers die schrijvers moeten behoeden voor een ‘faux pas’ in het vormen van hun beeld van anderen die zij, gezien hun identiteit eigenlijk niet zouden mogen vertegenwoordigen. Of er niet op teveel slakken zout werd gelegd, vroeg ik me af. De weekendeditie van de Volkskrant wijdde er een stuk aan waarin verschillende schrijvers gevraagd werd of het goed voor de literatuur zou zijn, zulke meelezers. Ik dacht, een goed schrijver weet waarmee hij bezig is, zijn boek is de spiegel waarin hij zichzelf recht in de ogen moet kunnen kijken. De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver liet al eens weten (in Amerika heeft men al langer met dit verschijnsel te maken) dat op het moment haar werk naar een sensitivityreader gaat, zij met schrijven stopt.

    In haar laatste boek, De weg van de meeste weerstand, schrijft Shriver over alles waar een sensitivityreader over zou kunnen struikelen, neemt het op de hak. Er is een onduidelijke gebruiksaanwijzing, geschreven in China. Een van haar karakters zegt, ‘geschreven door mensen die duidelijk geen idee hebben hoe we dat in Amerika doen. Niet dat er iets mis is met Chinese mensen, dat bedoel ik niet. Moet je ze zo noemen? “Chinese mensen?” dat klinkt een soort van beledigend.’ 

    In de Volkskrant werd schrijver Vamba Sherif gevraagd wat hij van het nut van zulke meelezers vindt. Hij denkt dat het wel nodig is, ‘Literatuur heeft altijd geworsteld met het beeld van de ander. (…) de soms schrijnende onwetendheid over die ander.’ Hij noemt de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in 1958 de roman Een wereld valt uiteen schreef. Een boek dat hij waarschijnlijk niet had geschreven als hij niet Mister Johnson (1938) van de Ierse schrijver Joyce Cane had gelezen. Over een Nigeriaanse man met een kinderlijk naïef karakter. Achebe kon zich in het geheel niet met hem identificeren. Hij wilde iets rechtzetten en schreef Een wereld valt uiteen. Het werd een moderne klassieker, vertaald in vijftig talen. Wat een geweldig verhaal is natuurlijk. Ik dacht: Wat als Joyce Cane een sensitivityreader had gehad, die het imperfecte beeld van een Nigeriaanse man had voorkomen? Dan had Achebe niet de noodzaak gevoeld dat boek waar hij wereldwijd mee doorbrak te moeten schrijven. 

    A.L. Snijders zei eens ‘Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk’. Dan raakt de bron vertroebeld. Shriver creëert werelden die (soms) ook de schrijver vreemd zijn, zoals in, We moeten het even over Kevin hebben, over een jongen die een aanslag pleegt op zijn middelbare school. De weg van de meeste weerstand opent met een citaat uit Een wereld valt uiteen van Chinua Achebe. Hoe meer ik erop let hoe meer verwijzingen er naar exit sensitivityreader in zitten. Serenata, een stemactrice mag geen zwarte personages meer doen, om de culturele toe-eigening. Remington, haar man, wordt op een zijspoor gezet door zijn nieuwe cheffin, een 27-jarige Nigeriaanse, die streeft naar genderneutrale toiletten. Shriver lijkt te willen zeggen, we kunnen niet alle hoeken van de tafel afzagen om te voorkomen dat we ons er aan stoten.

     

     

    De weg van de meeste weerstand / Lionel Shriver / Atlas Contact 2020
    Volkskrant 20 maart / ‘Het ligt allemaal gevoelig’  door Hans Bouman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, is een gevoelig lezer.

  • Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt

    Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt

    De titel van de nieuwe bundel van K. Michel, ‘& rol door’ roept vragen op. Er wordt een verband gesuggereerd, maar je weet niet welk. De dichter lijkt een advies te geven. Maar wat bedoelt hij met dat ‘rol door’? De opmerkelijke typografie is typisch K. Michel, die vanaf zijn debuut in 1989 als een speels en onconventioneel dichter bekendstaat. Binnen de beperkte omvang van & rol door, de gedichten beslaan vijftig bladzijden, valt opnieuw een hoop te beleven.

    Het  openingsgedicht ‘Smalle brief’ zet meteen de toon, er is onmiddellijk verwondering. In de eerste strofe is deze nog banaal, de ‘ik’ schrikt wakker uit een droom, ‘de kluts totaal kwijt’. Terwijl je in een droom bent overgeleverd aan je onderbewustzijn is er in de twee strofen daarna sprake van bewuste verwondering, ontsproten aan de fantasie van de dichter. Het woord ‘ruimend’ in een prozaïsche regel uit een weerbericht (’De wind ruimend naar het westen’) roept groteske beelden op: ‘hele graanvelden komen in beweging/fietsers, loofbomen, jurken en de plastic/fruitzakken van onze straatmarkt die opbollend/ voorbijzweven als Thaise gelukslampionnen.’ Het kan zelfs nog absurder, wanneer hij het woord ‘maanlanding’ letterlijk opvat: ‘wat een spektakel zou dat zijn als de maan landde, stuiterde en doorrolde’. Daar heb je meteen voor de eerste keer het woord ‘doorrollen’. 

    Taal speelt in de verwondering een nadrukkelijke rol. Michel probeert deze los te maken van vaste betekenissen, zoals in het fantastische gedicht ‘Taalnood’. Hierin beschrijft hij hoe voor het bouwen van een zandkasteel water, bij ontstentenis van een emmer, getransporteerd wordt in een plastic zak:

    ‘[…] en tijdens
     het teruglopen voelen hoe het bollende
     plastic onder spanning staat en beseffen
     dat het mogelijk niet lang meer duren zal
     tot de handvatten los worden getrokken
     of de bodem openscheurt,
     voor deze hachelijke vorm van dragen
                geen goed woord weten
     – iets tussen vallen en groeien –
     haastiger gaan lopen, ho ho niet schudden,
     om bij het kasteel te komen voor het water breekt
     – nee wacht, die uitdrukking is al vergeven,
     zoek maar iets anders.’

    In dit gedicht is alles vloeibaar: zowel het water als de taal. Bovendien is de existentie van het zandkasteel ook maar betrekkelijk, want tijdelijk. Taal kan ook het uitgangspunt zijn van actie.

    Taal als actie

    ‘Duwen deur klemt’ dankt zijn titel aan het gelijknamig tekstbordje dat de ‘ik’ als een uitnodiging opvat om er eens flink zijn schouder tegen te zetten, waardoor hij in een onbekende situatie terechtkomt. De werkelijkheid stelt je voortdurend voor keuzes en dat valt niet altijd mee: ‘Soms is het moeilijk om te kiezen welke/knopen door te hakken, waar de rotonde/te verlaten, wie uit de luchtballon te gooien/welke hand te bijten, welk signaal te negeren.’ Je kunt zomaar de verkeerde keuze maken, mijmert de dichter in ‘Alles was heel anders gelopen’: ‘was de vrije wil/maar nooit uitgevonden, de horizon/de kutsmoes, het tweede wiel/lieten voetstappen zich maar oprapen.’ 

    Dit inzicht zorgt voor melancholie, maar er wordt in de poëzie van Michel nooit lang getreurd. In ‘Smalle brief’ heeft de ‘ik’ met ‘oude vriend Hans’ een museum bezocht, ‘dat hij doodziek is is geen onderwerp we praten/over wat we kunnen zien.’ Een andere vriend, ‘Lange Jan’, wordt gememoreerd aan de hand van een streek die hij uithaalde: ‘hoe je met een bamboestok de schakelaar/in de gevel van een bankgebouw kon bedienen/zodat het gele logo machtig stralend op het dak/boven het stadsplein uitfloepte, weer aan weer uit/en de kantoorkolos de hik scheen te hebben.’ In de laatste strofe schrijft Michel dan: ‘Het blijft belangrijk, vrienden, om muren blauw/te verven, je hoofd te stoten en al je meningen/te veranderen in aria’s van een degenslikker’. Door de briefvorm word je ook als lezer direct aangesproken. In ‘Goeie fouten’ roept Michel herinneringen op aan de kindertijd waarin je voortdurend leert van je fouten: ‘Zelfexpressie begint met op je duim te slaan, toch’ en ‘Soms moet je de weerstand van de wereld testen/door een vaas om te duwen’. De bundel lijkt één lange oproep de werkelijkheid te bevragen en beproeven, dus ook ver na je kindertijd.

    Kwetsbare schoonheid

    Een vaas die omvalt geeft scherven. Met poëzie kun je de scherven proberen te lijmen en de werkelijkheid herstellen. Toch zul je altijd de sporen blijven zien. Michel gebruikt als metafoor hiervoor de Kintsugi, een Japanse kunst van lijmen waarbij je de breuk blijft zien, wat bijdraagt aan de schoonheid van het object. De kwetsbaarheid blijft echter:

    ‘Aaneengelijmd vormen de scherven
     zo’n grillige vaas
     waarin geen snijbloem overeind blijft
     geen bamboe of plu
     waar geen ruzie mee te winnen valt.’

    Michel experimenteert volop met de vorm. Bij andere dichters kan zoiets algauw gekunsteld lijken, maar bij hem is het altijd raak en origineel. Het titelgedicht is een verbale koprol. Een aantal gedichten vormt samen een mini-toneelspel. In de cyclus ‘Rode draden’ is een van de gedichten samengesteld uit noten bij de eerdere gedichten uit de reeks. Bij deze rode draden bestaat het verhaal nog niet, het laatste gedicht luidt: ‘sprenkel nu een handje regenwater/over deze regels/om ze op te kweken tot fabel.’ En zo werken gedichten natuurlijk: ze vertellen niet, maar suggereren. Ze zijn onvolledig. Michel maakt dit hier door middel van de vorm aanschouwelijk. Tegelijk is er de absurde humor, die de ernst relativeert:

    ‘de veerboot heeft een ei gelegd
     dezelfde nacht nog heeft de vuurtoren het bevrucht
     het ei is ovaal, meet 2 meter in doorsnee
     en heeft groene spikkels

     over het uitbroeden – wie hoe – spoedoverleg
     achter de ramen van het juttershuis bewegen schimmen.’

    Originele beelden

    Sommige gedichten in & rol door staan op zichzelf, zoals een vrije bewerking van ‘Bounded Duty’, een gedicht van de Amerikaanse dichter James Tate waarbij het loont op internet het origineel erbij te zoeken. Of een anekdotisch gedicht over een bezoek aan een tentoonstelling van beeldend kunstenaar Carl Fredrik Hill. De dichter laat zich soms ook meeslepen door een beeld, bijvoorbeeld een scène op Corsica of in Berlijn. Of er is opeens maatschappijkritiek en krijgen bankiers een sneer. Net zo actueel is de spanning tussen tussen feiten en ‘alt feiten’, waar een dichter natuurlijk wel raad mee weet:

    ‘Roept de veerman alleen mensen
     die de waarheid spreken zet ik over
     wie liegt vliegt de plomp in
     Bliksems zeg ik hoofdbreker
     Als ik het goed begrijp beste man
     als ik mij niet vergis, ja
     dan gaat u mij nu in het water gooien.’ 

    Al die taalvondsten, mooie regels, originele beelden en bizarre humor maken & rol door tot een enorme belevenis. Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt. Door het accent te leggen op het kunstmatige en betrekkelijke karakter van taal en werkelijkheid schept de dichter een prettige afstand, waardoor je als lezer alle ruimte hebt om je eigen verbeelding aan het werk te zetten. Wat wil je nog meer?