• Oogst week 37 – 2024

    Heroides/Held…

    Een aspect van Homeros’ epos De Odyssee inspireerde Ovidius 700 jaar na dato, om achttien vrouwen van mythologische helden een brief te laten schrijven aan hun echtgenoten of geliefden. De brieven werden gebundeld in Heroides (Heldinnen). Tweeduizend jaar later heeft Harrie Geelen (1939) zich geïnspireerd gevoeld om daarvan een indrukwekkende vertaling te maken, die hij ironisch Held… noemt. In deze tweetalige uitgave schrijft Dido aan Aeneas, Helena aan Paris en Penelope aan Odysseus, in het Latijn Ulysses genoemd:

    Dit is een brief die Penélopé stuurt aan je, lakse Ulysses.
    (Nee, hoef geen brief terug,
    kom maar in eigen persoon.)

    Troje, dat wij Griekse meisjes zo haatten, ligt plat. Zo’n gedoe voor
    Priamus? Heel die stad?
    Had niet gehoeven voor ons.

    De geest van Ovidius waart door deze bewerking van de Heldinnenbrieven, maar de tweeregelige distichons van Ovidius heeft Geelen omgezet in drieregelige strofen, wat het lezen gemakkelijker maakt. Aan het begin van elke brief staat een korte toelichting over de inhoud.

    Naast schrijver en illustrator is Geelen ook componist en tekstdichter. Eerder vertaalde hij de Metamorphoses van Ovidius.

     

    Heroides/Held…
    Auteur: Harrie Geelen
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    De hartelijke poezen van Drs. P.

    Een jaar na het overlijden van Drs. P stierf ook zijn vrouw Mieke. In hun nalatenschap werden honderden ansichtkaarten gevonden, die Drs. P. gedurende zo’n dertig jaar lang twee à drie keer per week aan zijn vrouw verstuurd had, voorzien van een door hem geschreven gedicht. Alle kaarten droegen een afbeelding van katten op de voorkant, omdat beide echtelieden een grote passie voor deze dieren hadden. Geluidstechnicus Marc van Hecke vertelde tijdens de tv-uitzending ‘De terugkeer van Drs. P.’ in ‘Het Uur van de Wolf’ uit 2019 over de kaarten die gevonden waren: ‘Poezen op tafels, getekende poezen, geschilderde poezen, Japanse poezen, lapjespoezen, poezen in een strandstoel en poezen in een mandje:

    ‘We liggen met ons beiden in een mandje
    Dit kwam al eens ter sprake, dat is waar
    Maar ook al klinkt het als hetzelfde bandje –
    We vormen – daarvan hebben wij een handje –
    Na al die tijd nog een gelukkig paar.’

    Was ondertekend: Heinz.

    Dit boekje is een mooie aanvulling op de verzameling van zowel kattenliefhebbers als bewonderaars van het werk van Drs. P.

     

    De hartelijke poezen van Drs. P.
    Auteur: Drs. P.
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024

    Uit hoofde van Jut

    In 1965 debuteerde Frans Kuipers met de bundel Zoals wij, waarna nog twaalf bundels zouden volgen. Inmiddels heeft de 82-jarige dichter een nieuwe bundel uitgebracht: Uit hoofde van Jut is een zeer persoonlijk verslag van een lang mensenleven: geboorte, kind zijn, een verliefde puber worden en je later afvragen of de angst om alleen oud te worden wel reëel is. Speels en optimistisch als altijd bezingt Kuipers het leven in de voor hem kenmerkende bruisende taal, vol van personificaties van dieren en dode dingen en vooral zijn neologismen zoals in het titelgedicht:

    ‘Ik ook wissel wat af en schrijf uit hoofde van jut
    —Zoals elk avontuur begint met een stap over de drempel
    en de ramp even zo goed plaatsvindt als je thuisblijft,
    — ik ook curriculumeer mij niet maar zin op ontzwemming’

    Hoewel de dichter de ouderdom met kwalen en pijnen niet ontkent en ook de dood niet uit de weg gaat, is het toch vooral een ode aan het leven geworden, een ‘kweetnietersliedboek’, zoals Kuipers het zelf noemt, omdat de verwondering zoals altijd hoogtij viert in zijn gedichten.

     

    Uit hoofde van Jut
    Auteur: Frans Kuijpers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Wat is dit voor boek?

    Wat is dit voor boek?

    Anne Broeksma (Almelo, 1987) is schrijver, dichter, journalist en fondsenwerver. Voor haar poëziedebuut regen kosmos kamerplant ontving ze het C.C.S. Crone Stipendium; haar tweede bundel Vesper werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de J.C. Bloem Poëzieprijs. Broeksma schrijft over natuur, geschiedenis en literatuur.

    Een verhaal met schubben is haar non-fictiedebuut. Al lezend in dit fantastische boek deed zich de vraag voor: wat ben ik aan het lezen? Een roman? Het verslag van een manie? Een biologiestudie? Een pleidooi voor meer liefde voor de natuur? Het blijkt het allemaal te zijn! Je kunt je afvragen waarom iemand in hemelsnaam een boek wil schrijven over schubdieren, een dier waarvan velen nog nooit hebben gehoord. En nu een heel boek over dit zoogdier.

    Zeven jaar zoeken

    Tijdens een driedaagse retraite die draaide om het drinken van ayahuasca, een bladerdrank uit de Amazone, gericht op het opdoen van inzichten en spirituele groei, ontdekt Broeksma niet alleen zichzelf, maar ook het schubdier. Een geheimzinnig dier, een soort boomdraakje, dat in Azië en Afrika voorkomt en het meest gestroopte zoogdier ter wereld blijkt te zijn. Het wordt haar lievelingsdier. Ze raakt geïntrigeerd en besluit naar het schubdier op zoek te gaan. Zeven jaar lang zoekt ze, eerst nog in boeken en op internet, daarna daadwerkelijk in het verre oosten en in Afrika.

    Broeksma geeft aan dat ‘het’ schubdier niet bestaat: ‘Het schubdier is de idee van een diersoort zoals zich dat in mijn hoofd ontwikkeld heeft dankzij de hoofden van vele anderen. Een dier bovendien waarin ik de hele tijd aanwezig ben. Ik heb geprobeerd uit het schubdier te stappen, maar dat bleek helaas niet mogelijk. Alles wat ik schrijf is vergiftigd met mijn blik.’

    En waarom dan nou precies een schubdier? Voor de schrijfster vertegenwoordigen ze de levendige chaos van de kosmos waarin alles rent en vliegt en botst en evolueert tot iets nieuws. ’En omdat er een zelfde soort chaos in mijn hoofd zit, waarin ook alles rent en vliegt en botst kom ik van het lezen over die dieren tot rust.’

    Achter het schubdier blijkt een wereld van verhalen schuil te gaan: ‘Verhalen zijn een machtsmiddel, net als gebiedskaarten.’ Verhalen over de geschiedenis, over evolutie, ecotoerisme, illegale wildhandel en -smokkel en over nog veel meer. Zo verschijnt het schubdier als een soort bindend element in de verhalen die gemeenschappen in kleine dorpen in Azië en Afrika bij elkaar moeten houden. We leren over totemisme, waarvan sprake is als een plant of een dier een totem is waar een groep mensen zich mee associeert, en waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen. Ondanks Broeksma’s innerlijke bezwaren tegen vliegen, ecotoerisme en inbreuk maken op gesloten gemeenschappen reist ze samen met haar man over de wereld om alles te weten te komen over het schubdier en natuurlijk om er een in levende lijve te zien.

    Massagraven met schubdieren

    Het duurt lang voordat ze daadwerkelijk een schubdier spot. Op allerlei plaatsen op de wereld gaat ze met gidsen, dorpsbewoners en zelfverklaarde schubdierexperts op pad om er een in het wild te vinden. ‘Het schubdier vertoont ongrijpbaarheid, ook in de stamboom van het leven,’ laat ze zien aan de hand van de geschiedenis van het schubdier. Het blijkt al miljoenen jaren te bestaan en is daarmee een van de oudst bekende zoogdieren. ‘Het lijkt wel of ze pas tevoorschijn komen als je stopt met zoeken.’

    Op een van haar reizen komt ze terecht in een dorpje waarin een opvanghuis voor zieke schubdieren blijkt te zijn, gedreven door vrijwilligers die zich het lot van dit dier aantrekken. En daar ziet ze voor het eerst een schubdier. Ze moet ze verzorgen, hokken schoonmaken, eten geven en komt erachter dat onbevangen naar dieren kijken lastig is: ‘Het mensenbrein weekt mij niet los van het dierenrijk.’

    De handel en smokkel in schubdieren vindt vooral plaats omdat er in veel gemeenschappen in Afrika en het verre oosten aan de schubben van het dier allerlei geneeskrachtige of versterkende of afrodisiacumachtige krachten worden toegekend. Broeksma ontdekt op internet foto’s van massagraven waarin honderden van hun schubben ontdane schubdieren liggen. De schubben zijn een gouden handel.

    Dan is het maart 2020. Het coronavirus wordt in China op een dierenmarkt bij onder andere schubdieren aangetroffen. In één klap is het schubdier wereldberoemd, waar het voorheen een nogal obscuur dier was. Nog meer mensen gaan erop jagen, waardoor de kans op uitsterven vele malen groter wordt.

    Miljoenen jaren ervaring met de wereld

    Dat is het moment waarop Broeksma in haar boek overstapt op milieufilosofie. Een verhaal met schubben wordt ook een ecoboek. ‘De lucht , het water, het land: het is alles wat we hebben.’ Ze pleit voor meer aandacht voor de wereld als ecosysteem, de aarde als broedplaats voor al het leven. ‘De natuur wil ons niet weg hebben, ze mist ons.’ Vandaar ook haar oorspronkelijke moeite met reizen over de wereld: door haar vliegreizen doet ze mee aan de verwoesting ervan. Het schubdier wordt het symbool voor een wereld waarin we met z’n allen druk bezig zijn dieren uit te roeien, de aarde naar de filistijnen te helpen en daarmee onszelf.

    Broeksma richt met haar boek een monument op voor het meest bejaagde zoogdier ter wereld en daarmee spoort ze ons aan om als de tijden somber zijn juist onze fascinaties te volgen in plaats van te gaan doemdenken. Er gaat met het verdwijnen van een diersoort een heleboel verloren, in dit geval miljoenen jaren ervaring – van het schubdier met de wereld. Bij uitsterven verdwijnt niet alleen dat, maar ook een unieke ervaringswereld, een Umwelt, de subjectieve leefwereld van een dier.

    Vraag je niet af wat dit voor soort boek is, het is niet belangrijk. Lees het vooral en laat je meevoeren in een bijzondere wereld: die van de gedachten, ervaringen en pleidooien van Anne Broeksma en ook in die van het schubdier.

     

  • Oogst week 27 – 2024

    Bechamel mucho

    Volgens de een kan lasagne niet zonder, volgens de ander juist liever wel: bechamelsaus. Bechamel mucho, het 59ste boek van Vlaming Dimitri Verhulst (Aalst, 1972), is in elk geval zo gelaagd als het pastagerecht, maar heeft er verder weinig mee te maken. In meer dan 30 landen is het werk van Verhulst vertaald, van De helaasheid der dingen en De laatste liefde van mijn moeder tot De intrede van Christus in Brussel en De laatkomer. Dit laatste boek gaat over dementie, maar Bechamel mucho zou zomaar net zo onvergetelijk kunnen worden!

    We volgen personage Alex, een animator in een hotel op vakantie-eiland Mallorca. Een echte charmeur bovendien, die met de ene na de andere vrouw in bed belandt. Hoe lichtvoetig dit ook klinkt, langzaamaan ontstaat een pijnlijk beeld van lege zomervakanties, die voor de eenzame dames niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden. Of dit bloeden nu het weduwschap is, een verloren kind of een nare scheiding. Alex moddert aan en vraagt zich af, waarom de mensen om hem heen niet gewoon hetzelfde kunnen doen.

    Bechamel mucho
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Na de komma – Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme

    Op 1 juli wordt Keti Koti gevierd: de afschaffing van de slavernij. Langzamerhand ontstaat hierover steeds meer bewustzijn in Nederland, maar het blijft een gevoelig thema. Juist daarom verdient het boek Na de komma van Shantie Singh aandacht. De titel is geen willekeur: Nederland zet graag een punt, terwijl het slavernijverleden tot op heden doorwerkt in de levens van voormalig onderdrukten en hun nazaten. Dit geldt ook voor hindoestanen. Want nadat Afrikanen niet meer gebruikt mochten worden in Surinaamse plantages, liet Nederland gewoon werkkrachten uit Brits-Indië (Pakistan en India) overvliegen.

    Shantie Singh (Almelo, 1982) debuteerde in 2014 met Vervoering, een kroniek over een hindoestaanse familie, en schreef in 2020 de liefdesroman De Kier. Intussen had zij zich al aangesloten bij het schrijverscollectief Fixdit, dat zich hardmaakt voor sekse- en gendergelijkheid binnen de Nederlandstalige literatuur. Met de kritiek op het Nederlands kolonialisme geeft Na de komma andermaal blijk van Singhs maatschappelijke betrokkenheid.

    Na de komma - Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme
    Auteur: Shantie Singh
    Uitgeverij: De Geus

    Friezen in Rome

    Atte Jongstra (1956) schrijft essays, dichtbundels en romans. Bovendien is hij redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DWB en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Voor de verhalenbundel De psychologie van de zwavel werd hij in 1989 beloond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Negen jaar later ontving hij de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret. Publiekelijke bekendheid verwierf hij definitief met de historische roman De avonturen van Henry II Fix. En nu is daar het geestige, intrigerende Friezen in Rome.

    Fries geschiedkundige Atte Sixma werkt aan het Academisch Instituut in Rome, temidden van allerlei wetenschappers en kunstenaars. Hij doet onderzoek naar Friese strijders voor keizers en Vaticaanstad. Maar niet iedereen stelt zijn inbreng op prijs. Vooral vanuit Leeuwarden klinkt steeds hardere kritiek, zijn peers pesten hem en zijn seksuele uitspattingen komen hem ook duur te staan. Ineens wordt alles twijfelachtig: heeft het Friese volk überhaupt wel bestaan? En wat blijft er in roerige tijden over van Sixma zelf?

    Friezen in Rome
    Auteur: Atte Jongstra
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Een groot niet-weten

    Een groot niet-weten

    Omineus veranderen de letters van de titel Cassandra van een hecht weefsel uiteindelijk in een losse draad. Niña Weijers’ nieuwe boek is een gewaagde poging licht te brengen in de zaak Cassandra van Schaijk, een zeventienjarig meisje uit Almere dat in 2007 zoekraakte en drie weken later dood werd gevonden in de naburige Noorderplassen. Dat Weijers niet slaagt in haar opzet, is geen verrassing – zelfs Peter R. de Vries beet zijn tanden stuk op de kwestie. Het boek gaat dan ook meer over het schrijven over de zaak, dan over de zaak zelf.
    Na Stephan Sanders, Renate Dorrestein en Redmond O’Hanlon was Niña Weijers in 2020/2021 de vierde writer in residence in Almere. De opdracht was zich ‘door de stad te laten inspireren’ en een boek te schrijven over iets wat zich er afspeelde. De huisbaas van Weijers’ tijdelijke appartement wijst haar op de zaak Cassandra van Schaijk, die vijftien jaar na dato de Almeerse gemoederen nog altijd bezighoudt. 

    Na een avond stappen in een plaatselijke hardcorediscotheek komt Cassandra niet thuis. Een getuige heeft haar rond vier uur ’s ochtends op het busstation mee zien gaan met twee ‘Hindoestaanse’ mannen. Drie weken later wordt haar lichaam uit het water gehaald. De zaak is nooit opgelost. De twee mannen hebben zich niet gemeld. Zelfs de doodsoorzaak staat niet vast. Ook niet of het gaat om een ongeluk, moord of zelfmoord. Het is dat ‘gebrek aan bijna alles’ dat Weijers intrigeert. ‘Misschien is de vage belofte van een avontuur genoeg; iets specifieks om me in vast te bijten tijdens dat oeverloze najaar (in coronatijd – R.L.) waarin de wereld knarsend tot stilstand is gekomen.’

    ‘Het plan was concreet,’ schrijft Weijers. Zoveel mogelijk mensen spreken en documenten, archieven en het internet doorspitten. ‘Op die manier zou het verhaal zich min of meer als vanzelf openbaren: ik hoefde alleen maar goed op te letten en me te laten leiden door de werkelijkheid.’ Wie weet, fantaseerde ze met vrienden, vond ze wel iets dat de zaak in een klap oploste! 

    Ontspoorde terror-Helga

    Weinig pagina’s gaan verhoudingsgewijs over de zaak zelf. Logisch, omdat de feiten op een half A4tje passen. Uiteraard probeert Weijers als nieuwsgierig schrijfster meer te weten te komen over het slachtoffer. Cassandra van Schaijk blijkt dan iemand geweest te zijn met twee gezichten: de aardige, onschuldige tiener van de verspreide foto’s, met een bijbaantje achter de kassa van de Plus in Almere-Buiten, en een drugsgebruikend feestbeest dat zich in dubieuze, deels racistische kringen bewoog en zich op het internet presenteerde als ‘ontspoorde terror-Helga’ – de naam is te herleiden tot een stripverhaal uit de jaren zeventig met de naam Terror, waarin de nazikampbewaakster Helga een sadistische rol speelt. Het is de politie noch Weijers gelukt een aanwijsbaar verband te leggen tussen Cassandra’s dubbelleven en haar dood. 

    Weijers zoekt contact met allerlei betrokkenen. De vader en broer van Cassandra. De teamleider van het politie-wijkteam Almere Buiten. Een zekere ‘Ariana’, die zich bij de schrijfster meldt als ‘beste vriendin’ van Cassandra: ‘als je vragen hebt kunt u ze ook mij stellen’. Weijers spreekt af met een vooraanstaand persoon uit de Hindoestaanse gemeenschap, in de hoop meer te weten te komen over de twee mannen die Cassandra het laatst hebben gezien. Dan is er Desiree, een vriendin van Cassandra, die nog iets kan vertellen over de nacht van de verdwijning. Uit al die ontmoetingen komt ontmoedigend weinig bruikbare informatie. Weijers verwijst naar een essay uit 1925 van Virginia Woolf over het toneel van de oude Grieken, waarin Woolf spreekt over ‘het niet-weten, de onoplosbare dubbelzinnigheid’ als kenmerk van ‘de hoogste vorm van poëzie’. Je zou dit als een manmoedige poging kunnen zien van Weijers om haar verhaal over Cassandra op een hoger plan te tillen, los van de true crime boeken, films, tv-series en podcasts. 

    Worsteling van de schrijfster

    Daartoe doet Weijers uitgebreid onderzoek naar wetenschappelijke literatuur over ’true crime’, onopgeloste moordzaken en naar de traditie waar haar boek toe zou gaan behoren. Susan Sontag leert haar dat het verlangen naar misdaad en geweld zo universeel is dat je het nauwelijks morbide kunt noemen. Filosoof Slavoj Žižek legt uit dat er verschillende soorten geweld zijn: ‘Subjectief geweld, zoals dat van een misdaad, plaatst hij tegenover twee vormen van wat hij objectief geweld noemt: symbolisch geweld, belichaamd door de taal, en systemisch geweld, dat een gevolg is van de manier waarop onze politieke en economische systemen zijn ingericht.’ Weijers zoekt houvast in ‘intelligente journalistiek-literaire metareflecties als die van Janet Malcolm in The Journalist and the Murderer (1990), Emmanuel Carrères L’Adversaire (De tegenstander, 2000) en Helen Garners Joe Cinque’s Consolation (2004)’. Veel lezers zullen niet zitten te wachten op deze reflectieve uitweidingen, die onbedoeld een licht werpen op de worsteling van de schrijfster die hardnekkig op zoek is naar een verhaal dat groter is dan de onopgeloste verdwijning van Cassandra. 

    Op weer een ander niveau is Cassandra ook het verslag van het ‘schrijven’ van Cassandra en de impact die dat heeft op het leven van de schrijfster. ‘Omdat ik het zo langzaam doe, raakt mijn schrijven verweven met de tijd die het kost om te schrijven; het leven zelf krijgt alle gelegenheid erdoorheen te vloeien.’ En andersom ook (Weijers is zwanger ten tijde van het schrijven van het boek). ‘Al bleek één ding, telkens weer, verrassend eenvoudig: mijn buik, en later het noemen van mijn pasgeboren baby, wekte meer vertrouwen dan welke geloofwaardigheid die ik verder ook bezat als vrouw en schrijver.’ Zo zie je de schrijfster aan het werk, zonder omhaal, in alle eerlijkheid. Cassandra’s vriendin Desiree zegt dat het goed is dat ze over Cassandra wil schrijven. ‘Ik kan haar met geen mogelijkheid vertellen wat ik denk, namelijk dat het me hoe langer hoe ondoenlijker lijkt om zoiets voor elkaar te krijgen.’ Ergens anders: ‘(…) wat ik weet is omgeven door een nog veel groter niet-weten’. 

    Het kan haast niet anders of Niña Weijers heeft af en toe flink in de maag gezeten met dit aangenomen werk. Het optimisme waarmee ze begon en de veronderstelling dat veel bronnen lezen, diepgaande gesprekken voeren en goed opletten ‘vanzelf’ tot resultaat zou leiden, tot ontrafeling van een zaak die al vijftien jaar in de knoop zat, bleken al gauw een illusie. Maar ze zette door, zocht verder, liet zich niet uit het veld slaan, en schreef een mooi boek over de frustratie van het niet-weten, over leven en dood in Almere en vooral ook over de weerbarstigheid van het schrijven van een boek.



  • Rob van Essen wint voor de tweede keer Libris Literatuurprijs

    Na het feestelijke diner in de concertzaal van Felix Meritis werd maandagavond bekend gemaakt dat Rob van Essen met zijn boek Ik kom hier nog op terug tegen vele verwachtingen in de Libris Literatuur Prijs 2024 kreeg toegekend. Het is de tweede maal dat Van Essen deze prijs krijgt toegekend, in 2019 won hij met zijn boek Een goede zoon. Een keer eerder is het voorgekomen dat een schrijver tweemaal deze prijs won. In 1995 ontving Thomas Rosenboom voor Gewassen vlees, en in 2000 voor Publieke werken de prijs.

    Uit het juryrapport: ‘De jury was zeer én aangenaam verrast door Rob van Essens Ik kom hier nog op terug, de roman die op de valreep van 2023 verscheen. Onze kaarten moesten opnieuw worden geschud, want dit boek is van uitzonderlijke kwaliteit. De schrijver neemt ons mee naar het verleden, en schrijft buitengewoon beeldend over wat het hoofdpersonage overkomt. Het boek bevat veel absurde situaties, zoals we van deze schrijver gewend zijn, maar meer dan andere keren staat alles nu perfect in de steigers.’

    Ook vindt de jury dat Van Essens laatste boek ‘vernuftig in elkaar [is] gezet’. En: ‘een krankzinnige fantasie met een fikse diepgang, een verhaal dat gaandeweg handen en voeten krijgt en een onverwachte ontknoping heeft.’ Kortom, Ik kom hier nog op terug is naar mening van de jury ‘de beste roman die Rob van Essen tot nu toe schreef’.

    Voor deze 31ste editie heeft de jury honderdnegenentachtig Nederlandstalige romans  die in 2023 verschenen zijn, gelezen. Dat kwam neer op een boek in twee dagen lezen. Een knappe prestatie. De leidraad tijdens het lezen was: ‘welk boek vind je het best, welk boek heeft je van begin tot eind geboeid, welk boek heeft je verrijkt’.

     

    Overige genomineerden waren:
    De onbedoelden – Cobi van Baars, bij Atlas Contact
    Luister – Sacha Bronwasser, bij Ambo | Anthos
    Gebied 19 – Esther Gerritsen, bij De Geus
    De onzichtbaren – Frank Nellen, bijHollands Diep
    Tosca – Maud Vanhauwaert, bij Das Mag

    De jury bestond uit Kim Putters (voorzitter), Joep van Ruiten, Dalilla Hermans, Vamba Sherif en Lisa Kuitert.

    Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden. De overige vijf genomineerden ontvangen 2.500 euro. De winnaar ontvangt tevens een bronzen legpenning naar ontwerp van Irma Boom.

     

    Foto: verkregen via Persmap Libris Literatuur Prijs 2024

     

  • Obsessief verlangen het verleden te reconstrueren

    Obsessief verlangen het verleden te reconstrueren

    In de roman Dit is jouw tijd van Bertram Koeleman zou Mart Rebius terug willen gaan in de tijd. Wie kent dat verlangen niet, met een tijdmachine een val in het verleden maken naar een gezinssituatie van vele jaren terug. Toen vader en moeder nog leefden en broers en zussen met vrienden en vriendinnen luidruchtig rondom de eettafel zaten. In een interview in Trouw vertelde  Koeleman dat het schrijven van deze roman begon met het beeld in zijn hoofd van een volwassen man in pyjama. Een man die in het verleden duikt en probeert zich in te beelden dat hij kind is. Hij schreef een eerste scène. Daarin staat Mart met zijn moeder bij het verse graf van zijn vader. En krijgt een visioen: hij ziet slingers en ballonnen die hem terugvoeren naar zijn zesde verjaardag. Het visioen wordt – op haast Proustiaanse wijze – gewekt door de parfum van zijn moeder naast hem.

    In de dagen na de begrafenis van zijn vader komt hij tot het besef dat het gebeurde op die verjaardag voor hem van grote betekenis is geweest: ‘Haast alsof tot dusver iets in mijn hoofd had liggen slapen dat ontwaakte door de dood van mijn vader en zichzelf nu koste wat kost kenbaar wil maken. Alsof mijn levende vader het slapende had gehouden.’ Voor de begrafenis van zijn vader bestond dat verleden niet voor hem. Hij heeft geaccepteerd dat zijn ouders gescheiden waren, dat hij bij zijn moeder opgroeide en zijn vader geregeld langskwam. 

    Het verleden reconstrueren

    Voor Mart wordt het een obsessief verlangen om die verjaardag te reconstrueren. Daarvoor is niets hem te veel. Hij haalt alles uit de kast om de waarheid omtrent die dag te ontdekken. Hij koopt het huis waar hij als zesjarig kind met zijn moeder woonde en richt het in als een kopie van vroeger. Vervolgens huurt hij via een castingsbureau toneelspelers in die de rol spelen van de personen die op zijn kinderverjaardag aanwezig waren. Behalve voor zijn moeder, die zichzelf speelt. Zijn vader wordt door zo’n goede lookalike gespeeld dat zijn moeder schrikt van de gelijkenis en later zelfs met de acteur naar bed gaat. Mart vraagt zijn moeder en zijn lookalike vader niet alleen die verjaardag na te spelen, maar ook andere momenten uit zijn jeugd. Zoals het optuigen van de kerstboom. Daardoor wordt hij soms weer de ‘springerige, vrolijke jongen die zo verlangde naar de liefde van zijn vader’. Door de reconstructies heen dringt tot hem door dat hij zijn vader, die door de scheiding niet altijd beschikbaar was, blijkbaar gemist heeft.

    De rol van de moeder in deze roman is uiterst merkwaardig. Eerst probeert ze zijn zoektocht in de kiem te smoren: ‘Lieverd ik heb echt geen idee waar je het over hebt. Je had een normale jeugd, Mart.’ Ze zegt zich niet te herinneren wat er gebeurd is, maar werkt vervolgens wel mee aan Marts experiment en leeft zich ogenschijnlijk helemaal in.
    Enige tijd later, als ze ernstig ziek is, dwingt Mart haar dat ze hem nu eindelijk vertelt wat er gebeurd is. Maar ook dan vertelt ze hem niet het hele verhaal. De ontbrekende stukken uit haar verhaal komt hij later te weten van een ambulancebroeder. De onthulling van dat geheim maakt alles anders: ‘Er was een nieuwe laag over de werkelijkheid heen gelegd en alles om hem heen leek opeens onecht, alsof zijn omgeving was vervangen door een replica.’

    Wat is er in hemelsnaam gebeurd

    Dat iemand zijn verleden wil reconstrueren is niet vreemd. Maar de gedetailleerde en obsessieve manier waarop dit in Dit is jouw tijd gebeurt is wel erg hyperbolisch. Het komt als ongeloofwaardig over dat zijn moeder niet wil zeggen wat er gebeurd is, terwijl ze wel van harte meewerkt aan de reconstructie. Er wordt niet genoeg uitgewerkt wat dit stilzwijgen van zijn ouders voor gevolgen heeft gehad voor het leven van Mart. Wel is er een passage waarin Mart zegt: ‘Wie wij vandaag zijn, of hoe wij onszelf vandaag zien, is in grote mate afhankelijk van ons beeld van onszelf vroeger.’ Maar dat wordt verder niet invoelbaar gemaakt. Koeleman beschrijft  de zoektocht, maar geeft er psychologisch te weinig noodzaak toe. Daarmee is er een kans blijven liggen. De beschrijvingen van eindeloze gesprekken die nooit een doorbraak bereiken, vervelen nog wel eens. Moeder houdt vast aan een leugen, naar het waarom ervan moet je gissen. Soms doet zich de vraag voor waar al die reconstructies voor nodig zijn. De hints die Koeleman voor de clou geeft, zijn zo summier dat de lezer zich blijft afvragen wat er toch in vredesnaam gebeurd kan zijn op die zesde verjaardag.

    Toch is het ook een roman met kwaliteiten want Koeleman schrijft in mooie zinnen: ‘Mart rent met een legodoos naar de eettafel en zet hem bij vier andere legodozen die een slagroomtaart omsingelen.’ Boeiend is de hele reconstructie van een huis met inrichting uit de jaren tachtig vorige eeuw, herkenbaar voor velen. Dit is jouw tijd gaat over het verzwijgen van dingen. Ouders die hun kind niet de waarheid vertellen uit angst dat hun leven erdoor bepaald zal worden. En dat ‘wat niet weet wat niet deert’ in zo’n omstandigheid nooit de juiste gedachte is. In essentie zijn ouders vaak bang om hun eigen trauma hieromtrent te delen met hun kind.

     

     

  • Oogst week 19 – 2024

    Alle omhelzingen

    Duitsers komen weliswaar uit het land van de dichters en denkers, maar hun zuiderburen kunnen er ook wat van. Dit jaar zou de Oostenrijkse dichteres Friederike Mayröcker 100 jaar zijn geworden. Dat redde ze helaas net niet, omdat ze in 2021 stierf. Nauwelijks een eeuw oud, maar haar nalatenschap geldt voor de eeuwigheid.

    Dit jaar verscheen de Nederlandse versie van Von den Umarmungen op de markt, vertaald door Martinus Nijhoff-Vertaalprijswinnaar Ton Naaijkens. Hij schreef ook het nawoord van Mayröckers dichtbundel: Alle omhelzingen.

    Geheel in lijn met de lijfelijke titel ervaart Mayröcker schrijven als een fysiek proces. Ze verkeert tijdens deze activiteit in een roes waar ze nooit uit raakt. Abnormaal vindt ze deze bijna hallucinante trance. En de Duitstalige literatuur mag haar dankbaar zijn voor deze abnormale neiging tot extase: ze geldt als grootheid van de Oostenrijkse letterkunde.

    Alle omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: m10boeken

    Duivels en heiligen

    Jean-Baptiste Andréa schrijft behalve fictie ook filmscenario’s. Zijn literaire debuut Mijn koningin leverde hem direct 12 prijzen op, maar de grootste won hij dit jaar: de Prix Goncourt, de heilige graal in Frankrijk. Met Des diables en des saints, door Martine Woudt vertaald in Duivels en heiligen, vestigt Andréa zich definitief tussen de grote namen van de francofone literatuur.

    Duivels en heiligen gaat over de geïsoleerde eenling. Het boek vertelt over een nare jeugd, waarin onbedorvenheid van een jong mens keihard wordt afgestraft door de harde buitenwereld. Vanuit een keur aan registers sleept Andréa de lezer door het verhaal heen en laat hem geen moment los: zwaar op de hand, dichterlijk, laconiek, raadselachtig… maar altijd subtiel en verleidelijk.

    Hoe cliché een moeilijke jeugd ook klinkt: niet wát een schrijver vertelt, doet ertoe, maar de vertelwijze. Filmschrijver Andréa begrijpt dit. Alles is al eens verteld, niet elke manier is toegepast…

    Duivels en heiligen
    Auteur: Jean-Baptiste Andréa
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Cassandra

    Op 24 maart 2007 verdween Cassandra van Schaijk spoorloos, om op 14 april diezelfde lente dood te worden gevonden in de Noorderplassen. Ze was nog geen achttien jaar oud. Behalve misdaadjournalist Peter R. de Vries proberen andere schrijvers koortsachtig dit mysterie te ontrafelen. Onder hen Niña Weijers.

    Als echte misdaadjournaliste, niet met botte bijl maar met prettige pen, dook Weijers in deze nooit opgeloste zaak. Inmiddels is haar boek Cassandra bekroond met de E. du Perronprijs, die de Universiteit Tilburg elke twee jaar uitreikt.

    Niña Weijers kon deze zaak die nooit officieel werd gesloten, maar niet loslaten. Ze zag hoe een onafgemaakt verhaal de levens van alle betrokkenen ontwricht. Bijna twintig jaar later blijft Cassandra’s noodlot onopgehelderd. Femicide? Wie zal het zeggen. Ieder slachtoffer verdient hoe dan ook een eerbetoon als dit.

    Cassandra
    Auteur: Niña Weijers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Over de gele soepterrine

    Over de gele soepterrine

    Plotseling was zij weg als presentator van het populaire televisieprogramma Heel Holland Bakt, Martine Bijl, getroffen door een hersenbloeding. Het programma werd overgenomen door André van Duijn. Martine Bijl maakte carrière als zangeres van het Nederlandse luisterlied, als actrice, schrijfster en cabaretier, maar bij het grote publiek was zij de laatste jaren vooral bekend van de reclame en als presentator van bovengenoemd programma. Zij was getrouwd met Berend Boudewijn, jarenlang een bekende persoonlijkheid in de Nederlandse amusementswereld. Na een ziekbed van een kleine vier jaar overleed zij in mei 2019. In zijn boek Wie houdt je warm in de winter?, waarvan de titel ontleend is aan een van haar gedichten, reflecteert Berend Boudewijn op zijn leven na haar dood. Het boek is absoluut geen larmoyante onderdompeling in zijn verdriet over haar gemis. Het is veeleer een liefdevolle bespiegeling van een man, zelf in zijn laatste levensjaren, op zijn leven met en zonder haar.

    Vergeetwoorden

    Berend Boudewijn valt als het ware met de deur in huis door zijn boek te beginnen met de constatering: ‘Daar zit meneertje dan in zijn grote huis, alweer drieënhalf jaar alleen. Zo zat hij te denken. Zo zag hij zichzelf zitten denken.’ Hij deelt met de lezer zijn persoonlijke kijk op zijn leven. Door in zijn relaas consequent te kiezen voor het hij-perspectief zorgt Boudewijn voor de nodige distantie tussen zijn gevoelens en de weerslag daarvan op de lezer. De toon is beschouwend, soms licht spottend of ironisch als hij de draak steekt met zichzelf of zijn omgeving. Juist deze licht relativerende afstandelijkheid zorgt ervoor dat zijn boek niet alleen een ontroerend inkijkje geeft in de zielewereld van de oude Berend Boudewijn, maar tevens een kleinood oplevert van een meer algemene strekking en dat is prachtige literatuur. Zijn toonzetting sluit naadloos aan bij de lieve, soms zelfs vileine en ironische toon die wij kennen van Martine Bijl en waaraan zij een groot deel van haar populariteit te danken heeft. In deze zin is het boek wel degelijk ook een ode aan Martine Bijl.

    Berend Boudewijn getuigt via de taal van zijn diep gevoelde zielsverwantschap met Martine Bijl. Dit wordt nog versterkt door het gebruik van wat Frits Spits in zijn programma De Taalstaat vergeetwoorden noemt zoals ‘gebelgd’ en ‘blohartig’. Gelukkig is de dosering hiervan heel zorgvuldig en zit het de leesbaarheid niet in de weg. Dat Berend Boudewijn en Martine Bijl beiden furore hebben gemaakt in de wereld van het amusement laat zich duidelijk aflezen uit het gebruik van korte, heldere zinnen zoals kenmerkend zijn voor cabaretteksten en luisterliedjes. Hij sluit het boek dan ook passend af door te refereren aan zijn openingszin: ‘Zo ziet meneertje zichzelf zitten denken in zijn grote huis.’

    Een hoop vragen

    De overpeinzingen in het boek hebben een vaak nostalgisch, weemoedig karakter. De tekening op de kaft van Marion Vrijburg, die doet denken aan de grote reclameposters van de Rotterdamsche levensverzekeringsmaatscappij van 1830, accenteert dit mooi. De alom aanwezigheid van de overleden Martine in zijn huis valt af te lezen aan de titels van haar boeken, de dofzwarte, ooit drooggekookte ketel die decoratief staat te wezen op het AGA-fornuis, de gele soepterrine zo sfeervol uitgestald op het witte servies achter de ruitjes van de ouderwetse inbouwkast in de keuken, de geur van haar kledingstukken, de inrichting van het huis, haar zorgzame gerommel in de tuin, de lege plek naast hem in bed. Ook in zijn relatie met vrienden en kennissen laat het gemis zich kennen, wat leidt tot gevoelens van eenzaamheid. Vaak blijkt zo’n relatie niet één op één te werken, maar is ze gekoppeld aan hen samen. Het gemis staat ook oprechte belangstelling voor de zorgen van de ander in de weg waardoor zo’n vriendschap erodeert. Wat voor man zou hij geweest zijn als hij Martine nooit had ontmoet? Hoe moet hij nu verder? Wat voor man is hij nu nog?

    Herinneringen aan zijn ouderlijk huis, aan andere verliefdheden vóór Martine komen boven drijven. Hoe zou zijn leven dan verlopen zijn? Hoe zien de anderen hem nu? Is hij een zielige, oude man in hun ogen? Moet hij trachten zich tegen dit beeld te weer te stellen door zich sterker voor te doen dan hij in werkelijkheid is? Zal hij nu eindelijk het laatste boek dat Martine bij zich had toen zij van de trap viel, gaan lezen? Dat boek met dat kleine bloedspoortje van de val er nog op: Biografie van een eigenwijze kunstenaar.Het zijn allemaal vragen die iemand zich stelt om de balans van zijn leven op te maken na een groot verlies. Het feit alleen al dat Berend Boudewijn dit boek heeft geschreven maakt duidelijk dat voor hem de balans positief is. Het schetst een beeld van een rijk, zorgzaam en liefdevol leven. De literaire kwaliteit van het boek zorgt ervoor dat het het persoonlijke beeld overstijgt en een ereplaatsje verdient temidden van de autobiografische geschriften van bekende Nederlandse persoonlijkheden.

     

  • Herman de Coninckprijs 2024 voor Robin Block

    Herman de Coninckprijs 2024 voor Robin Block

    Robin Block kreeg op 21 maart, Wereld Poëziedag, voor zijn vierde dichtbundel Handleiding voor Ontheemden de Herman De Coninckprijs 2024 toegekend. De jury sprak van een ‘magisch reisverslag’ en ‘avonturenroman’ in poëzie.

    En ook: ‘Waar in het eerste gedicht de stem van een voorvader door de keel van de dichter galmt, blijkt gaandeweg vooral die van de oermoeder belangrijk: een oermoeder die is weggekrast op foto’s, een leven leefde van verzwegen leed. Het moment dat de dichter haar naam vindt is een van de hoogtepunten van deze bundel’.

    Robin Block (1980) is een dichter, muzikant en performer, die zowel in Nederland als in Indonesië vele kunstwerken en voorstellingen op zijn naam heeft staan. Met zijn poëziefilm Manual for the Displaced won hij het Nederlands Poëziefilmfestival en diverse internationale prijzen. Van zijn hand verschenen de bundel Bestialen, het tweetalige In Between, Di Antara en Handleiding voor Ontheemden.

    Aan de prijs is een bedrag van € 7.500 verbonden.

     

    Lees hier de recensie van Handleiding voor ontheemden.

     

  • Oogst week 13 -2024

    Yellowface

    In het lijstje met ‘Beste boeken van 2023’ van de Volkskrant in december vorig jaar stond tussen alle Nederlandse en vertaalde boeken ineens het Engelse Yellowface van R.F. (Rebecca) Kuang. Het gaat over een schrijfster, June Howard, die maar geen successen oogst. Maar dan is ze de enige getuige van de dood (ze stikt in een pannenkoek) van de wel populaire vroegere klasgenoot, de Chinees-Amerikaanse Athena Liu, op wie ze flink jaloers is. Ze ontdekt het manuscript waaraan Liu bezig was. Het gaat over de ronseling door het Britse leger van Chinese arbeiders in de Eerste Wereldoorlog. June doet alsof ze Athena’s beste vriendin was. Ze gaat het boek herschrijven en meer en meer naar haar hand zetten om de roman uiteindelijk onder pseudoniem als haar eigen werk te publiceren. Het wordt een succes, maar wordt het bedrog ontdekt? Yellowface is nu er nu in het Nederlands. Het is een satire op de omgang met diversiteit in de uitgeverswereld die in de Engelstalige pers nogal wisselende kritieken kreeg. Toen Kuang haar eerste versie in 2021 afhad werd haar zelfs afgeraden het te publiceren omdat uitgevers afhoudend zouden zijn.

    Yellowface
    Auteur: R.F. Kuang
    Uitgeverij: The House of Books

    De contractarbeiders van Deli

    Reggie Baay (1955) is gespecialiseerd in Indische koloniale en postkoloniale literatuur. Tot zijn vele publicaties op dit terrein behoort De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië uit 2018. In dat boek speelt onder andere zijn oma een rol die een ‘njai’ (een inheemse concubine van de Europese witten in Nederlands-Indië)was. Zij werd daar haar Europeaan, Baays opa, weggestuurd toen hij terugging naar Nederland. Baay slaagde er lang niet in te weten te komen hoe het zijn oma verder was vergaan, tot een toevallige ontmoeting met een onderzoeker hem duidelijk maakte dat veel van die njai later om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien contractarbeider werden op Sumatra. Dat spoor trok Baay na en hij ontdekte inderdaad zijn oma. Hoewel de slavernij al lang was afgeschaft bleken de omstandigheden waaronder de njai contractueel diensten moesten verrichten zo streng dat die nauwelijks van slavernij verschilden. De contractarbeiders van Deli is opnieuw een boek waarin Baay persoonlijke verhalen verweeft met de grote geschiedenis.

    De contractarbeiders van Deli
    Auteur: Reggie Baay
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Papieren vrienden

    Jan Konst maakte in 2012 samen met de arts de overlijdensakte van zijn vader op. Ineens flitste het beeld bij hem op van de keren dat hij de geboorteaktes van zijn dochters in ontvangst nam. Zonder erop bedacht te zijn ervoer hij de kringloop van het leven. Met zijn vader had hij vaak gesprekken gevoerd over de zin van dat leven. Hij wilde er een boek over schrijven, maar het lukte niet. Tot hij dacht aan de literaire personages die hem al jaren vergezellen (Konst is literatuurwetenschapper aan de Freie Universität Berlin en richt zich vooral op moderne Nederlandse literatuur en relaties daarvan met de Duitse). Van hem is er nu het boek Papieren vrienden, waarin hij ingaat op vragen over de zin van het leven in een ‘gesprek’ met zestien literaire voorbeelden – ‘papieren vrienden’. Hij put daarvoor uit achthonderd jaar Nederlandse literatuur. Zestien hoofdstukken zijn het geworden, gewijd aan personages / schrijvers als Onno Quist (‘De ontdekking van de hemel’), Margriete van Limborch (geesteskind van Jan van Aken), Bert Alberegt (‘Herinneringen van een engelbewaarder’) , Tibbolt Satink (‘The MOVO-tapes’), Sofie Lakmaker en elf anderen.

    Papieren vrienden
    Auteur: Jan Konst
    Uitgeverij: Balans
  • Oogst week 10 – 2024

    Ik kom hier nog op terug

    Schijn en werkelijkheid lopen door elkaar en het verleden is prominent aanwezig in Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen. Hoofdpersoon Rob Hollander, journalist en voormalig student filosofie wordt naar Los Angeles geteleporteerd waar hij is uitgenodigd door een oude studiegenoot die een tijdmachine heeft uitgevonden. Deze Icks geeft hem de mogelijkheid om vijf keer terug te reizen in de tijd waar hij gemaakte fouten uit het verleden kan goedmaken. In die tijdreis stuit hij op een traumatische gebeurtenis uit zijn jeugd.

    Voor het zover is schildert hij bruggen in Amsterdam. Een journalist komt langs: ‘”Waarom gaat een jongetje van acht jaar in zijn eentje een donker bos in? Ik heb Gertjan Aalderink en Gertjan Baan gesproken, die zaten toen bij u in de klas toch? Die hebben u het bos in zien gaan, zelf durfden ze niet, zeiden ze.” Hij had zijn kwast nog eens in de verf gedoopt. “Kunt u zich er niets meer van herinneren?” Die vraag had ze niet moeten stellen. Nu kon hij haar antwoorden dat hij er zich inderdaad niets meer van kon herinneren, hoe oud was ik, precies, u zei het net al, acht, negen, het is lang geleden. Hij weet alles nog. Daarom leest hij alles wat los en vast zit, als het maar verzonnen is. Hij zit onder de lamp en wil verzonnen zijn. Hij is een verhaal. Met een begin en een einde.’

    Alledaagse werkelijkheid bestaat bij de auteur niet. Ook dit meeslepende verhaal heeft de verbluffende wendingen en het geloofwaardig absurdisme waar Van Essen patent op heeft.

     

    Ik kom hier nog op terug
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    In de mist van Golden Gate Park

    Met Wees onzichtbaar (2017) vestigde de vertelstem van Murat Isik zich voorgoed in de Nederlandse letteren. Het boek vertelt het verhaal van de vijfjarige Turkse Metin die met zijn moeder, zusje en ongelukkige, gewelddadige vader in de Bijlmer, een getto, komt wonen. De gevoelige en intelligente Metin weet het milieu te ontstijgen, net als zijn zus en ook zijn moeder, over wie Isik in 2019 het boekenweek-essay Mijn moeders strijd schreef. Wees onzichtbaar is los gebaseerd op Isiks eigen leven. Het boek werd een bestseller en won belangrijke prijzen. Zijn debuutroman Verloren grond (2012), over een familie in een door de Armenen gesticht Turks dorp, beleeft inmiddels de zeventiende druk.

    In de mist van Golden Gate Park bevat eveneens veel autobiografische elementen. Hoofdpersoon Metin gaat, net als Isik een half jaar deed, rechten studeren in San Francisco. Het is 2001. Waar hij in Amsterdam een teruggetrokken iemand was, is hij vastbesloten in zijn nieuwe leven de regie te pakken, zich van zijn oude leven te ontdoen en de ‘cool boy from Amsterdam’ te worden. Maar het vooruitzicht om zijn verdere bestaan in het keurslijf van de jurist door te brengen beklemt hem zo dat hij een uitvlucht zoekt, die hij vindt in het keuzevak Creative Writing.

    Metin stort zich op het schrijven en er komt ‘een bewijsdrang’ in hem los; hij wil gelezen worden. Hij ontmoet de naar depressie neigende Joan Springfield op wie hij tomeloos verliefd wordt. Samen gaan ze op bezoek bij de schrijver David Foster Wallace, met een voor Metin ongewenste uitkomst. Van thuis, waar het met zijn ouders niet goed gaat, komen steeds urgenter wordende mails. Hij wil zich er niet mee bezighouden en zijn autonomie beschermen, waardoor hij onaangename dilemma’s het hoofd moet bieden.

     

    In de mist van Golden Gate Park
    Auteur: Murat Isik
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Het Xoanon

    Na de Grote Oorlog is het Ottomaanse rijk verslagen. Constantinopel is bezet door de grootmachten, wit-Russische vluchtelingen stromen binnen. Hoewel in het oosten van het land een nieuwe oorlog dreigt, begint het er in de betere wijken van de stad alweer vrolijk aan toe te gaan. Deze situatie, vol overlevingsdrang en intriges, is de achtergrond van Het Xoanon, de nieuwe historische roman van Jan van Aken.

    Hoofdpersoon en vrijbuiter Beaujon, een ‘neutrale’ met een Nederlands paspoort die ‘zijn eigen geschiedenis op orde heeft gebracht’, is vanuit Colombia in Constantinopel terechtgekomen, waar hij gerieflijk leeft. ‘De papieren die ik in Barranquilla had gekocht, pasten beter bij me dan mijn officiële documenten. Ik had me daar enige tijd schuilgehouden, maar er liepen in die contreien nogal wat mensen rond die me in de eerste oorlogsjaren gekend hadden, dus toen ik een baantje kon krijgen op een schip dat uiteindelijk naar Europa zou varen, greep ik mijn kans.’

    Beaujons leventje wordt overhoop gehaald als hij getuige is van een aanslag op een antiek monument. Een kostbaar voorwerp uit de oudheid, een xoanon (een oud-Grieks houten cultusbeeld), is daarbij verdwenen. ‘De aanslag was niet gericht op de moskee, zoals ik aanvankelijk had gedacht, maar op de verbrande zuil bij Çemberlitaş die zich nu gedeeltelijk in een stofwolk hulde, als een derwisj in zijn opwervelende tennûre. (…) Ik bleef op enige afstand staan kijken. De zuil, ooit het middelpunt van het forum van Constantijn de Grote, leek nog intact, al kon ik ondanks het stof zien dat er een donker gat gaapte in de gemetselde voet van de kolom.’

    Het xoanon is Van Akens achtste historische roman. Zijn De ommegang werd in 2018 bekroond met de F. Bordewijk-prijs.

    Het Xoanon
    Auteur: Jan van Aken
    Uitgeverij: Querido
  • Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Op het conto van Adriaan van Dis, een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers, staan romans, (reis)verhalen, essays, poëzie, toneelstukken, documentaire televisieseries, literaire non-fictie en zelfs een libretto. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Constantijn Huygensprijs. Huidskleur is een terugkerend motief bij Van Dis, vooral in zijn boeken en reisreportages over Afrika en in zijn ‘Indische’ boeken. Zijn belangstelling voor Zuid(elijk)-Afrika kwam voort uit bewondering voor de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach. De beschouwende blik op afkomst en sociale ongelijkheid is bij Van Dis nooit ver weg.

    Veel van zijn romans hebben te maken met Indonesië en de Nederlands-Indische achtergrond van zijn ouders. Ze waren beiden Nederlanders; zijn moeder was eerder getrouwd met een Molukse KNIL-militair waardoor de drie halfzussen van Van Dis half-Indisch zijn. Omdat hij zelf wit is en geboren in Nederland voelde hij zich een buitenstaander in het gezin, ook omdat behalve hij alle gezinsleden een Nederlands-Indisch oorlogsverleden hadden. Zijn boek Indische duinen daarover werd een groot succes.

    De oorlog

    Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen ruist oorlog. De negenjarige Adriaan wordt voor langere tijd naar zijn grootvader Huibert gestuurd om in diens ‘hoge huis’ rust te krijgen van zijn vaders oorlogstrauma, van zijn getier, de slaag en de demonen. Hij is een zenuwachtig kind met sproeten. De stugge grootvader praat weinig, weet niet hoe hij met een kind moet omgaan. Bij huishoudster Jans daarentegen, die Adriaan na een tijdje uit zichzelf Ommie gaat noemen, mag hij op schoot zitten, krijgt hij aaien over zijn hoofd en armen om zich heen. De verre herinnering aan haar was voor Van Dis de aanleiding tot dit boek.

    Ommie is in dienst bij Adriaans grootvader. Ze woont in het hoge huis, krijgt niets betaald, is afhankelijk van hem – al is de afhankelijkheid wederzijds. Zij is ook zijn concubine, maar daar wordt in huis niet over gepraat. Ze dient, doet het huishouden, verzorgt grootvader en bedient de vrienden en zakenmannen die op bezoek komen. Het is de tijd van De Koude Oorlog, de komst van de Russen dreigt. Restanten van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aanwezig: in ruïnes van dorpsgebouwen, in het op straat tikkende houten been van de dagelijks langslopende Melita, in flarden van gesprekken die Adriaan opvangt. Voor hem is het allemaal spannend. Mondjesmaat krijgt hij over de oorlog iets los van Ommie. Ze praat er liever niet over. Van haar heeft hij een verrekijker gekregen die hij Maresch noemt, naar de naam in de voering van het foedraal. Maresch is de vriend die hem de wereld laat zien
    – zelf durft hij nog niet goed naar buiten. Hij observeert er de straat mee, de langslopende mensen, en in huis de plafonds, kastdeuren, ieder randje of vlekje. ‘Sproet’ is nieuwsgierig, opgewonden en bang voor wat hij ontdekt en niet begrijpt. Ommie stelt hem gerust: ‘Je bent veilig.’ Later hoort hij van haar dat Maresch de achternaam is van de Tsjechische Jan, gevlucht voor de nazi’s en in het verzet, ondergedoken bij Ommie in het hoge huis.

    Intermezzo’s

    Van Dis is inmiddels zevenenzeventig jaar oud en zo presenteert hij zich ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen. Over dat heden vertelt hij in een ander lettertype in kleine intermezzo’s tussen de hoofdstukken door. Met een kapotte heup zit hij op een bankje in het park, dagelijks na altijd dezelfde wandeling. Hij ontmoet er onder andere ‘twee vingervlugge kameraden, Hamza en Ricardo, die samen langs de winkels slierden. Al kletsend merkte ik dat ik erg op mijn woorden moest letten. Wat was een roman precies? Wat bedoelde ik met “teruggaan in de tijd”?’ Boeken lezen doen ze niet, nooit. Met deze jongens toont Van Dis zijn beschouwende oog voor andere ontwikkelingen, voor het asociale van een samenleving. In het park peinst hij ook over de tijd in zijn grootvaders huis. ‘Soms kan ik het niet laten even tegen de stam te leunen, zoals Ommie deed na het schoffelen.’

    Melita met het houten been fascineert Adriaan, net als het gevaarlijke woord ‘razzia’ dat hij in verband met haar opvangt. Haar invalide zoon duwt ze in een kar voort. ‘Ze leefde voor hem, dat was ze verplicht aan zijn vader, een verzetsheld.’ Adriaan bekijkt moeder en zoon door het raam nieuwsgierig en medelijdend met zijn verrekijker. Op een ochtend vallen ze, de zoon met zijn hoofd op de stenen. Hij krijgt een spasme en een hersenschudding, moet naar een tehuis, wordt haar afgenomen. ‘Ze begon door de straten te dwalen. (…) Soms schreeuwde ze luid zijn naam. (…) Niet meer het tikken van haar been kondigde haar aan, maar haar stem. Hoog en schor. (…) Adriaan riep Ommie als hij haar hoorde. (…) Hij zou haar nooit meer “manke” noemen.’

    Onder de stijl schuilt het drama

    Gedurende het verhaal blijkt hoe sociaal Ommie is. Ze probeert iets te betekenen voor Melita, heeft onderduikers geholpen en houdt Huiberts familie bij elkaar. Langzaamaan hoort Adriaan meer over de oorlog, al proberen grootvader en Ommie dat te vermijden. Zijn huisleraar – Adriaan krijgt thuis les -laat vallen: ‘“De moffen lieten ons verrekken”. Nou, toen begreep Adriaan het wel. Meneer Van Look (…) dicteerde er nog een hele trits bij: “vechtbereid”, “verhoortechniek”, “vernietigingskamp”. Ook die woorden schreef Adriaan met een bibberpotlood op. Hij kon het echt niet helpen, was zelf niét over de oorlog begonnen. (…) Hij stelde vele vragen. Verboden vragen. Betrad verboden terrein. Maar hij genoot ervan. O, wat verlangde hij naar dapperheid.’

    De hedendaagse Van Dis gaat op zoek naar informatie over de vrouw die zijn Ommie was. Hij spreekt verre familieleden, vindt documenten. Zijn moeders nalatenschap levert een paar brieven van Ommie op. ‘Geruststellingen over mijn schoolvorderingen en strijd tegen galbulten (…) Bij tweede lezing viel mij een passage op die ineens meer betekenis kreeg: Wat is dat toch met Adje? Hebben jullie er veel met hem over gesproken? Hij tekent al dagen tanks in zijn tekenschrift en schietende soldaten in plassen bloed.’

    In Naar zachtheid en een warm omhelzen neemt de waarnemer Van Dis de lezer in treffende bewoordingen mee naar de ervaringen van de kleine, bangelijke jongen van toen. Het boek leest moeiteloos. Maar onder de heldere, haast lichtvoetige stijl van de auteur schuilt het drama. De verbeelding en empathie van de lezer worden aangesproken dankzij levendige personages, invoelbare dialogen en het perspectief van de kleine Adriaan. Af en toe is er een alwetende verteller aan het woord. De hedendaagse intermezzo’s zijn in de eerste persoon geschreven.

    Rudy Kousbroeklezing

    Vorig jaar kon Adriaan van Dis dan eindelijk de Rudy Kousbroeklezing houden die wegens corona een paar jaar was uitgesteld. In de tussenliggende jaren schreef hij verder aan de lezing. Zijn onderzoek breidde zich uit, de artikelen stapelden zich op, er kwamen steeds meer gegevens bij. Veel te veel voor een lezing. Daarom is er nu wederom een boek; De kolonie mept terug is de neerslag van al dat materiaal. Opnieuw is Van Dis’ beschouwende oog gericht op het koloniale verleden en de gevolgen ervan, op racisme en de witte kijk op de wereldgeschiedenis.