• Oogst week 24 – 2025

    Spiegel van hemel en aarde

    Hoe kan een mens zich bevrijden van vooroordelen en visies die hem verhinderen om met een open blik te wereld te aanschouwen? Pas als hij vrij naar de wereld kijkt zou hij in staat zijn deze te zien zoals werkelijk hij is.

    Filosoof en journalist Michel Dijkstra, gespecialiseerd in oosterse filosofie en westerse mystiek, ziet de klassieke Japanse en Chinese wijsgeren denken met hun hart. Zij willen daartoe ieder mens verleiden. Vooral in het westen maken we een onderscheid tussen denken en voelen. Maar de oude oosterse wijsgeren gaan uit van de hart-geest, waarmee ze bedoelen dat gedachten en gevoelens samengaan. Dijkstra maakt via de taoïst Zhuang Zi, de confucianist Mencius en de zenboeddhist Dogen Zenji in Spiegel van hemel en aarde duidelijk wat de dimensies van de hart-geest inhouden. De Japanse estheticus Motoori Norinaga en de zendichter Ryokan, eveneens uit vorige eeuwen, tonen hoe mensen zich kunnen bevrijden van hun vooringenomenheid. ‘Jouw hart-geest is een spiegel; hoe meer je hem poetst, hoe meer hij schittert.’ Met deze openheid laat een mens ruimte voor de wereld en de ander toe.

     

    Spiegel van hemel en aarde
    Auteur: Michel Dijkstra
    Uitgeverij: Atheneum 2025

    Kwade dagen

    Kwade dagen van Rob van Essen is de sleutelroman die hij schreef in 2002. Atlas Contact geeft het boek nu opnieuw uit. Behalve als sleutelroman wordt het boek gezien als een meesterwerk. De bekende Van Essen-vervreemdingseffecten zijn volop aanwezig, net als de vaste ingrediënten filosofie, mysterie en ironie.

    Op het Waterlooplein vindt ik-persoon Matthijs een exemplaar van de enige plaat die ooit is opgenomen door het jongenskoor Asaf. ‘Op de hoesfoto stonden vijfendertig jongens. Ze stonden opgesteld voor de preekstoel van de Zuiderkerk van Rijshorst en droegen allemaal een zwarte broek, een wit overhemd en een groen strikje. (…) Boven de groep stond in verbazingwekkend frivole letters: DE HEER IS MIJN HERDER. Chr. Jongenskoor ‘Asaf’ o.l.v. Piet Schotanus en Henk Woldering zingt psalmen en geestelijke liederen (…) Ik liet mijn blik over de foto glijden. Ik was makkelijk te vinden, want ik stond midden vooraan. Bovendien had iemand met een zwarte balpen een cirkel om mijn hoofd getrokken.’

    Matthijs, toentertijd een tieneridool, wordt gedwongen stil te staan bij zijn verleden, want als hij de nacht na de vondst van de plaat door het meisje Violet wordt meegenomen naar het streng christelijke stadje waar hij opgroeide, verzamelen zich daar alle mensen die in zijn leven een rol hebben gespeeld. Zijn vroegere daden blijken onvoorstelbare gevolgen te hebben gehad.

    In het nawoord van het boek legt Van Essen de familiebanden uit tussen de personages in Kwade dagen en Ik kom hier nog op terug, winnaar van de Librisliteratuurprijs 2024.

     

    Kwade dagen
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact 2025

    De tijd, de waarheid en de geschiedenis – hoe onze wereld in elkaar zit

    Mensen proberen te begrijpen, en hebben dat altijd geprobeerd, hoe de wereld in elkaar zit. Wat is tijd, wat betekent het dat er licht en donker is, waarom zijn er verschillende seizoenen? Toen en nu denken mensen dat er een diepere waarheid verscholen ligt achter de zichtbare wereld. Wat ervaren en gevonden wordt, wordt opgeschreven.

    Voormalig hoogleraar Geschiedenis van Nederland aan de Universiteit van Amsterdam Piet de Rooy werd voor De tijd, de waarheid en de geschiedenis geïnspireerd door het vrijwel gelijknamige schilderij van Goya dat voorop het boek is afgebeeld. De Rooy onderscheidt drie fundamentele pijlers waarop de wereld is gebaseerd: de tijd, die werd onderworpen aan de klok en de kalender, de waarheid, waarvoor de Bijbel eeuwenlang werd aangezien, en de geschiedenis, waarin ervaringen en herinneringen worden vastgelegd. Of niet, want geschiedenis is niet zelden, al of niet bewust, gekleurd. Wonderlijke anekdotes en merkwaardige inzichten vormen een kleurrijk panorama dat De Rooy voorschotelt, gesteund door inzichten uit de evolutietheorie en de neuropsychologie.

    De auteur is gespecialiseerd in de eigentijdse geschiedenis van Nederland. Zijn terreinen zijn opvoeding, onderwijs en cultuur.

     

    De tijd, de waarheid en de geschiedenis – hoe onze wereld in elkaar zit
    Auteur: Piet de Rooy
    Uitgeverij: Querido 2025
  • Na de verdoving

    Na de verdoving

    Waarom lezen we? Onder andere om te verdwijnen, te leren, te begrijpen, te verplaatsen en om te herkennen… Herkenning in een boek is een kwaliteit, een besef dat je niet alleen staat, dat je niet uniek bent en in het geval van de memoir Beladen huis van Christien Brinkgreve legt deze herkenning zaken bloot die ontegenzeggelijk in veel relaties spelen, verschillen tussen mannen en vrouwen die soms onoverbrugbaar zijn.

    In Beladen huis beschrijft Brinkgreve het verhaal van haar huwelijk met Arend Jan Heerma van Voss, die in februari 2022 na een lang ziekbed stierf. Ze gebruikt hun huis, dat langzaam dichtslibde met zijn spullen en ‘beladen’ is geraakt, als een metafoor voor de tragiek van hun relatie en de vervreemding van elkaar. ‘De staat van verwaarlozing van het huis drong in de tijd daarna pas goed tot me door. Ik zag de scheuren in de muren, de afgebladderde muren in de wc, de uitpuilende boekenkasten in de gang die slechts een klein looppad toelieten. De stapels oude kranten en tijdschriften, de dozen met spullen waarop jarenlang niemand meer een blik had geworpen.’

    Overgeleverd

    Brinkgreve’s memoir begint met de herinnering aan de begrafenis van A zoals ze haar man Arend Jan door het hele boek heen noemt. Dat werkt goed en geeft haar enige afstand tot het onderwerp. Langzaam ontwaakt ze uit haar verdoving en begint met hulp het huis een beetje op te ruimen, leefbaarder en weer eigen te maken. Daarmee komen de herinneringen aan en anekdotes over een gelukkig huwelijk dat gaandeweg steeds moeizamer wordt, bovendrijven.

    Ze ontmoetten elkaar eind jaren zeventig, toen Brinkgreve met de socioloog Bram de Swaan samenwerkte en A voor de Haagse Post schreef, voordat hij daar hoofdredacteur werd. Het was liefde op het eerste gezicht, al merkte Brinkgreve er bij hem weinig van, schrijft ze. Ze bewonderde hem, zijn scherpe geest en humor. Later begreep ze dat hun ontmoeting een trigger was ‘om zijn in zijn ogen vastgelopen huwelijk achter zich te laten.’

    Ze gingen samenwonen in haar huis in de Noorderstraat in Amsterdam, dat ze tot haar grote spijt heeft verkocht. ‘Ik gaf uiteindelijk toe: na twee jaar verzet zwichtte ik voor zijn druk om het huis te verkopen. Ik veronachtzaamde daarmee, in de taal van later, mijn eigen grenzen. Dat was ik gewend, overgeleverd als ik me als kind voelde aan de wanhoop van mijn bij vlagen angstige en depressieve moeder.’

    Het huis als metafoor

    De ervaren socioloog Brinkgreve las veel boeken (gezien de lijst achterin) over rouw en relaties en citeert daar soms uit, woorden die haar onderzoek ondersteunden. Ze komt tot inzichten en zoekt naar antwoorden die raken aan haar verhaal van onvermogen om haar man te bereiken. Waarom was ze als geëmancipeerde vrouw, hoogleraar vrouwenstudies, een intellectueel en één van de eerste moeders met een veeleisende baan, niet in staat om haar man, die er toch ook moderne denkbeelden op nahield, te weerstaan? Waarom keerde hij zo naar binnen op het depressieve af, vooral na zijn pensioen? In hoeverre werkten de patronen van hun jeugd door in hun volwassen leven? En de hamvraag: Waarom ging ze niet bij hem weg? ‘Er was veel wat me bond. Maar het was ook angst die me weerhield om weg te gaan. Het opbreken van vertrouwde paden vroeg om een onverschrokkenheid die ik toen niet had.’

    Het huis als metafoor van de tanende relatie komt wel het best tot uiting in de kelder die jarenlang ondergelopen staat. Spullen verweren en vallen uit elkaar. A kan het niet opbrengen om er iets aan te doen en onbegrijpelijkerwijs laat ook Brinkgreve het gebeuren. Het zegt alles over de moedeloosheid waarin de relatie zich bevond.

    Ze beschrijft de laatste maanden van zijn ziekbed indringend, de zware sfeer, het onvermogen om elkaar te bereiken is schrijnend. Toch blijkt, als ze de moed vindt om tijdens het opruimen hun emailuitwisseling van jaren geleden te herlezen – zij zit boven in haar werkkamer, hij beneden achter zijn laptop in zijn kamer – dat er wel degelijk een vorm van contact was. Ze herkent zijn heldere argumentatie en betrokkenheid in zijn schrijven. Het is tragisch dat ze het gesprek nooit konden voeren terwijl ze elkaar in de ogen zagen.

    Een boos boek is ongepast

    Ze kon niet tegen hem op, verzucht ze op twee-derde van het boek. ‘Hij was zo bepalend, door zijn stemmingen, de scherpte van zijn woorden, zijn oordelen.’ Uiteindelijk was hij ook slachtoffer van zijn opvoeding. Of zoals Brinkgreve het zo mooi verwoordt: ‘Ik zie ook de karrensporen oplichten die A ondergronds hebben getekend. Het spoor van zijn angst overweldigd te worden door het massieve verdriet van zijn moeder, en zijn angst verlaten te worden.’ Hun band was belast met A’s angst verlaten te worden. Zelfs als ze thuis was en boven in haar werkkamer zat, voelde ze zijn verwijtende blik. Een trauma dat in zijn jeugd ontstond toen zijn vijf jaar oudere zusje Dokie, aan wie hij erg gehecht was, stierf aan de gevolgen van een ongeluk. Dit psychologisch besef komt pas op het einde van het boek aan bod. Brinkgreve ziet de dood van zijn zusje als de oorzaak van veel onverwerkt zeer.

    Tijdens het schrijven van Beladen huis vraagt Brinkgreve zich vaak af wat voor soort boek het moet worden. Geen boos boek, dat is ongepast en oninteressant. ‘Het is ook niet mijn overheersende gevoel: de verwondering heeft het inmiddels gewonnen van het verwijt, de compassie overstemt de woede.’ Het is een persoonlijk boek geworden over rouwverwerking en inzichten vergaren. ‘Dat het een boek over rouw was werd voor mij steeds voelbaarder. Over rouw die bemoeilijkt werd door het ontbreken van een afscheid.’

    Brinkgreve meandert door de tijd van haar huwelijk, werk, ouders, kinderen, vakanties, vrienden en het huis. Onvermijdelijk werkt dat hier en daar wat herhaling in de hand. Bovendien blijft A’s karakter soms wat algemeen. Hij is het dode paard waaraan het moeizaam sjorren is, zegt een vriendin. Meermalen vertelt Brinkgreve dat A scherp is in zijn argumentatie, dat ze houdt van zijn humor. Daarvan had ze best wat meer voorbeelden kunnen geven. ‘Dat kan dus, die sterke afwisseling in één persoon van lichtheid en humor en aan de andere kant zwaarmoedigheid. Ik ben blij dat ik ook deze lichte momenten weer terugkrijg: (…) Ik mis zijn humor, zijn onverwachte en vaak rake opmerkingen. Het valt me moeilijk er één persoon van te maken, zo verschillend als zijn kanten konden zijn. En zo abrupt de omslag.’

    Als ervaren schrijfster, sociologe en feministe weet Brinkgreve de problematiek van haar huwelijk breed te trekken. Ze raakt veel zijdelingse onderwerpen aan, waardoor het ook een universeel verhaal wordt, wat diepgang en leesplezier ten goede komt.

     

  • Dienstplichtigen van toen

    Dienstplichtigen van toen

    De achtste roman van Philip Snijder, De verbindingen, heeft een onverwacht actueel thema, dat van de dienstplicht. Er is weer discussie over herinvoering daarvan in verband met de herbewapening en Europese oorlogsvoorbereiding.

    Dat het boek aanhaakt op de actualiteit is begrijpelijk, maar de parallellen zijn ver te zoeken. Het boek gaat namelijk wel over dienstplichtige soldaten (en een enkele officier) maar dan in het historisch perspectief van kazernering in Duitsland eind jaren zeventig. De anonieme hoofdpersoon/verteller moet als soldaat in dienst en maakt daar een periode vol verveling, eenzaamheid, vernedering, gekmakende routine en oppervlakkige camaraderie mee. Voor een gevoelige jongen met een laag zelfbeeld en vol angsten geen geringe uitdaging.

    Nieuwe kameraad

    Het sleutelwoord in het boek is dat van de titel: verbindingen. Dat moet zowel letterlijk als figuurlijk genomen worden. Letterlijk omdat hij in dienst de functie van radiotelegrafist vervult, wat hem consequent de bijnaam ‘de Stekker’ oplevert. Een goed voorbeeld van de depersonalisering die de diensttijd – zeker toen – met iemand deed. Figuurlijk omdat de hoofdpersoon daar wanhopig naar op zoek is, verbinding. Daar slaagt hij eigenlijk niet in. Niet op school met slechts een schuchtere toenadering tot een onbereikbaar meisje, geen enkel contact met een afwezige en zieke vader, weinig liefde tussen hem en zijn moeder, nauwelijks banden met familie, later geen vrienden in zijn studiestad Amsterdam en een zich voortslepende relatie met vriendin Ingrid. En dan gebeurt er eindelijk toch wat.

    Bij de keuring voor de militaire dienst ontmoet hij door toeval, ze staan achter elkaar in de rij, een wat mysterieuze jongen, Ronald, die er hippie-achtig uitziet. Ze gaan in gesprek – al heel wat voor de verteller – en ze trekken een paar uren met elkaar op. Maar op het einde slaagt hij er niet in met zijn mogelijk nieuwe kameraad iets af te spreken. Weer te lamlendig en te sloom. Maar dan volgt de tweede ontmoeting: de hippie duikt plotseling op als vaandrig (officier in opleiding) en pelotonscommandant op de Navo-basis Rugenstein in het Duitse Süssland. Hij lijkt onherkenbaar veranderd, heeft kort haar, is autoritair en kortaf en een verre schim van de goedmoedige hippie van een half jaar eerder. ‘Die Nazi’ noemen de soldaten hem achter zijn rug.

    Ook dan durft de verteller de confrontatie niet aan. Hij wil natuurlijk in gesprek met Ronald maar slaagt daar steeds niet in. Opnieuw schuchter – zelfs bang dat de wetenschap bij de andere soldaten dat Ronald en hij elkaar kennen zijn toch al precaire positie als jongen zonder grote mond en durf verder in gevaar zal brengen. Na toch nog een nachtelijk gesprek met Ronald blijkt deze een bedoeling te hebben met zijn barse, autoritaire optreden. Als gevolg van het gesprek draait vaandrig Ronald als een blad aan de boom om en wordt vriendelijk, amicaal en extreem socialiserend met de manschappen waar hiërarchische afstand de absolute norm is. Deze gedaanteverwisseling moet onafwendbaar een keer mis gaan en zie, de weinig drinkende Ronald drinkt zich op de wekelijkse zuipavond in de manschappenkantine, waar hij eigenlijk niks te zoeken heeft, stomdronken. De gevolgen zijn radicaal: een maand militaire detentie en overplaatsing naar een onbetekenende functie.

    De enige vreemde

    De derde en laatste ontmoeting van de verteller met Ronald is zo mogelijk nog confronterender. De ik werkt na zijn diensttijd, het is dan 1980, als nachtreceptionist en schoonmaker in het verlopen toeristenhotel Bombay nabij het Damrak in Amsterdam. Tegen het einde van zijn dienst ziet hij dat de vrouwen-wc al heel lang bezet is. Ondanks veel roepen en kloppen komt er geen reactie. Hij breekt in en ziet tot zijn ontzetting een bewusteloze junk onder het bloed en kots op de tegels liggen. Deze slaat lodderig een oog open en de verteller herkent de eerdere hippie en vaandrig.

    De verteller neemt zijn vroegere ‘kameraad’ na een wasbeurt mee naar een haveloze horecagelegenheid waarbij Ronald met veel Marsrepen een beetje tot leven komt en een relaas houdt over zijn jaren tussen de militaire detentie en zijn huidige status als heroïnejunk. De ik gaat terug naar het hotel om zijn dienst over te dragen en constateert daar dat met enig sloopgeweld de hele kassa inclusief de 250 gulden wisselgeld is ontvreemd.

    De hoofdpersoon is – in huidig taalgebruik – nogal een loser. Zijn studie pedagogiek aan de UvA staakt hij, maar waarom en hoe is niet duidelijk. Vinden zijn ouders en vriendin Ingrid daar wat van? Hij neemt een baantje bij een papierwinkel waar niet bepaald de arbeidssatisfactie vanaf spat. Daaraan voorafgaand brengt hij zijn tijd door met ‘solitair pornobioscoopbezoek’ en ‘solitaire bessenjenever’. ’Door de onthechting die over me kwam in die pornozaaltjes steeg ik op uit dat leven, verhief ik me eruit als een leviterende Tibetaanse monnik. En vanuit de troebele wolken waarin mijn hoofd dan terechtkwam, kon ik dat leven daar onder me gelukkig nauwelijks zien’. Met ‘dat leven’ bedoelt de ik het studentenleven maar eigenlijk zijn hele leven. Daarin was hij ‘de enige vreemde’. Iedereen leek elkaar lang te kennen. ‘En daardoor vond ik mezelf dan weer een weke aansteller en een verachtelijke zeikerd.’

    De relatie met Ingrid is flets. Bovendien leven ze in zijn tijd als nachtreceptionist letterlijk langs elkaar heen. Hij komt thuis als zij naar haar werk vertrekt. Als zij om tien uur naar bed gaat vertrekt hij naar het hotel. Bij de keuring voor de militaire dienst geeft hij ‘in een impuls’ aan dat hij niet kiest voor de officiersopleiding, waar hij als academicus in spe recht op heeft, maar ‘gewoon soldaat’ wil worden.

    Feest der herkenning

    De verbindingen bevat geestig beschreven scènes in militaire dienst en daarbuiten. Er valt veel te lachen. Snijder schrijft vlot en pakkend en als lezer is het genieten van de meestal niet al te fijnzinnige anekdotes over het dienstplichtigenleven van toen. Die gaan veelal over drank, grappen, pesten, sterke verhalen, seks en wonderlijke, voor buitenstaanders niet te doorgronden rituelen. Zeker voor lezers met eigen ervaringen in vooral de rol van de eenvoudige manschappen (‘zandhazen’) zal het boek een feest der herkenning zijn. Vrolijke treurigheid troef tegen de achtergrond van het Amsterdam van 1980, de tijd van krakers, drugs en verval. Voor lezers die daar wat minder mee hebben is het boek vermakelijk maar op afstand. De karakters en hun ontwikkeling zijn wat afstandelijk beschreven.

    Interessant en intrigerend is het snel wisselende gedrag van de vaandrig-hippie-kunstenaar (want dat laatste is hij in het diepst van zijn gedachten) en junk Ronald. De verbindingen is een vlotte roman over een reeks belevenissen in het toenmalige systeem van militaire dienstplicht en het verlies van identiteit wanneer iemand een uniform draagt. De hoofdpersonen zijn bijzondere types: een slome aanpasser met een laag zelfbeeld die altijd het gesprek en zeker de confrontatie vermijdt, en een creatieveling die als beginnend kunstenaar de weg kwijt raakt. Je vraagt je af wat er van hen geworden is.

     

     

  • Oogst week 14 – 2025

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder

    In Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder vertelt Tessa Leuwsha op basis van onderzoek en verbeeldingskracht over het leven van de Surinaamse held, Boni. En niet alleen over hem. Ze brengt ook zijn moeder tot leven, die zichzelf in 1730 uit de slavernij bevrijdde. Haar zoon groeide uit tot de leider van de Marrons, die zich meer dan dertig jaar lang verzetten tegen het Nederlandse koloniale bewind. Leuwsha raakte als tiener gefascineerd door Boni nadat ze over hem had gelezen in Anton de Koms Wij slaven van Suriname. Haar onderzoek naar Boni betreft niet alleen zijn heldhaftige strijd in de achttiende eeuw, maar ook de invloed van zijn nalatenschap op Leuwsha’s leven nu. 

    Tessa Leuwsha (1967) is schrijver, documentairemaker en recensent. Ze heeft meerdere verhalenbundels en romans op haar naam staan en haar werk is genomineerd voor de Debutanten Prijs, De Vrouw & Kultuur Debuut Prijs, de Black Magic Woman Award en de De Inktaap Literatuurprijs. Naast boeken schrijft Leuwsha essays, artikelen en columns.

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder
    Auteur: Tessa Leuwsha
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld in 48 stukken

    Wat een verhuizing al niet teweeg kan brengen. Toen Menno Hartman (1971) zijn spullen in verhuisdozen moest stoppen zat er niets anders op dan zijn wereldkaart van de muur te halen. Hij knipte deze in 48 stukken. Met het idee dat je iets pas echt leert kennen als je het opdeelt, schreef hij bij ieder ervan een beschouwing. Deze zijn nu gebundeld in zijn boek De wereld in 48 stukken en gaan over geologie, poëzie, biologie, kolonialisme en kunst. Over cartografie, ontdekkingsreizen en meer. Een aantal ervan verscheen in een eerdere vorm op de blog van Tirade.

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Uitgeverij van Oorschot. Hij studeerde eerst voor leraar Nederlands en deed daarna de studie moderne letterkunde. Naast zijn werk als uitgever schrijft hij poëzierecensies voor het tijdschrift Awater. Ook geeft hij twee maal per jaar gastcolleges voor de masterclass redacteur/editor van de Universiteit van Amsterdam en is hij voorzitter van de stichting Dichter des Vaderlands. Hij zat in de redactie van de tijdschriften Bunker Hill en Tirade en richtte in 2001 Literair Nederland op, waarbij hij nog steeds betrokken is.

    De wereld in 48 stukken
    Auteur: Menno Hartman
    Uitgeverij: Hollands Diep

    God gokt niet

    In Sarah Neutkens’ God gokt niet praat Lucky met God, zijn vader. Dat levert interessante gesprekken op, bijvoorbeeld als het gaat over de vraag waarom mensen in militair uniform niet gewoon een pak dragen. God: ‘Weet je waarom ze dat niet doen, een pak dragen? Omdat ze zeggen dat ze nog iets te strijden hebben. Omdat ze zichzelf graag zien vechten.’ In haar boek stelt Neutkens heersende instituten aan de kaak vanuit een positie onder de tafel waaromheen de wereldleiders en Lucky, hun host, zich hebben verzameld. Iedere wereldleider is eropuit een wit voetje bij hem te halen, hij is tenslotte de zoon van God, hun de toespraken volgen elkaar snel op. Maar wat gaat het gezelschap onder de tafel doen? Mogen we meer verwachten dan alleen stiekem meeluisteren?

    Sarah Neutkens (1998) laat zich niet graag vangen in een beschrijving. Ze werkt aan talloze dingen, zoals ze zelf op haar website zegt, van ‘boeken, composities, kunstwerken, theaterprojecten en politiek activisme tot schrijven als journalist, wandelen, vrienden zien en stenen rangschikken op haar keukentafel’. God gokt niet is haar derde roman. Met Blote Man won ze de Pieter Boddaert Prijs. Ook ontving ze nominaties voor de PrixFintroPrijs en de Libris Literatuur Prijs en stond ze op de longlist voor de Bronzen Uil. 

    God gokt niet
    Auteur: Sarah Neutkens
    Uitgeverij: Het Moet
  • Hoe ben ik eigenlijk overleden?

    Hoe ben ik eigenlijk overleden?

    De laatste dag van de veerman van de Noorse schrijver Frode Grytten vertelt het verhaal van de eenzame weduwnaar Nils Vik, die zijn leven lang op de fjord heeft gewerkt. Hij woont in het huis waar hij meer dan zeventig jaar geleden werd geboren, in een afgelegen dorp. De roman begint met zijn besluit om afscheid te nemen: ‘Om kwart over vijf in de ochtend opende Nils Vik zijn ogen en begon de laatste dag van zijn leven.’ Is hij ziek? Waarom heeft hij juist deze dag gekozen? Die vragen blijven onbeantwoord. We weten alleen dat hij zich kalm voorbereidt op zijn afscheid. Hij stapt in zijn veerboot en vaart de fjord op voor zijn laatste tocht. Onderweg ontmoet hij de mensen die hij heeft verloren: vrienden en familieleden van wie hij zich afvraagt hoe ze zijn gestorven.

    In korte fragmenten, anekdotes en alledaagse gesprekken schildert Grytten een gelaagd portret van de veerman, die een bewogen en pijnlijke levensreis achter zich heeft. Wat begint als een ogenschijnlijk eenvoudige schets, wint geleidelijk aan diepte. Met precisie en nuance onthult Grytten laag voor laag de complexiteit van Vik, totdat er uiteindelijk een volledig en genuanceerd beeld van de veerman ontstaat.

    Het innerlijke leven sluit aan bij de natuur

    Wat deze roman bijzonder maakt, is de manier waarop het innerlijke leven van Vik naadloos is verweven met de natuur om hem heen. Grytten kiest zijn woorden met precisie, waardoor hij subtiele nuances overbrengt die zowel de zware als de vreugdevolle momenten in Viks leven tastbaar maken. Vaak vergelijkt hij Viks emoties met de veranderlijke natuur: het water, het weer, de wind, de fjord: ‘Het weer binnen in mij verandert ook, heeft hij ergens in zijn logboeken geschreven. Ik ben net als de fjord, ik zwel op, ik kalmeer. Ja, een schipper is voortdurend in beweging, hij is betrouwbaar en komt wanneer hij moet komen, hij weerstaat de fjord, hij doorstaat de fjord, net zoals het water, dat opgeeft en omgeeft, dat alles aanvaardt en omsluit.’

    Vik heeft geworsteld met de onvermijdelijke veranderingen in het leven, die net zo onstuimig en onvoorspelbaar zijn als de natuur zelf. Als een schipper wiens koers wordt bepaald door de grillen van het weer, heeft hij geleerd tussen zijn eigen emoties en onzekerheden te laveren. De wisselvalligheid van de natuur – veranderend weer, onvoorspelbare fjorden – weerspiegelt zijn innerlijke strijd. In zijn teruggetrokkenheid is er rust, maar ook de constante dreiging van het onbekende. Net als de natuur kent Vik momenten van kalmte én van turbulentie en onrust.

    Geen sentimenteel verslag

    De veerman heeft heel wat meegemaakt. Hij moest de dood van zijn vrouw Marta verwerken, een verlies dat hem diep raakte. Daarnaast vond hij het lichaam van een vriend die zichzelf van het leven had beroofd, een traumatische ervaring die hem nog steeds achtervolgt. Er is ook de jongen die hij niet kon redden, die veel te vroeg stierf; een gebeurtenis waar hij jarenlang mee worstelde en zich schuldig over voelde. En dan zijn er de nare verhalen die hij hoorde van de mensen die hij over de fjord vervoerde, verhalen vol verdriet, verlies en pijn. Toch slaagt de auteur erin om het verhaal nooit te zwaar of te verdrietig te maken. De droge humor biedt telkens een welkome verlichting en houdt het geheel in balans, zodat het leed van de veerman nooit te overweldigend wordt.

    Die humor komt vooral naar voren in de dialogen tussen de veerman en zijn overleden hond Luna. Ondanks dat ze niet meer fysiek bij hem is, stelt de veerman zich haar zo levendig voor dat het lijkt alsof ze nog naast hem loopt. In hun gesprekken moedigt hij haar aan om samen met hem de laatste reis te maken. Luna zelf heeft ook haar vragen: ‘Hoe ben ik eigenlijk overleden?’ vraagt ze op een gegeven moment. ‘En hoe oud was ik eigenlijk in mensenjaren?’ Deze komische en ontroerende vragen zorgen voor een bizarre maar troostrijke sfeer, waarbij de veerman haar antwoordt alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

    De laatste dag van de veerman is een ingetogen roman die de lezer meevoert op de laatste reis van Nils Vik. Grytten balanceert meesterlijk tussen verdriet en humor. De verbinding tussen Viks innerlijk en de hem omringende natuur maakt de roman bijzonder. Dit is een eerlijke, onsentimentele en vaak verrassend lichte reflectie op het leven en afscheid nemen.

  • Oogst week 8 – 2025

    Uittocht uit Gaza

    Oktober 2023: na vijftien jaar lukt het de Belgisch-Palestijnse schrijver Fatena Al Ghorra eindelijk om haar familie in Gaza te bezoeken. Drie dagen na haar aankomst barst de hel los. Omdat ze haar ouders niet alleen wil laten besluit Al Ghorra in Gaza te blijven. Te midden van Israëlische bombardementen vlucht ze met haar familie naar het Al-Qudsziekenhuis, waar ze, samen met 12.000 anderen, een maand lang probeert te schuilen. Ondertussen wordt Gaza in puin geschoten, met duizenden doden tot gevolg, waaronder talloze kinderen. In Uittocht uit Gaza documenteert Al Ghorra deze vernietiging en de hoop die de vluchtelingen hardnekkig blijven koesteren, in brieven aan haar nichtje. 

    Fatena Al Ghorra (1974) is dichter en journalist, geboren in Gaza. Sinds 2009 woont ze in België, waar ze asiel aanvroeg, en sinds 2016 heeft ze de Belgische nationaliteit. In 2000 debuteerde Al Ghorra in het Arabisch met de dichtbundel Er is een zee tussen ons. Inmiddels staan er, naast haar laatste boek, Uittocht uit Gaza, vijf dichtbundels op haar naam. Haar werk is vertaald in het Spaans, Italiaans en Nederlands en in 2012 won ze de El Hizjra-Literatuurprijs. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 2014: Gods bedrog. Diverse scenario’s. Ook de dichtbundel erna, Neem dit lichaam, werd in het Nederlands vertaald.

    Uittocht uit Gaza
    Auteur: Fatena Al Ghorra
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas en Uitgeverij EPO

    Beladen huis

    In haar memoire, Beladen huis, kijkt Christien Brinkgreve na het overlijden van haar man terug op haar vastgelopen huwelijk. Niet wrokkig, met het doel een schuldige aan te wijzen, maar met verwondering en oprechte nieuwsgierigheid. Ze wil weten wat er met haar en haar man is gebeurd en wat dat te maken heeft met de traditionele rolpatronen die zij, net als veel vrouwen van haar generatie en de generaties erna, ontstegen dacht te zijn. Wat mooi begon, een verbintenis tussen twee mensen, eindigde in een dichtgeslibd huis vol kranten, boeken en zwaarmoedigheid. Brinkgreve maakt niet alleen de balans op van haar huwelijk, ze probeert ook haar man en zichzelf terug te winnen.

    Christien Brinkgreve (1949) is emeritus hoogleraar Sociale Wetenschappen. Naast haar werk aan de universiteit schrijft ze met het doel complexe problemen toegankelijk te maken voor een breed publiek, waaronder in 1992 De vrouw en het badwater: over de lusten en lasten van het moderne (vrouwen)leven, in 1999 Huismensen: essays en columns over vrouwen, mannen en kinderen en in 2006 Wie wil er nog moeder worden? Gedurende haar lange en diverse carrière is ze onder andere lid geweest van de wetenschappelijke begeleidingscie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en zat ze in de redactie van het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift. Brinkgreve woont in Amsterdam. 

    Beladen huis
    Auteur: Christien Brinkgreve
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De archeologie van het verlies

    Ook in Sarah Tarlows memoire, De archeologie van het verlies, gaat het over het verlies van een dierbare. In 2012, kort nadat ze als archeologe aangesteld wordt aan de universiteit, wordt haar partner Mark ziek. Een neurologische aandoening die ervoor zorgt dat hij snel steeds minder kan: niet meer autorijden, lopen, proeven, tot hij voor vrijwel alles afhankelijk is van de hulp van anderen, vaak van die van Tarlow. In haar werk aan de universiteit onderzoekt Tarlow hoe mensen in het verleden omgingen met verlies en het verdriet dat daarbij hoort. Toch is ze niet voorbereid op wat de ziekte en het overlijden van haar man met haar doen. Gewapend met wetenschappelijke kennis neemt ze haar ervaringen onder de loep. 

    Sarah Tarlow (1967) is een Britse archeoloog en academicus, die als hoogleraar Historische Archeologie verbonden is aan de Universiteit van Leicester. Tarlow geniet bekendheid met haar archeologische onderzoek naar dood en begrafenis. Haar onderzoek heeft betrekking op Groot-Brittanië en Noord-Europa. In 2012 werd haar de leerstoel Archeologie toegekend. Ze heeft meerdere wetenschappelijke werken gepubliceerd, waaronder Handbook of the Archaeology of Death and Burial (Oxford Handbooks) en van 2011 tot 2016 leidde ze Harnessing the Power of the Criminal Corpse, een onderzoek naar het beheer, de behandeling en het gebruik van lijken van criminelen in Groot-Britannië tussen de zestiende en de twintigste eeuw.

    De archeologie van het verlies
    Auteur: Sarah Tarlow
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Verhulstiaanse sociologie

    Verhulstiaanse sociologie

    De vijfentwintigste roman van Dimitri Verhulst baadt een beetje in de sfeer van de Franse film Les Bronzés uit 1979, het filmdebuut van de Parijse cafétheater-groep Le Splendid. Dat verhaal is een sketch-achtige collage in een Club Med-achtig resort, lang voor Temptation Island. Het kaart het massatoerisme en de consumptiemaatschappij al aan.
    Bechamel Mucho is actueler en dichterbij. De vliegtuigritten zijn goedkoper: ‘Voor de prijs van vier dweilen vlieg je naar Mallorca.’ De Mediterranée vormt het decor.

    Het verhaal draait rond Alex die over de kop ging met zijn winkeltje met kaas van ‘moedermelk’ gemaakt. Huis, handeltje en vrouw zijn foetsie. Hij zoekt zijn oude stamkroeg op en constateert dat alles hetzelfde is gebleven, tot en met de klanten. Hij ziet dezelfde zieligheid als waarvan hij zich ooit wilde losmaken. Grootse toogideeën waarvan niks kwam. ‘De onverwachte en sedert jaren onverlangde terugkeer van Alex bevestigde voor velen het belang van de lamlendigheid. Wat je in werkelijkheid ondernam door de ondernemingszin, was het graven van je eigen put.’ Alex wordt er gezien als een ijdeltuit die het had geprobeerd en hen dan had verraden maar haha, daar stond hij weer, terug naar af. ‘Hij was een dommekloot geweest te denken dat hij zijn bestaan in eigen handen kon nemen.’ Dit is een staaltje Verhulstiaanse sociologie van de armoede. Verhulst getuigt dat wie probeert te ontsnappen uit de miserie argwanend wordt bekeken door de achterblijvers. Houden zij de miserie zelf in stand? Tegelijkertijd relativeert Verhulst ook het liberale middenstandsidee dat je alles zelf in handen hebt. Op zo’n moment wordt het filosofisch.

    Rommelbaantjes bestaan

    Even kan Alex terecht bij Peggy Pils, het meisje dat vergelijkende cultuurwetenschappen had gestudeerd en nog poseerde voor het blaadje van Lidl. Haar appartement straalt haar rommelbaantjes bestaan uit. Elk personage in het boek heeft een schaduwkant en meestal winnen miserie en de afgrond. De cultuur lijkt steeds in verval. Alex probeert te ontsnappen uit zijn eigen verval. ‘Neuken naast een kattenbak vond hij het lastigste.’ Er is werk in het onderwijs, in de zorg. Verhulst maakt van zulke gelegenheden gebruik om de mentaliteitswijziging in het onderwijs aan te kaarten: procederende ouders, ontlezing… Met grappige hyperbolen laat hij zien hoe de zorgsector verwaarloosd wordt. Uiteindelijk solliciteert de protagonist naar een baantje als animator, omwille van de gratis kost en inwoon.

    In een louche kroeg vindt het sollicitatiegesprek plaats. Er hangen een poster van een schlagerfestival en de geur van wc-verfrisser, en de personeelsverantwoordelijke heeft pupillen in de kleur van Pisang Ambon. Verhulst weet armzaligheid rijk en poëtisch te beschrijven.

    Met een trucker reist Alex richting Spanje. Het verhaal volgt ook enkele toeristen, zoals de weduwe Elma, die zich lijkt te verantwoorden voor haar keuze van een banaal resort en bij de animator in bed beland. Er is de recent door haar echtgenoot bedrogen Gerda. Ze zoekt troostvoer en wordt dik als een walvis. ‘Vroeger was ze slank.’ Er is Ilona de stewardess die ‘de dagelijkse drek aan dagcrème in haar poriën diende te pompen’.
    Sommigen zullen dit boek niet bepaald vrouwvriendelijk vinden door de denigrerende taal en vrouwen die als kluchtige typetjes worden opgevoerd. Maar kaart Verhulst niet net het vrouwonvriendelijke van het kapitalisme aan? Vrouwen die slaaf zijn van strenge standaardnormen, producten gecreëerd in een patriarchale maatschappij? ‘Stewardessen zijn courtisanes, ze horen de vrouwelijkheid te belichamen zoals die leeft in de fantasieën van mannelijke oprichters van vliegtuigmaatschappijen.’ En: ‘Eigenlijk was ze de kassierster van een vliegende superette.’

    Elke zin een kunstwerkje

    Dit verhaal gaat over de mens die alles consumeert. Consumeren de mensen ook elkaar? Het verhaal wemelt van halftalenten die wel willen maar niet kunnen en berusten in het middelmatige en platvloerse. Het resort verschilt niet eens zoveel van de groezelige stamkroeg.

    Er is ook een vergeten Ierse zangeres die het optreden mag verzorgen. Het levert een hilarische maar evengoed droevige scène op over het animatieaanbod van de clubhotels. Afkooksels van Paco de Lucia, te mollige barbiepoppen, een travestieshow. Ook hier zijn de beschrijvingen van miserie rijk, hier en daar ook overmatig. Elke zin is een kunstwerkje, Verhulst studeert al schrijvend en beschrijft vaak elk detail. De verbeeldingskracht is ijzersterk, maar soms snak je ook naar soberheid en rust. In een paar pennenstreken lijkt de zangeres op Sinead O’Connor, met haar rotjeugd, jongenskopje en kritiek op de kerk. Even later wordt ze dood teruggevonden tussen lege flessen en pillendozen.

    Er is nog een zieltogend echtpaar. Mireille, wier man meer van voetbal houdt, schrijft zich in voor elke banale activiteit onder begeleiding van Alex. In de hotelboetiek koopt ze een corrigerend badpak. Ook een Oekraïense vluchtelinge met een man aan het front, kon niet ontbreken. ‘Iedereen lijkt hier op de vlucht van een bepaald soort oorlog,’ lees je op het einde, wat ook het einde van het hoogseizoen is, misschien het einde van een beschaving. Maar dan staat Alex ex-vrouw er plots…
    Verhulst maakte ook in deze roman een operette van de falende mens.

     

     

  • Een schreeuw om verlossing

    Een schreeuw om verlossing

    Gerwin van der Werfs nieuwste boek Wilgeneiland is een sfeerrijke en veelzijdige roman die speelt in de zompige wereld van het Hollandse merengebied. De auteur heeft voor dit boek veel onderzoek ter plaatse gedaan. Hij vestigde zich in een woonboot van een vriend om de sfeer van de alomtegenwoordigheid van het water te kunnen ondervinden. Er worden veel vragen opgeroepen, maar weinig beantwoord.  De roman speelt zich af in een oerconservatief fictief dorpje Oud Zweiland in het Hollandse merengebied, waar de wereld verdeeld is in gevestigden en buitenstaanders. De dorpelingen die er van geslacht op geslacht gewoond hebben, zijn de gevestigden. Ze worden als simpele vreemdelingehaters geschetst, vanuit het perspectief van de buitenstaanders getekend. Het zijn stuk voor stuk flatcharacters, die stereotiep reageren op veranderingen en gedreven worden door eigenbelang en oude tradities. 

    De buitenstaanders zijn de mensen die ook nog letterlijk aan de rand van het dorp wonen in woonboten. Zij proberen te assimileren, maar dat wordt hen door de plaatselijke jeugd niet gemakkelijk gemaakt. Ze zijn niet van ‘hiero’. Het zijn allemaal mensen die er niet thuishoren. De buitenstaanders zijn moeilijk grijpbaar. Het zijn in zichzelf gekeerde mensen die zich niet uitspreken, die vastlopen in hun eigen gedachten. Het boek stemt bepaald niet vrolijk, omdat de hoofdpersonen geen lolbroeken zijn. Depressiviteit overheerst bij hen. Zij zijn geen van allen praters die inzicht geven in hun drijfveren. Het zijn kwetsbare mensen die leven in een kwetsbaar gebied aan de rand van de bewoonde wereld. 

    Een geheimzinnig eiland

    In het eerste deel van de roman dat speelt in 1992 staat de dertienjarige Natan centraal. Hij is een dichterlijke jongen die met zijn ouders Johan en Magda (Lena) op een woonboot woont. Vanuit de ouderlijke woonboot heeft Natan uitzicht op een geheimzinnig eiland. Bij een poging het eiland zwemmend te bereiken verdrinkt hij bijna. Hij wordt gered door zijn buurman Tom Healy die ook op een woonboot woont. Deze Tom wordt op het dorp Jezus genoemd, omdat hij de hoofdrol speelt in de musical Jezus Christ Superstar. Natan gebruikt in het vervolg diens kano om naar het eiland te varen. Daar ligt een verrotte woonboot, waar eens de kunstschilder Aalt woonde. Is Aalt overleden, of pleegde hij zelfmoord? Natan probeert dat uit te zoeken en maakt daarvoor een bewijsbord, waar hij mogelijke daders en slachtoffers een plaats geeft, als een echte detective. Hij komt er echter niet uit.

    Wie denkt in het tweede deel, dat vanuit het perspectief van Aalt is geschreven, antwoorden te krijgen, komt bedrogen uit. We gaan in dit deel terug in de tijd naar 1979. De auteur beschrijft Aalts leven als schilder en houtbewerker in sympathieke bewoordingen, bijna met liefde. Aalt legt een nieuwe stalvloer bij Boekhorst, een rijke boer, die de stal wil gebruiken om een verzameling religieuze beelden aan te kunnen leggen. Nadat hij bij boer Boekhorst een piéta heeft gezien, die hem angst aanjaagt, gaat hij maniakaal aan het schilderen. In het schilderij dat ontstaat verwerkt hij zijn eigen angsten en geeft hij zijn visioenen weer. Aalt hoort in zijn hoofd allerlei ondergangsteksten van de oud-testamentische profeet Sefanja. Die doen vermoeden dat het niet goed afloopt met de schilder. 

    Bijbelse namen

    Een vierde hoofdpersoon, naast Natan, Tom en Aalt is Marie een vriendin van Natan. Marie die eigenlijk Christine heet is de buitenechtelijke dochter van een Koreaanse, die door boer Boekhorst geadopteerd is. Wie Marie’s vader is, blijft een raadsel. Is het de boer, die haar moeder adopteerde, is het een van de dorpsjongens of is het de eenling Aalt? Marie is geen buitenstaander, want zij is op het dorp geboren, maar ook geen autochtoon. Zij vertrekt uit Oud Zweiland om kunstenares te worden en neemt een andere naam aan. 

    Veel in deze roman ademt de christelijk achtergrond van de auteur. Van der Werf strooit met verwijzingen naar de bijbel. De meeste voornamen in het boek stammen uit de bijbel. Natan is in de bijbel een profeet die koning David aanklaagt vanwege diens overspel met de mooie Bathseba. De andere namen verwijzen naar mensen rondom Jezus, zo heten Natans ouders Johan (Johannes de Doper?) en Magda (Lena). Marie spreekt voor zichzelf, alleen Aalt valt uit de toon in dit opzicht. 

    De auteur beweert in een interview, dat hij afscheid heeft genomen van het christelijk geloof, maar in de roman schreeuwt ieder persoon als het ware om verlossing, de kern van de christelijke boodschap. Van boer Boekhorst wordt letterlijk gezegd, dat hij beelden verzamelt om zichzelf te verlossen. Maar ook de andere personen schreeuwen als het ware om de verlossing uit hun verloren toestand. Met de meesten loopt het niet zo goed af. Alleen het buitenechtelijke kind Marie (Christine) lijkt die dans te kunnen ontspringen. Zij lijkt nog het meest op de Piéta, die mannen kan troosten. Maar Christus zelf ontbreekt.

    Van der Werf schrijft geen rechttoe rechtaan verhaal van begin naar eind, maar verdeelt het in delen waarin het perspectief wisselt. Het is zowel een familieroman, een moordmysterie en een streekroman. Ergens vergaloppeert hij zich door een schrijversspelletje te spelen. Uiteraard is Van der Werf de auteur, omdat zijn naam op de omslag staat, maar in de roman wordt één van de hoofdpersonen als auteur van de eerste twee delen genoemd. Waarom hij dat doet, is niet duidelijk. Die twee delen worden door dat spel met  wie is de auteur wat ongeloofwaardig. Is deze hoofdpersoon in staat zijn hoofdpersoon dergelijke gedachten in de mond te leggen?

    Apocalyptisch perspectief

    Dankzij de geheimzinnige sfeer en de onbeantwoorde vragen die je aan het denken zetten, blijft de roman fascineren. Daarbij komt dat Van der Werf mooi proza schrijft. Hij kan in korte bewoordingen goed karakteriseren. Zo zegt hij over een vrouw: ‘‘Ze heeft een mekkerstem, waarmee ze niet meer dan twee registers kan bedienen: geveinsde interesse en ongenoegen.’ Zijn beschrijving van het landschap is ook erg mooi en bovendien verstaat hij de kunst om een hoofdstuk zo te beginnen dat je meteen geboeid bent. Van der Werf gebruikt ook mooie oude woorden als ‘deernis’ waardoor Tom Healy ‘bevangen wordt’. Het is opnieuw een verwijzing naar Jezus. Healy wordt ook, als hij Natan uit het water trekt in zijn kano, beschreven als een ‘visser van mensen’. Zou Tom dan, de musicalster, de enige zijn, die zoals de bijbelse Jezus door ontferming bewogen is over de anderen? Maar Tom haalt het niet bij Christus. Hij is een man ‘zonder kern die leeft op het gejuich van het publiek’. 

    Door gebruik te maken van de ondergangsteksten van de bijbelse profeet Sefanja zet Van der Werf dit complexe verhaal in een apocalyptisch perspectief. Alsof de gebeurtenissen op het dorp het einde der tijden inluiden, waarin God zal rechtspreken over de zonden van de mensheid. 



  • Een voorbereiding op wat komen gaat

    Een voorbereiding op wat komen gaat

    In deze bundel wordt al snel duidelijk, ook zonder de achterflap  gelezen te hebben, dat iemand aan het woord is die afscheid neemt. Van zijn verleden, van zijn dierbaren, van het leven zelf. Bij de dichter Koen Stassijns (1953) is longkanker vastgesteld. Zijn bundel Het huis waar alles verdwijnt bestaande uit drie afdelingen, is een reflectie op deze diagnose. Het huis uit de titel is een metafoor voor het lichaam en voor het leven zelf, waarvan de bestaande zekerheden hem een voor een ontvallen. Hoewel zijn ziekte slecht één keer bij name wordt genoemd in het eerste deel van het gedicht ‘Herinneringen’, als een arts de diagnose stelt, is de hele bundel een voorbereiding op wat komen gaat. 

    In de eerste afdeling, ‘Nieuwe hemelingen’ is een verwijzing naar zijn bundel Hemelingen (2019). Hemelingen zijn overleden mensen. Zij zijn gaan ‘hemelen’ en zijn engelen geworden. Stassijns schrijft gedichten over zijn eigen hemelingen en over het bestaan dat hij voortaan zonder hen moet leiden. Ze helpen hem in moeilijke tijden en beloven hem te begeleiden als het zo ver zal komen wanneer hij zelf aan de beurt is om een hemeling te worden.

    De angst te verliezen

    De dichter herinnert zich zijn ouders, zijn geboortedorp en schooljaren. In pakkende beelden zonder sentimentaliteit beschrijft hij voorvallen alsof hij er al afstand van heeft genomen en hij een buitenstaander is die naar de film van zijn eigen leven kijkt. Hoogte- en dieptepunten worden beschreven: ‘ik kan ze alleen bewaren in schamele woorden’, zegt hij in gedicht ‘2. Mijn moeders’. Hoewel de dichter aangeeft niet bang te zijn voor de dood, lijkt dat gezegd te zijn om zichzelf moed in te spreken, zichzelf te troosten.

    De angst die wel degelijk door de bundel waart, is niet zozeer om te sterven als wel om alles al te moeten verliezen voordat het werkelijke einde zich aankondigt. Dat begint al vroeg: als kleine jongen aan moeders hand beseft hij al dat wij als mensen weerloos zijn tegen de grote overmacht die ieder van ons beheerst. Hij verliest vrienden, een echtgenote, zijn ouders; is het niet door de dood, dan wel door het leven dat mensen uiteen slaat. Alles en iedereen is een herinnering geworden.

    ‘Wat heb ik te verliezen. Ik ben er goed in
     geworden. Drie vrouwen, drie dochters ben
     ik kwijtgeraakt, mijn abonnement op God,
     ten slotte vele vrienden. Ik ben een vod
     geworden, een aftandse vlag zonder land.’

    Dicht hij in de eerste strofe van ‘Mijn hemelingen’. In de laatste strofe, waarin ‘Hij’ de dood voorstelt, wordt de indruk gewekt dat de dichter zelf alles van waarde ontdoet om er gemakkelijker afscheid van te kunnen nemen:

    ‘Hij gomt de hartstocht weg uit mijn herinnering.
     Wat heb ik te verliezen? Een lichaam, een vriend,
     een vrouw die me bedroog, een God die me blind
     misbruikte toen ik een onooglijke jongen was?
     Of een leven dat zijn zin in het vergeten vindt.’

    Oefeningen in sterven

    In de tweede afdeling, ‘Het huis waar alles verdwijnt’, worden gebeurtenissen, voorwerpen en mensen van hun belang ontdaan. Soms klinkt dat bitter en gedesillusioneerd alsof de dichter bij leven al koud en ongevoelig tegenover wat hem eigenlijk lief moet zijn, staat. Het lijkt een afweermechanisme tegen pijn en angst, de dood voor willen zijn om als het erop aan komt van tevoren afgedaan te hebben met alle aardse zaken. Het huis staat centraal en is een symbool voor alles waarop de dichter dacht te kunnen bouwen: zijn lichaam, zijn leven, zijn ouders, zijn relatie met een vrouw.  ‘Mensen willen weten wat ze aan elkaar hebben/ maar wij vergissen ons zo vaak.’ Maar ook: ‘we hebben geleerd// om ook ons huis van tegenslagen te bouwen.’ De herinneringen kunnen ook troost bieden, niet alles was verkeerd, al blijven er meer vragen dan antwoorden over.

    De laatste afdeling, ‘De laatste meters’ bevat gedichten met titels als de kleine cyclus ‘Oefeningen in sterven’ en ‘De verlossing’. De naderende dood lijkt niet meer zo afgrijselijk, maar eerder een ‘één worden met het wit’. De dood wordt zelfs liefkozend toegesproken met een zelfbedacht koosnaampje, ‘Doodjedood’, een ‘maatje’, en er is sprake van ‘rusten in de schoot van de dood’. De dichter lijkt zich verzoend te hebben met zijn nabije einde: ‘Het komt, het nadert, het glijdt op me af,/ het wacht nog even en het neemt zijn tijd./ Ik weet dat het niet lang meer duurt, het tuurt/ voortdurend naar een kwetsbaar ogenblik.’ 

    Verhalend en melancholiek

    De gedichten zijn melancholiek en verhalend, zoals een droom die na het ontwaken werd opgeschreven, of als een sprookje, een oud verhaal. Dat wordt nog versterkt doordat de dichter begrippen uit de Griekse mythologie in zijn gedichten verwerkt, zoals de hellehond Cerberos, de rivier de Styx die de grens vormt tussen de boven- en de onderwereld. Of de Lethe, de rivier in de onderwereld die alles doet vergeten als je van het water gedronken hebt. Het meest veelzeggende gedicht is het allerlaatste uit de bundel, waarin alles samenkomt wat de dichter eerder heeft aangeroerd.

    ‘Het dode kind

     Ik hield een dood kind in mijn armen en wist niet
     waar het vandaan was gekomen, uit welke kamer
     van mijn hart. Ik zag dat ik niet droomde, het lag
     daar stil, verstard, ik stutte zijn hoofd met een hand
     en voelde een lijfje dat in zichzelf verzonk.

     Ik wiegde het, als om iets goed te maken, zong
     een liedje waarop het gaandeweg in zou slapen.
     Ik zong van lammetjes en hun wollige schapen
     die, eens geschoren, wolken werden die de sprong
     naar de hemel en de eeuwigheid zouden wagen.

     Maar het kind verdween niet uit mijn schoot, het bleef
     hier liggen, met zijn verglaasde ogen halfopen.
     En hoezeer ik het wou overdragen aan de tijd,
     het haakte zich vast. Toen keek ik het aan en trok
     bleek weg. Het leek als twee druppels water op mij.’

    Wie geconfronteerd wordt met de dood van zichzelf of van een ander, kan troost en herkenning vinden in de gedichten van Stassijns, maar ook de bevestiging van angst en onwetendheid. De opdrachten die hij zichzelf geeft of die hij opgelegd krijgt door een innerlijke stem zijn bedoeld om te helpen het sterven te vergemakkelijken. Hij brengt zichzelf dichter bij de dood door in zijn gedichten te onderzoeken wat er allemaal bij komt kijken als je sterft. Of dat voor iedereen geldt, is nog maar de vraag. Sterven is een eenzaam proces, net als geboren worden. Dat de dichter met deze bundel een dappere poging heeft ondernomen zich met de dood te verzoenen, is duidelijk.

     

     

  • Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Met de tiende roman van Elisabeth Strout is iets interessants aan de hand. De levens van verschillende personages uit haar vorige, op zichzelf staande boeken, raken in Vertel mij alles sterk met elkaar verweven. Dat gebeurt niet vaak in de literatuur. Nooit liet Agatha Christie haar Hercule Poirot en Miss Marple samen een moord oplossen. Hermans’ Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen spelen in hetzelfde Groninger academisch milieu, maar het enige personage dat in beide romans optreedt is marginaal, de psychiater Eddie Barend. Recentelijk liet A.F.Th. van der Heijden zijn twee prozacycli De Tandeloze Tijd en Homo Duplex in elkaar overvloeien met Stemvorken (2021) en Zogkoorts (2023). Elisabeth Strout weeft haar werelden subtieler ineen, pas gaandeweg valt het de lezer op.

    Zoals William Faulkner met Yoknapatawpha County een omgeving schiep – herkenbaar als zijn geboortegrond, als ook volkomen fictief gezien de verzonnen namen van de locaties in zijn romans en verhalen – doet Elizabeth Strout dat met de omgeving van Sabbanock Valley in Maine. Dit universum ontplooide zich vanaf haar debuut Amy en Isabelle (1998). Het stadje Shirley Falls in Maine kent een arm en een rijk deel, gescheiden door de Sabbanock rivier. Alleenstaande moeder Isabelle Goodrow woont met haar tienerdochter Amy in een bouwvallig huis aan de rand van het welvarende deel. Isabelle werkt in een fabriek als secretaresse. Amy gaat naar de middelbare school, waar haar kleding afsteekt bij die van haar welvarender klasgenoten. Moeder en dochter zijn elk op hun eigen manier eenzaam en raken van elkaar verwijderd.

    Oliver Kitteridge

    Olive Kitteridge (2008) is een verhalencyclus die bij Shirley Falls speelt in het kuststadje Crosby. Met personages voor wie het leven hard is, maar zelf ook harteloos tegenover anderen zijn. Olive Kitteridge is wiskundelerares, echtgenote van drogist Henry en moeder van Chris. Ze is onafhankelijk. Niet echt aardig, eerder direct en impertinent, maar met compassie voor de zwakkeren. Tegenover haar zoon, die twee keer trouwt en wiens keuze ze afkeurt, speelt ze geen mooi weer. De verhalencyclus neemt een decennia in beslag. Uiteindelijk is Olive weduwe, gepensioneerd en ontmoet ze weduwnaar Jack. Het boek werd in 2014 bewerkt tot een tv-serie voor HBO met de briljante Frances McDormand in de hoofdrol.

    In 2013 verscheen The Burgess Boys, dat nog niet vertaald is. Bob en Jim Burgess groeiden met hun zuster Susan op in Shirley Falls, voor ze beiden naar New York vertrekken. Bob werd een sociale advocaat, zijn broer een beroemde misdaadadvocaat. Zijn tweelingzuster Susan bleef in Maine wonen. Hun vader stierf toen ze kinderen waren door een vreemd auto-ongeluk. Wie heeft aan de versnelling geprutst, Bob, Jim of Susan. De sympathieke Bob heeft er een trauma aan overgehouden. Naast de broers, zijn er hun echtgenotes, Pam en Helen. In deze roman zien we, zoals in haar andere romans, huwelijksbedrog, echtscheiding en vervreemding van de kinderen. Beschadigde mensen, maar ook ex-partners die met elkaar bevriend blijven.

    Werden deze drie boeken in de derde persoon geschreven, met Ik heet Lucy Barton (2016) slaat Strout een andere weg in. Geen samenhangende verhalencyclus, maar een roman in de eerste persoon, zodat we dicht bij de verteller blijven. De kern van het boek is een ziekenhuisopname van Lucy in New York in de jaren tachtig. Lucy ontwaakt en ziet haar moeder, waar ze geen goede relatie mee heeft, naast haar bed zitten. Ze is overgekomen uit het gehucht Amgash in Illinois. Lucy is beginnend auteur, getrouwd met William en ze hebben twee jonge dochters. Met haar moeder praat ze over mensen uit Amgash, hoort ze wat er van hen geworden is en herinnert ze zich hoe straatarm ze waren. Als kind zochten ze naar voedsel in afvalbakken. Hun vader gedroeg zich vreemd en haar moeder was afstandelijk. Of Lucy door het ziekenhuisbezoek van haar moeder nader tot haar gekomen is, is de vraag. Ze verzint een dode moeder die wel lief voor haar is en haar op belangrijke momenten nuttige adviezen kan geven.

    Succesvol schrijfster

    Niets is onmogelijk (2017) gaat ook over Lucy, maar nu in de derde persoon geschreven en in de vorm van een verhalencyclus. Lucy is inmiddels hertrouwd en een succesvol schrijfster geworden. Sommige personages uit Amgash krijgen een eigen verhaal, onder wie Lucy’s broer en zuster. Andere verhalen gaan over mensen die Lucy ontmoet. Ze brengt een bezoek aan haar broer en zuster en dat loopt niet goed af. Want Lucy mocht studeren, maar zij bleven als outcasts in Amgash wonen.

    Opnieuw Olive (2019) is een verhalencyclus met Olive Kitteridge als verbindende figuur. Soms heeft ze een cameo. Zoals in het verhaal ‘Ballingen’, waarin Jim Burgess met zijn vrouw Helen op bezoek gaat bij broer Bob en diens echtgenote Margaret in Crosby. Olive ontmoet later een voormalige leerlinge die de Amerikaanse Poet Laureate is geworden en beseft dat zij alleen maar om die reden op de vrouw is afgestapt. Aan het begin is Olive gelukkig getrouwd met Jack, aan het eind is ze 86 en woont ze als weduwe in een bejaardentehuis. Daar leert ze Isabelle Goodrow (uit Amy en Isabelle) kennen. De twee ontwikkelen een bijzondere vriendschap. En Olive begint haar memoires op te tekenen.

    Knap van Strout is hoe zij de essentiële gebeurtenissen die wij over de personages uit vorige romans kennen, zo gedoseerd weet samen te vatten dat ze zowel duidelijk genoeg zijn voor de nieuwe lezer als niet hinderlijk voor degene die haar werk kent. Eigenlijk wordt de kern van haar romans niet zozeer door een plot bepaald, als door de ketting van verhalen die de personages aan elkaar vertellen, over zichzelf en de merkwaardige mensen die ze ooit hebben ontmoet.

    In Het verhaal van William (2021) vertelt Lucy wat meer over haar huwelijk met William en over diens moeder bij wie ze zich nooit op haar gemak voelde. Na hun scheiding trouwde ze met de musicus David. Als David is overleden en William is verlaten door zijn veel jongere vrouw trekken ze weer naar elkaar toe. Williams blijkt een halfzus  in Maine te hebben. Om allerlei redenen is Lucy degene bij haar op bezoek gaat en een schokkende ontdekking doet over Williams moeder. Ze geeft ook meer details over de scheiding en de slechte relatie met haar dochters in de periode daarna. Ondanks het verleden voelt Lucy zich merkwaardig genoeg veilig bij William. In Lucy aan zee (2022) – een echte covid-roman met de pandemie als rode draad – verhuist ze dan ook met William naar Maine, in Crosby. Twee mensen die in hun jeugd met elkaar trouwden, slechts hun in New York gebleven dochters als verbindende factor hebben, zitten tijdens de lockdown opeens in een onbekend huis aan zee. Het is fascinerend hoe Strout het proces van een groeiende vertrouwdheid tussen beiden weet te schetsen.
    Ze zien de gruwelen van de pandemie in New York op tv, maar ook de moord op George Floyd en de Trumpiaanse bestorming van het Capitool. Mensen die zij kennen worden ziek, sommigen sterven. De communicatie met de dochters wordt problematisch, en niet alleen door de pandemie.

    Programma voor haar romans

    Vertel mij alles begint zo: ‘Dit is het verhaal van Bob Burgess, een grote, stevig gebouwde man, die in Crosby, Maine woont, en op het moment van schrijven is hij vijfenzestig. Bob heeft een groot hart, maar dat weet hij niet van zichzelf; zoals zovelen van ons kent hij zichzelf minder goed dan hij denkt, en hij kan zich onmogelijk voorstellen dat hij iets in zijn leven heeft dat het waard is om te worden opgetekend. Maar dat heeft hij wel, net als wij allemaal.’ Dit kan worden opgevat als een programma voor de hele roman: het leven van ieder mens is de moeite waard om te vermelden, ondanks zijn of haar onvolkomenheden. Strout is hierin verre van klef, in een bepaalde mate liegen, bedriegen en manipuleren haar personages partners, vrienden en familieleden en als dat niet het geval is schuren hun betrekkingen voortdurend. Net als in haar vorige romans. Waardoor dit citaat uit Vertel mij alles ook het programma is voor haar hele oeuvre.

    In dit boek ontmoet Lucy Olive voor het eerst. De bedoeling is dat Lucy haar bezoekt om elkaar verhalen te vertellen over de mensen die ze in hun leven hebben gekend. Olive heeft de boeken van Lucy gelezen, maar anders dan Bob en zijn vrouw Margaret is ze kritisch. En van de verhalen die Lucy – de beroemde schrijfster – haar vertelt, is ze niet altijd onder de indruk. Omgekeerd vindt Lucy de levensverhalen die Olive haar vertelt wel interessant: ‘Vertel mij alles!’

    Een terugkerend genoegen voor Lucy  zijn haar wandelingen met Bob, op wie ze zeer gesteld is. Tijdens hun wandelingen praten ze over mensen uit hun respectievelijke verleden. Lucy over mensen uit haar jeugd, over haar dochters en Olive. Bob over zijn broer en zuster en hun partners, over zijn ex-vrouw Pam en zijn huidige vrouw Margaret. Bovendien heeft hij de verdediging op zich genomen van een man die ervan wordt verdacht zijn moeder te hebben vermoord. Moe als Bob is en twijfelend of hij zijn advocatenkantoor nog moet aanhouden, heeft hij medelijden met de man die verdacht wordt, en wiens families elkaar kennen vanaf hun middelbareschooltijd.

    Alles is een vorm van liefde

    De verwikkelingen rond de moord op de moeder vormen een boeiende rode draad in Vertel mij alles, maar het bepaalt nooit de andere verhaallijnen. Zoals de nieuwe relatie van Bobs zuster, de alcoholproblemen van zijn ex en de relatieperikelen van Lucy’s dochters. Of het gevaar dat Olive’s boezemvriendin Isabelle door dochter Amy naar California wordt gehaald.

    Misschien omdat Lucy uit New York komt, valt in dit boek sterk op hoe belangrijk de natuur in Maine voor de personages is, met name bij de wisseling van de seizoenen. Wel en wee, lief en leed, maar bij Strout geen eind goed, al goed. Enerzijds zorgt het ‘lot’ ervoor dat eenzame personages een partner krijgen en sommige zelfs uit de armoede geraken. Of dat een wanhopige vrouw na een serie miskramen een gezond kind krijgt. Anderen verliezen hun partner en zien de relatie met hun kinderen onherstelbaar verslechteren of blijken als kind misbruikt en kunnen het leven niet meer aan.

    Als uiteindelijk de mogelijkheid voor een heerlijk leven met hun grote liefde in het verschiet ligt, zijn er mensen die terugschrikken voor de ‘collateral damage’ die dat in hun omgeving zou veroorzaken. Dat is een verhaal dat Lucy aan Olive vertelt aan het slot van het boek. De strekking is volgens haar dat het belangrijkste principe tussen mensen, of het nu partners, vrienden, kennissen of familieleden zijn, een vorm van liefde is. Strouts hele oeuvre laat dit zien, maar in deze roman stelt ze het heel expliciet. ‘Telling’, maar ze laat het natuurlijk vooral zien, ‘Showing’. In de laatste regels kijkt Olive Kitteridge, 91 jaar oud, naar haar slapende vriendin Isabelle en constateert dat Lucy gelijk heeft. Liefde. Voor wie nooit iets van Strout heeft gelezen, kan zonder meer beginnen met Vertel mij alles. Het zal ongetwijfeld aanzetten tot het lezen van haar voorgaande romans.

     

     

  • Ideeënroman gesitueerd op het Franse platteland

    Ideeënroman gesitueerd op het Franse platteland

    Literaire beschouwing door Gerrit Brand 


    Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben een liefhebber van het werk van Rachel Kushner (1968). Al sinds haar in 2013 verschenen roman The Flamethrowers (De vlammenwerpers). Haar werk viel me op omdat zij deze roman begon met een snelle rit op een motor, een 1971 Ducati  750 GT, een absolute klassieker. Vervolgens koppelde ze het motorrace-element van het boek aan de art scene in het New York van de jaren ’70 en eindigde in Italië dat destijds werd verstoord door de linkspolitieke acties van de Rode Brigades.

    In het onlangs verschenen Creation Lake, dat inmiddels ook in Nederland is verschenen onder dezelfde titel, gaat ze weer aan de slag met min of meer hetzelfde thema. Linkse politiek en klimaatactiegroepen, gelardeerd met ideeën over de prehistorie van de mensheid dat zich afspeelt in Frankrijk, gegoten in de vorm van een spannende literaire thriller. Dat literaire is niet bedoeld in de slappe betekenis die er over het algemeen aan gegeven wordt – om een misdaadroman meer cachet te geven – maar in de ware zin des woords.

     

    Erudiet verhaal

    Voor Creation Lake gebruikte Kushner de vorm van een spionageroman om een uitermate amusant en erudiet verhaal te vertellen. De hoofdfiguur in het boek noemt zichzelf Sadie Smith (haar echte naam komen we niet te weten), een soort selfmade geheim agente die freelance werkt voor wie haar maar wil inhuren. Ze deinst er niet voor terug om een val te zetten voor degenen die ze in de gaten houdt. Zo gaat ze er probleemloos in mee om een klimaatactiegroep waarin ze geïnfiltreerd is, tot gewelddadige actie aan te zetten terwijl ze dat niet van plan waren. Sadie’s opdrachtgevers zijn de machthebbers die de kritische en dwarsliggende burger onder de duim willen houden. Zoiets. 

    Mooi aan Kushner is haar fantasie en het gemak waarmee ze zich daarvan bedient. En daarbij haar aandacht voor zaken waar de meeste vrouwen zich doorgaans niet voor interesseren, zoals motorfietsen en auto’s. Wie Rachel Kushner een beetje volgt weet dat ze in een klassieke auto rijdt, een Ford Galaxie uit 1964 (zie de cover van haar essaybundel The Hard Crowd).

    Zelf noemde Kushner het schrijven van Creation Lake het leukste dat ze ooit heeft gedaan. Ze wilde een ideeënroman schrijven die niet saai is en die je voor je plezier leest en herleest. Het idee dat ten grondslag ligt aan Creation Lake is niets minder dan waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Zoals de bijna negentigjarige Bruno Lacombe in het boek zegt: ‘Op dit moment zijn we als mensheid op weg om uit te sterven in een glimmende, auto zonder bestuurder. De vraag is: hoe komen we uit die auto?’ In korte, stuwende hoofdstukken worden de overpeinzingen van Bruno Lacombe – de leider van een groep militante klimaatactivisten, een originele soixante-huitard (studentenopstandeling uit ’68), die al twaalf jaar in een grot woont – afgewisseld met het verhaal (in de eerste persoon) van spionne Sadie Smith. Die graag de boel op stelten zet.
    Bruno
     heeft zijn hele leven onderzoek gedaan naar Neanderthalers en Homo Sapiens en de relatie tussen hen. Lacombe (de naam doet denken aan Lucien Lacombe, een film uit 1974 van Louis Malle). Er zitten trouwens meer verwijzingen in het boek naar een bekende Franse auteur. Goed verstopt, maar als je een literatuur freak bent, dan herken je gewoon Michel Houellebecq.

     

    Aaneenkoppeling van era’s

    Rachel Kushner koppelt van alles aan elkaar. Het werk en de ideeën van een prehistoricus over de Neanderthalers en Homo Sapiens leidt tot een bijzondere geschiedenis van de mensheid van vandaag de dag. De cultuurkritische ideeën van een extreemlinkse (om hem zo maar te noemen) theoreticus uit de groep van ’68, gebaseerd op het boek van Guy Debord, De Spektakelmaatschappij, culinaire beschouwingen en overpeinzingen over wijn (ten slotte zijn we in Frankrijk), een mooie karakteristiek van Zuid-Frankrijk met Marseille als middelpunt en noem maar op. 

    Toen Rachels boek bij me in de brievenbus viel stond ik op het punt op vakantie/familiebezoek te gaan in Marseille. Een mooie toevalligheid aangezien de roman van Kushner min of meer in Marseille begint om zich vervolgens ergens in een ondefinieerbaar gebied in Zuid-Frankrijk verder af te spelen (Kushner gebruikt overigens veelal fantasienamen voor de plaatsen en gebieden). Ik las het dan ook in de juiste sfeer; er komen droge, onherbergzame gebieden en een afgelegen landhuis in voor.
    Sadie Smith noemt de generatie van mensen die in de jaren 90 geboren zijn een generatie die niets heeft meegemaakt. ‘Alleen maar popmuziek, een romantische film, vakantie in augustus. Geen oorlog, niks.’

     Kushner is een meester in het geven van goede sfeertekening. Ze komt steeds op de proppen met mooie beschrijvingen. Ze beschrijft mensen, steden, wegen en landschappen. Maar ze is ook goed in het weergeven van ideeën (al dan niet van haar zelf) over politiek, het kapitalisme en het proletariaat, en de gebeurtenissen in en rond 1968, het jaar van de studentenopstanden waarin het recalcitrante optreden van allerlei extremistische (terreur)bewegingen ontstond.

     

    Marxistisch gedachtengoed

    Bruno Lacombe ziet het nut niet in van op klassen gebaseerde organisaties. Waarbij je je afvraagt of dat niet op de ideeën van de Franse marxist Guy Debord (1931 -1994) gebaseerd is. Zijn argument is dat de wig tussen de mens en de natuur veel dieper is dan de wig tussen fabriekseigenaren en fabrieksarbeiders die de omstandigheden van het leven in de twintigste eeuw hebben gecreëerd. ‘Liefde bevestigt wie iemand is en dat hij het waard is om van te houden. Politiek bevestigt niet wie iemand is. (…) In mensen zit geen politiek.’

    Rachel Kushner is een speelse schrijfster. Als lezer stuwt ze je voort. Ze stopte er haar ideeën over het leven, liefde, politiek en dergelijke in. Je kunt je niet aan het idee onttrekken dat ze het verhaal gebruikt als kapstok om al die ideeën te kunnen etaleren. Ze weet alles van de techniek van auto’s en motorfietsen en prehistorische geschiedenis, maar is vooral gefascineerd door de jaren 60/70. De jaren van de studentenrevoltes en dergelijke. De tijd waarin de wereld zijn onschuld verloor. Men begon zich af te vragen of het wel klopte wat de machthebbers ons vertelden. Denk aan de oorlog in Vietnam. Ik heb iets met die tijd, maar was te jong (12 jaar) om te begrijpen waar het echt om draaide. Rachel Kushner, geboren in 1968, heeft die tijd dus helemaal niet bewust meegemaakt.  Maar die tijd was wel het begin van het alternatieve, linkse denken, dat nu is uitgemond in Metoo, wokeness, klimaatactivisme. Hoe je het ook wendt of keert, Rachel Kushner is een klasse apart. Ze is van alle markten thuis, of het nu over auto’s, culinaire aangelegenheden of politiek gaat. In Creation Lake kom je het allemaal tegen. Het boek leest als een trein, is vermakelijk, en je hebt te maken met een auteur die iets te vertellen heeft. 

     

     

    Creation Lake | Rachel Kushner | Atlas Contact  (2024) | vertaling Lidwien Biekmann | ISBN 9789025470920 | 400 pagina’s | Prijs € 24,99


    Gerrit Brand is uitgever bij uitgeverij Nobelman en auteur.

     

     

  • Oogst week 38 – 2024

    Roadtrip to Auschwitz

    In Eva Ruttens Roadtrip to Auschwitz bezoeken familieleden uit drie generaties samen Auschwitz-Birkenau. Voor Rutten, die de middelste van die generaties vertegenwoordigt, is het niet de eerste keer dat ze er is. In 2004 maakte ze na de dood van haar moeder een bedevaartstocht naar het kamp waar haar Poolse grootmoeder tegenover Josef Mengele kwam te staan. Het was er ijskoud, hartje winter, en Rutten beloofde haar grootmoeder en haar moeder dat ze ooit, als ze zelf een dochter heeft, zou terugkomen. Roadtrip to Auschwitz is het verslag van die reis: Rutten bezoekt samen met haar tienerdochter en twee zussen van haar moeder de plekken in Duitsland, Polen en Oostenrijk die beslissend zijn geweest voor de geschiedenis van haar familie.

    Rutten is een Belgische journalist. Ze is geboren in Gent en groeide op naast haar grootouders die beiden tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekampen zaten — ze hadden banden met het Poolse ondergrondse verzet — en elkaar na de oorlog ontmoetten in een displaced persons camp in Duitsland. Rutten studeerde journalistiek in Hasselt en publiceert in, onder andere, Feeling, De Standaard Magazine, HLN, Sabato (De Tijd). Ze woont met haar man en dochter in Hemiksen. Het verhaal van Roadtrip to Auschwitz is niet alleen verschenen in boekvorm, Rutten heeft er ook een podcast over gemaakt.

    Roadtrip to Auschwitz
    Auteur: Eva Rutten
    Uitgeverij: Pelckmans

    Zwervelingen

    Zwervelingen van Rešoketšwe Manenzhe speelt zich af in Zuid-Afrika in 1927, het jaar dat de Ontuchtwet werd aangenomen, die relaties tussen ‘witten’ en ‘zwarten’ illegaal maakte. Het leven van Abram (Brits) en Alisa (Jamaicaans) wordt erdoor op zijn kop gezet. Voor de invoering van de Ontuchtwet leidden ze een gelukkig en comfortabel leven met hun twee kinderen. Erna worden de kinderen ineens beschouwd als twee ‘bewijzen’ van hun verboden relatie. Op school stellen ambtenaren vragen en er worden lijsten gemaakt van de bezittingen van het gezin, dreiging hangt als een donkere wolk boven hen. Abram weet zich geen raad. Hij wil zijn gezin beschermen, maar hoe? Alisa zakt weg in een depressie met verschrikkelijke gevolgen.

    Manenzhe is dichter en schrijver van korte verhalen en romans. Haar gedichten en korte verhalen zijn verschenen in verschillende tijdschriften en ze heeft een heel aantal prijzen op haar naam, waaronder de Dinaane Debut Fiction Award 2020, de HSS. Award voor Beste Fictie 2021, de UJ Prize 2021 voor Zuid-Afrikaanse Engelstalige fictie, de First-Time Author Award en de South African Literary Awards 2021. Ze is Zuid-Afrikaans en woont in Kaapstad.

    Zwervelingen
    Auteur: Rešoketšwe Manenzhe
    Uitgeverij: Orlando

    De mierenkaravaan

    Kiek is veertig jaar en werkt op een tuinderij. Samen met vrijwilligers kweekt ze groenten en anderen planten. Het ecologische evenwicht is belangrijk op de tuin, ieder levend wezen speelt daarin zijn eigen rol. Toch zijn er levende wezens die niet welkom zijn, zoals de haas die het evenwicht brutaal komt verstoren. In Kieks persoonlijke leven staat er ook een evenwicht op het spel: ze blijkt een chronische ziekte te hebben. In De mierenkaravaan beschrijft Mariken Heitman de veranderingen die de tuin én Kiek gedurende vier seizoenen ondergaan.  

    Heitman is opgegroeid in Gelderland en studeerde biologie aan de Universiteit Utrecht. Naast haar werk als schrijver werkt ze als tuinder en docent groenteteelt. Haar debuut, De wateraap, werd genomineerd voor de Bronzen Uil en de Anton Wachterprijs. Ook stond het boek op de longlist van de Jan Wolkersprijs. Voor Heitmans tweede boek, Wormmaan, ontving ze het C.C.S. Crone stipendium en, in 2022, de Libris Literatuur Prijs. De mierenkaravaan is Heitmans derde boek. Naast romans schrijft Heitman ook artikelen en essays. Deze zijn onder andere verschenen in De Volkskrant, De Standaard en NRC.

    De mierenkaravaan
    Auteur: Mariken Heitman
    Uitgeverij: Atlas Contact