• Oogst week 6 – 2026

    De vogelgrens oversteken

    In haar debuutbundel vertelt Bernice Vreedzaam over de geschiedenis van Suriname ter gelegenheid van het bestaan van de vijftigjarige republiek. Ze doet dat door te vertellen over de mensen die onder dwang uit Ghana gehaald werden om te werken op de plantages. Een aantal van deze tot slaaf gemaakten wist te ontsnappen en wisten hun cultuur en taal te bewaren. Vreedzaam begint bij hun leven in Afrika en gaat langs jaartallen en gebeurtenissen naar het heden van Suriname en naar de emigratie van sommigen naar Nederland en de Bijlmer. Zo komen de slavenschepen in zicht, de onmenselijke behandeling die deze mensen moesten ondergaan, maar ook vertelt ze over moed, vrijheidsdrang en verzet.

    Het bijzondere van deze bundel is dat de gedichten geschreven zijn vanuit de mensen die het meegemaakt hebben. Bernice Vreedzaam dicht met passie over de geschiedenis van haar eigen volk. Ze laat daarmee zien hoe aannames en feiten die we op school geleerd hebben, kantelen wanneer je hetzelfde verhaal door de ander, die tot dan toe heeft moeten zwijgen, laat vertellen. Zij geeft het woord aan mensen die nooit zelf hun stem mochten laten horen. Daarmee bevestigt zij de identiteit van de Surinamers en hun verleden en tegelijk biedt ze een andere invalshoek aan Nederlanders vanuit een gedeelde geschiedenis.

    Halfbroer/halfzus/halfbloed

    Uw vrouw, die zelf geen kleur kreeg toegekend
    gaf onze vrouwen zwart
    gebruikt het vissengif tegen het kind
    in de baarkamer van de backyard

    Wij, met het uitzicht op de achterverblijven, met de waaiers in de hand
    zullen lijdzaam blijven toezien, bij afwezigheid van uw Gertrudis
    hoe u zich opdringt aan onze dochters en zusjes tussen al het geplant
    waardoor het zou kunnen zijn dat de beige broer een van hen is

    Uw vrouw, die nog altijd geen kleur bekent,
    wil niet weten dat zij zandkleurige jongens met uw gelijkenis
    schatplichtig is, en ging daarom over  tot het
    verdrinken van het ongewenst

     

     De vogelgrens oversteken
    Auteur: Bernice Vreedzaam
    Uitgeverij: AtlasContact

    Het liegend konijn 2025/2

    Het laatste nummer van Het liegend konijn is op 30 oktober 2025 verschenen. Het tijdschrift is jarenlang een begrip en een meetlat geweest voor alle poëzieliefhebbers. Het werd in 2003 opgericht door dichter Jozef Deleu (1932), die als enige redacteur ‘poëzie uit het nest roofde’, wat betekende dat hij een keuze maakte uit het werk van zo’n vijfentwintig dichters dat niet eerder gepubliceerd was. Een helse en een heerlijke arbeid. Twee keer per jaar verscheen dit tijdschrift met gedichten van zowel gerenommeerde dichters als debutanten. Voor beginnende dichters was plaatsing in Het liegend konijn vaak de springplank om in dieper water te kunnen zwemmen, bekendheid te krijgen en een eigen bundel te laten verschijnen.

    De naam van dit poëzietijdschrift doet denken aan een verhaal van Paul van Ostaijen uit Diergaarde voor kinderen van nu (1926), dat begint met: ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht.’ Tijdens een bijeenkomst zou Deleu geroepen hebben: “Jullie liegen allemaal als konijnen”.  Het konijn heeft dus niet de lach gevonden, maar wel de leugen. De leugen die Nijhoff misschien bedoelde toen hij dichtte: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Of Bertus Aafjes die zei: ‘Dichters liegen de waarheid.’

    Er zijn 172 nieuwe gedichten opgenomen in de laatste onvolprezen uitgave van  Het liegend konijn. Wie het tijdschrift gekocht heeft: bewaar het, dit wordt in de toekomst een gewild verzamellaarsobject.

    Het volgende, willekeurig gekozen gedicht is van Peter Swanborn:

    Draad

    Zullen we een rollenspel doen, van plaats
    wisselen, jij in bed en ik waar jij nu bent?
    Ik wil ook wel eens weten hoe het is om te
    worden gemist. Zo’n spel is onzin, natuurlijk,

    maar onzin met een zin. Ik wil je terug
    en zolang jij praat is er een draad die ons
    verbindt. Ik wil, nee móét nu weten of je
    mij verstaat, of ik niet zomaar iets verzin.

     

    Het liegend konijn 2025/2
    Auteur: Jozef Deleu (redactie)
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Ik sta in wilde schoonheid

    Susan Smit, schrijver en columnist koos voor deze bloemlezing meer dan honderd gedichten uit het Nederlandse taalgebied die geschreven zijn door vrouwen en die het lichaam van een vrouw bezingen. Smit heeft de gedichten verdeeld in drie afdelingen die de drie fasen van een vrouwenleven en vrouwenlichaam weergeven: maagd, moeder en wijze vrouw. De titel is gekozen uit een gedicht van Sasja Janssen.

    In de eerste afdeling wordt het lichaam van jonge meisjes bezongen: de prilheid, de eerste menstruatie, het ontdekken van erotiek, maar ook de gevaren die het bekijken worden door anderen met zich meebrengt. In de tweede afdeling staat de moeder centraal met onderwerpen als scheppend vermogen, zwangerschap, kinderloosheid. De laatste fase is die van de ‘crone’, de wijze oude vrouw, die zich mede door haar niet langer vruchtbaar zijn heeft vrijgemaakt van het oordeel van anderen.

    De gedichten zijn van bekende en minder bekende vrouwelijke dichters, voornamelijk uit het laatste kwart van de vorige eeuw en uit deze eeuw, maar er staat ook een gedicht in van Hadewijch en van Aagje Deken. ‘Naarmate de bundel recenter en de dichters jonger werden, werd de toon rauwer en directer’, schrijft Smit in het voorwoord. Vrouwen eisen duidelijker dan vroeger hun recht op om gezien en gehoord te worden, ‘om eigenaarschap te herwinnen’.

    Zo ook Vrouwkje Tuinman:

    Vruchtbaar

    Als mijn eitjes een beetje op mij lijken
    begrijpen ze dat ik echt niet wil.
    Ik zie het niet voor me: zorgen voor
    een kleiner iemand met daarin de helft
    van mij. Bovendien: statistisch ben ik
    gelukkiger wanneer ik deze kans

    voorbij laat gaan. En duurt het langer.
    Van de mensen ouder dan een eeuw
    heeft een derde helemaal geen kinderen.
    De rest kreeg er minder dan gemiddeld
    en maakte ze laat. Het kan nog,
    zeggen de eitjes eens per maand.
    Dan antwoord ik niet, en zwaai
    een kleine groep voor altijd uit.

     

    Ik sta in wilde schoonheid
    Auteur: Susan Smit (samensteller)
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski
  • Oogst week 5 – 2025

    Morlands schaduw

    Cherry Duyns vertelt verhalen en doet dat op veel manieren. Hij is film- en theatermaker, is verantwoordelijk voor vele tv-programma’s en schrijver van talloze artikelen over kunst en cultuur. Hij is regisseur, acteur, redacteur. Hij schreef ook tientallen boeken. In zijn nieuwe roman Morlands huis is hoofdpersoon Sebastiaan met pensioen gestuurd. Om daarvan te bekomen vertrekt hij naar een Waddeneiland.

    ‘Ik kijk naar het eiland dat op mij wacht. Ik kom er al zo lang, ik heb er mijn herinneringen, ik weet er de weg, ken ieder schelpenpad. De duinen en de kwelder zullen mij troosten, de vergezichten boven zee zullen mij verzoenen met het bestaan, de stille wolkenluchten zullen me kalm maken.’

    Uitkijkend over zee zoekt hij in de stilte de rust, maar de komst van een brief gooit die rust overhoop. De schrijfster ervan, Sofie, afkomstig uit IJsland, denkt dat hij de halfbroer is naar wie zij al lang op zoek is. Na een ontmoeting met haar gaat Sebastiaan met enige tegenzin met haar mee naar het woeste landschap van IJsland. Want hij is toch nieuwsgierig. Vanaf dan wordt hij gedwongen anders naar zijn verleden te kijken.

     

    Morlands schaduw
    Auteur: Cherry Duyns
    Uitgeverij: Uitg. Atlas Contact (2025)

    Amerigo

    Stefan Zweig (Wenen, 1881-1942) hield van de tijd waarin hij geboren was en noemde die “de gouden eeuw van de zekerheid”. Hij reisde veel, zowel binnen als buiten Europa en zag Europa als een samenhangend cultuurgebied. Totdat het nazisme opkomt. In 1933 verruilt hij Salzburg voor Londen. Hij krijgt de Britse nationaliteit en schrijft zijn autobiografie, De wereld van gisteren over het Europese leven en de literaire, kunstzinnige en politieke kringen. In WOII gaat hij naar de Verenigde Staten en vestigt zich daarna in Brazilië. Daar pleegt hij in 1942 samen met zijn echtgenote zelfmoord uit teleurstelling over het verval van de Europese cultuur. De dag voor zijn dood verscheen Amerigo. Zweig had grote belangstelling voor het verleden en behalve novellen, romans en essays schreef hij psychologisch verantwoorde biografieën over Europese historische en literaire personen, onder wie Erasmus, Marie Antoinette en Freud.

    Columbus ontdekte in 1492 Amerika, hoewel hij zelf dacht dat het Indië was. Maar van de Florentijnse ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci (1454-1512) werd de naam gegeven aan het nieuwe continent. Stefan Zweig vroeg zich af hoe dat kwam. Was Vespucci een misleider? Of was hij een pion in een groter spel van macht en toeval? Over de reizen van Vespucci zelf bestaan twijfels. In Amerigo schrijft Zweig over de grote ontdekkingen van de zestiende eeuw waarin moed en navigatiekunst van groot belang waren. Ambitie, misverstanden en propaganda echter wogen soms zwaarder dan de werkelijkheid.

     

    Amerigo
    Auteur: Stefan Zweig
    Uitgeverij: Uitg. IJzer (2025)

    De grote kuur

    Het hoofdpersonage uit De grote kuur van Johannes van der Sluis is psycholoog Paul Bleicher. Hij bezondigt zich aan grensoverschrijdend gedrag, wat het einde van zijn praktijk betekent. Daardoor stort hij in en wordt hij opgenomen in een kliniek. Als hij daar weer uitkomt is zijn huwelijk op de klippen gelopen. Bleicher besluit om naar een kuuroord in het Italiaanse Merano te gaan om er te schrijven. Hij verblijft in een klooster en komt in contact met een streng katholieke Poolse die hij onder zijn hoede neemt, wat hem duur komt te staan. Zijn volgende besluit is het reizen naar München om daar het door hem zelf bedachte ‘Vierde Rijk’ op te richten. Het Vierde Rijk zet verdeling en vernietiging in de plaats van de liefde en de vereniging van het ik en het niet-ik. ‘Ik zal er niet lijdzaam bij staan kijken. De tijd is nabij en de lezer weet dat de tijd inmiddels is gekomen.’
    Bleicher lijdt aan depressie en dwangneuroses, hij beschikt over een zelfdodingspil en plast af en toe in zijn broek. Zijn grootvader was een nazi, een feit dat ook een innerlijke strijd oproept.

    De grote kuur is Van der Sluis’ eerste roman. Eerder publiceerde hij de dichtbundels Een mens moet ook niet alles willen weten (2018, onder de naam Giovanni della Chiusa), Ik ben de verlosser niet (2020), Profane verlichting (2022) en de ‘dichterlijke verdediging’ Mijn vaderland (2024) met persoonlijke gedachten over de nationalistische Nederlandse politieke koers. Van der Sluis is hoofdredacteur van Hollands Maandblad.

     

    De grote kuur
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Uitg. Jurgen Maas (2025)
  • Niemand kent ooit iemand

    Niemand kent ooit iemand

    De Amerikaanse Elizabeth Strout (1956) is bekend van titels als Olive Kitteridge waarmee ze in 2009 de Pulitzer Prize for Fiction won, en van Ik heet Lucy Barton. Onlangs werd The Burgess Boys in het Nederlands uitgegeven. Op de achterflap van het boek staat te lezen dat De Burgess-broers ‘het ontbrekende puzzelstuk [vormt] in de geliefde Lucy Barton-serie’. Die blijkt uit in totaal zes delen te bestaan. De flaptekst zou lezers die niet bekend zijn met het werk van Strout ervan kunnen weerhouden om het boek te gaan lezen, in de veronderstelling dat er een bepaalde voorkennis vereist is, maar niets is minder waar.

    Het boek begint met een proloog in ik-perspectief waarin een ik (de schrijfster) en haar moeder het hebben over de familie Burgess, en dan met name over de kinderen Jim, Bob en Susan, die afkomstig was uit het slaperige plaatsje Shirley Falls in Maine. Deze familie heeft in het verleden een tragedie meegemaakt. Bob heeft namelijk toen hij vier jaar oud was zijn vader per ongeluk doodgereden met de auto, toen hij in een onbewaakt moment met de versnelling zat te spelen. De schrijfster en haar moeder zijn het erover eens dat het verhaal van de familie Burgess een ‘goed verhaal’ is voor een boek. ‘‘‘Ze zullen zeggen dat het niet aardig is om te schrijven over mensen die ik ken.” Mijn moeder was die avond moe. Ze gaapte. ”Ach, je kent hen niet,” zei ze. “Niemand kent ooit iemand.’’’

    Varkenskop

    En precies over die laatste zin gaat het in De Burgess-broers. In vijf delen beschrijft Strout in een alwetend perspectief een aantal maanden uit het leven van met name Jim en Bob Burgess. Zij hebben Shirley Falls al jaren geleden en tot hun grote vreugde achter zich gelaten. Jim is een succesvolle bedrijfsjurist geworden in Manhattan. Hij is getrouwd met Helen, die ten tijde van het boek gebukt gaat onder het legenestsyndroom vanwege het feit dat hun jongste kind is gaan studeren. Bob is minder succesvol dan zijn oudere broer. Hij is minder carrièregericht en werkt in de rechtsbijstand. Zijn vrouw heeft hem verlaten omdat hun relatie kinderloos bleef.

    De tweelingzus van Bob, Susan, is wel in Shirley Falls blijven wonen. Zij roept de hulp in van haar broers, omdat haar zoon Zachary een bevroren varkenskop door de voordeur van een moskee heeft gegooid tijdens het gebed in de ramadantijd. Er blijkt in Shirley Falls een grote Somali-gemeenschap neergestreken te zijn waarvoor het overwegend witte stadje niet altijd sympathie kan opbrengen. Het lukt de broers niet om helder te krijgen waarom Zachary dit haatmisdrijf heeft gepleegd. Sinds de scheiding van zijn ouders is de broodmagere jongen enorm in zichzelf gekeerd geraakt. De enige die hem enigszins doorgrondt is een vriendelijke vrouwelijke predikant.

    Verwachtingen

    De verwachtingen die zich bij de lezer ontwikkelen naar aanleiding van deze ingrediënten buitelen in het eerste deel nog ongelimiteerd over elkaar heen. In de delen die volgen worden alle elementen echter zonder uitzondering uitvoerig genuanceerd. Jim is inderdaad de gewiekste advocaat van wie je zou verwachten dat hij zijn neefje met allerlei slinkse juridische trucjes uit de gevangenis weet te houden. Maar Jim blijkt veel meer te zijn dan alleen dat en daardoor loopt alles net iets anders dan verwacht. Daarnaast blijkt Jim zijn hele leven al een ingewikkeld geheim met zich mee te dragen. Bob heeft zijn hele leven in de schaduw gestaan van zijn grote, knappe en succesvolle broer en aangezien zijn leven ooit al is begonnen met een fout lijkt het logisch dat hij een mislukkeling zal blijven. Hij heeft weinig verwachtingen van zichzelf en ook als lezer zit je lang op het spoor dat je met Bob de oorlog niet zult winnen. Ook dit personage krijgt in de loop van het boek steeds meer diepgang.

    Het is aangrijpend om te zien hoe de door afstand bekoelde relatie tussen de broers en hun zus zich na aanvankelijk wat stroeve weken toch verdiept. De invloed van de gebeurtenissen uit het verleden blijkt voor Jim, Bob en Susan groter te zijn dan ze zelf voor mogelijk hadden gehouden. De oplossing voor het incident met de door Zachary gegooide varkenskop komt uiteindelijk uit een onverwachte hoek.

    Vooroordelen

    De Burgess-broers is een boek waarin veel vooroordelen beschreven worden. De personages hebben onderling (voor)oordelen over elkaar, zowel positieve als negatieve. Hetzelfde geldt voor de gemeenschap waarin ze zich bewegen. Over en weer is er sprake van allerlei vooronderstellingen die Strout haarfijn fileert, zonder politiek correct te willen zijn en zonder oordeel. Daarvoor neemt ze haar tijd, de roman is met bijna vierhonderd bladzijden tamelijk dik en bij vlagen wat langdradig. Dat komt ook omdat Strout ervoor zorgt dat werkelijk ieder draadje zorgvuldig wordt afgehecht. Zelfs in de proloog zijn achteraf nog antwoorden te lezen op vragen die je na het lezen eventueel nog zou kunnen hebben. Als je een minpunt zou willen noemen van dit boek, dan is het dat alles grondig wordt voorgekauwd en uitgekauwd.

    Toch is het eindresultaat een verhaal dat onder je huid gaat zitten. De vlotte maar redelijk rechttoe rechtaan-stijl met veel dialogen zorgt ervoor dat je als lezer het gevoel krijgt aanwezig te zijn bij gesprekken. Je raakt behoorlijk begaan met de verschillende personages, zelfs met personages met wie je aanvankelijk weinig hebt. Je krijgt bijna de neiging om ze toe te spreken, vanwege het alwetend perspectief waardoor je als lezer soms meer weet dan de personages zelf. Het is ook een boek dat aanzet tot nadenken over je eigen standpunten en vooroordelen, omdat je ontdekt dat er een kern van waarheid zit in de stelling van de moeder van de auteur dat niemand ooit iemand kent. Toch komt haar dochter een eind in de buurt met het schrijven van De Burgess-broers, een boek dat zeker een uitnodiging is om de andere delen van de Lucy Barton-serie te gaan ontdekken.

     

  • Regime van geluk is zelf ook niet gelukkig

    Regime van geluk is zelf ook niet gelukkig

    In het voetspoor van Orwell’s Nineteen Eighty-Four zijn al heel wat boeken geschreven. Nelleke Noordervliet voegt daar met Het bewind van de gelukkigen een kloeke roman aan toe. Ze plaatst de handeling in het heden en maakt er een psychologisch verhaal van. De leider van het nieuwe regime in dit boek is toevallig ook de halfbroer van hoofdpersoon Sophie Roth. Hun relatie speelt een belangrijke rol in deze roman die zich afspeelt in de Lage Landen. Door de bloedband wordt een politiek-maatschappelijk probleem tot iets heel persoonlijks. Het boek gaat over de persoonlijke keuzes en beslommeringen van een tobbende vrouw die naar het platteland vlucht en de mede door haar opgevoede charmante halfbroer die uitgroeit tot de leider van het nieuwe regime. Big Brother teruggebracht tot kleine broer.

    De verwijzing naar het boek van Orwell is helder. Hoofdpersoon Sophie noemt het boek expliciet. In de maatschappij waarin zij leeft, heeft zich een regimeverandering voorgedaan, die de Grote Omslag wordt genoemd. De omslag is op democratische wijze tot stand gekomen. De partij van Sophie’s halfbroer Alain Legrand heeft een meerderheid bereikt en nadien blijft niets bij het oude. Alle democratische vrijheden worden ingeperkt. Immigranten worden het land uit gepest. De lhbtq+ gemeenschap wordt tegengewerkt en alle verzet tegen het regime wordt de kop ingedrukt. Sophie kan deze nieuwe maatschappij niet verdragen en trekt naar het platteland.

    Verwerpelijk verzet

    Deze roman laat zien wat de overgang naar een autocratisch bewind betekent voor de burgers. En hoe de burgers langzamerhand meebuigen met het nieuwe regime. Er is ook geen echt alternatief. Hierin herkennen we onze eigen tijd waarin links ploetert om een antwoord op de dominantie van rechts. In de roman proberen enkele groepen zich wel actief te verzetten. Sophie raakt betrokken bij één ervan. Maar het verzet verwacht van haar dat zij zo ver gaat haar broer om het leven te brengen en daarmee het regime omver te werpen. Deze kwestie wordt nog persoonlijker als het verzet Sophie chanteert door haar dochters te bedreigen als ze niet meewerkt. Sophie ondervindt dat zowel het regime als het verzet ertegen gedreven worden door hun eigen alternatieve waarheden. Ze moet laveren tussen haar broer en het verzet tegen hem. In de loop van het boek wordt de band tussen Sophie en haar broer steeds duidelijker. De passages waarin ze in gesprek zijn behoren tot de interessantste en best geschreven.

    Nelleke Noordervliet heeft een aanzienlijk oeuvre van fictie en non-fictie bij elkaar geschreven. Als geëngageerd schrijfster maakt zij zich druk over de gevaren van onze tijd. Zij wil met deze roman waarschuwen voor de uitholling van de democratie. Sophie vindt het rechtse regime uitermate verwerpelijk, maar even verwerpelijk is volgens haar het verzet ertegen, want ook dat neemt zijn toevlucht tot geweld om het gestelde doel te bereiken. Sophie zelf wordt heen en weer geslingerd tussen bloedband en politieke voorkeuren, tussen mensen en ideeën. Waarheid is niet meer dan een optelsom van tegenstrijdigheden, denkt ze. Noordervliet maakt haar tot een speelbal van allerlei gedachten en indrukken. De titel is in dit verband ironisch bedoeld. Het bewind maakt de burgers niet gelukkig en wordt geleid door mensen die zelf ook niet gelukkig zijn. Ook Sophie is dat bepaald niet. Haar vlucht naar het platteland biedt geen uitkomst.

    Veel uitleg

    De roman geeft veel informatie over ontwikkelingen en personen, wat prettig is voor lezers die ervan houden om bij de hand te worden genomen. Noordervliet maakt er – enigszins gechargeerd gezegd – een encyclopedie van moderne ideeën van. Een figuur als de filosoof Fukuyama bijvoorbeeld wordt uitvoerig belicht en becommentarieerd en hij niet alleen. Sophie legt alles uit wat ze doet. Ze psychologiseert en informeert de lezer uit en te na over mensen die ze ontmoet. Soms is dat te gek. Zo is er bijvoorbeeld een oude mevrouw die aan het syndroom van Gilles de la Tourette leidt. Zij roept altijd ‘Sodemieter op’ en dan op een dag opeens ‘Hallelujah, looft den Heer’. Sophie voegt daaraan toe: ‘dat leek wel de softe versie van Sodemieter op.’ Alsof je dat zelf niet kunt bedenken. Aan de andere kant verwijst Noordervliet in sommige gesprekken naar klassieke figuren of romanfiguren. Zo zegt een verzetsman tegen Sophie, die onder druk is gezet en nadenkt of ze mee wil werken: ‘Je bent aan het spinnen. (…) De draad van Ariadne, de weg uit het labyrint.’ Wellicht is dat de manier waarop Noordervliet zelf converseert, maar het komt in een spannende scène gekunsteld over. Spreektaal is bij haar nogal eens schrijftaal. Ze gebruikt ook dubieuze metaforen: de temperatuur is ‘zacht als zijde’, maar dat kan toch alleen de lucht zijn? Temperatuur is gewoon een getal. Of: ‘Er ging weinig uit van het huis, behalve achterbaksheid.’ Aan de ene kant wordt de lezer aan de hand genomen en aan de andere kant wordt verwacht dat hij of zij allerlei metaforen en literaire verwijzingen begrijpt. Dat lijkt tegenstrijdig.

    Toch was het lezen van deze roman niet vervelend. Er gebeurt veel en Noordervliet is en blijft een goede schrijver. De oude mevrouw met De La Tourette bijvoorbeeld ‘heeft de eeuwige jeugd van een mummie’. De brieven die de jonge Alain aan zijn zus schrijft tijdens zijn reis door Amerika, Mexico en andere landen zijn prachtig van taal en inhoud. De roman verrast echter niet en zet je niet echt aan het denken. Misschien komt dat wel omdat de ervaren schrijfster te veel uitlegt en te weinig toont.

     

     

  • Voorbij het cliché

    Voorbij het cliché

    De vijfde roman van Cobi van Baars, Vacht!, begint met een cliché. In één woord heet het: ‘Knotje’. Hoe vaak wordt een bibliothecaresse of archivaris niet voorgesteld met een knotje? Denk aan juffrouw Bits van Annie M.G. Schmidt (zelf bibliothecaresse) en Wim Bijmoer of aan de film 8 Femmes. Sommige collegae van hoofdpersoon Eline hebben haar weinig origineel zo gedoopt: ‘Knotje’. Maar Cobi van Baars gaat voorbij aan dit cliché.

    Eline werkt als archivaris in het archief van een voormalig klooster. Ze maakt plaatsingslijsten van het archief van de Liefdezusters van het Kostbaar bloed. Medewerkers van een bibliotheek of archief kunnen veel herkennen in de gebruiken binnen zo’n instelling die Van Baars beschrijft: als je een doos of map uit een kast licht, plaats je een rode flap terug. Je leest het als was je de cavia op kantoor in de boeken van Paulien Cornelisse, die alles van een afstandje bekijkt. Eline is natuurlijk ook vrijgezel, al wordt door een misverstand haar buurman Jaap aangezien voor haar vriend.

    Een kudde schapen en collegae

    Buiten het klooster kijkt Eline geregeld naar een kudde op de dijk grazende schapen. Ze is jaloers op de herder. Hij heeft géén collegae ‘die hij het hoofd moet bieden, geen bezoekers die hij uitnodigend, nee, wérvend moet bejegenen’. Nee, hij heeft een kudde ‘die hem omringt en beschermt’. Het tegenovergestelde van haar laatdunkende collegae – met uitzondering van Camiel, die digitaliseert – waartegen ze zich verschanst met stapels bananendozen die als vesting dienen. In de archiefdozen die Eline behandelt zitten ook foto’s die door Camiel in de beeldbank dienen te worden opgenomen.

    Er zijn ook vergelijkingen te maken tussen de schapen en Eline, met name tussen één ooi en haarzelf: ze laten het allebei maar gebeuren. Dat de herder de vacht van de ooi liefdevol kroelt staat haaks op collega Machteld die gevoelens van Eline in negatieve zin openkrabt met vragen als ‘Zullen we even bijpraten?’ of wanneer ze roept: ‘Wat een beeldig vest!’ Waarop Eveline denkt: ‘Vacht!’. Een vacht beschermt je immers. Ze heeft behalve die gedachte ook een reflex of tic ontwikkeld door op moeilijke momenten tegen haar knotje te tikken.

    Baars gaat hiermee psychologisch dieper dan het cliché aan het begin van het boek zou doen vermoeden; dat knotje heeft ze nodig als kapstok voor haar zich geweldig ontwikkelende verhaal over intermenselijke, alledaagse relaties. Op het werk en thuis, met buurman Jaap. En over de omgang met de schapen, waarin Eline trekjes van haar collegae ontwaart, zoals de opdringerige 72123 die haar doet denken aan Machteld. Een nummer en geen kwetsende bijnaam als ‘Knotje’.

    Verlangens, beelden en gevoelens

    Zo eendimensionaal is het echter allemaal niet. Eline kan wel degelijk genieten van haar moestuin, een glas witte wijn, de laatste zonnestralen, kijken naar sterren en de wassende maan. Ze voelt zich er prettig bij. Om erbij te horen gaat Eline mee in de roddels van haar collegae over haar en buurman Jaap. Dat ze een petunia van hem kreeg voor haar verjaardag, want Jaap houdt van petunia’s. Ze ‘wrijft met twee handen teder door die roze-purperen bloemetjes alsof het een krullenbol is, die, die …’. Je ziet Eline door de vacht van de kop van een ooi gaan terwijl ze zegt: ‘Je moet je niet zo opzij laten drukken’. Tegen de ooi én tegen zichzelf. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait.

    Zo grijpen alle beelden en gevoelens knap in elkaar, hoewel Eline zelf niet in staat is in beelden te denken. Collega Pim, die zijn achtjarige hond Basta aait, wil maar niet op haar netvlies blijven staan. Eline doet graag de deur van haar werkkamer dicht om de collegae en haar baas buiten te sluiten. Ze moet aldoor alert zijn op mogelijk pestgedrag en door de stress uit ze onwillekeurig kreten die daar het gevolg van zijn. Kreten die klinken ‘als een dier, een lam in nood’, wat misschien weer net even te nadrukkelijk beschreven is door Van Baars.

    Symboliek

    Het draait allemaal om afstoten en aantrekken, om een net dat soms gaten heeft of zich soms weer steeds strakker sluit. Het feit dat het verhaal in en om een voormalig klooster is gesitueerd, speelt daarbij een rol. Op een dag krijgt Eline een schoenendoos te verwerken waarin twaalf kleine katoenen zakjes met boetegesels zitten. Hiermee sloegen kloosterzusters zichzelf terwijl ze ‘Ave Maris Stella’ baden (Wees gegroet, ster van de zee). Een gebruik dat tot in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw werd volgehouden. Het was de bedoeling dat zusters zo voelden wat Christus aan het kruis moet hebben gevoeld, zoals Eline misschien mag hopen dat mensen zich in haar kunnen verplaatsen?

    Wat Machteld ook daadwerkelijk probeert. Van Baars geeft haar zo een gelaagd en méér dan een eendimensionaal karakter. Overigens wordt de symboliek van het lam bij Van Baars minder nadrukkelijk in christelijke richting uitgewerkt dan bijvoorbeeld Jannie Regnerus doet in haar roman Het lam. Ook in Van Baars’ boek De onbedoelden speelt het rooms-katholicisme geen al te grote rol van betekenis.

    Niemand merkt dat Eline van het paradijs (de eerste jaren in het archief) inmiddels in de hel terecht is gekomen, al heeft Machteld daar wel een vermoeden van. De vraag is hoe Eline daar weer uit komt. Zal Machteld haar redden, zoals ze eens een ooi redde die vastzat in het prikkeldraad? Of Jaap? Of Camiel? Of wordt ze zelf assertiever? Het antwoord op deze vraag, de ontknoping, zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Met andere woorden: Vacht! Is een boek dat flink nazindert.

  • Gebreken en frustraties van een journalist

    Gebreken en frustraties van een journalist

    In De allemansvriend is de hoofdpersoon een journalist die veel raakvlakken heeft met schrijver Arjan Visser. De journalist schrijft het boek in opdracht van een ander. Dat onthult hij in het laatste hoofdstuk, zoals dat gewoon is bij een whodunnit. ‘Het zou niet de zoveelste biografie van een of andere mediapersoonlijkheid worden, maar een serieus en beslissend boek zijn, een eerherstel, niet alleen voor (…) maar ook voor mij. Ik zou schoon schip maken, mezelf tonen, met al mijn gebreken.’ Volgens het alter ego van Arjan Visser schreef het boek zichzelf: ‘Ik wist alles al, ik had het allemaal gezien, gehoord of meegemaakt. Het moest alleen nog in de juiste vorm gegoten worden.’ En dat werd een boek dat twee hoofdlijnen kent: een fictief verhaal over een broederstrijd en een autofictief verhaal over een journalist.

    De journalist krijgt een aanbod dat hij niet kan weigeren. Of hij de doodgewaande vastgoedman Jack Kaptein wil interviewen. Jack is gepikeerd over een interview in Trouw met zijn broer William. Hij wil zijn eigen visie op de zaken geven in een interview waarover hij zelf de regie wil voeren. Daar heeft hij 75000 euro voor over.  William en Jack Kaptein zijn fictieve personages. Hun vader is in het verleden om het leven gekomen. Ze geven elkaar daarvan de schuld. De broers hebben een gereformeerde opvoeding genoten. Voor William is het gereformeerd zijn de basis van waaruit hij anderen en dus ook zijn broer graag vertelt hoe ze leven moeten. Jack heeft onder de opvoeding van zijn ouders geleden. William en Jack zijn een soort Kaïn en Abel. De oudere William voelt zich als Kaïn door zijn vader miskent. De jongere Jack doet als Abel alles wat God en zijn vader verboden heeft. Beiden blijken anders te zijn dan het beeld dat ze van elkaar schetsen.

    Integere interviewer verkoopt zichzelf

    De journalist gaat met Jack in zee en reist naar Marrakesh waar Jack zich schuilhoudt. Het interview wordt gecomponeerd en geplaatst, hij ontvangt zijn geld en koopt een huisje in Normandië en een nieuwe motorfiets. Enerzijds schaamt hij zich voor het te grabbel gooien van zijn goede naam als integere interviewer. Aan de andere kant zegt hij: ‘Waar is wat werkt’, zich daarmee een kind van deze tijd tonend. In het slothoofdstuk komen we te weten hoe de vork betreffende het overlijden van vader Kaptein precies in de steel zit. Daar wordt ook een en ander onthuld omtrent de familie Kaptein. De journalist besluit het boek te schrijven om een onterecht gestrafte recht te doen. Dat personage komt min of meer als een deus ex machina uit de lucht vallen.

    In de context van dit verhaal komen we alles te weten over de gebreken en frustraties van de journalist. Hij schrijft voor het dagblad Trouw op regelmatige basis een veel gelezen en -besproken interview waarin de Bijbelse Tien Geboden het vaste kader vormen. Die interviews worden gehouden met min of meer bekende Nederlanders. In deze roman relativeert de journalist zijn eigen vak. Volgens hem stelt het vak van interviewer niets voor: ‘Ik was bedreven geraakt in mijn vak doordat ik keer op keer de kans had gekregen mezelf te verbeteren. Op die manier had ik ook een uitstekend fietsenmaker kunnen worden.’ Hij krijgt er af en toe genoeg van de ‘aangever te zijn van dit soort derderangs clowns.’ Het werk is ook steeds minder spannend voor hem: ‘Vroeger was ik nerveus voor het gesprek, de laatste jaren maakte ik me vooral zorgen om de kwaliteit van de geluidsopname.’ De journalist heeft veel moeite om met zijn werk in zijn onderhoud te voorzien en moet soebatten en slijmen om een artikel te mogen schrijven voor glossy tijdschriften. En dan wordt de relatie met zijn vrouw ook steeds saaier, zij raken langzaam van elkaar verwijderd.

    Bekende Nederlanders passeren de revue

    Allerlei bekende Nederlanders die de journalist interviewt of met wie hij als romanschrijver te maken heeft, passeren de revue. Lale Gül en Frènk van der Linden, in wie ‘een zekere ijdelheid’ schuilt, komen langs. Ook uitgeefster Tilly Hermans, de schrijver Marieke Lucas Rijneveld en vele anderen voert hij ten tonele. Zo introduceert hij Marieke Lucas Rijneveld: ‘Na succesvol te zijn gedebuteerd als dichter wilde ze nu haar geluk als romancier beproeven.’ Alsof je een curriculum vitae van haar leest. Je vraagt je af waarom hij juist deze bekende personen in zijn roman opvoert. Hebben ze iets met de plot van het boek te maken? Zijn ze evenals de journalist vroom opgevoed en hebben ze daar ook afstand van genomen?

    Het autofictieve in deze roman komt niet verder dan een caleidoscopisch beeld van personen en gebeurtenissen. Het is niet veel meer dan aapjes kijken. De roman stoot niet door tot een diepere laag in het leven van de journalist, al willen de vele mea culpa’s en de opsomming van minder leuke eigenschappen ons dat wel doen geloven. Meer dan een veredeld RTL Boulevard is het niet. ‘La vie est autre que ce qu’on écrit’ vermeldt Visser als motto, maar hij geeft op geen enkele manier in de roman aan waar dat autre zich dan wel in uit. Visser brengt zaken te berde, maar doet er vervolgens niet veel mee. Wil hij daarmee uitdrukking geven dat de allemansvriend niet in staat is tot enige diepgang?

    Een aardige observatie

    Cabaretier Theo Maassen boort een beetje dieper in de ziel van de journalist. In het gesprek met hem wordt hij confidentieel over de relatieproblemen met zijn vrouw. Theo doet daar wat schamper over en noemt hem een ‘gereformeerde eikel’. Volgens Theo doet de journalist laatdunkend over zijn journalistieke werk omdat hij zichzelf diep van binnen een grote zondaar voelt. Een zondaar die alle mensen die hij interviewt ‘absolutie’ verleent, omdat hij weet dat hij zelf nog een veel grotere zondaar is. Een aardige observatie. De journalist neemt deze echter voor kennisgeving aan getuige zijn reactie: ‘Ha…Ja, misschien.’ Ze gaan vervolgens samen stappen en worden lekker dronken.

    De passages met Maassen laten echter wel zien dat Visser een goed stilist is. Bijvoorbeeld: ‘Theo’s arm kwam als een afgebroken herfsttak op mijn schouder terecht.’ Jammer dat het plot zo eenvoudig is en de autofictie zo oppervlakkig.

     

     

  • Oogst week 47 — 2025

    Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid


    Op 25 november 2025 is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Dit maakt 2025 een bigi yari, vijftig jaar srefidensi. Veel families hebben moeten kiezen: blijven we in Suriname of gaan we naar Nederland? Wat betekende deze historische gebeurtenis voor hen en hoe werkt deze vandaag nog door? In Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid, samengesteld door Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg, vertellen schrijvers met Surinaamse wortels hun verhaal. Met bijdragen van Iwan Brave, Nina Jurna, Tessa Leuwsha, Cynthia McCleod, Bodil de la Parra, Chris Polanen, Shantie Singh, Jeffrey Spalburg, Prof. Soortkill & Etchica Voorn.

    Bodil de La Parra (1963) is acteur en toneelschrijver. Na de Akademie voor Kleinkunst en een jaar Toneelschool speelt ze onder andere bij Stichting Theater Het Amsterdamse Bos, ’t Muztheater, het Theater van het Oosten, Theater Artemis, het Noord Nederlands Toneel en Toneelgroep Amsterdam. Ze schreef meerdere toneelteksten en een roman, Het verbrande huis. Een Surinaamse familiegeschiedenis.

    Jeffrey Spalburg (1971) is cabaretier, acteur, stand-upcomedian, tekstschrijver, columnist, schrijver en regisseur. Hij deed de theateropleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en begon zijn carrière in de hiphop. Sindsdien speelde hij onder andere in theatervoorstellingen en televisieseries, schreef hij voor theater- en televisieshows en werkte hij als regisseur aan verschillende (muziek)theaterprogramma’s.

    Auteur: Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg
    Uitgeverij: Atlas Contact


    Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop

    Wie het nieuws kijkt wordt dagelijks overspoeld met ellende. Voor veel mensen is dit genoeg reden zich ervoor af te sluiten. Caro Van Thuyne deed juist het tegenovergestelde. Ze keek al het wereldnieuws alsof het haarzelf overkwam in een poging te onderzoeken wat er gebeurt als je pijn echt dichtbij laat komen. In  Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop neemt ze de lezer mee in die pijn. Wat zou er gebeuren als iedereen naar het nieuws kijkt zoals Van Thuyne deed? Zou het de wereld rechtvaardiger maken?

    Caro Van Thuyne (1970) is een Belgische schrijver die in 2018 debuteerde met de verhalenbundel Wij, het schuim. Met haar roman, Lijn van wee en wens won ze een Bronzen Uil. Sindsdien verschenen er nog twee boeken van haar. Het natuurlogboek Hier begint de natuur en het moederboek Bloedzang. De opbrengst van Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop gaat naar Child Smile, een organisatie die zich inzet voor kinderen in Gaza.

    Auteur: 
Caro Van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik


    Egelskop


    In Egelskop laat Teddy Tops een naamloze verteller de geschiedenissen van diens beide grootmoeders herschrijven. De ene oma, Levi, een joodse Amsterdamse, zoekt na de hele oorlog ondergedoken te zijn geweest naar een dansschool. Ze wil eindelijk weer in het volle licht kunnen staan. De andere, Jo, wordt als dertiende kind geboren in een plaggenhut in Drenthe. Het gezin verhuist naar Eindhoven, waar ze werken in de Philips-fabriek. Ook zij stapt daarmee van een ondergronds bestaan in het licht.

    Teddy Tops (1989) is presentator, interviewer, schrijver en programmamaker. Ze interviewt gasten voor programma’s als het Marathoninterview, Nooit Meer Slapen en Een Uur Cultuur. Ook organiseert ze festivals, culturele avonden en clubnachten. Voor het platform Mensen Zeggen Dingen leidt ze spoken word. Naar eigen zeggen heeft ze talloze studies geprobeerd, omdat ze maar niet kon kiezen. Aan de Academie voor Journalistiek en de Schrijversvakschool hield ze het het langst vol.

    Auteur: Teddy Tops

    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

  • Oogst week 45 – 2025

    Strijden voor de mens – Oorlogsgeschriften (1936-1944)

    Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) schreef meerdere romans, essays en brieven maar werd vooral beroemd, wereldberoemd, met De kleine Prins (1943). Bedoeld als kinderboek worden ook miljoenen volwassenen wereldwijd nog steeds geïnspireerd door het verhaal van een prinsje dat na een bezoek aan verschillende planeten op de aarde terechtkomt. Met de piloot die hij daar ontmoet voert hij gesprekken vol fantasie en wijsheid over vriendschap, verantwoordelijkheid en inzicht. De Sain-Exupéry was piloot en in de Spaanse burgeroorlog oorlogscorrespondent. In WOII werd in 1944 zijn toestel bij de kust van Marseille neergeschoten, waarbij hij omkwam.

    Strijden voor de mens is een selectie van essays, brieven en toespraken waarin De Saint-Exupéry de aard van de mens onderzoekt – soms met wanhoop in het hart – en signaleert hoe beschaving en respect worden afgebroken. Hij bericht vanuit de loopgraven in de Spaanse burgeroorlog en vanuit de lucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Oorlog is volgens hem een ziekte die het mens-zijn ondermijnt. Hij zet wel uiteen waarom strijd onvermijdelijk is, maar blijft ook hoopvol over een mensheid waarin haat en wraak naar de marges worden gedrongen. De teksten getuigen van de aard van de Europese mens en zijn nog steeds actueel.

     

    Auteur: Antoine de Saint-Exupéry
    Uitgeverij: Nobelman

    Het woord en de wereld – Duidingen van een dichter

    Piet Gerbrandy (1958) is classicus, dichter en essayist. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en vertaalt uit het Latijn en Grieks. Hij heeft tientallen publicaties op zijn naam staan waaronder vijftien dichtbundels. Onder de talloze prijzen die hij won is de Frans Kellendonkprijs voor zijn gehele oeuvre. Het woord en de wereld is Gerbrandy’s zesde bundel essays. Daarin schrijft hij op inzichtelijke wijze over klassieke en hedendaagse poëzie.

    Het woord vooraf begint hij met: ‘Sinds Parmenides en Herakleitos zich tweeënhalf millennium geleden begonnen af te vragen wat ze onder het Zijn zouden moeten verstaan, hebben dichters, denkers, biologen en psychiaters gepoogd de meest uiteenlopende antwoorden op die vraag te geven, tot nu toe zonder eenduidig resultaat. (…) Het ontslaat ons echter niet van de plicht om de grote vragen te blijven stellen. Wie zijn we? Hoe staan we in de wereld? Wat is schoonheid? Hoe moeten we handelen?’

    Gerbrandy pretendeert niet hier antwoorden op te hebben. In de essays denkt hij na over die grote vragen via de gebieden filosofie, antropologie, biologie, religie en poëzie. Hij behandelt schrijvers en dichters uit de oudheid en uit het heden. Zo noemt hij Herman Gorter, Lucebert, Annemarie Esdor, Dante, en Griekse denkers. De tekst laat zich lezen als een doorlopend verhaal. Het eerste hoofdstuk ‘Zwammen, woorden en spiegels – Poëzie als symbiose’ begint dan ook met het bespreken van de kosmos. ‘De goden hebben ons verlaten, ze zijn ondergedoken, (…)’ Achterin legt Gerbrandy verantwoording af. Er is een bibliografie opgenomen en een namenregister.

     

    Auteur: Piet Gerbrandy
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Jij blijft

    Zestigjarige Sam krijg in de autobiografische roman  Jij blijft van Gerard van Emmerik te horen dat hij niet lang meer te leven heeft, een boodschap die hij eens goed moet verwerken. Hij besluit om er voorlopig niets over aan zijn partner Luc te vertellen. ‘De dood werd iets om serieus te nemen, om in hem te geloven, vooral ‘s nachts, want ik hoefde maar te gaan liggen of daar was hij, (…)’.

    De twee hebben al veertig jaar een stabiele relatie en de huiselijke sfeer wil Sam graag vasthouden, ondanks de kleine irritaties en zijn af en toe de kop opstekende verlangen om alleen te wonen. Toch wordt de vertrouwde sfeer onderuit gehaald als Sam zijn doodvonnis heeft gekregen. De onderhuidse spanning stijgt. Is het niet vertellen aan Luc, al zal hij het op een zeker moment wel gaan doen, een goede beslissing? ‘Ik blijf staan, misschien op een manier zoals een aanstaande dode dat doet.’ Als hij eindelijk open over zijn naderende dood wil praten gebeurt er iets onverwachts.

    Jij blijft is een met ironie geschreven ontroerende en intieme roman over liefde en dood, soms cru en tegelijkertijd subtiel. Van Emmerik (1955) publiceerde eerder tien romans en verhalenbundels.

    Auteur: Gerard van Emmerik
    Uitgeverij: De Kring
  • Oogst week 44 – 2025

    De Burgess-broers

    De Amerikaanse Elizabeth Strout, onder andere bekend van Olive Kitteridge waarmee ze de Pulitzerprijs won en waarvan HBO een miniserie maakte, schrijft beeldend en met veel sfeer en oog voor detail. Van de Nederlandstalige Lucy Barton-­serie zijn er inmiddels meer dan 25.000 exemplaren verkocht. Deel zes, De Burgess-broers, het ontbrekende puzzelstuk in de serie, is nu ook verschenen.

    Jim en Bob Burgess zijn na het bizarre ongeluk waarbij hun vader omkwam uit hun geboorteplaats Shirley Falls in Maine naar New York City verhuisd. Jim, de elegante, succesvolle bedrijfsadvocaat, kleineerde als sinds hun jeugd zijn goedhartige broer, Bob. Hij is een advocaat bij de rechtsbijstand. Bob idealiseert Jim en heeft zich bij zijn underdog rol neergelegd er is een zekere dynamiek in hun relatie ontstaan. Totdat deze wordt verstoord door hun zus, Susan. Susan’s tienerzoon, Zach, is in de problemen gekomen, hij heeft een aanslag in een moskee gepleegd. Susan roept haar broers naar huis, ze heeft hun hulp hard nodig. De gebroeders Burgess keren eensgezind terug naar hun geboorteplaats waar ze geconfronteerd worden met de onderhuidse spanningen, die in hun jeugd ontstonden.  De schaduwen hangen er nog, de oude controverses komen aan de oppervlakte en zal hen voorgoed veranderen.

     

    De Burgess-broers
    Auteur: Elizabeth Strout
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Een verdwaalde zomerdag

    Een verdwaalde zomerdag is een verhaal over trauma’s die generaties lang doorwerken. Camille bezoekt jaarlijks het graf van haar moeder, de beroemde Zuid-Afrikaanse dichteres Astrid Viljoen. In 1965 liep zij, 31 jaar oud, op een winterochtend de zee in. Camille is ook 31 en voelt de aanwezigheid van haar moeder sterker dan ooit. Ze wil weten wie ze was en wie ze zelf is geworden.

    Tegen de achtergrond van een veranderend land met apartheid en verzet, groeide Astrid op in een wereld van regels en rituelen. Terwijl haar leven en het land veranderden en de spanningen toenamen, zocht Astrid houvast in de taal. Ze werd schrijver, trouwde en werd moeder. Toch raakte ze steeds verder verstrikt in verlies, ze hunkerde naar vrijheid en dat in een door onrust verdeeld land. Een verdwaalde zomerdag is losjes gebaseerd op het leven van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker (1933 – 1965).

    Janneke Lidewij Siebelink (1974) groeide op in een schrijversgezin als dochter van Jan Siebelink. Ze schreef familiegeschiedenissen, werkte bij verschillende uitgevers. Ze organiseerde en presenteerde lezingen en events zoals het Kinderenboekenweekfeest. In 2022 debuteerde ze met Soms sneeuwt het in april. Een jaar later verscheen December slaan we even over, verhalen van mensen in hun laatste levensfase in een hospice.

    Een verdwaalde zomerdag
    Auteur: Janneke Siebelink
    Uitgeverij: Ambo Anthos

    Heldinnen

    In december 2009 begon Kate Zambreno, Amerikaanse novelist, essayist en literatuurcriticus,  een blog met de naam Frances Farmer is My Sister.  De blog groeide uit tot een onlinegemeenschap met o.a. feministen die de verstikkende patriarchale kijk op het kunstenaarschap bespraken. In 2013 verscheen het boek Heroines, dat nu pas in het Nederlands is vertaald. In Heldinnen wordt aangetoond hoe vrouwen hebben bijgedragen aan het werk van hun man maar daar nooit voor werden erkend.

    Vivienne Eliot, Jane Bowles, Jean Rhys en Zelda Fitzgerald, om er een paar te noemen, waren vrouwen van beroemde schrijvers, ze waren hun muzen. Dat ze zelf ook schreven deed er nauwelijks toe; hun bijdragen aan het werk van hun echtgenoten werd niet genoemd. Erger nog, niet zelden werden ze ondergebracht in psychiatrische instellingen.

    In Heldinnen schrijft Zambreno essay-achtig de ‘schaduwgeschiedenissen’ van deze vergeten vouwen en signaleert ze hoe de geschiedenis de vrouwelijke ervaring consequent als minderwaardig wegzet. Zambreno gebruikt haar eigen leven met John, een academicus die dikwijls van universiteit wisselt, zodat ze vaak verhuizen. Net zoals de ‘vrouwen-van’ voelt Zambreno zich ook een aanhangsel, al heeft ze wel tijd om te schrijven

    Heldinnen
    Auteur: Kate Zambreno
    Uitgeverij: Koppernik
  • Voorbij het officiële beeld

    Voorbij het officiële beeld

    Wie was Boni? Naar het antwoord op die vraag gaat Tessa Leuwsha op zoek in haar boek met dezelfde naam. In 1986 – toen Leuwsha een tiener was – drukt een vriend haar Anton de Koms Wij slaven van Suriname in handen. Het omslag stelt haar teleur, maar zodra ze het boek openslaat en een paar zinnen leest, is ze verkocht: ‘Onze ouders hadden ons stilzwijgend geleerd om onderwerpen als slavernij en kolonialisme in te slikken, bang voor een boemerangeffect: het opwekken van irritatie en mogelijk haat.’
    Leuwsha doet er twee weken over Wij slaven van Suriname te lezen: het is een eerste druk, uit 1934, het taalgebruik is gedateerd. Toch maakt het grote indruk op haar, vooral de beschrijving over Boni, de leider van de Marrons (een geuzennaam voor nazaten van gevluchte tot slaaf gemaakten) die zich dertig jaar lang verzette tegen de koloniale overheersing door Nederland. De kiem voor Boni was dus al vroeg gelegd! 

    Rebel en heilige

    Dat we in Nederland zo weinig over Boni weten is geen toeval, maar een voortzetting van ons koloniale verleden. Die voortzetting gaat niet alleen over de economische, sociale en emotionele gevolgen van onderdrukking, uitbuiting en slavernij, maar ook over geschiedschrijving, over wat Nederlanders erover weten en wat kinderen leren op school. Nederlandse kennis over Boni is afkomstig uit ‘officiële’ bronnen, zoals Leuwsha ze noemt, en gebaseerd op het beeld dat koloniale machthebbers van hem hadden: een rebel, een opstandeling. In Suriname echter, is er een tweede beeld van Boni, gebaseerd op overleveringen, voorouderlijke ervaringen, mythen en legenden: Boni als heilige, met bijzondere gaven. Leuwsha: ‘Tussen een weergave van Boni als rebel en heilige, tussen archief en vertelling, gaapt een groot gat. Ik wilde meer over zijn leven weten dan wat er in koloniale bronnen over hem bewaard is gebleven en waaruit dat eenzijdige beeld is ontstaan.’ 

    Ambitie en gelaagdheid

    Rebel of heilige, hoe breng je twee zulke verschillende beelden samen? Leuwsha gaat daarin niet alleen voortvarend te werk, ze weet het ook op zo’n manier te doen dat het resultaat geloofwaardig is. Haar keuze om zowel verslag te doen van Boni’s leven, – en niet te vergeten: dat van zijn moeder, die zichzelf uit slavernij heeft bevrijd, – als van haar eigen zoektocht naar zijn geschiedenis brengt gelaagdheid in het verhaal. Leuwsha maakt daarmee invoelbaar hoe belangrijk het is stil te staan bij de Nederlandse koloniale geschiedenis en vooral ook bij wie bepaalt welk beeld daarvan het ‘juiste’ is. Dit alles krijgt ze voor elkaar zonder dat ze het tot in den treure hoeft uit te leggen. De zoektocht met alles wat daarbij hoort spreekt voor zich. Misschien nog wel het meest aangrijpend daarbij zijn de stukken over Leuwsha’s broer Ewald, met wie het niet goed gaat. Boni’s leven is het gespreksonderwerp waarin ze elkaar het makkelijkst vinden.

    Wie was Boni? Leuwsha’s boek geeft antwoord op veel meer dan die ene vraag. Het gaat niet alleen over Boni’s leven maar ook over dat van zijn dappere en doortastende moeder, over de levens van tot slaaf gemaakten en over mensen die zichzelf bevrijden. Ze levert daarmee veel meer dan ze zich zegt te hebben voorgenomen: Boni vult niet alleen het gat tussen het beeld van hem als rebel of heilige, maar ook een gat in de koloniale geschiedenis.

     

     

  • Zo oud te willen worden

    Zo oud te willen worden

    De weemoed van de reiziger is het zevenendertigste boek van Jan Brokken, met veertien meeslepende verhalen over dichters, musici en schilders wiens levens hij achterna reist. In één verhaal komt geen kunstenaar voor en sommige verhalen zijn door de corona-beperkingen herinneringen aan eerdere reizen. Brokken kan het schrijven niet laten. Een paar van zijn verhalen zouden ook zomaar het begin kunnen zijn van weer een dik boek van de weemoedige en nieuwsgierige reiziger die Jan Brokken is. 

    In deze qua stijl verschillende verhalen onthult Brokken tussen de regels door ook persoonlijke details, zoals zijn geboortejaar twee eeuwen na Goethe en de pittige mening van zijn echtgenote over zijn nieuwsgierigheid: ‘Je wilt altijd weten wat er nog meer komt. Het wordt je dood nog eens. En dan zal je nog over de rand van je kist kijken wat er allemaal om je heen gebeurt.’ 

    Het korte verhaal ‘Dream a little dream of me’ gaat over een reis in 1976 door de Bohemen met een Mini Cooper, waarover hij zijn eerste roman schreef. Die werd nooit gepubliceerd: ‘Ik heb het manuscript na jaren nog eens ingekeken, en het toen weer snel weggelegd.’ De vluchtpoging van het stel dat zij daar ontmoetten, van wie de vrouw ‘met haren zo blond als de kraag van Budweiser bier en met ogen die blauwer waren dan de Moldau’, bleek ook een droom. 

    De methode van de schrijver

    Het verhaal ‘Afscheid van Boedapest’ gaat over Bela Bartok en begint wanneer Brokken met vertaalster Judit Gera in New York Café zit en zij herinneringen aan haar moeder ophaalt over het laatste concert van Bartok in Boedapest. Het verhaal gaat vervolgens vooral over Bartok en zijn vertrek uit en terugkeer naar Boedapest. Brokken bezoekt ook nog het Bartok Museum op de Rozenheuvel. Dit is de methode van de schrijver bij al zijn verhalen. Hij bezoekt een plek en bouwt er dan een verhaal omheen met zijn eigenlijke onderwerp: een musicus (Bartok/Dvorak/Monteverdi), een schilder (Matisse), een dichter (Vroman/Machado), een architect (Depero/Rietveld) of een schrijver (Kadare/Kafka). De lezer laat zich daarbij meeslepen door Brokkens aanstekelijke nieuwsgierigheid.

    Het kortste verhaal ‘De fakkel en het zwaard’ gaat over Kafka en Praag. De reis van Brokken bestaat in dit verhaal uit een wandeling langs een spoorbaan waarvan hij een paar honderd meter de loop volgt ‘over een pad dat zich langzaam van de Moldau verwijdert’ (…) ‘Ik blijf even staan, stel me de dertigjarige Franz voor, zie hem zitten met dat karakteristieke scherpe gezicht, achter het coupéraam, met een schrift voor zich op het uitgeklapte tafeltje, voorovergebogen, met een pen in de hand.’
    Zou Kafka in de boemel treinen van die tijd hebben kunnen schrijven? Wie weet, in dit verhaal gaat het vooral over Kafka’s landurige knipperlicht relatie met Felice Bauer die als een nachtmerrie zal eindigen. Kafka wilde met haar trouwen en in Berlijn gaan wonen. ‘Maar daar komt niets van terecht, hij zal nooit naar Berlijn verhuizen, met Felice noch een andere geliefde.’ Al klopt dat niet helemaal. Kafka woonde in 1923/4 een half jaar samen met zijn laatste geliefde Dora Diamant in Berlijn. 

    Spanningsopbouw en charmante ontknopingen

    In ‘De motorrijder van Rovereto’ krijgt Blokker een huwelijksaanzoek, daarmee begint het verhaal. De lezer zit meteen op het puntje van zijn of haar stoel. Twee bladzijden verder is het zover: ‘Boem, in één keer. In het Duits. Of het Engels? Ik was zo verbaasd dat ik me de taal niet herinner.’ De motorrijder uit de titel was de geliefde van Chiara, de betreffende dame, burgemeester van een dorp in de buurt die het aanzoek deed. Blokker maakt er een mooie spanningsopbouw van door een dag later met Chiara een prachtige tentoonstelling van de futuristische kunstenaar Fortunato Depero (1892-1960) te bezoeken, van wie Brokken nog nooit had gehoord. De meeste lezers vermoedelijk ook niet. Een verhaal met een charmante ontknoping. Fortunato Depero ontwierp ooit een décor voor Le chant du Rossignol van Strawinsky, dat werd door danser Sergej Diaghilev afgewezen en de opdracht ging vervolgens naar Henri Matisse. Hiermee verwijst Brokken terug naar het eerdere verhaal ‘De schilder en de non’ waarin Brokken over Matisse schrijft. Hij bezocht in Vence de Rozenkrans kapel die Matisse had ontworpen voor een non, die zijn model was geweest: ‘Een onmogelijke liefde. Of een gesublimeerde.’ Voor Brokken aanleiding om een verhaal te schrijven dat uitloopt op de schoonheid van het ontwerp door Matisse. ‘Meer kan ik er niet over schrijven. Je moet dat licht ervaren.’ 

    Eén van de verhalen, ‘Liefde is een fluisterstem’ gaat over een ontmoeting met Leo Vroman in New York in 1980, waarover Brokken destijds een portret schreef voor de Haagse Post. Nu schrijft hij vanuit zijn herinnering over deze ontmoeting. Brokken wandelt met Vroman naar zijn laboratorium, de dichter doet hem een bekentenis en laat hem telefonisch met zijn vrouw Tineke praten. Als Vroman hem nog een proef met muizen en bloed wil demonstreren, wordt het Brokken te veel en gaat hij er snel vandoor. Einde ontmoeting: ‘Ik weet nog steeds niet wat me toen overviel.’     

    De essentie van het reizen

    Voor de verhalen over cellist Anner Bijlsma, ‘De Servais’ en overGerrit Rietveld. ‘Leven vanuit je zintuigen’ hoefde Brokken niet te reizen, behalve in de literatuur en met zijn herinneringen. Over de essentie van reizen zegt Brokken met Goethe (in: Casa di Goethe): ‘Van jezelf loskomen, jezelf vergeten als iemand met een naam, een achtergrond, een geschiedenis, een reputatie, om aan een nieuw bestaan te beginnen.’ Voor Brokken begint met iedere reis een nieuw bestaan door middel van een nieuw verhaal. Brokken bedankt in zijn verantwoording Marie-Claude, zijn echtgenote als een onuitputtelijke inspiratiebron. ‘Niemand weet betere plekken op de wereld te vinden dan zij, niemand kan er ook zoveel achtergrond bij geven.’   

    Het laatste verhaal gaat over Brokkens ontmoeting in Tirana met de in juli 2024 overleden schrijver Ismail Kadere. Brokken vraagt zich in de eerste zin af: ‘Hoe zal ik op mijn zevenentachtigste zijn?’  Het eerste wat hem opvalt als hij is voorgesteld en naast Kadare gaat zitten: ‘Hij ruikt lekker…Hij ruikt naar scheerzeep en eau de toilette, vast een Franse; de ene helft woont hij in Albanië, de andere helft in Parijs.‘ Volgens Brokken is Kadare geen prater en het meeste in dit verhaal tekent hij op uit de boeken en verhalen van Kadare.  Dan zegt Kadare opeens: ‘Ik benijd u.’  Brokken weet niet zeker of hij het goed verstaat, en gaat verder over de opkomst en faam van Kadare en over zijn bezoek aan het Kadare museum In Tirana. Op weg naar Tirana heeft Brokken Kadare’s boek Onenigheid aan de top gelezen, waarin een jaloersmakende passage over Boris Pasternak voorkomt. En hij zegt (in het Frans): ‘Ik ben jaloers op u.’ Kadare ziet er erg broos en vermoeid uit, maar door ‘iets van gloed in zijn ogen’ denkt Brokken dat je als je heel oud bent soms even jong kan zijn. ‘Zo zou ik dus oud willen worden’ is zijn laatste zin over deze weemoedige ontmoeting. 



  • Oogst week 26 – 2025



    Addertje

    Van dichter en kunstenaar Jolanda Kooijmans verscheen eerder werk in onder andere De Revisor, Ooteoote, Deus ex Machina en in de bundels De Branie en De aarde nu. In 2020 debuuteerde ze met Twee ton

    In haar nieuwste bundel, Addertje ontmoeten we het demonische wezen Addertje dat haar moeder zoekt. Het bange meisje Zuuz dat de stem van de duivel heeft gehoord. Haar oudoom Drie die eindeloos op sterven ligt. De kinder misbruikende priester Bubblebeez die de hel onder zijn toog meedraagt. De eeuwig klagende treinreiziger Constant en de zeldzame watersatan, aan de andere kant van het gangpad, die het op hem gemunt heeft.

    Addertje is een wonderlijk lichte, fijnzinnige en diepzinnige dichtbundel over de duivel. De vier verhalende gedichten gaan over het kwaad, over vervreemding, verdraaiing, angst, het verloren lopen in de wereld, het passeren van een kritische grens. Het archetype van de duivel wordt opnieuw geboren in een veelheid van vormen en gedaanten en hij is verrassend anders dan je denkt.

    oké
    genoeg poëzie

    Addertje is geboren
    op slag en compleet
    een schepsel

    en wat betekent dan Addertjes naam?

    Addertjes naam is: de niet op gerekende
    maar ook: de verrassende
    maar ook: de zeker wetende
    dat alles uiteindelijk zal worden rechtgezet

    Addertjes naam is de lach in het vuistje

    allemaal waar
    maar op dit moment is ze maar één ding:
    honger

     

    Addertje
    Auteur: Jolanda Kooijmans
    Uitgeverij: Koppernik

    Achter het glas

    Onna Kosters is docent Engels en promoveerde op het werk van James Joyce. Hij vertaalde gedichten van Beckett en Seamus Heaney. Zijn eigen werk staat in de traditie van de dichters die hij vertaalde. Hij schrijft vaak lange gedichten waarin meerdere verhaallijnen elkaar aflossen en betekenis geven. Met het gedicht ‘Doe-het-zelf’ won hij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012. 

    In Achter het glas gaat het om kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: glazen ogen zijn overal. In lange, meanderende gedichten en heldere, compacte lyriek legt Kosters de huidige tijd bloot.
    Gewapend is het glas, gewapend is het veilig. Aan welke kant van het glas bevind je je? Weet je het antwoord pas als je het breekt? Onno Kosters leidt je langs en door de transparante wanden die ons scheiden van de werkelijkheid: beeldschermbril en dwazenspiegel, touchscreen en monitor, televisie en surveillancelens. Kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: de glazen ogen zijn overal. Hoe verhoud je je achter het glas tot de ander, tot de wereld en tot jezelf?

    Alsof je er niet bij bent
    gaat het leven ’s ochtends aan en ’s avonds uit. 

    De dagen lichtreuzen
    en ondertussen 

    alsof je er niet bij bent
    beweeg je of het uitmaakt, 

    hou je je staande op het lichaam
    dat je staand houdt

     

     

    Achter het glas
    Auteur: Onno Kosters
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De onderkant

    Als psychotherapeute en als dichter – van Soldatenliederen (1991) tot en met Berichten van het front (2020) – heeft Anna Enquist steeds achter en onder de dingen gekeken, tegels lichtend van de ziel en vliezen wegtrekkend van de oppervlakkige werkelijkheid, om te verkennen wat er woelt en woedt in de duistere ‘ruimte onder grond en mos’. In deze nieuwe bundel, haar tiende, vervolgt ze die missie met onverminderde passie en vasthoudendheid. Wat daar zoal wordt aangetroffen: een innerlijk toneel van krimp, benauwd geluk, de glimmende hoeven van een sater, een wak in de winter. Ook de dood heeft er een vooraanstaande plaats in gekregen.

    Het blauwe touwtje

    Leg de duizend dingen van de dode
    op de tafel. Een hondenhalsband rood
    als bloedkoraal. Injectiespuiten, herderstas.
    Elk voorwerp vastpakken, bekijken, ordenen,
    beschrijven. Je observeert, je voelt niets.

    Duizend herinneringen in een tijdlijn
    plaatsen. De herder slurpte rode wijn
    met suiker; zijn hond piste op ons terras.
    ‘Onder de steen leeft hij, de hagedis’.
    Hij zei het vriendelijk. Het deed me niets.

    Maar nu, bij de al jaren droogstaande
    schapentrog, vind ik het blauwe touwtje.
    Thuis in elke herdersbroekzak om een hek
    te sluiten, een boom te markeren. Fel blauw,
    als vroeger. Ik pak het op. En dan, ja, dan.

     



    De onderkant
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers