• Oogst week 26 – 2020

    Onderwaterverhalen

    Onderwaterverhalen was volgens schrijver en dichter Ineke Riem niet wat ze aanvankelijk wilde schrijven: ze begon aan een roman, en eindigde met een heel nieuw manuscript, dat van een verhalenbundel. Ze werd onder andere geïnspireerd door een reis naar de Azoren en door het idee van een zogenoemde ‘eenheidservaring’ of verbintenis van afzonderlijke verhalen. Mensen die niet helemaal passen in de tijd waarin ze leven lijken een thema in haar werk: in haar nieuwste bundel hebben alle personages een ‘oude ziel’. Haar boek Rauw hart (2017) handelt over een man die geen binding voelt met het moderne tijdperk. Ook de sprookjesachtige sfeer en onderwatersymboliek keren in verschillende boeken van Riems hand terug: niet alleen in Onderwaterverhalen, maar ook in haar debuutroman Zeven pogingen om een geliefde te wekken (2013) en poëziedebuut Alle zeeën zijn geduldig (2015) – what’s in a name. Riem ontving voor Zeven pogingen om een geliefde te wekken de Bronzen Uil en de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Daarnaast werd haar debuut genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs.

    Onderwaterverhalen
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het boek der tranen

    Heather Christle schreef met The Crying Book, door Koen Boelens en Helen Zwaan vertaald als Het boek der tranen, een boek over de rol van tranen in onze hedendaagse samenleving. Ze schuwt haar eigen kwetsbaarheid daarbij niet: zelf verloor ze haar beste vriend en maakte ze een emotionele zwangerschap door. Haar ervaringen en beelden vervlecht ze met haar cultuuranalyse. Ze snijdt overkoepelende thema’s en vragen aan die te maken hebben met het fenomeen huilen: scheikunde, poëzie, geschiedenis, feminisme – hoe komt het toch dat huilen als iets typisch vrouwelijks – en (onterecht) zwaks – wordt gezien? –; semantiek – to cry is “luider” dan “to weep, schreien”, dat is het “natst”; esthetiek – Christle constateert wat er mooi en lelijk is aan huilen, en is nu eens droog en humoristisch, dan weer ernstig.

    Het boek der tranen
    Auteur: Heather Christle
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ness

    Ness van Robert Macfarlane is lastig eenduidig te omschrijven: het verhaal doet zowel denken aan toneel als aan poëzie en is een moderne mythe, een met trekjes van een dystopische novelle. De Ness waarnaar met de titel wordt verwezen is de natuur van een landtong voor de oostkust van Engeland. Vroeger was er een militaire basis gehuisvest waar nucleaire experimenten werden uitgevoerd. Nu is de bunker vervallen en overwoekerd en strijden natuur en De Wapenmeester, een geheimzinnige kracht, om de heerschappij. De intrigerende zwart-witbeelden komen uit de pen van illustrator Stanley Donwood (pseudoniem van Dan Rickwood), die sinds jaar en dag het artwork van de band Radiohead verzorgt.

    Ness
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 18 – 2020

    In de wacht

    Het nieuwste boek van Alfred Birney, vooral bekend van zijn prijswinnende De tolk van Java, zal stof doen opwaaien. In In de wacht ligt zijn hoofdpersoon Alan Noland in een ziekenhuisbed te wachten op een operatie. Politieke correctheid is Noland niet gegeven en zonder scrupules geeft hij zich over aan het becommentariëren van mensen met een multiculturele achtergrond. Maar dat is niet het centrale thema. Birney liet zijn hoofdpersoon fantaseren over het loslaten van een ziekte om het grote taboe onder de taboes aan te snijden: de overbevolking. De auteur dacht dat hij een toekomstboek had geschreven, getuige de zin: ‘Verspreid anders op de gok een uitgekiende bacterie over de wereld, ergens in Centraal China, dat tikt lekker aan. Die bacterie lift gewoon mee op de jaarlijkse griepgolf totdat de aarde weer wordt bevolkt door zo’n anderhalf miljard mensen.’ Het manuscript was al persklaar toen covid-19 uitbrak. Birney schrok en stond op een voetnoot bij de zin die door de realiteit is ingehaald.

    In de wacht
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Geus

    De republiek of de dood

    Van de beroemde redenaar, politicus, filosoof en advocaat Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) is een omvangrijke briefwisseling bewaard gebleven. Staatsman Cicero correspondeerde met veel andere invloedrijke Romeinen, en deze brieven plus fragmenten daaruit dienen in De republiek of de dood als context voor de veertien vlijmscherpe redevoeringen die bekend staan als de Philippicae. Cicero zag de republiek als de beste staatsvorm en beoogde met deze redevoeringen de senaat op te zetten tegen Marcus Antonius die na de moord op Caesar de macht en alleenheerschappij naar zich toe poogde te trekken. Cicero’s bedoelingen faalden en hij moest zijn optreden met de dood bekopen. Uit de brieven blijkt dat Cicero helemaal niet zo zeker van zichzelf was als hij in zijn venijnige redevoeringen deed voorkomen.

    De republiek of de dood
    Auteur: Cicero
    Uitgeverij: Athenaeum

    Jaag je ploeg over de botten van de doden

    De Poolse Olga Tokarczuk (1962), oorspronkelijk psycholoog, staat bekend als feministisch schrijfster. Ze won de Nobelprijs voor Literatuur 2018, wat in 2019 bekend werd gemaakt.

    Vertaler Karol Lesman introduceerde Tokarczuk in de jaren negentig in de Nederlandstalige literatuur. En nu is daar haar eerste thriller boek, Jaag je ploeg over de botten van de doden. Dat de schrijfster bij Poolse nationalisten niet geliefd is ligt misschien aan het feit dat haar personages bepaald niet alledaags zijn. Haar huidige hoofdpersoon Janina is een oudere nogal buitenissige vrouw, vertaalt poëzie van William Blake, is geïnteresseerd in astrologie en houdt van de natuur. In het afgezonderde dorp waar ze woont vinden vreemde gebeurtenissen plaats, zoals de dood van haar buurman waar ze vraagtekens bij zet. Ze raakt betrokken bij het politieonderzoek dat start als enkele leden van de lokale jachtvereniging dood worden gevonden.

    Jaag je ploeg over de botten van de doden
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus
  • Nutteloosheid gecombineerd met poëzie en fantasie

    Nutteloosheid gecombineerd met poëzie en fantasie

    ‘De Jong [wil] met zijn Actus laten zien dat het leven in principe nutteloos is. En kunst misschien wel de laatste strohalm’. Het is een citaat uit Vrijheid. De vijftig Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968, het jongste boek van kunstcriticus Hans den Hartog Jager. Het hoort bij de gelijknamige, eveneens door hem samengestelde, expositie in Museum De Fundatie in Zwolle. Die is nog te zien tot 12 mei.
    Dat het leven in principe nutteloos is, is wat Den Hartog Jager herkent in de installatie Actus Tragicus van Folkert de Jong; je kunt dus zeggen dat hij deze opvatting toedicht aan de maker van het werk. Maar het zinnetje dat erna komt is helemaal des schrijvers: kunst is de laatste strohalm, vindt ook Den Hartog Jager zelf.
    In Actus Tragicus uit 2013 zien we kleurige uit styrofoam en purschuim vervaardigde figuren met de koppen van bijvoorbeeld Lincoln, Picasso en Al Pacino, mensen die voor ons een iconische zeggingskracht hebben, maar die in deze installatie als een soort marionetten aan het plafond hangen. Ontkracht en ‘overgeleverd aan de grillen van een God’ (schrijft Den Hartog Jager) of aan de macht die wij hen toedichten (mogen we er misschien zelf bij denken). De Jong wil ‘tonen hoe groot het verlangen van de mens is de werkelijkheid te beheersen, terwijl hij daar telkens weer in faalt.’

    Onzichtbaar
    Het is niet de eerste keer dat Den Hartog Jager een tentoonstelling inricht in De Fundatie. Hij deed dat al drie keer eerder, onder andere in 2014 onder de titel Meer macht. Die expositie had als thema de vraag of kunst de macht heeft veranderingen te bewerkstelligen. Het bijbehorende boek Het streven werd op Literair Nederland hoog gewaardeerd (zie hier).
    In de huidige tentoonstelling Vrijheid zien we de kunstenaars niet als zoekers naar macht, maar vooral als vragenstellers die ons confronteren met onze vooroordelen en onze ingeslepen kijkgewoontes. De vrijheid uit de titel slaat op de manieren waarop de geëxposeerden die confrontaties opzoeken. Stuk voor stuk proberen ze vaste stramienen te doorbreken. Voorbeelden te over dan ook. Zoals Jan Dibbets die perspectieven verdraait om ons te laten zien dat wij het zelf zijn die de werkelijkheid construeren. Of Kees de Goede die ‘schilderijen’ maakt zonder doek door bijvoorbeeld takken als dragers te gebruiken. En Emo Verkerk die nóg een stap verder gaat door zich in zijn Portret van Georges Simenon te beperken tot twee gaatjes in de muur, een stukje koper en een houten pijp. Of wijlen Stanley Brouwn die zich het liefst onzichtbaar maakte. Den Hartog Jager daarover: ‘Voor mij is duidelijk dat Stanley Brouwn bij leven niet zou hebben meegewerkt aan Vrijheid, de tentoonstelling. Hij zou ook nooit een foto van zijn werk in het boek hebben laten plaatsen’. De auteur laat daarom als een eerbetoon aan hem een pagina wit. En in Zwolle is niets van hem te zien (het boek telt daarom 51 stukken, terwijl in De Fundatie 50 objecten te zien zijn).

    Discussie
    Het bepalende lidwoord ‘De’ in de ondertitel van Vrijheid klinkt aanmatigend. Zijn het inderdaad de Nederlandse kernkunstwerken van de laatste vijftig jaar? Een breed aanvaarde canon? De auteur zelf is er duidelijk over. In meerdere interviews gaf hij aan dat het zijn persoonlijke keuze is en dat iedereen van mening mag verschillen met hem. In een min of meer democratische bepaling van wat de vijftig kernwerken zijn had hij geen zin. Dan krijg je vervlakking; middelmaat.
    Door die opstelling bereikt Den Hartog Jager precies wat hij wil: discussie. Want weinigen zouden dezelfde keus maken. Het is zelfs niet gewaagd om te stellen dat er heel wat lezers van het boek en bezoekers van de expositie zullen zijn die lang niet alle verkozen kunstenaars kennen. Waarschijnlijk zal ook niet iedereen het altijd eens zijn met de interpretaties van de vijftig werken door de auteur. Maar wie het boek met aandacht leest kan moeilijk níét geprikkeld worden door het aanstekelijke enthousiasme van Den Hartog Jager. Sterker nog: op de expositie is aardig wat werk te zien dat niet meteen helder is. Het laat zich eigenlijk pas in de bek kijken als je iets weet van de ontstaansgeschiedenis of van de denkwereld van de maker. Iets meer liefst dan de toelichtende teksten op de wanden in het museum, die op zich al redelijk uitgebreid zijn. Voor dat meerdere is het boek van Den Hartog Jager onmisbaar.

    Bom
    Een goed voorbeeld is het werk van Gert Jan Kocken dat in De Fundatie hangt. Hij vergrootte een ansichtkaart van Paul Tibbets, waarop de paddenstoelwolk van de atoombom is te zien, tot wandgrootte uit. Tibbets was de piloot die vanuit de Enola Gay de Hiroshima-bom afwierp en daar zo trots op was dat hij zijn prestatie ging ‘vermerchandisen’. Dat kunnen we lezen op de beschrijving aan de wand in De Fundatie zelf. Maar cruciaal is de toevoeging die daar niet te lezen valt en die Den Hartog Jager wel geeft: de ondergeschiktheid van de wandaad aan de persoonlijke ambities wordt des te schrijnender doordat Tibbets voor de afbeelding niet de foto van de wolk boven Hiroshima koos, maar van die boven Nagasaki. Die vond hij indrukwekkender. Zelf had hij de bom boven Nagasaki niet gegooid.

    Den Hartog Jager deelt de vijftig kunstwerken, nagenoeg voor elk jaar één, in in vijf episodes, steeds voorafgegaan door een kernachtige inleiding van twee pagina’s. Ook de beschouwingen bij de afzonderlijke werken – schilderijen, collages, beelden, installaties, video’s, foto’s en zelfs een klankspel – zijn zakelijk, kort en zeer informatief. De toon die hij aanslaat is die van een gedreven, bezielde docent. Hij mijdt jargon, maar gaat ook nergens op zijn hurken. Wie hem wel eens op TV zag vertellen ziet en hoort achter de woorden in het boek zijn tintelende ogen en geestdriftige stem. Den Hartog Jager schrijft zoals hij praat: verzorgd, enthousiast en beeldend.

    Weifelende tijd
    In een paar zinnen weet hij de tijdgeest te vangen. Alle ijkpunten zijn in de afgelopen jaren verdwenen, stelt hij: ‘Dé kunstgeschiedenis bestaat niet meer. Verbanden verdwijnen. Overzichten ontbreken. Dat zou je als heel nobel en egalitair kunnen opvatten, maar door het ontbreken van kennis én discussie over een gedeeld artistiek verleden is ook steeds minder duidelijk wat kunst tegenwoordig nog betekent (…) Daarom is het tijd voor Vrijheid, een boek vol ijkpunten voor een weifelende tijd (…) Niet om die klakkeloos te accepteren, maar juist om erover te discussiëren, om iedereen de kans te bieden zich ertegen af te zetten, om ze te koesteren en er alternatieven voor te verzinnen – liefst zo boos, liefdevol en fanatiek mogelijk.’
    Verderop haalt hij Ger van Elk aan van wie La Pièce is opgenomen: die voer in 1971 wekenlang mee op een ijsbreker van Bremen naar Montreal. Vlak voor het eindpunt onder de kust van Groenland liep hij naar de boeg, haalde een rechthoekig blokje beukenhout uit zijn zak en verfde dat wit. Bijna achteloos en een tikje knullig. In die nutteloosheid, gecombineerd met poëzie en fantasie lag voor Van Elk de kracht van kunst. Nu ligt het blokje in De Fundatie in een glazen vitrine.
    Niet meer dan een gimmick? Je zou het kunnen denken. Maar lees Vrijheid. Bekijk daarna de expositie. Het blokje wordt geladen met betekenis. En stelt vragen. Dankzij Hans den Hartog Jager.

    Zeer aanbevolen!

     

     

  • Oogst week 5

    De hoogste tijd

    In 1919 wordt het algemeen kiesrecht in Nederland van kracht. Precies 100 jaar geleden dus.
    In het voorwoord schrijven de auteurs dat Hoogste tijd ‘gaat over de strijd voor het vrouwenkiesrecht én over de gevolgen van het verkrijgen daarvan. Wat doen de vrouwen die zich actief hebben ingezet met het veroverde kiesrecht? Gaan ze stemmen en zo ja: op welke partijen stemmen ze en in hoeverre verschilt hun kiesgedrag van dat van mannen? Gaan ze de politiek in en zo ja, wat gaan ze daar doen? Zijn ze wel welkom in de politieke arena? Hebben ze een andere politieke agenda dan de mannen die ze hebben bestreden, of voegen ze zich netjes in de rijen van de politieke partijen waar ze nu eindelijk deel van mogen uitmaken? En hoe staat het met de vele vrouwen die zich niet hebben gemengd in de strijd voor het vrouwenkiesrecht, maar die vanaf 1919 wel mogen gaan stemmen?’

    Het is niet het eerste boek dat over vrouwenkiesrecht geschreven is, dat is de auteurs ook duidelijk, daarom geven ze aan: ‘Nu, bij de honderdste verjaardag van het vrouwenkiesrecht, doen wij het nog eens over omdat iedere generatie nu eenmaal anders tegen het verleden aankijkt, maar bovendien omdat wij het niet alleen over de strijd willen hebben, maar ook over wat er daarna is gebeurd.’

    Om dit 100-jarige feest te vieren wordt er dit jaar een aantal evenementen georganiseerd. Op dit moment is tot en met 21 februari 2019 in het Atrium, de grote centrale hal van het stadhuis in Den Haag, de tentoonstelling ‘100 jaar Algemeen Kiesrecht’ te bezichtigen.

    De hoogste tijd
    Auteur: Monique Leyenaar, Jantine Oldersma, Kees Niemöller
    Uitgeverij: Athenaeum (2019)

    Ons leven in de bossen (2019)

    De Franse schrijfster Marie Darrieussecq won in 2013 de Prix de Médicis met haar roman Je moet veel van mannen houden. In 2015 verscheen op deze site een bespreking van het boek Zeewee, die recensent Joost van der Vleuten de titel meegaf ‘hermetisch maar indrukwekkend’. Hij schreef dat ‘het leidt tot heftig proza, op het hallucinante af.’

    Op de website van uitgeverij Vleugels is te lezen dat Darrieussecq ‘is gefascineerd door de tussenwereld, de grens tussen de werkelijkheid en het fantastische. Daar houden zich schimmen op, maar daar kunnen mensen ook ineens zomaar verdwijnen. Dat vaste en vervloeiende gebied bestrijkt zij in haar romans.’

    In de dystopische roman Ons leven in de bossen heeft een vrouw zich teruggetrokken in de bossen, op de vlucht voor een vijandige maatschappij. Ze zit er te schrijven. En ze heeft daar haast mee, want haar lichaam en de wereld om haar heen verkeren in een staat van afbraak. Voorheen was ze psychologe. De mensen met wie ze zich in de bossen heeft verschanst zijn drop-outs die offline zijn gegaan en hun geïmplanteerde chip hebben verwijderd. Ze behoren tot de geprivilegieerde groep die in het bezit is van een andere helft. Een kloon.

    Ons leven in de bossen (2019)
    Auteur: Marie Darrieussecq
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Een kamer met een tafel met schrijfgerei

    Ivo van Strijtem (1953) is dichter, literair vertaler en leraar Engels. En een groot poëzieliefhebber. Hij vertaalde gedichten en schreef ze zelf.

    Hij schreef ook enthousiasmerend over poëzie door al dan niet in samenwerking met anderen boeken en bloemlezingen te publiceren zoals bijvoorbeeld de reeks De mooiste van… samen met Koen Stassijns, of de bloemlezing Van Heer Halewijn tot Hugo Claus en Iedereen dichter, met als ondertitel Poëzie is een manier van leven. Zijn drijfveer: ‘Poëzie wordt onterecht als wereldvreemd, moeilijk en bovenal totaal nutteloos ervaren. Hoog tijd om het roer om te gooien.’

    Zijn nieuwste bundel met eigen gedichten Een kamer met een tafel en schrijfgerei is net verschenen. De uitgeverij over deze bundel: ‘wanneer voor de dichter alle zekerheden wegvallen, blijft dat gereedschap over. In de bundel gaat het om wat er echt toe doet. In taal die de lezer niet op afstand wil houden, schrijft de dichter over de grote onderwerpen, over wat echt belangrijk is: liefde, mededogen, het onbegrijpelijke, en – onontkoombaar – de dood.’

    Een kamer met een tafel met schrijfgerei
    Auteur: Ivo van Strijtem
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)
  • Oogst week 51

    Verzamelde gedichten

    De laatste Oogst van dit jaar. Vladimir Nabokov en Lolita. Veel verder komen veel lezers niet als hen wordt gevraagd naar het werk van deze grote meester. De meesten weten ook nog wel dat de schrijver meer geschreven heeft dan die ene roman die zo wereldberoemd is geworden, maar lang niet iedereen weet dat Nabokov ook een groot aantal gedichten heeft geschreven.
    Bij uitgeverij Koppernik is onlangs een tweetalige uitgave verschenen met daarin al zijn gedichten: de poëzie die Nabokov zelf selecteerde voor de uitgave Poems and Problems (1970), met zowel door hem uit het Russisch vertaalde als rechtstreeks in het Engels geschreven gedichten, maar eveneens de poëzie die zijn zoon Dimitri uit het Russisch vertaalde.

    Nabokov ontvluchtte in 1917 zijn vaderland Rusland, ging in eerste instantie in Groot-Brittannië wonen, vervolgens in Duitsland en Frankrijk en vluchtte uiteindelijk – toen de Nazi’s half Europa innamen –naar de Verenigde Staten om ten slotte het einde van zijn leven door te brengen in Zwitserland. Nabokov was ook een groot vlinderliefhebber en -kenner.
    De gedichten vormen de weerslag van dat leven: lesgeven over Russische poëzie, vlinders, schaatsen, erotiek en liefde, de Russische Revolutie, ballingschap, eenzaamheid, een Amerikaanse ijskast. ‘Wie Nabokov wil leren kennen moet zijn poëzie lezen’, aldus de flaptekst.

    Vertaler van deze gedichten is dichter en prozaïst Huub Beurskens die de uitgave ook voorzag van een voorwoord en verhelderende aantekeningen.

     

    Verzamelde gedichten
    Auteur: Vladimir Nabokov
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Metamorfosen

    Marietje d’Hane-Scheltema vertaalde al in 1993 de Metamorfosen van Ovidius.

    Na haar succesvolle samenwerking met tekenaar Floris Tilanus bij haar vertaling van de Fabels van La Fontaine, ontstond de wens om ook een dergelijke uitgave te maken van het beste uit de Metamorfosen.
    In deze eenmalige uitgave staan alle bekende mythen bij elkaar, over Narcissus en Echo, Jason en Medea, Daedalus en Icarus, Apollo en Daphne, Pyramus en Thisbe, Venus en Mars. En dat alles geïllustreerd door Floris Tilanus.

    Van Marietje d’Hane-Scheltema verscheen in 2013 het boek Alles altijd anders, Over Ovidius, hier op Literair Nederland besproken door Machiel Jansen.

    Metamorfosen
    Auteur: Ovidius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Leonardo literair

    Komend jaar is het 500 jaar geleden dat Leonardo da Vinci overleed. Het zal geen toeval zijn dat nu in Teylers Museum in Haarlem de tentoonstelling ‘Leonardo da Vinci’ te zien is, en dat er bij uitgeverij Athenaeum Leonardo literair is verschenen.

    Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling in Haarlem zijn de drie voorstudies van Het Laatste Avondmaal, waaronder het portret van Judas. Teylers Museum wijdt een speciale ruimte aan deze wereldberoemde wandschildering, die als replica op origineel formaat (4,6 x 8,8 meter) te zien is. Met daar recht tegenover een replica op ware grootte van de bijzondere versie van Het Laatste Avondmaal uit de abdij in Tongerlo.

    Niet zo bekend is dat Leonardo da Vinci (1452-1519) niet alleen een groot kunstenaar was, maar dat hij ook veel geschreven heeft. Hij heeft zelf nooit iets gepubliceerd maar na zijn dood heeft men duizenden vellen met losse invallen, annotaties, aanzetten van traktaten e.d. gevonden. Er zijn allegorieën en filosofische overwegingen, fabels en een bestiarium, voorspellingen en raadsels, grappige verhalen en fantastische evocaties, gedachten over de waarde van kennis en de betekenis van kunst. Aantekeningen vol persoonlijke herinneringen, brieven en boekenlijsten geven een bijzondere inkijk in zijn persoonlijk leven.

    De Belg Patrick Lateur, (o.a. Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren in – Vertalingen 2013 en de Homerusprijs van het Nederlands Klassiek Verbond in 2017) staat garant voor de vertaling

    De tentoonstelling in Teylers Museum is nog t/m 6 januari a.s. te zien, kaarten zijn alleen online verkrijgbaar.

     

    De volgende editie van deze rubriek verschijnt weer in de tweede week van januari 2019. En vergeet niet: met elk boek dat u via Literair Nederland bestelt, steunt u ons.

    Leonardo literair
    Auteur: Leonardo da Vinci
    Uitgeverij: Athenaeum

    Grand Hotel Europa

    Tot slot aandacht voor een boek van veel recenter datum: de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer.
    Massatoerisme, nostalgie, geschiedenis, vergane glorie, Europa in ‘beter’ tijden, de nieuwe tijdsgeest, migratie, liefdesverdriet en kunst.
    Deze nieuwe, omvangrijke roman van Pfeijffer bevat het allemaal. De uitgever noemt het op de flaptekst ‘zijn beste boek tot nu toe’:

    ‘De schrijver neemt zijn intrek in het illustere maar in verval geraakte Grand Hotel Europa om te overdenken waar het is misgegaan met Clio, op wie hij in Genua verliefd is geworden en met wie hij in Venetië is gaan wonen. Hij reconstrueert het meeslepende verhaal van liefde in tijden van massatoerisme, van hun reizen naar Malta, Palmaria, Portovenere en de Cinque Terre en hun spannende zoektocht naar het laatste schilderij van Caravaggio. Intussen vat hij een fascinatie op voor de mysteries van Grand Hotel Europa en raakt hij steeds meer betrokken bij het wedervaren van de memorabele personages die het bevolken en die uit een eleganter tijdperk lijken te stammen, terwijl de globalisering ook op die schijnbaar in de tijd gestolde plek om zich heen begint te grijpen.

     

    Grand Hotel Europa
    Auteur: Ilja Leonard Pfeijffer
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 46

    Bakvis

    In de oogst van deze week twee verhalen van Yolanda Entius, een leesautobiografie in essays van Daniel Rovers, Zeeuwse verhalen van Carolijn Visser en een historisch boek over 300 jaar Nederlandse walvisvaarders.

    Wat je leest ben je zelf, of: wat je leest wordt je zelf. Bakvis is een verzameling essays van Daniël Rovers over boeken die hem vanaf zijn jongste jeugd hebben gevormd en tot schrijver hebben gemaakt. Te beginnen met Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidts, de jeugdromans van Thea Beckman, De vijf van Enyd Blyton, Dagboek van Anne Frank en verder opgroeiend met Franz Kafka, Penelope Fitzgerald, Nanne Tepper en David Foster Wallace. Door deze auteurs te lezen leerde hij spreken en schrijven over verlangens en gevoelens.
    Bakvis gaat daarnaast over de meest eenvoudige en tegelijk fundamentele vragen in de literatuur. Waarom geldt het als diepzinnig om cynische boeken te schrijven? Zijn tv-series werkelijk de romans van nu? Wat is eigenlijk het verschil tussen een gedicht en een geheim dagboek? De conclusie die je uit Rovers essays zou kunnen afleiden is dat als je iets van je leven wilt maken, je aan het lezen moet slaan.

    Bakvis
    Auteur: Daniël Rovers
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny

    De titel Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny vult het voorplat met tekst, daar tussendoor kruipen verschillende soorten slakken over de letters heen. Twee verhalen, met de lengte van een novelle over eenzame en zonderlinge figuren. Het verhaal van Benito Benin gaat over de vriendschap tussen het eenzame meisje Lieke en de slak Benito. Beiden zijn niet tevreden met hun leven, eerlijk gezegd zijn ze nogal ongelukkig. Vooruit dan, de eerste zin uit Het verhaal van Benito Benin luidt: ‘Dat hij verre van gelukkig was, met zichzelf en met zijn huis, ontdekte Benito toen hij op een ochtend in april voor het eerst van zijn leven in de spiegel keek.’

    In het tweede verhaal En dat van Fanny, volgen we de ontwikkeling van iemand die het leven ternauwernood aan kan, naar iemand die de grip op haar leven volledig verliest. Ze ontwikkelt in haar eenzaamheid een obsessie voor de beroemde Alma Hendriks, van wie zij alles volgt. Ze wordt geregeld opgenomen en haar zus is de enige die haar bijstaat.
    Ook hiervan de eerste zin: ‘Ze had met alles rekening gehouden: een gorsje, fluitend in een riethaag; een puttertje, happend in de pluizen van een paardenbloem; een vleermuis, hangend in een hoek van haar kamer; een gewone muis of mol – die nagels!’ Beide openingszinnen nodigen zeker uit om er meer van te willen weten.
    Yolanda Entius vond voor dit tweeluik inspiratie bij actuele thematiek, die ze met toegankelijke toon tot persoonlijke en ontroerende verhalen wist te smeden.

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny
    Auteur: Yolanda Entius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Zeeuws geluk

    Wereldreizigster en schrijfster Carolijn Visser heeft inmiddels twintig titels op haar naam staan. Voor Zeeuws geluk hoefde ze niet ver te reizen. Op uitnodiging van een Zeeuwse zorgorganisatie logeerde ze op Walcheren en Noord-Beveland in woonoorden waar ouderen met dementie leven. Zij sprak met de bewoners en hun familie, met zorgmedewerkers en vrijwilligers over de watersnoodramp, klederdracht, de Duitse badgasten en de strenge kerk. Maar ook over de weidse landschappen, het silhouet van Veere en de levendige dorpscafés. De verhalen voerden haar terug naar haar eigen verleden, waarin ze op de fiets over Walcheren zwierf, waar ze vrienden maakte, en ruzie met een leraar kreeg en uiteindelijk vertrok.
    Ze sprak, at en wandelde met de bejaarden en tekende hun verhalen op. Met actuele landschapsgezichten en historische foto’s van de eerste helft van de 20ste eeuw.

    Carolijn Visser (1956) won vorig jaar de Libris Geschiedenis Prijs en de Zeeuwse Boekenprijs met ‘Selma’, over het dramatische leven van een Nederlandse vrouw in het China van Mao. In 2013 werd haar boek ‘Argentijnse avonden’ bekroond met de VPRO Bob den Uylprijs.

    Zeeuws geluk
    Auteur: Carolijn Visser
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Walvissen groot en vet

    Sinds 1986 is de jacht op walvissen verboden, maar daarvoor was het eeuwenlang een avontuurlijke maar ook risicovolle onderneming. Meer dan driehonderd jaar voeren Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden. Walvissen groot en vet is een bloemlezing waarin aan de hand van authentieke bronnen beschreven is hoe de jacht op de walvissen in het tijdperk van de arctische walvisvaart in z’n werk ging. In ijzige zeewateren speelden zich avonturen en rampzalige gebeurtenissen af. De teksten zijn veelal van opvarenden die het harde leven aan boord hebben meegemaakt en zijn hertaald door Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel.
    Met afbeeldingen die het beeld bij de verhalen compleet maakt. Uit Walvissen groot en vet blijkt de historische betekenis van de walvis en de walvisvaart voor de Nederlandse economie, wetenschap en cultuur.
    Volgens de uitgever: ‘Een boek vol spannende en relevante verhalen!’

    Walvissen groot en vet
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Athenaeum
  • De man die wachtte

    De man die wachtte

    Misdaadromans zijn onwaarachtig en doen de werkelijkheid geweld aan. De handeling die de misdaadauteur creëert gaat uit van strikte logica en een wereld die behapbaar is. ‘Maar’, zo betoogt politiecommandant H. in de eerste hoofdstukken van De belofte, ‘als jullie verder willen komen, bij de dingen, bij de werkelijkheid, zoals dat mannen past, moeten jullie die volmaaktheid laten varen, anders blijven jullie vastzitten, bezig met nutteloze stijloefeningen’.

    Het verhaal van deze korte roman is een omwerking van het filmscenario dat de Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt (1921-1990) eerst afleverde, leidend tot de bioscoopfilm Es geschach am hellichten tag(1958). Er zouden van dit scenario later nog meer films worden gemaakt, in de bekendste daarvan speelt Jack Nicholson de rol van rechercheur Matthaï (The pledge, 2002). Grote troef van de roman echter is de raamvertelling die Dürrenmatt hanteert en waarmee hij het plot rondom de onfortuinlijke politieman min of meer deconstrueert. Hiermee doet hij de ondertitel ‘requiem voor de misdaadroman’ eer aan.

    De auteur voert zichzelf in het kaderverhaal op. Hij houdt namelijk een lezing over het schrijven van misdaadromans. Achteraf raakt hij aan de boemel met een oud-politiecommandant, die hem een lift aanbiedt voor de volgende dag. Tijdens de autoreis doet commandant H., vanaf dan als ik-persoon aan het woord, de treurige geschiedenis uit de doeken van zijn meest geniale rechercheur, die zich vastbeet in de moordzaak op een jong meisje.

    Voor die moord op klaarlichte dag, jaren geleden alweer, werd destijds al snel een schuldige aangewezen. Het bewijs was niet helemaal sluitend maar de verdachte legde onder zware druk een bekentenis af en pleegde kort daarna zelfmoord. Zaak gesloten. Rechercheur Matthaï trekt de officiële versie echter in twijfel en besluit zelfstandig verder te speuren. Hij verklaart ergens: ‘Ik kon de aanblik van dat meisje verdragen, maar toen ik voor haar ouders stond, hield ik het plotseling niet meer uit, toen wilde ik opeens weg van die vervloekte boerderij van hen, en dus gaf ik mijn erewoord dat ik de moordenaar zou vinden, alleen maar om het leed van die ouders niet meer te hoeven zien.’

    Tijdens zijn onderzoek stuit hij op het feit dat er in de jaren daarvoor twee vergelijkbare moorden zijn gepleegd, in andere kantons. Ook achterhaalt hij een kindertekening van het gedode meisje, op basis waarvan hij een profiel kan opstellen van de dader. Vervolgens loopt het spoor dood. Matthaï ziet maar één mogelijkheid: een val opzetten en afwachten tot de moordenaar weer opduikt.  Zijn plan lijkt feilloos, maar hij heeft geen grip op ‘het toevallige, onberekenbare, onmeetbare’. Terwijl de maanden verstrijken, wordt het wachten hoe langer hoe meer een obsessie voor hem.

    Het moord- en rechercheverhaal dat voormalig politiecommandant H. vertelt is op zich al behoorlijk boeiend en origineel, wars van overdrijving (geen gruwelijke scènes bijvoorbeeld) en opgetekend in een prettige stijl. Dit plot vormt de kern van de diverse films. Maar nog interessanter is het effect van de literaire compositie. Enerzijds geeft de raamvertelling meer geloofwaardigheid aan de fictie, het maakt het misdaadverhaal dus sterker, anderzijds ontstaat een kader waardoor de clichés die in het genre woekeren aan de kaak kunnen worden gesteld.

    De belofte kan daarom, net als andere bekende titels van Friedrich Dürrenmatt (zoals De rechter en zijn beul en De verdenking), gekarakteriseerd worden als intelligent leesvoer. Het gaat inderdaad om een misdaadroman in de ware betekenis, waarbij de benaming roman geen loze belofte is.

     

  • Oogst week 42 (2018)

    Een Bijlmerliedje

    Een mooie oogst deze week: een coming of age roman van Diana Tjin; de laatste – en naar gezegd wordt zijn beste – roman van Charles Dickens; een familiegeschiedenis door Bart Meuleman en de jeugdherinneringen van de Franse schrijfster Alba Arikha.

    Cartograaf en schrijfster Diana Tjin debuteerde in 2017 met de historische roman Het geheim van mevrouw Grünwald. Haar tweede boek Een Bijlmerliedje is een coming of age roman over het meisje Sheila dat opgroeit in de jaren zeventig in de Bijlmer, waar ze op tienerleeftijd met haar ouders en drie broers is komen wonen. Een verhaal over het belang van vriendschap, rivaliteit, het verlangen mee te tellen en het zoeken naar erkenning als meisje met een Surinaamse achtergrond. Een prettig leesbaar verhaal, dat ook een mooi beeld schets van het Amsterdam in die jaren, de eerste metro, de verlatenheid van die grote flatgebouwen in de Bijlmer.
    In fragmentarische hoofdstukken schetst Tjin de ontwikkeling van een jong meisje waarbij elke ervaring, levensles op speelse wijze gerelateerd worden aan een muzieknummer uit die tijd. Zoals onder andere: ‘Both Sides Now’ van Joni Mitchel, ‘Take Time to Now Here’ van Percy Sledge en ‘To Love Somebody’ van Nina Simone.

    Een Bijlmerliedje
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Onze wederzijdse vriend

    Een naar het buitenland geëmigreerde Engelse jongeman krijgt bericht dat zijn vader, die ook wel de Gouden vuilnisman genoemd wordt, is overleden. Hem komt een enorme erfenis toe, mits hij trouwt met een door hem onbekende, en door zijn vader uitgekozen bruid. De jongeman vertrekt per boot naar Londen en sluit tijdens de zeereis vriendschap met een bootsman. De jongeman neemt de bootsman in vertrouwen en vertelt hem van zijn erfenis en de daaraan verbonden voorwaarde.
    Na aankomst in Londen zoeken zij samen onderdak en spreken af om onopvallend op zoek te gaan naar de bruid, om haar te kunnen gadeslaan. Maar de bootsman heeft andere plannen en wil de erfgenaam vergiftigen om dan zijn plaats in te nemen.

    Dan ontwikkelt zich een verhaal met een keur aan personages zoals we die kennen in de verhalen van Dickens. Zoals een wees, een goedhartige arme vrouw, een sluwe arbeider, een geheimzinnig figuur, een gierigaard, het zit er allemaal in. En zoals gezegd, volgens velen overtreft dit werk alle voorgaande werken van Dickens.

    Onze wederzijdse vriend
    Auteur: Charles Dickens
    Uitgeverij: Athenaeum

    Hoe mijn vader werd verwekt

    Bart Meuleman (1965) is toneelschrijver, regisseur en dichter en schreef met Hoe mijn vader werd verwekt zijn tweede roman. Zijn vader werd als baby bij zijn moeder weggehaald omdat ze ongetrouwd zwanger werd. Naar aanleiding van een foto die hij vindt van een vrouw met zijn vader als kind op schoot: – ‘Het was een oude vrouw zoals er duizenden zijn, maar in haar kwade ogen en aan haar grauwe vel zag ik op slag al het slechte waartoe ze in staat was geweest. Ik zag het des te beter omdat op haar schoot, in een wollen truitje en met glimmende schoentjes met riempjes, mijn vader zat, met een blik, verschrikt, die mij vreemd was.‘ – besluit hij op onderzoek te gaan naar zijn grootmoeder.

    Als jong meisje werd zij na de Eerste Wereldoorlog vanuit de Kempen naar Brugge gestuurd om in een gegoede familie de huishouding te doen. Ze raakt zwanger en het kind wordt onder de hoede van een bejaarde engeltjesmaakster gesteld. Aan de hand van materiaal dat Bart Meuleman in de archieven vindt, vermengd met zijn verbeelding geeft hij deze jonge vrouw een stem.

    Hoe mijn vader werd verwekt
    Auteur: Bart Meuleman
    Uitgeverij: Querido

    Herinneringen aan een verloren wereld

    Alba Arikha studeerde vele jaren piano voordat ze zich tot het schrijven wendde. Ze heeft inmiddels vier boeken geschreven en is in vijf talen vertaald. Herinneringen aan een verloren wereld (2012) is haar derde boek en speelt zich af in de jaren tachtig in Parijs. Het appartement waar Alba Arikha en haar zus opgroeiden was het centrum van literaire en artistieke ontmoetingen. Samuel Beckett was haar peetoom, haar vader was de schilder Avigdor Arikha, haar moeder de dichter Anne Atik.

    Arikha’s eigen herinneringen spelen zich af tegen de geschiedenis van haar Joodse familie in oorlog en ballingschap en de altijd aanwezige nagalm van de holocaust. Ondertussen probeert ze zich als opgroeiende tiener halsstarrig te ontworstelen aan haar afkomst.

    Het boek werd in The New Yorker geselecteerd als een van de beste boeken van 2012.

    Herinneringen aan een verloren wereld
    Auteur: Alba Arikha
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Allegorische fantasie streelt de zintuigen

    José Veiga’s boeken beginnen volgens vertaler Harrie Lemmens steeds in een dorp, waarin het onschuldige, gezapig leventje van buitenaf ruw wordt verstoord. Zo ook in De drie plagen van Manirema (oorspronkelijke titel: A hora dos ruminantes), een fantastisch ofwel magisch realistisch verhaal over een klein stadje dat machteloos moet toezien hoe het ten prooi valt aan onbegrijpelijke, verwoestende gebeurtenissen. Op een avond staan een paar mannen op de brug over de rivier langs Manirema het einde van de dag te verwelkomen. In de schemering zien zij een groep pakezels naderen. Maar de brug blijft leeg en in het donker discussiëren de mannen over de vraag óf ze eigenlijk wel iets hebben gezien. De volgende dag blijkt er bij de vervallen boerderij naast de rivier een kamp opgeslagen te zijn. De mensen in het stadje praten erover en wachten tot de vreemdelingen contact met hen zoeken en zich in hun winkels vertonen. Zelf weigeren zij naar het kamp te gaan om uitleg over de komst van de mannen te vragen. ‘Als zij duur doen, doen wij dat ook. Niks aanbieden.’

    De eerste contacten zijn al meteen onaangenaam. De nieuwkomers zijn bezig met bouwen en verbouwen op het terrein van de boerderij, gedragen zich brutaal en autoritair en accepteren geen nee. De eerste die daarmee te maken krijgt is Geminiano, eigenaar van een kar en een ezel waarmee hij voor de bewoners vracht vervoert. Hij weigert zijn kar aan de kampbewoners af te staan en geeft te kennen dat ze gewoon op hun beurt moeten wachten om iets vervoerd te krijgen. Maar als Geminiano daar eenmaal aan toe is, blijkt de opdracht gaandeweg zo groot dat hij erin gevangen wordt en niet meer aan andere vervoersklussen toekomt. Ook Amâncio, heethoofd en eigenaar van de plaatselijke winkel voor allerhande waren, raakt in de macht van de mannen.

    De tweede plaag bestaat uit ontelbare honden die de straten binnenstromen. Ze blaffen, vertrappen planten, woelen moestuinen om, springen over muurtjes, stoten hekken om en bijten kippen dood. ‘Soms drong er een hond een huis binnen, onduidelijk hoe, en dan raakten de bewoners in paniek. De hond keek hen een voor een aan en koos vervolgens iemand uit waar hij kwispelstaartend naartoe liep. Die kromp ineen, beschermde handen en benen en kon geen woord uitbrengen om het beest weg te jagen.’

    Als de hondenplaag voorbij is kunnen de mensen zich weer even bezighouden met hun eigen perikelen – waaronder een kleine liefdesgeschiedenis en een verhoor, verweven met de nog steeds aanwezige mannen in het kamp. Maar al gauw komen de ossen. Ze bezetten straten en huizen, loeien luid en trappen alles kapot, ‘de koppen omhoog om geen last te hebben van hun hoorns, zonder ruimte om zelfs maar hun staart op te heffen als ze moesten schijten, zodat de drek langs hun poten omlaag liep en verwerd tot één grote derrie. […] Een os die zijn evenwicht verloor en […] door de knieën ging kwam niet meer overeind, de andere trapten op hem tot hij dood was, en dat bood wat verlichting – heel even maar …’ De ossen zijn overal, vanaf de straten waar ze opeengepakt staan steken hun hoorns door de ramen naar binnen. Niemand kan zijn huis meer uit, honger, stank, wanhoop en ziekte slaan toe en de mensen ‘piekerden over wat ze hadden misdaan om deze straf te verdienen’.

    Al is dit een klein boek van slechts 104 pagina’s, José Veiga beschrijft op zijn gemak in zintuigelijke taal de op handen lijkende ondergang van Manirema. Als lezer sta je er middenin, je hoort de mensen praten, de honden blaffen, ziet de opeengepakte massa ossen, ruikt de drek en voelt het chaotische gedrang waarin de meutes, mensen en dieren, zijn terechtgekomen. Want ook de honden en ossen lijken willoze slachtoffers van een onzichtbare hand, van een vijand zonder mededogen met hun onmacht.

    Zoals het bij fantastisch realisme gaat laat Veiga het ook hier aan de eigen fantasie van de lezer over om betekenis aan het verhaal te geven. Achterop het boek staat te lezen: ‘In 1964 pleegt het Braziliaanse leger een staatsgreep en vestigt een nationalistische dictatuur. Er daalt een duistere nacht van vrijheidsberoving, censuur en geweld neer over het land die twintig jaar zal aanhouden. De drie plagen van Manirema is in 1966 het allegorische antwoord van José J. Veiga op die nacht.’

    Vertaler Harrie Lemmens meldt echter in zijn nawoord dat Veiga zijn manuscript al voor de staatsgreep bij zijn uitgever had ingeleverd. Deze zag volgens Lemmens de vervreemding, het wantrouwen, de dreiging en de verbrokkeling als de grote kracht van de roman en vond het raadzaam met uitgeven te wachten tot helder werd welke kant het met de dictatuur opging.

    Of het boek nu ontsnapt is aan de aandacht van de generaals of dat die het als een onschuldige fantasie beschouwden, het gold volgens Lemmens voortaan als hét verzetsboek in Brazilië. Veiga zelf vond het best dat de lezers zijn boek als metafoor van en aanklacht tegen de dictatuur interpreteerden, want was het leger niet ook een plaag? Mogelijk heeft Veiga bij het schrijven eerdere staatsgrepen en dictaturen in Zuid-Amerika voor ogen gehad. Zo niet, dan is voor de lezer die zijn zintuigen wil laten strelen deze fantastische geschiedenis toch een feest.


    De drie plagen van Manirema

    Auteur: José J. Veiga
    Vertaald door: Harrie Lemmens
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 108
    Prijs: € 14,99

  • Goede wegwijzer

    Goede wegwijzer

    De meesten van ons weten weinig tot niets van Marcel Proust en zijn grote roman À la recherche du temps perdu. We hebben er wel van gehoord en kennen het verhaal over dat koekje dat de verteller in de thee doopt waarna een stroom van herinneringen op gang komt. Sommigen hebben voornamelijk een vóóroordeel: Proust was een geparfumeerde estheet die oeverloos kon zeuren in ellenlange zinnen.
    Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep is begonnen met de uitgave van een nieuwe vertaling. Deel 1, Swanns kant op, ligt in de winkel. Een zomer met Proust is een korte en degelijke introductie tot de geheimen, de genietingen en de moeilijkheden die Op zoek naar de verloren tijd te bieden heeft.

    Het is een klein boekje, zoals het een gids betaamt. Het wijst de weg maar gaat niet in de weg staan. Het is bijzonder rijk aan uitleg en achtergronden.
    Het bestaat uit acht delen, geschreven door acht verschillende auteurs. Elk deel (op één na) bestaat uit vijf hoofdstukjes. Die zijn allemaal op dezelfde manier opgebouwd: titel, een kort citaat van Proust, een gecursiveerde inleiding, de centrale tekst waarin het door de titel aangekondigde onderwerp wordt besproken en tot slot een substantiële passage uit de roman. De centrale tekst is telkens het langst en alle hoofdstukjes zijn bescheiden van omvang, steeds zo’n vijf of zes bladzijden.

    In eerste instantie ben je geneigd hoofdstukken netjes op volgorde te lezen. Maar in Een zomer met Proust is dat niet per se noodzakelijk. Je kunt ook ‘hinkelend’ door het boek gaan, elk hoofdstukje laat zich zelfs ook van achteren naar voren lezen, althans wat de laatste twee onderdelen betreft, dus eerst het lange fragment van Proust en daarna pas de beschouwing. Op die manier loop je als lezer wat minder aan de hand van de schoolmeester. En óók laat het zich bij stukjes en beetjes lezen als begeleidende tekst bij de roman, dus niet als voorafje maar terwijl je Proust zelf leest. De samensteller heet niet voor niets Compagnon.

    Waarom zou je een inleiding tot een roman lezen? Wat is er met Prousts romancyclus dat ons zou kunnen afschrikken of dat het lezen zou bemoeilijken? De samensteller zelf waarschuwt ons: ‘(…) slechts de helft van de kopers van Swanns kant op koopt het tweede deel, In de schaduw van de bloeiende meisjes, en slechts de helft van de kopers van In de schaduw van de bloeiende meisjes koopt De kant van Guermantes, het derde deel. Maar hierna haken lezers niet meer af: (de volgende vier delen) worden allemaal uitgelezen’.
    Hoe zou dat komen? Compagnon geeft drie verklaringen: de lange zinnen, de mondaine avondjes die uitentreuren worden beschreven én het feit dat mensen ‘bang zijn voor boeken die de lezer veranderen’. Elders in het boek wordt gewag gemaakt van rond de vijfhonderd personages. Drieduizend bladzijden. Vermelding in het Guinness Book of Records.
    Al met al zou deze poging om lezers te winnen dus gemakkelijk een averechts effect kunnen hebben, want als een boek zozeer een onneembare vesting lijkt, wordt een mens al gauw achterdochtig.

    Waar schrijven de inleiders over? Over de personages, Prousts wereld, de kunsten, Proust en de filosofen. Concrete onderwerpen. We krijgen veel interessants te horen. Ook lezen we over de liefde, het denkbeeldige en de tijd, veel abstractere onderwerpen dus.
    Uit alle bijdragen blijkt wel dat de tijd een centraal onderwerp is, zoals de titel van de roman al aangeeft. De tijd, dat wil zeggen: het verlangen en de herinnering; de werkelijke tijd en de beleefde tijd; de onverbiddelijke tijd en de tijd die als bij toeval wordt teruggevonden; de berusting en de opstand.
    We leren ingewikkelde begrippen kennen, zoals ‘het intermitterende hart’, ‘de essentie van de temporaliteit’, ‘het pluriforme ik’ en ‘het onwillekeurige geheugen’ (daar heeft dat koekje bij de thee mee te maken, wie heeft nìet slechts de klok horen luiden; op bladzijde 117 vindt u de ware toedracht).

    De beschouwingen zijn doorwrocht en niet steeds gemakkelijk te volgen. De schrijvers zijn liefhebbers, kenners én geleerden. Mogelijk zijn ze trots op het feit dat zij behoren tot degenen die het boek de baas zijn geworden? Bestaat er een Proust-elite? In Frankrijk denkelijk wel.
    Hoe het ook zij, hun inleiding tot deze twintigste-eeuwse klassieker geeft stof tot nadenken én maakt nieuwsgierig.

    Wat heeft Proust bewogen tot het construeren van deze ‘kathedraal’, zoals hijzelf het boek karakteriseerde? Ook daarover komen we veel te weten. De kiem lag in een gesprek met zijn moeder en bijna was het een filosofisch betoog geworden, in reactie op zijn lectuur van Bergson, de filosoof die veel over de tijd heeft geschreven. Onvoorstelbaar: Prousts roman was bedoeld als vehikel voor ideeën!

    Dat was trouwens een verrassing: Proust was veel méér dan een decadente dandy, hij was een erudiet en een denker. Hij bewonderde en vertaalde Ruskin, hij bestudeerde de filosofie en de sociologie van zijn tijd en was bijzonder goed thuis in de beeldende kunst.

    Op zoek naar de verloren tijd is geen vakantieboek. Een maximum aan introspectie en zinnen waarin je gemakkelijk halverwege verdwaalt: een hedendaagse lezer zal zijn ‘leeshouding’ moeten aanpassen, gewend als hij is aan snelheid en oppervlakte. Waarschijnlijk heeft Een zomer met Proust op dit ene punt dus ongelijk: Op zoek naar de verloren tijd is geen boek voor één zomer. Het lijkt eerder een boek voor een heel leven. Een boek om je langdurig en ‘intermitterend’ mee af te zonderen. Misschien moeten meer mensen er toch eens aan beginnen.


    Een zomer met Proust

    Auteur: Antoine Compagnon e.a.
    Vertaald door: Maartje de Kort
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 216
    Prijs: € 15,00

  • Hoe overleef ik mijn slaven?

    Hoe overleef ik mijn slaven?

    Om elke irritatie die zou kunnen ontstaan bij het lezen van de titel weg te nemen, is het belangrijk om twee zaken te vermelden. Allereerst slavernij bestaat nog steeds! Auteur Jerry Toner: ‘Maar voor we onszelf op de borst kloppen over onze vooruitgang, is het goed te bedenken dat slavernij, ondanks de illegaliteit ervan in alle landen ter wereld, toch op brede schaal blijft bestaan. Dat is tragisch. De NGO Free the Slaves schat dat 27 miljoen mensen onder bedreiging van geweld gedwongen worden te werken. Ze worden niet betaald en hoop op ontsnapping hebben ze niet. Er leven vandaag de dag in onze wereld meer slaven dan er in het Romeinse Rijk op enig moment zijn geweest. 

    Ten tweede hebben we hier natuurlijk niet echt te maken met een handleiding ‘Hoe houd ik zo efficiënt en succesvol mogelijk slaven?‘. Maar daar lijkt het wel op. De beroemde historica Mary Beard, die het voorwoord schreef, merkt op dat als dit boek tweeduizend jaar geleden was verschenen, het in de top tien van managementboeken zou hebben gestaan. Volgens haar is Marcus Sidonius Falx zeer betrouwbaar waar het gaat om een voor Romeinen belangrijk onderdeel van hun traditie: het managen van slaven.

    Wat dit boek ons, een ‘niet-Romeins publiek’, ‘lezers uit een barbaars volk’ (aldus Falx) laat zien, is dat het hebben van slaven bij de Romeinen (en Grieken) misschien wel een van de meest normale zaken was die men zich kon voorstellen. Was Marcus Sidonius Falx niet een verzinsel geweest, dan zouden we hier te maken hebben met een onvervalst, zeer waardevol document van de hand van een rijke grootgrondbezitter die dagelijks omging met slaven van allerlei soort.

    Marcus Sidonius Falx mag dan niet bestaan hebben, grootgrondbezitters zoals hij hebben wel degelijk bestaan en de ideeën die hij in dit boek verkondigt, werden door iedereen in de Romeinse (en Griekse) oudheid gedragen.

    De schrijver Jerry Toner heeft een goed en prettig leesbaar, populair-wetenschappelijk boek geschreven; hoewel hij alle mogelijke authentieke documenten en wetenschappelijke studies bij dit werk gebruikt heeft, is het boek verre van saai. Dat komt omdat hij zelf de rol van commentator op zich genomen heeft en Marcus Sidonius Falx het woord laat doen. Deze Marcus, van adellijke afkomst, lid van een oud senatorengeslacht, diende vijf jaar lang eervol in het zesde legioen, waarna hij terugkeerde naar Rome om zijn zaken te behartigen en zijn uitgestrekte landerijen in Campanië en de provincie Africa te beheren. Zijn familie bezit al talloze generaties heel veel slaven; hij is dus de aangewezen persoon om iets te vertellen over het fenomeen (slaven) dat zo essentieel was ‘dat het bij niemand ook maar opkwam dat het misschien ook niet kon bestaan. Slaven bezitten was de normaalste zaak van de wereld. Jammer genoeg weten we niet wat de slaven zelf dachten: hun mening deed er niet toe. Over wat hun meesters over hen dachten, weten we echter veel.‘ Marcus/Jerry kent zijn ‘klassieken’: wat Marcus in zijn handboek schrijft, heeft hij gehaald uit teksten van beroemde tijdgenoten van hem, zoals Cicero, Petronius, Plinius de Oudere, Plinius de Jongere, Seneca.

    Marcus’ handboek is opgebouwd uit niet al te lange hoofdstukken, in totaal elf. In elk hoofdstuk spreekt hij over een aspect waar de ‘heer en meester’ rekening mee moet houden bij het managen van slaven. Nadat Marcus meestal op vermakelijke en ook leerzame wijze zijn verhaal heeft gedaan, geeft Toner een kort, beargumenteerd commentaar hierop. Tevens vermeldt hij meteen vrij gedetailleerd de authentieke bronnen waaruit Marcus zijn wijsheid haalt. Ook zonder deze vermelding zou een oud-gymnasiast kunnen merken dat Marcus put uit dezelfde brieven, beschrijvingen, verhalen en anekdotes als die hij zelf ooit heeft moeten bestuderen.

    Het eerste hoofdstuk is gewijd aan het kopen van slaven. Van belang was de functie die de slaaf moest gaan vervullen. Een veldslaaf had andere kwaliteiten nodig dan een huisslaaf. Slaven die met hun meester onder één dak woonden en persoonlijke diensten moesten verrichten, werden met grote zorg gekozen. Verder moest de koper goed opletten bij welke slavenhandelaar hij zijn slaven kocht en ‘de verkoper vragen dat de slaaf zich ontkleedt. Die verkopers zijn een hoogst onbetrouwbaar mensensoort. Ze proberen vaak met kleren gebreken letterlijk toe te dekken. Een lange tuniek moet dan bijvoorbeeld   X-benen verbergen, en kleren met stralende kleuren leiden de aandacht af van zwakke, schriele armpjes.‘ Van bijzonder belang was de keuze van een goede voedster, want, zo betoogt Marcus, deze vrouw zal vaak de eerste zijn die door jouw kind mama genoemd zal worden. ‘Als babysit voor mijn kinderen gebruik ik graag slavenkinderen die ik zelf met mijn eigen slavenvrouwen heb. De slaven die het dichtste bij jou als meester staan, zijn zij die in je jeugd voor jou hebben gezorgd.

    In het hoofdstuk over de manier waarop de eigenaar het beste uit zijn slaven kon halen, staat een lange ‘checklist van de plichten van je beheerder, zodat je kunt nagaan of hij doet wat jij wil dat hij doet.

    In het hoofdstuk ‘Slaven en seks’ staat de aanbeveling slaven toe te staan een gezin te stichten, omdat dat naast stabiliteit, ook andere voordelen biedt. Het houdt de slaven tevreden en ze zullen harder werken om hun vrijheid te verdienen. Ouders van slavenkinderen zullen minder snel geneigd zijn om weg te lopen.

    In het hoofdstuk ‘Wat is een goede slaaf?’ gaan commentator en Marcus meer op de filosofische toer. Het is een inwijding in de denkbeelden van het stoïcisme aan de hand van een aantal teksten van de Romeinse filosoof Seneca (opvoeder van de latere keizer Nero). Volgens deze leer is het gegeven dat een slaaf een slaaf is niet relevant. Wat telt is of iemands ziel ‘vrij’ is. Het gaat dus om het innerlijk en niet om de status. ‘Vrijwillig’ slaaf zijn van bijvoorbeeld seks of eten of bezit, dát maakt iemand pas werkelijk tot een slaaf.

    Ook is er een hoofdstuk gewijd aan het bestraffen van slaven, over wat daarbij wel en niet geoorloofd is. Extra aandacht gaat uit naar de bestraffing van weggelopen slaven. In dit hoofdstuk vertelt Marcus het bekende verhaal van ‘Androcles en de leeuw’. De slaaf Androcles had om te ontsnappen aan de dagelijkse zweepslagen van zijn meester zijn toevlucht gezocht in de woestijn. In de afgelegen grot waar hij zich verborgen hield, strompelde een leeuw binnen. Androcles verwijderde een grote splinter uit de zool van de poot van de leeuw en verzorgde de wond goed. Drie jaar deelden zij daarna de grot en het voedsel. Wanneer hij later in Rome voor de wilde dieren, i.c. deze (inmiddels gevangen) leeuw, gegooid wordt, weigert de leeuw hem te verscheuren, vlijt zich aan de voeten van de man: een hartverscheurend tafereel!

    Slavenopstanden bleven, aldus Marcus, gelukkig zeldzaam. Dat een slavenopstand voor de Romeinen hun grootste nachtmerrie was, zal duidelijk zijn. Het aantal slaven in een huishouding of op een landgoed was in veel gevallen vele malen groter dan het aantal vrijgeborenen. Een veel gehoorde uitspraak in dit verband was: ‘Tel je slaven en je weet hoeveel vijanden hebt.‘ Marcus: ‘Hoe betrouwbaar en loyaal jouw slaven ook mogen lijken, als ze de kans krijgen vrij te komen, grijpen ze die bijna allemaal. En dan ben jij de loser.‘ Natuurlijk komt in dit hoofdstuk de slavenopstand onder leiding van Spartacus (73-71 v.Chr.) uitgebreid ter sprake. Toner noemt in dit verband ook de film uit 1960 van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol en wijst op de gevaren van valse voorlichting.

    Over het algemeen zou de weerstand van slaven in de keizertijd zich uiten in kleinigheden als leugens, bedrog, een ziekte voorwenden, ongehoorzaamheid op kleine schaal.

    In het hoofdstuk ‘Slaven vrijlaten’ staat op welke wijze dat gebeurde, en dat het vrijlaten van slaven ook een normaal verschijnsel was. Overigens bleven slaven na hun vrijlating nog altijd in de invloedssfeer van hun ex-meester. Dat hield in dat hij nog steeds bepaalde opdrachten aan hen kon geven, maar ook dat de ex-meester verantwoordelijkheden tegenover zijn vrijgelatenen had.

    Het kwam ook voor dat de relatie slaaf-meester zo goed was dat de slaaf liever niet vrijgelaten werd. (Sommige vrijgeboren dagloners hadden minder te besteden en te eten dan een slaaf in een stedelijk huishouden.)

    In het laatste hoofdstuk merkt Toner op dat het niet klopt dat het christendom inherent positiever stond tegenover slaven dan andere antieke stromingen, zoals het stoïcisme. ‘We hebben de neiging te denken dat de lessen van het christendom de leefomstandigheden van slaven verbeterden. Maar uit de bewaarde bronnen blijkt niet dat christelijke eigenaren hun slaven beter behandelden dan heidenen. (…) Christelijke auteurs gaan ervan uit dat slaven zich immoreel zullen gedragen. De voorbeelden waarin christelijke auteurs het slechte gedrag van hun ‘kudde’ vergelijken met ‘het soort gedrag dat je normaal van slaven verwacht’ zijn dan ook talrijk.

    Herkenning van een (al dan niet op school vertaalde) authentieke tekst kan een bron van vreugde zijn. Minder prettig, ja soms zelfs storend, is het om af en toe uit de mond van Marcus de bijna letterlijke tekst van een van Seneca’s Brieven te horen. Het taalgebruik van Seneca is immers zo anders dan Marcus’ alledaagse, tamelijk populaire manier van spreken.
    Toner heeft met dit goed leesbare boek een belangrijke bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving. Hij heeft gebruik gemaakt van heel veel authentieke teksten en door het als een handleiding voor ‘meesters-in-opleiding’ door een ter zake kundig man te presenteren, maakt de lezer van nu op een vanzelfsprekende manier kennis met alle ‘ins and outs‘ van de slavernij in de oudheid. Voor wie nog meer wil lezen over dit onderwerp heeft hij een lijst van boeken en artikelen toegevoegd.

    Wie zich dus niet laat afschrikken door de titel, heeft na het lezen van dit boek, dat op vlotte en humoristische wijze is geschreven door het zeer deskundige ‘duo’ Falx/Toner, (in de goed leesbare vertaling van Patrick De Rynck) een compleet beeld van slavernij, een fenomeen dat eeuwenlang een wezenlijk onderdeel is geweest van de Romeinse maatschappij.

     

    Handboek slavenmanagement

    Auteur: Marcus Sidonius Falx, Jerry Toner
    Vertaald door: Patrick De Rynck
    Verschenen bij: Athenaeum, Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 19,99

  • De verzinsels die we allemaal willen horen

    De verzinsels die we allemaal willen horen

    Een romanschrijver en een oplichter hebben veel gemeen. Natuurlijk, de bedoelingen van de eerste zijn nobeler dan die van de flessentrekker. Maar op de toppen van hun kunnen spelen ze beiden met de werkelijkheid, spiegelen ze allebei hun publiek een wereld voor die er verduiveld echt uitziet. Maar het niet is.

    In de drie romans van Marek Hłasko (1934-1969), die nu verzameld zijn in De Israëlische trilogie, speelt de auteur overduidelijk met die overeenkomst tussen beiden. Waar hij de hoofdpersoon diens slachtoffers laat verleiden met behulp van verzonnen verhalen, zo verleidt ook de schrijver zelf met zijn verhalen de lezer. Want die moet op zijn qui vive zijn, het hele boek door: waar word ik bij de neus genomen door de schrijver, wat is zíjn verhaal en wat is het verhaal van zijn personages?

    Dat is niet altijd even leuk. Het gaat op een gegeven moment zelfs vervelen. Dat komt omdat de eerste roman, De tweede hondenmoord, en de tweede, Bekeerd in Jaffa, te veel op elkaar lijken. De tweede is vooral een herhaling van zetten. Die schelmen ben je zo’n beetje beu, je hebt door wat de verhouding is tussen de vooraf gerepeteerde dialogen en die van de werkelijkheid in het verhaal. Dan komt het moment dat je verzucht: nou weet ik het wel, Hłasko, kom eens met iets nieuws. Wie uiteindelijk de emotie wil voelen, wie ontroert en verrast wil worden, zal dan toch moeten doorlezen. Tot de laatste roman en eigenlijk tot de allerlaatste zin. Pas dan, aan het eind van de korte roman Ik zal jullie over Esther vertellen, komt die laatste zin die genoegdoening oplevert en een glimlach oproept.

    Marek Hłasko, vanwege zijn uiterlijk en gedrag in de jaren zestig wel de Poolse James Dean genoemd, was gedoemd tot zwerven nadat het communistische regiem van zijn geboorteland Polen hem de rug toekeerde. Hij woonde op verschillende plekken in Europa en een aantal jaren in Israël. Daar spelen zich de verhalen af die in deze romantrilogie bij elkaar zijn gebracht.

    Een thema in het werk van de Pool is de zelfgekozen dood. De hoofdpersoon in De Israëlische trilogie koketteert ermee en ook andere personages beschouwen zelfmoord als een denkbare uitweg uit de hel die het leven voor hen lijkt te zijn. Sommigen zie je gewoon in één rechte lijn naar de ondergang lopen, ook al ontkennen ze dat zelf. Mooiste voorbeeld: een oude, zwaarlijvige hartpatiënt die zich in de Israëlische hitte door een hoertje van de ene trappengalerij naar de andere laat loodsen. Hij moet haast wel weten dat het beloofde nummertje met het meisje zijn ondergang wordt, áls het er al van komt. Maar hij sjouwt zijn zwetende, veel te zware lichaam desondanks trap op en trap af, met dat onvermijdbare infarct tot gevolg.

    Een treurig einde was ook voor de schrijver zelf weggelegd. In 1969 nam hij een te grote dosis slaapmiddelen, die hij met alcohol wegslikte.  Zelfmoord of een ongeluk? Veel van Hłasko’s fans en critici gingen, zijn werk kennende, van het eerste uit.

    De drie Israëlische romans worden wel schelmenromans genoemd. En schelmen kun je de twee belangrijkste personages, hoofdpersoon Jacob en zijn partner in crime Robert, wel noemen. De twee troggelen geld af bij eenzame buitenlandse dames die goed in de slappe was zitten. Jacob speelt de gigolo die het vertrouwen wint door zijn levensgeschiedenis te vertellen. Een geschiedenis die er van geval tot geval anders uitziet en door Robert wordt verzonnen. Jacob is de acteur en Robert de scenarioschrijver annex regisseur. De verhalen die Robert zijn partner laat oplepelen zijn subliem en zitten ingenieus in elkaar. Het werkt zó goed dat als Jacob, die een eind aan de oplichting wil maken, een vrouw vertelt dat hij haar wat op de mouw spelt, zij meent dat die bekentenis een verzinsel van hem is die zijn meelijwekkende psychische gesteldheid alleen nog maar bevestigt.

    Hłasko weet dat we behoefte hebben aan de verhalen, aan de mythes. Of ze nou verzonnen zijn of niet. Zoals de lezer van een roman weet dat-ie belazerd wordt. Dat de verhalen pure verzinsels zijn. Zo lijken de slachtoffers van Jacob en Robert ook wel door te hebben dat ze bedonderd worden. Alsof de mens niet anders wíl, niet anders kán dan besodemieterd worden. Misschien is dat ook wel zo. Hłasko tekende het op in zijn memoires en Arnon Grunberg haalt het in zijn nawoord terecht aan: ‘Niemand is in staat de waarheid te geloven’.

     

    De Israëlische trilogie

    Auteur: Marek Hłasko
    Vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch
    Met een nawoord van Arnon Grunberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 301
    Prijs: €19,99