• Een portret van kunststad Berlijn

    Een portret van kunststad Berlijn

    Wie het verhaal vertelt van de geschiedenis van de kunst heeft het ook over steden: Athene, Rome, Florence, opnieuw Rome, Amsterdam, Parijs, New York. Al deze steden hebben voor kortere of langere tijd de rol gespeeld van centrum van de kunst. Wilde je als kunstenaar mee in de nieuwste ontwikkelingen dan moest je toch naar de stad waar het gebeurde. Welke stad komt vandaag de dag in aanmerking als hoofdstad van de kunst? Waar gebeurt het? Waar moet je als kunstenaar heen? Of kun je blijven zitten waar je zit, zolang je maar browst, mailt en twittert?

    Is het Berlijn waar het allemaal gebeurt? Rond de jaren twintig van de vorige eeuw gebeurde er in cultureel opzicht veel in de Duitse hoofdstad. Tussen de beide wereldoorlogen, toen een brood door hyperinflatie miljoenen mark kostte, was Berlijn een stad waar iets gebeurde. DaDa kwam er samen, Paul van Ostayen ging erheen en Fritz Lang, Otto Dix en George Grosz woonden er.

    Ook in deze tijd heeft Berlijn de naam een interessante stad voor kunstenaars te zijn. Dat komt onder meer door het recente verleden dat de naam heeft historisch te zijn. De val van de muur en de hereniging van Oost en West is geschiedenis die nog kan worden nagevoeld en herinnerd. Deel uitmaken van de geschiedenis is een romantisch idee dat in Berlijn nog levend is.
    Jurriaan Benschop woont er. Tussen de anderen, zoals dat heet in de titel van zijn boek over ‘de kunststad Berlijn’. De titel verwijst naar de indringende film Das Leben der Anderen uit 2006, waarin een kunstenaar in Oost Berlijn door de Stasi in de gaten gehouden wordt. Het DDR verleden van elkaar bespieden, aangeven en in het openbaar je mond houden, leeft op één of andere manier nog voort in de levens van veel Berlijners.

    Benschop begint zijn boek met dit thema. De film komt aan bod, gevolgd door het verwerken van het verleden en het samengaan van twee, eens gescheiden werelden. Het is wat mij betreft, een wat moeizame start. Benschop opent nogal eens een open deur. ‘Wat vandaag nog onaanzienlijk en saai is, kan morgen hip zijn. Waar vandaag de ouderen wonen, kunnen morgen de jonge tweeverdieners komen om een huis te bekijken. Voorlopig is het nog niet zover.’ Tja, dat geldt natuurlijk voor veel steden.
    Na deze moeizame start volgen reportages uit het hedendaagse Berlijn waarin moderne kunst centraal staat. Soms levert dat wat informatie op over een hedendaagse kunstenaar, dan weer over de Berlijnse locaties waar moderne kunst te zien is. Er volgen gesprekken met kunstenaars, bezoeken aan tentoonstellingen, en wat meer beschouwende hoofdstukken over de twintiger jaren van de twintigste eeuw en herinneren in Duitsland.

    Benschop is tentoonstellingsmaker en goed bekend met de moderne kunst. Die kennis vormt ook de meerwaarde van dit boek. De lezer maakt o.a. kennis met kunstenaars als Mark Lammert, Jeff Wall, Bern Trasberger. Ook ontmoet Benschop Tjebbe Beekman, de in Berlijn woonachtige Nederlander wiens werk overigens momenteel te zien is in het Gemeentemuseum in Den Haag. Hij vertelt over een gezamenlijke bezoek aan een grote supermarkt. Later blijkt Beekman zijn werk Mall IV gemaakt te hebben naar aanleiding van dat bezoek. Dat is leuke informatie.
    Beekman woont in Berlijn, net zoals bijvoorbeeld Mark Lammert, maar betekent dat nu ook dat Berlijn echt zo belangrijk is voor de hedendaagse kunst? Is het een stad waar je als kunstenaar heen moet? Is het een plek die meer leeft dan Parijs, New York, London of Amsterdam? Na het lezen van Benschop’s boek denk ik toch van niet. (Al is Amsterdam met zijn al jaren gesloten musea een uitzondering.) Benschop doet geen poging om een mythe in stand te houden. Hij is enthousiast over de stad en de kunstbeweging daar. Hij vraagt bijvoorbeeld gretig aan Lammert wat Berlijn voor hem betekent. Maar de kunstenaar haalt zijn schouders op en na aandringen wil hij nog wel kwijt dat het zijn geboortestad is.

    Wat heeft Berlijn dan dat andere steden niet of in mindere mate hebben? Is het politiek activisime dat de kunst beïnvloedt? Hoe staat het met het linkse klimaat in Berlijn? De stad heeft immers nog een actieve krakersbeweging en op 1 mei gaan traditioneel nog elk jaar de stoeptegels door de lucht. Je zou verwachten dat net als in Amsterdam in de jaren tachtig, er een relatie is tussen links activisme en de kunstbeweging. Maar Benschop vertelt dat de jaarlijkse 1 mei-rel een tamelijk geïsoleerd incident is en dat links en kunst elkaar uit het oog hebben verloren. De kunstelite komt dan wel uit linkse kringen voort maar behoort nu tot het establishment. Kunst is voor een groot deel life style geworden en van een tegenbeweging of protestcultuur is eigenlijk geen sprake meer. Kunst kijken is nu een vorm van consumeren geworden en daarbij maakt de herkomst ook niet zoveel meer uit. Zoals je dezelfde hamburger in Berlijn, Amsterdam, Madrid en New York kunt kopen, zo wordt ook de kunst eenvormiger, of meer inwisselbaar.

    Zo boud stelt Benschop het niet. Helaas niet, zou ik zeggen. Want ik mis soms pit in het boek. Zijn hoofdstukken zijn geen essays maar reportages en de meest uitgesproken meningen komen van zijn gesprekspartners zoals Marius Babias en Christoph Tannert. Benschop nuanceert regelmatig ? nee, te vaak. Desondanks heb ik na het lezen van zijn boek het idee dat Berlijn niet echt een bruisende kunststad is, maar een grote metropool waar kunst vanzelfsprekend een grote rol speelt. Maar van een creatieve antibeweging, een avant garde is niet echt sprake. Natuurlijk, er is veel kunst te zien in Berlijn, en er is veel te beleven, maar goed beschouwd verschilt het klimaat niet aantoonbaar met dat van andere grote Europese steden. Het lijkt niet een conclusie te zijn die Benschop expliciet wil maken maar wel een beeld dat uit zijn reportages naar boven komt.
    In de jaren twintig was dat anders. Of toch niet? Benschop wijdt er een paar hoofdstukken aan, en ook hier blijkt het romantisch idee van een bloeiende kunstbeweging aan nuancering toe. De kunst uit die tijd is wat duister, deprimerend en bovendien vaak politiek geöriënteerd. Het heeft mooie dingen opgeleverd, maar was die tijd nu werkelijk zo romantisch beladen als we nu denken? Het was kleinschaliger dan we nu geneigd zijn te denken. Misschien dat we wat al te rooskleurig terugkijken.

    Wonen tussen de anderen is een aardige verzameling kunstreportages vanuit Berlijn. Het boek mist een kaart maar is ook niet bedoeld als reisgids. Desondanks worden er genoeg plaatsen in genoemd die een bezoek meer dan waard zijn, en soms zou je toch gewoon met een kaart in de hand de stad beter willen leren kennen. Illustraties in kleur van enkele kunstwerken zijn in het midden van het boek opgenomen, maar helaas zonder verwijzing.
    De beschrijvingen van kunstwerken gaat Benschop moeizaam af. Zinnen knipt hij opeens in stukken, alsof hij zo indruk wil maken of poëtisch denkt te zijn. Bijvoorbeeld op bladzij 44: ‘Hoe een natie zich tegen haar eigen intellectuelen en kunstenaars heeft gericht. Zichzelf ook heeft omgebracht. Talent bestrijdend. Verstand vergassend. Niks geen kunststad maar hoofdstad van de vernietiging.’ Dat staccato irriteert en is naar mijn idee ook overbodig. Soms maakt Benschop het nog iets erger door diepzinnig te willen zijn. Het resultaat is spreekwoordelijk vaag of onbegrijpelijk. Bijvoorbeeld: ‘Het bracht urgentie in de tentoonstelling, en dat maakte die tot een belevenis.’ Of: ‘De mens die ondanks zijn “nee” tegen de natuur toch ook deel uitmaakt van de cyclus der seizoenen.’
    Dergelijke zinnen irriteren, maar het woord irriteren, zo heb ik van Benschop geleerd, heeft in Duitsland een andere betekenis. Een kunstenaar die (op z’n Duits) irriteert, verontrust en dat is een veel positievere kwalificatie dan de Nederlandse. Laat ik het daarbij houden.

     

  • Unieke kijk in een wereld die we voornamelijk kennen uit de bijbel

    Unieke kijk in een wereld die we voornamelijk kennen uit de bijbel

    Recensie door Machiel Jansen

    In Rome tussen de ruïnes op het Forum Romanum staat de triomfboog van Titus. Het monument is daar neergezet in 82 na Chr. door zijn zoon, keizer Domitianus. Titus zelf was net overleden en goddelijk verklaard. Wie onder de boog doorloopt ziet aan de binnenkant twee grote reliëfsculpturen. Op één daarvan is een optocht van soldaten, getooid met lauwerkransen te zien. Ze dragen verschillende voorwerpen waaronder duidelijk zichtbaar een menora, de Joodse zevenarmige kandelaar. Het zijn Romeinse soldaten die in Rome in triomftocht de schatten van hun overwinningsplunder uit de Joodse oorlog tonen. In 70 na Chr. had Titus de opstand in Galilea bedwongen en Jeruzalem met zijn tempel volledig verwoest. Voor de Romeinen, en met name voor Titus was het een grootse overwinning. Voor de Joden was het een traumatisch en bepalend moment in hun geschiedenis. De klaagmuur, het enige restant van die grondige vernietiging, herinnert Joden vandaag nog aan de tempel die er eens stond.

    Een detail van dit reliëf is afgebeeld op de omslag van het boek Flavius Josephus, Joods geschiedschrijver in het Romeinse Rijk van Tessel Jonquière. Josephus schreef niet alleen over wat de Joodse Oorlog is gaan heten, hij nam er zelf ook aan deel. Wie het verhaal wil weten achter deze belangrijke afbeelding op de triomfboog van Titus kan niet om Josephus heen. Zijn bekendste boek Over de Joodse Oorlog is eigenlijk de enige bron over de Joodse opstand. Josephus was ooggetuige van de verwoesting van de tempel en ook van de triomftocht zoals we die nu nog kunnen zien op de boog van Titus.

    Maar Josephus is meer dan een ooggetuige die verslag doet. Hij neemt deel aan de oorlog en wel aan beide kanten. Hij vecht als Joodse generaal tegen de Romeinen en later probeert hij voor de Romeinen de Joodse opstandelingen te overtuigen de strijd op te geven. Dat ‘verraad’ is hem tot ver na zijn dood kwalijk genomen. Het moment waarop hij overloopt heeft Josephus zelf uitgebreid beschreven in zijn Over de Joodse Oorlog. Als generaal vechtend tegen de Romeinen moet hij op een gegeven moment vluchten. Hij verschuilt zich in een grot bij de plaats Jotapata, waar zich al veertig man bevinden. Ontkomen zullen ze niet want de Romeinse generaal Vespasianus vindt hen en blokkeert de uitgang. Hij roept Josephus op zich over te geven, hem zal niets overkomen. Josephus vertrouwt het niet, aarzelt en wil zich uiteindelijk toch overgeven. De overigen in de grot willen hem niet laten gaan, zij willen massaal zelfmoord plegen om aan de wraak van de Romeinen te ontkomen. Josephus besluit te blijven en houdt een vurig pleidooi tegen zelfmoord. Hij stelt voor dat ieder een ander doodt in plaats van zichzelf, in een door het lot bepaalde volgorde. Dit voorstel wordt uitgevoerd en uiteindelijk blijven twee mannen over, waaronder Josephus. Hij overtuigt de ander dat het toch beter is zich over te geven dan zelfmoord te plegen. In plaats van met hun medevluchters te sterven geven ze zich nu over aan de Romeinen. Het is niet verwonderlijk dat het Joodse volk woedend is over deze actie van hun eerst zo geliefde generaal. Vanaf dat moment is hij een verrader.

    Josephus geeft zich over aan Vespasianus en voorspelt hem dat hij binnen een jaar keizer zal worden. Die voorspelling komt uit en vanaf dat moment is Josephus een vrij man. Hij mag zich Flavius noemen naar de keizerlijke Flavische familie, wordt Romeins staatsburger en verblijft zelfs enige tijd in een voormalig woning van de keizer. Een enorme eer zou je denken maar Jonquière nuanceert het op nuchtere wijze. Zo eervol als het klinkt hoeft het allemaal niet geweest te zijn. Ze vertelt wat we weten over Joden in Rome, hoe Josephus daar geleefd kan hebben en onder welke omstandigheden hij zijn werken schreef. Hij moet in hoge kringen vertoefd hebben, en ook met belangrijke Joden in contact hebben gestaan.

    In Rome schrijft Josephus zijn werken, waaronder zijn bekendste boek De Bello Judaicum, Over de Joodse Oorlog. Jonquière laat zien hoe Josephus zich in dit boek probeert te rechtvaardigen voor zijn ‘verraad’. Hij doet dat door een beroep te doen op religieuze argumenten en voorvallen. Zijn beslissing om tegen de Romeinen te vechten komt voort uit een droom, zijn overgave vindt plaats na een interpretatie van dromen en een gebed. Hij laat Vespasianus zien dat hij profetische kwaliteiten heeft door hem een voorspelling te doen. Met andere woorden God staat aan zijn kant. Hij kon niet anders. Later, als hij vanaf de muren van Jeruzalem de opstandelingen probeert te overtuigen zich over te geven is het weer God die aan zijn zijde staat. God vecht met de Romeinen, jullie kunnen niet winnen. Spaar de stad en spaar de tempel. Geef je over.

    Zo komt de schuld van de verwoesting van stad en tempel bij de Joden en niet bij de Romeinen te liggen. Voor Christenen was dat standpunt een reden om Josephus te omarmen, het toonde het failliet van het Joodse geloof. In Rome zouden ze zelfs een standpunt voor Josephus hebben opgericht.

    In haar boek melkt Jonquière het drama niet uit. Integendeel, ze is niet op zoek naar sappige details, houdt zich verre van speculaties en ook grapjes kom je niet tegen. In plaats daarvan presenteert ze de feiten op een heldere, gestructureerde manier. Elk hoofdstuk belicht een ander deel van Josephus: de strijder, de propagandist, de polemist etc. Jonquière begint elk hoofdstuk met een schuingedrukte samenvatting van een deel van Josephus leven. Daarna volgen onder een aantal kopjes verschillende onderwerpen die het verhaal verduidelijken of van context voorzien. Die systematische aanpak werkt goed. Jonquière laat de feiten zelf spreken en dat is meestal ruim voldoende.

    Zo geeft het werk van Josephus een unieke kijk in een wereld die we voornamelijk kennen uit de bijbel. Hij schrijft bijvoorbeeld uitvoerig over koning Herodes, en op zo’n manier dat in 2008 het graf van Herodes gevonden kon worden door de goed lezende archeoloog Ehud Netzer. Ook Jezus wordt twee keer genoemd in “Over De Joodse Oorlog”. De beroemdste en belangrijkste passage is al eeuwenlang onderwerp van twijfel en hoogstwaarschijnlijk een toevoeging van een Christelijk kopiist. Jonquière citeert de betreffende passage en presenteert nuchter de argumenten, zonder overigens een standpunt in te nemen.

    De achterflap vermeldt dat Jonquière gepromoveerd is op Josephus, en dat merk je. Haar academische achtergrond verraadt zich door de systematische indeling van het boek en de keuze van een aantal thema’s. Zo wordt goed uitgelegd op welke gronden we de geloofwaardigheid van Josephus beweringen kunnen toetsen. Hier vergelijkt Jonquière Josephus speels met een oorlogsjournalist en brengt ze zijn werk in verband met de discussie die Joris Luyendijk onlangs voerde over de objectiviteit van oorlogsverslaggeving. Op die manier wordt op een moderne en inzichtelijke manier duidelijk gemaakt hoe je een oude bron moet lezen.

    Een ander voorbeeld van haar academische achtergrond is de uitleg in iets meer dan drie bladzijden van de term apologetische historiografie. Veel auteurs zouden zo’n term vermijden, Jonquière legt hem uit. Ze doet dat overigens voorbeeldig en daarmee laat ze zien hoe Josephus in zijn andere grote werk ‘De Oude Geschiedenis van de Joden’, respect en begrip voor de Joodse cultuur en geschiedenis wil afdwingen bij Romeinen en Grieken. Met voorbeelden toont ze aan hoe Josephus bij het navertellen van Bijbelse verhalen er vaak een positieve draai aan geeft. Het was duidelijk zijn bedoeling een goede indruk van de Joodse geschiedenis en cultuur te geven. In zijn laatste werk Contra Apionem, verweert hij zich tegen uitspraken en ideeën die ik we nu antisemitisch zouden noemen.

    Een onderwerp dat kort wordt besproken is het gebruik van verschillende bronnen door Josephus. Er is aandacht voor de problemen rond interpretatie en tekst analyse. Droge kost? Niet echt. De academische inslag gaat nergens ten koste van de leesbaarheid. Nergens is Jonquière te lang van stof. Elk onderdeel wordt bondig en helder uitgelegd. Zo vormen de 154 bladzijden een ideale bron voor studenten en scholieren en voor iedereen die zich op de boeken van Josephus wil storten. Die zijn overigens in de jaren negentig weer opnieuw vertaald en uitgegeven.

    Er is een aantal onderwerpen dat ik mis. Eén daarvan is het beleg en de verovering van Masada. Het is een van de meest spectaculaire gebeurtenissen in Over De Joodse Oorlog maar Jonquière zwijgt erover. Josephus was weliswaar geen ooggetuige van de verovering van Masada en de massale zelfmoord die daar plaatsvond, maar een korte beschrijving had toch niet misstaan.

    Twee vrouwen die het overleefden zouden Josephus er later over hebben verteld. Masada was een fort gelegen op een onmogelijke punt, een berg met steile klippen van 90 tot wel 400 meter hoog. Joodse opstandelingen hadden zich daar verschanst en de Romeinen slaagden er niet in het hooggelegen fort te bereiken. Uiteindelijk besloten ze niet het fort maar de hoogte aan te vallen. Ze bouwden een enorme wal, een reusachtige helling van stenen en zand en konden vervolgens makkelijk het fort aanvallen. (Vandaag de dag is die wal in het berglandschap nog duidelijk te zien.) De opstandelingen wachtten de Romeinse wraak niet af en pleegden massaal zelfmoord. De beschrijving van die wanhoopsdaad vertoont parallellen met de gebeurtenissen in de grot in Jotapata. Het is daarom ook vreemd dat Jonquière er niet op in gaat.

    Een ander onderwerp waar ik graag over gelezen had is de waardering van Josephus door de eeuwen heen. De achterflap maakt melding van een veroordeling van Josephus in 1935 en 1941 door Poolse en Franse Joden, maar in de tekst is daar helaas niets over te vinden. Josephus is de meest gelezen klassieke schrijver in de geschiedenis. In Protestantse landen was zijn werk een ware bestseller. Jonquière eindigt haar verhaal echter met het overlijden van Josephus. Dat is jammer.

    Het boek heeft geen index, maar dat is gezien de geringe omvang en de systematische indeling niet echt een bezwaar. Jonquière schreef een helder, feitelijke introductie over één van de belangrijkste klassieke historici. Ideaal voor wie snel kennis wil nemen van een belangrijke periode in onze zogenaamde Joods-Christelijke traditie. Een traditie die overigens behoorlijk Griekse en Romeinse invloeden heeft gekend, maar daar komt een geïnteresseerde lezer snel achter.

  • Verwarring is de weg naar een groter bewustzijn

    Verwarring is de weg naar een groter bewustzijn

    Recensie door Rein Swart

    In het begin van de vorige eeuw zien we een belangrijke vernieuwing in de literatuur. Het impressionisme stelt de subjectieve waarneming voorop. Robert Musil is daarvan een belangrijk vertegenwoordiger en zijn debuut uit 1906 is meteen een mooi voorbeeld.

    De jonge Törless samen met enkele studiegenoten uit het internaat, waaronder de filosofische Beineberg en de geslepen Reiting, op een zondagmiddag zijn ouders weg naar het station. Daarna voelt hij zich weer in een ijzeren greep van de verveling die hem zijn hele leven al gevangen houdt. Zijn bedrukte stemming verandert als ze teruglopen langs armoedige huisjes, waar volkse vrouwen voor de deuren staan, die gillen als een van de jongens te dicht langs hun borsten schuurt of lachend terugschelden als ze klappen op hun achterste krijgen. Als Törless op weg naar het internaat met Beineberg een konditorei aandoet, preekt de laatste vol gloed over het boeddhisme. Törless sluit daarop aan met een ervaring die hij had als kind in de schemer:

    ‘Ik speelde op dit uur van de dag in het bos. Ons kindermeisje was een eindje verder doorgelopen, ik wist dat niet en had het gevoel dat zij nog vlakbij me was. Plotseling maakte iets dat ik opkeek. Ik voelde dat ik alleen was. Het was plotseling zo stil. En toen ik om mij heen keek, was het alsof de bomen zwijgend in een kring om mij heen stonden, en naar mij keken. Ik huilde.’

    Törless’ voorliefde voor bepaalde stemmingen, zoals hierboven de eenzaamheid, is een eerste aanduiding van een emotionele ontwikkeling, zegt de verteller, die af en toe in het verhaal inbreekt.

    Bij de prostituee Bozena, die hij vervolgens met Beineberg bezoekt, begint hij te twijfelen aan de waardigheid van zijn moeder, die hij hoog boven begeerte achtte. Bozena negeert de kinderlijke Törless en vertelt Beineberg over hun studiegenoot Basini die tegen haar heeft opgeschept over allerlei affaires bij hem thuis, maar die in zijn hart nog maar een klein jongetje is. Törless voelt zich op de terugweg verraden door zijn ouders.

    Het verhaal komt in een hogere versnelling als de gehaaide Reiting Basini ervan verdenkt geld gestolen te hebben uit de kastjes van de internaatsjongens. Hij en de spinachtige Beineberg besluiten Basini te chanteren en hun onlust, maar vooral hun lust op hem bot te vieren in een verafgelegen muffe ruimte op de zolder van het internaat. Törless doet daar met weinig overtuiging aan mee. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen zijn ideeën over moraal en maatschappij en zijn behoefte aan avontuur. De bourgeoiswereld staat haaks op dat avontuur. Hij wil ook af van zijn overdreven ontvankelijkheid. Hij ervaart dat als je de gewone wereld loslaat er van alles mogelijk wordt. Alles komt op losse schroeven te staan, ook zijn denken. In een tuin overdenkt hij met schrik het concept oneindigheid. Zijn wiskundeleraar kan hem niet helpen. Hij komt in een koortstoestand terecht. Schaamte, gewetenswroeging en angst, dat hem hetzelfde overkomt als Basini, botsen in zijn hoofd. De verwarring neemt toe als hij zich, tijdens de feestdagen waarin de anderen met verlof gaan, tot Basini aangetrokken blijkt te voelen. Tenslotte ziet Törless de vernedering van Basini en zijn rol daarin als iets onvermijdelijks. In een rede tegen de commissie, die de gang van zaken rond Basini onderzoekt, probeert hij zijn gemoed te luchten en zijn ontwikkeling te schetsen. De commissie, onder leiding van de directeur, begrijpt er niet veel van, maar de godsdienstleraar geeft hem het voordeel van de twijfel omdat hij af en toe de term ‘ziel’ in zijn betoog laat vallen. Zijn optreden werkt helend op Törless. Volgens de verteller komt het later allemaal goed met hem. Zelf herinnert Törless zich op het eind van het verhaal hoe onvoorstelbaar het levens ouders voor hem was geweest. Hij ziet hen na deze ervaringen als het ware meer als gewone mensen.

    Dit indringende debuut heeft niets van zijn waarde verloren. Musil schrijft met een grote lading en schetst een intens beeld van een gevoelige jongeman die zijn driften ontdekt.

    In het voorwoord van deze uitgave in 1964 schrijft Kees Fens dat hiermee voor het eerst werk van Musil in het Nederlands verschijnt. Ik begrijp alleen niet waarom ‘Verwirrungen’ vertaald wordt als ervaringen, want dat roept veel minder op dan de soms moeilijk te begrijpen en in woorden vatten gevoelswereld van een ontvankelijke geest die overweldigd wordt door (seksuele) emotie en daar nog geen vorm aan kan geven.

    Psychologisch is dit verhaal sterk, hoewel Musil volgens Kees Fens niet wilde dat dit boek een psychologische roman genoemd werd, maar veel meer is dan dat.

    ‘In zijn huid, over zijn hele lichaam ontwaakte daarbij een sensatie, die plotseling in een herinnering overging.’ Deze zinsnede doet denken aan Proust, die net als Musil verder wil graven dan het verstand. In dit debuut gaat het om niet zozeer om de zintuiglijke ervaring als wel om de kracht van de emotie in vergelijking met de geringe macht van het verstand. In zijn hoofdwerk ‘Der Mann ohne Eigenschaften’ probeert hij een moraal te ontwikkelen die niet vaststaat maar steeds weer verandert. De opvattingen van Musil daarover zijn nog altijd vernieuwend.

  • Reynaert de Vos

    illustraties Mance Post
    Illustratie Mance Post

    De nieuwe vertaling van Reynaert de Vos door Ard Posthuma is allereerst bijzonder mooi uitgegeven, door Athenaeum Polak & Van Gennep. Het omslag is ontworpen door Anneke Germers, de mooie illustraties zijn van Mance Post. De meeste mensen kennen middeleeuwse boeken als de Beatrijs of de Reynaert slechts van naargeestige schooledities van een hooggeleerde heer, met een notenapparaat onder elke pagina.

    Wat een opluchting is zo’n boek als dit dan, tweetalig en op deze wijze verlucht!

    Posthuma verklaart in zijn betrekkelijk uitgebreide voorwoord geschiedenis en achtegronden  van de Reynaert en geeft een kleine vertaalgeschiedenis, waarbij hij vooral waardering uitspreekt voor de Ernst van Altena vertaling.

    Kijk voor achtergrond informatie over het Reynaert verhaal vooral hier.

    En hier voor een interpretatie.

  • Reynaert de Vos met illustraties door Mance Post

    De vos wordt voor het gerecht gedaagd; er zijn vele ernstige aanklachten. Eerst probeert hij zich te onttrekken, vrezend voor de doodstraf; als hij ten slotte toch verschijnt, weeft hij een web van listen waarin alle andere dieren verstrikt raken. Hij ontkomt. De levendige, kernachtige taal, de soepele, ongekunstelde versificatie, de soms grove, soms subtiele humor en de ongezouten kritiek op de mensenmaatschappij hebben de Reynaert gemaakt tot onze meest geliefde klassieker van voor Erasmus. Van Willem weten we alleen dat hij in de dertiende eeuw werkte, waarschijnlijk in Gent. Ard Posthuma heeft veel vertaald, proza en poëzie, vooral uit het Duits en het Oudfrans (Het lied van Roeland, De graal). Mance Post heeft een schitterende staat van dienst als illustratrice van kinderboeken. Haar werk is vaak bekroond, laatstelijk met de Max Velthuijs Prijs.

    isbn: 978 90 253 6391 8
    omvang: 200 bladzijden
    uitvoering: Paperback
    nur: nur 302
    prijs: € 22.95