• Denken met het hart en voelen met gedachten

    Denken met het hart en voelen met gedachten

    Zonder het af te doen als obscurantisme geldt vaak dat wijsheid uit het Oosten cryptisch wordt gebracht. Deze wijsheidsliteratuur duiden en brengen is een vaardigheid op zich. Zie bijvoorbeeld Michael Puett’s De Weg uit 2016. Maar deze andere perspectieven kunnen ons een nieuwe kijk bieden op het dagelijks leven en even een venster openzetten naar een andere wereld. Een van de belangrijkste stromingen uit het Rijk van het Midden was het taoïsme, een traditie geënt op oudere volksreligies, de natuur en mysticisme. De taoïstische filosofen waren vooral bezig om zich af te zetten tegen het heersende confucianisme, een strijd van ideeën die vandaag de dag nog actueel is.

    Filosoof Michel Dijkstra laat in Spiegel van hemel en aarde zijn licht gaan over het begrip hart-geest, een van die onmogelijk te vertalen begrippen uit de Chinese filosofie. Een woord dat lijkt te hinten op een verborgen affectieve dimensie van en sympathie met de ’tienduizend dingen’. Je zou het volgens Dijkstra ook kunnen vertalen als ‘inter-sensitiviteit’. Net als het woord Tao is het op vele uiteenlopende manieren uit te leggen. Dijkstra kiest ervoor het begrip hart-geest te benaderen vanuit vier verschillende hoeken: taoïsme, confucianisme, shinto en zen. Hij laat hierover vier verschillende denkers aan het woord uit verscheidene tijden.

    Deze aanpak heeft Dijkstra eerder al gebruikt door zenmeester Dogen tegenover de christelijk mysticus Meester Eckhart te stellen in zijn boek In alle dingen heb ik rust gezocht (2019). Dijkstra is goed thuis in de comparatieve filosofie en oosterse bronnen en dit levert boeiende vergelijkingen op, zeker op punten waar het Oosten het Westen ontmoet. Deze aanpak resulteert in een spectrum dat loopt van de dogmatische zenleraar Dogen tot de flierefluitende haiku dichter Ryokan. Een onderscheid wat Dijkstra al snel maakt is de tegenstelling tussen dualiteit en non-dualiteit. In het samenvloeien van subject en object ontstaat een modus die je denk-voelen kunt noemen. Hierover zegt Dijkstra dat de ‘antieke Chinees denkt met zijn hart en voelt met zijn gedachten.’ Denkers zoals Zhuang Zi gebruikten vaak geen instrumentele denkwijzen maar volgden onorthodoxe en paradoxale methodes om tot hun conclusies te komen.

    Het oppoetsen van de spiegel

    Zhuang Zi is een tegendraadse denker die ervan houdt om paradigma’s om te keren en ingesleten waarden tegen het licht te houden. De school van zen en taoïsme legt sterk de nadruk op ‘gecultiveerde spontaniteit’ en stelt als doel om zo los mogelijk te komen van alle geconditioneerde manieren van denken. De ‘spiegel van de geest’ moet opgepoetst worden om tot een grotere vrijheid van denken en handelen te komen. De gedachte is dat we met onze vastomlijnde voorkeuren onszelf het meest in de weg zitten. Deze grotere openheid en onthechting zou volgens Zhuang Zi leiden tot meer vrijheid van het ego, en paradoxaal genoeg juist tot meer verbinding. Wars van dogma’s en conventionele kennis grossieren de taoïsten in ongrijpbaarheid.

    Omdat de confucianisten in de optiek van de taoïsten rigide en moralistisch waren met hun nadruk op regels en voorschriften gingen zij de hele andere kant op. Zij zagen het als belangrijk om zoveel mogelijk niet in te grijpen in de loop van de dingen. Gevoel wordt op deze manier boven de categorieën van het denken geplaatst. Het zoveel mogelijk loslaten van oordelen en vooroordelen is hierbij het hoogste devies. Voor denkers als Zhuang Zi was het loslaten van controle belangrijk. Zo wordt voor Zhuang Zi ontvankelijkheid of receptiviteit tot de hoogste deugd. Iets wat hij verbond met het mysterieuze alomvattende vrouwelijke begrip van de Tao die ‘alle dingen voedt’. In het taoïsme is het begrip hart-geest een paradoxaal ontstijgen van verwarring. De taoïsten houden een pleidooi voor de zachte krachten, voor buigen in plaats van breken.

    Voetballen met kinderen

    Moraal was voor confucianistische filosofen als Mencius iets wat ingebakken zit in de mens. We verplaatsen ons volgens hem vanzelf in anderen door compassie te hebben met hen die het slechter hebben. Op fijngevoelige wijze lichten deze filosofen uit dat deugd natuurlijk handelen belichaamt. Deze morele ontwikkeling is iets wat vooral in relaties naar voren komt. Het cultiveren van deugden is voor het confucianisme iets wat vanzelf tot meer medemenselijkheid leidt. Hart-geest is voor de volgelingen van Confucius een vorm van openhartigheid, het inclusieve verbreden van de eigen morele kring. Goedheid straalt af op anderen en schept zo de voorwaarden voor een meer harmonieuze maatschappij.

    Voor shinto is hart-geest dan weer meer een esthetisch besef, wat voornamelijk terugkomt in de Japanse poëzie. Shinto is doortrokken van het besef van de kami en de bezieldheid van de wereld. Getroffen worden door het besef van vergankelijkheid of ontroerd door schoonheid lijken dus uitingen van hart-geest te zijn. Iets wat je bijvoorbeeld terugziet in het spontane karakter van sommige haiku’s.

    Voor het in de praktijk brengen van al deze verheven ideeën richt Dijkstra zijn blik op de zendichter Taigu Ryokan (1751-1831). De man die voetbalde met kinderen, dobbelde met prostituees en schijnbaar zorgeloos zonder bezit leefde, belichaamt het ideaal van in het moment leven het beste. Als dieven zijn hut plunderen beklaagt hij zich niet maar merkt op dat ze tenminste wel het raam hebben achtergelaten waardoor hij de maan kan zien. Deze wijze dwaas leefde ongebonden, en was in elk geval los van tradities een vrije geest. Bij hem zie je de liefdevolle aandacht, het dingen nemen zoals ze zijn en in het moment leven, wat je de kern van zen zou kunnen noemen.

    Illusies loslaten

    Intuïtie lijkt dus leidend te zijn voor veel van het denken rondom hart-geest, als alles met alles is verbonden dan is ook elke interactie waardevol. Het enigszins mystieke besef van hart-geest kan wel tot solipsisme leiden, de onthechte houding is goed voor meer gelijkmoedigheid maar maakt ons niet meteen meer invoelend of geneigd tot liefdadigheid. Dus blijft de vraag; hoe pas je het begrip hart-geest nou daadwerkelijk toe? Het dichtst in de buurt komt Dijkstra in de epiloog als hij het heeft over het afstemmen op je hart, oordelen en illusies loslaten en je perspectief verbreden en zuiveren van egocentrisme. Hoewel dit mooie idealen zijn is het gevaar wel dat het daarbij blijft. Lao Zi kan het mooi verwoorden maar de praktijk is vaak weerbarstig.

    Ondanks dat Dijkstra overvloedig citeert en goed uitlegt kan dat niet verhinderen dat het begrip hart-geest zelf vaag blijft. Het is iets wat eigenlijk in de praktijk duidelijk moet worden. De vele voorbeelden, metaforen en wijsgerige parabels behandelen de hart-geest allemaal op andere manieren. Het gaat soms over de balans van actie tegenover contemplatie in de morele praktijk, wat het een gebalanceerd verhaal maakt omdat er ruimte is om ook de tekortkomingen van de houding te bespreken. Zo kun je ook te open zijn of jezelf verliezen. Af en toe grijpt Dijkstra in zijn discours ook terug op Griekse denkers; zo vergelijkt hij confucianisme met de Aristotelische deugdethiek. En hij maakt uitstapjes naar westerse cinema, zoals met Star Wars. Dit maakt dat je goed verbanden kunt leggen.

    Over het geheel genomen kan het begrip hart-geest ons iets leren over niet-weten als levenshouding en hoe we onze cirkel van sympathie kunnen uitbreiden. Iets wat bijvoorbeeld heel goed aansluit bij het werk van Peter Singer, een verband dat Dijkstra ook legt. Zijn boek is dus meer een ideeëngeschiedenis dan een praktisch boek en dat is prima. Het geheel biedt een boeiend overzicht van pakweg tweeduizend jaar Chinese en Japanse filosofie. Soms verlies je wel het overzicht tussen al die lianen, maar dat komt ook omdat het begrip zo vaag is. Er is geen houvast, maar misschien is dat ook goed want alles is constant aan verandering onderhevig. We worden met alles wat we zijn ‘van ogenblik tot ogenblik opnieuw geboren.’

     

  • Wie is Anselm Kiefer?

    Wie is Anselm Kiefer?

    De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer groeide op tussen de rivier en het bos in het Zwarte Woud. Dat vond de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård een fascinerende gedachte en hij koos Het bos en de rivier als titel van zijn boek over Kiefer. Het boek verscheen naar aanleiding van een artikel dat hij over de kunstenaar schreef. Knausgård, wereldberoemd geworden met de zesdelige autobiografische romanserie Mijn strijd, stelde eerder een expositie samen met minder bekend werk van de kunstenaar Edvard Munch, over wie hij het boek Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak schreef.

    Anselm Kiefer was voor Knausgård een naam van een hedendaagse kunstenaar die hem intrigeerde omdat zijn kunstwerken ‘zo monumentaal zijn, zo beladen door de tijd, zo bezwaard door de geschiedenis, en omdat het private, het kleine en persoonlijke, er geheel in ontbreekt.’ Anselm Kiefer, een actieve zeventiger, is allang gecanoniseerd en mag de grootste nog levende kunstenaar ter wereld worden genoemd. ‘Zijn naam is een soort merk geworden, en als kunstenaar vertegenwoordigt hij niet langer het nieuwe en subversieve, maar maakt hij deel uit van het establishment.’ Kiefer heeft de gave om toeschouwers zijn schilderijen in te laten zuigen, zo oordeelt Knausgård. ‘Ik keek niet zomaar naar een schilderij, het was alsof het schilderij me omsloot en me vervulde met zijn stemming, waartegen ik geen verweer had.’

    Mislukkingen

    Naar aanleiding van diverse ontmoetingen wil Knausgård een artikel schrijven over de kunstenaar en zijn werk. Hij ontmoet hem in Kiefers atelier nabij Parijs en in La Ribaute, in het Zuid-Franse Barjac, waar de kunstenaar op een verlaten industrieterrein een enorm atelier heeft. Knausgård is aanwezig tijdens een lezing van Kiefer in Freiburg waar hij ooit studeerde; hij ontmoet hem in Londen bij een grote expositie en samen bezoeken ze zijn geboorteplaats Donaueschingen in het Zwarte Woud, waar ze ook de bevriende adellijke familie zu Fürstenberg bezoeken.

    Tijdens die ontmoetingen raakt Knausgård steeds meer in Kiefers ban. Hij probeert hem te doorgronden, wat hem eigenlijk nooit echt lukt en waardoor het hem veel moeite kost om het artikel te schrijven. Hij communiceert met Waltraud Forelli, Kiefers persoonlijk assistente, die zeer loyaal en betrokken alles voor de kunstenaar organiseert en regelt. Zij vangt Knausgård op, leidt hem rond in het atelier en is altijd aanwezig bij de gesprekken. Knausgård is getuige van de constructie van de enorme schilderijen die Kiefer maakt met behulp van een paar ambachtslieden en beschrijft het intrigerende proces van het lood afgieten op een paar megagrote kunstwerken. Het lood stolt en wordt er weer afgetrokken. Helaas, Kiefer is niet tevreden, maar er echt mee zitten lijkt hij niet te doen, de mislukkingen zijn deel van het proces.

    Waar was Kiefer in zijn kunst?

    Waar Kiefer in zijn kunst was, is de vraag die Knausgård beantwoord wil hebben. Hij wil de echte Kiefer, de persoon, de mens, ontmoeten in zijn werk, wat niet meevalt omdat het zo veelzijdig en verschillend is. En hoe beter hij hem leert kennen, hoe minder hij hem kan duiden. Kiefer is sociaal, maakt graag grapjes en giechelt erop los, geniet van aandacht, doet hartelijk mee aan smalltalk, zoals het koffietafelgesprek bij de bevriende adellijke familie zu Fürstenberg laat zien, maar hij is ook een loner en een keiharde werker. Zo op het eerste gezicht lijkt Kiefer een doorsnee man, maar schijn bedriegt. Het liefst is hij aan het werk en dat is een volgende vraag die Knausgård stelt. ‘Waar kwamen al die kunstwerken vandaan?’ En ‘Wat was kunst überhaupt?’

    In een aantekenboekje dat Kiefer uitgaf, las Knausgård een zin die hem bijbleef. Wanneer hij die zin, ‘Een manier om iets te verbergen door de innerlijke ruimte uit te breiden’, aan Kiefer voorlegt reageert de kunstenaar verbaasd: ‘”Heb ik dat geschreven? Of hebt u dat geschreven” vroeg Kiefer. “U hebt het geschreven. Ik heb het geciteerd. Het komt uit uw boek.” “Hahahaha!” “Kunt u het nog eens voorlezen?” vroeg Forelli. “Het is een paradox,” zei Kiefer. “Ik hou van paradoxen.” (…) “Soms ben ik verrast door de dingen die ik geschreven heb,” zei hij. “Soms denk ik, o, ben ik dat?”’ Het zijn deze letterlijke transcripties van de gesprekken die het boek zo leesbaar maken en een mooi beeld geven van Kiefers associatieve geest en luchtigheid, waarmee hij tegelijkertijd een haast mystiek waas over zijn persoonlijkheid legt.

    Paus of jurist?

    Hij praat graag over zijn jeugd, waar volgens Knausgård toch de basis van zijn thematiek ligt. Geboren in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog is Kiefer geobsedeerd door de oorlog. Als jongetje wilde hij paus worden, hij ging rechten studeren, maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Hij was een kunstenaar in de dop, zijn leermeesters herkenden zijn talent al vroeg.

    Zijn persoonlijke worsteling met het schrijven van het artikel weeft Knausgård mooi door zijn zoektocht heen, waarmee we in Het bos en de rivier ook de schrijver Karl Ove aanschouwen. Daarom is dit boek zo’n mooi portret van eigenlijk twee kunstenaars die min of meer noodgedwongen met elkaar optrekken: Knausgårds frustratie als Kiefer niet de antwoorden geeft die hij verwachtte, zijn ongemak en bescheiden wegduiken als hij dreigt herkend te worden, of wanneer Kiefer hem en plein public omhelst met twee kussen op beide wangen. Of tijdens de laatste ontmoeting zijn lichte wrevel als Kiefer hem niet lijkt te herkennen, omdat zijn haar wat langer is.

    Nadat het artikel eindelijk in 2020 in The New York Times Magazine is gepubliceerd, schrijft Kiefer hem een briefje: ‘Ik vond uw tekst goed. Wanneer zien we elkaar nog eens terug? Laat uw haar niet knippen, Anselm.’ Waarmee Kiefer aangeeft hem de laatste keer wel herkend te hebben. Of was het toch Forelli die hem had ingefluisterd dat het Knausgård was met wie hij sprak? We zullen het nooit weten.

    Aquarellen

    Naast de zware bos- en landwerken, zijn oorlogsstukken, installaties en constructies, de talloze loodboeken die Kiefer maakte, is hij ook een begenadigd aquarellist die met ijle, transparante zonnige kleuren schildert. De afbeeldingen mocht Knausgård gebruiken in dit prachtig uitgegeven boek, waarin de vraag wie Kiefer nu eigenlijk is en waar hij in zijn werk te vinden is niet echt wordt beantwoord. Maar dat geeft niet als je te maken hebt met zo’n bijzondere persoonlijkheid, die aanleiding geeft tot een aantal uren boeiend leesvertier.

     

  • Pleidooi voor een gulden middenweg

    Pleidooi voor een gulden middenweg

    De bekende, prijswinnende historicus Martin Bossenbroek (twee keer de Libris Geschiedenisprijs) schreef een boek dat het midden houdt tussen een pamflet en een wetenschappelijke studie. Zijn eerdere, succesvolle boeken, De Zanzibardriehoek, De Boerenoorlog en De Wraak van Diponegoro, zijn in zekere zin een vooruitschaduwing van Bossenbroeks laatste (dunnere) boek: Kolonialisme! De vloek van de geschiedenis. Bossenbroek is, zo lijkt het, boos of op zijn minst geërgerd, over de zijns inziens te beperkte blik op de koloniale geschiedenis van ons land. Dat dit thema de laatste tijd zwaar bediscussieerd wordt en heeft geleid tot excuses, monumenten en musea in wording, geeft zijn boek urgentie. Het verklaart ook de drive waarmee Bossenbroek schrijft.

    Zijn hoofdthese is simpel. Hij bepleit een gulden middenweg tussen hen die ons verleden verheerlijken dan wel verguizen. Aan de ene kant Balkenende over de zo welkome VOC-mentaliteit in ons land tot Wilders met diens nationale trots en aan de andere kant pakweg Gloria Wekker en de achterban van het Slavernijmuseum in oprichting.

    Van alle tijden en continenten

    Bossenbroek heeft zeker royaal oog voor de gruwelijke uitwassen van ons slavernijverleden en praat daarover niets goed. Waar hij zich druk over maakt is de beperkte, te nationale blik op dat verleden. Er zijn immers veel andere landen met een slavernijverleden en niet alleen de ‘usual suspects’, de Westerse mogendheden. Vandaar zijn pleidooi voor die middenweg in een bredere, internationale context. Hij maakt zich bijvoorbeeld erg druk over het Amsterdamse Slavernijmuseum en het Rotterdamse migratie-/landverhuizersmuseum FENIX. Die zouden zich uitsluitend baseren op verhalen. ‘Van dat woord word ik altijd een beetje zenuwachtig,’ schrijft hij. ‘Als verhalen het enige inhoudelijke fundament vormen waarop beide iconische musea worden opgetrokken, dan zullen het wankele bouwwerken blijken te zijn.’ In Rotterdam wordt ‘met een vastberaden positief wereldbeeld’ de geschiedenis van de (vrijwillige) migratie getoond en de verrijking van de ‘superdiverse stad’ door inkomende migratie. Twee uiteenlopende benaderingen, maar zij hebben gemeen de nadruk op verhalen en het negeren van historische waarheidsvinding. Bossenbroeks irritatie slaat toe want hij raadt beide museumdirecties een ‘revolutionair idee’ aan. ‘Koop boeken’ en ‘Leg een serieuze bibliotheek aan’. Dat voorkomt ‘enormiteiten’, zoals dat ‘Afrika een groot, vredig Arcadië was totdat de Homo Batavus ten tonele verscheen en alles verpestte’.

    Die neiging tot overdrijven is jammer voor een op zichzelf interessant boek. Interessant omdat de koloniale geschiedenis van landen als Rusland en China uitvoerig aan bod komt met voor de gemiddelde krantenlezer vaak onbekende historische feiten. Zoals over een voorloper van het huidige Chinese Belt and Road Initiative middels een legendarische vlootvoogd die in de 16e eeuw met armada’s van schatschepen tot aan Afrika en het Arabisch Schiereiland voer. Maar ook over het Russische imperialisme geeft Bossenbroek interessante feiten die juist nu extra pijnlijk zijn om te lezen. Het boek opent de blik op de mondiale geschiedenis van kolonialisme en slavernij, die ‘van alle tijden en alle continenten’ is. Daar hoort ook bij de voortrekkersrol van het Britse Empire in de 19e eeuw bij de afschaffing van de slavernij. Niet zonder eigenbelang, maar de Britten liepen bepaald voor op landen als Nederland.

    Overtrokken theses

    Het bezwaar is dat hij doorschiet in zijn pogingen die wijdere blik te contrasteren met de in zijn ogen te simpele keuze tussen verheerlijken en verafschuwen. Tussen de ‘borstkloppers’ die vooral trots op Nederland en zijn verleden zijn en ‘boetedoeners’ die onze vroegere ‘helden’ vooral als misdadigers zien. Het doel is goed: ‘vervang geen oude mythes door nieuwe sprookjes’ en ‘vecht geen oude oorlogen opnieuw uit met verbeterde oogkleppen’. Oogkleppen is ook het sleutelwoord van het boek en de titel van de Proloog. Sympathiek en van belang is zijn oproep om tot een ‘gezamenlijke geschiedenis’ te komen die ‘van ons allemaal’ zou moeten zijn en zou ‘moeten bijdragen aan een sterker gevoel van verbondenheid’. In een land waarin qua politieke opvattingen en uitlatingen de flanken groeien en het midden krimpt is dat geen onnodige luxe, om het zacht te zeggen.

    Een oproep tot objectiviteit en nuance is prima. De genoemde oproep aan de nieuwe musea om boeken te kopen (‘nu het nog kan met laag btw tarief’) is wat denigrerend. De theses dat in het huidige slavernijdebat mensen ‘denken hun eigen voorouders alleen te vereren door die van anderen te beschimpen’, en ‘wie zijn eigen heiligdommen alleen wil bouwen op de ruïnes van die van anderen’ zijn overtrokken. Er zijn zeker mensen of groepen die zo ongeveer elk minder prettig aspect aan ons verleden – en Nederland kon er wat van met de VOC en de WIC! – toeschrijven aan eeuwen van koloniale uitbuiting en slavernij, maar is dat niet een kleine minderheid?

    De woede klinkt ook door in de schrijfstijl met teksten als ‘je moet maar durven‘ of ‘als dat maar goed gaat’. Of ‘Ja, jammer’ over de ontwikkelingen in de samenwerking van de grote BRICS landen met nieuwe leden als Iran en Saoedie Arabië. Zeker over Zuid-Afrika is Bossenbroek teleurgesteld. Immers, daar is het donkere verleden (Boerenoorlog, apartheid) goed verwerkt via de Verzoenings- en Waarheidscommissie. Zo’n pad zou Nederland eigenlijk ook moeten bewandelen, waarbij de auteur als andere voorbeelden Indonesië en Brazilië noemt. Deze landen, aldus Bossenbroek, ‘laten zich niet verlammen door die eeuwenlange aaneenschakeling van pijnlijke geschiedenissen’. En: ‘verschillen worden verkleind, niet uitvergroot (…) Het gevoel van verbondenheid wordt versterkt, met een beroep op de helende kracht van de democratie.’

    Hier wordt Bossenbroek een beetje moeilijk te volgen. De drie landen in kwestie, Indonesië, Brazilië en Zuid-Afrika kennen een turbulente geschiedenis, met kolonialisme en slavernij, maar ze vandaag de dag zien als ‘voorbeelden voor Nederland’?

    Kleur narratief vervangt wit narratief

    Het pleidooi voor een internationale bril en het vermijden van extreme posities is sympathiek en nuttig, de uitwerking is te snel en te schetsmatig. Zouden we bijvoorbeeld niet meer gebaat zijn bij een vergelijkende studie naar het beleid van Europese landen zoals Frankrijk en Duitsland? Van Zuid-Afrika is best te leren, zoals door het ‘Freedom Park’ in Pretoria waar het ‘bonte Zuid-Afrikaanse verleden’ wordt gepresenteerd. Een idee voor Amsterdam-Zuidoost of Hoorn? Het zou mogelijk veel pijnlijk gehannes met beelden voorkomen.

    De Nederlandse koloniale- en slavernijgeschiedenis inpassen in de grote wereldhistorische context, prima. Nu is het ‘een wit narratief vervangen door een narratief van kleur’. Dat is een risico. Maar is het wel zo extreem? Bossenbroek voert een tweefrontenoorlog; tegen Wilders ‘met zijn benepen provincialisme’ maar ook tegen mensen die ‘zonder koloniale waas’ loeren naar oudvaderlandse helden zoals de Witte de Withs ‘om hen vol walging neer te sabelen’.

    Dit ‘Amerikaanse confrontatiemodel’ moet worden ingeruild voor een genuanceerde middenweg. Die verdient meer diepgang dan dit boekpamflet. Een tamelijk dun boek is een beetje een omgevallen boekenkast geworden. Bossenbroek zou met wat meer rust en reflectie het pamflet kunnen uitwerken tot die derde weg tussen verheerlijken en verguizen. Met minder polarisatie, meer nuance en een wenkend perspectief.

     

     

  • Oogst week 2 -2025

    Oogst week 2 -2025

    Waar alle wegen ophouden

    Sana Valiulina (1964) werd geboren in Estland in de toenmalige Sovjet Unie. Haar ouders vluchtten er vandaan, Sana keerde later terug om in Moskou Noorse taal- en letterkunde te studeren. Over die studietijd schreef zij haar debuutroman Het kruis (2000). Gedreven door de liefde woont ze sinds 1989 in Nederland. Ze werkt als vertaler en docent Russisch, en schrijft columns en boeken in het Nederlands.

    In Waar alle wegen ophouden volgt ze de tocht van haar vader die hij als krijgsgevangene van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog aflegde. Die duurde veertien jaar, en bracht hem van Rusland naar Bretagne, Normandië en via Engeland weer terug naar Rusland. Daar kreeg hij als ‘landverrader’ tien jaar strafkamp.
    Valiulina vindt haar vader raadselachtig en onpeilbaar. Maar ‘Het recht op geheim is een van de fundamentele rechten van de mens’ zegt ze.

    ‘De laatste keer dat ik hem zag was door de stoffige achterruit van de bus. (…) ik bleef midden op de rijweg staan om naar het vertrouwde, onbewogen gezicht onder de blauwe pet te kijken (…) Volgens mij stak hij nog een keer zijn hand op als antwoord op mijn wanhopige zwaaien, om het moment stil te zetten. Wat natuurlijk niet gebeurde. (…) Weer gingen onze wegen uiteen, ik naar Amsterdam, en hij?’
    Veel van Valiulina’s werk gaat over haar verleden in de Sovjet Unie. Waar alle wegen ophouden is haar tiende boek, opgedragen aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.

     

    Waar alle wegen ophouden
    Auteur: Sana Valiulina
    Uitgeverij: Prometheus 2024

    Het voetkussenboek

    De Belgische schrijver en vertaler Jos Vos (1960) is anglist, neerlandicus en japanoloog. Hij woont in Oxford, woonde voordien jaren in Japan en is getrouwd met een Japanse. Hij doceert, vertaalt en schrijft artikelen en boekbesprekingen.

    Zijn Het voetkussenboek is een verzameling essays die over van alles en nog wat gaan, door elkaar lopen en met elkaar verweven zijn. Het is gebaseerd op Het hoofdkussenboek uit de 10e eeuw waarin de Japanse hofdame Sei Shonagon alles opschreef wat haar opviel, aantrok of afstootte in mensen en haar eigen belevenissen.

    Ook Vos schuwt geen onderwerp. Het boek gaat over dichters die de schepping prijzen, over ganzen en over Het Verhaal van Genji, een Japanse roman uit begin 11e eeuw. ‘Toen ik Genji zat te vertalen – een project dat zeven jaar van mijn leven heeft gekost – was ik dolblij met elke gans die ik hoorde.’ Het gaat over wat hij allemaal zag aan film en tv, zoals The Thunderbirds, Doctor Doolittle, en vele andere. Over liedjes uit de jaren zestig en zeventig, over de dichters die hij via Gerrit Komrij leerde kennen, over Het hoofdkussenboek, over oude rockgroepen, zoals The Who en The Rolling Stones. Over het tv-feuilleton Heimat, over Prousts Combray (‘Telkens als ik Combray inkijk zie ik tante Léonie in bed liggen tegen het raam van mijn opa’s huis’). Over de groenten in de tuin van zijn opa. Over Nederland, over zijn kindertijd. En steeds komt het verhaal van Genji terug in de hele grote caleidoscoop die Het Voetkussenboek is.

     

    Het voetkussenboek
    Auteur: Jos Vos
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2024

    De cultuur van het narcisme

    Oorspronkelijk verscheen De cultuur van het narcisme in 1979. Christopher Lasch (1932-1994, historicus en sociaal criticus), bekritiseerde daarin de cultuur van de toenmalige Amerikaanse samenleving en het kapitalisme waarin geen enkele overtuiging schuilging. De Tweede Wereldoorlog en daarna de opkomst van de consumptiemaatschappij waren de grondslag voor een narcistische persoonlijkheidsstructuur: het ik kwam centraal te staan.

    Lasch laat zien dat de samenleving van zijn tijd werd getekend door een therapeutische en narcistische cultuur. De jeugdcultuur komt op, er is angst voor veroudering en bewondering voor roem. Alles draait om het ik. Mensen willen zichzelf leren kennen, hun psyche is het belangrijkste en om die te bevredigen leren ze over oosterse wijsheid, doen ze aan yoga, gaan in therapie, leren over hun gevoelens en relaties enzovoort. Het doel is genot. Therapeuten moedigen een hedonistische levenshouding aan en dienen hun eigen commerciële belang. Lasch heeft ook kritiek op reclame en massamedia omdat de waarheid daarin vaak van ondergeschikt belang is. De parallellen met de huidige tijd zijn duidelijk. ‘Genieten’ is nog steeds een doel en bekentenisliteratuur is er te over, om er maar twee te noemen.

     

    De cultuur van het narcisme
    Auteur: Christopher Lasch
    Uitgeverij: Athenaeum 2024
  • Een schitterende lawine van woorden

    Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • Oogst week 21 – 2024

    Kafka voor beginners

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Franz Kafka stierf. Hij werd niet ouder dan 40 jaar en publiceerde tijdens zijn leven weinig. Toch worden begrippen als ‘kafkaësk’ en ‘kafkaiaans’ voor situaties waarin een individu wordt vermalen in bureaucratie en instituties, wijd en zijd gebruikt. Dat is vooral te danken aan zijn vriend Max Brod die tegen de wens van de schrijver na zijn dood al zijn geschriften, waaronder zijn drie romans, toch uitgaf. In Nederland is onder andere schrijver-dichter Willem van Toorn een groot ambassadeur voor Kafka. Hij vertaalde al zijn werk. Ter gelegenheid van de herdenking van de sterfdag van de auteur verzorgde hij nu ook twee uitgaven die prachtige inleidingen vormen op het oeuvre en de gedachtewereld van de ‘tovenaar uit Praag’. In Kafka voor beginners geeft hij een beknopt overzicht van zijn leven van zijn vroegste inspiratie tot zijn latere romans, zijn rake beschrijvingen, zijn ziekte en zijn vriendschappen en zijn humor.

    Hoewel velen bij Kafka vooral denken aan de romans ‘Het proces’, ‘Het slot’ en ‘Amerika’ of aan zijn korte verhalen als ‘De gedaanteverwisseling’ en ‘Een hongerkunstenaar’ zijn daarnaast zijn vele brieven indrukwekkend. Ook uit die brieven maakte Van Toorn een selectie in Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. De brieven zijn uit de jaren  1900 tot 1920 en door Van Toorn voorzien van een toelichting.

    Kafka voor beginners
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Athenaeum

    Walvistij

    Walvistij is de debuutroman van de Engelse  Elizabeth O’Connor (geb. 1992), die daarvoor bekend was van haar korte verhalen. De roman speelt zich af in de laatste vier maanden van 1938, kort voor de oorlog dus, op een afgelegen eiland voor de kust van Wales. Er wonen maar twaalf gezinnen, waaronder dat van de 18-jarige Manod, haar zus en haar vader (hoe het zit met de moeder wordt later in de roman duidelijk). Ze is geboren op 20 januari 1920, maar haar geboorteakte vermeldt 30 januari ‘omdat mijn vader niet eerder bij het bevolkingsregister op het vasteland kon zijn’.
    De komst van twee antropologen, Edward en Joan, die de bevolking en de geschiedenis van het eiland willen bestuderen, maakt dat Manod nieuwsgierig wordt naar het vasteland en ze ziet er een kans in om aan de bekrompenheid van haar omgeving te ontsnappen.
    Het verhaal krijgt een onheilspellende wending als een walvis aanspoelt waarvan de bewoners zich niet lijken te kunnen ontdoen:  ‘De walvis strandde ’s nachts op een van de platen voor het eiland. Hij dook op uit het water als een kat die onder een deur door kruipt. Hij werd door niemand opgemerkt, niet door de lichtcirkel van de vuurtoren op het water, niet door de vissers die ’s nachts op hun wijting en tong visten, niet door de boeren die bij zonsopgang hun vee over de heuvel leidden (…) Volgens enkele ouderen was het een teken, hoewel ze het er niet over eens waren of het een goed of slecht teken was. Meneer Jones, de dominee, las bijna elke week de Engelse kranten, maar volgens hem was er niets dat de komst van het dier kon verklaren’.

    Walvistij
    Auteur: Elizabeth O'Connor
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het Dalkey-archief

    De boeken van de Ier Flann O’Brien (1911-1966) worden bevolkt door bizarre figuren en de setting is meestal absurdistisch. In het in 2010 in het Nederlands verschenen Op twee-Vogel-Wad voerde O’Brien bijvoorbeeld een schrijver op die personages schept die tegen hem in opstand komen en in De derde politieman, dat in 1972 in het Nederlands verscheen pleegt een schrijver een roofmoord omdat hij een wetenschappelijk commentaar wil uitgeven op de natuurkundige theorieën van een waanzinnig geleerde, De Selby. Deze zelfde De Selby duikt op in Het Dalkey-archief, O’Briens roman uit 1964 (Dalkey is een slaperig kuststadje op 20 km van Dublin). De geleerde probeert deze keer de wereld te vernietigen door alle zuurstof uit de lucht te halen en whisky te laten rijpen door toepassing van de relativiteitstheorie: de drank kan dan in een paar uur decennia ouder worden. In de roman figureren verder Sint Augustinus, in gesprek met De Selby, en James Joyce die zijn overlijdensbericht vervalst heeft. En voor wie de verwikkelingen nog niet absurd genoeg zijn is er het klankrijke taalgebruik: ‘In deze landstreken, merkte De Selby op, wemelt het wonderbaarlijk van klaplopers, kwistenbiebels en kusmekloten’. Laat dat soort vertalingen maar over aan Robbert-Jan Henkes. Hij verzorgde ook een nawoord bij de roman.

    Het Dalkey-archief
    Auteur: Flann O'Brien
    Uitgeverij: Koppernik
  • Oogst week 26 – 2023

    Zeven omhelzingen

    De Oostenrijkse Friederike Mayröcker (1924-2021) is in Nederland niet bekend, maar heeft in Duitstalige landen een indrukwekkend oeuvre van wel tachtig uitgaven op haar naam staan aan gedichten, proza en kinderboeken.

    Daarnaast schreef ze ook nog toneel- en hoorspelteksten. Haar nu in Nederland onder de titel Zeven omhelzingen verschenen verzameling poëzie bevat zeven gedichten die afkomstig zijn uit haar bundel Von den Umarmungen uit 2012. Mayröcker, die lerares Engels was, ontmoette in 1954 haar grote liefde Ernst Jandl, die ook leraar was. Ze woonden een tijd lang samen, leefden grotendeels gescheiden van elkaar, maar vonden elkaar vooral in hun werk.
    Mayröckers proza en gedichten worden gezien als autofictie. Zo is in Zeven omhelzingen duidelijk Ernst Jandl aanwezig hoewel zijn naam maar één keer, en dan nog louter met de initialen E.J. wordt genoemd.

    De vertaling is van Ton Naaijkens, aan wie in april van dit jaar de Martinus Nijhoff Vertaalprijs  werd toegekend. Hij schreef ook het nawoord bij de zeven gedichten.

    Zeven omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Stichting M10Boeken

    Werken voor de kost

    Werken voor de kost is het debuut van de jonge Franse Claire Baglin. De vertelster in de roman groeit met haar ouders en een broer op in een fabrieksarbeidersgezin waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid. Tot de heerlijkste uitjes hoorden bezoekjes aan een fastfood restaurant.

    Buiten dat vette eten was er, op een enkele vakantie na, weinig waarmee de karigheid van het dagelijkse bestaan kon worden opgeluisterd. Als het meisje volwassen is neemt ze een baan aan in een dergelijk restaurant en wordt daar geconfronteerd met een wereld waarin het sloven is. Dat wat in haar kindertijd bijna een feest was blijkt achter die façade een harde wereld te zijn van hete dampen en gestress bij de drive-inbalies. Ze ontdekt de achterkant van de romantiek uit haar kindertijd, een achterkant die veel parallellen heeft met wat haar vader in de fabriek onderging. Toch is Werken voor de kost gekruid met humor.

    Werken voor de kost
    Auteur: Claire Baglin
    Uitgeverij: Pluim

    Bruiloft / De Zomer

    Van Albert Camus worden romans als De pest ( zelfs ineens weer erg populair in coronatijd) en De vreemdeling nog altijd gelezen. Er bestaan meerdere Nederlandse vertalingen van. Veel minder bekend zijn Camus’ essays als Bruiloft en De zomer. Beide werden al enkele malen eerder in het Nederlands uitgegeven maar zijn nu opnieuw vertaald door Eva Wissenburg. Eén van de essays is getiteld De wind in Djélima:

    ‘Het is geen stad om even halt te houden en dan weer door te gaan. Ze leidt nergens heen en biedt geen toegang tot andere streken. Het is een plek waar je van terugkeert. De dode stad ligt aan het eind van een weg vol haarspeldbochten, en omdat je haar achter elke bocht verwacht lijkt de route ellenlang. Wanneer op een flets plateau diep tussen de hoge bergen eindelijk haar gelige skelet oprijst als een woud van beenderen, ligt Djémila daar als een les in liefde en geduld die als enige ons naar het kloppend hart van de wereld kan brengen’.

    Bruiloft / De Zomer
    Auteur: Albert Camus
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 19 – 2023

    En toen ging hij

    Tussen 2001 en 2023 schreef Jannah Loontjes vijf dichtbundels en zes romans. Hoewel zij geboren werd in Kopenhagen en opgroeide in Zweden, zijn haar boeken Nederlandstalig. Naast literair talent bezit Loontjens wetenschappelijke kwaliteiten. In 2012 verschijnt haar proefschrift over modernisme en tussen de bedrijven door schrijft zij voor De Groene Amsterdammer, de Volkskrant, de NRC en Trouw.

    In een interview merkte zij recent op: ‘Vertrouwen in de mens, ik zou willen dat dat nog bestond.’ Een duistere opmerking. Is dit pessimisme ook te vinden in haar nieuwste boek, En toen ging hij? Loontjens, geboren in het land van hygge, mikt met dit werk niet bepaald op knusheid. Eerder gaat de roman over verdwijnende vanzelfsprekendheden, geknakte hoop en – het blijft een Scandinavische pageturner – een politieke moord.

    Naar aanleiding van de aanslag op sociaaldemocraat Olof Palme wordt de moeder van hoofdpersoon Ebba gearresteerd. Het boek geeft een mooi beeld van de Zweedse couleur locale uit de jaren ’70 en ’80, zonder te behagen. In het licht van de voorgaande kritieken op Loontjens’ oeuvre zou dit verhaal een nieuw exportproduct kunnen worden voor Noord-Europa. Eerst had het de Edda. Toen was daar ABBA. En nu het verhaal van Ebba.

    En toen ging hij
    Auteur: Jannah Loontjens
    Uitgeverij: De Geus

    Waar ik ophoud – psychoanalytische essays

    De laatste jaren trekken nogal wat dubieuze beroemdheden de aandacht van jongemannen. Via non-fictieboeken, TikTok en Instagram bieden ”echte” mannen sturing in deze verwarrende tijden, waarin klassieke rolpatronen opgeheven dreigen te worden. Goede voorbeelden hiervan zijn atleet Andrew Tate (A Top G Story) en psycholoog Jordan B. Peterson (12 Rules for Life). Zij wijten de toegenomen onzekerheid onder jongemannen vooral aan de te ver doorgeschoten feminisering van de maatschappij.

    Wie een volwassener kijk op de wereld en tóch een beetje sturing verlangt, wende zich beter tot Arthur Eaton. Waar ik ophoud – psychoanalytische essays zou hierbij weleens heel nuttig kunnen zijn. Eaton heeft een psychologenpraktijk in Amsterdam en verkent het gebied van de psychoanalyse. Hierop promoveerde hij reeds in 2017 én De kleine Freud is ook van zijn hand. Welke onderbewuste processen beïnvloeden ons denken, gedrag en dus ons leven?

    Zijn eerste advies is dat meer mensen in therapie moeten gaan. Dit levert namelijk zelfkennis op die veel kan opleveren en leed kan voorkomen. Volgens Eaton is de psychoanalyse de enige vrijplaats waarin alle ideeën en gevoelens oordeelloos en vrij kunnen worden gedeeld. De mens is veel irrationeler dan hij over zichzelf wil toegeven. Een belangrijke voorwaarde om de gevaren van die onredelijkheid te ontmantelen, is haar te erkennen in onszelf. Daarom lijkt de aanschaf van Waar ik ophoud alleszins redelijk.

    Waar ik ophoud - psychoanalytische essays
    Auteur: Arthur Eaton
    Uitgeverij: Athenaeum

    Ei, foetus, baby – Een nieuwe geschiedenis van zwangerschap

    Trudy Dehue (1951) wordt in 2011 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau voor haar wetenschappelijke relevantie en maatschappelijke invloed. Haar vakgebieden zijn de psychologie, wetenschapstheorie en wetenschapsgeschiedenis. Vooral De Depressie-epidemie en Betere mensen verstevigen Dehues academische reputatie. Tot haar emeritaat in 2016 is zij hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen en sindsdien gaat Dehue gestaag door met belangwekkende publicaties.

    Ei, foetus, baby werpt een nieuw licht op zwangerschap en hoe de mensheid deze fase behandelt. Eigenlijk is ‘mensheid’ een te neutrale term, in ogenschouw genomen wie die bewuste behandelingen bepalen en altijd bepaald hebben. Bovendien staat abortus tot op de dag van vandaag in het Wetboek van Strafrecht onder bepaalde voorwaarden én krijgt de Nederlandse antiabortuslobby vanuit Amerika fikse financiële steun. Nog steeds zijn de vrouwelijke ervaring en realiteit niet leidend in het beleid.

    Met de zachtheid van harde feiten brengt Dehue in kaart hoe we omgaan met zwangeren en zwangerschap. De huidige cultuur vormt geenszins het humane eindpunt van een lineaire ontwikkeling, zo laat haar perspectief vanuit de vrouw zien. Vooral de pas sinds kort afnemende godsvrucht stelt het belang van de ongeboren vrucht steevast boven het belang van de vruchtdragende vrouw. Hoe dit zo ver heeft kunnen komen en wat dit betekent voor de vrouw, zet Dehue uiteen in een zeer belangrijke pennenvrucht.

    Ei, foetus, baby - Een nieuwe geschiedenis van zwangerschap
    Auteur: Trudy Dehue
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 18 – 2023

    Een vrouw met mooie borsten. Het dagboek van Veere Wachter.

    De Veere Wachter uit Een vrouw met mooie borsten begint de aantekeningen in haar dagboek op Nieuwjaarsdag 2019. Met vriend Krzysztof is ze in Saint Monans in Schotland. ‘Ik werd niet te sentimenteel, het was allemaal heel gemoedelijk en ik voelde me gelukkig waar ik was; bij het water, met mensen die ik niet kende maar die warm en vriendelijk waren naar elkaar, ergens in een onbeduidend vissersdorpje aan de oostkust van dit wonderlijke eiland’. Twee dagen later maakt ze een heerlijke wandeling met haar vriend. Ze praten over een kinderwens: ‘” Een hond kan natuurlijk ook,” opperde ik, want ergens diep in mezelf voel ik dat ik beter geen kinderen kan baren. Of is dat angst? Angst voor iets wat mijn leven over kan nemen, vermoedelijk zal gaan beheersen?’
    Weer een paar dagen later, terug in Amsterdam, herinnert ze zich de zin van Virginia Woolf: ‘Een vrouw moet geld en een eigen kamer hebben als ze fictie wil schrijven’. Ze wil een kamer ‘waarin ik me kan terugtrekken, waarin ik kan lezen en schrijven, meer niet’.
    Elte Rauch is Nederlandse. Ze groeide op in Zeeuws-Vlaanderen en studeerde Filosofie en Sociale Wetenschappen in Engeland en daarna Theologie in Utrecht. Ze was literair assistent van theoloog-dichter Huub Oosterhuis. Een vrouw met mooie borsten is haar debuut.

    Een vrouw met mooie borsten. Het dagboek van Veere Wachter.
    Auteur: Elte Rauch
    Uitgeverij: Cossee

    Bedrog

    Joeri Felsen was het pseudoniem van de Russische schrijver Nicolai Freudenstein. Hij werd in 1894 geboren in Sint Petersburg, maar ontvluchtte de dictatuur in zijn land in 1923 en vestigde zich in Parijs. In zijn tijd werd hij vergeleken met Nabokov en zelfs werd hij in diverse teksten over hem op internet de ‘Russische Proust’ genoemd. Bedrog is Felsens debuut. Het verscheen in 1930 in het Russisch, maar werd in zijn geboorteland verboden. Het is een driedelige roman met dagboekaantekeningen van een Russische immigrant in Frankrijk. Hij draait grotendeels om de obsessieve liefde van de (naamloze) verteller voor zijn muze Lyolya.
    Felsen werd in 1943 vermoord in Auschwitz-Birkenau en daarna zo goed als vergeten. Vertaler Hans Boland noemt de vernederlandsing van Bedrog in zijn naschrift ‘geen kattenpis’. Problemen vormden de onmogelijk lange zinnen, het veelvuldig gebruik van deelwoorden en het speciale woordgebruik van de auteur. ‘Met mijn vertaling van Felsen hoop ik (…) een – zij het minimale, maar nooit overtollige – bijdrage te kunnen leveren aan het behoud en de ontwikkeling van een Nederlands dat zich niet laat breidelen door formalisme maar houdt van zout in de pap en onvoorspelbaarheid. Want daaraan ontbreekt het de literatuur van de mooiste taal van de wereld naar mijn smaak te vaak’.

    Bedrog
    Auteur: Joeri Felsen
    Uitgeverij: Athenaeum

    Chain Gang All Stars

    Nana Kwame Adjei-Brenyah (1991) debuteerde in 2018 met de ook in Nederland vertaalde (in 2019) verhalenbundel Friday Black over racisme en ongeremde consumptie. Chain gang All Stars is zijn romandebuut. Het is een dystopie over de duistere kanten van Amerika. Niet zozeer een dystopie in de zin van een onheilspellende toekomst, maar als een gechargeerde kwaadaardige uitbeelding van het gevangenissysteem in Amerika gecombineerd met de bewondering voor extreme sports. In de gevangenis worden in het programma Chain-Gang All-Stars van het Strafrechtelijk Programma voor Entertainment door Langgestraften sportwedstrijden georganiseerd waarin veroordeelde moordenaars elkaar bevechten tot de dood erop volgt. De ultieme winst is de vrijheid. In de Amerikaanse huiskamers genieten de kijkers via een streaming van de bloedige gevechten. Twee van de vechters zijn elkaars geliefden die door de gevechten kans maken elkaar kwijt te raken. Maar de roman gaat ook over de vraag hoe je in dit geweld je menselijkheid kunt bewaren, terwijl de productiemaatschappij alles doet voor de kijkcijfers. De New York Times schreef in zijn recensie: ‘De maatschappij waarin [de veroordeelden] leven definieert hen door hun ergste daden, maar de schrijver van deze roman weigert dat’.

    Chain Gang All Stars
    Auteur: Nana Kwame Adjei-Brenyah
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 42 – 2021

    Vier kippen leven genoeglijk in de achtertuin van de vrouwelijke verteller van Broed, de debuutroman van de Amerikaanse Jackie Polzin. Ze hebben namen, kakelen tevreden, leggen eieren en zijn zich niet bewust van de gevaren die hen bedreigen: de harde winter, de hete zomer, roofdieren, onzekerheid over hun bestaan. Tegen dat alles probeert de ik hen te beschermen, in het begin onwetend en onzeker.

    Dat dieren voor Polzin een thema zijn blijkt tevens uit het artikel dat ze schreef voor de StarTribune, een online nieuwskrant voor Minnesota. Ze vertelt hierin dat ze een rups in haar tuin vindt, die ze op een esdoorntak naar binnen haalt en verzorgt totdat de rups een cocon spint en uiteindelijk een vlinder wordt. Haar moeder, liefhebber van insecten, was haar voorbeeld met het jaar na jaar voeren en verzorgen van rupsen en cocons.

    In Broed is de moeder van de verteller een van de liefdevolle mensen in haar omgeving. Ook een vriendin probeert haar en haar ondoorgrondelijke echtgenoot bij te staan bij het verwerken van een miskraam. Is het houden van de kippen een manier om toch het moederinstinct te kunnen uitleven?

    Uitgeverij: Atlas contact

    ‘Alle dingen in de menselijke wereld zijn beelden die tot leven zijn ontwaakt,’ zei Franz Kafka, beroemd om zijn ongeëvenaarde verhalen. Maar in 2019 opende de Nationale Bibliotheek van Israël het Max Brod archief, waardoor de roem zich niet meer alleen tot zijn schrijverschap zal uitstrekken. In het archief werden tot dan toe onbekende tekeningen van de schrijver ontdekt. Hij maakte ze in de jaren 1901 – 1906. Tijdens zijn rechtenstudie aan de universiteit verveelde hij zich en krabbelde dan tekeningetjes op papier waarvan hij vond dat ze persoonlijk waren en niet mochten worden gedeeld met anderen. Aan zijn verloofde Felice Bauer schreef hij in 1913: ‘Ik was ooit een groot tekenaar, maar toen ben ik bij een slechte schilderes schoolse tekenlessen gaan nemen en heb ik mijn hele talent verknoeid.’

    Uitgeverij Athenaeum doet nu een luxe kunstuitgave het licht zien met meer dan 200 van Kafka’s tekeningen. 140 daarvan worden voor het eerst aan de openbaarheid prijsgegeven. De uitgave is samengesteld door Andreas Kilcher, Pavel Schmidt en Judith Butler. Zij voegden ook begeleidende essays en een verantwoording toe.

    Auteur: Redactie Andreas Kilcher
    Uitgeverij: Athenaeum

    Vleermuis in het ziekenhuis

    Soms toont de schrijver zich woedend in Vleermuis in het ziekenhuis, soms onthutst, maar altijd is hij tot in zijn vezels betrokken bij de gebeurtenissen in het ziekenhuis. Schrijver en dichter Leo Hermens is fysiotherapeut in een ziekenhuis waar hij onder meer werkt met mensen met een hersenbeschadiging. Tijdens de coronapandemie zag hij van dichtbij hoe zorgverleners tot het uiterste gingen om opgenomen covid-patiënten te redden en hoe zwaar genezende patiënten het hadden. Het publiek zag en hoorde via de media voornamelijk cijfers, interviews en verhalen van professionals over een dan nog streng afgeschermde wereld.

    Met de feuilleton van Leo Hermens op zijn facebookpagina kwamen er plotseling indringende en ontroerende verhalen rechtstreeks van de medische frontlinie beschikbaar. Op literaire en pakkende wijze deed Hermens verslag van de gebeurtenissen. De nieuwe uitgeverij Kwakman & Smet, gericht op specifieke projecten, gaf gehoor aan de oproep van vele facebooklezers om de verhalen en beschouwingen over het covid-jaar uit te geven.

    Vleermuis in het ziekenhuis
    Auteur: Leo Hermens
    Uitgeverij: Kwakman & Smet
  • Oogst week 41 – 2021

    Het Martyrium

    Het Martyrium van Elias Canetti is sinds de eerste Nederlandse vertaling uit 1967 altijd wel verkrijgbaar geweest. Dat gold tot kort geleden alleen nog voor de uitgave in de stijlvolle Perpetuareeks. Voor wie de prijs daarvan een bezwaar was is er nu van dezelfde uitgever een zeer betaalbare achtste druk, net als alle vorige vertaald door Jacques Hamelink. Canetti schreef de roman met de Duitse titel Die Blendung (Verblinding) volgens eigen zeggen in één jaar in 1930. Het werk verkocht pas goed sinds de jaren zestig.

    Het Martyrium is een allegorie over het verzet van de mens tegen de macht van het Kwaad. De wereldvreemde sinoloog Peter Kien, die volledig opgaat in zijn boeken, trouwt met zijn lelijke huishoudster Therese Krumbholz. Zij stort hem, louter belust op zijn geld, in het ongeluk. Het leidt er zelfs toe dat hij zijn huis wordt uitgezet. Zijn leven blijft zich echter rond boeken en bedrog afspelen en culmineert in de beroemde scène waarin hij zijn eigen bibliotheek en uiteindelijk zichzelf in brand steekt. Een nog altijd beklemmend en aansprekend boek.

    Het Martyrium
    Auteur: Elias Canetti
    Uitgeverij: Athenaeum

    Zelfmoord

    De Franse schilder, fotograaf en schrijver Edouard Levé verhing zichzelf op 15 oktober 2007 in zijn appartement. Hij was 42. Tien dagen ervoor had hij het manuscript van zijn roman Suicide ingeleverd bij zijn uitgever.

    De nu in het Nederlands als Zelfmoord vertaalde roman (novelle) vertelt het verhaal van een 25-jarige man, waarschijnlijk een vroegere vriend van de schrijver hoewel hij in de roman naamloos is, die met zijn vrouw wil gaan tennissen. Plotseling zegt hij haar dat hij thuis iets vergeten is. Zodra hij weer binnen is hoort ze een knal. Hij heeft zichzelf door het hoofd geschoten. Er wordt betwijfeld of hij met Zelfmoord een signaal afgaf voor zijn eigen plannen om een eind aan zijn leven te maken. De coïncidentie tussen de roman en de dood van de auteur is niettemin op zijn minst intrigerend.

    Zelfmoord
    Auteur: Edouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De hooier

    ‘Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier’. Het is de eerste zin van de derde roman van Ricus van de Coevering, die in 2007 veelbelovend debuteerde met Sneeuweieren. Zeven jaar later volgde Noordgeest en nu, weer zeven jaar later, is er De hooier.
    Timo zit die laatste keer te wachten op de uitslag van zijn vwo-examen en besteedt de tijd tot het verlossende telefoontje aan een terugblik op zijn leven. Daarin deed zich het ongeluk voor van Ruben, zijn broer met een verstandelijke beperking. Diens dood greep in de verhoudingen binnen het gezin diep in.

    Op een dag sloeg boer Horssen met de hooier achter zijn Fordson Dexta Ruben een blauw oog in plaats van hem te betalen voor een klusje. Timo was weggerend. ‘Ruben had wraak willen nemen, Ruben wel, hij had het nog gedurfd ook als hij de kans gekregen had, maar het ongeluk was kort daarna’.

    De hooier
    Auteur: Ricus van de Coevering
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Historicus haalt vrije vrouwen uit de schaduw

    Historicus haalt vrije vrouwen uit de schaduw

    De zussen Olivier groeiden op in een bevoorrechte atmosfeer gevormd door de idealen van het vooruitstrevende milieu van hun ouders. Deze vier bijzondere vrouwen hebben zich altijd verzet tegen de gangbare moraal van de Victoriaanse tijd maar vooral tegen interpretatie van een vrij leven. Historicus Sarah Watling heeft in de biografie Nobele Wilden zeven episodes uit het leven van de zussen geselecteerd om nieuw licht te werpen op deze vrouwen. Tussen twee wereldoorlogen in en ondanks de maatschappelijke beperkingen probeerden zij te leven naar hun eigen richtlijnen.

    Watling schrijft in Nobele wilden over het avontuurlijke leven van de Oliviers rond wie de jeugdige idealen van een generatie samenkwamen. Tegelijk is het een portret van een halve eeuw feminisme en sociale strijd in het Victoriaanse Engeland. Daphne, Noel, Brynhild en Margery kregen een vrije opvoeding en kwamen al jong in aanraking met de schrijvers en denkers die zich verzamelden rond hun ouders. De zussen voerden toneelstukken op voor George Bernard Shaw en waren toehoorders bij de salondiscussies die thuis gevoerd werden. Hun speelkameraadje Bunny omschreef hen in die tijd als onafscheidelijk maar vooral ongrijpbaar. Ze klommen in bomen, bouwden boomhutten en kregen thuisonderwijs. Opvallend is de grote verscheidenheid aan meningen die ze oproepen, die uiteenloopt van walging tot bewondering.

    Drie van de vier zussen gingen studeren, wat uitzonderlijk was voor een tijd waarin het voor meisjes gevaarlijk werd geacht om te studeren, dit zou de ontwikkeling van hun voortplantingsorganen remmen. Centraal in hun adolescentie stond de groep jonge mensen rondom dichter Rupert Brooke, die later bekend zouden staan als de Neo-Pagans. Brooke had een korte verhouding met Noel. De Oliviers werden echter vooral aangetrokken door de idealen van de groep; het buiten kamperen, voorlezen uit poëzie en naakt zwemmen in de rivier. Volgens Watling ‘belichaamden de Oliviers het ideaal van de Neo-Pagans.’ Zij vormden de spil van de groep, vooral Brynhild die zich opwierp als organisator en later de verbindende factor vormde met de Bloomsburygroep.

    Onconventioneel

    De zorgeloze tijd van de Neo-Pagans werd een troostende herinnering en een baken waar ze later altijd naar terug zouden keren. In een poging om zich af te zetten tegen de vorige generatie streefden de Neo-Pagans naar een geïdealiseerde wereld van onschuld. Er werd gedebatteerd, net als aan de universiteit, en er ontstonden romances binnen de groep. In de verhoudingen die de Oliviers aan gingen lag het vaak ingewikkelder. Alle vier hadden ze moeite zich te schikken in de bestaande man-vrouw verhoudingen van die tijd.  Ze moesten vaak kiezen tussen de liefde en zelfontplooiing, zoals Margery die eerst haar studie af wilde maken voor ze trouwde. Verschillende mensen in haar omgeving vonden het vreemd dat ze op haar zesentwintigste nog maagd was. Zo schreef Jacques Raverat in een brief aan haar: ‘Jij moet trouwen en een hele reeks kinderen baren, en ik heb een hele hoop werk te doen.’ Trouwen is er bij Margery nooit van gekomen.

    Aan de universiteit raakten de zussen bekend met de strikte sociale normen voor vrouwen. Vooral Noel die koos voor een carrière als arts had het lastig met het vinden van een baan en met de acceptatie van haar autoriteit. De zussen waren politiek geëngageerd en betrokken bij het nadenken over de emancipatie en rol van de vrouw. Ze waren gewend om te discussiëren met gelijken en lieten zich niets vertellen. Ook op cultureel gebied waren ze actief. Ze lazen nieuwe dichters en schrijvers en gingen naar exposities van de impressionisten. Ieder op haar eigen manier verzetten ze zich tegen het vaste beeld van vrouwen en durfden daarin onconventionele keuzes te maken. Brynhild liet zich bijvoorbeeld scheiden van haar man en koos voor haar minnaar, wat een klein schandaal veroorzaakte. Noel raakte als kinderarts betrokken bij de verbetering van de zorg voor moeders en Daphne streefde naar vernieuwing van het onderwijs in navolging van de ideeën van Steiner. 

    De vrouw als voetnoot

    Van de puurheid en onschuld die zo geïdealiseerd werden in hun jeugd bleef weinig meer over toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Deze betekende voor de zussen een ruw ontwaken. Kennissen en vrienden van de Oliviers vertrokken naar de verre oorlog. Rupert liep in Egypte een infectieziekte op, overleed en werd postuum tot held en martelaar van de natie verheven, een sentiment waar Noel met haar gebroken hart weinig troost in zag. Het is in die tijd dat ze als daad van verzet besluit haar eigen beeld van Rupert en zijn brieven aan haar privé te houden. In de oorlog sneuvelden veel van de pacifistische idealen van de Neo-Pagans. Dit betekende het definitieve einde van een tijd van zorgeloos optimisme en de utopie van Brooke. Alle zussen, behalve Margery, hadden inmiddels kinderen en de focus werd verlegd naar het gezin. Zo groeiden de zussen meer uit elkaar, al bleven ze intensief contact houden.

    Na de dood van Rupert Brooke begon de strijd om zijn nalatenschap. De populariteit van zijn verhaal uitte zich in een groot aantal biografieën. In de meeste hiervan is Noel niet meer dan een voetnoot. Watling begint haar boek dan ook met de exemplarische scène van een oude Noel die halsstarrig details weigert aan de laatste biograaf die met het verhaal van Brooke aan komt zetten. ‘Alle interessante vrouwen hebben geheimen’, schrijft Watling en dit ging ook op voor de Oliviers. Daar komt nog eens bij dat geschiedenis doorgaans niet geschreven wordt over vrouwen. Zij spelen meestal een bijrol, zoals Noel in de biografie van Brooke. In die zin voegt de bijdrage van Watling veel toe. In de epiloog schrijft ze over het belang van ‘een afzonderlijke twintigste-eeuwse vrouwengeschiedenis.’ Door het verhaal van de Oliviers te vertellen draagt zij bij aan die erfenis.

    Wie is wie van het culturele leven

    De zeven episodes die Watling heeft uitgekozen bieden een gevarieerd en interessant beeld van de levens van de Oliviers en hun omgeving. Omdat zij geen publiek bestaan leidden was er niet veel over hen bekend. Daarom put Watling vooral uit privé correspondentie en dagboeken. Ze geeft wel toe dat ze zich daarbij enige vrijheden heeft gepermitteerd waarmee ze leemtes zelf opvult. Hierbij leeft ze zich zo goed mogelijk in haar onderwerp in. De strijd van Noel met de biograaf staat gelijk symbool voor de onvolkomenheden van het maken van een biografie. Watling citeert hier Virginia Woolf die schrijft dat ‘… als je eenmaal in een biografie staat alles toch anders is’.

    De Oliviers waren vaste gezichten in de literaire cirkel rond Virginia en Leonard Woolf en Lytton Strachey. Ze kwamen in aanraking met C.S. Lewis, H.G. Wells en andere vooraanstaande figuren. Hierdoor wordt het boek een soort wie is wie van het culturele leven in Victoriaans Engeland. Hoewel dit interessant is, leidt het soms enigszins af van het echte onderwerp, de Oliviers. Het is duidelijk dat Watling schrijft vanuit bewondering voor de Oliviers. Ze heeft enorm veel onderzoek verricht in de archieven en haar enthousiasme werkt aanstekelijk. In dat enthousiasme stopt ze vele details in het boek dat ondanks deze hoge dichtheid van feiten soepel leest. Ze voorziet alles van een maatschappelijke context en verdeelt haar aandacht gelijk over de zussen.

    Watling haalt de Oliviers uit de schaduw van Brooke. Het levert een interessant stukje onderbelichte geschiedenis op. Met in de hoofdrol een verhaal over zusterschap en de band tussen vier bijzondere, geëmancipeerde vrouwen met een sterke eigen wil. Door het geduldige werk van Watling worden de Oliviers iets dichterbij gebracht. Deze vrouwen waren hun tijd ver vooruit in meerdere opzichten en zouden zelfs rolmodellen of vroege feministes genoemd kunnen worden.