• Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Bij de toekenning van de P.C Hooft-prijs 2024 aan Astrid Lampe schrijft de jury in het juryrapport: ‘Lampe dicht met een diabolische intensiteit over het moderne leven, in zinnelijke en ontembare taal’. Rake woorden die juist van toepassing zijn op de bundel ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’: een verzameling verzen die de lezer op indringende wijze laat voelen hoe de wereld van vandaag in elkaar steekt.

    En die wereld blijkt kwetsbaarder dan ooit. Grenzen worden opgetrokken, prioriteiten gesteld en dreigementen geuit. In de overtreffende trap is er zelfs het allesoverheersende gewapende conflict. Is het een wereld ‘die je wist dat zou komen’ of zijn we overvallen in onze argeloosheid? Lampe zet haar gedachten hierover om in beeldende poëzie en probeert zo de dreiging te benoemen en vast te pakken. En daarmee te neutraliseren.

    in een spleet van het bergmassief
    troepen trollen samen
    onze wapensystemen
    praten met elkaar
    het voorjaar
    is door een storm tegen de grond gewerkt
    d
    e rekenkracht die het kost
    je bloei een jaar uit te stellen
    de gedachte aan veiligheid voedsel
    goede voortplanting die gedachte

    af te maken per strekkende meter mijnenveld
    breng ik het noppenfolie
    gecontroleerd tot ontploffing

    ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’ is doordesemd van oorlog en strijd. In vrijwel alle gedichten verwijst de dichter naar het militaire domein door begrippen te plaatsen als commandostructuur, scherfvest, troepensamentrekking, schootsveld, enzovoorts. De verweving van dit jargon met de haast achteloze beschrijving van situaties en momenten maakt dat de impact van het geheel extra wordt benadrukt.

    Dat Lampe een specifieke strijd op het oog heeft, laat ze hier en daar ook door de tekst schemeren. Met kleine druppels injecteert ze de actualiteit in de schijnbare alledaagsheid en opeens stuit het oog van de lezer op ‘de Russische ziel’, ‘het datsjadorp’ of ‘de woede uit Moskou’. Net voldoende om een onbehaaglijk gevoel te introduceren: deze poëzie staat met de voeten in de klei van het hier en nu.

    Samenstellingen

    Ook zonder oorlogsdreiging vormen de verzen een ware ontdekkingstocht door het hoofd van de dichter. Lampe is een liefhebber van samenstellingen die een zweem van vervreemding oproepen: een luchtbed met een diepzeevenster/ drijft op het karma van de opblaasadem/ aan de rand van het privézwembad/ recupereert het meesterbrein. Het veelvuldig gebruik van combinatiewoorden bepaalt zowel het ritme als de richting van het gedicht.

    Verhalend over de overweldigende natuur, de kwetsbaarheid van het leven of simpelweg de verbintenis tussen mensen, iedere situatie wordt geschetst in een ‘ontembare’ taal die de lezer meeneemt en vooral de ruimte geeft om tot een eigen interpretatie te komen.

    de geliefde
    gered door de kleine salamanderkachel
    fysiek en nabij nu de markt zo nerveus

    de mok zonder oor over zeven levens heen getild
    een van de knoppen waaraan je kan draaien

    macht

    geprojecteerd op het kasjmier vloerkleed

    stug tegen de vleug in vegen
    wekt de slapende cel

    het bloemmotief
    als kleinste terreureenheid in onze natuur ingeweven
    glanst tot op de draad

    Geen interpunctie

    Lampe weet als geen ander in een salvo van korte zinnetjes zowel een gevoelige als een dreigende ondertoon over te brengen. Zonder beginkapitalen en geheel zonder interpunctie blijven de regels stromen. Het gebruik van enjambement verrast en zet meestal aan tot opnieuw lezen, omdat de verschillende overgangen ook een nieuwe betekenis kunnen opwerpen. Hier en daar een fraaie alliteratie, zowel in vorm als in klank, maken deze bundel tot een verzameling wonderlijke, intense en tegelijk innemende gedichten.

    In het slotgedicht keert de dichter terug in zichzelf, als een ‘zachte landing op leeuwenpootjes’:

    je vouwt me uit als een zeldzame-grondstoffenkaart
    tot de abc-moertjes uit het woord oorlog lostrillen
    in de flat zonder ramen
    staat het graan nu kniehoog

    een geharnast lichaam

    de volle korenaar
    die langs een rug opkruipt
    voorkookt of ik wel of niet geboren ga worden

     

  • Extase, chaos en hoop

    Extase, chaos en hoop

    In haar tiende bundel Tulpenwodka neemt Astrid Lampe de lezer mee in een achtbaan, die in verschrikkelijke vaart langs een aantal aspecten van de huidige samenleving raast. Niet alleen omvatten deze elementen de coronacrisis en -lockdown, maar ook de klimaatverandering, de verhouding van de mens tot de natuur en de wedloop naar de ondergang van de aarde. De aarde wordt als Gaia gepersonifieerd en het is de bezorgdheid om deze lijdende aarde die de gedichten aanstuurt. Deze bezorgdheid uit zich onder andere in het signaleren van allerlei problemen waar onze maatschappij mee te maken heeft: niet alleen de pandemie, maar ook het seksisme waartegen de #me too-beweging zich te weer stelt, het racisme, de vluchtelingenproblematiek en de veronderstelde maakbaarheid van de moderne mens. Het laatste laat zich ook aflezen aan de foto op de voorkant: een meisje dat haar haren versierd en verlengd heeft met een vlecht van kunsthaar met bloemen erdoorheen: de mens herschept zich met behulp van kunstmiddelen zoals botox en borstvergrotingen en DNA-ingrepen, om er vervolgens een selfie van te maken op Instagram. Dat is de wereld geworden zoals Lampe ons die schetst in haar verontrustende gedichten: een valse, kunstmatige wereld die vervormd wordt door sociale media en internet.

    Dronken poëzie

    Lampes gedichten denderen over de lezer heen, zonder titels, zonder afdelingen, zonder leestekens, met een veelheid aan opeengestapelde en door elkaar gegooide beelden. Ze vormen zo een geheel en zorgen voor eenheid in de bundel, als de afzonderlijke wagentjes van dezelfde eerder genoemde achtbaan. De gedichten zijn veelal associatief verbonden, met kort geschetste scènes, fragmenten van zinnen die bij elkaar gezet zijn. De actuele beelden die Lampe oproept, buitelen door de gedichten in een schijnbare chaos:

    ‘na iedere facebookpost: handhygiëne
    het qwertytoetsenbord
    bleef van schubben verschoond

    de knuffel die je steelt houdt ons in lockdown
    boomwortels breken door het asfalt pantser heen

    de zonnebril van de influencer is overtuigend 3d
    niet alleen het klimaat is van streek

    in het wild uitgezet
    blijft de paringsdrift gemonitord
    het geritsel snelt op gelede insectenpootjes vooruit het is

    gaia die ons inplugt
    dit oeroude immuunsysteem weet met onze dat wel raad

    de beek glijdt af
    de panterprint sprint weg van de dood
    de loeiende stadssirenen zijn in dit gedicht het verse bushmeat
    de natuur die zich opricht

    een keihard verdienmodel’

    Bepaald geen slaapmutsje…

    Hoewel de dichter ook grappig kan zijn met haar taal (‘via het kattenluik ontsnappen aan de paillettenjurk van de / poezenmoeder’) en het gebruik van zelfverzonnen woorden, overheerst de dreiging van het Armageddon in de gedichten. De drang om te overleven en het verzet tegen een dystopie als maatschappij zijn echter ook prominent aanwezig in gedichten waarin mensen zich gedragen als guerrillastrijders in een cyberoerwoud, die ‘verboden in de wind slaan’ en ‘[…] met een egel op schoot het algoritme (…) verstikken / voor definitief’. Hier en daar flakkert een sprankje hoop, mensen leren zich aan te passen om te overleven of doen moeite om terug te keren naar het leven van vroeger.

    Lampe schrijft geen gemakkelijke poëzie. Het tempo is heel hoog. Lampe verstopt het rijm, dat bijna nooit eindrijm is, in de versregels. Ze vervlecht veel Engelse woorden in haar gedichten, samen met neologismen en zelfbedachte woorden, waardoor ze de actualiteit treffend kan beschrijven. De vaak vreemde associaties, die lang niet altijd te herleiden zijn tot hun oorsprong, laat staan te volgen. De dwingende stroom van beelden en woorden, ze overspoelen de lezer die snakkend naar adem de bundel moet wegleggen, omdat alles achter elkaar lezen de werking van een draaikolk heeft. Je wordt erin meegezogen en je komt er niet meer uit. Het is te veel. Toch fungeert de overdadigheid als een spiegel voor onze verwarde maatschappij, waardoor Lampes overvloed als krachttoer mag gelden. Ook nu de coronacrisis bezworen lijkt te zijn en de absurditeit, waarvan we nooit hadden kunnen denken dat die de dagelijkse werkelijkheid zou worden, weer wegebt, blijft er nog genoeg over om je zorgen over te maken. Had Lampe deze bundel in 2022 geschreven, dan had de oorlog in Oekraïne er vast en zeker een plaats in gekregen.

    Nu de coronamaatregelen zijn opgeheven, gaan we gewoon weer verder: ‘je mag weer aan me zitten’ en ‘het mantelpak van de minister is weer terug van de stomerij’.

    […]

    ‘na mens-erger-je-niet
    zoeken we een ander gezelschapsspel
    toe wees eens lief
    het huiswerk schiet erbij in
    een boze boer tuft de heuvel op
    ik speel viool
    spring in de houding
    na militaire interventies delen we het land op
    langs raciale lijnen een vlecht gaat naar het goede doel de echte meisjes mogen
    blijven
    we spelen lockdown
    en nu beschaafd
    […]’

    Het is bezwerende poëzie, die uit de mond van een sjamaan of die van Cassandra zou kunnen komen: onheilspellend en dreigend, maar bovendien niet altijd even duidelijk. Dat is niet erg, de sinistere sfeer die de gedichten scheppen, is voldoende om te begrijpen waar het over gaat. De vaak korte, staccato-achtige zinnen en herhaalde doembeelden roepen een trance op die lijkt aan te sturen op een climax, een uiteenspatting van de aarde en het menselijk leven. Die blijft gelukkig uit. Er lonkt zelfs een belofte van betere tijden:

    ‘[…]
    nu of nooit: maak je kleine little pony
    (jij lila stuiterbal)
    het lukt je
    met het talent dat je vleugels geeft
    aan je bijensterfte te ontsnappen’

    Geen leesvoer, maar leesdrank

    Voor wie het niet heeft opgezocht: tulpenwodka blijkt echt te bestaan. In Katwijk wordt deze exclusieve drank sinds 2014 gemaakt. Een fles goede tulpenwodka wordt gedestilleerd uit 350 biologisch geteelde tulpenbollen en kost 295 euro, maar er zijn ook goedkopere uitvoeringen. De reclamecampagne stelt: ‘De Dutch Tulip Vodka refereert aan het ‘Nederland-gevoel’, dat momenteel heel sterk is tijdens de coronatijd.’

    Dat zou een reden kunnen zijn waarom deze bundel zo heet. Maar Lampe kan met de titel van haar bundel ook heel goed aan iets anders gerefereerd hebben. Wie haar gedichten leest, mag er het zijne van denken.

     

     

  • Campert-nummer

    Campert-nummer

    Volgend jaar wordt de dichter negentig. Een gedenkwaardige leeftijd die dit jaar met het verschijnen van zijn biografie gevierd wordt als een voorschot op de dood. Die biografie had ik als Campertadept al in huis moeten hebben. Maar dat heb ik niet. Ik behoed mezelf voor ontluistering door me de inzage in het leven van een dichter die we op een voetstuk hebben geplaatst, vooralsnog te ontzeggen. Afstand is een mooi ding in de literatuur, verhalen en gedichten zijn de ontmoetingsruimte voor lezer en auteur. Pas als de dichter niet meer leeft, wil ik (denk ik) misschien wel, in de loop van de tijd, alles van hem weten. Ik geloof wel dat Mirjam van Hengel een liefdevol boek heeft geschreven, gezien haar boek over het leven van de dichter Leo Vroman. Daar ligt het niet aan. Struisvogelpolitiek mijnerzijds, dat is het. Een biografie omvat een afgesloten leven; Campert is nog niet klaar met leven. Er kan nog wat komen. Je weet het nooit met Campert.

    Voor nu stel ik me tevreden met het literaire tijdschrift Revisor, Het Campert-nummer. Een mooi nummer met vele knipoogjes naar Campert. Astrid Lampe maakte een ‘Campert sample’ die geheel bestaat uit regels uit Dichter, Remco Camperts verzamelde gedichten uit 2015. Dean Bowen maakte een gedicht dat bestaat uit de laatste regels van diezelfde verzamelbundel. Ze konden met zijn regels doen wat ze wilden (ze naast elkaar zetten, achter elkaar, onder of door elkaar) het blijven Camperts regels.
    Het personage Boelie (Het leven is vurrukkulluk) is gerecycled tot een dj, door Daan Heerma van Voss neergezet in een treffend verhaal over een rondleiding door de stad van de dichter. De bijdrage van Camperts vertaler Donald Gardner gaat over zijn kennismaking met de dichter en zijn vrouw. Hij haalt fragmenten aan die volgens hem, (en daar sluit ik mij geheel bij aan): de kern des dichters dichterschap bevatten: Op straat lopen lezen / dat zie je niet zo vaak meer. / Als ik het nog eens doe / loop ik in het verleden…

    Hoe de jongere generatie zich tot de dichter verhoudt, daar schrijft Roos van Rijswijk over. Na het lezen van (het ongecorrigeerde manuscript) Een knipperend ogenblik heeft ook zij last van het ontmythologiseren van de dichter: ‘Dat ik dan weet welke leeftijd hij had toen zijn moeder zakdoekjes rond zijn bed vond,…’. Ze kent de dichter uit de boekenkast van haar oma, moeder en eigen boekenkast en uit het straatbeeld van Amsterdam. Er is sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleert, stuurt een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ Hoe geruststellend dat is, te weten dàt hij er is, de constante in het stadsbeeld. Van Rijswijk schrijft: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt.
    Ja, die biografie wil ik beslist wel eens lezen. Maar eerst op naar de negentig. Dan zien we wel weer.

     

    Bestel Revisor, Het Campert-nummer hier.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over wat er fladderend beweegt in de kantlijn van de literatuur.

  • De uitgeklede versie

    De uitgeklede versie

    De kunstgreep is oud: de verwoording van het verlangen als de realisatie ervan. De herhaling die inderdaad iets versterkends heeft, blijft intrigerend. Er bestaat iets als een parallellisme, als in de psalmen. Maar misschien legt de creativiteit van de schrijver het geheugen van de lezer die hij altijd ook is – hij begint nooit vanuit niets als dichter – tijdelijk stil.

    Deze vier zinnen zeggen veel over het werk van Astrid Lampe. Maar ook volstrekt niets. Dat komt hierdoor: ze zijn alle afkomstig uit de voorbeeldige essaybundel over poëzie van Kees Fens De tweede stem. Ze hebben het dus in zich iets te kunnen zeggen over poëzie want ze zijn geschreven in een verband dat zich uitspreekt over poëzie. De zinnen komen echter uit verschillende essays en gaan over heel andere dichters en bundels. Maar Fens was een heel verstandige man, en indien zulke zinnen goed gesampled worden kan zo’n verzameling losse stukjes veelbetekenend worden.

    In Lampe’s recentste bundel Rouw met diertjes bestaan twee van de drie afdelingen uit ‘gesamplede’ gedichten. De eerste met dichtregels die Lampe verkreeg door te grasduinen in de bundel Geboorten van het vers, uit de reeks ‘ Levende Franse poëzie’.  De tweede afdeling is een sample uit vertalingen uit het Amerikaans. Is poëzie gemaakt van stukjes andere poëzie, wel poëzie? Welzeker, meent Fens hierboven. Maar misschien legt de ‘creativiteit van de dichter, de lezer die hij ook is over het algemeen wel even stil’. En moeten we dat ook eigenlijk wensen. Iedere dichter put uit een taalarsenaal, dat kan gebruikstaal zijn, maar ook ingedikte taal van anderen: poëzie. Lampe kan dus poëzie scheppen uit poëzie van anderen. En soms levert een opgedolven zin in een ontketend verband ook iets verbazingwekkend levends op.

    Natuurlijk resoneert in de lezer die deze afdeling ‘dronken  jol’ leest Arthur Rimbauds Bateau ivre mee en regelmatig botsen mooie archaïsche zinnen boeiend op technische samples:

    Het manuscript drukt een vroegere versie van het gedicht af dan
    verwondt hij zich, het fatale terugkeren verwondt hem.

    Toch kan dit niet het sterkste deel van een dichterlijk oeuvre zijn: echte creativiteit schakelt het geheugen van de lezer die zij ook is immers tijdelijk uit. Dan doet Lampe het beter in Rouw met diertjes, de grootste en eerste afdeling van de bundel. Het gedicht:

    rouw de
    onmogelijk nog langer uit te stellen jetlag
    viert uit boven het ravijn
    van al te vast (samen nog)
    net iets te blij aangestampt ruimtebeleven

    en

    vreet de hoogbouw
    we
    dragged and dropped
    (o lieve lust het stapelde)
    de
    original images
    into this workspace

    jij (spoot je ralkleur jij)
    nu stort je mij
    een retestrak vloertje
    grondig

    grondig ground zero
    laat op mijn beurt
    (niks technisch engels)
    mijn iCloud je rug krabben

    etaleert het spectrum van leessensaties die Lampe’s bundel oplevert: bewondering (‘rouw als onmogelijk langer uit te stellen jetlag’ is een goed beeld) lachen: (‘net iets te blij aangestampt’) irritatie over het misverstand poëzie interessanter te maken door het te insemineren met Engels en een lichte vermoeidheid aangaande het zelfverwijzende universum van Lampe (Spuit je ralkleur is een titel van een van haar eerdere bundels) dan wel dwangmatig up to date zijn (het eerste gedicht in de Nederlandse literatuur met iCloud er in), en dan weer terug naar bewondering: de gedachte dat je verloren geliefde bijvoorbeeld nog ergens nabij je iCloud hangt is wel mesmerizing.

    Spuit je ralkleur leverde overigens, evenals De memen van Lara een sprankelender en humoristischer universum op; nu leent rouw zich als thema misschien minder voor sprankeling en humor, gesteld moet dan misschien dat het soort poëzie dat Lampe schrijft zich minder leent voor rouw.

    Dat realiseert de dichter zich ook, regelmatig verwijst ze naar haar ‘uitgeklede versie’ en ze maakt daarmee haar laatste bundel ook een versie schameler dan haar werk was. Maar dat is misschien ook juist precies wat rouw doet.

     

    Deze recensie verscheen eerder in poëzieblad Awater (2013)

     

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman