De wereldberoemde pianist Elsa M. Anderson stopt midden in een uitvoering van het Tweede Pianoconcert van Rachmaninov met spelen. Ze staat op en loopt van het podium af. Het orkest en de dirigent, het publiek in de zaal en daarbuiten: ze blijven in verwarring achter. Wat betekent het dat Elsa M. Anderson in een winkel in Athene een vrouw ziet die precies die beeldjes koopt die zijzelf had willen kopen? Dat ze zichzelf in die vrouw herkent is het begin van een reis door Europa. Ze zoekt haar dubbelganger op straat, achtervolgt haar en ontloopt haar. Augustusblauw van Deborah Levy gaat over dubbelgangers, verandering en toeval.
Deborah Levy (1959) is een Britse schrijver van romans, toneelstukken en gedichten. Haar toneelstukken werden opgevoerd door de Royal Shakespeare Company. Haar romans Swimming Home (2011) en Hot Milk (2016) stonden beide op de shortlist voor de Booker Prize, en The Man Who Saw Everything (2019) stond op de longlist voor diezelfde prijs. Levy’s meest belangrijke dichtwerk is An Amorous Discourse in the Suburbs of Hell (1990), een gesprek tussen een engel en een accountant over spontaniteit, ambitie, logica en tevredenheid.
Auteur: Deborah Levy
Uitgeverij: De Geus
Deze brieven eindigen in tranen
In Deze brieven eindigen in tranen van Musih Tedji Xaviere ontmoeten Bessem en Fatima elkaar op het voetbalveld. Het is liefde op het eerste gezicht, maar wel een liefde met grote hindernissen. In Kameroen zijn relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden, het is gevaarlijk om queer te zijn. Bij een inval van de politie in een homobar wordt Fatima opgepakt. Ze verdwijnt spoorloos, Bessem blijft alleen achter. Dertien jaar later, als Bessem hoogleraar is aan een universiteit, komt ze een oude vriendin tegen. Is zij de laatste persoon die Fatima heeft gezien? Bessem gaat op zoek naar haar geliefde.
Musih Tedji Xaviere is geboren in Njinikom in Kameroen en woont sinds een aantal jaar in Groot-Brittannië. Ze wist al vroeg dat ze schrijver wilde worden, als elfjarige, na het lezen van Charles Dickens’ Oliver Twist (1838). Als twintiger publiceerde ze zelf een young adult roman omdat er voor haar in Kameroen geen mogelijkheden waren bij traditionele uitgeverijen. Met haar debuutroman, Deze brieven eindigen in tranen, die de Pontas Prize en de JJ Bola Emerging Writers Prize won, kwam haar droom uit.
Auteur: Musih Tedji Xaviere
Uitgeverij: Orlando en Oxfam Novib
Magnetisch middernacht
Een lawine sleurt het huis van Iðunn, Lokes buurmeisje, met bewoners en al de zee in. Lokes moeder kan niet van de schok bekomen. Ze blijft Iðunn zien, gelooft dat het meisje nog leeft en blijft haar zoeken. Omdat ze weigert die zoektocht op te geven, brengt haar man haar naar een psychiatrische kliniek. Na niet al te lange tijd krijgt Loke een nieuwe moeder en een stiefzusje, Pippa. Met zijn vieren vormen ze een nieuw gezin. Op een dag zien Loke en Pippa een meisje op de helling. Is het Iðunn? Ze heeft takkenharen en lijkt op een dier.
Laura Broekhuysen (1983) studeerde niet alleen viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar ook Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht. Haar debuutroman Twee linkerlaarzen (2008) werd genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs en de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Winter-IJsland, mijn eerste jaar in een verlaten fjord (2016) en Flessenpost uit Reykjavik (Querido, 2019) werden beiden genomineerd voor de Confituur Boekhandelsprijs. Ook stond Winter-IJsland op de shortlist voor de Bob den Uyl Prijs. Haar eerste dichtbundel, Wij capabelen verscheen in 2022.
Deborah Levy begon in 1981 als toneelschijver, in 1985 debuteerde ze met de verhalenbundel Ophelis and the Great Idea, gevolgd door haar eerste roman Beautiful Mutants in 1987. Daarna verschenen er nog zeven romans, twee verhalenbundels en een dichtbundel. De romans Swimming Home (2011) , Hot Milk (2016) en The man Who Saw Everything (2019) werden genomineerd voor the Man Booker Prize, en verschenen in Nederland als Terug naar huis (2013), bij Signatuur, Warme melk (2017) en De man die alles zag (2019), bij De Geus.
Tussendoor schreef ze aan haar, ‘Living’ autobiografie waarvan het eerste deel, Things I Don’t Want to Know in 2013 werd gepubliceerd. In 2020 verscheen Dingen die ik niet wil weten, in vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt bij uitgeverij De Geus. Het tweede deel, The Cost of Living (2018), vertaald als De prijs van het bestaan verscheen eveneens in 2020 in Nederland. Het laatste deel, Real Estate verscheen in 2021, tegelijkertijd met de vertaling, Onroerend goed bij De Geus. De boeken zijn, net als de originele uitgave, ook in Nederland in drie primaire kleuren blauw, geel en rood uitgegeven.
Deborah Levy (1959) werd geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. Haar vader was een anti apartheid aanhanger en werd van 1964 tot 1968 gevangen gezet. Nadat haar vader vrijkwam, kreeg hij huisarrest opgelegd. Ze was negen jaar oud toen haar ouders besloten naar Londen te verhuizen waar ze in exil leefden.
In het weekend van 25 februari is Levy voor een kort bezoek in Rotterdam. Op uitnodiging van Guiding Voices is ze die avond te gast in het Bibliotheektheater waar Ernest van der Kwast haar zal interviewen. Ze overnacht in het Marriott Hotel en zal de volgende ochtend weer vertrekken naar haar schrijversappartement in Parijs. ‘Het is een drukke tijd. Mijn nieuwe roman August Blue verschijnt in mei in Engeland, en een verhalenbundel verschijnt er in Frankrijk. Ik moet dus morgen weer terug in Parijs zijn.’ Als we elkaar die middag spreken in de lounge van het Marriott Hotel, komt ze net terug van een fietstocht met Ernest van der Kwast naar de rivier de Maas en een broodje bal in een café aldaar. Het is haar eerste keer in Rotterdam, en de stad bevalt haar.
We spreken over de gedachten van de vrouw die volgens Levy nog te weinig uitgesproken worden. Over het waarom van een ‘levende’ autobiografie. Hoe schrijven haar als kind hielp zich te uiten, dat daar misschien wel haar schrijverschap begonnen is. Welke plaats de vrouw in de literaire wereld inneemt en reizen als voorwaarde om te schrijven.
Als vijfjarig kind, nadat haar vader door de politie uit huis was opgehaald, werd Deborah Levy steeds stiller. ‘Het was heel vreemd. Ik was niet echt een stil kind, ik ging alleen steeds zachter praten. Zachter en zachter, tot ze me niet meer konden horen.’ In het eerste deel van de trilogie, Dingen die ik niet wil weten, schrijft ze daarover. Later, op school was er een lerares die haar aanmoedigde om haar gedachten dan maar op te schrijven. ‘Ik schreef in korte zinnen en ontdekte dat mijn gedachten erg luid waren. Schrijven hielp me om te zeggen wat ik dacht, wat er allemaal in mijn hoofd zat.’
U heeft een ‘levende autobiografie’ geschreven. Wat bedoelt u met ‘levende’?
‘Het was een uitdaging om een autobiografie te schrijven in de tegenwoordige tijd. Gewoonlijk wordt deze aan het eind van een leven geschreven, waarin er achterom gekeken wordt. Ik vroeg me af hoe het zou zijn er een te schrijven terwijl je er nog midden in zit, in de storm van het leven. Schrijven vanuit het oog van die storm. Ik was niet geïnteresseerd in een chronologisch verloop van een leven. Ik wilde een autobiografie waarin de verteller zich dingen herinnert terwijl zij bezig is met leven en deze met elkaar verweven. Om deze levende autobiografie te schrijven moest ik wel ergens doorheen. Ik moest er wel in geloven dat mijn gedachten en herinneringen interessant genoeg zijn om over te schrijven.’
‘Het is vrij radicaal om te schrijven over hoe de verteller, die veel op mij lijkt, zich voelt en denkt, over hoe zij het leven ervaart. Het was een nieuw project. Ik moest een stem vinden voor dit vrouwelijke personage die niet te direct maar ook niet te formeel mocht zijn. Een denkende stem die haar emoties de wereld instuurt.’
Was dit idee er al voor u aan het eerste deel ging schrijven?
‘Het eerste deel schreef ik in een reactie op George Orwells’ essay Why I Write. Ik gebruikte de vier punten die hij in zijn essay gebruikte: Politieke doeleinden; Historische drijfveren; Puur egoïsme en Esthetisch enthousiasme. Als eerste zin schreef ik ‘Politieke doeleinden’ op mijn scherm. En ik dacht: het is erg persoonlijk, is dat oké? En ik vond van wel. De stem die ik voor deze drie boeken vond was van groot belang voor mij en ik moest er in geloven dat het op de een of andere manier ook interessant zou zijn voor anderen. Ik moest gaan schrijven om dat uit te vinden.’
De eerste zin in het eerste boek luidt, ‘Dat voorjaar, toen het leven me zwaar viel en ik in oorlog was met mijn lot en gewoon niet zag welke kant ik op moest, leek ik nog het meest te huilen op roltrappen in treinstations.’ Wat gebeurt daar?
‘Ik zocht naar een structuur om herinneringen een plaats te kunnen geven. De verteller ontdekt dat, wanneer ze op de roltrap omhoog gaat, ze moet huilen. Ze weet niet waarom ze huilt. Later ontdekt ze dat het verleden met haar meereist op de roltrap, haar kindertijd in Zuid-Afrika. Het gaat over dingen die we niet willen weten, maar die we toch wel weten. Ze zijn weggedrukt en komen op onverwachte momenten naar boven; daar zijn ze, klaar om ons iets te vertellen.’
In het gele boek schrijft Levy, ‘Het grote avontuur van het schrijvende leven is dat je door alle dimensies van de tijd heen een eindeloos aantal ideeën kunt uitwerken.’ Haar levende autobiografie begint in de tegenwoordige tijd waarin Levy gefragmenteerde tijdsbeelden uit het verleden aan toevoegt. Zoals de waarschuwingsborden uit haar kindertijd in Zuid-Afrika, om zwarte mensen de toegang tot de openbare ruimte te verbieden.
U herinnert zich die waarschuwingsborden uit uw kindertijd?
‘Op dat moment was ik in Brazilië. En daar was opeens het kind van zes jaar dat de verteller was, en net heeft leren lezen. Ze leest alles wat ze ziet. Als ze naar het strand van Durban gaan leest ze: “Dit strand is uitsluitend toegankelijk voor leden van het blanke ras”. Ik wist het niet, maar die waarschuwingen zijn me dus bijgebleven, de wreedheid van die woorden. Op die manier stop je een paar echt slechte dingen in de taal die voor de hele mensheid bedoeld is.’
Vandaaruit gaat de verteller terug naar Zuid-Afrika. Het verhaal wordt vanuit het kind gepresenteerd , dat eerst naar de nonnenschool in Durban gaat, en later naar Engeland.
Op u negende vluchtte uw familie naar Engeland. Hoe was dat?
‘Het was nogal een overgang. Opeens waren de ochtenden donker en koud en werd er erg veel thee gedronkem. In Zuid-Afrika leerde mijn moeder mij zwemmen in de Indische Oceaan. In Engeland kregen we schoolzwemmen in van die oude Victoriaanse gebouwen. Het was er ijzig koud, met kille stenen vloeren. De Engelsen zwommen met hun hoofd ver boven het water uit. Ik maakte daar grappen over. Dat als het zwembad vol thee zou zijn, elke zwemmer zijn hoofd er wel in zou onderdompelen.’
In een interview citeerde u de dichter Allen Ginsberg. ‘Notice what you notice’. Wat betekent dit voor u?
‘Ik vind het een hele slimme zin. Er is nogal een behoorlijke druk op ons om niet te noteren wat we zien. Het moet mooier of anders gemaakt. Ik vind dat je jezelf de vrijheid moet geven om dat wat je ziet, te noteren. Dat is de taak taak van de schrijver.’
U noemde de jaren waarin u uw twee dochters opvoedde, de meest vormende jaren voor uw schrijversschap. Hoe dat zo?
‘Het was niet zo dat ik in die tijd alleen maar thuis aan het koken en opruimen was. Ik gaf les op de kunstacademie en deed journalistiek werk. Maar ik kon niet schrijven aan een roman in die tijd. Wel schreef ik korte verhalen maar een roman lukte me niet. Toen begon ik ‘s nacht te schrijven aan Swimming Home. Als iedereen in bed lag, schreef ik tot vier uur in de ochtend. Ik deed er twee jaar over. Nog steeds als ik op een literair festival moet voorlezen uit dit boek, voel ik op bepaalde bladzijden de nachtelijke stilte, het alleen zijn met mezelf en het schrijven aan dit boek. Het heeft me geleerd om door te schrijven, al was het in de nachtelijke uren.’
In uw boeken vraagt u zich af wie bepaalt hoe vrouwen moeten leven. Wie bepaalt dit?
‘Vanuit de samenleving is er een bepaald beeld van hoe de vrouw zich zou moeten gedragen, hoe we eruit moeten zien, wat we mogen zeggen. In die zin is er zeker al veel veranderd, maar we zijn er nog lang niet. Vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde waardering voor hun werk als mannen. Het beeld van hoe een vrouw zich zou moeten gedragen zit nog sterk verankerd in de samenleving, en dat wilde ik onderzoeken. Tegelijkertijd heb ik groot respect voor vrouwen die overal een ‘thuis’ kunnen creëren. De vrouw is de architect van de huiselijke ruimte. Dat vind ik groots, dat een vrouw dit doet voor anderen, ook al zijn het haar kinderen en haar man. Dat interesseert mij, hoe de vrouw denkt en hoe zij zich in de wereld begeeft.’
U werd op een literair feestje eens onbeschoft bejegend door een bekend schrijver. Hij ondermijnde uw schrijversschap. U schrijft: ‘De waarheid was dat hij alle vrouwelijke schrijvers beschouwde als pachters van zijn land.’ Is dit nog steeds zo?
‘Ook hier is er wel wat veranderd. Er publiceren nu zoveel vrouwen. Toen ik op mijn vijftiende dacht dat ik misschien wel schrijver wilde worden, had ik geen voorbeeld. In ons huis stond een rij boeken met schrijversinterviews met de namen op het omslag. Daar stond geen vrouw bij. Dat was de boodschap aan mij, geen vrouwen in de literatuur. Gekleurde mensen zullen dezelfde ervaring hebben gehad, mensen van kleur stonden er ook niet bij.’
U reist veel, is dat voor u belangrijk om te kunnen schrijven?
‘Het een kan niet zonder het ander voor mij. Ik kan niet vanuit een plek werken, om te kunnen schrijven moet ik de wereld in. Deze levende autobiografie is daarvan het resultaat. Ik draag mijn vertalers, die mijn boeken aan de wereld bezorgen, dan ook een warm hart toe.’
Levende autobiografie door Deborah Levy: Dingen die ik niet wil weten De prijs van het bestaan Onroerend goed
Verschenen bij uitgeverij De Geus
Wat maakt een huis tot een thuis? In Onroerend goed, het derde deel van haar autobiografische essaytrilogie, verkent Deborah Levy de betekenis van ergens wonen. Behalve een daadwerkelijk bestaande woonplaats, staat het huis als metafoor voor een zelfstandig, creatief leven als een vrouw van middelbare leeftijd. Maar wat gebeurt er als het gedroomde huis niet overeen wil komen met de werkelijkheid? Van origine toneelschrijfster, Deborah Levy (1959), publiceerde drie bundels korte verhalen, een gedichtenbundel en acht romans. In 2014 verscheen Dingen die ik niet wil weten, het eerste deel van haar essaytrilogie, en in 2019 het tweede deel De prijs van het bestaan. Daarin vertelt Levy over haar schrijvend leven als een gescheiden moeder van twee jonge kinderen, wonend in een aftandse flat in Noord-Londen. Onroerend goed bouwt verder op de thematiek van de twee eerdere autobiografische essays. Levy, nu bijna zestig, wordt geconfronteerd met de volgende veranderingen in haar leven.
De lange weg van vrouwen
Haar jongere dochter gaat het huis uit en Levy blijft met een bananenplant alleen achter. Haar dromen heeft ze nog: een ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’ die ze vult met een oud huis met een granaatappelboomgaard en uitzicht op de zee en voorwerpen die dierbaar voor haar zijn. Als tussentijdse oplossing huurt ze een schuur waarin ze kan schrijven. Maar ook dat blijkt tijdelijk: de krasse eigenares in wier tuinschuur Levy schrijft verkoopt haar huis en Levy moet uitwijken naar een nieuwe schuur. Dat gaat niet zonder horten en stoten, want eerst moet ze haar bezittingen uitspitten. Die brengen oude herinneringen naar boven die haar bewust maken van de lange weg die vrouwen moeten afleggen om een zelfstandig bestaan te leiden en niet louter ‘voor het geluk van anderen’ leven.
Ze reist naar een literair festival in Mumbai, naar Parijs waar ze een fellowship heeft, naar Berlijn om een vriendin te ontmoeten en naar een villa in Griekenland. Onderweg laat ze zich gidsen door de werken van onder meer Virginia Woolf, Marguerite Duras, Georgia O’Keeffe en James Baldwin, net zo goed als door vrienden. Aan kritische vriendinnen heeft ze geen gebrek, maar het is de ultiem relaxte ‘beste mannelijke vriend’ die haar de nodige spiegel voorhoudt. Terwijl hij, net zoals zij, een bende van zijn leven maakt, ziet Levy aan hem wat zij niet is. ‘Hijen ik [zaten] aan elkaar vast, in voor- en tegenspoed, armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid.’
Een parallel leven
In een interview merkte Levy op dat haar boeken geen manifesten zijn, ondanks dat ze veel over de positie van vrouwen schrijft en vaak gezien wordt als een feministische schrijfster. Haar essays zijn herinneringen, memoires, gebaseerd op de persoonlijke situatie van een ik-verteller die op Levy lijkt maar niet met haar samenvalt. In Onroerend goed gaat het dan vooral om de omstandigheden waarin een ouder wordende vrouw leeft en droomt. Haar ingebeelde huis is een bescheiden utopie, een droom met ongeveer realistische afmetingen, een plek waar zich thuis en warm te voelen – een droom die er is om oude dingen in een nieuw licht te kunnen zien. Die droom heeft ze hard nodig:
‘“Sterker nog,” zei ik, “ik draag dat huis al mijn hele leven met me mee.” “Dat moet loodzwaar zijn,” luidde Agnes’ reactie. “Waarom laat je het niet los?” Ik gebaarde met mijn sigaret naar haar voeten. “Nooit! Als ik dat huis niet had om naar uit te kijken zou ik instorten.”‘
Parabel over een schrijvend leven
Het gedroomde huis, ofwel het ‘ingebeelde eigendomsportefeuille’, verleent onderdak voor al haar spullen. De revue passeren caractèreschoenen, zijden nachtponnen, houten speelgoedpaarden, elektrische fietsen – en die ene bananenplant, die volgens haar dochter ‘het derde kind’ is. ‘Ik was spullen voor een parallel leven aan het verzamelen, of een leven dat nog niet was geleefd, een leven dat nog gecreëerd moest worden. In zekere zin leken deze voorwerpen op de vroege versies van een roman.’
Zo wordt Onroerend goed – naast al het andere – een boek over een boek, of een boek in een boek. Dat maakt deze afsluiting van Levy’s essaytrilogie tot een slim parabel over een schrijvend leven, waarin dromen kans maken om werkelijkheid te worden – als tekst. Maar Levy laat niet bij een literair-filosofische verkenning naar de reikwijdte van literatuur. Zij zet zichzelf met al haar grillen en onhebbelijkheden in het spel. Dat maakt Onroerend goed tot een uiterst benaderbaar én smeuïg verhaal, waarin je als lezer de stem van Levy hoort, in alle toonaarden.
Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw
Het is helaas nog even wachten tot we weer van een live theatervoorstelling mogen genieten, maar voor wie het toneel mist en graag meer te weten komt over de geschiedenis van de Schouwburg van Amsterdam, is er Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw. Het boek is geschreven door Frans Blom en verscheen onlangs bij Querido. Blom verwerpt in deze geschiedenis onder andere de aanname dat toneel destijds enkel iets was voor the lucky few: toneel was er ook juist voor de massa, en populair bovendien.
Ook waren de Nederlandse uitvoeringen vaak gebaseerd op, of bewerkingen van, oorspronkelijk anderstalige stukken (Titus Andronicus is in dezen een bekend voorbeeld): de theatertraditie was een internationale, en verschillende theatergezelschappen en toneelschrijvers beïnvloedden elkaar. Podium van Europa is een lijvige geschiedenis: het telt ruim 500 pagina’s.
Maar als Blom net zo bevlogen vertelt als hij doet tijdens zijn letterkundecolleges (die ondergetekende tijdens haar studie met veel plezier bijwoonde), dan belooft Podium van Europa een levendig en kleurrijk beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de Schouwburg gedurende een belangrijke periode in de Nederlandse geschiedenis.
Auteur: Frans Blom
Uitgeverij: Querido
Echt gebeurd op papier
Zet een (onervaren) verteller op een podium en vraag diegene een verhaal te vertellen aan een publiek, met als enige voorwaarde: het is echt gebeurd. Dat initiatief van schrijvers Paulien Cornelisse en Micha Wertheim werd 12,5 jaar geleden voor het eerst georganiseerd in de vorm van een middag in comedyclub Toomler (Amsterdam). Cornelisse en Wertheim baseerden het op het Amerikaanse concept The Moth.
De sprekers zijn als gezegd geen ‘beroepsvertellers’, maar ‘gewone’ mensen met een bijzondere persoonlijke anekdote die aansluit bij het thema van de desbetreffende editie. Het leverde een grote hoeveelheid intrigerende en grappige verhalen op (zo’n 5.000!), die resulteerden in de gelijknamige podcast en waarvan de auteurs er 72 bundelden in Echt Gebeurd op papier(verschenen bij De Harmonie). Naast de podcast en de bundeling zijn er speciale edities van Echt Gebeurd geweest op onder andere IDFA, Crossing Border en Lowlands.
Auteur: Paulien Cornelisse, Micha Wertheim
Uitgeverij: De Harmonie
De mannen die we oogstten
Jesmyn Ward publiceerde haar memoir Men We Reaped in 2013. Nu is het boek in Nederland verschenen bij uitgeverij Atlas Contact, in de vertaling van Astrid Huisman, als De mannen die we oogstten. Ward schrijft over de vijf mannen die ze verloor door uiteenlopende gebeurtenissen, maar met institutioneel racisme, dat zo diep verankerd is in de Amerikaanse samenleving, als gedeelde oorzaak.
Ward werd geboren in Californië en verhuisde op haar derde naar DeLisle, Mississippi, waar ze woonde met haar moeder, broer Joshua, zusjes Nerissa en Charine en neefje Aldon. Ze overleefde orkaan Katrina, waarover zij de roman Salvage the Bones (2011) schreef, en was de eerste in haar familie die naar de universiteit ging. In De mannen die we oogstten schetst Ward aan de hand van haar persoonlijke relaas het racisme, de armoede en het kansarme toekomstperspectief van de Zwarte gemeenschap in de VS.
Het boek werd door New York Magazine een van de beste boeken van de 21e eeuw genoemd. Eerder verscheen bij Atlas Contact haar Sing, Unburied, Sing in de Nederlandse vertaling Het lied van de geesten (2017). Ward ontving maar liefst twee keer de National Book Award voor fictie, in 2011 en in 2017.
De Hongaar András Forgách (1952) is in eigen land een bekende schrijver. Men kent hem ook van zijn werk als vertaler, toneelschrijver en beeldend kunstenaar. In de jaren zeventig en tachtig was hij actief in verzet tegen het Sovjetregime.
Zijn nieuwste roman De akte van mijn moeder is gebaseerd op de waarheid. Een waarheid waar hij dertig jaar na het overlijden van zijn moeder bij toeval achterkomt omdat een oude jeugdvriend hem daarop attendeert. Het blijkt dat zijn moeder, op wie hij dol was, vanaf 1975 tot aan haar dood gespioneerd heeft voor de geheime dienst. Zij rapporteerde over bekenden, haar vrienden, en zelfs over haar echtgenoot en kinderen. Dat zijn ouders Stalinisten waren, wist Forgách wel. Maar dat zijn moeder zo ver zou gaan, was een schok voor hem.
Het boek is inmiddels in 14 landen vertaald en wordt ook verfilmd.
De vertaalster, Rebekka Hermán Mostert, over dit boek: ‘Het is een boek met tanden, bij vlagen hilarisch, soms dor irritant, soms heel raak en roerend, maar zeker informatief, op het randje van exhibitionistisch. Hongarije in de ‘soft-socialistische’ late jaren, met mensen voor en tegen, onmachtig in en buiten het systeem, Israël en de Arabieren, de Holocaust, toe maar. Met talloze excursen, feiten en namen tussen neus en lippen door, die je langs even zovele nieuwe paden sturen. Een lange, ongemakkelijke blik in de keuken van een schrijver die aan systeemontleding doet, en daarbij zichzelf en de zijnen niet spaart. Een poging tot reconstructie. Een ontdekking van een wereld en werelden. Een altaar voor moeilijke liefde.’
Auteur: András Forgách
Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
Mijn zusje, de seriemoordenaar
Na Forgàch die schrijft over het verraad van zijn moeder, nu een ander ‘familieboek’, Mijn zusje, de seriemoordenaar, over twee bizarre zusjes. De één, de mooie Ayoola, vermoordt na verloop van tijd al haar vriendjes, de ander, Korede ruimt de boel op wist alle sporen. Totdat Ayoola ingaat op de avances van een man op wie Korede heimelijk verliefd is.
Oyinkan Braithwaite studeerde rechten en creatief schrijven, werkte voor online magazines en een Nigeriaanse uitgeverij en treedt ook op als als poetry slammer. Ze wilde altijd al schrijfster worden en publiceerde Mijn zusje, de seriemoordenaar op een online platform. Omdat ze zoveel enthousiaste reacties kreeg, stuurde ze het naar een uitgever. Inmiddels is haar debuut een groot succes en zijn de filmrechten ervan verkocht.
Auteur: Oyinkan Braithwaite
Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
Voor wie in het donker op mij wacht
‘Als je wakker wordt moet je altijd even aan de dag wennen’
en dat is helemaal niet waar, ik hoef helemaal niet aan de dag te wennen, waar ik aan moet wennen is dat ze dingen verplaatsen zonder mij iets te vragen, ze doen gewoon waar ze zin in hebben, de dame op leeftijd schudde het kussen op, hielp me rechtop te gaan zitten
‘Voorzichtig want u hebt al vaker geknoeid’
gaf me mijn pillen en schonk thee voor me in, terwijl de kat als water op de grond gleed, als ze langs mijn benen strijkt hoor je een motortje dat ronkt tot zijn staart voorbij is en hij me vergeet, heel even moest ik denken aan Faro, aan mijn moeder, als ze ’s avonds de soep op tafel zette, en mijn vader, die met zijn servet half in het boordje van zijn hemd en half in zijn hand, in bretels en zonder colbertje
‘Kom eens hier’
zei dat ik mijn tong moest uitsteken, zijn wijsvinger natmaakte en een vlek van mijn neus wreef’
(…)
Nauwelijks interpunctie, het is niet altijd duidelijk over wie de hoofdpersoon het heeft, herinnering en werkelijkheid wisselen elkaar af. Je moet er wel bijblijven bij het lezen van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes.
Voor wie in het donker op mij wacht gaat over de kracht van het geheugen en tegelijkertijd het verliezen van herinneringen.
De 79-jarige Celeste is de verteller. Ze lijdt aan alzheimer en is overgeleverd aan de zorg van een oudere vrouw en de neef van haar tweede echtgenoot. Hoewel het spreken haar steeds slechter vergaat, probeert ze haar herinneringen vast te houden – aan haar jeugd in de Algarve, haar jaren als actrice en haar twee huwelijken. Als actrice verplaatst ze zich bovendien voortdurend in de mensen die haar omringen en verzint ze levens voor hen.