• Thuis in het ongemakkelijke verleden – Armando’s Berlijnse stukken gebundeld

    Thuis in het ongemakkelijke verleden – Armando’s Berlijnse stukken gebundeld

    Toen schrijver/kunstenaar Armando (pseudoniem van Herman Dirk van Dodeweerd, 1929-2018) in 1979 op uitnodiging van de Deutsche Akademische Dienst naar Berlijn vertrok, was het idee er een jaar te blijven. Hij is echter nooit meer vertrokken. Vanuit zijn nieuwe woonplaats schreef Armando van 1980 tot 1986 zijn Verslag uit Berlijn voor de Culturele Bijlage van de NRC . De stukken verschenen in drie boeken, Uit Berlijn, Machthebbers en Krijgsgewoel. Uitgeverij Schokland heeft de drie delen nu gebundeld en prachtig uitgegeven in de serie Kritische Klassieken.

    Gemene eenzaamheid

    Zowel in de boeken als in het beeldende werk van Armando staat de Tweede Wereldoorlog centraal. Niet vreemd aangezien de in de Amsterdamse Pijp geboren tiener tijdens de oorlogsjaren nabij kamp Amersfoort woonde en zich terdege bewust was van de gruwelijkheden in het kamp. De oorlog liet hem nooit meer los. Berlijn fascineerde hem vanwege het alom aanwezige verleden en de door de oorlog veroorzaakte lelijkheid, waar hij schoonheid in zag. ‘Want er zijn ook dingen die niet mooi zijn, maar toch mooi zijn. Oorlogstuig bijvoorbeeld. En buit, oorlogsbuit. Ook: de muur. Zoals men weet is de muur, die van hier, een onzedelijk bouwseltje, maar buitengewoon mooi: gemene eenzaamheid.’ Ergens anders zegt hij ‘De schoonheid is daar waar je haar hebben wilt. Maar vooral waar ze jou hebben wil, want ze dringt zich op, en wel dan als je haar nooit zou verwachten.’

    In Berlijn was Armando meer dan waar dan ook op zijn plek. Het handjevol gelukkigen, dat met mijn werk vertrouwd is en mijn thematiek kent, weet dat ik me hier in het hol van de leeuw bevind. Dat geeft deels, vreemd genoeg, een vertrouwd gevoel, een gevoel eindelijk weer thuis te zijn in het ongemakkelijke verleden, maar het spreekt vanzelf dat zo’n levenshouding beklemmend werkt.Toch is die beklemming niet nadrukkelijk aanwezig, daarvoor is Armando’s nieuwsgierigheid voor wat hij dagelijks tegenkomt te groot. Deze stukken zijn vooral een ontdekkingstocht door het na-oorlogse, door de Muur gescheiden Berlijn, met altijd weer die oorlog die geen enkel verhaal ongemoeid laat. Berlijn is dus geen mooie stad, maar wel een boeiende stad. Boeiend door de soms ondraaglijke spanning tussen een schijnbaar onbekommerd heden en een beklemmend verleden.’

    ‘Het heden als vermomd verleden’

    J. Heymans spreekt in zijn fraaie nawoord van ‘Het heden als vermomd verleden’. Al sinds Kamp Amersfoort en de Tweede Wereldoorlog is Armando gefascineerd door wat hij het schuldig landschap noemt. De gedachte van het schuldig landschap ligt nogal voor de hand. Het heeft me eigenlijk altijd verbaasd dat een ander nooit op dat idee is gekomen. […] Je ondergaat de onverschilligheid van de stille getuigen en tegelijkertijd ontdek je de schoonheid van wat er over is gebleven. Inderdaad, dat is in een notendop ook mijn thematiek’, zo citeert Heymans Armando. Dat schuldige landschap komen we ook in deze stukken tegen. Onder de naam Flarden groepeert Armando steeds een handvol ultrakorte verhalen, getuigenverklaringen die altijd weer uitkomen bij de oorlog. Hij tekent ze op, als een journalist die de mensen hun verhaal laat vertellen, zonder commentaar. Altijd blijft hij de Beobachter, veel meer dan duider; dat mag de lezer zelf doen.

    Een treffend voorbeeld is de man die vertelt hoe vooral de situaties direct na de bombardementen op Berlijn de ware hel betekenden. En dan moesten we proberen de mensen te redden, ik zat in zo’n reddingsploeg. Ik heb gevallen meegemaakt van mensen die er onmogelijk uitgehaald konden worden, maar je hoorde ze wel schreeuwen en roepen. Afschuwelijk. Ik wil er eigenlijk niet meer aan denken, maar dat lukt me niet zo. En als ik nou als ouwe kerel door Berlijn wandel kom ik soms langs die straten en dan denk ik: hier was het, hier schreeuwden ze. En nu staan er nieuwe huizen of er spelen kinderen.’

    Elk stuk komt vroeger of later weer uit bij de oorlog, met meningen en herinneringen die niet in zwart-wit te vangen zijn. Ze willen graag van mij horen dat alle oudere Duitsers, die ik spreek of gesproken heb, nazi’s, fascisten of minstens fascistoïde zijn. Maar ik zeg dat niet, want het is niet zo. Dat zou wel erg eenvoudig zijn. De verslagen vormen een niet-aflatende stroom aan getuigenissen. Was iemand nou wel of geen enthousiaste nazi? De beweegredenen zijn vaak vaag, en gestuurd door zowel pragmatisme en schaamte als ontkenning en hypocrisie. Met als constante dat voor velen Hitler zeker in zijn beginjaren de redding betekende, want hij bezorgde het leger van werklozen werk. De vele getuigen leven nog. We kunnen dit feit niet plechtig genoeg onder ogen zien. Getuigen, die tot het eind toe in dat Rijk geloofd hebben, getuigen, die aanvankelijk begeistert waren, maar later ernstig teleurgesteld, mede omdat het zo slecht ging; getuigen, die toentertijd te jong waren om anders te kunnen denken, en nu met enige verbijstering terugblikken; getuigen, die geleden hebben; getuigen, die alleen maar geleefd hebben, zo goed en zo kwaad als het ging en nu gemakshalve in het verleden leven.’

    Droog-humoristische ondertoon

    Opvallend is de Selbsthass van vooral de jongere, na-oorlogse generatie, vermengd met blind idealisme richting DDR en Oostblok. Een Oostduitse schrijver die ‘van de ene dag op de andere z’n land werd uitgelazerd’ barst in huilen uit als hij door ‘een vriendelijke man met lange baard en inspraaksandalen’ bestraffend wordt gevraagd waarom hij de sociaal voorbeeldige DDR heeft verruild voor de ‘fascistische Bondsrepubliek’.Hij wist nog niet dat juist deze rechtschapen lieden hier en daar wat abuis zijn. Met name in die passages doet Armando’s nonchalante, nuchtere stijl met droog-humoristische ondertoon soms denken aan Karel van het Reve of Bob den Uyl. Er zijn ook schrijvers die het betreuren dat ze alles mogen schrijven, dat ze geen gevaar lopen. Ze kijken jaloers naar landen waar schrijvers in tuchthuizen komen of in inrichtingen. Daar wordt, zeggen ze, een schrijver tenminste nog serieus genomen en bij ons niet. De nazi’s namen de schrijvers en schilders ook serieus, ze vermoordden ze of ze verboden ze te schrijven en te schilderen. Toch waren deze schrijvers en schilders de nazi’s niet dankbaar, er is mij tenminste nooit iets van dien aard ter ore gekomen.

    Het is dan ook niet vreemd dat hij in Oost-Berlijn meer realiteitszin tegenkomt. Roemenië is populair bij jullie in het Westen, omdat het zich onafhankelijk opstelt tegenover Rusland. Maar wat de binnenlandse politiek betreft is Ceaucescu, met z’n familieleden, een van de grootste tirannen die er rondlopen. Daar verdwijnen nog steeds mensen van de ene dag op de andere. Jullie hebben het altijd over Zuid-Amerika, ik merk nooit dat er bij jullie gedemonstreerd wordt tegen Roemenië.’

    We zijn inmiddels zo’n veertig jaar verder. De muur is al lang verdwenen, Berlijn is weer één stad, en verreweg de meeste getuigen zijn overleden. Des te waardevoller worden deze prachtige en nog altijd uitermate leesbare verslagen als document van het na-oorlogse, verdeelde Berlijn.

     

  • Oogst week 38 – 2022

    Weerspiegeld in een waterglas

    Onlangs is bij uitgeverij Athenaeum een lijvige biografie verschenen over Maurice Gilliams (1900 – 1982) geschreven door Annette Portegies. Tegelijkertijd verscheen daar Een binnenplaats met gras, een bloemlezing uit Gilliams verhalend proza, poëzie en essays, samengesteld door schrijfster Leen Huet.

    Hoewel de Vlaamse Gilliams in 1969 de Constantijn Huygensprijs en in 1980 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving, en zijn roman Elias of het gevecht met de nachtegalen is opgenomen in de Vlaamse Canon van de Nederlandstalige Literatuur, is hij, in ieder geval bij de Nederlandse lezers, nog vrij onbekend.

    Daar komt met deze beide uitgaven, en een podcast in oktober van de VRT misschien verandering in.
    Er bestaat zelfs een website over Maurice Gilliams. Daar kan je lezen dat schrijver en biograaf Pierre H. Dubois  in 1983 in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het volgende schrijft: ‘Gilliams is een complexe figuur geweest. Wie het voorrecht had hem te kennen weet dat hij onder bepaalde omstandigheden zeer sociabel kon zijn, lachen kon als geen ander, verhalen vertellen, parodiëren, vlijmscherp uit de hoek komen en van een haast dodelijke ironie zijn. Er was een andere Gilliams, maar dezelfde, die mateloos melancholiek, zonder illusies, de vergeefsheid van alles en de opgeblazen ijdelheid van velen met spottende minachting doorzag. Er was een Gilliams die plotseling, door onrecht geprikkeld, een strijdbaarheid toonde, wonderlijk contrasterend met de stilte waarvan zijn werk getuigt. Er was, achter al deze verschijningsvormen, een raadselachtige Gilliams, de dichter, de denker, de mijmeraar die zich niet anders blootgaf dan in het spaarzame dat hij aan zijn handen, aan zijn hoofd, aan zijn hart, liet ontsnappen.’

    De podcast ‘Maurice Gilliams. Het wonderlijke leven van een schrijver uit Antwerpen’ gemaakt door Gudrun De Geyter, is vanaf 3 oktober op VRT Max te beluisteren.

    Weerspiegeld in een waterglas
    Auteur: Annette Portegies
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Uit Berlijn Machthebbers Krijgsgewoel

    In de jaren 80 van de vorige eeuw schreef beeldend kunstenaar, dichter, schrijver en acteur Armando (1929 – 2018) vooral vanuit Berlijn een wekelijks verslag voor de literatuurbijlage van NRC Handelsblad.
    In Uit Berlijn | Machthebbers | Krijgsgewoel zijn al deze columns gebundeld, aangevuld met twee langere verslagen uit China, inclusief bijbehorende illustraties.
    Het vormt het 20e deel in de serie Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland.
    Armando’s leven en werk werden voor een groot deel bepaald door de Tweede Wereldoorlog en Kamp Amersfoort. In zijn columns heeft hij het over de vele vormen en nuances die goed en kwaad kunnen aannemen. Soms blijft hij als commentator op de achtergrond, laat hij alleen de mensen aan het woord in de hoofdstukken ‘Flarden’.

    Het nawoord is geschreven door J. Heymans die in 1999 De boom, Over Armando uitbracht, een essay over het werk van de Nederlandse kunstenaar in de verschillende artistieke disciplines (de schilder, de schrijver, de beschouwer, de dichter, de beeldhouwer e.a.) en de onderlinge samenhang daarin.

    Uit Berlijn Machthebbers Krijgsgewoel
    Auteur: Armando
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2022)

    Neubach

    Erik Voermans is muzikant, componist, docent, columnist en schrijver.
    Jarenlang schreef hij – soms zeer kritische – columns over klassieke muziek voor het Parool. Deze zomer stopte hij daarmee.
    Van hem verschenen eerder Van Andriessen tot Zappa, een bundeling van interviews met componisten & andere verhalen, en Eerste Hulp Bij Klassieke Muziek, waarin hij voor mensen die kennis willen maken met klassieke muziek, maar niet weten waar te beginnen, als ‘reisleider’ fungeert.

    En nu is daar zijn eerste roman. Over een Russische componist, Vladimir Neubach, die in 1953 van Moskou via Berlijn naar Amsterdam vlucht. Daar groeit hij uit tot de succesvolste componist van zijn generatie. Op het hoogtepunt van zijn roem, als hij in opdracht van het Concertgebouworkest werkt aan een requiem en als de vrouwen in zijn leven zich van hem afkeren, gaat hij zijn onontkoombare ondergang tegemoet, geplaagd door schimmen uit het verleden.

    Uit Neubach:
    ‘Toen was het de beurt aan Neubachs Angels. Al bij de eerste episode met raadselachtig doorzichtige koperakkoorden, waarin de spanning tussen consonantie en dissonantie heel precies was afgewogen, ging er een golf van ontroering door de zaal. Toen het stuk na vijftien minuten was afgelopen, bleef het minstens tien seconden doodstil. Niemand durfde te applaudisseren. Een vrouw verbrak die stilte door luid ‘bis!’ te roepen, een verzoek dat als een veenbrand door de zaal ging, gevolgd door donderend geraas van klappende handen en stampende voeten.’

    Neubach
    Auteur: Erik Voermans
    Uitgeverij: AFdH
  • Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

    Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


    Hans Verhagen is het minst
    overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
    Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

    ‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
     Hans Verhagen & Conny Tavenier’

    Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

    ‘Het is niet vrij van rozen
     en ook het gebruik van motoren
     is aan mijn lichaam niet vreemd.’

    De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


    Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
    die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
    Sterren boven Bombay:

    ‘Je zei dat je zou komen,
     ik heb op je gewacht.
     Je zei dat je bij mij zou blijven,
     ik ben alleen gebleven.
     Ik hoopte dat je me alleen zou laten
     maar je hebt me met een menigte gevuld
     en ik weet niet wat ik doen moet –’

    Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


    Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
    aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
    Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

    ‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
     jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
     waarin ze plotseling oploste
     toen ik even niet keek.

     O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
     met een gat waar d’r hart was en waar
     je doorheenkeek in een wirwar van stegen
     waarin ze verdween, m’n geweten.’


    Na opnieuw een lange pauze,
    en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
    negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

    ‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
     schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
     aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
     tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
     – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
     opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
     te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
     niets veranderd is, wat opvallend is,
     omdat je juist is opgevallen
     dat alles anders is.’

     

    Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

    Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

    ‘Met al mijn lyrische geneeskracht
     heb ik nog geen enkel wezen
     van het sterfbed teruggebracht’

     

     

  • Boom

    Boom

    Bomen moeten het regelmatig ontgelden. Ze zijn makkelijk te beschuldigen: ze nemen de zon weg, verpesten het uitzicht, of vormen een potentieel obstakel voor een dronken automobilist. De zaag wordt er vervolgens ingezet en er verdwijnen mooie, soms monumentale bomen. Alleen als ze gewoon ziek zijn, is er geen sprake van schuld. Het gaat me aan het hart wanneer een boom om de verkeerde redenen wordt omgezaagd. Het duurt al gauw een half mensenleven voordat een boom een beetje omvang heeft bereikt. Ik denk dan altijd aan het gedicht ‘Aan een boom in het Vondelpark’ van Vasalis uit Vergezichten en gezichten:

    ‘Er is een boom geveld met lange groene lokken.
    Hij zuchtte ruisend als een kind
    terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
    Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

    O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
    met slepend haar en met de geur van jeugd
    stromende uit zijn schone wonden,
    het jonge hoofd nog ongeschonden,
    De trotse romp nog onverslagen.’

    Dit gedicht roept de pijn op van verloren gegane schoonheid, hoewel die zelfs na de kap nog blijft bestaan. Ook al zou dit gedicht eigenlijk om een gestorven kind gaan, het blijft ook letterlijk een sterk beeld. Laatst maakte ik een boswandeling en ontmoette een enorme kaalslag. Staatsbosbeheer is tegenwoordig een marktpartij en heeft targets voor houtkap. Dit was een zogeheten productiebos. Het herinnerde mij aan regels van Armando uit het gedicht ‘De waarheid’ uit: Liever niet:

    ‘langs de straten slapen de vochtige lichamen,
    stapels op een hoop verzameld.

    Hier heeft iets plaatsgevonden
    dat op de vage waarheid lijkt.’

    Zoals bekend bestonden er voor Armando schuldige landschappen, getuigen van vreselijke gebeurtenissen, zoals de bossen rond Kamp Amersfoort waar hij dichtbij opgroeide. Bij het begrip ‘schuldig landschap’ komen bij mij automatisch de beelden van de geblakerde bossen uit Australië op. Die doen denken aan een ontluisterend gegeven: dat van de opwarmende aarde, en de ontkenning daarvan door sommigen.

    In de postuum verschenen bundel Toch lijkt Armando de rol van het landschap te relativeren:

    ‘Natuurlijk is de boom gestorven,
    moest de boom dan openbaren,
    een getuigenis afleggen?’
    (‘Boom’)

    Inderdaad. Getuigen doen in het geval van de Australische bosbranden alleen de televisiebeelden, die ons er niet alleen van doordringen hoeveel schoonheid er verloren gaat, maar ook wie de ware schuldige is. Het landschap is hier overduidelijk slachtoffer.

     

    Vergezichten en gezichten / Vasalis / Van Oorschot (1954); Liever niet en Toch / Armando / AtlasContact (2017 en 2019).


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Vrachtwagens vol grind

    Vrachtwagens vol grind

    Zeven jaar waren we weg geweest. De overgang vanuit het midden van Portugal, de bergen, ruwe begroeiingen en weidse uitzichten, naar een met grind en tegels belegde Nederlandse tuinen. Waar achter de ramen van de meeste huizen een eenheid van twee identieke objecten in de vensters stonden opgesteld. Tussen wijkende gordijnen, als waren het de coulissen van een huiselijk toneel, de objecten een optreden verzorgden voor passanten. Je zag twee zedelijk neerbuigende bloeiende orchideeën in eenduidige potten, onbetamelijk grote lantaarns waarbinnen nooit een lichtje werd ontstoken, of een set schemerlampen, vermoedelijk zonder snoer. Het was in september 2007 dat we terugkeerden, wennen was een dagelijks ding.

    Het eerste nieuws dat me trof (ook het luisteren naar nieuwsberichten is anders als je lang bent weggeweest, alsof het niet voor jou, die zo lang weg was, bestemd is), was de brand in het Armando Museum in de Elleboogkerk in Amersfoort. Zijn daar aanwezige collectie, zo sprak de nieuwslezer op 22 oktober, was daardoor verloren gegaan. Het was een schok voor de kunstenaar, hij rouwde om het verlies van zoveel kunstobjecten en niet alleen om die van hemzelf; er zat ook een grafiek van Dürer in de collectie. Het bericht trok aan me, bracht me een stukje meer naar waar ik geland was. Sinds ik in de jaren tachtig Herenleed had gezien en later zijn gedichten las, begreep ik dat Armando altijd rekening hield met de wreedheid in de mens. Mijn geloof in het goede in de mens, dat niemand slecht wordt geboren, in wezen niet slecht is, begon te tanen toen steeds meer de betekenis van ‘schuldige landschap’ tot me doordrong, de tragiek in de mens.

    Aan ver doorgevoerde beteugelingen van de natuur kan ik niet wennen. Een gedicht van Armando raakt aan wat ik voel als ik langs betegelde voortuinen en grindbakken loop. Zijn gedicht Een galg, (Gedichten 2009 waarmee hij de  VSB Poëzieprijs 2011 won), raakt aan de verbazing en de irritatie die ik gewaar werd over hoe een land in zeven jaar tijd zo strak in zijn vorm getrokken was. Denk aan de hoeveelheid grind waarvoor rivieren worden afgegraven en die met vrachtwagens vol de stad werd binnengereden. Ik denk aan de bomen en planten die ontworteld werden en voor dood bij het grofvuil werden gelegd. Ik dacht aan degenen die dachten ergens aan te bouwen door bomen te ontwortelen, dat ze er uiteindelijk geen plezier van zouden hebben als het water zou komen. Ik las het niet zonder enige grimmigheid in mezelf gewaar te worden. Komt ie:

    Ze dachten we gaan de aarde beklimmen
    we gaan de dood verjagen, we
    zegenen de regen, we
    brengen stenen naar de stad

    Ze zwoegden
    en bouwden moeizaam een galg

    Armando is niet meer, gestorven in het harnas zou je uit de berichtgeving kunnen opmaken. En dat doe ik maar al te graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

  • In memoriam Armando 1929 – 2018

    Dichter, prozaïst, muzikant, theatermaker, schilder en beeldhouwer Armando  is op zondag 1 juli overleden in Potsdam, hij was 88 jaar. Armando (18 september 1929) kreeg bij geboorte de naam, Herman Dirk van Dodeweerd mee maar heeft die nooit willen gebruiken. Zijn Italiaanse grootmoeder en zijn moeder noemden hem van kleins af Armando. En zo is het gebleven.

    Geboren in Amsterdam verhuisde Armando in 1939 met zijn ouders naar Amersfoort. Daar, waar eerst alleen heide en bos was waar hij als jongen speelde, werd in de oorlog door de Duitsers een concentratiekamp gebouwd. Het geweld dat in het concentratiekamp gebruikt werd en tot ver buiten het kamp werd waargenomen, waren van grote invloed op Armando’s werk. Hij deed daarvan verslag in het boek De straat en het struikgewas, waarvoor hij de Multatuli-prijs (1988) kreeg. In 1979 breekt hij internationaal door als kunstenaar en in datzelfde jaar verhuist hij naar Berlijn waar hij tot 2004 zal blijven wonen. In 2008 verhuist hij opnieuw naar Duitsland, nu naar Potsdam.

    Armando beoefende meerdere kunstdisciplines maar werd bij het grote publiek vooral bekend door de tragikomische serie Herenleed (1971-1994), die hij samen met Cherry Duyns en Johnny van Doorn maakte voor de VPRO. En wellicht door de brand in 2007 in de Ellenboogkerk in Amersfoort, waar het Armando Museum gevestigd was. Door die brand is veel van zijn werk verloren gegaan. Er werd wel gezegd dat Armando te goed was om de lieveling van het publiek te worden.

    Maar zijn thema’s over goed en kwaad, dader en slachtoffer reikten verder dan de oorlog. De tragiek van de mens en het weten dat elk mens, als deze van hogerhand de permissie krijgt een ander te onderdrukken, dat ook zal doen, daar was Armando van doordrongen. ‘Je moet niet veel van de mensen verwachten.’ zei hij in een interview met Trouw (2014): ‘Wreedheden zitten óók in de mens.’ En in landschappen, hoe idyllisch ook. Schuld en onschuld was ook en belangrijk onderwerp in zijn werk en waar het gedicht ‘Getuigen’ uit zijn laatste bundel Liever niet (2017) en verschenen bij Atlas Contact uitdrukking aan geeft.

    ‘er zijn geen getuigen meer
    getuigen van de dingen die ze zagen
    die ze moesten zien maar niet meer willen zien
    getuigen die steeds blijven zwijgen
    getuigen die vertellen over dingen die ze graag gezien hadden
    getuigen die niets zagen die nooit iets gemerkt hebben
    getuigen van zon en schemer van dampige gestalten
    getuigen die geen getuigen zijn omdat ze te laat naar voren drongen.’

    Als dichter debuteerde hij in 1953 in ‘Podium’, pas in 1964 debuteerde hij met een bundel, die hij de titel meegaf ‘Verzamelde gedichten’. In de jaren zestig sluit hij zich aan bij de Nul-beweging en ontwikkelt zich in die jaren ook als fanatiek bokser. Daarover publiceert hij een drietal cycli gedichten ‘Boksers’, de Engelstalige reeks ‘Fighters’ en ‘September in de trein’. Als kunstenaar en schrijver stond hij bekend als tegendraads. In Berlijn werkte hij jarenlang in het oude atelier van nazi-beeldhouwer Arno Breker. In zijn schilderwerken domineert het zwart, maar ook het rood, in plakkaten aangebracht gebruikte hij graag. Hij schilderde verkoolde bomen, zwarte vlaggen en landschappen in monumentale afmetingen. Over zijn ervaringen in Berlijn schreef hij columns voor NRC Handelsblad, die later werden gebundeld.

    Hij muntte de term ‘schuldig landschap’, als ook, ‘schuldige bomen en bossen’ die de thematiek van zijn werk behelsde. De natuur zag hij als getuige van gruwelijke oorlogshandelingen en andere misdaden. In elke idylle hield zich een kern van het kwaad verborgen, volgens Armando. ‘Het bos heeft alles gezien en toegelaten, zonder een woord te zeggen. En het staat er nog: onbewogen als altijd.’ (uit: Aantekeningen over de vijand, 1981).

    Er stond een overzichtstentoonstelling in de steigers voor het jaar 2019, waarin hij negentig zou worden. De onderhandelingen met directeur Suzanne Swarts van Museum Voorlinden waren in volle gang. Aan dood gaan dacht Armando niet. Hij had nog veel ideeën, om te schilderen te schrijven. De laatste jaren liet zijn gezondheid te wensen over, zijn rechterarm kon hij niet meer gebruiken en hij werd afhankelijk van een rolstoel.

    Armando was een veelzijdig man en behoorde tot een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse kunstenaars. Nationaal en internationaal werd hij gewaardeerd als beeldend kunstenaar, schrijver, documentairemaker en violist. In 2010 portretteerde Cherry Duyns Armando in de documentaire  Armando, portret van een vriend, over de tragiek van de mens en het gevecht met de eeuwigheid. ‘Kunst maken is niet leuk,’ aldus Armando in de film.

    Zijn werk werd met verschillende prijzen bekroond. Voor zijn gebundelde column Machthebbers (1983) ontving hij de F. Bordewijkprijs en Multatuliprijs. Voor zijn hele oeuvre ontving hij in 1985 de Jacobus van Looyprijs voor dubbeltalenten.

    In Komrij’s Nederlandse Poëzie (15/16e druk) is Armando opgenomen met twee gedichten, waaronder: ‘Waarom zouden we wat we gedaan hebben om vergeving vragen’.

    om vergeving vragen waarom
    hebben we gedaan wat we moesten doen

    we deden wat we konden om niet
    te weten dat we leefden

     

    Foto: Conny Meslier

     

  • Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

    Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

    De dichter Hans Sleutelaar doet zijn naam eer aan. Hij blijft aan zijn oeuvre ‘sleutelen’ tot er bijna niets van overblijft. ‘het schrompelt als een kriks ineen’, zou men vrij naar ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ kunnen zeggen. In het jaar dat Sleutelaar tachtig werd, 2015, verscheen zijn bundel Wollt ihr die totale Poesie? Die ‘totale poëzie’ omvat in dit geval nog geen 100 bladzijden, waarvan er slechts ruim 70 daadwerkelijk gedichten bevatten, ‘korte en zeer korte’, zoals de ondertitel van de bundel al aankondigt. Een poëtische oogst van een bescheiden, beslist dichterschap dat meer dan zestig jaar omvat.

    Hans Sleutelaar komt voort uit de groep dichters rondom het tijdschrift Gard sivik, waartoe ook Armando behoorde, evenals C.B. Vaandrager en Hans Verhagen. Sleutelaar liet zich in de jaren zestig in met artistiek-weerbarstige stromingen als de Nul-beweging en ‘De nieuwe stijl’. Veel weerstand riep Sleutelaar op met zijn boek De SS-ers (1967). Hierin bundelde hij interviews (samen met Armando) met Nederlanders die in de oorlog ‘fout’ waren geweest, om ook hun geluid in het na-oorlogse Nederland te laten horen. Het riep een storm van verontwaardiging en protest op. Later was Sleutelaar als adjunct-hoofdredacteur verbonden aan het opinieweekblad Haagse Post en publiceerde hij met Eelke de Jong in kloek formaat uitgegeven een aantrekkelijk geïllustreerde verzamelingen Nederlandse sprookjes uit de Lage Landen (3 delen).

    Sleutelaars poëzie laat zich bij oppervlakkige kennismaking aanzien als nuchter. Het zeer fraaie, zakelijk en grijzig vormgegeven uiterlijk van dit bescheiden bundeltje draagt aan die verwachting bij. De zorgvuldige lezer echter wordt voortdurend getroffen door geloofwaardig sentiment. Overduidelijk aanwezig is bijvoorbeeld het effect van de oorlog op de Rotterdammer Sleutelaar.

    Willemsbrug mei ‘40
    Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
    Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
    – De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
    Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.

    In de ‘Lof van de poëzie’ wijst de dichter niet zozeer op de kracht van de tekst, maar op het mirakel van de werkelijkheid die de inspiratie tot een gedicht verwekt.

    Wat is poëzie? Wat zijn woorden?
    Wat niet? Een echo van een echo
    is het woord. Maar menigeen
    die geen vermoeden heeft van poëzie,
    ziet soms de wereld in haar wonder licht.

    Dit bundeltje bestaat uit vijf afdelingen, getiteld ‘Schaars licht’, ‘Vermiste stad. Rotterdamse kwatrijnen’, ‘Verspreide gedichten’, ‘Vroege verzen’ en ‘Vertalingen’, plus een opstel uit 2005 met de titel ‘Kan rijm nog?’. Ook relevant zijn de ‘Aantekeningen’ waaruit blijkt dat sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en bekenden. Meermalen duikt daarbij de naam op van C.B. Vaandrager, voor wie Sleutelaar het volgende grafschrift schreef.

    De dichter, in het stugge woord bedreven,
    die zijn gesloten hart nors openstelde,
    sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
    De stad bestaat in wat hij haar vertelde.

    Naast de hier aangehaalde korte gedichten staan er in deze bundel nog kortere maar ook langere. Het motto bij dit alles is van Martialis, een Romeins schrijver uit de 1ste eeuw na Chr.: “Je kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen dan ik zelf ben geweest.” Sleutelaar zelf zegt al, in zijn kwatrijn ‘Nieuw Rotterdam’, “Hier is geen plek voor nietigheid.” Deze bescheiden verzameling stroeve maar volwaardige gedichten verdient volkomen mededogend en welwillend te worden tegemoet getreden.

     

     

     

  • Klein en lokaal

    Tegenwoordig laven wij ons aan het grote, het internationale, het mondiale. Ook ik maak me daar veelvuldig ‘schuldig’ aan. Dat werd mij weer eens duidelijk toen ik van de zomer met vrouw en dochter op het Griekse eiland Lefkas verbleef. Op het terras van een restaurant aan een prachtige baai bestelden we iets te drinken. We wilden wat zoetigs, iets van Fanta of Sprite. De restaurateur wees ons op een lokale drank die wel wat weg had van Sprite. Het smaakte zacht zoetig, een prettig drankje. Waar we ook kwamen nadien, vroegen we om Lous, het lokale drankje dat ons even bij de Grieken deed horen. Het voelde, naast de prettige smaak, ook goed om kleine initiatieven en merken te steunen. Dat zouden we vaker moeten doen, dacht ik. Het bevordert de lokale economie: door die impuls en stimulans en oplopende consumptie, ontstaat dan hopelijk een variëteit aan lokale smaken waaruit wij als consument kunnen kiezen. De lokale bierbrouwerijen varen in ons land al wel bij deze ontwikkeling. Laten we dan ook de kleine boekhandel weer eens vaker bezoeken, zeg ik.

    Zo loop ik geregeld bij boekhandel Minotaurus, vlakbij de Amsterdamse Nieuwmarkt, binnen. Benieuwd naar welke nieuwe, kleine publicaties die ze me kunnen aanbieden. Uitgaves die je niet zomaar elders of in een reguliere boekhandel kunt vinden, maar gelimiteerd uitgegeven titels, door kleine drukkers, op een handpers gemaakt, in oplages van 10 of 25. Het liefst genummerd en gesigneerd door dichter, tekenaar of drukker.
    Hans van Daalen, de mede-eigenaar van Minotaurus en bibliofiel in hart en nieren, schoof Stroom en Woud onder mijn neus. Voltreffer. Gedichten van de Oost-Duitse schrijver Johannes Bobrowski (1917-1965), vertaald door de Nederlandse dichter C.O. Jellema (1936-2003). Gedrukt door René Hesselink van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx en Winderickx in een genummerde oplage van 65 exemplaren.

    De thematische verwantschap met bijvoorbeeld Armando is aanwezig, het verleden dat in het landschap huist. De stijl is zeker lyrischer, maar de toon is eveneens donker en refererend aan oorlog, verlatenheid, vluchtigheid en verlies. Met ook nog de laatste publicatie van Léon Hanssen over Mondriaan van uitgeverij De Buitenkant in de tas, liep ik tevreden naar buiten.

    ’s Avonds keken wij uit/ op een stenig dal. De havik zweefde/ rond de brede koepel./ Zagen de stad, oud, wirwar van huizen/ omlaag tot aan de rivier./ Zul je over de heuvel/ gaan? De grauwe kolonnes/ – grijsaards en dikwijls de jongens -/ sterven daar. De helling/ lopen zij op, voor de jakkerende wolven uit. (Uit: gedicht Kaunas 1941 van Bobrowski). Stroom en Woud van Johannes Bobrowski, te koop voor 35 euro bij Boekwinkel Minotaurus te Amsterdam  bel 020-6227748 of stuur een email naar minotaurus@xs4all.nl.

     

     

  • Duivelskunstenaar

    Onlangs kreeg ik van reclamemaker, kunstenaar en boekenverzamelaar Erik Kessels zijn laatste boek cadeau: The Many Lives of Erik Kessels. Zijn veelzijdigheid is jaloersmakend. Hij moet een enorme gedrevenheid hebben om dit allemaal te kunnen bedenken en uitvoeren en daarnaast doodleuk een reclamebureau te runnen, KesselsKramer, gevestigd in een oud nonnenklooster aan de Amsterdamse Lauriergracht. Kessels moet het geheim hebben gevonden om 48 uur in een dag te kunnen stoppen. Wat hij dagelijks en in het echt doet, doe ik in mijn gedachten. Ik ben in gedachten een schilder, beeldhouwer, fotograaf en graficus. In mijn atelier ben ik druk bezig met het maken van litho’s, etsen en houw ik grote blokken steen in rudimentaire vormen die vaag doen denken aan menselijke gedaantes.

    Ik kreeg een aantal oude kunsttijdschriften in handen uit het jaar 1985, waaronder het Italiaanse Tema Celeste, waarin afbeeldingen staan van werkende kunstenaars in hun atelier. En de verfspatten knallen van de pagina’s af. Al bladerend, droom ik weg van mijn computer naar een groot, leeg industriegebouw waar het licht van de ramen van boven naar beneden valt op doeken met verse verf op canvas, ui de speakers klinkt de staccato gitaarriffs van metalband Metallica. Het busje staat al klaar waarin de nog druipende serie schilderwerken worden vervoerd naar het bedrijf waar de doeken komen te hangen. Een van de vele opdrachten die ik krijg van bedrijven om hun grote kantoren te behangen met mijn lyrisch-expressieve schilderkunst. Ha! Das war einmal.

    Er zijn van die personen die het grote gebaar echt (waar) maken. Kessels dus. Die naast kunstenaar, reclameman, directeur en groot-collectioneur van kunst- en fotoboeken ook nog eens vader van drie kinderen is. Hij doet me denken aan andere – jongens in de kunsten – duivelskunstenaars die niet alleen schilderen en beeldhouwen, maar ook nog muziek maken en gedichten schrijven, zoals Armando. Ook zo’n held.
    Aan het einde van de zomer tot in het najaar heeft Kessels in het Duitse Düsseldorf een grote overzichtstentoonstelling, waar alle ruimtes van het gebouw van Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen worden gevuld. Zijn – op gevonden beelden (familiealbums) en fotografie gebaseerde kunst – is een aansporing om, ondanks het bombardement aan info en beelden, juist beter naar die foto’s te kijken. Wat Kessels doet – in de grote gang van de geschiedenis – is het persoonlijke, individuele verhaal laten zien, de toeristen in gekke poses, in zwembaden en op de kermis in een schiettent. Ik ga graag weer naar mijn favoriete land deze herfst en droom nu even verder over een nieuwe serie etsen, op grote platen van 1 bij 1 meter.

     

    The Many Lives of Erik Kessels
    New York, Aperture, 2017
    576 p. Ills. Hardcover in slipcase.

     

  • Zijn gedichten tonen een vijandig en onherbergzaam wereldbeeld

    Zijn gedichten tonen een vijandig en onherbergzaam wereldbeeld

    Armando is bijna negentig jaar oud. De veelzijdigheid  van zijn kunstenaarschap benadrukken, is een gemeenplaats geworden. Maar toch: hij schildert, schrijft, musiceert en acteert. Echter, Armano’s weerbarstige afzijdigheid staat zijn statuur in de weg. Anders zou hij met gemak ‘The grand old man’ van de Nederlandse kunsten kunnen worden genoemd – op meerdere van zijn kwaliteiten.

    Als dichter debuteerde Armando in 1964 met een bundel die hij – toen al pesterig – Verzamelde gedichten noemde. Er zouden ondanks die titel nog vele dichtbundels volgen. Zijn ‘echte’ verzamelde gedichten verschenen in 1999 en werden herdrukt in 2003. En ook daarna zagen weer nieuwe gedichten het licht, in een tiental bundels, soms zeer uitbundig en kostbaar uitgevoerd. In een recent televisieportret maakte Armando duidelijk dat het voor hem allemaal zo nodig niet hoeft, maar dat hij – bijna met tegenzin – gehoor moet geven aan eisen die de muze stelt. De gedichten ontstaan niet dankzij maar ondanks de dichter. Een intrigerend denkbeeld. De titel Liever niet is in dit verband dus meer dan toepasselijk.

    Minstens zo fascinerend is de kernachtigheid van Armando’s thematiek, die altijd voelbaar is, tot in de haarvaten van zijn werk. Eenvoudig de inhoudsopgave bekijken van de bundel Liever niet zegt al genoeg. Gedichten heten bijvoorbeeld:

    Verlaten / Bloed / Achterdocht / Dwaling / Gevaar / Modder / Omsingeld / Pijn / Twijfel / Vlucht / Bedrog / De veldslag / Argwaan / Het graf / Liever niet

    De wereld van Armando is niet vrolijk. Nergens is hoop, geen sprankje. Veel is onduidelijk, vaag. Overal en altijd is er de suggestie van dreiging, onbehagen en onzekerheid. Sommige dichtregels laten zich als dichterlijk citaat of aforisme afzonderen: “Weten is waarschijnlijk denken” of “dwalen in een dweepzieke duisternis” of: Soms kan een groot gemis / een zachte overwinning zijn.

    Maar ook daardoor wordt een vijandig, onherbergzaam wereldbeeld bevestigd. Een ander voorbeeld, dat min of meer ‘hoopvol’ begint – en toch echt weer op z’n Armando’s eindigt:

    De groet
    Een ongeduldige groet
    met klachten over waakzaamheid.

    Een omhelzing als beginsel,
    verzonnen in een hinderlaag,
    een mond vol glas en een
    beker met listig water.

    Een toenadering?
    Wellicht een aanraking?
    Nee,
    een steekspel zonder handen.

    Het echte raadsel van deze gedichten is het succes ervan. Ook al is Armando’s poëzie ‘onpoëtisch’, aan de zeggingskracht ervan kan de lezer zich niet onttrekken. Misschien worden zijn gedichten met evenveel onbehagen en tegenzin gelezen als Armando ze geschreven heeft. Lezer en schrijver, door woorden verbonden, verenigd in tegenzin – en toch gezamenlijk betoverd door de onheilspellende kracht van deze taal. Het wonder van de poëzie.

     

     

    ,
  • Dubbeltalenten

    Dubbeltalenten

    Waarom weet ik niet precies, maar dubbeltalenten hebben vaak mijn interesse. Vorige week schreef ik over Dirkje (William D.) Kuik, grafisch kunstenares en schrijver. Toen ik begin van dit millennium met mijn compagnon JOOT begon, hadden we in ons bedrijfsplan opgenomen dat we extra aandacht aan dubbeltalenten wilden geven. Hoe wisten we nog niet, maar we vonden het blijkbaar een fascinerend fenomeen. En dat is natuurlijk ook zo. In het algemeen word je al een beetje raar aangekeken als je bij voorbeeld schrijver of filmmaker bent, want: ‘En wat voor werk doe je dan echt?’ Blijkbaar is ‘echt werken’ in veel gevallen niet schrijven of films maken. Lijkt me dus niet makkelijk om te antwoorden op de vraag: ‘Wat brengt bij jou nou brood op de plank?’ met: ‘Ik ben dichter en daarnaast ben ik ook fotograaf.’ Dan ben je natuurlijk een beetje gek. En misschien is dat ook wel zo. Al zullen de dubbeltalenten waarschijnlijk gewoon niet anders kunnen. Woekeren met je talenten, dat moet heerlijk zijn. Het heeft me altijd heerlijk geleken om bij voorbeeld je eigen verhalen beeldend te kunnen begeleiden. Of, als gitarist ook nog eens te kunnen zingen en je eigen poëzie – songteksten – te kunnen schrijven. Prachtig vond ik het dus dat Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kreeg dit jaar.

    Een ander dubbeltalent waar ik altijd enorm door word geraakt is Armando (1929). Schilder, beeldhouwer, tekenaar, dichter, verhalenschrijver, documentairemaker, violist. Ik ben vast nog een  van zijn talenten vergeten. De Nederlander met zijn onhollandse voorkomen, unieke verteltrant en mediterrane pseudoniem spreekt in elk geval zeer tot mijn verbeelding. Armando’s echte naam is Herman Dirk van Dodeweerd, dan begrijp je de keuze voor een sluipnaam. Dat hij eind jaren zeventig meen ik Nederland verruilde voor Berlijn, dat begrijp ik wel. Nederland is letterlijk klein, maar vaak ook, daardoor misschien, in de geest klein, kleingeestig dus. De verbeelding krijgt hier maar weinig ruimte. Zo ontvluchten de schrijvers en kunstenaars als Campert, Vinkenoog, Van der Elsken en Karel Appel na de Tweede Wereldoorlog Nederland ook al, vooral naar Parijs.  De kunstzinnige émigré is een terugkerend thema in de geschiedenis. Intussen woont Armando al weer jaren in een appartement in Amstelveen, stug doorwerkend aan zijn schilderijen. Het musiceren is een tijd geleden al opgehouden, maar de korte verhalen is hij blijven schrijven. Als ik af en toe eens een doek beklad met verf en ik zie enkele vegen of vlakken die me vaag doen denken aan het werk van Armando, dan ben ik een blij mens.