• Had je deze al?

    Had je deze al?

    Misschien is Arjen Duinker wel de meest eigenzinnige dichter van Nederland. Sinds zijn eerste gepubliceerde gedichten in 1988 wekt hij de indruk volstrekt voor zijn eigen plezier te schrijven. Hij heeft maling aan stromingen of poëtische conventies, voert personages ten tonele die niemand kan plaatsen behalve hijzelf, en bekommert zich niet om duiding of nagelaten indrukken. Dat toch vele lezers zich heel goed in de gedichten kunnen vinden, bewijzen de vertalingen van zijn bundels in meer dan twintig talen. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in de vrolijkheid die de gedichten oproepen, zonder dat ze komisch of kolderiek zijn. Zijn zinnen, die steevast met een hoofdletter beginnen, zijn kort en krachtig, zijn taalgebruik is net zo duidelijk als de gebeurtenissen die hij beschrijft. In gewone bewoordingen beschrijft Duinker alledaagse dingen, die hij niet mooier maakt dan ze zijn. Ook legt hij geen diepere betekenis in de weergave van zijn observaties; de wereld is wat ze is en daarmee moeten we het doen.

    Hij toont een nuchtere instelling die een optimisme oproept bij de lezer, waarbij zelfs de meest onmogelijke dingen blijmoedig geaccepteerd worden. Dat wil niet zeggen dat Duinkers poëzie eenvoudig is. Ze weerspiegelt de absurditeit van het dagelijkse bestaan, waarbij hij het alledaagse bijzonder weet te verwoorden. De interpretatie is een taak van de lezer, want de dichter lijkt er onverschillig voor te zijn en biedt geen handreikingen om verbanden te leggen. De lezer moet er zelf achter zien te komen wat het voorstelt, als het al iets voorstelt:

    Gelukkig

    Het opperwezen is een meervoud.
    De vaders dood, de moeders dood.
    Gelukkig voor het opperwezen bestaat het niet.
    Ik zwaai naar je, opperwezen, ik zwaai naar je.

    De vrouw die we vergaten, leeft nog.
    Ze kust haar kinderen en de hond.
    Gelukkig voor de vrouw rijdt er een bus.
    Ik zwaai naar je, levende vrouw, ik zwaai.

    De man kijkt uit over de zee.
    Vogels roepen waarschuwingen naar de golven.
    Gelukkig voor de man is de nevel stil.
    Ik zwaai naar je, nevelman, ik zwaai.

    Kijk, kijk, kijk!

    Duinker is bovendien de meester van de herhaling, waarbij hij vaak in de laatste versregels een kleine wijziging aanbrengt die al het voorafgaande in een ander licht zet. Dit effect bereikt hij ook door gebruik te maken van tegenstellingen, paradoxen, omkeringen. Als lezer vraag je je af wat het doel is van de triviale, dagelijkse bezigheden die de dichter beschrijft, maar tegelijk dwingt hij je om na te denken of het leven soms ook anders had kunnen gaan. De gebeurtenissen lijken willekeurig te zijn, in een parallelle wereld zou de afloop helemaal anders kunnen zijn, zoals in een kinderboek waarin je keuzemogelijkheden krijgt voor verschillende verhaallijnen. De keuze is aan de lezer, de dichter geeft slechts opties. Nog eens kijken naar de wereld om je heen, dat is wat Duinker voorschrijft aan de lezer.

    Dat komt het duidelijkst naar voren in vijf gedichten, verspreid over de bundel – een index ontbreekt – die alle de titel ‘Eventueel’ dragen met een oplopend Romeins cijfer, maar ook in het gedicht ‘Vlieg op, man!’:

    Pak de kool,
    Leg hem op de kast,
    Kijk er nog eens naar.
    Jij verandert, de kool verandert.
    Toch noemen we jou jou en de kool de kool.
    Waarom word je zo kwaad?
    Blijf met je handen van me af!
    Zeg ik soms iets ergs?
    Vlieg op, man!
    Ga je vrienden lastig vallen!
    Neem de eerste trein naar het strand,
    Kalmeer en huur een kamer!
    Maak je koffer open,
    Pak de kool,
    Leg hem op de kast
    En kijk er nog eens naar.

    De zee omhelst je!

    Een echt collector’s item

    De postzegelverzamelaar, die voor de titel van de bundel heeft gezorgd, duikt op verschillende plaatsen op in de gedichten. In het gedicht ‘Pracht’ worden tien eigenschappen van een verzameling genoemd, waaronder: ‘Een postzegelverzameling/ Reinigt je ziel, sust je geweten,/ Bereidt je voor op de dood,’. En uit het gedicht ‘Drie brieven’ wordt duidelijk dat een verzamelaar uniek denkt te zijn, de mooiste verzameling ter wereld wil hebben en nooit rust zal kennen, omdat er nog steeds jacht gemaakt moet worden op dat ene ontbrekende exemplaar. Hij is een eenzame figuur: ‘Een verzamelaar vindt het leuk/ Om te praten met andere verzamelaars./ Maar hij verafschuwt ze.’ Hij is een Meester Prikkebeen die tevergeefs achter de steeds ontsnappende vlinder aanjaagt. Zijn verzamelwoede wordt niet gemotiveerd door zijn liefde voor mooie objecten, maar voor het vervolmaken van zijn verzameling. Het streven naar volledigheid lijkt de enige drijfveer.

    De ik-figuur probeert een ‘jeugdige postzegelverzamelaar’, die klaagt over ‘De moeite die ze zich moest getroosten voor iets zeldzaams,/ De onzekerheid’, gerust te stellen met de woorden:

    Ik zei haar dat dingen die niets waard zijn,
    Dikwijls veel geld kosten, en dat onzekerheid
    Fundamenteel is voor onze verzamelingen.

    Voor een dichter die de indruk wekt dat geen enkel woord een bedoeling heeft en geen enkel ding nut of doel, is dit een opmerkelijke uitspraak die een filosofisch inzicht biedt in zijn eigen aard en dichterschap. Want wat is een bundel anders dan een verzameling gedichten, en een gedicht anders dan een verzameling woorden? ‘Het is goed om te blijven zoeken/ Naar het mooiste exemplaar van iets.’

    Duinker ten voeten uit

    In het gedicht ‘Iemand spreekt een zin uit’ zijn vrijwel alle typische motieven van Duinker terug te vinden: de herhaling, de opsomming, de onzekerheid en de mogelijkheid van een parallelle wereld:

    De uitgestrektheid van het heelal,
    Het onzekere van de berekeningen,

    Het zwart van de zwarte gaten,
    De kleine kans dat ik je tegenkom,
    De stilte van de magnetische velden,
    Het lot van de rusteloze deeltjes,
    De kleuren van de theorie,
    De hoogte van de warmtestraling,
    De kritische waarde van de dichtheid,
    De verleden tijd die ons nog rest,
    De vectoren, de vectoren,

    De kans dat ik je tegenkom,
    De kans dat ik je tegenkom.

    Als laatste biedt de bundel een cyclus van dertien Romeins genummerde gedichten, getiteld: ‘Dertien zelfportretten van Philip Akkerman’. Duinker geeft geen uitleg, maar Akkerman blijkt een schilder te zijn die sinds 1981 uitsluitend zelfportretten heeft geschilderd. Het moeten er inmiddels meer dan tienduizend zijn. Duinker voegt er nog dertien aan de verzameling toe. Hij beeldt de schilder af als een voetballer, die in hoge mate twijfelt aan zijn talent op het voetbalveld, maar daar uiteindelijk vrede mee heeft. Voor lezers die helemaal geen verstand hebben van voetbal en er ook absoluut niet in geïnteresseerd zijn, zijn dit gedichten om snel even doorheen te bladeren, omdat er weinig tot niets in staat dat aanspreekt. Metaforen in voetbaljargon zijn aan hen niet besteed. Toch is dat jammer, omdat Akkerman duidelijk zelf een verzamelaar is en zijn aanwezigheid in deze bundel van daaruit verklaard zou kunnen worden. Had Duinker de gedichten geschreven vanuit Akkermans kunstenaarschap of vanuit diens verzamelwoede waar het zelfportretten betreft, dan hadden de gedichten beter aangesloten bij de bundel als geheel. Nu voegt deze cyclus niets toe aan een voor de rest prachtige en evenwichtige bundel. Dat Duinker ervoor gekozen heeft om vanuit het oogpunt van een voetballer te schrijven, zal ongetwijfeld een reden hebben, maar die wordt niet aan de lezer meegedeeld.

    Hieruit blijkt opnieuw de eigenzinnigheid van de dichter, die weigert om ook maar iets uit te leggen. Het enige wat in de buurt komt van een verklaring is een uitspraak van Akkerman op de site van Hollandse meesters in de 21e eeuw waarin hij zegt: ‘Zelfportretten: O.K. Het is cliché, het is te bedacht, het is niet nieuw, het is academisch, het is nageaapt. Maar: IK WIL HET DOEN!” De laatste zin had Duinker zomaar over zijn eigen poëzie hebben kunnen zeggen.

     

     

  • Tot ziens! Welkom!

    Tot ziens! Welkom!

    De nieuwe bundel van Arjen Duinker, Autobiografie tot op de dag van vandaag, roept vele vragen op bij de lezer. Dat begint al bij de titel, die verwarring schept, want wat is ‘de dag van vandaag’? De dag waarop de dichter de bundel voltooide? De dag waarop de lezer de gedichten leest? Die kan ook morgen, overmorgen of nog verder in de toekomst liggen. Het is ook geen autobiografie in enge zin die de levensloop van de auteur beschrijft; eerder herinnert de dichter zich voorvallen en gebeurtenissen die voor hem van belang waren, of dingen, mensen en namen die hem toevallig te binnen schieten. Omdat de bundel opgebouwd is uit deze haast losse aantekeningen, zou het woord ´Memoires´ passender zijn. Bovendien ligt de nadruk niet zozeer op de auteur zelf, als wel op de personen die hij gekend heeft. Want het wemelt van de personen in deze bundel: er worden talloze namen genoemd, zonder dat de dragers ervan echt geïntroduceerd worden bij de lezer: vrienden, kennissen, kroegmaten, in een bonte stoet komen ze voorbij. Zwaan en Zazie kunnen als dochters geïdentificeerd worden, maar bij de rest van de namen wordt geen persoonlijkheid omschreven of een reden voor hun nagedachtenis.

    Vreemd vertrouwd

    Het noemen van zo veel namen is enerzijds heel irritant, omdat je de mensen niet kent: het is alsof een onbekende alles met je deelt over zijn familie, die je nooit zult ontmoeten. Duinker houdt je als lezer buiten de deur, met zo veel autobiografische feitjes die je nooit kunt controleren op hun waarheidsgehalte. Anderzijds geeft het een vertrouwd gevoel: de dichter betrekt je bij zijn leven en zijn verleden alsof je een oude vriend bent. De lezer wordt langzamerhand een kroegmaat die de verhalen herkent, bevestigt, omdat ze geen toelichting meer behoeven. Duinker is een verhalenverteller, al doet hij dat niet op de geijkte manier. Belangrijker dan de chronologie van zijn levensloop of het weergeven van de werkelijkheid is de verwoording van zijn herinneringen:

    ‘Ik ben ver weg geweest.
    Zei je dat de zon schijnt
    En dat het winter is
    Wanneer je van mij
    een wervel neemt
    Val ik uit
    Elkaar

    Toen ik een was, wilde ik twee zijn,
    Toen ik twee was, werd ik doorzichtig,
    Toen ik drie was, kwam Kirsten kijken,
    Toen ik vier was, voetbalde ik in de Palamedesstraat.
    Toen ik vijf was, ving ik een kikker,
    Toen ik zes was, kocht ik een rol beschuit,
    Toen ik zeven was, sprong ik uit het raam,
    Toen ik acht was, had ik mijn eerste hersenschudding’

    Dit is pas ‘episch’

    De bundel kan gelezen worden als één lang gedicht. Daarbij nodigt de dichter ons uit op een associatieve reis door zijn geheugen. Dat daarbij gerefereerd wordt aan voorstellingen die de lezer niets zeggen en de dichter alles, is onvermijdelijk.

    ‘[…]
    Een vleermuis is een paard.
    Een paard is een snoek.
    Een snoek is een fazant.
    Een fazant is een gorilla.
    Een gorilla is een spreeuw.
    Een spreeuw is een rendier.
    Een rendier is een zalm.
    Een zalm is een kievit.
    Een kievit is een wasbeer.
    Een wasbeer is een mijt.
    Een mijt is een adder.
    Een adder is een vlieg.’

    Opsommingen, je houdt ervan of je hebt er niets mee. Voor Duinker is het blijkbaar van belang dat de dingen steeds opnieuw benoemd worden en daardoor gestalte krijgen. Dat gegeven doet denken aan de Scheepscatalogus in het tweede boek van de Ilias van Homerus, waarin de schepen de revue passeren die ten oorlog voeren tegen Troje. Over het vermeende aantal schepen bestaan verschillende opvattingen, maar de bedoeling van de lijst is duidelijk: het afdwingen van respect voor de Griekse oorlogsvloot. Duinker wil ook alles benoemd hebben, om zo volledig mogelijk zijn herinneringen op te slaan, uit respect voor alles en iedereen die zijn leven beïnvloed heeft. Hij maakt de opsommingen volstrekt associatief, zoals het geheugen immers werkt. Hierbij gebruikt hij narratieve en visuele geheugensteuntjes: zo laat hij elke versregel met een hoofdletter beginnen, maar ook met vaak dezelfde woordgroep of aanhef, zoals kinderen een verhaal vertellen met ‘en toen…en toen…en toen’, wat de citaten laten zien. De herhaling is noodzakelijk om de opsomming mogelijk te maken, maar schept tevens een geruststellend ritme.

    Herlezen of herleven?

    Het werpt de vraag op voor wie deze bundel geschreven is, voor de lezer of voor de dichter zelf. Soms lijkt Duinker de lezer deelgenoot te willen maken van zijn leven, maar vaker nog lijkt hij alleen voor zichzelf herinneringen te boekstaven om die niet te vergeten. Hij herschept zijn eigen verleden, naar eigen inzicht en eigen wens. Hij heeft geen behoefte aan de werkelijkheid of de waarheid, want de dingen bestaan omdat hij ze benoemt. Slechts observatie volstaat om zijn verwondering te verwoorden, vrij van metaforische versiersels.

    ‘Laat me hier staan,
    Ik heb genoeg van de redeneringen,
    De uitkomsten, de hoerastemming.
    Ik sta op een plein en kijk naar een plein,
    Ik sta bij een hek en kijk naar een hek.
    Ik sta bij een café en kijk naar een café
    Zonder me af te vragen of het kijken gelijk heeft,
    Zonder te weten of het kijken ertoe doet,
    Zonder te weten of het iets oplevert.’

    Dat wil niet zeggen dat de lezer buiten de bundel gehouden wordt. Duinker beschrijft de wereld niet zoals ze is, maar zoals ze geweest is voor hem in het verleden. Met zijn taalgebruik probeert hij die wereld, de vrienden en de steden die hij bezocht heeft weer op te roepen, waarbij melancholie en een soort van heimwee naar wat geweest is de ondertoon vormen. Wie zich overgeeft aan het melodieuze ritme en de muzikaliteit van zijn taal, wordt langzaam binnengetrokken in het universum van de dichter, zonder zich verder af te vragen waartoe en waarheen, drijvend op de kalme stem van de verteller.

     

  • Oogst week 44 – 2022

    Sprookjesboek

    Godfried Bomans schreef meer dan zestig boeken, waaronder vele kinderboeken, en werd vooral bekend met Erik of het klein insectenboek en De avonturen van Pa Pinkelman, een absurdistische strip. Hij was een kenner van Charles Dickens en vertaalde de Pickwick Papers. Hij schreef humoristisch en ironisch, een stijl die weerklank vindt bij illustrator Thé Tjong-Khing.

    Deze veelgeprezen illustrator heeft sinds 1956 ontelbare boeken en verhalen geïllustreerd en strips getekend. Thé begon als tekenaar bij de Toonder Studio’s en werkte vanaf 1971 als freelance illustrator. De meeste illustraties zijn voor kinderboeken, waarvan alleen al zeven voor de Vos en haas boeken, een reeks van Sylvia Vanden Heede. Hij won met zijn werk vele prijzen, waaronder de Woutertje Pieterse-prijs en Gouden en Zilveren Penselen. In 2010 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Max Velthuijs-prijs.

    Uitgeverij Sunny Home verzocht Thé uit de sprookjes die Godfried Bomans schreef het Sprookjesboek samen te stellen en het te illustreren. Thé deed dat eerder met Bomans’ De gierige koning. Hij vindt het een eer en groot plezier om tekeningen te maken bij de sprookjes, omdat hij erg houdt van de ‘ietwat ironische, quasi-ernstige toon en verhalen met een donker randje’, zoals hij zegt.
    Thé heeft altijd affiniteit met de tekst. Zijn detaillistische stijl met pen en fijn penseel is magisch en tegelijkertijd realistisch. Gevoelens van personages worden door hem uitmuntend weergegeven en ook humor is in zijn tekeningen te vinden.

    Sprookjesboek
    Auteur: Godfried Bomans
    Uitgeverij: Uitg. Sunny Home

    Waarom een schilderij werkt

    Jurriaan Benschop is curator, kunstcriticus en schrijver en woont in Berlijn. Hij publiceerde boeken over Berlijn als kunststad, over Cezanne, over de drijfveren en opvattingen van hedendaagse Europese artiesten en over tentoonstellingen van toonaangevende Europese kunstenaars. Voor het magazine Artforum recenseerde hij meer dan zeventig exposities. Hij publiceerde interviews met kunstenaars en schreef essays en artikelen over kunst en aanverwante zaken in tijdschriften en tentoonstellingscatalogi. Ook houdt hij lezingen en is hij gastdocent bij kunstacademies in Europa en de VS, waar hij ook schrijfworkshops geeft.

    In Waarom een schilderij werkt laat Benschop de lezer kennismaken met tientallen hedendaagse schilders. Hij onderzoekt hun werk, hun thema’s en motieven, de manier van schilderen en de culturele achtergrond van de schilder. Daarmee probeert hij antwoord te geven op de vragen die hij zich voortdurend stelt: Waarom werkt dit schilderij, welke betekenis heeft het, kan het overtuigen? Eveneens behandelt hij kwesties als hoe we, behalve ernaar kijken, over kunst kunnen spreken en schrijven, en het doorgronden van een kunstwerk. De verhouding tussen concept en schilderkunst komt aan de orde, evenals bijvoorbeeld de vraag wanneer een schilder een colorist wordt genoemd. Verder verklaart Benschop waarom het bezoeken van een museum of een atelier zo veel voldoening kan geven.

    Het boek bevat kleurenreproducties van Nikos Aslanidis, Paula Rego, Rezi van Lankveld, Lara de Moor, Martha Jungwirth, Marc Mulders, Matthias Weischer, Daniel Richter, Louise Bonnet, David Benforado, Andreas Ragnar Kassapis, en van vele anderen.

    Waarom een schilderij werkt
    Auteur: Jurriaan Benschop
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot

    Autobiografie tot op de dag van vandaag

    In Autobiografie tot op de dag van vandaag van Arjen Duinker staat het leven van de dichter zelf centraal. In Delft wel te verstaan, waar hij al vrijwel zijn gehele leven woont.

    Duinker debuteerde in 1980 met gedichten in Hollands Maandblad, maakte met K. Michel het gestencilde en handgeschreven tijdschrift AapNootMies (1982-1985) en publiceerde later zestien dichtbundels en een roman. Met zijn gedichten won hij belangrijke prijzen, waaronder de Jan Campertprijs en tweemaal de VSB-poëzieprijs. Hij werkt ook samen met internationale kunstenaars.

    Duinker doet niet mee aan de hedendaagse poëzietrend waarin het navelstaren veelal de regels vult en iedere minimale ervaring van de dichter breed wordt uitgemeten. Bij Duinker gaat het om de schoonheid, de verwondering van wat hij concreet aanschouwt, de absurditeit van het bestaan. Hij is wars van abstracties en metaforen. Zijn dichtregels bestaan uit klanken, ritmes, herhaling in heldere, korte regels.

    De Delftse binnenstad is in Autobiografie tot op de dag van vandaag een grote rol toebedeeld. Het boek is één lang gedicht, bestaande uit straten en straathoeken, winkels, cafés, meubilair en bloemen. ‘Ik ben ver weg geweest. Ik heb mijn ogen de kost gegeven. Ik ben in Delft geweest.’ Het meest houdt hij van de Baljuwsteeg, vertelt hij in een interview in Trouw, ‘omdat die nergens heen lijkt te gaan. Maar als je eruit komt, sta je opeens in een andere wereld, de grachtenwereld, met mooie panden, licht, water, intimiteit.’ En in de Autobiografie schrijft hij: ‘Ik loop door de Baljuwsteeg en ga de hoek om Naar de Voorstraat! Wat een hoek!’

    Vertalingen van Duinkers werk verschenen in Italië, Engeland, Frankrijk, Portugal, Australië, Iran, Finland en Rusland.

     

    Autobiografie tot op de dag van vandaag
    Auteur: Arjen Duinker
    Uitgeverij: Uitg. Querido
  • Op sterven na dood

    Als je niet oplet drijft het verleden ongemerkt uit beeld tot er niets van over blijft en neemt het heden het volledig van je over. Tot je door iets dat je ziet of hoort met dat verleden geconfronteerd wordt. Gistermorgen viel mijn oog op een kopje boven een kort bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Ik las: ‘Vrij Nederland op sterven na dood.’ In werkelijkheid stond er: ‘Vrij Nederland gaat verder als maandblad.’ Door de schok had ik het bericht misvormd. Door de crue berichtgeving werd ik enkele decennia teruggeworpen in de tijd.

    In bed met een stapel kranten in een historisch pand in de binnenstad van Deventer waarvan mijn Lief en ik de verbouwing nooit helemaal voltooid kregen. Wanneer het cementstof was neergedaald en de kou door iets te enthousiast gesloopte tussenmuurtjes door het pand kroop en mijn Lief de kroeg om de hoek indook, was Vrij Nederland mijn baken.

    Met Bibeb, Dichters & Denkers, Boek van de maand, Nederlands proza, de stukjes van Rinus Ferdinandusse (die ik nooit helemaal begreep of gewoon geen geduld voor had), essays en veel, veel ruimte voor recensies. En op de achterkant het feuilleton Agnes, beslommeringen van een alleenstaande bijstandsmoeder met opgroeiende zoon, door Peter van Straaten. In mijn herinnering stonden er geen nieuws of opiniestukken in. Wat natuurlijk wel het geval was en ik zal er voor de vorm ook wel met mijn ogen overheen zijn gegaan, al staat me daar niets meer van bij.

    Boven in mijn werkkamer, die dit weekend als logeerkamer was gebruikt en er nogal aangedaan uitzag, trok ik een grote zwarte koffer onder mijn tafel vandaan en klikte de twee sloten open. Gravend door bergen correspondentie van vrienden en geliefden vond ik op de bodem twee dikke mappen met knipsels en vergeelde VN krantenbladen. Ik vond een recensie van Carel Peeters van De vriendschap, de tweede roman van Connie Palmen, 4 maart 1995. Peeters vond het boek een genadeloos filosofisch meisjesboek dat met niets te vergelijken was: ‘De roman ontwikkelt zich van meisjesboek tot filosofisch essay.’

    In de rubriek Ter zake, uit dezelfde editie een stuk over de taak van de openbare bibliotheken bij de verspreiding van literatuur. Het geval wilde dat de spraakmakende bundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker veel lovende recensies had ontvangen maar van de elfhonderd bibliotheken die Nederland toen rijk was, bestelden er maar elf een bundel! Het was een schande. De uitgever van Duinker, Maarten Asscher schreef een boze brief naar de directie van de NBD (Nederlandse Bibliothekendienst) waarin hij klaagde over het feit dat er van de meer commerciële literatuur altijd veel meer werd aangekocht. Een regelrechte schande voor de poëzie was het.

    Er stonden namen in waar ik toen nog nooit van gehoord had en ook later nooit meer iets van vernomen heb. Eendagsvliegen zoals Sammi Landweer die met de verhalenbundel Woestijn debuteerde. En op 3 februari 1990 besprak Frans de Rover De psychologie van de zwavel van Atte Jongstra, waarin feit en fictie een belangrijke rol spelen. In de serie Privé-domein was net Mijn leven door Alma Mahler-Werfel uitgekomen. Beide boeken staan nog steeds in mijn boekenkast en mijn heimwee naar de dagen dat literatuur er nog toe deed in de media, wordt meer en meer aangewakkerd.

    Maar hoe moet dat nu met de literatuur en zijn besprekingen nu VN, na een feestelijk gevierd 75 jarig bestaan op het punt staat te verdwijnen? Want maandelijks verschijnen nadat je decennia lang een wekelijkse gast was, wil zeggen dat je langzaam uit beeld verdwijnt.

     

     

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman