• Oogst week 21 – 2025

    Leeft een rivier?

    Steeds vaker hoor je berichten over initiatieven die ervoor (willen) zorgen dat de natuur de status van rechtspersoon krijgt. Zowel in Nederland als daarbuiten. Net als mensen en bedrijven wordt de natuur daarmee door het rechtssysteem erkend als zelfstandige entiteit, en kunnen er namens de natuur rechtszaken aangespannen worden.
    In Nederland is op dit gebied de Stichting Rechten van de Natuur opgericht.

    De Engelse natuurschrijver Robert Mcfarlane is een overtuigd aanhanger van rechten voor de natuur. Zijn werk wordt internationaal gewaardeerd, hij won er prijzen mee en soms werden er op basis van zijn boeken ook documentaires gemaakt. Van hem is nu bij Uitgeverij Athenaeum Leeft een rivier? verschenen. Centraal daarin staan drie grote stroomgebieden die in gevaar zijn in Ecuador, India en Canada. Hij behandelt niet alleen het aloude nut van rivieren als vervoermiddel, leverancier van energie en drinkwater e.d., maar hij gaat vooral in op de gevaren die de rivieren bedreigen als gevolg van vervuiling, droogte en indamming.

    Leeft een rivier?
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2025)

    Alma

    De ene puber is de andere niet. Dat weten we allemaal. In Alma krijgt de hoofdpersoon te maken met een zoon die van de een op de andere dag echt in de weerstand gaat. Hij wil niet meer naar school, is niet aanspreekbaar en zit alleen maar te gamen en te blowen.

    Alma is psychiater en is prima in staat om anderen van goed advies te voorzien. Maar hoe moeilijk is het als het haar eigen zoon betreft! Niet alleen in de omgang met hem, maar ook in relatie tot haar man, de andere zoon èn zichzelf!

    Judith de Graaf is psychotherapeut. In 2024 verscheen van haar de roman Ontijd, een familieroman over voltooid leven. Ze schreef ook korte verhalen. Die verschenen o.a. in literair tijdschrift Extaze. Als psychotherapeut is zij o.a. actief bij gezins- en opvoedingsproblemen.

    Alma zal op 5 juni a.s. bij boekhandel Broese in Utrecht gepresenteerd worden.

    Alma
    Auteur: Judith de Graaf
    Uitgeverij: Uitgeverij De Brouwerij

    De omvang van de wereld

    In het werk van een van de grootste schrijvers van Europa, de Portugees António
    Lobo Antunes (1942), komen vaak dezelfde thema’s voor. Macht, dood en oorlog. Zijn werk kenmerkt zich echter ook door humor, al is die soms ver te zoeken. Hij gebruikt vaak verschillende vertelstemmen en autobiografische elementen in zijn werk.
    Zo ook in De omvang van de wereld. Daarin vertellen vier personages het verhaal. Een oude zieke man, zijn buitenechtelijke dochter, zijn huisgenote en haar minnaar. Ze zijn allemaal op enige manier met elkaar verbonden.
    Het verhaal doet er in dit boek minder toe. Het zijn vooral monologen, overpeinzingen, van de vier personages die betrekking hebben op al dan niet betrouwbare herinneringen aan de jeugd, de geboortegrond, de stad (Lissabon), gevoelens van eenzaamheid en andere existentiële waarden.
    Het is geen lineair verhaal. Elk hoofdstuk bestaat uit één lange zin, veel interpunctie, herhalingen en andere stijlmethoden.
    Harrie Lemmens vertaalde het boek en voorzag het van een nawoord. Arjan Peters schreef de inleiding. Volgens Lobo Antunes is De omvang van de wereld zijn laatste boek.

    De omvang van de wereld
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Maaskant Haun (2025)
  • Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.

    Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.

    Mijn Parijs

    Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’

    Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.

    Die vervloekte literatuur

    Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.

    Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.

    Fata morgana

    De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.

    En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’

     

     

  • Het begon met een Golliwog

    Het begon met een Golliwog

    Op de voorkant van Burgzorgs Blik zit een zwarte jongen. Hij zit met kroeshaar, dikke rode lippen, grote ogen, oorringen in en een ketting van botjes om de nek, voor een drievoetige drum. De grote tenen van zijn – uiteraard blote – voeten dragen ook ringen. Kortom: de veelheid van stereotypen die lang opgeld deden in alle prentenboeken met zwarte mensen erin. Bombo heet de jongen. Op pagina 72 in Burgzorgs Blik staat de afbeelding nog eens maar nu met meer context en dan blijkt het nog erger te zijn.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

     

  • Hans Vervoort-prijs voor verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard

    Hans Vervoort-prijs voor verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard

    Schrijver Hans Vervoort wil meer aandacht voor ‘vertellers-proza’. Met de dit jaar ingestelde tweejaarlijkse Hans Vervoort-prijs wil hij de Nederlandse literatuur een beetje wakker schudden. Het mooie aan deze prijs is dat iedereen, van lezer tot schrijver, van uitgever tot boekverkoper titels kan inzenden èn dat ook in eigen beheer uitgegeven titels mogen meedoen. Veel boeken die in eigen beheer worden uitgegeven, worden weinig besproken, blijven ongezien. Deze prijs zal daar deels verandering in brengen.

    De Hans Vervoort-prijs wil meer aandacht voor ‘proza dat NIET beoogt iemands wereldbeeld te veranderen. Maar dat die wereld gewoon beschrijft.’ Zo liet Hans Vervoort in een bericht op zijn Facebook account weten.

    Aan de prijs is een geldbedrag van 10.000 euro verbonden, 5.000 euro is door de Hans Vervoort Stichting beschikbaar gesteld, de andere helft kwam kort na de bekendmaking van de Hans Vervoort-prijs binnen, als gift van een anonieme literatuurkenner.

    In aanmerking voor deze prijs komen oorspronkelijk Nederlandstalige verhalenbundels en romans verschenen in 2020 en 2021, en geschreven in een ‘bij voorkeur niet overdadige, liefst zuinige stijl’, waarbij ‘zelfspot bij de verteller of hoofdpersoon als pluspunt geldt’ en: ‘Een zekere weemoed eveneens.’

    De jury van de Hans Vervoort-prijs bestaat uit voorzitter Arjan Peters  (literatuurcriticus) Roeland Dobbelaer ( Bazarow en de Leesclub van Alles) en Bart Leemhuis (De Nieuwe Boekhandel). 

    Tot en met 31 december 2021 kunnen titels worden aangedragen. De shortlist van de drie tot zes titels die in aanmerking komen voor de prijs, wordt eind februari 2022 bekend gemaakt.
    De winnaar wordt bekend gemaakt in april van dat jaar.

    Verdere informatie is te vinden op www.hansvervoort.nl

     

     

  • Pannekoeken opgooien

    Pannekoeken opgooien

    Het is een zonnige zaterdagochtend, ik fietst naar het dorp voor de Volkskrant. Ik wil weten hoe deze krant eruit ziet zonder bijdragen van de verdwenen literair criticus Arjan Peters. Of hadden ze nog een recensie van hem liggen? Ik verwacht iets, een teken een sein, opheldering. In de kantoor- tevens tabaks-  en boekhandel aan het plein leg ik de Volkskrant op de toonbank. Ik zeg, ‘De krant zal anders zijn dit weekend’. ‘Ja’, zegt de zoon van de eigenaar, ‘’t is Pinksteren, dan is ie lekker dik.’ ‘Nee’, zeg ik, ‘een invloedrijk criticus is op non-actief gesteld.’ ‘oh, zegt de zoon van de eigenaar, ‘waarom is dat?’

    Er was een dichter die problemen met vrouwen had, een moord pleegde, vijf jaar tbs kreeg. Deze dichter, Achterberg is nu een van de belangrijkste dichters uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzieIn Het bureau, bekent meneer Beerta aan Maarten Koning dat hij eens moest voorkomen op verdenking van ontuchtige handelingen met een jongen. Hij werd onschuldig bevonden, maar er was rook geweest. Die is er ook rond Arjan Peters. Peters zorgde voor reuring in de literaire wereld. Op vileine wijze kan hij in kort bestek een boek afkraken, daarvan getuigt een van zijn laatste recensies, In de wacht van Birney. Een eerlijkheid die ik bewonder. Hij interviewde twaalf jaar geleden schrijfster Frida Vogels, die de publiciteit gewoonlijk meed, in Bologna. ‘Ze praat verzorgd, makkelijk en nogal gedecideerd, waarbij soms een lachje rigoureuze uitspraken lijkt te relativeren.’

    Niet elke afgeleverde roman doet het in zijn eentje. Je kunt het internet raadplegen of je nodigt de schrijver uit om over zijn boek te praten. Over de drijfveer, waarom dit boek, welke boeken lees je. Zo ontstaat een literair profiel, dat van nut kan zijn bij het te bespreken boek. Lunchtijd is een mooi moment. Dat het jonge vrouwelijke schrijvers betreft die via een appje werden uitgenodigd, is opmerkelijk. Ieder creëert de wereld waarin hij op zijn best functioneert. 

    De krant ligt het hele weekend op tafel. Een paar keer blader ik er opnieuw doorheen, als had ik niet goed gekeken. Intussen is het Pinksterzondag, de tuin is ons uitgaansgebied. Ik pak De maan en het vuur van Cesare Pavese, leg het op de tafel onder de appelboom. Geef de jonge rijspeulen water. De kat, die in het zand ligt te zonnen, schrikt op. Bedenk dat je zonder overleg met anderen eenzelvig wordt. Zo kan het gaan. Zonder weerspraak raak je uit koers. 

    Het alter ego van Pavese zegt tegen zijn jeugdvriend Nuto, die niet praat over de dingen die hem bezighouden, ‘Als je iets voor elkaar wilt brengen, moet je voeling met de wereld houden. Heb je geen partijen die voor je werken, afgevaardigden die voor je werken? Praat met ze, zoek ze op.’
    Ik vraag me af wat Peters nu doet. Zoekt hij mensen op, leest hij een boek, of bakt hij pannenkoeken, zoals Karel van het Reve placht te doen wanneer hij niets om handen had. Schort voor, boter in de pan en dan zo hoog mogelijk opgooien. En om deze verdwijning in zijn context te kunnen plaatsen, zou ik Peters wel willen interviewen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist vanaf vandaag met mondkapje, schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Moment van genade

    Moment van genade

    Sinds vrijdag hebben de dagen een andere betekenis gekregen, is er een vertraging opgetreden. Ik ben beïnvloedbaar, gevoelig voor drama, die invloed moet ik bestrijden. Aan de keukentafel overdenk ik mijn stappen, er wil zich geen scenario vormen. Misschien moet ik eerst de vaatwasser uitruimen. Ondertussen komt het nieuws binnen over de toestand in het land, de wereld, het commentaar daarop. Online tips, wat wel en niet te doen, misstanden in supermarkten, welke boeken er gelezen moeten worden, grijp je kans. Boekcovers van De stad der blinden, Nemesis, Liefde in tijden van cholera, De toverberg gaan rond. Nadrukkelijk verzoek te bestellen bij de boekhandelaar zelf. Lezen zonder onderbrekingen, een leeswalhalla, de droom van elke lezer, schrijver. Toch ijsbeer ik van keuken naar kamer en weer terug. Of we niet toch een pak toiletpapier moeten halen vraag ik Mijn lief, en misschien een berg citroenen. De besluiteloosheid, zoekend naar een nieuw evenwicht in deze ongewisse dagen. Mijn aandacht versplintert, niets beklijft.

    Dan zie ik, tussen alle doemdenkersberichten de tweet ‘Grandioze columns van een New Yorkse dame’. Dat zijn nog eens aanstekelijke woorden, ik adem in. Klik de recensie van Arjan Peters open. Columns  van Maeve Brennan, die ze vanaf 1953 als ‘The Long-Winded Lady’ voor de New Yorker schreef. Peters vraagt zich even af of iemand op die oude columns van een New Yorkse dame zit te wachten. En ik denk: ‘Jawel, ik zit hierop te wachten!’ En kijk, recensies doen hun werk, dit boek moet ik hebben. Ik fiets naar het dorp, alwaar het niet bij de plaatselijke boekhandel te verkrijgen is. ‘Nee, nee, ik wil het niet bestellen’, en fiets snel terug naar huis waar ik na enkele klikken het boek in een virtueel winkelmandje plaats. De volgende dag ligt het in de brievenbus. Zevenenveertig columns geschreven tussen 1953 en 1968. Elke column werd in de krant geïntroduceerd met de zin: ‘We hebben weer een bericht ontvangen van onze vriendin de breedsprakige dame’.

    Over broccoli eten in een restaurant (in New York aten ze in 1963 al broccoli!). ‘Toen ik de tong had opgelepeld, richtte ik me op de broccoli. Ik pakte de sauslepel zoals de kelner had gedaan en hield hem boven de broccoli en daarna deed ik hem snel weer terug in de sauskom. Ik kon me niet meer herinneren welke kant van de broccoli eetbaar is. Ik kon het me echt niet meer herinneren.’ (Ze aten broccoli niet met stronk). Het onhandige van vergeten gewoontes, misvattingen, verkeerd inschatten van situaties, dat is waar The Long-Winded Lady over schrijft. Haar overdenkingen leveren ook fijne inzichten op: ‘in onze geest herinneren […] verhalen ons eraan dat we altijd aan het wachten zijn, en ze herinneren ons er ook aan waarop we wachten: uitstel, een moment van genade, iets simpels waardoor we ons ergens over verbazen.’ Ja, een moment van genade in een tijd dat ‘er niet veel aan de hand is op de weg’ er nul km file is en het gewone leven tot nader order is uitgesteld. Lees deze columns van Maeve Brennan.

     

    De breedsprakige dameColumns uit The New Yorker door Maeve Brennan, vertaling Rosalie van Witsen / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2020


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist even niet met het OV en kan niet zonder een goed verhaal. 
  • Ter Braak & Du Perron in Salon Saffier

    Agenda / vrijdag 19 juni / 20.15 uur / Utrecht

    Dit jaar is het 75 jaar geleden dat Menno ter Braak en Eddy du Perron op 14 mei 1940 overleden. Ter Braak maakte op de dag van de capitulatie van Nederland een eind aan zijn leven, Du Perron overleed aan een hartaanval.

    Menno ter Braak en Eddy du Perron staan te boek als schrijvers en critici die een stempel drukten op de Nederlandse cultuurgeschiedenis van de jaren dertig. Zij trokken ten strijde tegen allerlei opvattingen in het toenmalige literaire en politieke leven. Hun samenwerking bereikte een hoogtepunt ten tijde van het tijdschrift Forum, het tijdschrift dat eigenzinnige standpunten uitdroeg, waaronder m.n.: de persoonlijkheid van de schrijver is belangrijker dan de vormgeving. De roemruchte literaire ‘vorm-vent discussie’ was geboren. Ook in hun waardering voor Multatuli vonden ze elkaar. In de tien jaar van hun vriendschap (1930-1940) wisselden Menno ter Braak en Eddy du Perron meer dan twaalfhonderd brieven met elkaar uit.

    In Salon Saffier schetsen hun biografen Léon Hanssen en Kees Snoek een portret van deze geestverwanten in het Interbellum. Na de pauze spreekt literatuurcriticus Arjan Peters met hen onder andere over de literaire, kunstzinnige en maatschappelijke betekenis van de schrijvers – toen en nu.

    Locatie: Wijde Doelen 8A, Utrecht
    Toegang: € 17,00
    In verband met beperkte ruimte: reserveer voor deze voorstelling