• Van Saulus naar Paulus 

    Van Saulus naar Paulus 

    ‘Zeg maar ja tegen het leven’

    Ilja Leonard Pfeijffer heeft in Brieven uit Genua zijn brieven uit de jaren 2012-2015 bij elkaar gebracht, die gericht zijn aan werkelijk bestaande personen, onder meer zijn vroegere geliefde Gelya, zijn moeder en officiële instanties, waaronder zijn uitgever. De auteur heeft dit brievenboek geconstrueerd tot een roman van het echte leven van Ilja Leonard Pfeijffer. De lezer neemt aanvankelijk deze constructie voor lief, totdat er een wending plaatsvindt, die de geloofwaardigheid van het boek enigszins op losse schroeven zet.

    Aanvankelijk is het lezen van dit brievenboek een spannend avontuur. In majestueuze brieven stelt de auteur allerlei zaken aan de orde die hij belangrijk vindt: zijn schrijverschap, zijn leven in Genua, zijn reizen, naar Nederland en naar Italiaanse steden, zijn liefdes en zijn vriendschappen. Verder becommentarieert hij belangrijke en minder belangrijke kwesties, zoals de Nederlandse politiek en het koningslied. In enkele, kort na elkaar geschreven brieven rond de kerstdagen van 2014, gericht aan zijn jongere ik, slaat hij een ronkende toon aan over zijn drankgebruik, zijn liefdesleven en zijn schrijverschap. Wie deze brieven als maatgevend neemt voor het geheel –zoals Volkskrantrecensent Arjan Peters doet – kan niet anders dan met afschuw over dit boek spreken. Maar het boek bestaat uit veel meer dan deze – vermoedelijk later toegevoegde – brieven aan zijn jongere ik.

    Gegrepen door de stijl
    Pfeijffers stijl is meeslepend en rijk, zijn taal versiert, betovert, omfloerst, stelt aan de kaak, ontwricht, snijdt, steekt, verfraait en spiegelt. De lezer die zich door hem laat meevoeren komt overal. Pfeijffer neemt de tijd om zichzelf en de wereld om zich heen, met name Genua, breedvoerig aan de orde te stellen, en hij lokt uit tot tegenspraak, instemming, overdenking, schouder ophalen. Hier is een schrijver aan het woord die de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking wil brengen met alle literaire instrumenten waarover hij beschikt.

    De achtbaan van zijn leven in deze brieven is geloofwaardig tot de grote wending, die wel aangekondigd wordt als literair-compositorisch middel, maar niet onvermijdelijk wordt gemaakt vanuit de ontwikkeling van de auteur die zich tot ons richt. Die omslag kan simpelweg worden weergegeven met de regel ‘Zeg maar ja tegen het leven’, verwijzend naar een liedje dat Wim Sonneveld in de jaren zestig zong. Na de omslag is de lezer niet meer onder de indruk van de prachtige zinnen, scherpe gedachten, ironische oprispingen en intellectuele opmerkingen uit de eerste 630 pagina’s van het boek, maar vraagt hij zich af of deze omslag wel geloofwaardig is.

    Teleurgesteld door de constructie
    De omslag houdt in, dat Ilja Leonard Pfeiffer, volgens een brief, gedateerd 31 maart 2015, helemaal gegrepen is door de liefde voor ene Stella (haar achternaam komen we niet te weten), waardoor hij eindelijk een echt mens wordt, in plaats van de geschreven, onechte persoonlijkheid die hij daarvoor was. Mede door haar uitdrukkelijke wens stopt hij met drinken, waardoor hij de gelukkigste mens ter wereld wordt omdat hij eindelijk ‘bij zijn gevoel kan’, zonder de deken der ironie die de drank hem verschafte. Stella is de nieuwe verslaving waardoor hij onaantastbaar wordt.

    Deze wending is zo totaal dat het leven dat hij voordien leefde er eigenlijk niet meer toe doet. Die ‘oude mens’ kan hij en wil hij niet meer worden. Al is de cold turkey hem op sommige momenten te veel en wordt hij hierdoor meerdere malen tot een zielig hoopje mens. Hij zal echter niet terugkeren naar zijn oude ik, dat is voorbij, voorgoed voorbij, zoals alleen een bekeerling kan zeggen dat het verleden voorbij is. De wending komt voor de lezer als een verrassing omdat de lezer in de eerste 630 bladzijden nergens het idee heeft dat Pfeijffer niet verder kan met zijn oude leven. In de eerste 630 pagina’s van het boek is hij in literair-theoretische zin op zoek naar de liefde, maar dit verlangen is ingebed in een kathedraal van taal zodat je ver moet zoeken naar de pijn die er blijkbaar al die jaren onder heeft gelegen. Hij lijkt gelukkig en overtuigd van zijn bestaan. Daardoor lijkt de wending op de bekering van een boef in Arendsoog, een serie jongensboeken van de rooms-katholieke schrijver C.P. Nowee. De omkering gaat zover dat Pfeijffer de dronkaard Don die hij een paar jaar geleden opvoerde als een held in zijn met de Libris Literatuurprijs bekroonde roman La Superba nu afbeeldt als een loser, een aan lager wal geraakte man die eenzaam sterft op een ziekenhuisbed: ‘Op de dag van Dons dood heb ik beseft dat ik niet net als hij wil leven van de bijval voor mijn fictie, maar echt leven.’ Pfeijffer wil niet bekend blijven als de mythe die hij zelf heeft gecreëerd, maar als een echt mens. Hij zegt ja tegen het leven.

    Het brievenboek is de tegenhanger van La Superba waarin hij het leven van de hoofdpersoon Ilja Leonard Pfeijffer in Genua benadert vanuit de fantasie. Nu is de werkelijkheid het uitgangspunt, maar dan wel de werkelijkheid van deze schrijver die de taal en de drank hanteert om de werkelijkheid draaglijk te maken. In een brief aan zijn vroegere geliefde en huidige vriendin Gelya zegt hij dat de ware schrijver het werk niet modelleert naar het leven, maar omgekeerd. En dat doet hij inderdaad: hij laat Stella in zijn leven komen, omdat zijn brievenroman haar nodig heeft. Doet het ertoe of Stella echt bestaat? Doet het ertoe of hij echt gestopt is met drinken? Uiteindelijk is dat onbelangrijk, zolang de constructie voor de lezer geloofwaardig is. En op dat punt schiet het tekort. Hoe verpletterend mooi het brievenboek ook begint, de wending lijkt een literaire constructie, beter gezegd een deus ex machina, zonder een gerede aanleiding. Pfeijffer krijgt de compositie niet goed rond en de lezer blijft zitten met de paradox dat de persoon die hij leerde kennen, niet meer bestaat. Pfeijffer is als romanfiguur niet geloofwaardig als het personage dat hij van zichzelf heeft gemaakt.

     

  • Een voorbijwaaiende vader

    Een voorbijwaaiende vader

    De nieuwe dichtbundel van Lucas Hirsch, Ontsla me van alles wat ik liefheb bevat nog geen dertig gedichten waarvan de meeste nogal kort zijn. Daar is niet zoveel mis mee; een bundel kan klein maar fijn zijn maar bedenkelijker is dat te veel gedichten uit de bundel kwalitatief aan de magere kant zijn.

    Qua structuur zijn er wel wat aardigheidjes: in het titelgedicht zijn de titels van de volgende afdelingen opgenomen en in de ‘Brief aan Ilja Leonard Pfeijffer’  wordt een groot deel  van het gedicht ‘21 mei 2014 – 2:37 uur’ herhaald. In het slotgedicht komen Hans en Grietje voor, net als in bovengenoemde ‘Brief aan Ilja’ en ook hazen, gelijk als in het gedicht ‘Pels’. Het zijn deze verwijzingen die de bundel bij elkaar houden, maar ze lijken meer puzzeltjes voor de lezer dan noodzaak.

    Ook zijn er verwijzingen naar het werk van andere dichters ‘Angstval’ doet denken aan het beroemde ‘Changement de décor’  van Ellen Warmond. Hier gaat het echter niet om het aanbreken van de dag, maar om het einde ervan. Het gedicht eindigt met:

    De nacht is een tijdbom
    Het bed een angstval
    Het huis een sluipmoordenaar
    waarop ik wacht
    met een kussen in mijn handen

    Hirsch durft er niet op te vertrouwen dat de lezer verwijzingen oppikt. Een gedicht dat begint met Zes hele jaren om mijn leven gelopen / Rond het zevende zeven keer gehuild’ noemt hij bijvoorbeeld (veel te) nadrukkelijk ‘Jericho’.

    In veel gedichten staat hier en daar een aardige zin, maar vaak is dat te weinig om het gedicht als geheel te redden. Emoties worden maar moeilijk overgebracht.

    Het gedicht ‘Pels’ begint met: Lief, ik wil dat je ziet / hoe het donker / dat mij aan de fles bindt / me vaak verblindde. Er is eenzaamheid of somberheid in het gedicht, maar die worden nergens voelbaar gemaakt. Je weet dat ‘het donker’ er is, doordat je het leest, maar het blijft steken bij het weten.

    Slechts sporadisch ontstijgt de bundel het gemiddelde niveau, bijvoorbeeld in het derde gedicht van de serie ‘De genen die’:

    In een storm ben je niemand
    dus probeer ik met moeder te vieren
    dat het vandaag is

    Niet veel later
    waait mijn vader
    langs het keukenraam

    Hem doen halt houden
    kan alleen de dood
    weet moeder

    Ik weet van niets
    Ik ben immers niemand
    als ik storm

    Ook niet als ik naast moeder staand
    vanachter glas naar vader brul
    dat de laatste grote oorlog
    niet door hem gedragen hoeft
    te worden

    Dit is een gedicht dat met weinig woorden veel weet op te roepen. De vader die voorbijwaait; het glas dat de ik en de vader gescheiden houdt; het stormen van de ik (dat wellicht ook iets te maken heeft met het waaien van de vader; en de moeder die iets probeert te vieren, maar die in het gedicht niets zegt. En dan in het slot het oorlogstrauma. Mooi gedaan. Dit gedicht is een goede uitzondering in de verder zeer matige bundel.

     

     

  • Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Onaangepaste hoofdpersoon in een zelfverkozen jungle

    Eindelijk is er weer een vertaling van het meesterwerk Angel van Cormac McCarthy uit 1979. Dit maal heet het Suttree, naar de naam van de hoofdpersoon Cornelius Suttree.
    McCarthy werkte er twintig jaar aan en dat leverde 477 pagina’s adembenemend proza op. Of, is het wel proza? Bij sommige passages zijn de woorden, is de taal zo poëtisch, dat we met een heus gedicht te maken denken te hebben.
    Zo staat er bijvoorbeeld (blz.76) wanneer de hoofdpersoon van het verhaal Cornelius Suttree een café binnen komt: ‘Aan een tafeltje achterin zaten een paar lui van onduidelijk geslacht smachtend naar hen te kijken. Ze leunden met hun ellebogen op de tafel en hun handen hingen als geknakte lelies aan de omhooggedraaide stengels van hun polsen.’
    Of wanneer Gene Harrogate, de jonge protegé van Suttree een markthal verlaat schrijft McCarthy: ‘Boven zijn hoofd rinkelde een windklokkenspel in de trage luchtstroom van de ventilators.‘Deze Gene Harrogate diepte Suttree op in de gevangenis. Suttree beschermde hem daar tegen de schurken en hun wegen kruisen zich af en toe.

    Het verhaal van Cornelius Suttree is de geschiedenis van een aan lager wal geraakte bewoner van een woonboot op de rivier de Tennessee bij Knoxville. Verder speelt op de achtergrond dat de zoon van Suttree na zijn scheiding is overleden. We komen niet achter de doodsoorzaak maar wel dat men Suttree daarvan de schuld geeft. Hij mag niet verschijnen op de begrafenis van de jongen. We komen te weten dat Suttree in de gevangenis heeft gezeten en veel drinkt, maar hij is ook een overlever. En dat laatste komt door zijn levensfilosofie : ‘De menselijke ellende kent geen grenzen. Het kan altijd nog erger!’ Hierdoor onderscheidt hij zich van de andere types, die in zelfgebouwde hutten, boten of krochten langs de rivier leven en vaak in de handen vallen van dieven, moordenaars of van de politie. De politie, die samenwerkt met de onderwereld maar er ook een diepe minachting voor heeft. En Suttree heeft ergens diep in zijn binnenste de eigenschap behouden anderen in eerste instantie met respect te behandelen tot het niet meer kan.

    Dat levert hem zeldzame tips en contacten op, zodat hij slim kan overleven op de drukbevolkte en uiterst smerige rivier, waar wonder boven wonder nog allerlei dieren in voorkomen, die je kunt vangen om van te leven of om er geld mee te verdienen.
    De ‘geheimzinnige indiaan,’ leert hem hoe hij schildpadden kan vangen en dat is een lugubere bezigheid, maar hij stelt Suttree ook op de proef en wil zien of hij tegen al dat bloed is opgewassen: ‘De indiaan zette zich schrap en zwaaide het druipend uit de rivier op de rotsen, waar het hen grimmig aanstaarde met knipperende varkensoogjes. Hij zat vast met een stuk ijzerdraad door zijn kin en de indiaan greep de draad en rukte eraan. De schildpad sloeg en siste, kaken wagenwijd open. De indiaan pakte zijn zakmes, klapte het open, trok de obscene nek van het beest strak en sneed met een snelle opwaartse beweging van het lemmet de kop eraf. Suttree deed onwillekeurig een stap terug. De rimpelige kop bungelde aan de draad en wat daar tussen de gespreide voorpoten gaapte, was een zwarte gerimpelde hondenkut waaruit trage golven bijna zwart bloed gulpten.’
    Het blijkt dat de schildpad door de indiaan gekookt zal worden en Suttree gaat ’s avond bij hem eten op een oude vervallen woonboot.

    En dan is er de drank. Er wordt langs de rivier enorm gezopen. Vooral eigen brouwsels, levensgevaarlijk maar niet minder effectief: ‘Suttree hield zijn ogen stijf dichtgeperst en stak de fles uit. Godsamme, wat is dat voor bocht? Early Times, riep J-Bone. Beste spul dat er is. Als je dat zuipt heb je nergens last van ’s morgens. Of nooit meer. Och wat, geef hier. Hallo, Early, kom maar bij het baasje schat. Hier, gooi hier maar een plens in, doe ik er cola bij. Kan niet Bud, in een mok. Hebben we al geprobeerd. Vreet de bodem eruit. Pas op, Suttree, dat je niks op je schoenen knoeit. Hé Bobbyjohn. Wanneer komt Callahan vrij? vroeg Bobbyjohn. Geen idee. Ergens deze maand. Heb je Bucket nog gezien?Die is verhuisd naar Burlington. Komt hier niet meer. Kom erbij zitten Sut. (. . .)Mijn God, wat is dit voor brouwsel? Early Times, Nik, riep J-Bone. Early pleite kun je beter zeggen. Godjezus, ik weet dat ze die troep in een badkuip maken, maar dit hebben ze zeker in de plee gemaakt.’

    Het boek van McCarthy is vergeleken met Huckleberry Finn van Mark Twain. Maar de overeenkomsten zijn weinig talrijk. Het is meer als een reis door de ziel zoals bijvoorbeeld On the Road van Jack Kerouac. Suttree overleeft door zijn onaangepastheid in zijn zelfgekozen jungle. Zoals Dan Moriarty in Road overleeft in een stadsjungle en het pas fout gaat wanneer hij zich wil aanpassen aan de ratrace van het burgermansbestaan. Suttree overkomt bijna hetzelfde wanneer hij met een prostituee aanpapt. Ze verwent hem met geld en alcohol, maar hij kan het leven van een rijke burgerman niet aan, zeker niet wanneer zij lelijker wordt en dik: ‘Haar toilet maken duurde eeuwig. Met haar glanzende metalen krulspelden in leek ze het object van bizarre experimenten met het menselijk brein. En ze werd steeds dikker. Ze zei: “Ik zou jou wel ‘ns willen zien als je in een bordeel woonde. Zou je ook gaan vreten”.

    De prachtige beschrijvingen van McCarthy zijn zo sterk dat je je pas na een aantal malen lezen realiseert dat hij eigenlijk een wanhopige puinhoop poëtisch beschrijft: ‘Het was nog steeds vroeg toen hij het steile pad langs de resten van een oude muur afdaalde. Een overwoekerde antieke stad hier. Op een dorre akker hingen versleten , door de wind aan flarden gereten kleren aan een kruis met bovenop een hoed. Verderop de oever, met slijk bevlekte rotsen, oude asfaltplaten en blokken beton, waar geroeste ijzeren stangen uitsprietten.’

    Op de laatste bladzijden rijdt Suttree in een auto die voor hem stopt langs de weg en dan volgt de monumentale laatste zin van het boek: ‘Ergens in het kreupelhout langs de rivier loert de jager, en in het golvende koren en de gekantelde drukte van de steden. Zijn werk ligt overal en zijn honden worden nooit moe. Ik heb ze in een droom gezien, kwijlend en wild, de ogen van de honger naar aardse zielen. Ontvlucht hen.’

    Waarvan akte!
    Wat een schitterend boek! Mooi vertaald ook door Harrie Lemmens.

     

  • De woordenvloed van een taalvirtuoos

    De woordenvloed van een taalvirtuoos

    Tim Parks lezen staat zo ongeveer gelijk aan het doorstaan van een vliegende storm. Taal is op alle fronten zijn vakgebied en dat is aan zijn teksten te merken. Met groot enthousiasme racet deze virtuoze auteur door zijn ervaringen en denkbeelden en lardeert ze in Waarom ik lees met ondersteunende bewijzen.

    De korte hoofdstukken van dit boek zijn de afgelopen drie jaar als blog verschenen op de website van de New York Review of Books. Elk van deze essays over schrijven, lezen, vertalen en de boekenwereld was een afgerond geheel en is dat in dit boek nog steeds. Alle hoofdstukken samen bieden een brede blik op het hedendaagse ontstaan van een boek, op de weg die het aflegt voordat het gedrukt in de winkels ligt of elektronisch kan worden gedownload.

    Wat lezen mensen en waarom? Wat kan een boek voor de lezer betekenen en wat betekent het voor de schrijver? Wat is de invloed van een vertaling en hoe is het boekenlandschap door de jaren heen veranderd? Op deze vragen probeert schrijver, essayist, recensent en vertaler Parks antwoord te geven en hij slaagt daar uitstekend in.

    Wat de een prachtig vindt, kan de ander nauwelijks bekoren. Waar een boek bij de een aanspraak maakt op een diepliggende behoefte, brengt de ander er nauwelijks enige interesse voor op en waar de ene mens overloopt van bewondering voor boek of schrijver wordt de volgende er mateloos door geïrriteerd. ‘Onze reactie op romans kan te maken hebben met de groep mensen en de omgeving waarbinnen we zijn opgegroeid, ons een positie hebben moeten verwerven en een persoonlijkheid hebben moeten opbouwen,’ betoogt Parks. De positieve en negatieve uitingen van deze omgeving zijn ons vertrouwd en we houden eraan vast of zetten ons ertegen af. Een mens leest vanuit zijn eigen achtergrond en dat is waarom lezers het vaak niet eens zijn, zegt Parks.

    Aanvankelijk lijkt Waarom ik lees voor lezers bedoeld. Naarmate het boek vordert lijkt de doelgroep meer naar het schrijverspubliek te verschuiven en ook vertalers zullen in zijn uiteenzettingen veel herkennen. Soms is niet duidelijk of Parks als lezer of als schrijver aan het woord is. Niettemin valt er voor de gemiddelde lezer veel te genieten van zijn visie op de talrijke aspecten van schrijverschap en boekuitgaven. Voorbeelden put Parks uit het werk van S. Beckett, D.H. Lawrence, Th. Hardy, Ph. Roth en vele, vele anderen, terug te vinden in het uitgebreide register achterin.

    Parks maakt onderscheid tussen de schrijver als kunstenaar en de schrijver die verkoopsucces tot doel heeft. Het laatste tegenwoordig veelal onder invloed van de steeds internationaler wordende boekenmarkt, waar de Angelsaksische en vooral de Amerikaanse cultuur dominant zijn. Een gevolg van deze ontwikkeling is, meent Parks, dat schrijvers zich al dan niet bewust aanpassen aan een universeel taalgebruik omdat dat gemakkelijker in het Engels te vertalen is en ook uitgevers zo een omvangrijker lezerspubliek binnen bereik zien komen. Parks vindt dat jammer. Schrijvers met hun eigen specifieke cultuur en taalgebruik als uitgangspunt zullen daardoor zelden een groot publiek bereiken, terwijl hun kwaliteit misschien wel op een hoger plan staat dan die van schrijvers die zich met succes op de wereldmarkt richten.

    Dan zijn er nog de haken en ogen aan het vertalen. Een eerste bewijs van de problemen die zich daarbij kunnen voordoen is dit boek zelf. De Engelse titel luidt: Where I’m Reading From. In het Nederlands zou dat ‘Waarvandaan ik lees’ moeten zijn, maar dat klinkt niet. In dit geval maakt dat niet uit omdat het ‘slechts’ een titel is, en ook Parks’ eigen Engelse titel de lading van het boek niet echt dekt. Bij literaire teksten ligt dat anders. Parks – universitair docent vertaalkunde in Milaan – meent dat vertalen onmogelijk is zonder het ritme, de stijl en de stem van de brontekst aan te tasten. Als een van de voorbeelden noemt hij de Zibaldone van Giacomo Leopardi, waaruit hij zelf stukken tekst zou gaan vertalen. Recentelijk had een team van zeven vertalers en twee gespecialiseerde redacteuren een ‘onverkorte en volledig geannoteerde Engelse editie voltooid’. Parks schrijft: ‘Ik heb diep ontzag voor de gigantische prestatie van dit team […] Wat ik wel wil signaleren is dat ik me, terwijl ik hun vertaling lees, terdege bewust ben van de respons van elke individuele lezer […] van onze eigen interesses, overtuigingen, obsessies. Ik hoor Leopardi in een Engels dat heel anders klinkt en aanvoelt dan mijn collega’s hebben gebruikt. Ik hoor gewoon een andere man tegen me spreken – een andere stem – hoewel wat ik hoor niet valabeler is dan de Leopardi die zij voor ogen hadden.’

    Dat de erudiete veelschrijver Parks aan tekst geen gebrek heeft blijkt wel uit zijn productie van zo’n dertig boeken, ruim tachtig essays en artikelen en een stuk of zeventien vertalingen. Over zijn ervaringen met meditatie schreef hij maar meteen twee boeken: het autobiografische Leer ons stil te zitten en de daarmee gepaard gaande roman De dienares. En niet in de minste hoeveelheid woorden. Soms vraag je je af of Parks zijn woordenvloed niet wat kan indammen. Het antwoord is: ja, dat kan vrijwel altijd, maar ook nee, omdat ondanks hier en daar een doublure de lezer door de bezielde en veelzijdige manier waarop Parks uitputtend beschrijft wat hij over het onderwerp kwijt wil, toch geboeid blijft. Ook in Waarom ik lees.

    Het is een rijk boek, al blijft de rol van het e-book wat onderbelicht. Met zijn bekwame formuleringen neemt Parks ook de voorzichtigheid in acht. Hij constateert verschijnselen, staat boven de materie, laat ieder het zijne en vermijdt al te stellige uitspraken. Daarbij is hij zich terdege bewust van zijn Europese publiek – naast het Angelsaksische – wat onder meer blijkt uit de aandacht die hij heeft voor Nederlandse en andere Europese lezers en schrijvers.

    Wie even niet weet wat hij moet lezen of welke boeken van belang zijn voor de canon, al bestaat die volgens Parks niet meer, kan in Waarom ik lees ideeën opdoen, mits hij niet uit is op titels van de nieuwste uitgaven.

     

    Waarom ik lees

    Auteur: Tim Parks
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,99

  • De werkelijkheid is alleen van jezelf

    De werkelijkheid is alleen van jezelf

    Een huwelijk is net als worst. Je moet niet de hele tijd bezig zijn met de bestanddelen van je partner’, antwoordt de ‘ik’ uit Atte Jongstra’s nieuwste roman Worst. Hij krijgt tijdens een college in Berlijn vragen over zijn boeken; deze gaan over de psychologie in zijn romans. ‘Mijn personages houden er niet van. Ze denken liefst zo weinig mogelijk over zichzelf na’, antwoordt hij.

    Op 1 juni 2012 barst de bom. Schrijfster Ingrid Hoogervorst zet haar man buiten de deur omdat hij nooit ergens over wilde praten: ‘Je krijgt een uur om op te rotten’. De aanleiding was een compromitterend gedicht dat ze op zijn pc heeft ontdekt en heeft uitgedraaid. Duidelijk bewijs van overspel, smeet ze hem in het gezicht. Nee, vrijheid van de dichter, was zijn vergeefse repliek.

    ‘De heenzending’ noemt de aangesprokene, Jongstra, die gebeurtenis. In Worst kijkt hij op zijn manier terug op de 15-jarige relatie met zijn ex, die in de roman ‘Rosa’ wordt genoemd. Eerder dit jaar deed Ingrid Hoogervorst dat al in haar Privédomein, een roman met veel analyse en zelfbeklag en graven naar signalen die er bij nader inzien altijd al geweest waren. Jongstra zelf moet daar niets van hebben. Dat blijkt op een vermakelijke manier bijvoorbeeld uit een herinnering die hij beschrijft aan een gesprek dat ze samen hadden naar aanleiding van een artikel uit de NRC van 24 maart 2007 over de ‘Psychologische Alweter’. Rosa gaat er, fragmenten voorlezend aan haar man, eens goed voor zitten: ‘Moet je horen. Goed stuk. Over hoe slecht naar mensen wordt geluisterd.’ De ‘ik’ heeft er geen zin in, maar leest na enig aandringen een fragment voor over het analyseren van elkaars persoonlijkheid in een relatie en zegt dan: ‘Daar zouden ze eens mee moeten stoppen’. Rosa eist het katern terug: ‘Als je je mening al weer klaar hebt, geef dan maar hier.’
    Inderdaad. De signalen waren er vijf jaar voor de ‘heenzending’ ook al.

    Spreidde Hoogervorst de nukken en ongemakken van haar partner (zij noemt die in Privédomein consequent ‘de schrijver’) nogal venijnig ten toon in haar roman, Jongstra doet dat in Worst wat minder. Dat komt vooral door de verwevenheid van zijn terugblik met het verslag van één van zijn verzamelwoedes, worst deze keer. Die lekkernij zet hij in de roman meteen maar in als metafoor voor wat er mis ging: ‘Het was geweld dat ons huwelijk sneuvelen deed, en het peuren in de worst’.

    Nee, voor gepsychologiseer kun je de deur van Jongstra beter voorbijgaan. ‘Daar heb ik een ex-echtgenote voor’, zegt hij in Venetië tegen een Poolse doctor, die hij aan de ‘espressotoog’ heeft getroffen en die hem rondleidt in ‘het Giethoorn van Italië’. Iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid, en laat dat in godsnaam zo blijven, lijkt Jongstra te denken. Dat is ook de toon van Worst. Natuurlijk stopt hij het nodige gif in de beschrijving van de breuk, maar het gebeurt op een manier die regelmatig op de lachspieren werkt.

    Jongstra wil er eigenlijk niet eens zoveel over kwijt: ja, een paar belabberde ervaringen, haar achterdocht, zijn zoektocht naar passende huisvesting na zijn ‘heenzending’, de sneren als hij in het huis spullen op komt halen, het gedoe over alimentatie enzovoort. Maar er is vooral zijn passie voor de worst in alle denkbare gedaantes en toepassingen. Hij struint er het internet voor af en leest oude kranten en de (wereld)literatuur door op zoek naar vermeldingen van worst.

    En ook in het verslag van die passie geldt: de werkelijkheid is die welke we creëren of waar we in wensen te geloven. Jongstra neemt onze opvattingen van de realiteit voortdurend op de hak. Het meest extreem deed hij dat in 2007 in De avonturen van Henry II Fix, waarin hij een compleet gefingeerde biografie presenteerde met een vérgaande schijn van gedocumenteerdheid. Veel van wat hij deze keer in Worst debiteert is ‘waar’, maar ook hier wordt het spel gespeeld, in tekst en afbeeldingen. ‘Jochem Rook huwde te Vollenhove (Overijssel) op 17 juli 1812 Margje Worst’; verzint hij dat? denk je als nieuwsgierige lezer. Nee, hoor. Het klopt. Maar die tekening dan op pagina 96, waarop iemand een ladder beklimt om Nietzsche een worst op zijn hoofd te zetten? De noten achterin de roman erkennen de manipulatie: ‘vrij naar Julius Hammer’. Jongstra heeft de lauwerkrans op het origineel voor de gelegenheid vervangen door een worst als hulde aan de – ja, dat wel – worstminnende filosoof. Of neem de grafiek op pagina 121 over de ‘Divorce rate in Maine per capita consumption of sausage’… Toch even googelen: nee, het ging niet over worstjes, maar over margarine! Daarentegen bestaat het muziekstuk Salute to a Sausage Society for Trombone Trio van de Zweed Christian Lindberg wel degelijk! Het is te beluisteren als track 12 op YouTube.

    In Nederland creëerde Atte Jongstra zelf ook maar meteen een sausage society. Worstclub Mondiaal. Hij is er erelid van. Daar had Rosa dan weer totaal geen begrip voor. In het eerste jaar na zijn ‘heenzending’ biedt zijn club hem meermalen vertroosting. Hij pikt er zelfs een nieuwe vriendin op bij wie hij zich kort kan warmen. Maar de nieuwe ware treft hij via een Facebookkennis. Het is Erminie. Hij krijgt haar, in tegenstelling tot eerdere vriendinnen, die weinig van zijn worsthobby moesten hebben, zelfs mee naar Mondiaal. Als de toenadering haar echter plotseling wat al te snel gaat haakt ze af.

    Een paar dagen later vergeet Jongstra, verteerd door minnepijn, naar een activiteit van zijn geliefde worstclub te gaan: ‘Ik zat met natte ogen voor het raam naar het park te turen en vergat er heen te gaan. Maar aan de janker in zichzelf krijgt men na een dag of wat een hekel. Ik kon haar zo niet laten schieten’.

    Sloeg zijn vrouw in 2012 toe na de vondst van zijn vermeende overspelgedicht, nu haalt hij Erminie terug met een vers per mail: ‘Val, neem, eet. Ik ben van jou’, is de laatste regel.
    Ze reageert nog dezelfde dag. Zonder gepsychologiseer.

     

     

     

  • Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Volgens de achterflap hebben we te maken een doctoraalscriptie, die de Scriptieprijs van de Stichting Lezen 2007 heeft gewonnen. Dat maakt meteen al nieuwsgierig, want zoveel scripties krijgt de gemiddelde lezer niet onder ogen. Ook het onderwerp over het reilen en zeilen tijdens de Tweede Wereldoorlog van de Arbeiderspers, die nauw verbonden was met de sociaal-democratische SDAP, boeit bij voorbaat. Bij mij kwam meteen de vraag op hoe het mogelijk was dat een socialistische uitgeverij ging samenwerken met de nazi’s. Frederike Doppenberg heeft het functioneren van de uitgeverij zeer gedegen onderzocht met als resultaat een boek met een uitgebreid notenapparaat en zelfs de complete fondslijst van de uitgeverij in de oorlogstijd. Soms vond ik het wat te gedetailleerd voor een boek. In het Tot slot vat ze alles in zo’n tien bladzijden nog eens samen en in de Verantwoording laat ze weten dat er nog een uitgebreide toelichting op haar werkwijze te vinden is in haar scriptie, die zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam bevindt.

    Na een bespreking van de nationaal-socialistische literatuurpolitiek, die vooral het volkse en het positieve wilde benadrukken en sterk doet denken de opvattingen van Rita Verdonk in onze tijd, komt Doppenberg in hoofdstuk twee bij het dilemma waar de Arbeiderspers in het begin van de bezetting voor stond, namelijk of men de supervisie moest accepteren van de nationaal-socialist Rost van Tonningen en zijn adjudant Kerkmeester, die door de nazi’s aangesteld werden om toezicht te houden op zowel de partij, dagblad Het Volk als op de boekenuitgeverij. Volgens Doppenberg bestond er na de benoeming van Rost van Tonningen geen eenstemmigheid over het precieze verloop van de gebeurtenissen. Algemeen directeur Van der Veen pleegde zelfmoord en partijvoorzitter Koos Vorrink sprak zich uit tegen samenwerking. Willem Vliegen achtte het echter verstandiger om door te gaan om de positie van de SDAP te consolideren. Opheffing van organisaties als de Arbeiderspers en de Vara zou de continuïteit na de oorlog bemoeilijken. Vliegen stelde dat hun lezers wijs genoeg waren om de veranderde verhoudingen te doorzien en besliste de kwestie in zijn voordeel. De nationaal-socialisten zagen in de Arbeiderspers een spreekbuis voor hun ideeën en stelden het voor dat zij het ware het socialisme vertegenwoordigden. Rost van Tonningen deed het zelfs voorkomen dat de Nederlandse zelfstandigheid gewaarborgd zou zijn als men voor samenwerking koos. Af en toe liet men uitgaven van ongewenste schrijvers passeren om de lezers niet teveel af te schrikken en kwijt te raken. Niet iedereen ging mee. Sommigen namen met een opgelucht gevoel ontslag, anderen stapten over naar Singel 262 en zetten tot het verbod in mei 1942 de succesvolle ABC-reeks voort.

    De nieuwe directeur Schuhmacher moest laveren tussen economie en ideologie. Hij wist de boekenuitgeverij overeind te houden temidden van censuur door nationaal-socialistische ambtenaren, papierschaarste, transportproblemen en stroomgebrek, waardoor men tenslotte handmatig de persen moest bedienen. Daarnaast zorgde hij ervoor dat zijn personeel vrijstelling kreeg van de Arbeitseinsatz en regelde hij voedsel voor hen. Onder zijn leiding verschoof het accent naar fictie om de non-fictie te bekostigen. Het waren de hoogtijdagen van de Friese literatuur. Streekromans pasten uitstekend in het ideaal van volkse literatuur. Ook boeken als Veel groenten van weinig grond deden het goed.
    Desondanks verloor men dramatisch veel klanten in het begin van de oorlog. Dat werd in de latere jaren grotendeels werd goedgemaakt door de succesvolle ARBO-reeks die tegemoet kwam aan enorme leeshonger in de oorlogsjaren. Door het eigen distributienetwerk met colporteurs en eigen winkels had men een voordeel op andere uitgeverijen.
    Volgens Doppenberg publiceerde bij de uitgeverij zowel socialistische als nationaal-socialistische schrijvers. Achteraf is het soms moeilijk te bepalen waarom een schrijver als ongewenst werd bestempeld. Doppenberg citeert Sjaak Hubregtse, die schrijft:

    ‘Wat is hier aan de hand? Niets wijst erop dat Rost van Tonningen en Kerkmeester onnozele domkoppen waren. Hadden ze zoveel vertrouwen in Schuhmacher dat hij, behoedzaam en slim, gewoon zijn gang kon gaan? Interesseerde het hen niet, of hadden ze het te druk? Waren ze zo bang de socialistische doelgroep van zich te vervreemden dat ze haar liever voorzagen van socialistische literatuur dan nationaal-socialistische? Of is hun herhaalde uitspraak ‘dat ze eigenlijk ook socialist zijn’ op ironische wijze waar?’

    Volgens Doppenberg was het niet waarschijnlijk dat er een nationaal-socialistische strategie zat achter het uitgeven van boeken van ongewenste auteurs. Het hing allemaal van toeval aan elkaar.
    Schuhmacher kreeg na de oorlog veel kritiek te verduren, omdat hij verantwoordelijk was voor de nationaal-socialistische uitgaven. Een schorsing op zijn vakgebied voor drie jaar werd door het personeel ongedaan gemaakt, maar hij kreeg wel ontslag bij de Arbeiderspers.

    Doppenberg geeft een aardig inkijkje in de wereld van een uitgeverij, die volgens haar niet alleen de geschiedenis volgt, maar die met haar uitgaven ook máákt. Tijdens de oorlogsjaren was een eigen beleid door alle gekonkel en gekronkel moeilijk te voeren.
    De cruciale vraag blijft voor mij nog steeds of de Arbeiderspers wel door had moeten gaan. De uitspraak van Schuhmacher, weergegeven in de titel, laat weinig ruimte voor een andere afweging. Het zou interessant zijn als de kwestie, ook in vergelijking met andere uitgeverijen, nog eens nader zou worden onderzocht.

    Door Rein Swart

    Frederike Doppenberg, De Arbeiderspers moest blijven marcheeren. De Arbeiderspers, paperback, 240 p., € 19,95

  • Historisch interessant en intiem portret

    In dit boeiende en intieme portret gunt Konstanze von Schultess de lezer een blik in het bewogen privéleven van de familie Von Stauffenberg. Als jongste dochter vertelt ze mede aan de hand van het schrijven van haar moeder, over haar leven van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

    Centraal staat de levensgeschiedenis van Konstanze’s moeder, een zelfstandige en moedige  vrouw, gewend om alleen voor haar kinderen te zorgen. Konstanze verklaart die zelfstandigheid uit het feit dat haar moeder door het beroep van haar man, werkzaam in het leger, veel van huis was. Daarnaast is het volgens haar een familietrekje, overgeërfd van de Russische familie van haar moeders kant. Deze familie had diverse ontberingen, onder andere als gevolg van progroms, overleefd.

    In dit boek wordt al snel duidelijk dat Nina volledig op de hoogte was van de plannen van haar man om een aanslag op Hitler te plegen en dat ze hem hierin volledig steunde. Wanneer de welbekende aanslag door Klaus von Stauffenberg en zijn samenzweerders op Hitler mislukt, verandert het leven van zijn familie voorgoed. Klaus von Stauffenberg wordt gedood. Vervolgens vertelt Nina aan haar kinderen dat hun vader een fout heeft gemaakt. Noodgedwongen moet ze haar man afvallen om haar gezin te veilig te stellen. De familie von Stauffenberg krijgt te maken met Sippenhaft en veel van de familieleden worden opgepakt. Nina von Stauffenberg wordt eveneens opgepakt en komt eerst in de gevangenis en later in een concentratiekamp terecht.

    Wat indruk maakt, is vooral de innerlijke kracht die Nina tijdens haar eenzame opsluiting in het concentratiekamp laat zien.
    ‘Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe je zo’n gevangenschap in een isoleercel kunt doorstaan zonder letterlijk gek te worden. Mensen hebben zich wel van het leven beroofd, anderen zijn volkomen radeloos geworden door de psychische nood waarin ze raakten. Bij mijn moeder was daar geen sprake van. Met onvoorstelbare levensmoed en haast onbegrijpelijke zelfdiscipline heeft ze getracht zich ‘te organiseren’, zoals ze dat noemde. De saaiheid van alledag, de eentonigheid van het alleen zijn doorbrak zij door middel van zelfbedachte rituelen. Elke activiteit was haar welkom, elke taak, al was die nog zo klein, was voor haar een gelegenheid om haar aandacht af te leiden.

    Dit portret vormt een microgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, maar het lijkt ook een zoektocht naar de eerste periode uit het leven van Konstanze. Ze wil een juist beeld geven van de positie van haar moeder en verzetsvrouwen in de Tweede wereldoorlog. Vanuit de waarden waarmee Konstanze’s ouders opgroeiden als fatsoen, eerlijkheid en verantwoordelijkheidsbesef, namen ze het risico om hun leven op het spel te zetten en een aanslag op Hitler te beramen. Konstanze begrijpt niet dat de rol van verzetsvrouwen in de tweede wereldoorlog zo weinig aandacht heeft gekregen tot op de dag van vandaag. Want zo stelt ze in haar voorwoord:
    ‘Ten onrechte, want de mannen van het verzet tegen Hitler waren merendeels getrouwd en hadden een gezin, en ze waren afhankelijk van partners die onvoorwaardelijk achter hen stonden en hen steunden.

    Dat heeft tot op heden nog maar weinig erkenning gekregen. Veel historici zien in de vrouwen van verzetsmensen in het beste geval argeloze slachtoffers. Meestal worden ze slechts terloops genoemd en voor het grote publiek spelen ze nauwelijks een rol.
    Daarnaast nuanceert ze ook de positie van de Duitsers in de 2de wereldoorlog ten opzichte van Hitler. Een kleine groep Duitsers was wel degelijk kritisch ten opzichte van Hitler. De mislukte aanslag van haar vader op Hitler is hier een voorbeeld van.

    Konstanze beschrijft het leven van haar moeder, aangevuld met citaten uit diens schrijven. Ik kan hierdoor op sommige momenten lastig onderscheiden wie precies aan het woord is en wie nu over wie vertelt. Daarnaast is haar woordkeuze dikwijls behoorlijk vormelijk. Ook heeft ze de neiging om hier en daar in herhaling te vallen en wil ze erg veel ‘geschiedenis’ in een klein stukje vertellen.  Konstanze von Schultess is geen geboren vertelster maar door haar verbondenheid met de personen waarover ze schrijft vormt het een historisch interessant en intiem portret met veel waarde voor generaties die na haar komen.

     

  •  Wie in het fotoboek staat vindt de dood

     Wie in het fotoboek staat vindt de dood

    Recensie door Marjo 

    In een dorpje, Monward geheten (dat blijkbaar aan anagram is van Warmond, waar ’t Hart zelf woont) ontmoeten we de ik-figuur (lijkt ook wel op de schrijver) op het moment dat hij zich uitkleedt voor een vrouw. Het waarom is niet meteen duidelijk, het is een komisch begin dat meteen de toon zet voor het hele boek.
    Hij ontmoet een fotografe, die van plan is de markante figuren uit het dorp op de foto te zetten en daar een fotoboek van te maken. Hij is nogal van haar gecharmeerd, en helpt waar hij maar kan. Brengt haar naar de mensen toe als ze de weg niet weet, en laat haar ook de mensen zien die hij zelf gefotografeerd wil hebben. Later mag hij het voorwoord bij het boek schrijven. Op die manier komt hij zelf ook nog in het boek met een klein fotootje, maar eigenlijk hoort hij er niet in, zegt de fotografe.

    Ook de ‘gravin’, Leonora, en de Somalische transseksuele Sirena wil hij op de foto, maar “ze horen er niet in”. Ook op deze twee vrouwen heeft de ik-figuur een oogje, en als Leonora haar problemen bij hem neerlegt en hulp vraagt verleent hij die maar al te graag: de gevaarlijke slang die tijdelijk in huis is ontmaskert hij als de ongevaarlijke scheltopusik, en als de ‘graaf’ gewelddadig wordt biedt hij ook alle hulp. Als het fotoboek uitkomt, kopen alle dorpelingen het. De fotografe vertrekt naar Atjeh, en niemand hoort meer iets van haar. Dat vertoornt de dorpelingen zeer, want wat blijkt: de een na de ander die in het fotoboek voorkomt gaat het hoekje om. Nu zijn er wel veel mensen op een leeftijd dat dat normaal is, maar er is een jongeman die door het ijs zakt, een familie die neerstort met een vliegtuig. Is hier soena-soena in het spel, voodoo?

    De ik-figuur wordt erop aangekeken, tenslotte heeft hij het voorwoord in het boek geschreven.Zijn ommetjes met hondje Anders worden steeds steelser. Het leven van de ik-figuur leek saai voor de fotografe in het dorp opdook, maar nu beleeft hij avonturen die hij net zo lief niet zou hebben beleefd. Overigens zijn er ook amoureuze avonturen, gevaarlijk ook, maar die bevallen
    hem wel. Een auto-rit met een waanzinnige chauffeur, een dikke tak die afgezaagd moet worden maar niet wil: het lijkt wel of ook hij op de nominatie staat om het loodje te leggen.

    Waarom Lotte Weeda op de nominatie stond voor het slechtste boek, is onbegrijpelijk. Naast de vele humor zijn er ook de actuele maatschappelijke problemen die aan de kaak gesteld worden: de MKZ crisis en het vernietigen van al het hobbypluimvee ten tijde van de vogelpestcrisis. En ’t Hart is duidelijk bioloog: beschrijvingen van dieren en planten ontbreken niet. En ook niet de
    verwijzingen naar de psalmen. Tussendoor vliegen de lawaaierige vliegtuigen van Schiphol over. Een boek om van te genieten.

     

  • Pfeijffer meets Van Wissen

    Pfeijffer meets Van Wissen

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Een van de leukste gebeurtenissen van de afgelopen weken was de verkiezing van de Dichter des Vaderlands. Driek van Wissen, hij woont bij mij om de hoek en fietst regelmatig langs, vriendelijk zwaaiend, gaf de hele moderne dichterskliek het nakijken. Van Wissen is immers niet hot, hij is niet de grote taalvernieuwer: Van Wissen schrijft ambachtelijke verzen en het volk waardeert dat. De andere deelnemers keken beteuterd bij de bekendmaking van de nieuwe Dichter des Vaderlands, alsof een ietwat onwelriekende, niet welkome oom opeens opduikt bij het familiediner. Wacht eerst maar af wat Van Wissen gaat doen.

    Een van de grootste criticasters van Van Wissen was Joost Zwagerman. Zijn nieuwe bundel (met cd, ingesproken door Hans Teeuwen) Roeshoofd hemelt zag onlangs het licht. De bundel is eigenlijk een lang verhaal in versvorm over de hoofdpersoon Roeshoofd, die zijn naam zegt het wel heel erg duidelijk verward raakt in een enorme supermarkt, de T-markt. In de T-markt kun je alles kopen, van producten tot gevoelens: alles is er. Roeshoofd raakt verward, draait door komt in een gesticht terecht, draait verder door, komt voor de rechter en sterft uiteindelijk.

    Een mooi uitgangspunt voor een groot episch vers. Met een citaat uit De Aleph van Borges zet Zwagerman dan ook hoog in. In de vorm weet hij uiteindelijk niet te kiezen (dat blijft ook in het prozawerk zijn constante makke). Groots uitwaaierende verzen als het de T-markt betreft, Lucebert geklutst met Pfeijffer en strakke kwartijnen en zelfs sonnetten als hij de wereld in de inrichting beschrijft. Chaos tegenover orde, zowel in het brein van Roeshoofd als in de vorm van het gedicht. Of:

    …sluipend, dieselend, in vertraagde ganzenpas,
    bloem in knoops, niet-voor-één-gat-te-vangenslangachtig,
    ogen hemelwaarts (van alle ciderhemels de meest linkse,
    die in de schaduw van humhumliedjes populieren van thuis)
    en gedragen door ouders vrienden onderwijzers monkelaars,
    etc. etc.

    tegenover

    halfbange gezichten tijdens bezoek
    vragen me roeshoofd wat mis je het meest
    is het soort lulvraag dat ik vervloek
    als antwoord doek ik mij op in mijn geest

    Beide vormen overtuigen niet. Het spel dat Pfeijffer nu en Lucebert vroeger speelt met taal, levert poëzie op die danst en zingt, ook al snap je er af en toe geen jota van. Bij Zwagerman proef je dat hij het kunstje nadoet, maar je komt als lezer niet onder de indruk van de taal. Zwagerman gebruikt veel moeilijke woorden, veel nieuwe woorden, hij verwijst naar de hele Nederlandse poëziewereld (‘Boeldaghallen annex schedelveld plus koeler maan./ Erg grote uitsterfdieren. Melkwegstelsels van appels die graag blozen.’ ‘alleen in mijn verkalking kan ik wonen’), maar zijn regels blijven starre bedenksels.

    Dat blijkt misschien het meest uit de gedichten die een vaste vorm hebben. Je mag dan kritiek hebben op Van Wissen die alleen maar gebruik maakt van eindrijm, als je het zelf als vorm inzet moet je toch iets originelers neerzetten. Dat gebeurt niet, kijk maar naar de volgende reeks rijmwoorden uit twee gedichten: aan-kleuren-aan-gebeuren-trillen-erbij-gillen-slagzij-bed-afgepakt-gezet-verzet-verzwakt-sonnet (blz. 29) kont-kwijl-opwond-geil-spoot-verlaten-dood-praten-bevond-macht-rond-dromen-verkracht-fantomen (blz. 97). Ik denk niet dat Driek van Wissen afgunstig zal zijn.