• Oogst week 4 – 2021

    De jonge helden van de Sovjet-Unie

    De Amerikaanse journalist en non-fictieschrijver Alex Halberstadt werd in 1970 geboren in de toenmalige Sovjet Unie. Acht jaar later vertrok hij er met zijn moeder en grootouders op een uitreisvisum voor Israël, om via Europa naar de Verenigde Staten te reizen waar de familie zich wilde vestigen. Alex’ vader bleef achter. Deze gebroken relatie loopt als een rode draad door het boek.

    In een van hun summiere telefonische contacten hoort Halberstadt over zijn grootvader, van wie hij dacht dat deze dood was. Het is aanleiding voor hem om op reis te gaan, naar zijn grootvader in Oekraïne, die lijfwacht van Stalin blijkt te zijn geweest; naar de geboortegrond van zijn Joodse moeder in Litouwen waar hij de sporen van de Holocaust en het verborgen antisemitisme optekent; naar zijn geboorteplaats Moskou, waar zijn ouders hadden geleden onder de Sovjet-terreur. Zijn eigen verleden waarin hij zich als migrantenjongen nauwelijks kon handhaven komt dichterbij. ‘De jonge helden van de Sovjet-Unie’ – de titel verwijst naar het boekje dat Halberstadt als kind moest lezen – is geschiedschrijving en biografie ineen en laat zien hoe trauma’s van angst, wreedheid, woede en pijn in drie generaties doorwerken.

     

    De jonge helden van de Sovjet-Unie
    Auteur: Alex Halberstadt
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De getalenteerde Mr. Ripley

    De BBC plaatste The talented Mr. Ripley uit 1955 op de lijst van honderd invloedrijkste romans, want schrijfster Patricia Highsmith (1921-1995) introduceerde met dit beroemde boek de psychologische thriller. Volgens schrijver en filosoof John Gray had Highsmith een diep inzicht in de broosheid van de moraliteit. Het nieuwe genre vond veel navolging. De getalenteerde meneer Ripley is door De Arbeiderspers nu opnieuw uitgegeven.

    Een rijke industrieel betaalt Tom Ripley, een streberige jongeman uit een gebroken gezin, om zijn verwende zoon Dickie Greenleaf terug naar huis te halen. Dickie bevindt zich aan de Italiaanse kust, waar Ripley hem opzoekt en vervolgens totaal in de ban raakt van de luxueuze levensstijl van de playboy en zijn vriendin. Na een tijdje krijgt Dickie echter genoeg van Ripley, waardoor de laatste zich ontpopt als de moordenaar die met zijn charmes mensen grandioos voor de gek houdt en zo de sociopaat wordt waar Highsmith nog vier andere boeken aan wijdde. Haar romans werden meerde keren verfilmd. De Ripley uit De getalenteerde meneer Ripley werd eenmaal gespeeld door Alain Delon en eenmaal door Matt Damon. Alfred Hitchcock maakte een legendarische film van Vreemden in de trein, en recenter (2015) verscheen Carol op het witte doek.

    De getalenteerde Mr. Ripley
    Auteur: Patricia Highsmith
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Raaf

    Kun je werkelijk loskomen van waar je vandaan komt? is de vraag waarover het gaat in Raaf, de debuutroman van Roos Vlogman. Eerder schreef ze verhalen, gedichten en essays die o.a. werden gepubliceerd in Trouw, Tirade en De Morgen. In Raaf is de gelijknamige hoofdpersoon sterk verbonden met zijn moeder, de vrouw die hem overheerst en die telkens weer zijn aandacht opeist.

    Zo moet hij haar zoeken als zij zich voor de zoveelste maal verstopt heeft; ze dwingt Raaf haar te volgen als hun overleden hond Frederik via haar heeft laten weten waar hij wil worden uitgestrooid, en ze dwingt hem tot een soa-test waarbij ze zelf meegaat naar de huisarts. Het is een onafzienbare relatie waar geen ontsnappen aan is, dun maar onmetelijk krachtig. ‘Mijn moeder is als een  plant die naar de  grond toe groeit. Ze raakt overwoekerd door de tuin en er is niemand om haar los te knippen, haar wortels uit te trekken, licht en lucht te geven. Ik schud haar van me af.’ Zal het Raaf lukken om los te komen van zijn moeder?

    Raaf
    Auteur: Roos Vlogman
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Twintig jaar afwezigheid

    Twintig jaar afwezigheid

    Met enig uitstel van Blue Monday werd het pas dinsdag dat de sluier viel. Ochtendlicht wilde maar niet doorkomen, regen ruiste als een afweerscherm tegen enig ander geluid dat op een beginnen van de dag kon duiden op het afdak onder mijn slaapkamerraam. De krantenjongen liet verstek gaan, waar ik begrip voor had. Er gonsden woorden door mijn hoofd, demissionair en missionair. De laatste dagen veelvuldig gebruikt als was het een bal waarmee iedereen een schop in open doel wilde maken. Ook klonk het tot de verbeelding sprekende begrip, waterbedeffect door mijn hoofd. Laat er vooral stilte zijn of zeg alleen het noodzakelijke met weinig woorden, zei het grote voorbeeld van A.L. Snijders, Epictetus al.

    Ik lees Thuis, van Marilynne Robinson. Er is een nieuw boek van haar verschenen, Jack. Nu vraagt eerder verschenen werk van haar om herlezing. Haar eerste boek Gilead, speelt ook rond Jack, vanuit het perspectief van de knorrige geestelijke, John Ames. In Thuis komt Jack na twintig jaar terug naar het ouderlijk huis. De verloren zoon, de aan drank verslaafde, die diefstallen pleegde, twintig jaar van de aardbodem verdween. Nu ik het opnieuw lees heeft die twintig jaar opeens aan betekenis gewonnen. Sinds mijn broer, die ik twintig jaar niet zag er niet meer is, zoek ik naar betekenissen. Twintig is nu het getal van nooit meer te overbruggen tijd. Als een gapend gat liggen die jaren tussen Jack en zijn vader, dominee Boughton, nu een oude man. Jack doet zijn best een goede zoon te zijn. Hij helpt hem naar bed, speelt piano voor hem, drinkt niet meer, maar goed komt het niet tussen hen. 

    Vader Boughton, die van al zijn acht kinderen het meest van Jack houdt, kan hem niet accepteren zoals hij is. De liefde van de vader is een eenrichtingsweg, zonder omkeren. Vanaf de andere kant kan Jack zijn vader niet vertellen dat hij in een andere staat een zwarte vrouw heeft, en een kind. Het is eind jaren vijftig, dat een witte man met een zwarte vrouw leefde was ondenkbaar. Jack is in Gilead om te onderzoeken of het een geschikte stad voor hem en zijn gezin is, om te wonen.

    Als hij aan het bed van zijn vader zit vraagt zijn vader, “‘Laat je hand eens zien, waar je die splinter in had.’
    ‘Dat geneest al.’
    ‘Laat eens kijken.’ Jack gaf zijn vader zijn hand, en de oude man nam hem in zijn handen, streelde hem en bekeek hem. ‘Er blijft wel iets van een litteken over.’ Dan: ‘Twintig jaar,’ zei hij, ’twintig jaar.’ Jack stopte zijn vader in bed, droogde de borden af, ging naar zijn kamer.”
    Thuis is e
    en zeldzaam mooie roman. Razend benieuwd naar die nieuwe roman, geschreven vanuit Jack, vanuit het perspectief van iemand die twintig jaar van de radar verdween, wat hem bewogen heeft. Er is een gretig willen weten, verbanden te leggen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

  • Oogst week 45 – 2020

    De jaren

    De Franse schrijfster Annie Ernaux is afkomstig uit een eenvoudig milieu van kleine middenstanders waar arbeiders met hun verhalen de voornaamste klanten waren. Ernaux leerde en studeerde, werd docente en schrijfster waardoor ze een stuk hoger op de sociale ladder terechtkwam. Haar boeken hebben alle een autobiografisch karakter, al streeft Ernaux naar een objectieve wijze van vertellen. In De jaren (2008) beschrijft ze ruim een halve eeuw – de periode 1941-2006 – aan maatschappelijke gebeurtenissen en ervaringen. Ze doet dat chronologisch en becommentarieerd aan de hand van voorwerpen, foto’s, haar dagboeken, kranten en tijdschriften, nieuwsfeiten en haar geheugen.

    Ernaux probeert het verleden te vangen, bespreekt politieke aangelegenheden, culturele gewoonten, gedrag van mensen, taalgebruik, liedjes, radio en tv, reclames, modeverschijnselen, de vooruitgang, en vermengt het persoonlijke met het algemene. Het is een mix van autobiografie, sociologie en geschiedenis geworden, een vorm die door haar is uitgevonden. In het leven van één vrouw wordt een stukje Franse historie weerspiegeld. Het boek, dat haar magnum opus wordt genoemd, won tientallen literaire prijzen.

     

    De jaren
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het licht is hier veel feller

    Een eens gevierde bestsellerschrijver is over alles de controle kwijt. Zijn vrouw is opgestapt, zijn kinderen ziet hij nauwelijks en zijn inspiratie is verdwenen, er komt geen boek meer uit zijn handen. Het enige wat Maximilian Wenger nog kan opbrengen is op de bank hangen in een appartement waar hij de verhuisdozen nog moet uitpakken, en bedenken hoe hij zichzelf te gronde richt. Maar dan ontdekt hij bij zijn post een brief die is geadresseerd aan de vorige bewoner: ‘Wenger heeft de leeftijd waarop een brief nog betekenis heeft, omdat het een echt geschrift is, met het weefsel van iemands woorden, dat dagen in plaats van seconden nodig heeft om aan te komen.’

    Hij opent en leest de brief, net als de volgende brieven die van dezelfde afzender komen, en raakt in de ban van de hartstochtelijk schrijvende vrouw. Wat hij niet weet is dat zijn dochter Zoey de brieven ook inziet. ‘Tot aan mijn tanden is mijn mond met woede gevuld.’ leest de zeventienjarige. De woorden van de onbekende helpen haar bij het nemen van een vergaand besluit wanneer ze geen hulp krijgt als ze in een MeToo-achtige situatie terechtkomt. Ook voor Wenger heeft het lezen van de brieven ingrijpende gevolgen.

    Het licht is hier veel feller
    Auteur: Mareike Fallwickl
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Waar woont de haat?

    Hongarije kent een lange literaire geschiedenis. Al eeuwenlang zien veelgeprezen gedichten en prozastukken van Hongaarse schrijvers het licht. Vandaag de dag denken we bij Hongarije al gauw aan kleingeestig nationalisme, verval van de democratie en de rechtstaat, vreemdelingenhaat en een neergaande lijn in de persvrijheid. In de beste literaire traditie laten 21 van hedendaagse Hongaarse schrijvers in de bundel Waar woont de haat? een ander geluid horen. Via verhalen en essays nemen ze hun land onder de loep, bekritiseren de intolerantie, het cultiveren van haat en de sociale ongelijkheid en pleiten ze voor mededogen en ruimdenkendheid.

    Ze onderzoeken de Hongaarse identiteit, nemen historische gebeurtenissen als de slachting onder Hongaars joden en Roma in 1944 door en behandelen de hedendaagse omgang met minderheden. Het boek houdt de Hongaren een spiegel voor waarin ook Nederlanders zich zouden kunnen herkennen.

    Waar woont de haat?
    Auteur: Samenstelling: Mari Alföldy & Viacheslav Sereda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Zeehonden

    Zeehonden

    Het was druk en benauwd in het zwembad. De hoofden van de zwemmers dreven op het water als gehaktballen in de soep. Maar het grootste gedeelte van de bezoekers was verdeeld over de hoeken van het zwembad, waar ze in kleine groepjes met elkaar stonden te kletsen. Het water kwam niet hoger dan hun heupen, want hun haar wilden ze droog houden. Ze leken op een groep zeehonden, die dikke oude vrouwen, in zwarte en donkerblauwe badpakken  – donkere kleuren kleden slank af – zeehonden die de hele dag lang op het strand of op de rotsen bij de zee liggen, lui en langzaam bewegend terwijl ze af en toe naar elkaar snorkten. Toen kwam er een jonge vrouw binnen, een mooie, elegante vrouw in een vlammend rode bikini die uit niet meer dan drie lapjes bestond om de strategische punten van haar lichaam te bedekken. Ze stond aarzelend aan de rand van het bad, keek rond.

    Alsof het zwembad veranderd was in een bijenkorf, zo begon het ineens te gonzen. Hoofden werden gedraaid in de richting van de indringster in rood, het fluisterend geroddel was bijna verstaanbaar. Het meisje werd net zo rood als het onderwerp van de verontwaardiging  van de vrouwen, ze kon alleen maar ontsnappen aan hun commentaar door een elegante duik in het water te nemen. Het duurde niet lang voor ze uit het water kwam en verdween in een van de kleine hokjes om zich om te kleden. Het verontwaardigde geroezemoes hield nog even aan, maar de overwinning was behaald, het geroddel stierf weg.

    ‘Vleugelslag

    Zwemmen moet je leren. Het vaste omzetten in vloeibaar.
    Veren op de steunzool van het water. Liggen op het water.
    Zwemmen is loslaten, drijven, meegaan met de stroom.

    Maar wat is vliegen? Vliegen is dit alles niet.
    Vliegen valt niet te leren. Je kunt het of
    je kunt het niet. Alle vrouwen kunnen het.
    Ze zijn het soms vergeten. Vliegen is de weidse
    bandeloosheid van verlangen, loskomen op eigen kracht.

    Geen makke schoolslag maar een vlindervlucht:
    het overwinnen van je zware zelf en opstijgen,
    klapwiekend, wervelend, de lucht doorklievend.
    De vleugelslag van vrouwen is verraderlijk. Mooi.’

    De week daarop, toen alle zeehonden weer verzameld waren, verscheen de jonge vrouw weer. Deze keer droeg ze een donkerblauw badpak dat haar prachtige lichaam van de hals tot haar billen omsloot. De matrones mompelden goedkeurend, glimlachten en knikten toen ze hen voorbij zwom. De orde was hersteld, ze hadden overwonnen en konden het zich veroorloven vriendelijk te zijn. Ze was nu een van hen.
    Het begon al te schemeren toen ik mijn zwarte zeehondenvacht afstroopte en weer mens werd. Maar dat voelde niet als iets om trots op te zijn.

     

    ‘Vleugelslag’ uit: Het onverborgene / Lut de Block / Arbeiderspers


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Sontag

    Sontag

    Alles klopte. Het Bretonse vakantiehuisje had strooien muren en lag op een heuvel. Daar beneden zag je enkel bos, hei en brem. De tuin bestond uit hooiachtig gras met fruitbomen, tussen twee daarvan hing mijn hangmat. Een amandelcroissant op de grond ernaast. Perfect gedoseerd viel er schaduw op mijn boek. Tussen de planken van de veranda schoten hagedissen weg. Er was tijd. Ik las de biografie van Susan Sontag. Het allereerste wat ik van haar las, waren haar eerste dagboeken (verzameld onder de titel Herboren). Ik herlas ze minimaal drie keer. Steeds werd ik gegrepen door de storm van ideeën en de rijkdom van haar woelige intellect die boven alles aanstekelijk was. Het contrast met haar gevoelsleven kon niet scherper. De vele affaires en relaties met mannen en vrouwen vielen met name op door een schrijnende herhaling van zetten. Ik begon hongerig aan haar biografie en las met haast, alleen naar zee ging het boek niet mee (te zwaar).

    Weer die boekenarme jeugd en alcoholische moeder maar altijd al een intense denker, altijd een gebrekkige geliefde. Ook haar moederschap kwam er weer bekaaid vanaf. Dat ze op vrouwen viel, bleek helder uit haar dagboeken. Waar ik minder van op de hoogte was, waren haar onvermoeibare pogingen dit te verbergen en ontkennen. Ook nadat iedereen het eigenlijk wel wist. Je kon niet over Sontag praten en haar verholen homoseksualiteit ongenoemd laten. Bladzijde na bladzijde werd de vrouw intelligent, maar met groot mededogen door biograaf Moser ontleed. Ondertussen liep de vakantie ten einde, net als het boek en ik vertraagde, zoals altijd, zoals ik ook ooit de geweldige biografie over Salinger niet uitlas. Het einde kende ik al, iedere pagina een duister stapje dichterbij. Dus rees de vraag waarom ik sowieso aan biografieën begon, als ik ze toch niet eindigde.

    Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de kunst en niet de kunstenaar. Tegelijkertijd ga ik als eerste overstag wanneer ik mijn hand kan leggen op de biografie van een favoriete schrijver. Om een glimp op te vangen van de achterkant van het borduurwerk?
    Deze biografie was in ieder geval meer dan dat, hij was rijkelijk meerstemmig. Daaruit bleek, veel meer dan uit haar eenstemmige dagboeken, dat zelfinzicht niet Sontags grootste kwaliteit was. Misschien was ze te goed geworden in verbergen. Een ontluisterend besef. Want verschilde zij daarin eigenlijk van ons? Van wie zouden er na onze dood vergelijkbare conclusies getrokken kunnen worden? Het is één van mijn grotere angsten, door anderen scherper gezien te worden dan door mezelf. Misschien lees ik daarom biografieën, om zoveel mogelijk stukjes mens te zien. Om de ander voor te blijven.
    Inmiddels had ik genoeg coquille Saint-Jacques gegeten voor een heel jaar en het legen van het droogtoilet was geen onverdeeld genoegen. Dus zwaaiden we naar de zwierige eigenaar van het huisje en reden terug. De laatste vijftig pagina’s wachten geduldig.

     

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe ga je verder met je leven, als een van je kinderen is gestorven? Kom je de dood van je kind nog ooit te boven? En helpt het, als je ‘je leed te boek stelt’, zoals P.C. Hooft Maria Tesselschade aanraadde bij de plotselinge dood van haar dochter en man? Kun je het ‘van je afschrijven’?
    Toen baby Constantijn nog voor zijn eerste verjaardag stierf, schreef vader Vondel een troostrijk gedicht, maar bij de dood van zijn achtjarige dochter Saartje was er in zijn bittere gedicht over haar geen troost meer te vinden. Van Eeden zag de dood van zijn 24-jarige zoon Paul als een ‘ontwaken’, Bilderdijk verloor tien kinderen en schreef voor hen allemaal apart een gedicht, maar brak pas echt bij de dood van de elfde, Julius. En in recentere tijden hebben Jan Wolkers, A.F.Th. van der Heijden en P.F. Thomése aangrijpend over de dood van hun kind geschreven. De moeders lijken minder van zich te laten horen: Vasalis, Esther Jansma en vooral Anna Enquist zijn namen die zich aandienen als het gaat om schrijven over een gestorven kind, waarbij vooral voor Enquist het een allesoverheersend thema in haar werk is geworden.  

    De titel van haar negende bundel, Berichten van het front, duidt er op dat zij nog steeds een gevecht moet leveren om verder te kunnen leven zonder haar dochter die in 2001 op 27-jarige leeftijd door een vrachtauto werd geschept en overleed. In het eerste gedicht Oudjaarstoespraak, dat los staat als een aankondiging, noemt Enquist ook een aantal schrijvers die gebukt gaan onder de dood van een kind. Ze spreekt ironisch over hen en over zichzelf als: ‘de werkgroep gedupeerde dichters, / de vereniging rouwende schrijvers’, […] vlijtig /  schrijvend aan de zinnen die wij schrijven moeten. / Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.’

    Poëzie als gebalde vuisten

    Wat volgt is een cyclus van tien gedichten over de Griekse godin Demeter, oorspronkelijk de godin van de landbouw, maar ook van het graan en de groei van de gewassen. Haar dochter Persephone werd ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Demeter smeekte Zeus, de oppergod, om haar dochter naar haar te laten terugkeren en hij stemde toe, maar op de terugweg uit het dodenrijk at Persephone vier pitjes van de granaatappel die Hades haar had meegegeven, waardoor ze gedwongen werd om vier maanden per jaar bij Hades in de onderwereld door te brengen. In die vier maanden treurt Demeter om de afwezigheid van haar dochter; dan is het winter op aarde en wil er niets meer groeien.
    In enkele van de gedichten identificeert de dichter zich met Demeter en maakt haar verdriet inzichtelijk, maar ook bekritiseert ze haar en neemt ze afstand: Demeter mocht haar dochter uiteindelijk acht maanden per jaar bij zich hebben; voor de dichter is dat niet weggelegd. 

    Verdriet en woede voeren de boventoon in de gedichten: Enquist schrijft rauw en hartstochtelijk en met gebalde vuisten. Ze gebruikt woorden als ‘razernij’, ‘geteisterd’, ‘onmachtig’ en ‘verscheurd’ om aan te geven hoe zij zich voelt.
    Troost wordt gezocht – maar slechts ten dele gevonden – in de natuur. Ook in de afdeling Hoog, wit, koud van gedichten die de natuur beschrijven, kiest de dichter bewust voor de onbarmhartige kant van de natuur, de koude winter, het kille ijs en ‘de hoogste hoogten / waar niets meer groeit’. Op een tocht door de bergen in Zweden worden de sneeuw en het ijs een symbool voor het bevroren zijn in de tijd en het niet verder willen gaan.

    Alles gaat verder

    In de derde afdeling Ter hoogte van het gras komen de raadgevers aan het woord, die allemaal zo goed weten hoe het moet, rouwen en verder gaan. Maar wie bepaalt voor een ander hoe lang rouw mag duren? 

    Vakantie

    ‘Je moet vakantie, zeggen ze, berglucht
     en meer nemen dan geven. O nee,

     de raadgevers weten van niets. Veel
     weet ik niet uit te delen en reizen is:

     vlucht. Tussen de hagen van de tuin
     moet ik, onder de onnozele fruitbomen

     met hun zinloze oogst ieder jaar, potten
     vol appelmoes, vijgenjam, kweegelei,

     -met de kleinkinderen, dat wel, jazeker –
     ophouden met de weidsheid, de hoogte.

     Wend je tot het robuuste gras, groen
     tussen dorre plaggen. Niets beleven. Zijn.’ 

    Bijna twintig jaar na de dood van haar dochter is ook de dichter verder gegaan, al kijkt ze nog steeds op bij het zien van ‘Een vrouw uit haar geboortejaar / met brede heupen, grijzend haar’. Ze kan geen afstand nemen van de tastbare herinneringen aan haar dochter in een huis dat als een museum voor haar is ingericht. Maar er lijkt verandering op komst, een afsluiten en een nieuw begin: de gedichten spreken van het snoeien van de planten en hun ‘ongepaste groei’, het opruimen van de tuin, het omhakken van de buxushagen waar de mot in gekomen is:

    ‘Wie durft zet de bijl erin, ontsteekt het vuur
     -een jaar later nog een zwart litteken naast
     de schapentrog. Maar kijk, uit de stompen
     barsten de nakomelingen, drie op een rij, frisgroen
     glimmend, bedauwd, stomweg groeiend alsof
     er niets is gebeurd, alsof er genoeg is gerouwd.’

    Kleinkinderen en muziek

    Troost wordt gevonden bij de kleinkinderen en in muziek. Enquist gaf daar al eerder blijk van als pianiste in haar roman Contrapunt. In het laatste gedicht van deze ontroerende bundel Berichten van het front worden die gecombineerd: 

    Voor de stilte

    ‘De drummer is drie jaar. Hij heeft
     de hele dag een liedje in zijn hoofd.
     Jij ook, oma? ja, oma ook. Al wat zij
     ooit gehoord, gespeeld, gezongen heeft
     ligt in die jukebox vastgelegd. Dat blijft.

     O ja? Als het haar wit voor ogen wordt
     omdat het zover is? Als zij verlangt naar
     pauken en trompetten en misbaar? Buiten
     de tijd verstomt alle muziek. Het is de hel.
     Dat gaat ze niet vertellen aan de trommelaar.’

    Woorden zijn leugens, zegt de dichter. Tijd en ouderdom maken je niet milder zegt het gedicht Boterdeeg, je moet ‘rechtop staan en het slagveld overzien. // Dan kieper je – geen angst, geen afgunst – heel dat / reservoir aan kennis en herinnering de afgrond in.’ Enquist is in haar gedichten streng en gebiedend voor zichzelf, maar niet voor de lezer. Je hoeft haar teksten niet te lezen, zegt ze. Maar wie dat niet doet, mist een diepe en overweldigende ervaring.

     

     

  • Kerstpudding en mistletoe

    Kerstpudding en mistletoe

    Iemand zegt: ‘Plum speech. Ik moet een Plum speech houden’. Ik word wakker, ben het zelf die dit murmelt. Het klinkt aannemelijk, speechen over pudding nu kerstmis nadert. Waarom ook niet. Er zijn veel dingen waarvan ik denk er iets mee te moeten doen. Zo moet er een sfeer van kerst in huis komen. Moet de kamer anders ingericht, moeten er meubels uit, er iets bij. Ik voel me als de vrouw in The sorrowful wife, van Nick Cave, ‘Who is shifting the furniture around’.
    Ik zie voor me een feestelijk gedekte tafel met damasten kleden in een eetkamer met krullerige versieringen, een kerstboom tot aan het plafond, honderden lichtjes, – man, wat een lichtjes. Kerstmis vieren zoals in films en op plaatjes. Compleet met een goudbruin gebraden kerstkalkoen op een bed van groen, flonkerende wijnglazen, pasteitjes en het dessert iets met sterretjes. Mistletoe in de deuropening, kerstsokken aan de schoorsteenmantel, rond de kerstboom een stoomtrein die af en toe fluit, stoom afblaast. De boom zelf onbereikbaar door pakjes in alle maten en vormen, berg van beloften. Van knuffels die knipogen, poppen die babyflesjes leegdrinken, boeken die zichzelf lezen.

    Dan komt de titel Een wereld van mooie plaatjes, van Simone de Beauvoir in mijn hoofd. Over het leven van een jonge vrouw in Parijs, door haar ouders gemodelleerd tot voorbeeldige vrouw, met enkel do’s and don’ts hoe te leven. Ze werkt in de reclamewereld, verleidt  mensen dingen te kopen die ze niet nodig hebben. Een wereld van valse schijn. Voor haar dochter wil ze het anders: ‘Een kind opvoeden, dat is niet er een mooi plaatje van te maken.’ Een veelzeggend boek, met innerlijke conflicten, nog steeds van deze tijd, (jongens lees dit boek!).

    De kamer staat op zijn kop en ik lees Nacht en dag van Virginia Woolf. Over verschillen in burgerlijke stand, met diners en theevisites, voortreffelijk geserveerde gerechten waarbij gasten zich volgens de regelen der conversatiekunst vermaken. En loop door de straten van Londen naar jongerenbijeenkomsten, waarbij toen al gezeten werd op matrassen op de grond. Maar ook hier is wat je ziet, de buitenkant – schijn. Een boek waarin de werkelijkheid, heimelijke gedachten betrapt, gedachten achter geënsceneerde plaatjes kijken.
    ‘Ineens kwam de gedachte bij Katharine boven dat iemand die op dat moment de deur opendeed waarschijnlijk zou denken dat ze zich vermaakten; hij zou denken: wat een heerlijk huis om in binnen te komen!, en ze moest vanzelf lachen en zei iets wat bijdroeg aan het rumoer – wat vermoedelijk vooral het huis tot eer strekte, want zijzelf was helemaal niet zo opgewekt.’
    Als iemand de deur naar mijn huiskamer zou openen, zou die hem gauw weer sluiten. En niet zien hoe ik me vermaak met deze geweldige roman van Virginia Woolf.

     

    Een wereld van mooie plaatjes / Simone de Beauvoir / vertaling Ernst van Altena / Agathon (1980)
    Nacht en dag / Virginia Woolf / vertaling Barbara de Lange / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Novemberblues

    Novemberblues

    Het is een grijze dag, regen ruist met forse regelmaat door de boombladeren achter het huis. Op spotify zingt Carole King, ‘So far away /  Doesn’t anybody stay in one place anymore / It would be so fine to see your face at my door’. Gevoelens van een verlangen naar toen, naar hoe alles begon, keuzes die gemaakt werden, dingen die gezegd zijn. Heimwee naar de kindertijd van mijn kinderen, het eerste huis dat stond op een stuk opgehoogde aarde in een buurtschap langs de IJssel, dat we achterlieten voor een ander land waar we jaren woonden, waarvan ik me herinner dat in november het gemis van alles wat achterbleef het sterkst was. De maand waarin dertig jaar geleden de Berlijnse muur viel. Berlijn, een stad die volgens Cees Nooteboom ooit een beroerte had gehad. Opeens moet ik dringend op zoek naar het boek Allerzielen. Ik vind het niet bij de N in de boekenkast, wie heeft het, waar is het, ah, daar voorbij de L staat het.

    Arthur Daane loopt in de jaren negentig door een koud Berlijn, begeleid door stemmen uit het verleden, door Nooteboom ‘het moeras van de voorbije tijd’ genoemd. Stemmen die je liever negeert omdat dingen die voorbij zijn niemand interesseert. Alsof je met je ziel te koop loopt en geen hond het wil hebben.‘Dat bestaat,’ schrijft Nooteboom, ‘jaren waarin de gebeurtenissen voortrazen, waarin bladzijde 398 bladzijde 395 allang vergeten is, en de werkelijkheid van een paar jaar eerder belachelijk dan dramatisch lijkt.’
    Ik ga met hem mee door donkere en verlaten straten die van een naargeestigheid zijn dat het berusting brengt. Daane, voormalig cameraman die over de hele wereld interviews en de gevolgen van gruweldaden heeft gefilmd, loopt door Berlijn met een verlichte geest, Berlijn als kernpunt van de geschiedenis. De sneeuw waait in zijn gezicht, ongezien loop ik mee, voel de kou van een straffe wind die ook de sneeuw aan mijn gezicht doet kleven.

    Terwijl hij de kraag van zijn jas nog eens optrekt, hoort hij de hulproep van een heilsoldate die gehurkt bij een door kou bevangen zwerver zit. Er moet een ambulance gebeld worden. Een paar straten verder, in de Otto-Suhr-Allee zit een oude vrouw in een glazen bushokje, ze zwaait naar hem, of nee, het is meer een bevelend wenken. ‘Ze was oeroud, misschien wel negentig. Hoorde binnen te zitten met dit weer. Negentig, stel je voor dat het echt waar was.’ Waarbij hij denkt een eventuele echtgenoot, of die gevallen is aan het Oostfront, of zijzelf heeft meegejubeld, of juist niet, tijdens toespraken van Goebbels in het Sportpalast. Was haar huis verpletterd door een bom uit Lancaster. ‘Niets wist je van mensen, behalve dan dat zij toen een jaar of veertig geweest moest zijn.’ Met een ‘hoge commandostem’ vraagt ze: ‘Glauben Sie, dass noch ein Bus kommt?’ Hij denkt van niet, brengt haar naar de ondergrondse en gaat verder. Een verslag van onvermijdelijke gedachten in een naoorlogs leven.

     


    Inge Meijer leest alle dagen van de week, schrijft over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Oogst week 15 – 2019

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen

    Hoewel dit autobiografische verhaal van de van oorsprong Schotse Grace Dalrymple Elliott (1754-1823) door historici niet helemaal geloofwaardig wordt gevonden, – het is zo hier en daar wel erg toevallig en gekleurd -, is het wel ‘een prachtige blik van binnenuit op het gekonkel aan het koninklijk hof en van de intriges in revolutionaire kringen ten tijde van de Franse Revolutie’.

    Zo’n tweehonderd jaar geleden heeft deze courtisane haar memoires geschreven. De Engelse koning George III had haar gevraagd haar belevenissen uit de jaren tussen 1789 en 1794 in Parijs voor hem op te schrijven. Als maîtresse van Louis- Philippe d’Orléans, intrigant en neef van de onthoofde Franse koning Lodewijk XVI, maakte ze de Franse Revolutie van nabij mee. Haar boek is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.

    Joris Verbeurgt vertaalde haar boek en voorzag het van een inleiding en een uitgebreid register met informatie over tal van personages die erin voorkomen, van adelijken tot aan het  personeel.

    Weldra zal ik onder de guillotine liggen
    Auteur: Joris Verbeurgt
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    De Chinese Droom

    Jarenlang was Oscar Garschagen correspondent voor het NRC in China.
    De Volksrepubliek China viert op 1 oktober 2019 haar zeventigste verjaardag. Trots wordt gevierd dat het ‘Land van het Midden’ welvarender en machtiger is dan ooit. Onder de strakke regie van partijleider en president Xi Jinping ontstaat een socialistische supermacht met een modern leger en ambitieuze plannen voor nieuwe zijderoutes en hoogtechnologische vernieuwing. In De Chinese droom beschrijft Oscar Garschagen hoe de grootste, bijna honderdjarige Communistische Partij zich voortdurend vernieuwt en brede steun behoudt, zonder democratische hervormingen – de nachtmerries van de armen, de repressie van christenen, minderheden en de media ten spijt.

    De Chinese Droom
    Auteur: Oscar Garschagen
    Uitgeverij: De Geus

    Niemand bleef

    Met Niemand bleef, het Dagboek van Meneer B. legde Alfred Birney volgens de uitgeverij de kiem voor De tolk van Java, het grote succes van Birney uit 2016 waar hij de Libris Literatuur Prijs en de Henriette Roland Holst-prijs mee won.

    ‘”De nacht is mijn vijand als ik slaap, mijn vriend als ik waak.” In 2005 wordt de wereld van Meneer B. kleiner als hij het na een hartinfarct rustig aan moet doen. In dit dagboek mijmert hij tijdens het herstel zonder schroom over voorbije liefdes, muziek maken, het schrijven, de boeken en de schrijvers die hem irriteren of inspireren. Hij fantaseert bij het uitzicht dat hij vanuit zijn flat heeft op vrijmoedige buurvrouwen. Hij maakt zich zorgen over zijn zoon die bij hem woont en zich afsluit. Gaandeweg herwint Meneer B. de lust om te schrijven en hij preludeert op een groots plan.’

    .

     

    Niemand bleef
    Auteur: Alfred Birney
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur

    ‘De Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee is vooral bekend als romanschrijver. Wat vele lezers niet weten, is dat zijn werk doordrenkt is van filosofie. Door de thematiek in zijn romans en verwijzingen naar bekende denkers als Jacques Derrida en Michel Foucault, laat Coetzee zien dat hij ook als filosoof een waardevolle gesprekspartner is. In Coetzee, een filosofisch leesavontuur gaat Hans Achterhuis op zoek naar deze filosofie in het werk van Coetzee. In het verlengde van iedere roman ligt een maatschappelijk vraagstuk. Zo koppelt Achterhuis bijvoorbeeld In ongenade aan de MeToo-discussie, Schemerlanden aan onze omgang met het koloniale verleden en Mr. Foe en Mrs. Barton aan de postmodernistische ideeën over de relatie tussen feiten, interpretatie en leugens. Hij geeft niet alleen een introductie in het werk van Coetzee, maar biedt ook nieuwe interpretaties’

    Coetzee, een filosofisch leesavontuur
    Auteur: Hans Achterhuis
    Uitgeverij: Uitgeverij Lemniscaat

    Heimat

    Een bijzondere graphic novel tot slot. Hij is van de Duitse Nora Krug, kunstenaar in New York. Zij leeft al jaren in de Verenigde Staten als zij op zoek gaat naar de oorlogsgeschiedenis van haar familie.

    De uitgeverij: ‘In het schitterende en volkomen originele Heimat graphic novel, familieplakboek en onderzoeksjournalistiek in een – maakt Nora Krug gebruik van brieven, archiefmateriaal, spullen van de vlooienmarkt en foto’s om duidelijk te maken wat het betekent om bij een land te horen en bij een familie.’

    Heimat
    Auteur: Nora Krug
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans
  • Oogst week 12 – 2019

    Ware aard gedichten

    In de oogst van deze week twee dichtbundels en twee vertaalde romans.

    Jan-Willem Anker (1978) debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. In de daaropvolgende vier jaar verschenen er nog twee dichtbundels. En daarna was het stil. Tot in 2012 Anker kwam met zijn romandebuut Een beschaafde man. Die zeer goed ontvangen werd. In 2017 verscheen de roman Vichy en nu zijn nieuwste dichtbundel Ware aard.

    In Ware aard maakt de dichter de balans op. Er lijkt een bepaalde leeftijdsgrens te zijn bereikt waardoor mogelijkheden beperkt blijken. In deze bundel vraagt Anker zich af wat hij nog kan worden en vooral hoe hij (voorwaarts) zou moeten leven. In zijn poëzie probeert hij antwoorden te formuleren. Hij doet dat langs de weg van kleine autoriteiten als de Vader, de Europeaan, de Weesper, de Dichter. Maar ook door zijn verontrusting uit te spreken over het klimaat en de verrechtsing in de politiek. Een bundel die na deze laatste verkiezingen wel eens de vinger op de zere plek zou kunnen leggen.

     

    Ware aard gedichten
    Auteur: Jan-Willem Anker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Jacobsboeken

    De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962), won vorig jaar de Man Booker International voor de Engelstalige uitgave van haar roman Flights. De Man Booker International is een prijs voor Engelstalige literatuur waar Tommie Wieringa met zijn vertaalde De heilige Rita dit jaar ook voor genomineerd staat.
    Tokarczuk schreef twaalf romans, en wordt sinds 2011 bij De Geus uitgeven. Niet alles van haar werd nog vertaald maar De rustelozen (2007) wel. Een boek over vluchten, thuisloos zijn en de op zoek zijnde mens en voor de goede lezer lijkt het een voorbode te zijn van  het omvangrijke De Jacobsboeken dat deze maand verschenen is. Het gaat over een historische sekteleider, Jakob Frank (1726-1791) die  duizenden joden bekeerde tot het ‘frankisme’. Het is een allesomvattend boek geworden over het leven, religie en de mens.

    In Polen werd het enerzijds ontvangen als het literaire meesterwerk dat het is (Tokarczuk won er de belangrijkste Poolse literaire prijs mee en werd een bestseller). Maar het ontketende ook een ware hetze jegens Tokarczuk, vooral nadat zij op tv sprak over de zwarte bladzijden in de Poolse geschiedenis en dat het land deze onder ogen moest zien. Het werk haar niet in dank afgenomen, ze werd met haat overladen en moest een tijdlang beveiligd worden.

    De Jacobsboeken
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    Vallende tijd

    Het tiende deel van de Berberbibliotheek is een poëziebundel. De Berberbibliotheek werd in 2007 geïnitieerd door schrijver Asis Aynan en vertaalster Hester Tollenaar. Hoewel het een proza reeks was, werd het nodig geacht – om een volledig beeld van de Marokkaanse literatuur maar ook een politiek beeld van Marokko te vangen – poëzie toe te voegen. Vallende tijd is een bloemlezing van gedichten die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geschreven zijn. Voor wie de gedichten leest en weet heeft van de situatie in Marokko moet wel vaststellen dat er in het land weinig veranderd is in de afgelopen decennia.

    Vallende tijd bevat een selectie uit het werk van de vier grootste dichters uit de Rif, in het noorden van Marokko. De dichters Mohammed Chacha (1955-2016), Ahmed Ziani (1954-2016) , Fadma el Ouariachi (1957) en Mimoun el Walid (1959) hebben hun leven gewijd aan de poëzie, op het gevaar af gevangen genomen te worden of verbannen. In de gedichten wordt de liefde bezongen, de migratie verfoeid en om emancipatie geschreeuwd. Stemmen uit de vorige eeuw die nu nog steeds weerklinken; luid en duidelijk.
    In een verklarend nawoord beschrijft Asis Aynan het ontstaan en het afsluiten van het Berberbibliotheek project.

    Vallende tijd
    Auteur: Mohammed Chacha ; Ahmed Ziani ; Fadma el Ouariachi ; Mimoun el Walid
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De Poolse bokser

    Van de Spaanstalige schrijver uit Guatemala Eduardo Halfon (1971) de roman De Poolse bokser.
    Halfon schreef zo’n twaalf romans waarvan De Poolse bokser een eerst kennismaking is met zijn werk voor de Nederlandstalige lezers.

    Op het eerste gezicht lijkt De Poolse bokser net een verhalenbundel maar het is in werkelijkheid een web van vertellingen die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. De vertellingen vloeien uit elkaar voort en beïnvloeden elkaar – voor wie na het laatste verhaal opnieuw begint, leest de eerste bladzijden alsof het een ander boek betreft.
    Al vertellend brengt Eduardo Halfon de lezers steeds dicht bij een antwoord, om ze er vervolgens weer van weg te voeren. Een boek om niet meer weg te leggen.

    In de buitenlandse pers werd Halfon geprezen als ‘Een ongelooflijk goede schrijver, (…) zijn woorden zijn droog als kiezelstenen.’

    De Poolse bokser
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 47 (2018)

    Zijnsvariaties. Verbovelden

    Gelijktijdig met de uitreiking van de eerste Sybren Poletprijs, -een oeuvreprijs van een Nederlandstalige auteur die schrijft in de geest van Polets werk– is vorige week de bundel Zijnsvariaties Verbovelden van Sybren Polet verschenen.

    Zijnsvariaties Verbovelden is een bundel die is samengesteld uit handgeschreven versies van voltooide gedichten die postuum gevonden werden en nog niet eerder gepubliceerd zijn. Als eerbetoon aan de dichter geven de Polet-Stichting en Uitgeverij Wereldbibliotheek deze bundel uit met facsimiles van het handschrift en de door Elice de Gier en Laurens Ham bezorgde tekst.

    Vorige week, op 18 november 2018, werd de Sybren Poletprijs 2018 uitgereikt aan dichter, roman- en theaterschrijver Peter Verhelst. Vanaf nu wordt de prijs elke drie jaar uitgereikt.

    Polet zelf zou blij geweest zijn met deze winnaar. De jury haalt in het juryrapport zìjn woorden die hij over het werk van Verhelst schreef in Crito, ik ben de literatuur nog een haan schuldig, een bundel notities uit 1986:

    open of opengewerkte structuren als uitvalbases naar zich uitdijende periferieën, permanente overschrijdingen van eerder, door anderen of zelf gestelde, grenzen, het ontkennen van te centralistische uitgangspunten via middelpuntvliedende constellaties nadát – vaak tevergeefs – een centrum gezocht werd of centra werden ontworpen.’

     

    Zijnsvariaties. Verbovelden
    Auteur: Sybren Polet
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek (2018)

    Wat doen wij hier?

    De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson (1943) zal op 15 december 2018 de openinglezing houden op de Nexus-conferentie ‘The Battle Between Good and Evil’.

    Robinson, filosoof, theoloog en professor Creative writing en bekend van o.a. van de romans Gilead, Thuis en Lila, wordt als een van de meest toonaangevende religieuze denkers van onze tijd beschouwd.

    Haar meest recente boek is Wat doen wij hier? ‘In een roerige tijd waarin we volgens Marilynne Robinson tussen links en rechts heen en weer worden gesleurd in een draaikolk, vraagt ze zich af wat het betekent om mens te zijn.
    Dankzij haar kennis van theologie, geschiedenis en literatuur brengt zij een verloren verleden in verband met het heden, en schenkt zij aandacht aan grote levensvragen als: waarom bestaan wij, hoe moeten wij leven? In prachtig proza pleit ze voor het omarmen van de ideeën van grote denkers, en reflecteert ze op het hedendaagse politieke klimaat en op geweten, geloof, geluk, liefde, schoonheid en wat het betekent om te leven.’

     

    Wat doen wij hier?
    Auteur: Marilynne Robinson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2018)

    De wereld als leugen

    Paul Gellings vertelt op zijn website waar zijn nieuwe boek De wereld als leugen over gaat:

    ‘Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
    Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
    Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…’

    De wereld als leugen
    Auteur: Paul Gellings
    Uitgeverij: Uitgeverij Passage (2018)

    Revisor 21

    Tot slot aandacht voor Revisor nummer 21, waarin nieuw werk is verschenen van Alejandra Costamagna, Elisabeth Tonnard, Gilles van der Loo, Jens Meijen, Victor Frölke, Merel van Slobbe, Jilt Jorritsma, Han van der Vegt, Nikki Giovanni, Mathijs Deen, Miek Zwamborn, Roman Helinski en Marieke Lucas Rijneveld.

    Revisor 21
    Auteur: Revisor
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Hemingway’s laatste boek, Parijs is een feest, verscheen in een nieuwe vertaling door Arie Storm, en met nieuwe hoofdstukken uit de nalatenschap, die in 2009 werden vrijgegeven door de erven van de auteur. Een prachtboek vol rake zinnen en goede verhalen over Parijs in de jaren twintig; over schrijven, skiën, eten, beminnen, paardenraces en boksen – om maar wat te noemen. Een boek vol zonlicht en zomergroen, met af en toe een blik in de afgrond waaruit Hemingway zijn herinneringen opdiepte.

    In 1922 vestigde Hemingway zich met zijn vrouw Hadley Richardson in Parijs. Hij was een journalist met literaire ambities, maar ook een ambulance-vrijwilliger die gewond, gedecoreerd en getraumatiseerd was teruggekeerd uit de Italiaanse Eerste Wereldoorlog. Hemingway werkte hard, leverde tientallen artikelen aan de krant Toronto Star Weekly, stortte zich in het Parijse leven en raakte bevriend met expat-schrijvers als Scott Fitzgerald, Ezra Pound en James Joyce, die hij ontmoette in de salon van Gertrude Stein, of in de boekhandel-met-uitleenbibliotheek van Sylvia Beach. In 1926 brak hij door met The sun also rises, een sleutelroman over drie buitenlanders die vanuit Parijs afreizen naar de stierengevechten van Pamplona. Een affaire met Vogue-journaliste Pauline Pfeffer (Ms. Hemingway 2) betekende het einde van Hemingway’s huwelijk en in 1927 waren zijn Parijse jaren voorbij.

    Jachtpartij en elektroshock
    In de decennia die volgden groeide Hemingway uit tot literaire superstar. Hij schreef meesterwerken als For whom the bell tolls, A farewel to arms, The old man and the sea en ijzersterke verhalen als die in The Snows of Kilimanjaro and other stories. Hij leefde een celebrity-leven temidden van de rich and famous, vol vrouwen (vier huwelijken), drank, meesterwerken, bestsellers, boekverfilmingen, jachtpartijen, een burger- en een wereldoorlog, zeevis- en grootwildsafari’s, auto- en vliegtuigongelukken, en een Pullitzer- en een Nobelprijs in 1954. Hij was een levende legende, op het hoogtepunt van zijn roem, maar diep ongelukkig. Hij werd gesloopt door alcoholisme, depressies en elektroshocks die niet hielpen maar wel zijn hoofd verwarden. Papa Hemingway was de weg kwijt. Almaar meer drank bood steeds minder troost en in 1961 schoot hij zich dood met zijn jachtgeweer.

    Zijn laatste jaren bleef hij maar voorttobben met een boek dat onvoltooid bleef, hoewel hij al meer dan genoeg pagina´s had. Dat boek ging over 40 jaar eerder, de jaren twintig in Parijs, toen alles nog moest beginnen. Het werd 3 jaar na zijn dood gepubliceerd als A moveable feast en tot verbijstering van de critici was het vintage Hemingway.

    Hemmingway schreef proza zonder bullshit, waarin ieder woord zijn plek kent en bijvoeglijk naamwoorden verdacht zijn. Hij beschrijft Parijs, maar niet alleen dat. Het hoofdstuk ‘Mensen van de Seine’ begint:

    ‘Er waren vele manieren om van de rue Cardinal Lemoine naar beneden naar de rivier te gaan. De kortste was recht naar beneden door de straat, maar het was er steil en je kwam, nadat je het appartementengedeelte had gehad en het drukke verkeer aan het begin van de boulevard Sant-Germain had overgestoken, op een saai gedeelte waar een saai, winderig stuk van de rivieroever was met de Halle aux Vins rechts van je. Die […] zag er van buiten even vreugdeloos uit als een militair depot of een gevangenkamp.’

    Dus neemt de schrijver een route via boekenstalletjes, waar Engelse boeken goedkoper zijn dan Franse, omdat ze zo slecht zijn gebonden. En hij vertelt over boeken die mensen achterlaten in boten, die worden opgenomen in de scheepsbibliotheek. En hij wandelt verder naar het Ile de la Cité, dat uitloopt ‘in een punt als de scherpe boeg van een schip en er was een klein park aan de waterrand met mooie kastanjebomen, sommige heel groot en zich breed vertakkend, en in de stromingen en de vergeten hoekjes van de Seine waren uitstekende plekken om te vissen.’ Waarna hij voortschrijft over de vissers en waarom hij zelf niet vist (hij moet schrijven) en over waar in het seizoen goede plaatselijke vis wordt geserveerd. En hoe triest hij is als de lente teruggeslagen lijkt te worden door voorjaarsbuien. ‘Als de koude regens aanhielden en de lente vermoordden, was het alsof er een jong iemand was doodgegaan zonder reden.’ Het gaat al met al over de Seine en zijn oevers met paradijselijke trekjes: boeken uit stalletjes, een eiland als een schip en verse vis uit de rivier. En het gaat over de oorlog (militair depot, gevangenkamp, doodgaan zonder reden). En over hoe schrijven over het ene Hemingway troostte en hielp om te schrijven over het andere.

    De jacht op de ware zin
    Parijs is een feest is een goed boek, doortrokken van nostalgie en melancholie: een boek over leven in nobele armoede en over schrijven. Hoe de schrijver met de zakken vol mandarijnen en gepofte kastanjes naar zijn koude kamer gaat, de kachel opstookt en aan de slag gaat. Schrijven tot de eerste oprechte zin er staat, alle voorafgaande onzin weggooien, en voort met het verhaal. Als glanzend gewreven kralen toont Hemingway allerlei aspecten van zijn leven in de stad ‘die van alle steden het meest te bieden heeft voor een schrijver om te schrijven’: de huurkazernes, de paardenraces, het eten bij brasserie Lipp, de bokswedstrijden in een buitenwijk, de winterse skivakanties in Oostenrijk, en gesprekken met zijn zoontje over ‘ineenstorten door de oorlog’’. Wie wil kan met het boek in de hand nog steeds door Parijs zwerven, naar de Closerie des Lilas (onherkenbaar veranderd) waar Hemingway schreef bij een café crème, of langs de Seinekades met hun boekenstalletjes (niks veranderd).

    De literatuur als slagveld
    Bij herlezing beginnen patronen op te vallen, die het boek minder Parijs jaren 20 en meer Hemingway jaren 50 maken. Minder snoer van verhalen en meer memoir. Onherroepelijk treuriger, maar beter. Een boek waarin de kiemen naspeurbaar zijn van alles wat Hemingway uiteindelijk zou slopen. Alles dat verleidelijk is, van de paardenraces tot vissen in de Seine bedreigt zijn schrijven. En Hemingway maakt in Parijs is een feest korte metten met vrijwel alle literaire grootheden waarover hij schrijft. Het oude alfa-mannetje duldde geen concurrentie. Zelfs niet van de door hem hoog geachte Gertrude Stein, ook niet van de trouwe vriend Scott Fitzgerald en zeker niet van de goeie Ford Maddox Ford, die altijd loog en bovendien uit zijn mond stonk. Uitzonderingen waren Ezra Pound (fout in de oorlog, als gek opgesloten), en de onbekende Elvin Shipman, die jong stierf en die het niet uitmaakte of zijn gedichten werden gelezen. Succes leidt tot rijkdom, en rijkdom tast je aan en zorgt dat je als schrijver geen oprechte zin meer kunt schrijven. Wie succes heeft faalt onherroepelijk. Rijken, die slepen je mee naar dure tenten waar foute mensen komen en ze verpesten je ongerepte skihellingen.

    En dan zijn er vrouwen, Zelda Fitzgerald voorop: met afschuw vertelt Hemingway dat zij haar man belemmert te werken, omdat ze jaloers is op zijn schrijverschap. Hier wordt het pijnlijk. Hemingway beschrijft ook hoe zijn vrouw Hadley een koffer met ongeveer al zijn ongepubliceerde werk verliest in de trein. En hoe hij dat verschrikkelijk vindt, maar ook dat hij haar vergeeft. Wat hij schrijft over Zelda zou bij nader inzien wel eens kunnen zijn ingegeven door Hemingway’s al dan niet bewuste vermoeden dat Hadley onbewust jaloers was op zijn schrijverschap. Het lijkt de barst in hun relatie geslagen te hebben waardoor ‘die ander’ (Pauline) er in slaagt een verhouding met hem te beginnen ‘[…] en dat was het einde van de eerste periode in Parijs, en Parijs was nooit meer hetzelfde al was het altijd Parijs […].’
    Hemingway werd nooit meer de oude, zoals ook blijkt uit de laatste zinnen van sommige hoofdstukken. Bij voorbeeld,‘Alles wat me te doen stond was gezond en goed in mijn hoofd te blijven tot de ochtend als ik weer zou gaan schrijven. In die tijd dachten we niet dat daar iets moeilijks aan was.’ Of ‘”We hebben altijd geluk”, zei ik en ik was dwaas genoeg om het niet af te kloppen. Er was overal in dat appartement hout waarop je kon kloppen.’