• Uit de hand gelopen

    Uit de hand gelopen

    Een boek lezen en dan de vergelijking met het eten van koekjes, krokant, zoet, met citroensmaak. Je blijft pakken, happen, de tanden in het krokante, het zoet, waarna het licht zure vrijkomt. En dat telkens opnieuw. Ik lag geïsoleerd in mijn kamertje, het hoofd vrij van dingen, en werkte me gretig de wereld van Joost Zwagerman binnen. De biografie is zo nu en dan een verwarrend geheel, het begint enigszins chronologisch, maar dat lijkt algauw niet te werken voor het leven van Zwagerman. Waarna feiten, en jawel, fictie uit het leven van de schrijver, nogal door elkaar lopen. Maar terwijl ik lees, stijgt mijn bewondering voor de biografe die uit de vele verwarrende levenslijnen van de schrijver een geweldig wervelend literair tijdsbeeld heeft opgetrokken. Ondanks de soms overdoses aan informatie, herhaling van feitelijkheden, overviel me hoe knap dit was en nam ik alles voor lief.

    Dat was zondag. Oh oh oh, appte een vriend die gevraagd had of ik ook naar het interview met Zwagermans biografe, Maria Vlaar ging. Snotterend en proestend appte ik hem dat ik wel wilde maar in de lappenmand lag. Dat nu de klus geklaard was, alles verdragen was (verhuizen is de dingen verdragen) stortte het bouwwerk van voortgaan en ‘alles komt goed’ in elkaar. Ik bleef het best in bed. Met Zwaag,  de omvangrijke, krap anderhalf kilo wegende biografie. En stiekem geloofde ik dat ik die dag om drie uur, wanneer het interview met zijn biografe zou beginnen, er bij zou kunnen zijn. Als ik lees lacht de wereld me toe, word ik overmoedig. Ik was al tot pagina 255 gekomen.

    Kruik aan mijn voeten, gefilterd zonlicht door de gordijnen, het geluid van zoevende auto’s door de laan waar ik nu dus woon, las ik verder over de jaren dat Zwagerman debuteerde met de Houdgreep, leurde met gedichten, korte verhalen en ideeën voor een roman bij verschillende uitgevers. Die daar onderling weer onmin over kregen. Een kort verhaal publiceren in het literair tijdschrift van de ene uitgeverij, een contract voor een boek bij een andere uitgeverij. Ruzie maakte met Roderik Six die een slechte recensie (maar dan zijn we opeens in 2014 beland) over Americana had geschreven voor het tijdschrift Knack. Hoe De schrijver op zulke momenten direct in de pen (computer) klom. Schreef dat Six een ‘luie recensent’ was. En, ‘De man verzint, verdraait en marchandeert uit voorbedachte rade.’

    Maar dat ‘unstoppable’ leven van een man die de wereld naar zijn hand wilde zetten. Bij DWDD wilde hij alleen over kunst komen praten als Matthijs van Nieuwkerk hem niet in de rede zou vallen. Een man die als schrijver begon en de literaire wereld wilde veroveren, werd presentator op radio en tv, BN’er, politiek- en kunstduider. En dan was er steeds die ene roman in wording. Hij verspreidde het nieuws dat hij er mee bezig was, maar waarvan geen letter op papier stond. De vetes met recensenten als Michael Zeeman, Arjan Peters. Ruzies met uitgever Wouter van Oorschot, verbroken vriendschappen. Alles omwille van de literatuur. Ik krijg met hem te doen, begrijp het wel. Als je dingen hoog hebt te houden, is de uitputting steeds nabij.

    ‘De zoon, de schrijver, de lezer, de minnaar, de bewonderaar, de zieke en de boetedoener.’ Al die levens vervulde hij met verve, tot het niet meer ging. ‘Om na te denken heb je overzicht een weidsheid nodig.’ Daar ontbrak het Zwagerman aan. Toch, nu ik het geheel overzie, ben ik begaan met deze schrijver die zo zijn best deed maar steeds een verkeerde afslag nam.

    Dat literatuur om betekenis gaat laat Vlaar bovenal zien. Het schrijverschap van Zwagerman wordt op een meer dan betekenisvolle manier geduid. Hoe zijn gemarchandeer, zijn gewenste zelfbeeld (man uit een stuk)  in zijn romans is terug te vinden. En hoe dat hele uit de hand gelopen leven tot stilstand kwam. Bewondering voor de biografe die deze vaardig geschreven biografie afleverde. Biografie als een intense beleving.

     

    Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman /  Maria Vlaar / 768 blz. / Arbeiderspers


    Inge Meijer schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

     

  • Dit is meer dan het zoveelste boek over de Tweede Wereldoorlog

    Dit is meer dan het zoveelste boek over de Tweede Wereldoorlog

    Jonathan Dimbleby is een bekend Brits historicus en Ruslandkenner, gevierd tv-commentator en presentator voor BBC en ITV. En auteur van veel goed verkopende boeken over de Tweede Wereldoorlog en over Rusland. Geen kleine speler op het overvolle mediaveld van WOII, je moet dus wel wat te bieden hebben wil je je met succes wagen aan weer een – ook nog volumineus – boek op dat gebied. Dat heeft Dimbleby met overtuiging en goed resultaat gedaan. Helaas vliegt hij op het einde, in de epiloog, enigszins uit de bocht.

    Het thema, de titel zegt het al, is de strijd aan het Oostfront die natuurlijk eerder begon dan in 1944, namelijk met Operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie in juni 1941. Dimbleby schreef daarover al een boek, dus pakt de draad logisch op bij het verdere verloop van die strijd en de smadelijke nederlaag van Nazi-Duitsland in 1944, culminerend in de volledige, onvoorwaardelijke overgave aan de geallieerden in 1945. Dat is allemaal bekend terrein.

    Duits en Russisch wangedrag

    De waarde van dit boek is tweeledig. Met een grote mate van – vaak gruwelijke – details wordt de strijd in de loopgraven en daarbuiten op het slagveld beschreven. Dimblebly gebruikt daarvoor krachtige middelen zoals dagboeken, brieven en herinneringen van zowel Duitse als Russische soldaten, van hoog tot laag in rang. Het wordt soms allemaal wat veel van het kwade, maar je wordt wel weer eens met de neus op de afschuwelijke feiten gedrukt. Daarbij heeft Dimbleby ook aandacht voor deportaties onder erbarmelijke omstandigheden.

    ‘Er waren geen medicijnen. Er waren geen dokters. Er was geen ziekenhuis. En mensen gingen gewoon dood. Mijn opa overleed na een week. De zus van mijn moeder… overleed gewoon vanwege het klimaat – door de hitte. En mijn broer van 15 werd bijna doodgeslagen.’ Dit citaat betreft geen Duits wangedrag, maar Russisch. Het gaat hier over de deportatie van de Krim Tataren op last van Stalin en Beria. Vergelijkbare en nog veel schrijnender citaten zijn er in overvloed. Bovenstaand citaat toont aan dat de strijd aan het Oostfront er niet een was van witte engelen, de Sovjets, tegen zwarte duivels, de Duitsers. Integendeel, aan Sovjetzijde zijn er buitengewoon veel voorbeelden van wreedheden, plus door ideologie en rancune veroorzaakt agressief gedrag tegen Joden, met een flink stuk Holocaust ook in dit gebied, en ook tegen de ‘niet zuivere’ Russen aan de randen van de Sovjet Unie. Daarmee wordt de Duitse rol niet minder, maar wel voorzien van een tegenkant.

    De strijd in 1944

    Naast uitvoerige, gedetailleerde informatie over het verloop van de strijd in 1944 aan de diverse fronten met een enorme onderlinge afstand, belicht de auteur de rol van de Duitse machthebbers. Waar de legerleiding nog wel eens een rationele gedachte had over terugtrekking en hergroepering, wimpelde Hitler alle argumenten weg. De Duitse militairen moesten zich dan maar doodvechten, want een laffe terugtrekking zou een eeuwige schande zij voor het ‘Herrenvolk’ dat immers toch zou gaan winnen. En Hitler maakte korte metten met allen die in zijn optiek in de weg liepen van de ‘Endsieg’. En tenslotte is boeiend dat het niet alleen ging om Duitsland en Rusland die tegen elkaar vochten, maar ook om vele ‘non state actors’ als Oekraïense fascisten, Hongaarse Pijlkruisers en diverse partizanengroepen met uiteenlopende vijanden.

    De tweede verdienste van dit boek is de weerlegging van de mythe dat de landing in Normandië op 6 juni 1944, D day, de beslissende wending in WOII zou hebben veroorzaakt. Dat was, onverlet de enorme verdiensten van die operatie, niet zo. Het Russische verzet aan het Oostfront en het terugdringen van de Nazi’s, ten koste van vele miljoenen slachtoffers, heeft bij die wending een minstens zo belangrijke rol gespeeld. We weten dat allemaal misschien wel, maar vergeten het soms of verdringen het in onze woede over het optreden van de huidige Russische machthebbers jegens Oekraïne.

    Directe lijn van toen naar nu

    In een epiloog van 14 bladzijden na 554 pagina’s tekst trekt de auteur een directe lijn van de toenmalige strijd aan het Oostfront en de belegerde Sovjet Unie naar de oorlog van Poetin met Oekraïne. Hij vergoelijkt zeker niet de agressie van Poetin maar wijst wel op de gevoeligheden in Moskou rond de (vermeende) snelle uitbreiding van de NAVO oostwaarts. Dimbleby wijdt drie pagina’s aan de jaren 90 waarin na het uiteenvallen van de Sovjet Unie en het einde van de Koude Oorlog bij de nieuwe Russische machthebbers door het Westen bij monde van de VS de indruk werd gewekt dat de NAVO niet die kant op zou uitbreiden. Maar de auteur meldt dat over de beroemde ‘not an inch’ uitspraak van VS-zijde tussen historici nog steeds een strijd woedt. Hij kiest geen partij maar begrijpt de gekwetste Russische gevoelens over die NAVO-uitbreiding wel. De NAVO-uitbreiding als feit was ‘een vernederende wetenschap’.

    Plan van Churchill

    Eerder in het boek behandelt Dimbleby de verhoudingen tussen de Sovjet Unie, Engeland en de Verenigde Staten in de periode 1943-1945. Hij beschrijft zonder veel nieuwe inzichten de conferenties van Teheran en Yalta in respectievelijk 1943 en 1945 en die van Potsdam na de Duitse capitulatie. Interessant, maar weinig werkelijk nieuws over de bekende uiteenlopende houding van Churchill en Roosevelt tegenover Stalin, en de betekenis van Roosevelts opvolging door Truman. Vast bekend bij insiders maar voor veel lezers misschien wel nieuw zijn de plannen van Churchill uit het late voorjaar van 1945 om deels met hulp van een herbewapende Wehrmacht een oorlog te beginnen tegen de Sovjet Unie. De aarzelingen bij de Britse legerleiding en vooral de stellige afwijzing van het plan door de VS deden de plannen in de lades van Downing Street 10 belanden.

    Jammer van het oppervlakkige einde, bij zo’n grondig boek past geen haastige epiloog. Maar Eindspel: 1944 blijft waardevol en interessant voor leek en historicus en wie niet opziet tegen hier en daar bombastisch taalgebruik heeft een op het oog volledig overzicht van 1944, wat velen als het beslissende jaar in WOII beschouwen. De huidige geopolitieke spanningen zijn deels maar niet uitsluitend veroorzaakt door de machthebbers in het Kremlin, maar mogen ons niet de ogen doen sluiten voor de heroïsche strijd van Moskou om de Nazi’s  diep in hun eigen land terug te dringen en buiten de deur te houden. Ongetwijfeld had Stalin met dit laatste zijn eigen geopolitieke agenda op het oog en verschoof de optiek langzaam maar zeker van het winnen van de strijd tegen Duitsland naar het moeizaam vormgeven van de naoorlogse wereldorde. Dat die nu weer fundamenteel op het spel staat geeft Dimbleby’s boek een actualiteit die verder gaat het zoveelste boek over 1940-1945.

     

     

    Eindspel: 1944 - Hoe Stalin de oorlog won

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won

    Jonathan Dimbleby

    Met illustraties

    Translation by: Auke Leistra

    Uitgever: De Arbeiderspers (2024)

    ISBN 9789029552943

    660 pagina’s

    Prijs: € 34,99

    Buy with Libris
  • Oogst week 29 – 2025

    Een handvol leven

    Als de eigenaar van een spijkerfabriek en een landhuis overlijdt door een auto-ongeluk willen zijn zoon Toni en echtgenote Käthe in Een handvol leven van Marlen Haushofer het huis verkopen. Op bepaald moment verschijnt Mrs. Betty Russell, een blonde, onpeilbare vrouw op leeftijd met zonnebril die het huis meteen koopt. Zij heeft er vroeger gewoond, maar weigerde de rol van echtgenote en moeder te aanvaarden. Om aan haar sociale leven te ontsnappen zette ze haar dood in scène en verliet man en zoon. Toni, nu tweeëntwintig en Käthe, behalve tweede echtgenote ook vroegere vriendin van Elisabeth, herkennen haar niet.

    Elisabeth overnacht in het huis en bekijkt oude, beschreven prentbriefkaarten. Ze brengen herinneringen aan haar tweestrijd over de hang naar vrijheid en onafhankelijkheid tegenover de geborgenheid van haar huwelijk terug. Haushofer vertelt het in een licht ironische stijl, zonder daarmee de zwaarte van Elisabeths keuze te ondermijnen.

    Marlen Haushofer (1920-1970) was een Oostenrijkse schrijfster wier werk in 2009 werd herontdekt. Haar belangrijkste boek is De wand. Vertaalster Anne Folkertsma op de website van Athenaeum|Scheltema: ‘Net als in haar andere werk ontleedt Haushofer in haar debuut messcherp een kinder- en vrouwenleven. Ze duikt diep in de volstrekt eigen ervaringswereld van Lieschen, vertelt dan hoe de gevoelige Elisabeth op de kloosterschool in een maatschappelijk keurslijf wordt gedwongen, en ze als jongvolwassene steeds meer van zichzelf vervreemd raakt. Tot Elisabeth (…) opeens man en kind verlaat, (…) en onder de nieuwe naam Betty voor zichzelf kiest. Haar naasten wanen haar dood, haar lichaam wordt nooit gevonden, (…).’

     

    Een handvol leven
    Auteur: Marlen Haushofer
    Uitgeverij: Orlando

    Liefde in het licht van de Einsteintelescoop

    In de roman Liefde in het licht van de Einsteintelescoop maakt genoemde telescoop kans in Limburg gebouwd te worden, net als in werkelijkheid. Het apparaat is geen optische telescoop maar een detector van zwaartekrachtgolven die de oorsprong van het universum zou kunnen openbaren. De Euregio Maas-Rijn met zijn stabiele bodem maakt een goede kans de bouwplaats te worden van het ondergronds observatorium, 200 tot 300 meter onder grond, in een driehoekvormige configuratie met tunnels van elk 10 km lang. Grote concurrent is het Italiaanse Sardinië.

    Filosoof, adviseur en schrijver Govert Derix vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij van dit gegeven een liefdesroman zou maken. Een van de hoofdpersonen in de roman is Wiek Starmans, de nieuwe ghostwriter van de Limburgse gouverneur Donkers. Hij gaat samenwerken met Gemma, hoofd communicatie in het provinciehuis. Ze krijgen te maken met Diotima Jammer, leider van de Italiaanse concurrentie. Derix plaatst hen in een psychologisch decor van politiek, bestuur, innovatietechnologie en economie. Het getal drie heeft eveneens een rol: drie delen, de drie tunnels van de telescoop, een driehoeksverhouding.

    Voor een nieuw boek dacht Derix aan een jongetje dat zich afvraagt wat een verhaal eigenlijk is. Derix op Youtube: ‘De Einsteintelescoop gaat over waar dat jongetje naar op zoek is, namelijk het geheim van alle verhalen.’ De gebruikelijke weg van de wiskunde zal veel kennis opleveren. Maar er is nog iets heel anders. ‘Einstein had daar oog voor,’ zegt Derix. ‘Wetenschap gaat niet over goed of kwaad, verbeelding wel. Zou de Einsteintelescoop misschien te maken kunnen hebben met ethische kwaliteiten?’

    Liefde in het licht van de Einsteintelescoop
    Auteur: Govert Derix
    Uitgeverij: Magonia

    Wij, aanmaakhout

    Kracht, moed en onderlinge trouw worden door Otoniya J. Okot Bitek (1966) oftewel Juliane Okot Bitek, in de roman Wij, aanmaakhout op de voorgrond geplaatst. In Oeganda was van 1987 tot 2007 het Verzetsleger van de Heer actief. Deze rebellengroep wilde een staat stichten met de Tien Geboden uit de Bijbel als leidraad. Leider Joseph Kony liet kinderen, jongens en meisjes, ontvoeren om in zijn leger te dienen. Zij werden gebruikt als kindsoldaat of seksslavin. Ongeveer 20.000 kinderen ondergingen dit lot.

    In de roman worden Miriam, Helen en Maggie, drie vrouwen van dan eind twintig, opgeleid tot kindsoldaat. Hun ervaringen beschadigden hen psychisch en fysiek. Maar Okot Bitek wil niet de sensationele wreedheid en tragiek benadrukken, maar juist ontroeren met compassie en menselijkheid. Te lezen valt hoe de ontvoeringen plaatsvonden en wat het levensritme voor de oorlog was, met levendige volksverhalen, waardoor heden en verleden worden verweven. De gevaarlijke reis naar huis wordt eveneens belicht.

    Wij, aanmaakhout is het romandebuut van de Canadees-Oegandese schrijfster. Ze schrijft ook poëzie, essays en andere non-fictie en doceert Black Creativity aan Queen’s University in Canada. Ze is als kind van Oegandese vluchtelingen geboren in Kenia en groeide op in Oeganda. Haar vader was een Oegandese dichter, beide ouders moedigden haar aan om te schrijven. Haar eerste gedichten werden gepubliceerd toen Okot Bitek elf jaar was. Ze schreef onder meer de gedichtenbundel 100 days, over de genocide in Rwanda.

     

    Wij, aanmaakhout
    Auteur: Otoniya J. Okot Bitek
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 13 – 2025

    Het zilveren bot

    Het lot van Oekraïne gaat in het westen velen aan het hart. De populariteit van de schrijver Andrej Koerkov (1961), geboren in Rusland, opgegroeid en woonachtig in Oekraïne, is sinds de oorlog toegenomen. Hij is internationaal een veelgevraagd commentator. Vorig jaar verscheen zijn oorlogsdagboek Onze dagelijkse oorlog (2024), over zaken als wassen als de stroom is uitgevallen, loopgraafkaarsen, het geluid van rijdende tanks op een snelweg, vallende bommen, en de plaats voor kunst, literatuur en muziek in de maar doorgaande oorlog. Eerder verschenen onder meer Grijze bijen (2018) en Dagboek van een invasie (2022).

    Het zilveren bot is deel 1 van The Kyiv Mysteries, drie misdaadromans met een historische achtergrond. In dit eerste deel wordt op klaarlichte dag Samson Kolechko’s vader in zijn bijzijn vermoord. Samson ontsnapt aan de sabel, het kost hem alleen een oor. Het is 1919. In Kiev is het Rode Leger van de Sovjets de baas, het Witte Leger probeert vanuit het westen op te rukken. Overal heerst wantrouwen. Samson is nu als wees alleen in het huis van zijn vader en op een dag wordt dat huis gevorderd door twee soldaten van het Rode Leger. Samson luistert hun plannen af en besluit hen te dwarsbomen, waardoor hij in moorddadige complotten terecht komt. Zijn leven staat geregeld op het spel, maar misschien zal hij een held worden.

    Zoals altijd schrijft Koerkov op een licht ironische toon met oog voor absurditeit. Voor het spannende boek raadpleegde hij de archieven van de misdaadbestrijdingsdienst in Kiev.

     

    Het zilveren bot
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Borgerhoff & Lamberigts 2024

    De bodem van het bestaan – Dagboeken 1976-1980 deel 5

    In deel 5 van de Dagboeken van J.J. Voskuil wordt door de schrijver weer veel geworsteld, met zijn werk op het Meertensinstituut, met andere medewerkers, vrienden, met zijn vrouw L.. Voskuil schildert zichzelf daarbij negatief af, is meestal ontevreden over zijn gedrag en opmerkingen. Tegelijkertijd is hij vaak overtuigd van zijn eigen gelijk en doorziet hij behalve zichzelf ook de mensen om zich heen.

    In 1976 is hij verliefd op de jonge medewerkster Mirjam Lucassen, die wordt gearresteerd in verband met een explosief. Zij verdwijnt uit het Bureau en uit Voskuils leven. Hij raakt gedeprimeerd en schrijft eind 1977: ‘En nog altijd het nu al maanden durende gevoel van zinloosheid dat het onmogelijk maakt indrukken op te doen en neer te schrijven. Om iets waar te nemen heb je een vast punt nodig. Er is geen vast punt.’ Ondanks de ruzies en oeverloze discussies met L. schrijft Voskuil herhaaldelijk: ‘Ik ben niets zonder L.’

    In 1978 noteert hij, naast wat plaatsnamen van wandeltochten, slechts: ‘Marietje [hun kat] is vanmiddag doodgegaan. Ze was al een paar maanden ziek. De laatste weken had ze niet meer gegeten. Een klein, lief, mager scharminkeltje. Toen L. uit Den Haag thuiskwam, om kwart voor drie, leefde ze nog. Een minuut later was ze dood.’
    Begin 1980 gaat hij verder met zijn dagboek. Over het werk: ‘Het komt erop neer dat ze niet geloven dat het een voorstel is. Ze zien het als een overval. Ik wil hen op die manier met een hoop nieuw werk opzadelen. Dat had ik pas mogen doen als er eerst een principebeslissing was genomen. Enzovoort. Ik ben verbijsterd.’
    Voskuil chargeert en relativeert. Met humor, dat wel.

     

    De bodem van het bestaan - Dagboeken 1976-1980 deel 5
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Van Oorschot 2025

    Namiddagen

    De Duitse schrijver Ferdinand von Schirach (1964) is strafrechtadvocaat. Hij heeft vele bekende, beroemde en beruchte cliënten. Op zijn 45e publiceerde hij zijn eerste boek, Misdaden (2009), een bundel met verhalen uit zijn advocatenpraktijk die meteen een bestseller werd. Daarna volgden meerdere verhalenbundels, essays, toneelteksten en romans waarna hij al snel tot de beroemdste Duitse schrijvers ging behoren. Zijn boeken worden in meer dan 40 landen verkocht en er worden films en tv-series van gemaakt.

    In de bundel Namiddagen (2025) spelen Von Schirachs verhalen zich af in velerlei steden, zoals Taipei, Berlijn, Oslo, New York, Marrakech, Tokio, om er een paar te noemen. In Japan is Von Schirach erg populair, hij won daar de Honya Taishō boekhandelsprijs in de categorie internationale literatuur. In een van de Namiddagen-verhalen ontmoet de schrijver in een hotelkamer in Tokio een Amerikaanse advocate. Zij is er voor werk, hij ook – voor interviews en lezingen. Door de vliegreis en het tijdsverschil kunnen ze geen van beiden slapen en zij vertelt hem haar verhaal als advocaat van een beroemde muzikant met wie ze, getrouwd en wel, een paar jaar een relatie had. Bij het einde van de relatie krijgt ze van de muzikant een bijzonder horloge, dat ze later op verrassende wijze tegenover haar echtgenoot weet te ‘legaliseren’.

    In een prettig lezende, onopgesierde maar treffende ‘telling’ stijl laat Von Schirach levens van mensen passeren, met verkeerde beslissingen, toevalligheden, de liefde en de vluchtige aard van geluk en niet te vergeten eenzaamheid. Hij haalt daarbij literatuur, film en kunst aan.

     

    Namiddagen
    Auteur: Ferdinand von Schirach
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2025
  • God noch Duivel kon er wat aan verhelpen

    God noch Duivel kon er wat aan verhelpen

    De geëngageerde Louis Paul Boon bleef zijn hele leven verknocht aan het stadje Aalst waar hij het levenslicht zag. Als ultralinkse socialist bleef hij altijd begaan met de arbeiders en was hij gefascineerd door de mogelijkheden van het socialisme in een tijd van grote industriële omwentelingen. Dat hij eigenlijk enorm pessimistisch was over de samenleving lees je voortdurend terug in zijn werk. Hij bleef altijd hopen op een soort utopisch anarchisme, dat dit zich nooit manifesteerde was voor hem geen reden om het erbij te laten. Hij stortte zich op de gemeente- en politiearchieven van Aalst en schiep daaruit het drietal Pieter Daens, De zwarte hand en Het jaar 1901, waarin hij zich met goesting en smaak uitleeft op ‘die gore klerezooi´ in Aalst.

    In het kloeke negentiende deel van zijn verzamelde werk zijn De zwarte hand en Het jaar 1901 samen uitgegeven door het Louis Paul Boon documentatiecentrum en de Arbeiderspers. In het omvangrijke oeuvre van Louis Paul Boon is de strijd tegen armoede en onrecht een rode draad. Beide thema’s komen sterk naar de voorgrond in De zwarte hand, een bundeling fragmentarische verhalen over een bende anarchisten in Aalst rond 1900. Hoofdpersoon is daarbij de ruwe en waarschijnlijk corrupte smeris Johan Dabbers die bij de jacht op de bende van de Zwarte Hand volledig verstrikt raakt in allerlei andere zaken. Daarbij wordt hij steeds op de hielen gezeten door zijn antagonist en plaatsgenoot, de stokebrand Aart Nielsen. Nielsen en Dabbers waren beiden gebaseerd op echt bestaande personen, al heeft Boon de meeste feiten verfraaid of naar zijn hand gezet. Veel van de beschreven incidenten hebben daadwerkelijk plaatsgevonden maar er was nooit sprake van een bende. De Zwarte Hand is dus niet te vergelijken met Pieter Daens dat wel een documentaire roman is. Weliswaar komen sommige personages uit Pieter Daens terug in De zwarte hand maar dan als bij-personage.

    Giftige adem van de stad

    In de krottenwijken van Aalst ziet niet alleen Johan Dabbers het licht, ook het communisme en anarchisme vinden er vruchtbare voedingsgrond volgens Boon. Er zijn stakende arbeiders, opstandige socialisten, er worden anarchistische vlugschriften verspreid en het stadsbestuur ontvreemdt geld uit de kas. De arbeiderswijken staan volgestampt met krotten die onder de fabrieksrook als zwammen opschieten. Er is ontluisterende armoede in de industriestad en alles wat los en vast zit wordt gestolen. ‘Welke giftige adem hing boven het stadje?’ De misdaad floreert volop en Dabbers kan het aantal dieven nauwelijks bijhouden, overal wordt hij ingehaald door de feiten. In korte tijd drukt de Zwarte Hand al snel een stempel op de gebeurtenissen in Aalst. ‘De Zwarte Hand lag op de stad gedrukt, alles verstikkend, alles worgend.’ De wapenfeiten van de Zwarte Hand zijn vooral diefstal en vandalisme, waarbij ze de politie graag op het verkeerde been zetten.

    De bende wordt zo genoemd vanwege de zwarte handafdruk die op de plaats delict wordt achtergelaten als teken. Ze dragen kapmantels en vrouwenrokken en overvallen voornamelijk welgestelde lieden en fabrieken. Als spoken verdwijnen ze na de slag geslagen te hebben in de omliggende landerijen. De politie van Aalst grijpt keer op keer mis en verdenkt zowat het halve stadje. Zijdelings stipt Boon hierbij veel zaken aan; het reilen en zeilen van de Belgische socialisten, misstanden in de behandeling van arbeiders, corruptie van de heersende macht en machtsmisbruik. Vaak neemt hij het op voor de benadeelde arbeiders. Hij suggereert dat de armoede de arbeiders uit behoeftigheid aanzette tot misdaad, de omstandigheden ‘verbeesten’ hen zodat ze tot alles in staat zijn. Gefrustreerd door het socialisme in België maakt Boon van de politieverslagen een soort crime noir vertelling waarin allerlei louche figuren zich verdringen om elkaar een loer te draaien. Mogelijk was hij daarbij ook geïnspireerd door het werk van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos.

    Aan de hand van de politieverslagen zien we de ondergang van Dabbers als hij in een zedenzaak verstrikt raakt. Het gaat zelfs zover dat de rechtbank de politie in Aalst medeplichtig verklaart. Telkens is er het dubbelspel waarbij de politie zelf de grootste bandieten zijn en de misdadigers als een soort Robin Hood het onrecht blootleggen. Een thema waar Boon in De bende van Jan de Lichte al mee schermde.

    Volksverhalen met de Franse slag

    Boon beschrijft de liederlijke toestanden en uitwassen in Aalst met een onverbeterlijk romantische inborst. Tussen de twee boeken ontwikkelt zijn verteltrant zich in een meer minimalistische richting. Waar in De Zwarte Hand de verteller nog aanwezig is om regelmatig commentaar te geven op de gebeurtenissen staan in Het jaar 1901, dat voornamelijk over dezelfde zaken gaat, alleen de kale verslagen uit het archief. Het is een bloemlezing of een krans los van elkaar staande kolderieke of meer serieuze scènes die uit het dagelijks leven zijn gegrepen. De volgorde lijkt willekeurig en er zijn geen vaste personages, wel een paar bekende gezichten. Vaak lijkt er wel een bedoeling achter te zitten, al was het maar om de mensen ‘een geweten te schoppen’ en te tonen hoe het er werkelijk aan toeging aan de onderkant van de maatschappij. Alles bij elkaar biedt het een panoramisch beeld op het leven rond de eeuwwisseling.

    In De Zwarte Hand volgen de gebeurtenissen elkaar heel snel op en is er veel herhaling. De stad Aalst is eigenlijk het hoofdpersonage en alles grijpt min of meer coherent in elkaar. Dan is er nog de enorme lijst van personages waarbij sommigen maar een of twee keer worden genoemd. Boon speelt ook met het verhaal van de socialistische anarchist Frans van der Niepen, de inspiratie voor Aart Nielsen. Waarbij hij een mysterieus dagboek noemt en zogenaamde jeugdherinneringen van zijn moeder. Kortom, hij gaat met de Franse slag te werk, wat ook blijkt uit de stadsarchieven waar hij met ruwe hand doorheen is gegaan, aantekeningen makend en met rode pen onderstrepend. Ook moet zijn eigenzinnige kijk op spelling genoemd worden, waarbij hij veel volks- en streektaal bezigt en steevast de c voor de k gebruikt bijvoorbeeld. Iets wat de redactie er bewust in heeft gehouden.

    Het boek is wel een flinke kluif waarbij het nawoord van honderd pagina’s nog wat olie op het vuur gooit met vermiste manuscripten die opeens weer opduiken, het gaat allemaal op zijn onnavolgbare Booniaans. Al slaagt hij misschien niet helemaal in zijn opzet, de fictionele stad Aalst blijft een indrukwekkend bouwsel. Het is bewonderenswaardig hoe hij tracht om het vergeefse streven van een antiheld en het reilen en zeilen van een stad met elkaar te verbinden. Het idealisme van de cultuurpessimist doordrenkt de hele levendige boel. ‘Zo was de stad, en geen God, geen Duivel, die er wat aan verhelpen kon.’

     

     

  • Een stand-up-archeoloog

    Een stand-up-archeoloog

    Wie denkt dat De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts wel over humor zal gaan, wordt het op de eerste pagina ervan al duidelijk dat het ik-personage, Felix Kajuit, klaar is ‘met alle komedie’. En wie denkt dat het iets met De Goddelijke komedie van Dante heeft te maken, komt ook bedrogen uit. Waarover gaat het dan wel? Over de voorstelling Wachten op de Bataven die door de covid-19 pandemie niet door kon gaan. En alles daaromheen. Dát het niet door kon gaan, lucht Kajuit op, omdat de daaraan voorafgaande voorstellingen alleen maar een slechte pers hadden gekregen. Al was hij finalist geweest bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs, de cabaretprijs van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) die sinds 2003 jaarlijks wordt toegekend. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

    De kleine en grote wereld

    Felix was trouwens op school, in 1981, ook al niet de lolligste. Hij had een bruine juf, Joyce, voor ‘Zwarte Piet’ uitgemaakt en lachte met een vriendje mee om zijn eigen moeder, die krom liep van de pijn. Of met zijn broer als zijn vader grauw zag van duizeligheid. Dat is de kleine wereld, dicht bij huis, maar ook in de grote wereld mislukken veel dingen. Een treinongeluk in de Leidse Merenwijk, de Challenger die ontploft, de kernramp in Tsjernobyl om maar wat te noemen.

    Bovendien gaat Felix’ verhaal niet alleen de breedte in, van Leiden naar Amerika en Oekraïne, maar ook letterlijk de diepte in, naar herinneringen. Tijdens een voorstelling wil hij ‘allerlei voorwerpen opgraven die met [zijn] kindertijd in de jaren tachtig te maken hadden’. Als een stand-up-archeoloog, een beeld dat Weijts verder uitwerkt: ‘Uit scherven en fragmenten moesten we een samenhangend verhaal maken.’ Zoals zijn vader op zijn werk, een laboratorium, niet aan complete projecten mag werken ‘maar aan opgeknipte delen ervan’.

    Zo zit ook deze roman in elkaar. Afwisselend over de jeugd van Felix en zijn tijd als al dan niet werkloos cabaretier tijdens covid-19. Fantasie heeft hij altijd gehad. Zoals op school, toen hij een verhaal schreef ‘over een jongen die ’s avonds naar de overkant van de straat keek, naar een meisje. Op een dag werden ze – door tussenkomst van een Romeinse godheid – verwisseld en leefde hij in haar kamer’. Fantasie én mooie zinnen, zoals ‘Ze leefden overal tussendoor’, dat herkennen we van Weijts.

    De meeste karakters worden raak neergezet, zeker dat van Felix’ vader, die de genegenheid voor zijn zoon niet anders kan uiten dan door in zijn vrije tijd dingen voor hem in elkaar te zetten, zoals een sirene voor op zijn fietsstuur, waarover Felix uitweidt. Want dat had hij al jong van de oudejaarsconferences van Freek de Jonge geleerd: ‘De uitweiding als vormgevend principe.’ Een verhaal in de breedte, de diepte en vol uitweidingen dus. En details over de tijd waarin alles speelt: zowel de jeugd van Felix als de covid-19 tijd.

    De comedyclub en de tijdgeest

    Toch is het niet Felix die in coronatijd een illegale Comedyclub begint, maar zijn rivaal Tom, een iets minder goed uitgewerkt karakter. Tom heeft Felix’ naam nodig om in zijn subsidieaanvraag te vermelden. Hij was immers finalist bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs. In ruil mag Felix rustig in een van Toms cabinewoningen bij zijn club werken aan voorbereidingen voor comedylessen en schrijfworkshops die hij geeft in Toms comedyclub.

    Felix verzint net als in zijn jeugd verre van leuke grappen (‘Incest, ach ja, zolang het binnen de familie blijft, vind ik het allemaal best’). Maar ja, ‘the first draft of anything is shit’ citeert hij Ernest Hemingway. Daarna zou hij een uitblinker worden als cabaretier. Maar is dat zo?
    Nee en hij geeft de tijdgeest de schuld dat dit niet lukt. Een tijdgeest die in dit boek ruimschoots, en soms een beetje te veel in de vorm van opsommingen, aan bod komt. Bovendien wijt hij de mislukking ook aan zijn verknipte jeugd.
    Comedy maken in een tijd van corona is niet alles. Een goddelijke comedy nog wel. Dat wil zeggen ‘alles betekenis geven, alles wat in [de] omgeving gebeurde rangschikken tot een coherent verhaal’, zoals zijn steeds depressiever wordende vader.

    Het ontglipt Felix allemaal. Hij verwaarloost zijn cabinewoning en zichzelf, raakt zijn humor kwijt en wordt een wappie genoemd. Dat laatste geldt ook voor Tom, die ‘het virus’ oploopt bovenop onderliggend lijden. Maar dat is lang niet alles. De wereld zelf wordt een verhaal zonder samenhang. Hiermee wordt een interessante laag onder de roman blootgelegd die misschien teveel bedolven is geraakt onder de vele uitweidingen en details over de tijdgeest.

    Wat niet wegneemt dat de klassieke opbouw van het geheel, met de twee aan elkaar gerelateerde verhalen over vroeger en nu, knap is gedaan. Je moet er als lezer even inkomen om dit scherp te krijgen, maar Weijts heeft zich sinds zijn debuut Art. 285b weten te vernieuwen met deze tragische komedie. Zonder humor. Dat wel.

     

     

  • Vergeten interessante politieke opportunist

    Vergeten interessante politieke opportunist

    Na drie romans, waarvan Een verhaal uit de Zonnestad (2017) bekroond werd met de Bronzen Uil debuutprijs en vermeld werd op de longlist van de Libris Literatuur Prijs, promoveerde de historicus John-Alexander Janssen in 2023 op een proefschrift over de republikeinse politieke kritiek tijdens de jaren 1887-1893 in de Franse Derde Republiek. Een interessante tijd, alleen al door de bekende Dreyfusaffaire die kort daarna in 1894 ontstond en culmineerde in een controversieel vonnis en een ernstige crisis in de Franse politiek. Uit zijn proefschrift lichtte Janssen een andere, veel minder bekende, historische figuur die in de huidige tijd als hoogst actueel kan worden beschouwd. Het gaat om de populistische politicus en oud militair George Boulanger. Nog wel bekend in Frankrijk, daarbuiten vrijwel niet.

    Had Janssen bij het afronden van zijn dissertatie een vooruitziende blik? Het contract over het boek dat Boulanger! is geworden was al gesloten tijdens het werk aan het proefschrift. Het boek, zo schrijft hij in zijn verantwoording, zou een heel ander werk worden dan dat proefschrift: geen noten, geen wetenschappelijke verhandeling. Uiteindelijk nam Janssen ‘eindnoten’ zonder Franse citaten op en beperkte zich tot de essentiële stof.

    Die keuze is een goed besluit geweest want Boulanger! is heel toegankelijk geworden, ook voor de Nederlandse, niet in de Franse geschiedenis ingevoerde lezer en met een zeer actuele betekenis van het populisme. Het boek is mooi opgebouwd. Een proloog beschrijft de bezichtiging door de auteur van een begraafplaats in Elsene, Brussel (spoiler alert!) waar Boulanger op een ‘petit Père-Lachaise’ begraven ligt.

    ‘Ik stort me terug in het niets’

    Na het einde van een even wisselvallige als succesvolle korte politieke carrière in Parijs in 1889 verlaat de dan 52-jarige Boulanger de stad. Zijn parlementszetel heeft hij behouden, maar de Boulangistische beweging heeft bij de verkiezingen dat jaar flink verloren. Hij wijkt uit, met zijn jongere vriendin Marguerite naar het eiland Jersey waar hij wikt en weegt over een terugkeer in de Franse politiek. Maar de steun van zijn beweging kalfde af, zijn vriendin – hij was nog steeds gehuwd – werd zwaar ziek en samen belandden zij in 1891 in Brussel waar een arts haar – vergeefs – behandelde. Op 35-jarige leeftijd stierf ze, en niet lang daarna schoot Boulanger zich met een pistool dood op Marguerite’s graf. De begrafenis trok 150.000 mensen uit België en Frankrijk. De Belgische overheid had toespraken verboden uit angst voor oproer, Boulangers wettige vrouw en hun twee dochters ontbraken, een aanhanger gooide een schepje Franse aarde op het graf. Zijn persoonlijk testament dat hij had opgesteld voor de zelfmoord was even sober als veelbetekenend ‘ik stort me terug in het niets waar het lijden afwezig is’. Het politieke testament was gevuld met aansporingen en goede raad aan de beweging, maar had nul effect: de beweging viel verder in ruzies uiteen en verkruimelde.

    Zo eindigde een uiterst turbulent leven van een goed militair en een politieke opportunist. Zijn politieke opvattingen en keuzes voor partners liepen uiteen van rechts tot links en op de consistentie van zijn opvattingen was geen peil te trekken. Het boek eindigt met een epiloog waarin wordt nabeschouwd op een stukje what if history. Conclusie: Boulanger had nooit de macht kunnen krijgen met een meerderheidscoalitie, hoogstens als dictator. En dan was succes verre van verzekerd.

    Wat eraan vooraf ging

    Wat ging er allemaal aan Boulangers dood vooraf? Janssen omschrijft hem als een handige politicus die bekwaam meegolfde op allerlei vaak uiteenlopende sentimenten in de Franse samenleving na de harde nederlaag tegen Duitsland in 1870. Dat was een turbulente periode in Frankrijk, het einde van het bewind van Keizer Napoleon III, de linkse commune van Parijs van 1871, de Republiek erna en diverse elkaar bestrijdende politieke stromingen. Zoals republikeinen, legitimisten, orangisten, conservatieven, orleanisten, plebiscitairen en reactionairen. Een, zacht gezegd, heterogeen gezelschap.

    Wat was nu de drijvende politieke ambitie van Boulanger, afgezien van zijn persoonlijke ambitie om in elke functie snel vooruit te komen, zijn ongeduld, zijn vermogen om snelle daden te stellen en zijn onvermogen om behaalde winst ook vast te houden? Zijn kernboodschap is in feite dat politici, in het bijzonder parlementsleden, falen in hun taak. De verleiding is groot om Boulanger een 19e eeuwse Franse voorloper van het populisme te noemen. Dat is wat makkelijk maar er zijn zeker hier en daar interessante historische parallellen te trekken. Zo geloofde Boulanger in de macht van het volk, ongefilterd door een parlement. Minder helder was hij over de manier om die macht door te vertalen naar beleid en kiesstelsel. Sterk leiderschap was een derde belangrijke opvatting van Boulanger.

    Zijn stijl was het beklemtonen van de grote lijnen en het negeren van details. Ook was hij een meester in het wenden en draaien en het zich aanpassen aan de heersende winden voor zover die hem een kans gaven op politiek succes.

    Het tragische van Boulanger was dat veel volgers hem gebruikten, misbruikten, om zelf naar machtsposities te komen. Dat deden ze door hem de opening te laten maken, het ‘breekijzer voor verandering’ in de woorden van Janssen. Daarna slaagde Boulanger er niet in de eenheid te bewaren en viel zijn beweging dikwijls uiteen in meerdere flanken. Janssen vat het goed samen: ‘Boulangers kracht – de vereniging van groepen aan alle kanten van het politieke spectrum rondom zijn eigen persoon – was tegelijkertijd zijn zwakte. Juist door de grote politieke verschillen moest het wel om hem draaien. De magie werkte zolang hij niet definitief kleur bekende.’ En toch wel een beetje met huidige politici in gedachten een treffende stelling: ‘Winnaars zijn geen verantwoording schuldig, en zolang hij iedereen tevreden kon houden, vooral doordat hij de hoop op politieke verandering levend hield, werkte het.’

    Het fenomeen Boulanger is vandaag de dag razend interessant ondanks alle verschillen met de situatie 135 jaar geleden. Voornaamste parallel is wel de vluchtigheid van het electoraat en het sterke appel van opvallende persoonlijkheden in de politiek. Als er in de 19e eeuw een Tik Tok had bestaan, zou Boulanger een veelgebruiker zijn geweest. Voornaamste verschil is dat Boulanger een politiek jongleur was zonder een volwassen partij en programma. Dat zijn overigens fenomenen die pas in de late 19e eeuw zijn ontstaan. Tekenend voor de politieke windvaan met sterke aantrekkingskracht die Boulanger was, zijn de labels die later op hem zijn geplakt: een niet-marxistische vorm van socialisme, kraamkamer van Frans fascisme, voorloper van rechts nationalisme.

    Inkijk in verziekt politiek klimaat

    Janssens boek is bescheiden van opzet. Het is geen nieuwe beoordeling van Boulanger ten opzichte van de al rijke Franse literatuur, wel een (her?)ontdekking voor een Nederlands publiek dat interesse heeft in geschiedenis. Bovendien geeft Janssen een goede, degelijke inkijk in twee tot drie decennia van politieke onrust, economische crisis en het zoeken naar een werkelijk Franse identiteit, een eeuw na de Franse revolutie. Het was geen sterke, stabiele periode in Frankrijk, maar een ‘verziekt politiek klimaat’, zegt Janssen. Daarin kon een charismatisch man, succesvol militair, patriot, volkstribuun, bedreven in publiek effect van zijn optreden – hij verscheen vaak op een zwart paard gezeten – een wisselende rol van outsider tot minister vervullen, waarna zijn geloofwaardigheid als outsider snel teloor ging.

    Het boek leest lekker makkelijk ondanks de duizelingwekkende hoeveelheid gebeurtenissen, feiten, plaatsen en incidenten die de revue passeert. En dat terwijl Janssen in zijn nawoord uitlegt dat hij zich heeft moeten beperken tot de essentiële feiten en een representatief beeld. Dat lijkt goed te zijn gelukt. De lezer krijgt ook nog een behulpzame chronologie aangereikt.

    Kortom: een aanwinst voor iedereen met historische interesse over een bijzonder hoofdstuk in de Franse geschiedenis met interessante inzichten om het huidige populisme beter te begrijpen en te duiden. Een Netflix-serie waard.

     

     

  • Oogst week 2 -2025

    Oogst week 2 -2025

    Waar alle wegen ophouden

    Sana Valiulina (1964) werd geboren in Estland in de toenmalige Sovjet Unie. Haar ouders vluchtten er vandaan, Sana keerde later terug om in Moskou Noorse taal- en letterkunde te studeren. Over die studietijd schreef zij haar debuutroman Het kruis (2000). Gedreven door de liefde woont ze sinds 1989 in Nederland. Ze werkt als vertaler en docent Russisch, en schrijft columns en boeken in het Nederlands.

    In Waar alle wegen ophouden volgt ze de tocht van haar vader die hij als krijgsgevangene van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog aflegde. Die duurde veertien jaar, en bracht hem van Rusland naar Bretagne, Normandië en via Engeland weer terug naar Rusland. Daar kreeg hij als ‘landverrader’ tien jaar strafkamp.
    Valiulina vindt haar vader raadselachtig en onpeilbaar. Maar ‘Het recht op geheim is een van de fundamentele rechten van de mens’ zegt ze.

    ‘De laatste keer dat ik hem zag was door de stoffige achterruit van de bus. (…) ik bleef midden op de rijweg staan om naar het vertrouwde, onbewogen gezicht onder de blauwe pet te kijken (…) Volgens mij stak hij nog een keer zijn hand op als antwoord op mijn wanhopige zwaaien, om het moment stil te zetten. Wat natuurlijk niet gebeurde. (…) Weer gingen onze wegen uiteen, ik naar Amsterdam, en hij?’
    Veel van Valiulina’s werk gaat over haar verleden in de Sovjet Unie. Waar alle wegen ophouden is haar tiende boek, opgedragen aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.

     

    Waar alle wegen ophouden
    Auteur: Sana Valiulina
    Uitgeverij: Prometheus 2024

    Het voetkussenboek

    De Belgische schrijver en vertaler Jos Vos (1960) is anglist, neerlandicus en japanoloog. Hij woont in Oxford, woonde voordien jaren in Japan en is getrouwd met een Japanse. Hij doceert, vertaalt en schrijft artikelen en boekbesprekingen.

    Zijn Het voetkussenboek is een verzameling essays die over van alles en nog wat gaan, door elkaar lopen en met elkaar verweven zijn. Het is gebaseerd op Het hoofdkussenboek uit de 10e eeuw waarin de Japanse hofdame Sei Shonagon alles opschreef wat haar opviel, aantrok of afstootte in mensen en haar eigen belevenissen.

    Ook Vos schuwt geen onderwerp. Het boek gaat over dichters die de schepping prijzen, over ganzen en over Het Verhaal van Genji, een Japanse roman uit begin 11e eeuw. ‘Toen ik Genji zat te vertalen – een project dat zeven jaar van mijn leven heeft gekost – was ik dolblij met elke gans die ik hoorde.’ Het gaat over wat hij allemaal zag aan film en tv, zoals The Thunderbirds, Doctor Doolittle, en vele andere. Over liedjes uit de jaren zestig en zeventig, over de dichters die hij via Gerrit Komrij leerde kennen, over Het hoofdkussenboek, over oude rockgroepen, zoals The Who en The Rolling Stones. Over het tv-feuilleton Heimat, over Prousts Combray (‘Telkens als ik Combray inkijk zie ik tante Léonie in bed liggen tegen het raam van mijn opa’s huis’). Over de groenten in de tuin van zijn opa. Over Nederland, over zijn kindertijd. En steeds komt het verhaal van Genji terug in de hele grote caleidoscoop die Het Voetkussenboek is.

     

    Het voetkussenboek
    Auteur: Jos Vos
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2024

    De cultuur van het narcisme

    Oorspronkelijk verscheen De cultuur van het narcisme in 1979. Christopher Lasch (1932-1994, historicus en sociaal criticus), bekritiseerde daarin de cultuur van de toenmalige Amerikaanse samenleving en het kapitalisme waarin geen enkele overtuiging schuilging. De Tweede Wereldoorlog en daarna de opkomst van de consumptiemaatschappij waren de grondslag voor een narcistische persoonlijkheidsstructuur: het ik kwam centraal te staan.

    Lasch laat zien dat de samenleving van zijn tijd werd getekend door een therapeutische en narcistische cultuur. De jeugdcultuur komt op, er is angst voor veroudering en bewondering voor roem. Alles draait om het ik. Mensen willen zichzelf leren kennen, hun psyche is het belangrijkste en om die te bevredigen leren ze over oosterse wijsheid, doen ze aan yoga, gaan in therapie, leren over hun gevoelens en relaties enzovoort. Het doel is genot. Therapeuten moedigen een hedonistische levenshouding aan en dienen hun eigen commerciële belang. Lasch heeft ook kritiek op reclame en massamedia omdat de waarheid daarin vaak van ondergeschikt belang is. De parallellen met de huidige tijd zijn duidelijk. ‘Genieten’ is nog steeds een doel en bekentenisliteratuur is er te over, om er maar twee te noemen.

     

    De cultuur van het narcisme
    Auteur: Christopher Lasch
    Uitgeverij: Athenaeum 2024
  • Oogst week 42 – 2024

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won

    De Britse historicus en schrijver Jonathan Dimbleby (1944) is presentator van radio- en televisieprogramma’s over actuele zaken. Hij begon daarmee in 1969 bij de BBC en schreef mee aan televisieseries die hij zelf presenteerde. Boeken van zijn naam zijn onder meer: The Palestinians (1978), Russia: a journey to the heart of a land and its people (2008), Barbarossa – Hoe Hitler de oorlog verloor (2021).

    Dit jaar verscheen Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won. Dimbleby geeft daarin een nauwgezette analyse van de militaire, politieke en diplomatieke ontwikkelingen in het allesbepalende jaar 1944. Er werd een moordaanslag op Hitler gepleegd, de geallieerden landden op de stranden van Normandië en tegelijkertijd bracht het Rode Leger in Operatie Bagration de Duitse Wehrmacht een verwoestende nederlaag toe, waarbij Wit-Rusland en het oosten van Polen werden heroverd. Nazi-Duitsland werd op de knieën gedwongen. Deze Russische triomf aan het oostfront kenmerkt de geschiedenis van Europa na de oorlog. Churchill en Roosevelt bogen voor Stalin die Oost-Europa binnen zijn invloedssfeer wilde hebben. Dimbleby legt verbanden tussen dit succes en de huidige oorlog van Poetin in Oekraïne.

     

    Eindspel: 1944 – Hoe Stalin de oorlog won
    Auteur: Jonathan Dimbleby
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    De A van Asta

    De Deens Tine Høeg (1985) schreef met De A van Asta niet een roman in de gewone zin van het woord. Ze speelt met woorden. De tekst bestaat uit korte zinnen en regels met een of meer witregels ertussen. Soms bestaat een regel uit één woord, en een of twee zinnen of regels op een bladzijde komen ook voor. Interpunctie ontbreekt vrijwel.

    Asta, de hoofdpersoon en ik-verteller is bezig aan een boek over een Poolse cementkunstenaar. Ze wordt gestoord in het werk en gaat terug naar het verleden als ze een uitnodiging ontvangt voor een herdenkingsdienst voor August, een jongen met wie ze in hetzelfde studentenhuis woonde en die tien jaar eerder is overleden. Mai was destijds al haar beste vriendin en is dat nog steeds. Geregeld past Asta op het zoontje van Mai.

    De roman gaat over het studentenleven van toen, de feestjes en verliefdheden, waarin August een relatie had met Mai. Over wie ze dachten te zijn en wie ze nu zijn. Angsten, herinneringen en ambities komen boven. Op trage wijze laat Høeg het verhaal tot leven komen dat Asta nooit aan Mai heeft durven vertellen. Hoe waren de onstuimige dagen voorafgaand aan Augusts dood, wat gebeurde er werkelijk in de nacht dat hij stierf?

    Het boek werd bewerkt tot een toneeltekst en opgevoerd door het Koninklijk Deens Theater.

    De A van Asta
    Auteur: Tine Høeg
    Uitgeverij: Koppernik

    Intermezzo

    De Ierse schrijfster Sally Rooney (1991) staat bekend als iemand die schrijft over de millennials. Door The Guardian werd ze uitgeroepen tot dè millennialstem en Time rekende haar in 2022 tot de meest invloedrijke mensen ter wereld. Rooney noemt zichzelf een feminist en een marxist, sommige critici spreken vooral dat laatste tegen.

    In haar roman Normale mensen zet ze wat als normaal en niet-normaal wordt gezien tegen elkaar af. Deze roman werd genomineerd voor de Booker Prize en won belangrijke andere prijzen. Er werd ook een televisieserie van gemaakt, net als van Gesprekken met vrienden.

    In Intermezzo, Rooney’s vierde roman, rouwen twee zeer verschillende broers om de dood van hun vader. Peter, een dertiger, is een succesvolle advocaat in Dublin. Hij heeft relaties met twee vrouwen en geen idee hoe hij die moet handlen. Hij lijkt onaantastbaar, maar kan niet zonder slaapmedicatie. De tweeëntwintigjarige Ivan, een professioneel schaker en sociaal onhandige loner, krijgt een relatie met de achttien jaar oudere, net gescheiden Margaret. Hij is niet bepaald dol op zijn broer. ‘Opzettelijk zacht, bijna sissend, zegt Ivan: “God man, wat haat ik jou. Mijn hele leven al.” Zonder zich te verroeren, zonder om zich heen te kijken of andere gasten of de serveersters op hen letten, zegt Peter alleen: “Weet ik.”’ Rooney ontleedt de karakters van de twee broers.

     

    Intermezzo
    Auteur: Sally Rooney
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Stille gedachten

    Stille gedachten

    Wat komt Susan Sontag in het Sarajevo van 1993 brengen? De stad heette volgens de VN-resolutie 824 een VN-veilig gebied te zijn, onder de bescherming van UNPROFOR. Sontag regisseert er een toneelstuk. En wat doet Cody Garner er op hetzelfde moment? Komt hij iets brengen, of eerder iets halen; verhalen, avontuur, liefde, werk? Dat is de vraag in het eerste hoofdstuk van Het Stravinsky-spel van Arthur Japin. En misschien ook wel de centrale vraag in deze historische roman, waarin je als lezer meteen wordt meegenomen, maar die toch niet helemaal bevredigt.

    Susan Sontag (1933-2004) was een Amerikaanse schrijfster en filosofe. Japins partner Benjamin Moser schreef een veelgeprezen biografie over deze gekwelde vrouw: Sontag. In Het Stravinsky-spel raakt Cody Garner – een verzonnen personage en de ik-verteller – in de jaren veertig van de vorige eeuw bevriend met Sontag. Ze ontwikkelen samen een spel, het Stravinsky-spel, waarover straks meer.

    Cody, David, Sue

    Sontag vertelt aan het toneelgezelschap dat Cody komt assisteren bij de productie van Wachten op Godot van Samuel Beckett. ‘Je hebt geen idee’, schrijft ze hem, ‘hoeveel goed ze dat doet, alleen die mededeling al. Dat je hiertoe bereid bent, betekent dat zij door de wereld niet worden vergeten.’ En dat terwijl haar zoon David Rieff (die over zijn moeders laatste levensjaar het boek Swimming in a sea of death schreef), vanuit het getroffen gebied wereldkundig maakt wat er gebeurt. Dit zegt wat over de gespannen verhouding tussen moeder en zoon, die ze destijds heeft achtergelaten toen ze na haar studie in Europa weer terugging naar de Verenigde Staten. Japin geeft dit op die manier fijntjes, en later ook duidelijker, weer.

    Herinneringen voeren Cody terug naar de tijd dat hij in Los Angeles Susan Sontag, bakvis Sue, leert kennen. Ze zijn onafscheidelijk en doen intellectuele spelletjes, zoals het in een platenwinkel raden van het juiste Köchel Verzeichnisnummer terwijl ze naar een stuk van Mozart luisteren. Ze gaan naar films, struinen boekwinkels af, bezoeken tentoonstellingen en concerten.

    Stravinsky en Thomas Mann

    Zo horen ze op een gegeven moment het baanbrekende Le sacre du printemps van Igor Stravinsky in een uitvoering door het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Otto Klemperer, een concert dat ook wordt bijgewoond door de componist en diens vrouw. Sue en Cody vinden uit waar het echtpaar woont en gaan op een dag op de stoep zitten luisteren naar pianospel, waarvan ze aannemen dat dit van Stravinsky is. Daar bedenken ze een spel, dat ze het Stravinsky-spel noemen: wat als je een poos(je) van je leven zou kunnen geven om Stravinsky of een andere kunstenaar, zoals de schrijver Thomas Mann, nog grotere kunst te laten maken? Zou je daartoe genegen zijn?

    Want ook op het werk van Mann zijn ze allebei dol, maar of een bijna zestienjarige, al dan niet vroegwijze puber zich daarover uit in woorden als: ‘Hoe hij dit gevoel van vrijheid afzet tegen het beklemmende, onvermijdelijk verziekende, ziekmakende moeras’ valt te betwijfelen.
    Beiden gaan studeren en ontdekken hun geaardheid: Susan (zoals ze zich inmiddels noemt) is bi- en Cody homoseksueel. Ze achterhalen via via Manns telefoonnummer en gaan op theevisite, wat ze achteraf allebei verschillend beleven; Cody begrijpt dat Susan ‘afstand prefereerde boven contact. Dat geldt voor haar idolen, maar misschien houdt ze die afstand uiteindelijk het liefst tot iedereen.’ In tegenstelling tot zoon David, die een band had met Susans vriendinnen, zoals de laatste partner van zijn moeder, de fotografe Annie Leibovitz. Nee, Susan Sontag, vertelt Cody, ‘genoot (…) naast haar roem, haar status (…) de reputatie ook gevaarlijk harteloos en ongeïnteresseerd te zijn, snel opgebrand en dan onnodig beledigend of ronduit bot en wreed.’ Hij verklaart dit ‘uit onmacht, uit verlegenheid, uit die hang naar stille gedachten en dat aangeboren onvermogen om zich in andermans gevoelens te verplaatsen.’

    Opmerkingen als deze geven diepte aan het karakter van Sontag in een verder rustig voortbewegend verhaal in een mooie stijl, zoals we dat van Japin kennen. Soms slaat hij een zijpad in zoals de vergelijking van hiv met de oorlog in Bosnië Herzegovina. Als thema komt hiv in het verhaal terug wanneer Cody’s vriend Eli Marshall eraan overlijdt, een ontroerend gedeelte.

    Het boek is inherent ook een aanklacht tegen de bezuinigingen op kunst. De verteller heeft het over ‘het nut van moderne kunst in een (…) uitzichtloze situatie’ zoals in Sarajevo. Al is het woord ‘nut’ misschien niet zo goed gekozen, de boodschap is duidelijk. Een boodschap die in dit geval misschien duidelijker verankerd had kunnen worden in de vraag of de personages nu iets kwamen brengen of halen. En of ze nu écht zelf dat Stravinsky-spel hadden willen spelen.

     

     

  • Het echte leven van mastodont Moeyaert

    Het echte leven van mastodont Moeyaert

    In de prachtige privédomeinserie van de Arbeiderspers is kortgeleden Een ander leven verschenen van en over de Vlaamse mastodont Bart Moeyaert. Zestig jaar is de gelauwerde schrijver dit jaar geworden en bijna zestig publicaties heeft hij op zijn naam staan: poëzie, proza, theater, literatuur voor jeugd en volwassenen. In 1983 debuteerde hij met de latere ‘longseller’ Duet met valse noten, uitgebracht als 12+ titel. Moeyaert zegt in het egodocument Een ander leven dat het genre van de adolescentenliteratuur ‘schromelijk onderschat’ wordt, dat er vaak vanuit wordt gegaan dat deze literatuur per definitie niet meerlagig is, ‘weinig vlees aan het bot bevat’. Moeyaerts oeuvre is een bewijs van het tegendeel. Zijn werk is veelvuldig vertaald en met vele bekroningen beloond onder andere met de ‘Nobelprijs voor de Jeugdliteratuur’, de Astrid Lindgren Memorial Award in 2019.

    Een ander leven is het verslag van de zoektocht naar de contouren van zijn geschiedenis. Zijn volwassenwording als zevende zoon in een traditioneel gezin wordt beschreven en de achtergrond van en band met zijn ouders. De strijd om schrijver te worden en de persoonlijke zoektocht naar zijn identiteit krijgen veel aandacht en ook poëticale aspecten en duiding van zijn eigen werk komen aan de orde. Het boek is non-fictie, beschrijft feiten, maar wie het werk van Moeyaert kent weet dat er voor de lezer altijd werk aan de winkel is. In dit geval bijvoorbeeld door een originele opbouw waarbij een hersenbloeding van zijn vader de opmaat vormt en poëtische fragmenten uit brieven van zijn moeder als motto’s de hoofdstukken inleiden die starten bij moeders zeventigste verjaardag en niet-chronologisch heen en weer meanderen van Moeyaerts tienertijd tot nu. Een eerste, tweede en derde ‘rust’, korte tussenstukjes, beschrijven hoe de vader, de moeder en tenslotte de spullen het ouderlijk huis verlaten.

    Moeder, vader en geaardheid

    De rode draad van het boek is een driedaags verjaarscadeautje van zoon Bart (dan 35) voor zijn jarige moeder (70) naar Parijs, de stad waaraan Moeyaert veel herinneringen heeft. Moeder geniet met volle teugen. Ze is blij dat ‘ze meer deel uitmaakt van de wereld dan gewoonlijk’. Als ze tijdens het ontbijt in het hotel een geanimeerd gesprek voert met een mondaine vrouwelijke hoogleraar uit New York (‘Kinderen, nee daar heeft ze nooit tijd voor gehad’), een vrouw en een leven over wie ze later die dag nog door fantaseert, realiseert Moeyaert zich tot zijn ontsteltenis dat er voor zijn moeder naast het leven dat ze geleid heeft, thuis met zeven kinderen, ook een ander leven is dat ze niet geleid heeft. Deze ontdekking en ook het feit dat hij niet veel wijzer wordt van zijn moeder als hij doorvraagt, is illustratief. Eigenlijk weet hij heel weinig van zijn moeder, die al heel jong vaderloos opgroeide op een kasteel waar haar moeder huisbewaarster was, die misschien veel minder kinderen had gewild, die zegt ‘nooit’ naar een andere man dan haar vader te hebben omgekeken. Dit laat onverlet dat er een goede en warme band is tussen moeder en benjamin Bart. Hij schrijft met veel liefde over haar, zij geniet tijdens het uitje overduidelijk van hun samenzijn en ze heeft vanaf het moment dat hij het huis verliet fantastische brieven naar hem geschreven waar de lezer van mee mag genieten.

    De relatie met vader is om verschillende redenen moeizamer. In die relatie is de strijd zichtbaar die Moeyaert gestreden heeft om het aan te durven schrijver te worden – pa vindt dat geen beroep met perspectief en eist dat er eerst een degelijke opleiding wordt afgerond – en zijn strijd om homoseksueel te durven zijn. Dat laatste aspect krijgt gaandeweg het boek steeds meer aandacht. De route naar het andere leven dat Moeyaert wil leiden doet denken aan Splinter Chabots Confettiregen. Onontkoombaar en indringend ervaar je als lezer nog maar weer eens hoeveel strijd een niet-heteromens moet leveren voor zelfacceptatie. Bij Moeyaert komt daar de strijd met zijn vader bij, die homoseksualiteit ‘een ziekte’ noemt, die ‘als een gezwel genezen of weggesneden [moet] worden’. De kleine Moeyaert is ‘niet breed, niet groot, mijn stem is hoog. In winkels word ik met meisje aangesproken.’ Mild stelt hij dat zijn vader niet goed weet hoe hij met zijn jongste om moet gaan: ‘Mijn gebruiksaanwijzing is niet helder opgesteld.’ Moeyaert moet voor zichzelf erkennen dat hij niet ‘stoerder’ hoeft te worden en dat de beslissing die hij even neemt als hij 25 is ‘nu ben ik van de jongens af’ een leugen is. Tegenover zijn ouders liegt hij niet maar verzwijgt hij lange tijd dit aspect van zijn identiteit. ‘Wat ongezegd blijft is geen leugen.’ Uiteindelijk beweert vader geen problemen te hebben met de homoseksualiteit van zijn jongste zoon. Hij geeft hem wel het ongevraagde advies mee: ‘Wat jij voelt hoeft niemand te weten.’ Daar denkt Moeyaert het zijne van. Hij is ‘klaar met zijn vaderlijk advies, de meningen, het ingehouden leven.’ In Een ander leven deelt Moeyaert gelukkig veel met de lezer, iets wat ook gewaardeerd wordt door de jury van de BruutTAALprijs voor het beste Regenboogboek van 2024, die Moeyaerts Een ander leven 12 augustus jongstleden deze bekroning heeft toegekend.

    Een gelukkige schrijver

    Het boek is een feest voor de lezer. Moeyaerts schrijfstijl is vlot, beeldend, humoristisch, hier en daar vriendelijk ironisch. Een integer mens klinkt door in de geboekstaafde geschiedenis. Levendig, boeiend en zachtaardig beschrijft Moeyaert zijn jeugd, het gezinsleven, de relatie met zijn broers, het verleden van zijn moeder, zijn zoektocht in de liefde, vrienden en relaties. Dat hij een schrijver is en wil worden, is hemzelf eigenlijk altijd al wel duidelijk geweest, maar ook dat hij niet weet ‘of ik het durf.’ Een aantal mensen blijkt belangrijk te zijn geweest in zijn schrijversontwikkeling: schrijver Aidan Chambers (‘Je bent zo overduidelijk een auteur’), schrijfster Mireille Cottenjé (‘ga eens op de rand van het nest zitten, jij’) en partner Geert (‘Vanaf nu woont in de Van Geertstraat een schrijver’). Hij leert dat de schrijver de eerste lezer is en dat de belangrijkste opdracht is trouw aan jezelf te blijven. Wie een boek ‘te literair’ of ‘te moeilijk’ noemt, spreekt voor zichzelf. Nu durft hij uit te spreken dat een titel tegenwoordig wel een zuivelproduct met een beperkte houdbaarheidsdatum lijkt. ‘Het woord oeuvre krijgt er iets archaïsch door’ waardoor er geen ruimte meer genomen wordt om het werk in een context te plaatsen. Uit zijn eigen indrukwekkende oeuvre bespreekt hij de ontstaansgeschiedenis, receptie en interpretatie van het met (internationale) prijzen overladen jeugdboek Blote handen uit 1995 waarin ‘de schrijver Moeyaert en de man Bart elkaar beginnen te vinden.’ Over het schrijven zegt hij: ‘Schrijven maakt mij gelukkig. Als iemand van mijn werk houdt, […] maakt me [dat] gelukkig.’ Een ander leven is een boek om van te houden.

    ‘Altijd weer die eindes van me’, schrijft Moeyaert in een reactie op een opmerking van een uitgeefster. ‘Ze zeggen wel eens vaker dat mijn verhalen niet met een punt eindigen, […] dat ik te veel aan de lezer overlaat.’ Daar is in dit boek geen sprake van. Het boek eindigt met een ‘laatste rust’ waarin een andere kant van Moeyaerts vader blijkt en met de heerlijke aantekeningen van zijn moeder over hun gezamenlijke dagen in Parijs begin 1996.

     

  • Nostalgische lofzang op het voorbije boerenleven

    Nostalgische lofzang op het voorbije boerenleven

    De auteur Patrick Joyce is Brit van Ierse afkomst, en ja uit een boerenfamilie. Hij is emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Manchester, met als specialisatie sociale geschiedenis. Zijn familieachtergrond inspireerde hem het lijvige Boerencultuur – Hoe het platteland verdwijnt uit onze herinnering te schrijven over de geschiedenis en cultuur van het Europese boerenleven. Boeren zijn al vele duizenden jaren aanwezig. Ze belandden vanuit wat tegenwoordig Turkije is zo’n 6000 jaar geleden in West- en Noord-Europa. Nog niet zo lang terug was de meerderheid van de wereldbevolking boer, of werkte op het land. Die erfenis is snel aan het verdwijnen door industrialisatie en een nog steeds toenemende bevolking, maar ook door andere claims op ruimte zoals die van de natuur.

    Joyce wilde, bij wijze van spreken voor het te laat is, die cultuur en plattelandsgeschiedenis in kaart brengen. Het is een ietwat nostalgische lofzang op het boerenleven in al zijn uiteenlopende facetten: tradities, verhalen, religie, vieringen, opstanden, de omgang met dieren, de inrichting van de boerenwoning, de plaats en (gebrek aan) waardering in de maatschappij. Daarin is de schrijver geslaagd, het is een hommage geworden meer dan een sociaaleconomische analyse van de toekomst van de agrarische sector. Nu zijn boeken in die hoek wijd gezaaid, maar zo’n breed historisch-cultureel eerbetoon aan deze beroepssector was er nog niet. Of boeren ‘altijd het fundament zijn geweest waarop het hele bouwwerk van de beschaving rust‘ is de vraag. Immers, ook andere onderdelen van de maatschappij, van adel tot burgerij, van geestelijkheid tot legers, van heersers tot onderdanen buiten de boerenstand bepaalden de samenleving.

    Het boerenleven van ooit

    Joye focust op Ierland waar zijn familie vandaan komt, op Polen en Italië. Andere landen worden niet of nauwelijks genoemd. Zijn toevallige kennis van en betrokkenheid bij die drie landen bepaalden die keuze. Daarmee is het boek ook minder representatief voor het totaal van de agrarische populatie. Er zijn landen die, hoewel in elkaars nabijheid, totaal anders van karakter zijn: Ierland met de hongersnood in de19e eeuw, Engeland met een vroege industriële revolutie. Verwacht geen analyse van de toekomst van de landbouw, van natuurbeheer-boer tot bio-boer, of van de ecologische- en klimaataspecten van landbouw. Geen verhaal over stikstof maar vooral leerstof over de rijke geschiedenis van het boerenbestaan, compleet met de bittere armoede die daaraan vaak was gekoppeld. Het is daarmee een romantisch boek geworden vol van heimwee. De uitwassen van de agro-industrie en de soms absurd grote ecologische voetafdruk van sommige producten, zoals avocado’s en kiwi’s, komen niet aan de orde. Wel is de historische blik uiterst breed, ook letterlijk waar aan de hand van foto’s talloze aspecten van het boerenleven van ooit, van kleding tot huwelijksrituelen, worden geanalyseerd. Soms gaat het boek wel erg in op details, bijvoorbeeld waar het de collecties van musea betreft. Maar een duik in de rijke historie van de Europese boerencultuur is leerzaam, en geeft weer eens een ander perspectief dan de verpolitiseerde discussie over de toekomst van de landbouw. De rijkdom van die geschiedenis is de moeite van het lezen waard. Het is een schatkamer die tot nu toe niet als zodanig is beschreven.

    Kloek historisch werk

    Resteert Joyces vraag of het bijna verdwijnen van het traditionele boerenleven nu de meest fundamentele maatschappelijke verandering in de tweede helft van de twintigste eeuw was. De auteur richt zich uitsluitend op de kleine traditionele boerenbedrijven. Hij kijkt alleen terug en niet vooruit. Dat is zijn goed recht, maar het is jammer dat hij daarmee voorbijgaat aan de huidige grote industriële agrarische bedrijven en de daarmee samenhangende problemen. De landbouwsector bezit in Nederland nog altijd tegen de 50 procent van de grondoppervlakte. Dat er steeds minder mensen op het land werken qua percentage van de beroepsbevolking doet daaraan niets af.

    Joyce levert een kloek historisch werk af met veel nostalgie en soms vergaande conclusies, zoals dat ‘een deel van onszelf is verloren gegaan’. Zijn we, zoals Joyce zegt, losgezongen van een verleden dat nog heel recent is? Hiermee romantiseert en verabsoluteert hij het agrarische verleden wel heel erg. Misschien leeft het minder in Ierland, maar in Nederland is er een tendens om meer dan vroeger te eten van de boer uit de buurt, van kleine winkels tot restaurants. Veel mensen zijn trots op lokale en streekproducten. Kamperen bij de boer en andere vormen van een combinatie van agrarisch bedrijf en recreatie zijn niet weg te denken uit onze samenleving. De leefwijze van onze voorouders zijn we verloren, is de teneur van het boek. Wie zich in die warme nostalgie wil verdiepen, leze dit boek. Wie mee wil praten over het Nederlandse landbouwbeleid anno 2024 heeft er minder aan.