• Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    De omvang van de wereld is alweer de veertiende roman van de Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) die Harrie Lemmens naar het Nederlands heeft vertaald. Deze keer betreft het echter het sluitstuk van dat imposante oeuvre (Lobo Antunes schreef er ruim 30): deze roman uit 2022 is de laatste voordat de eerste tekenen van dementie zich bij de schrijver manifesteerden.

    Zoals in bijna alle romans van Lobo Antunes volgen we ook hier de gebeurtenissen via meerdere personages. Het verhaal draait om een 77-jarige industrieel die nu hij ziek is zijn dood voelt naderen. Als jonge man heeft hij een kind verwekt bij een van de arbeidsters uit het bedrijf van zijn vader. De dochter die uit deze verbintenis is voortgekomen is het tweede personage. Dan is er de jonge vrouw met wie de industrieel samenwoont, het derde personage. Zij heeft een relatie met een advocaat, de vierde persoon, die haar helpt voorbereidingen te treffen om zoveel mogelijk geld uit de nalatenschap van de industrieel te krijgen als deze komt te overlijden.

    Verwijt

    ‘Het hoogste wat het leven ons in het algemeen geeft, is een zekere kennis van dat leven, die veel te laat komt’. Dit citaat uit een van de columns van Lobo Antunes dat Harrie Lemmens aanhaalt in zijn nawoord, illustreert perfect het hoofdthema van De omvang van de wereld. Terugkijkend op zijn leven verwijt de industrieel zijn zwakte als jonge man; hij durfde zijn hart niet te volgen en koos niet definitief voor zijn geliefde en zijn dochter, bang als hij was voor de consequenties van zijn vader die deze verbintenis afkeurde. ‘Haal het niet in je hoofd om je eigen leven en dat van de zaak te vergallen vanwege een of ander mokkeltje met wie je je nergens kunt vertonen druiloor’. De positie die hij zijn dochter later geeft binnen het bedrijf komt voor haar als een schrale en te late troost; ze is al teveel vervreemd van haar vader, die ze in haar jeugd zo vaak heeft gemist: ‘mijn vader geen vader meer maar een meneer die ik nauwelijks kende’. De vader die in haar jeugd maar een keer per week op bezoek komt, altijd ongemakkelijk, hij blijft veraf.

    De passages waarin de dochter terugdenkt aan de momenten waarop ze met haar vader de speeltuin vlakbij het souterrain bezocht behoren tot de meest ontroerende van de roman, juist omdat die ontroering niet door sentiment wordt gecreëerd. ‘[… ] net zoals ik nooit heb gekeken als hij wegging uit het souterrain, dan pakte ik mijn vilten olifant en luisterde zittend op de grond naar zijn voetstappen buiten’.  Het is pijnlijk om keer op keer te lezen hoezeer ze haar vader heeft gemist ‘het aantal keren dat ik bij het parkje ben gaan kijken in de hoop u daar op een andere bank te zien zitten’. Nu is ze hard en verbitterd. Het is knap hoe Lobo Antunes tussen de verbittering door haar emoties toont. De liefde waar ze altijd naar hunkert. De vader die er wel maar vooral ook niet is. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoeveel hij van zijn dochter houdt, en hoezeer hij haar altijd heeft gemist – die pijn is erger dan de pijn die hij nu fysiek voelt als langzaam stervende man.

    Bij al zijn beslissingen speelde ook mee dat hij bang was dat haar moeder – die inmiddels is overleden – alleen zijn geld wilde, maar uit alles blijkt dat de moeder vooral verbitterd is geraakt door de weigering van de vader om zijn leven werkelijk met hen te delen. Zijn geld hoeft ze niet. ‘Ik hoef geen aalmoezen ik ben je hoer niet’. De ouders hebben een haat-liefde verhouding: ‘vol haat en tegelijkertijd een en al glimlach, ze snauwde hem weg en greep zijn arm vast, duwde hem van zich af terwijl ze aan hem trok’.

    Armoede

    De jonge vrouw die met de industrieel samenwoont en de advocaat worden ook gedreven door de armoede die ze hebben gekend in hun jeugd, waarbij daarnaast voor de advocaat ook nog het cynisme komt van de praktijken waar hij zich noodgedwongen mee bezighoudt; ‘terwijl ik gegoede lui help bestaand geld te stallen in niet-bestaande landen’. Steeds schemert door dat de industrieel heel goed beseft wat de jonge vrouw en de advocaat van plan zijn, maar het lijkt hem niet meer te deren en onbeschaamd zetten zij hun plannen door, waarbij de advocaat steeds het initiatief neemt: ‘ik zette de bankrekening van mijn cliënte over op mijn naam en nee, daar zat ik niet zo mee, zo is het leven, de grote vissen eten de kleine en worden op hun beurt gegeten door nog grotere dieren’.

    ‘Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels’. Zoals in bijna al het werk van Lobo Antunes zijn er zinnen die als een mantra terugkeren, de gedachtes die het leidende motief vormen en waarop steeds meer wordt gevarieerd, als een terugkerend motief in een symfonie. Het beeld is prachtig en laat alle ruimte voor die variatie die hij zo nodig heeft en die zijn stijl zo kenmerkt, ‘gedreven door het dwingende verlangen om een vorm te vinden voor gelijktijdigheid en meerstemmigheid’, zo karakteriseert Harrie Lemmens deze stijl treffend. Dit uit zich in herinneringen, gedachtesprongen, wisselingen van perspectief, maar de kracht van Lobo Antunes is dat bij dit alles de focus altijd blijft op het verhaal dat hij wil vertellen.

    Herinneringen en eenzaamheid

    Ouderdom en eenzaamheid zijn twee leidende motieven on deze roman. In zijn portrettering van de industrieel heeft Lobo Antunes autobiografische elementen verwerkt, zo leren we uit het nawoord van Harrie Lemmens: mede doordat hij al eerder door kanker werd getroffen was die nakende dood voor Lobo Antunes een angstbeeld. En naarmate we ouder worden krijgen we natuurlijk steeds meer herinneringen: ‘God wat zit ik toch vol voorvallen van vroeger’, zo denkt de industrieel, en later ‘de tijd vernielt je lichaam langzaam’. Die herinneringen, en daarmee de eenzaamheid, spelen zich allemaal af binnen dat universum dat onze gedachtewereld vormt, voor de psychiater die Lobo Antunes vooral ook was, bij uitstek het terrein dat hem door en door bekend was. ‘We hebben allemaal iets nodig wat ons verbindt met het verleden en ons helpt te geloven dat we in zekere zin misschien gelukkig zijn geweest.’ Zijn werk als psychiater is niet strikt gescheiden van zijn literaire werk, maar loopt er direct in door, een vloeiende lijn. En bij die herinneringen, bij dat ouder worden, neemt de eenzaamheid alleen maar toe: ‘eenzaamheid is een traan van een waterkraan die door het donker vanuit de keuken tot hier komt’.

    António Lobo Antunes weet de diepere menselijke angsten, gevoelens en drijfveren altijd naar boven te halen. Zijn kracht ligt erin dat hij ogenschijnlijk ‘gewone’ levens weet uit te vergroten en zo een universeel karakter weet te geven, terwijl ze toch ook gewoon dat ogenschijnlijk ‘normale’ leven blijven. Ook in dit sterke sluitstuk van zijn oeuvre toont António Lobo Antunes aan dat hij tot de top van de wereldliteratuur behoort.

     

  • Oogst week 21 – 2025

    Leeft een rivier?

    Steeds vaker hoor je berichten over initiatieven die ervoor (willen) zorgen dat de natuur de status van rechtspersoon krijgt. Zowel in Nederland als daarbuiten. Net als mensen en bedrijven wordt de natuur daarmee door het rechtssysteem erkend als zelfstandige entiteit, en kunnen er namens de natuur rechtszaken aangespannen worden.
    In Nederland is op dit gebied de Stichting Rechten van de Natuur opgericht.

    De Engelse natuurschrijver Robert Mcfarlane is een overtuigd aanhanger van rechten voor de natuur. Zijn werk wordt internationaal gewaardeerd, hij won er prijzen mee en soms werden er op basis van zijn boeken ook documentaires gemaakt. Van hem is nu bij Uitgeverij Athenaeum Leeft een rivier? verschenen. Centraal daarin staan drie grote stroomgebieden die in gevaar zijn in Ecuador, India en Canada. Hij behandelt niet alleen het aloude nut van rivieren als vervoermiddel, leverancier van energie en drinkwater e.d., maar hij gaat vooral in op de gevaren die de rivieren bedreigen als gevolg van vervuiling, droogte en indamming.

    Leeft een rivier?
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2025)

    Alma

    De ene puber is de andere niet. Dat weten we allemaal. In Alma krijgt de hoofdpersoon te maken met een zoon die van de een op de andere dag echt in de weerstand gaat. Hij wil niet meer naar school, is niet aanspreekbaar en zit alleen maar te gamen en te blowen.

    Alma is psychiater en is prima in staat om anderen van goed advies te voorzien. Maar hoe moeilijk is het als het haar eigen zoon betreft! Niet alleen in de omgang met hem, maar ook in relatie tot haar man, de andere zoon èn zichzelf!

    Judith de Graaf is psychotherapeut. In 2024 verscheen van haar de roman Ontijd, een familieroman over voltooid leven. Ze schreef ook korte verhalen. Die verschenen o.a. in literair tijdschrift Extaze. Als psychotherapeut is zij o.a. actief bij gezins- en opvoedingsproblemen.

    Alma zal op 5 juni a.s. bij boekhandel Broese in Utrecht gepresenteerd worden.

    Alma
    Auteur: Judith de Graaf
    Uitgeverij: Uitgeverij De Brouwerij

    De omvang van de wereld

    In het werk van een van de grootste schrijvers van Europa, de Portugees António
    Lobo Antunes (1942), komen vaak dezelfde thema’s voor. Macht, dood en oorlog. Zijn werk kenmerkt zich echter ook door humor, al is die soms ver te zoeken. Hij gebruikt vaak verschillende vertelstemmen en autobiografische elementen in zijn werk.
    Zo ook in De omvang van de wereld. Daarin vertellen vier personages het verhaal. Een oude zieke man, zijn buitenechtelijke dochter, zijn huisgenote en haar minnaar. Ze zijn allemaal op enige manier met elkaar verbonden.
    Het verhaal doet er in dit boek minder toe. Het zijn vooral monologen, overpeinzingen, van de vier personages die betrekking hebben op al dan niet betrouwbare herinneringen aan de jeugd, de geboortegrond, de stad (Lissabon), gevoelens van eenzaamheid en andere existentiële waarden.
    Het is geen lineair verhaal. Elk hoofdstuk bestaat uit één lange zin, veel interpunctie, herhalingen en andere stijlmethoden.
    Harrie Lemmens vertaalde het boek en voorzag het van een nawoord. Arjan Peters schreef de inleiding. Volgens Lobo Antunes is De omvang van de wereld zijn laatste boek.

    De omvang van de wereld
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Maaskant Haun (2025)
  • Ojee vakantie 

    Ojee vakantie 

    ‘Ik houd niet van vakantie, ik vind het maar een lastig concept.’, liet Mensje van Keulen onlangs in Volkskrant magazine weten. Je bent er ook niet zo goed in, het stopzetten der dingen. De week voor de vakantie is het alsof je na stevig door tuffen, opeens moet remmen, maar niet weet waar de rem zit. Je racet dus lekker door. In gedachten, want je bent een relaxt persoon, rek je de dagen een beetje op en lijkt het of je alles af krijgt. Dan is het opeens de laatste dag voor de vakantie. Piepend (oh nee!) en gierend (loslaten loslaten!) kom je tot stilstand. Losse eindjes vallen in je schoot, boekenstapels kukelen om. Je trekt nog even door, telt je prioriteiten, schuift wat zaken terzijde, zegt een afspraak af, werkt een nachtje door tot alles klaar is. Pas dan mag de tent van zolder, kun je freewheelend de vakantie in.

    Terwijl je mails beantwoordt, even doorklikt op zoek naar een badpak, naarstig naar je bril zoekt (en niet vond), hunker je naar stilte, naar troost. Dus ga je boeken kopen, het bedrag voor een badpak is goed voor twee boeken. Elk boek is een verleiding. Zie je een boek van Maryse Condé dan proef je de sfeer van het tweedelige Segou. Condé kun je niet laten liggen als je Segou hebt gelezen. Antonío Lobo Antunes kun je ook niet laten liggen (kun je überhaupt wel wat laten liggen). Lees hoe Paardenschaduw op zee begint:
    ‘Haar hele leven lang, voor haar ziekte en tijdens haar ziekte, vertelde mijn moeder ons keer op keer
    “Luister”
    dat mijn oma als kind met mijn overgrootmoeder op bezoek ging bij dames die op oude etages in het oude deel van Lissabon woonden, in eeuwige schemering gehulde kamers en gangen waar het zilverwerk en porselein haar volgden en mijn oma, tien of elf toen, dacht :wat moet het hier somber zijn om drie uur ’s middags.”‘  Zo schrijft Lobo Antunes
     zonder punten of hoofdletters.

    Je kocht het manifest Geef nooit op van Bernadine Evaristo omdat je al zo lang iets van haar wilde lezen. Levensmuren van Nina Burton vond je in Utrecht, valt voor de mooie uitgave, begint te lezen om niet meer te stoppen. Hoe kun je zo over insecten schrijven als Burton doet? Je gaat anders denken over muggen, mieren, hommels, eekhoorns, het is geweldig. Je vergeet alles, er ontstaat een verstilde sfeer. Als er nu een mug dichtbij zoemt, sla je hem niet weg, denkt aan de ontelbare (miljoenen?) slagen die de vleugeltjes maken, hoor de indringend hoge zoemtoon. Als laatste was je bij antiquariaat Aleph in Utrecht. Daar was Joan Didion, Paul Léautaud. Je kreeg Voetsporen van Richard Holmes van degene waarmee je enthousiast over het opzetten van een podcast had gesproken. In Een tafel bij het raam van Mirthe van Doornik was je al begonnen, net als in de biografie van Andreas Burnier. Er ligt een wereld aan verhalen voor je. ‘Lezen is niet beschikbaar zijn, is je terugtrekken’, schrijft Alan Bennett in de zeer vermakelijke novelle De ongewone lezer. Ach, laat die vakantie nu maar beginnen, stapel het eendje maar vol en hup, naar de Ardennen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem (en tot 4 september met vakantie).

     

     

     

  • Oogst week 6 – 2021

    De berenvrouw

    Het jaar 1541 lijkt niet ver af te staan van het heden in De berenvrouw van Karolina Ramqvist. Niet alleen omdat het verhaal van Marguerite de la Rocque, een daadwerkelijk historisch figuur, te maken heeft met seksuele intimidatie en verbanning, victim blaming avant la lettre, zeg maar – helaas weer en altijd actueel – maar ook omdat Ramqvist haar eigen verhaal met dat van Marguerite vervlecht. Ramqvists reflectie op haar moeder- en schrijverschap speelt namelijk een belangrijke rol in De berenvrouw. In de roman wordt De la Rocque na een seksschandaal van een schip gezet en achtergelaten op een onherbergzaam eiland in Newfoundland, waar ze het hoofd moet bieden aan de beren die er leven en in de wildernis bevalt van een zoon. Ramqvist doet verslag van haar leven en toont de lezer tegelijkertijd hoe ze tot het schrijven van het verhaal is gekomen, en welke keuzes haar eigen leven bepaald hebben.

    De berenvrouw
    Auteur: Karolina Ramqvist
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In mijn mand

    Van schrijver en filosoof Lieke Marsman, die Tsead Bruinja op 21 januari van dit jaar officieel opvolgde als Dichter des Vaderlands, verscheen In mijn mand. Het is een maatschappelijk geëngageerde dichtbundel waarin zij reflecteert op het leven met een levensbedreigende ziekte, en de plek, de waarde, die ziekte en dood in een mensenleven en de maatschappij hebben. Marsman schrijft vanuit haar eigen ervaringen, zoals ze ook deed voor haar eerder verschenen bundel De volgende scan duurt vijf minuten: in 2018 werd kraakbeenkanker bij haar gediagnosticeerd, ze wordt inmiddels behandeld voor uitzaaiingen. Het leven met een levensbedreigende ziekte wakkert juist ook strijdvaardigheid en politiek activisme in haar aan. In 2020 stelde ze in een interview met Trouw al: ‘(…) me verdiepen in politiek is meer dan alleen afleiding. Ik wil geen verhaal houden van “die ziekte levert ook goeie dingen op”, toch is er ergens een soort oerkracht aangewakkerd. Die oerkracht voelt ongeveer als wanneer ik een gedicht aan het schrijven ben en alles op zijn plaats valt. Dat je ineens heel helder ziet: dit woord moet daar, en deze drie zinnen moeten er helemaal uit en die zin moet hier. In de kunst noemen ze dat inspiratie, in de politiek eerder gedrevenheid. Het is een fijn gevoel. Dat je heel scherp ziet waar ergens een probleem is en wat daaraan gedaan kan worden.’

    In mijn mand
    Auteur: Lieke Marsman
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De andere kant van de zee

    Drie personages delen in De andere kant van de zee hun herinneringen aan de opstand van de zwarte bevolking in Angola tegen de koloniale Portugese onderdrukker, die in 1961 plaatsvond en leidde tot de Portugese koloniale oorlog (of ‘Overzeese Oorlog’). Aan het woord komen een kolonel, een directeur van de post en de dochter van een plantagehouder. Zij delen hun ontworteling en verdriet. Lobo Antunes schrijft de lezer het hoofd van de personages in: hij laat leestekens achterwege, beschrijft associatief of juist haarscherp de omstandigheden en creëert zo een stream of consciousness.

    Schrijver en psychiater António Lobo Antunes put uit eigen ervaring: hij was als arts-psychiater in Angola gestationeerd in 1973, tijdens de koloniale oorlog, en schreef naar aanleiding daarvan ook zijn romandebuut Memória de Elefante (1979).

    Lobo Antunes wordt wel ‘het geweten van Portugal’ genoemd vanwege zijn scherpe maatschappijkritiek en grillige karakter, en wordt door velen gezien als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur (hij zag de prijs aan zich voorbijgaan toen landgenoot en collega-auteur José Saramago die in 1998 won). Lobo Antunes heeft inmiddels 31 romans op zijn naam staan.

    De andere kant van de zee
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    In de inmiddels vijfde editie van vertaaltijdschrift Pluk is werk van tien buitenlandse schrijvers in vertaling opgenomen, waaronder een vergeten Engelse schrijfster. Een vertaler moet naast taalbeheersing, ook een goede neus hebben om literair waardevol werk naar voren te halen.
    De Engelse schrijfster Barbara Pym (1913-1980) ging de geschiedenis in als de meest onderschatte schrijfster van de vorige eeuw. Ze werd gevonden door vertaalster Engels, Anda Schippers.

    Volgens de New York Times, die in 2017 een artikel aan haar wijdde, is Barbara Pym ’forever being forgotten, and forever revived.’ In 1977 was haar eerste revival en zes jaar later opnieuw, maar echt doorbreken deed ze nooit. Haar boek Excellent Women (1952), is volgens de NYT haar meest perfecte en beroemde roman. In 1980 door Djuke Houweling vertaald als Geweldige vrouwen. Nog twee romans werden van haar vertaald maar ook in Nederland brak ze niet door.
    Daar komt wellicht verandering in nu Anda Schippers een fragment uit Pyms eerste roman Some tame Gazelle, heeft vertaald. Het fragment geeft een typisch Engelse setting weer van het dorpsleven rond een parochie en waarin twee zussen die op het platteland wonen, de hoofdrol spelen. Een roman die om een vertaling vraagt.

    Van de Frans/ Portugese schrijver Valério Romão (1974) is een kort verhaal in vertaling van Anne Lopes Michielsen opgenomen. Het verhaal ’Om je maar niet te zien’ ((uit de verhalenbundel Da família) zou je een typisch Portugees verhaal – voor wie de romans van António Lobo Antunes kent – kunnen noemen. Een zin van achttien regels is niet ongewoon. Interpuncties zijn schaars waardoor je het verhaal wordt ingezogen en er niet eerder van loskomt als de laatste punt gelezen is. Precies, net als bij Lobo Antunes. Het verhaal, waarin een man zijn kinderen bij zijn vrouw weghoudt om duistere redenen, zit onwrikbaar in elkaar.

    Dat er meerdere vertalingen mogelijk zijn van een en dezelfde tekst, laten de vertalers Pieter Scherpenberg en Jorrit Bosma zien. Beiden maakten ze een vertaling van een verhaal van de Amerikaanse kortverhaal schrijver Robert Coover. Deze dubbelvertaling ontstond tijdens een vertaal-slam, waarbij meerdere vertalers zich over een brontekst bogen. Daaruit bleek maar eens dat elke vertaler anders te werk gaat. Dit laat tevens zien dat vertalen zo eenvoudig nog niet is. Beide vertalers lichten hun vertaalkeuze toe waardoor de tekst aan betekenis wint, en soms verliest. Om de vertalers te kunnen volgen is het originele verhaal ook opgenomen: ‘Going for a beer’ dat door de een vertaald is als: ‘Een pilsje pakken’ en door de ander: ‘Even een biertje drinken’.

    Vertaalster Heleen Evenhuis vertaalde drie gedichten van de Chinees/Amerikaanse dichteres Wendy Chen vanuit het Engels. Geklonken poëzie, zoals water door een bedding gaat, een gevoel teweeg brengend van een helder stromen en tegelijk een onvermijdelijke donkere diepte laat zien. Hierbij twee strofen uit: 2 (1967): ‘De velden bolden als een bontdikke vacht / onder de middagzon. Mannen en vrouwen / Sloofden in zijn diepe plooien. // Ma was van streek; het verdriet / straalde van haar gezicht als vloeibaar / over de aarde gegoten maanlicht.’
    De vertaalster schrijft in haar inleiding op de poëzie van Chen, dat ze een dichter is ‘van wie we meer gaan horen’. Wat doet vermoeden dat haar bundel (Unearthing) vertaald zal gaan worden.

    Elke bijdrage in Pluk is als een schot in de roos voor de verwachtingsvolle lezer die geraakt, verrast en meegesleept wil worden. En al lezende komt het besef dat er nog veel moois te ontdekken valt in de onzichtbare boekenkasten van de wereldliteratuur. De vertalers staan in ieder geval klaar, nu de uitgevers nog. Denk overigens niet dat dit vertaaltijdschrift enkel voor vertalers is, bovenal is het voor de lezer die in Pluk zijn eigen literaire vondsten kan doen.

    Aan deze editie werkten nog de volgende  vertalers mee: Lies Lavrijsen, Lore Aertsen, Heleen Oomen, Ymke van de Staay, Myrthe van den Bogaert en het samenwerkingsverband In Triplo. Aan elke vertaling gaat een inleidend stukje vooraf met een kleine biografie van de auteur en een toelichting op het werk. Met grappige illustraties van Jelko Arts.

     

    PLUK verschijnt twee keer per jaar.
    Losse nummers 15 euro
    Voor een abonnement klik hier.

  • Leestekens

    Leestekens

    Voor ik het weet zit ik in het hoofd van een achtenzeventig jarige actrice die in een flat in Lissabon woont en Alzheimer heeft. Ze wordt verzorgd door een neef van haar – tweede overleden – man en een dame op leeftijd. Zelf is ze van mening dat het prima met haar gaat: ‘ik kon me alleen niet herinneren waar mijn slaapkamer was, voor de rest vond ik alles, de keuken, de provisiekast.’
    Proza van António Lobo Antunes is als een litanie waarin het leven in al zijn facetten bezongen wordt. Zo ook in zijn onlangs verschenen roman Voor wie in het donker op mij wacht.

    Eenmaal begonnen kun je het boek niet wegleggen: je kunt een dame van respectabele leeftijd niet onderbreken in het ophalen van haar herinneringen. Fantastische interpretaties spelen zich af in haar hoofd. Ze ziet een hazewindhond op een schort in de keuken op de vloer liggen. Het kan ook zijn dat de hazewindhond op het schort staat afgebeeld. Die hazewind gaat er geregeld vandoor, dan gaat ze de straat op, om te zoeken. De hazewindhond wordt ook wel teruggevonden en profil op een keukenschort, tussen theedoeken en tafelkleden in de linnenkast.

    Tijdens het lezen zoek ik houvast in een vorm die vertrouwd is van hoe een boek geschreven hoort te zijn. Bij António Lobo Antunes hoef je daar niet mee aan te komen, die heeft zijn eigen bijzondere manier van een verhaal vertellen. Zoals A.L. Snijders tot zijn zkv is gekomen, zo heeft Lobo Antunes zijn ‘verhalen zonder kader’ (vzk) tot een unieke stijl gebracht. Teksten lopen van de ene gedachte naar de andere; van het ene personage over in een ander personage. Vloeiend jawel, met als enig leesteken de komma:

    “de dame op leeftijd en ik zaten in de keuken aan de tonijn toen de neef van mijn man binnenkwam, waarop de dame op leeftijd opsprong
    ‘Goedenavond’
    alsof de beleefdheid die haar dode zoon niet had kunnen redden wel garant stond voor haar baan, ik meende de hazewind tussen de theedoeken te zien, keek opnieuw en weg was hij, wat ik niet allemaal kwijt ben geraakt in mijn leven, mijn moeder een foto zonder stem, mijn lijf een wrak, mijn geheugen los zand, ik herinner me dat ik als kind om het hardst tot aan die boom daar deed met mijn vader, en dat hij me liet winnen en voor me klapte
    ‘Je bent veel sneller dan ik’
    of stom en achterdochtig tegenover mijn twee mannen, terwijl mijn moeder hem een teken gaf met haar ogen
    ‘Je kunt toch op zijn minst doen alsof je ze aardig vindt’
    En mijn vader met zijn kin in zijn bord zonder op of om te kijken, mijn oma tegen hem vanaf het fornuis
    ‘Ik heb je nooit gemogen’”

    Na anderhalf hoofdstuk taal ik niet meer naar leestekens. De gedachten van de oude actrice, die als een wijdvertakt netwerk door het boek stromen, hebben me bevangen. Lezen van Lobo Antunes is als voor het eerst eten van iets waar je tegenop ziet, inktvis, of mosselen in mijn geval. Daarna wil je meer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 45 (2018)

    De akte van mijn moeder

    De Hongaar András Forgách (1952) is in eigen land een bekende schrijver. Men kent hem ook van zijn werk als vertaler, toneelschrijver en beeldend kunstenaar. In de jaren zeventig en tachtig was hij actief in verzet tegen het Sovjetregime.

    Zijn nieuwste roman De akte van mijn moeder is gebaseerd op de waarheid. Een waarheid waar hij dertig jaar na het overlijden van zijn moeder bij toeval achterkomt omdat een oude jeugdvriend hem daarop attendeert. Het blijkt dat zijn moeder, op wie hij dol was, vanaf 1975 tot aan haar dood gespioneerd heeft voor de geheime dienst. Zij rapporteerde over bekenden, haar vrienden, en zelfs over haar echtgenoot en kinderen. Dat zijn ouders Stalinisten waren, wist Forgách wel. Maar dat zijn moeder zo ver zou gaan, was een schok voor hem.

    Het boek is inmiddels in 14 landen vertaald en wordt ook verfilmd.

    De vertaalster, Rebekka Hermán Mostert, over dit boek: ‘Het is een boek met tanden, bij vlagen hilarisch, soms dor irritant, soms heel raak en roerend, maar zeker informatief, op het randje van exhibitionistisch. Hongarije in de ‘soft-socialistische’ late jaren, met mensen voor en tegen, onmachtig in en buiten het systeem, Israël en de Arabieren, de Holocaust, toe maar. Met talloze excursen, feiten en namen tussen neus en lippen door, die je langs even zovele nieuwe paden sturen. Een lange, ongemakkelijke blik in de keuken van een schrijver die aan systeemontleding doet, en daarbij zichzelf en de zijnen niet spaart. Een poging tot reconstructie. Een ontdekking van een wereld en werelden. Een altaar voor moeilijke liefde.’

     

     

     

     

     

     

    De akte van mijn moeder
    Auteur: András Forgách
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Mijn zusje, de seriemoordenaar

    Na Forgàch die schrijft over het verraad van zijn moeder, nu een ander ‘familieboek’, Mijn zusje, de seriemoordenaar, over twee bizarre zusjes. De één, de mooie Ayoola, vermoordt na verloop van tijd al haar vriendjes, de ander, Korede ruimt de boel op wist alle sporen. Totdat Ayoola ingaat op de avances van een man op wie Korede heimelijk verliefd is.

    Oyinkan Braithwaite studeerde rechten en creatief schrijven, werkte voor online magazines en een Nigeriaanse uitgeverij en treedt ook op als als poetry slammer. Ze wilde altijd al schrijfster worden en publiceerde Mijn zusje, de seriemoordenaar op een online platform. Omdat ze zoveel enthousiaste reacties kreeg, stuurde ze het naar een uitgever. Inmiddels is haar debuut een groot succes en zijn de filmrechten ervan verkocht.

     

     

    Mijn zusje, de seriemoordenaar
    Auteur: Oyinkan Braithwaite
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Voor wie in het donker op mij wacht

    Als je wakker wordt moet je altijd even aan de dag wennen’
    en dat is helemaal niet waar, ik hoef helemaal niet aan de dag te wennen, waar ik aan moet wennen is dat ze dingen verplaatsen zonder mij iets te vragen, ze doen gewoon waar ze zin in hebben, de dame op leeftijd schudde het kussen op, hielp me rechtop te gaan zitten
    ‘Voorzichtig want u hebt al vaker geknoeid’
    gaf me mijn pillen en schonk thee voor me in, terwijl de kat als water op de grond gleed, als ze langs mijn benen strijkt hoor je een motortje dat ronkt tot zijn staart voorbij is en hij me vergeet, heel even moest ik denken aan Faro, aan mijn moeder, als ze ’s avonds de soep op tafel zette, en mijn vader, die met zijn servet half in het boordje van zijn hemd en half in zijn hand, in bretels en zonder colbertje
    ‘Kom eens hier’
    zei dat ik mijn tong moest uitsteken, zijn wijsvinger natmaakte en een vlek van mijn neus wreef’

    (…)

    Nauwelijks interpunctie, het is niet altijd duidelijk over wie de hoofdpersoon het heeft, herinnering en werkelijkheid wisselen elkaar af. Je moet er wel bijblijven bij het lezen van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes.

    Voor wie in het donker op mij wacht gaat over de kracht van het geheugen en tegelijkertijd het verliezen van herinneringen.
    De 79-jarige Celeste is de verteller. Ze lijdt aan alzheimer en is overgeleverd aan de zorg van een oudere vrouw en de neef van haar tweede echtgenoot. Hoewel het spreken haar steeds slechter vergaat, probeert ze haar herinneringen vast te houden – aan haar jeugd in de Algarve, haar jaren als actrice en haar twee huwelijken. Als actrice verplaatst ze zich bovendien voortdurend in de mensen die haar omringen en verzint ze levens voor hen.

    Voor wie in het donker op mij wacht
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Het is mooi als het nog een kant op kan

    De Portugese fotografe Ana Carvalho (1952, Porto) is van oorsprong vertaler. Ze vertrok halverwege de jaren zeventig naar Berlijn waar ze Thomas Mann en Ernst Jünger in het Portugees vertaalde. Later, toen ze in Nederland woonde, vertaalde ze Adriaan van Dis, Hugo Claus en Judith Herzberg. Sinds tien jaar is ze fotografe en sinds twee jaar vormgeefster bij Zuca-magazine, een online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur waar ze samen met haar man, vertaler Harrie Lemmens, invulling aan geeft. Op 13 juni, de dag dat Fernando Pessoa 130 geleden in Lissabon geboren werd, verschijnt het fotoboek Het uurwerk van de ziel van Ana Carvalho.

    Het uurwerk van de ziel is een keuze uit de gedurende twee jaar wekelijks gepubliceerde korte citaten uit het Boek der rusteloosheid door Fernando Pessoa in vertaling van Harrie Lemmens, begeleid met een foto van Ana Carvalho op Zuca-magazine.

    ‘Een dialoog’ merkt Ana Carvalho op als we in Utrecht tegenover elkaar aan tafel zitten bij restaurant De Rechtbank. ‘Mijn foto’s zijn geen illustraties maar gaan een dialoog aan met literaire teksten.’

    Literair Nederland ging met haar in gesprek over Portugese literatuur, foto’s voor boekomslagen en waar haar inspiratie vandaan komt.

     

    Zijn de foto’s er eerst en wordt daarbij een tekst gezocht of is een tekst het uitgangspunt?

    ‘De foto’s maak ik veelal zonder opdracht. Ik ben doorlopend aan het fotograferen. In Portugal heb ik een paar jaar geleden een catalogus van mijn werk gemaakt met teksten van Antonio Lobo Antunes, een hommage aan de schrijver. De teksten zijn er al en vormen het uitgangspunt. Mijn laatste fotoboek was wel een opdracht, van de stad Póvoa de Varzim bij Porto. In dat boek heb ik een beeld van de stad geschetst in verbintenis met de zee met de titel MarTerraMar (ZeeLandZee). Omdat de zee belangrijk is voor de economie en cultuur van de stad. De citaten van Pessoa voor Zuca-magazine waren er natuurlijk al en daar zocht ik een foto bij. Bij zijn zinnen pasten mijn meer abstracte foto’s.’

     

    Hoe ontstaat een beeld zoals deze verfspuwende kraters?

    ‘Ik ensceneer nooit voor een foto. Deze foto maakte ik op een bouwplaats. Ik fotografeer graag op plaatsen waar gewerkt wordt. Ook op scheepswerven. Dit is nadat er een kwast is uitgeschud tegen de muur. Wat ik erin zag is een soort vallen, vallende druppels maar dan zonder beweging.’


    Wat is de aantrekkingskracht van een bouwplaats?

    ‘Bouwvakkers hebben een bepaalde structuur van werken. Ik heb er verschillende stillevens gemaakt. Dan staat er een emmer, de kwasten, een potje. Alles zetten ze klaar voor ze aan het werk gaan. Dat heeft mijn interesse en dat fotografeer ik. Ik fotografeerde in Portugal eens een muur op een bouwplaats. Tegen de schilder zei ik, “Dat is kunst wat je daar maakt.” Toen zei hij: “U moet straks nog eens komen, dan is het nog veel mooier.” Maar ik vind het mooi als een werk nog niet af is, zodat het nog alle kanten op kan. Een strak geschilderde muur heeft niets meer te vertellen. Wat ik doe met fotografie is de werkelijkheid in fictieve beelden vangen. Als ik een deur zie, zie ik geen deur maar de vorm van een deur. Composities van vorm, ruimte en kleur.

     

    Hoe kom je tot deze vorm van beelden maken, was er een eerste keer?

    ‘Ik maak zintuiglijke foto’s. Ik fotografeerde altijd al veel, maar niet zozeer de gewone foto’s die je in een album plakt. Wat ik zoek zijn de sporen van de tijd, de vergankelijkheid van de dingen. Ik voel me aangetrokken tot beelden die iets anders laten zien dan wat het in werkelijkheid is. Ik was een keer in een kelder waar een trap op een onmogelijke plek zat, de traptreden en de geometrie van dit alles trok me aan. Dat werd mijn eerste abstracte foto. Ik werk veel met diagonalen, contrast, licht en schaduw en dat met de sporen van de tijd. De tijd vind je in verschillende lagen terug in een beeld. Dat kan een deur zijn met afgebladderde verf, een affiche aan de muur dat er al jaren hangt, roestige schepen. Imperfectie is wat ik interessant vind en fotografeer. Het zijn sporen die spontaan ontstaan zijn, dat breng ik in beeld.’

     

    Is er wel eens een moment geweest dat je op zoek ging naar een bepaald beeld?

    ‘Toeval is een belangrijk aspect in mijn werk. Ik ga niet op zoek, ik loop rond en dan treft me iets. Net als Picasso zei: “Ik zoek niet, ik vind.” Dat is zoals ik werk, ik kom het tegen, ik zoek het niet op. Ik zie bijvoorbeeld sporen van slijtage op een muur en maak er een foto van. Maar dan zie ik daarnaast iets dat veel interessanter is. De beste foto zat waar ik niet zocht. Ik fotografeer geen composities, ook mensen fotografeer ik als objecten van een compositie, als personages in een verhaal. Het is dat wat ik zie en fotografeer wat het wordt. Ik hoef het niet in te kaderen of te bewerken, het enige wat ik soms doe is kleur toevoegen.’

     

    Zoals een schrijver notities maakt, maakt Ana Carvalho doorlopend aantekeningen met haar fototoestel. Net als de notities van een schrijver, is niet alles bruikbaar. ‘Ik kies uit wat er het beste in past, in dialoog met een tekst.’

    De laatste jaren leverde ze de afbeeldingen voor verschillende boekomslagen, zoals voor de in het Nederlands verschenen romans van Eduardo José Agualusa, Raduan Nassar en Dulce Maria Cardoso.

     

    Is het anders om een foto bij een boek te zoeken dan bij een enkel citaat?

    ‘Meer dan dat ik foto’s maak, maak ik afbeeldingen. Een fotograaf maakt de keuze van portret- of documentaire fotografie. Bij mij gaat het om het detail, om kleur en de vorm. Ik heb een eigen stijl ontwikkeld. In Het uurwerk van de ziel is uitgegaan van een enkele zin en daar heb ik een beeld bij gezocht. Voor een boekcover is dat anders, dan zoek ik een beeld dat een reactie is op het hele boek, dat het verhaal moet weergeven. Voor de hommage aan Lobo Antunes heb ik voor een heel oeuvre beelden gezocht. Dat is duidelijk moeilijker. Ik heb dat toen in drie hoofdstukken ingedeeld: personages, scenario’s en geheugen.’

     

    Er komen weinig mensen op je foto’s voor, waarom is dat?

    ‘De foto’s die ik maak zijn fictie, net als literatuur. Ook mensen zie ik als fictieve personages. Laatst maakte ik een foto van een vrouw die haar hand naar het achterhoofd van een man beweegt. Ze zaten op een bank, ik zag ze van achteren. De zon scheen en ik fotografeerde hen op het moment net voor haar hand op zijn hoofd neerkwam. Dat is het dus, een hand die in de lucht blijft, dat is een verhaal. Je weet niet of zij überhaupt haar hand op zijn hoofd legt of weer terugneemt. En dat is fictie. Zo’n foto maak ik zo snel dat ik niet aan alles denk wat ik er in eerste instantie in zie. Als in een flits zie ik de huizen op de achtergrond, de brug en de twee personages op de bank. In basis is alles daar, de kijker kan er een verhaal van maken. Als ik iets zie, moet ik het direct kunnen fotograferen. Maar zelfs een foto die onscherp is, kan goed zijn. Kan ik gebruiken voor een tekst.’

     

     


    Past het bij deze tijd deze snelle manier van fotograferen?

    ‘Vroeger was er niet veel keus in het maken van foto’s. Je moest werken met de apparatuur die er voorhanden was. Met een digitale camera werkt het sneller, en dat past heel goed bij mij, hoe ik de werkelijkheid in fictieve beelden zie. Snel kunnen reageren is belangrijk voor mijn werk.’

     

    Welke kunstenaars hebben je geïnspireerd?

    ‘Het begon met het constructivisme in de schilderkunst. Ik herinner me dat ik in het Van Abbemuseum was en daar werk zag van de Russische kunstenaar El Lissitzky. De kleuren en de vormen, het was een openbaring voor me. Een ander moment was in een kerk in Rome waar een schilderij van Caravaggio hing. Het was er donker, ik kon het werk niet goed zien. Toen deed een bezoeker een munt in een apparaat en scheen er opeens licht. Het rood uit het schilderij sprong op me af. Ik heb het schilderij niet kunnen zien, alleen dat rood. Het was overweldigend en had een grote impact op me. Het enige dat echt indruk op me maakte van dat hele schilderij. Rood is zo rood bij Caravaggio, zo fel. Toen werd rood mijn kleur, wilde ik het gebruiken. Ook film noir is voor mij belangrijk geweest. De foto met de twee personages en de hand bijvoorbeeld is voor mij als een still uit een film, een fragment. En natuurlijk de fotograaf Cartier-Bresson, die werkte veel met schaduwen, lege plekken in het beeld.’

     

    Welke Portugese schrijver heeft veel voor je betekend?

    ‘Lobo Antunes was toentertijd voor mij echt een ontdekking, zoals voor veel Portugezen. Hij heeft de werkelijkheid zo goed beschreven, de koloniale oorlog, de revolutie. Bijvoorbeeld in De pracht en praal van Portugal, een heel sterk boek, en Fado alexandrino. Zijn stijl spreekt me erg aan. En ook José Saramago, hoewel niet alles van hem me aanspreekt, maar Memoriaal van het Klooster, heeft sterke beelden.’

     

    De titel van het boek ‘Het uurwerk van de ziel’ doet denken aan een citaat van Pessoa.

    ‘Nee, het is geen citaat van Pessoa. Ik was wel aan het werk voor een expositie van Pessoa over Rusteloosheid, toen het beeld daarvoor ontstond. Ik zette zinnen van Pessoa op papier en knipte die uit. Ik had ze op de tafel uitgespreid. De uitgeknipte woorden lagen over elkaar heen en het woord alma (ziel) was zichtbaar en daarnaast mijn horloge. Dan zie ik de grafische vorm erin en maak een foto. Daarna heb ik er kleur in aangebracht en dat werd de cover. In het Portugees is het ‘O Relógio da Alma’.

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Het uurwerk van de ziel (uitgeverij Koppernik).
    Deze link verwijst naar de site van Ana Carvalho.

     

     

  • Op de plaats onrust

    Op de plaats onrust

    Bijna iedereen in de boeken die ik bij me heb is onderweg. Sipko Melissen begeeft zich naar Norderney, nadat hij eerst in Venetië en Merano geprobeerd heeft Franz Kafka zo dicht op de huid te zitten, dat hij zich voor kan stellen hoe het geweest is om Franz Kafka te zijn. Gerda Dendooven stuurt twee naamloze personages, een vrouw en een man, met onbekende bestemming weg uit het leven dat ze leiden in de hoop dat ze elders rust vinden. Een psychiater die verdacht veel op António Lobo Antunes lijkt, laat tijdens een rit van de Algarve naar Lissabon zijn gedachten de vrije loop en belandt zo in zijn turbulente verleden. Alleen de man die zich verschanst heeft in een tuin verplaatst zich nauwelijks, al koestert hij een diepe wens die tuin – waar hij in een mum van tijd een zee van kan maken – te verlaten.

    Zelf zit ik inmiddels aan een tafeltje met uitzicht op een zuidelijke zee. Een meisje met rood haar en een streng knoflook om haar nek kijkt mij aan. Hoe, dat weet ik niet precies. Degene aan wie het tafeltje toebehoort waaraan ik zit te werken, associeerde haar blik ooit met onschuld en dapperheid. Ook dat meisje heeft overigens een hele reis achter de rug. Eerst maakte ze een grote sprong westwaarts. Daarna zakte ze af naar het zuiden.
    Mijn zitten is maar schijn: zonder dat iemand het ziet, spring ik van hot naar her. Door de tijd en door de ruimte. Ik orden het verleden van iemand die op haar beurt structuur aanbracht in het geschiedenis van twee anderen om vervolgens een roman te schrijven op basis van die geleende levens.

    Ik struin rond in hun echte levens, en in dat van de schrijfster voor, tijdens en na het schrijven van het boek. Wie mij ziet zitten, gelooft niet dat ik in amper een uur tijd het Duitse dorpje aandoe waar de vrouw die model stond voor een van de protagonisten in haar jeugd verschrikkelijk vernederd werd; me suf zoek naar de datum waarop de eerste zinnen op papier gezet werden – de schrijfster schreef toen nog met de hand – en tijdens een Frankfurter Buchmesse getuige ben van de avant-première van de roman die pas een paar weken later officieel ten doop zal worden gehouden.

    Het is vandaag de vijfde dag dat ik volstrekt niet vrijblijvend surf tussen toen, nu, hier en daar. De tegenwoordige tijd begint te dringen. Aan het eind van de week moet het materiaal overzichtelijk in mapjes zitten. Bovendien heb ik zin om zelf weer wat te schrijven. Ik wil literaire verbanden leggen tussen Fresh Up en Tabac en het over Kafka hebben. Kafka van wie we dankzij een fabulerende Nicole Krauss weten dat hij na 1924 nog lang en gelukkig leefde als tuinman in Palestina. Kafka die Sipko Melissen het hoofd op hol brengt.
    De dingen beginnen danig door elkaar te lopen. Het is tijd om naar huis te gaan. Laat het meisje met de rode vlechten en de streng knoflook maar een tijdje op iemand anders neerkijken.

     

    Ik ging op reis en nam mee:

    Tabac – Gerda Dendooven
    Reis naar het einde – António Lobo Antunes
    Tuin – Vincent van Meenen
    Kafka op Norderney: essays – Sipko Melissen

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Première vanaf do. 19 januari en komend weekend op verschillende plaatsen in het land.

    ‘Cartas da guerra’ naar het Brievenboek van António Lobo Antunes. Terwijl de Portugese arts en schrijver António Lobo Antunes begin jaren 70 in Angola in het Portugese leger diende, schreef hij dagelijkse brieven aan zijn zwangere vrouw. Terwijl hij van post naar post verhuist, wordt António geconfronteerd met de waanzin van de oorlog. Alleen de brieven houden hem op de been.