• Man en kat

    Man en kat

    Op de dag waarop ik me voorgenomen had een stukje te schrijven, werd mijn man met gillende sirene naar het ziekenhuis gebracht en bleek een van de katten nog maar op drie poten te kunnen lopen. Dagenlang pendelde ik met de bus, met lekkere hapjes, schone kleding, kruiswoordpuzzels, op en neer naar het ziekenhuis, en met de kat in het bakkie achter op de fiets naar de dierenarts. Ondertussen stapelde op het aanrecht de afwas zich op, bergen wasgoed groeiden, stond de telefoon geen ogenblik stil, moest ik boodschappen doen, afspraken afzeggen en talloze formulieren invullen. De kat had door de bezoeken aan de dierenarts verlatingsangst ontwikkeld. Ze klampte zich voortdurend aan me vast als een babyaapje aan zijn moeder. Waardoor ik alles met één hand moest doen, net als vroeger toen de kinderen klein waren. Geen tijd om een boek te lezen, laat staan om iets te schrijven.

    Ik vroeg me af hoe beroemde auteurs de hobbels van het dagelijkse leven namen eer ze aan schrijven toekwamen. Ik wist dat de vrouw van Sigmund Freud de kinderen fluisterend tot stilte maande, op dat vader zijn meesterwerken kon schrijven in zijn studeerkamer. Vestdijk liet de brommende stofzuiger alle andere geluiden absorberen als hij schreef, Rilke moest zich afzonderen in ‘heilige eenzaamheid’ en William Faulkner kon niet aan zijn boeken werken zonder een groot glas mint julep. En de vrouwen? Agatha Christie schreef overal, zolang er maar een vel papier, een pen en een enigszins hellend vlak te vinden waren. Ze kreeg haar beste ideeën voor een boek tijdens de afwas, zei ze, omdat die idiote bezigheid haar altijd op moorddadige gedachten bracht. Maya Angelou betrok een hotelkamer die ze vrijmaakte van alles wat haar kon afleiden. Shirley Jackson sloot zichzelf uren op in haar werkkamer, omdat zij met de verdiensten van haar schrijfwerk het gezin moest onderhouden.   

    En Annie M.G. Schmidt schreef  het gedicht ‘Moeder dicht’, waarin huiselijke beslommeringen, de zorg voor een kind en de dichtkunst op voet van oorlog met elkaar verkeren, maar waar het kind het uiteindelijk weet te winnen van de poëzie:

    […]

    ‘als dauw die druppelt van de trage bomen’
    Als jij nog één keer binnen durft te komen,
    dan krijg je geen vanille-vla vanavond!
    ‘zo druppelt in dit hart tezeer gehavend’
    Je moeder dicht. Ze heeft geen tijd, totaal niet.
    Als vader thuiskomt gaat het helemaal niet.
    Je moeder zou een Shakespeare kunnen zijn.
    Ze is het niet. Dat komt door jouw gedrein.

    […] Wat is dat? Hoofdje zeer?
    M’n schatje toch… Gevallen met je beer?
    Je moeder komt… na na… daar is ze al.
    Wees nou maar zoet – ’t genie staat weer op stal.

    Het leek erop dat vrouwen zich alleen aan het schrijven konden wijden als ze kind noch kraai hadden, of een stoet aan personeel die hen vrijwaarde van huishoudelijk werk. Ik hoor tot geen van beide categorieën. Ik ben allang blij, nu het met man en kat weer wat beter gaat, met een uurtje voor mezelf .

     

     

    Fragmenten uit: Annie M.G. Schmidt, Huishoudpoëzie, 1957.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Dichter bij de dichter

    Dichter bij de dichter

    De tweede bundel van Lamia Makaddam heet Vrijetijdsgedichten omdat de gedichten erin geschreven zijn in haar vrije momenten, ‘[…] de schaarse minuten en uren die ik op het toilet en in bad doorbreng, of als ik eet, loop en slaap.’ De bundel is opgedragen aan haar zonen, die zeiden dat ze haar nooit zagen schrijven en zich afvroegen wanneer ze dat dan wel had gedaan. Het combineren van huishouden, moederschap en schrijverschap is een opgave, zoals Annie M.G. Schmidt al aangaf in haar ironische gedicht Moeder dicht. Veel vrouwelijke auteurs schreven alleen als ze de kans kregen, tussen de soep en de aardappelen door. Geen wonder dat Agatha Christie zei dat ze om te schrijven alleen een tafel nodig had, en het maakte niet uit waar die stond.

    Lamia Makaddam schrijft haar versregels tussen het schoonmaken van de koelkast en het boodschappen doen door. (‘Uiteindelijk is het schoonmaken gestopt uit woede en het schrijven doorgegaan uit liefde.’) Daarom misschien zijn haar zinnen zo onopgesmukt geschreven in korte en langere prozagedichten als bladzijden in een dagboek, tekstblokken waarin haar observaties verbonden worden met haar gedachten. Die gedachten dwalen noodgedwongen vaak af van dichten, omdat de alledaagse werkelijkheid zich weer opdringt, waarmee de dichter zich moet zien te verzoenen: de tuin moet verzorgd, er moet gewerkt worden als tolk voor politie en vreemdelingendienst.

    Chaos van het dagelijks leven

    De gedichten zijn fragmentarisch en bieden een inkijkje in de chaos van het dagelijkse leven, dat immers ook niet rechtlijnig en ononderbroken verloopt. Zo waaieren de onderwerpen van de gedichten eveneens alle kanten uit: herinneringen aan het verleden, bespiegelingen over taal, over zintuigen, waarbij vooral de ogen een grote rol spelen:

    ‘Ik wilde de bode van de rechtbank naar haar ogen vragen terwijl ze mijn
    naam opschreef. Ik wilde haar vragen of ze net als ik leed aan glaucoom.
    Blauw water. Of wit. Water krijgt pas kleur, smaak en geur als het zich
    in je ogen nestelt. Ik zie met de ogen van een ziende, en ik denk met
    de mentaliteit van een blinde en met zijn verlangen om de mensheid te
    ontlopen.
    […]
    De bode zit achter een van de hoge bureaus in de rechtbank van Den
    Haag. Ze schrijft mijn naam op en zegt dat ik hem niet hoef te spellen.
    Wij zijn de club van de uitgedoofde ogen, wij onthouden namen.’

    Menselijk leed

    Er is in de gedichten vaak sprake van kijken, blind zijn, ogen verliezen en ogen sluiten. Dat is niet verwonderlijk bij een dichter die misschien in haar persoonlijk leven, maar zeker door haar werk als tolk zo veel gezien heeft op het gebied van menselijk leed. Soms is het motief ‘zicht’ metaforisch bedoeld als een beeld van iets dat niet gezien werd of niet gezien mocht worden, maar Makaddam brengt dat beeld heel direct terug tot de naakte werkelijkheid door het voor te stellen alsof de gebeurtenis letterlijk heeft plaatsgevonden: dat je een oog kwijtraakt en het moet zoeken in de menigte van mensen. Ze verstaat de kunst om heen en weer te schakelen tussen verbeelding en waarneming. Het onderscheid daartussen is heel klein in deze gedichten. Wat de ogen hebben waargenomen, wordt door de dichter omgezet in taal. Taal, woorden en boeken zijn middelen die haar troosten en verzoenen met de alledaagsheid en de eenzaamheid.

    ‘[…]
    Dit boek is geschreven in afwachting van de terugkeer van onze
    dierbaren. Het kan niet anders dan dat hiervóór veel boeken zijn
    geschreven met dezelfde reden. Loopt wachten uiteindelijk altijd uit
    op een boek? Verhoogt dat het belang van boeken, of vermindert het
    de waarde juist? Worden boeken geschreven om de tijd te doden, zoals
    iemand die besluit een kleed te weven in afwachting van de terugkeer
    van haar man uit de diaspora, of iemand die tarwe zaait in afwachting
    van de terugkeer van zijn zoon uit de oorlog?
    Schrijven zal nooit tot het niveau van het leven stijgen en de tijd die het
    kost om een zin te schrijven duurt jaren langer dan de zin zelf.
    Als we de tijd van de woorden, de letters en de punten in dit boek
    zouden verzamelen, dan zouden we zien dat dit een vreemd boek is,
    ontstaan in twee maanden, terwijl het schrijven ervan duizenden jaren
    heeft geduurd.’

    Hoewel Makaddam, geboren in Tunesië, de Nederlandse taal zo goed beheerst dat ze zowel Jij zegt het van Connie Palmen als Malva van Hagar Peeters in het Arabisch vertaald heeft, schrijft ze haar gedichten in het Arabisch, haar moedertaal; voor het schrijven van hoogstpersoonlijke gedichten is dit een voor de hand liggende keuze. Haar eerste bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf, werd vertaald door Abdelkader Benali. De bundel Vrijetijdsgedichten, is vertaald door Djûke Poppinga. Beide vertalers zijn er wonderwel in geslaagd om de overgang van gedachten en herinneringen zo soepel te laten overgaan in de realiteit van iedere dag, zoals de dichter zelf ook doet.

    Weerspiegeling van een gedachtestroom

    De gedichten hebben geen titel, zijn niet onderverdeeld in afdelingen. Ze wekken de indruk dat ze inderdaad zó in één keer opgeschreven zijn, als weerspiegeling van een gedachtestroom, zonder doorhalingen of verbeteringen. Het zijn boeiende gedichten, omdat ze zo direct aanspreken en een andere, nieuwe kijk bieden op alledaagse dingen. De verrassende beelden die Makaddam gebruikt, laten een indruk achter die niet gemakkelijk vergeten wordt. Ze verdiepen wat op het eerste gezicht oppervlakkig lijkt en verbinden de dichter met de lezer: wat strikt persoonlijk leek, wordt toegankelijk gemaakt. Het zijn ontroerende gedichten, waarin grote woorden niet nodig zijn om over te brengen wat de gedachten en de gevoelens zijn die erachter schuilgaan. Makaddam weet de meest ingewikkelde zaken in een paar zinnen terug te brengen tot de kern, tot dat waar het voor haar allemaal om draait: ogen en kijken, taal en gedichten, dood en leven.

    ‘”[…] Waarom verwart u de boeken met elkaar, de werkelijkheid
    met poëzie?”
    “Omdat ik mijn hand heb uitgestoken naar de leegte en de leegte haar
    heeft vastgepakt.Ik heb mijn voet neergezet op het begin van de weg
    en die heeft me in zijn armen gesloten. ik heb op de schappen naar een
    boek gezocht en heb er duizenden gevonden.
    Ik zal niet blind worden, hoe blind ik ook zal worden.’”

     

     

  • Een weelde aan schrijvers

    Reinder Storm is op eigen risico naar Frankfurt vertrokken om daar de Buchmesse te bezoeken. Dagelijks zal hij een blog schrijven over zijn wederwaardigheden aldaar. Vandaag is de grote reis begonnen en hij bevindt zich in goed gezelschap.

    Door Reinder Storm

    Toeval bestaat niet. Mijn reis naar Frankfurt is een Nederlands literair feest vanaf het begin. Had ik het zo willen plannen, het zou me niet zijn gelukt. Volkomen onverwacht deel ik m’n coupé met talrijke medewerkers van de CPNB alsmede een weelde aan schrijvers, van Anneke Brassinga tot Tommy Wieringa, van Adriaan van Dis tot Niña Weijers, van Ernest van der Kwast tot Ted van Lieshout, van Jessica Durlacher tot Thomas Möhlmann. Koningin van het bal is hare excellentie minister Bussemaker in hoogsteigen persoon. Cameramensen, radioreporters, voorlees- en signeersessies maken het geheel compleet. Uitgevers, redacteurs, journalisten, schrijvers, lezers en beleidsmakers – tot en met de medewerker van catering die chocolaatjes uitdeelt aan toe: iedereen is vol verwachting. De reis is een opwindend en veelbelovend voorspel.

    fullsizerender2En dan is daar ook de bitterzoete realiteit die ontnuchtert en relativeert. De conducteur namelijk worstelt zich tussen mensen door die om de voorlezende en signerende schrijvers samendrommen. Met een hoofdknik naar Connie Palmen vraagt hij vertrouwelijk: “Die ken ik … dat is toch Annie M.G. Schmidt?”

    ‘U hebt er kijk op’, zeg ik.
    ‘Ik dacht het al meneer, herneemt de conducteur. Maar ik houd ’t dan ook goed bij in de krant!’

    Leve de Frankfurter Buchmesse. Leve Vlaanderen en Nederland. Leve de literatuur.

     

    Wordt vervolgd…

     

     

  • Een brievencollectie om te koesteren

    Een brievencollectie om te koesteren

    Recensie door Heleen Rippen

    ‘Pure vivisectie’ noemde Annie M.G. Schmidt ooit een interview van Ischa Meijer met haar en dat in 1975 in de Haagse Post werd gepubliceerd. Toch was dit snijden in haar vlees niet zo ernstig dat ze interviews daarna voor gezien hield. In 1992 liet ze zich opnieuw genadeloos ondervragen door dezelfde Ischa Meijer, nu voor de televisiecamera. Hoewel er tijdens dit historische interview steeds gegrapt wordt over scènes die er na afloop uitgesneden zouden moeten worden, is alles onversneden terug te zien op internet. ‘Ach, het hoort er allemaal bij’ verzuchtte ze aan het begin van dat laatste interview met Meijer. Ter ere van haar honderdste geboortedag op 20 mei was er een televisiemarathon over haar te zien en al eerder verschenen er biblio- en biografieën over de grande dame van de jeugdliteratuur.

    Zestien jaar na haar dood, verschijnt Liefs van Annie, een bundeling van haar mooiste brieven gericht aan geliefden, vrienden en collega’s. Hoe zou Annie M.G. Schmidt zelf gedacht hebben over de publicatie van haar brieven? Brieven zijn in principe niet bedoeld voor de openbaarheid. Als lezer denk je na over het nut en nadeel van deze bundel. Is het niet zo dat haar privéleven voor de zoveelste keer op straat ligt en hoort dat  gewoon bij het schrijversvak? Of is deze briefuitgave na de ‘vivisectie’ waarover ze destijds uiteindelijk zelf nog de regie voerde, toch een ongewenste ‘sectie’ achteraf.
    Aan de andere kant: in ons digitale communicatietijdperk met kort gehouden emails en sms-jes is het alleen al om nostalgische redenen waardevol een brievencollectie als deze te koesteren.

    Schmidt schreef tussen 1933, wanneer ze haar ouderlijk huis verlaat, tot halverwege de jaren ’80 soms drie tot vier brieven per week. Ze moet er tijdens haar leven enkele duizenden hebben geschreven. Ruim 800 zijn bewaard gebleven, waarvan 131 in deze bundel zijn opgenomen. Annejet van der Zijl, biografe van Annie M.G. Schmidt, maakte de eerste selectie en Flip van Duijn, zoon van Schmidt en de redactie van uitgeverij Querido annoteerden en verzorgden de eindredactie. De selectie is gerelateerd aan belangrijke gebeurtenissen in het leven van Annie, meer uitleg geven de samenstellers er niet over.
    Het boek is chronologisch opgedeeld in acht episoden van haar leven, telkens verbonden aan de dorpen en steden waar ze woonde. Van het Zeeuwse dorp Kapelle, waar ze in 1911 geboren werd, tot haar laatste levensfase in Amsterdam van 1978 tot 1995.

    De eerste negentig pagina’s van de bundel zijn brieven van Annie aan haar moeder Truida Schmidt, geschreven tussen 1933 en 1939. De toon van de brieven doet vreemd aan. Het is de toon van een opgewonden, wat oudere bakvis, die haar moeder in jubelstemming per kerende post schrijft hoe spannend alles is bij haar kostfamilie in Schiedam.
    Haar moeder is haar beste vriendin en alle belevenissen tijdens haar werkzaamheden in de openbare bibliotheek brieft Annie aan haar door. In die jaren zijn ze beiden naarstig op zoek naar een geschikte echtgenoot voor Annie. Moeder Schmidt zet voor haar dochter contactadvertenties in landelijke dagbladen. Dat moet wel fout gaan. En inderdaad schrijft Annie zomer 1939 aan haar moeder, die een correspondentie met ene Joost op eigen houtje al te fanatiek heeft voortgezet:

    ‘Dat wordt dus heus niks en iedere inmenging van buiten maakt het nog maar hopelozer. Schrijf hem dus niet weer, alsjeblieft, het maakt het voor mij des te vernederender’.

    Halverwege de oorlog wordt Annie directrice van de bibliotheek in Vlissingen en zakt alle correspondentie in. In 1946 wordt ze gevraagd als documentaliste bij het Amsterdamse Parool. De redactionele omgeving bij deze krant blijkt een grote stimulans voor haar. Ooit had ze, aangespoord door haar moeder, stichtelijke gedichten geschreven. Bij het Parool wordt ze in korte tijd de tekstleverancier van versjes en gedichten voor het journalistencabaret de Inktvis.
    In deze tijd ontmoet ze ook haar levensgezel, Dick van Duijn, ditmaal via een advertentie die ze zelf heeft gezet. Dick is getrouwd en zal na hun eerste ontmoeting nog zes jaar bij zijn eerste vrouw blijven wonen. Als Annie op haar veertigste zwanger blijkt en hun zoon wordt geboren, koopt ze een huis en trekt Dick bij haar in.

    De bundel bevat openhartige brieven aan haar vriendinnen over het samenwonen met Dick. Hij heeft last van depressies, is jaloers op het succes van zijn vrouw en wil graag het burgerlijke Nederland ontvluchten.
    Hun tweede huis in Le Rouret nabij Cannes, blijkt in de zeventiger jaren een onophoudelijke bron van stress, waarover ze aan haar zoon Flip schrijft:

    ‘ Je vader heeft zijn intrek genomen in het kleine huisje, dat nu ook op instorten staat, (..) de fundatie was namelijk gebouwd op griesmeel in plaats van op rots, ook DAT hadden we al vermoed’.

    Verder een paar troostbrieven waarin ze al haar levenswijsheid doorgeeft aan haar zoon die met liefdesverdriet rondloopt.
    Naarmate ze ouder wordt, hebben haar brieven een sarcastische ondertoon, vooral als het schrijven niet lukt in Le Rouret. De brieven die een reflectie op haar eigen schrijverschap bevatten zijn het meest interessant. In een brief aan Gerard Reve schrijft zet:
    ‘ Ik ben geen kunstenaar, ik ben een ambachtsman (nou ja – vrouw dan) (…) met warempel ook nog iets eigens, iets origineels’.
    Daarna waarschuwt ze hem voor de ‘sjoo-zwijnen’ van televisie die het werk van een schrijver kunnen beschadigen. ‘Ze komen áán je, vreten je op om je weer uit te braken ten behoeve van de trendigentsia’.

    Vanwege hun historische waarde is het goed dat deze brieven zijn uitgegeven. Toch valt er nog wel wat te zeggen over de samenstelling van de bundel. De brieven van Annie aan haar moeder zijn geen negentig pagina’s waard. En er zijn nogal wat brieven met gebabbel opgenomen, dat vaak ook nog eens in de voetnoten wordt voortgezet. Daardoor is de bundel niet altijd eenvoudig te lezen. Weliswaar gaat elke episode uit het leven van Schmidt vergezeld van een inleidende tekst, toch vergt het een behoorlijke studie om te onthouden wie wie is. Naast een grote hoeveelheid familieleden en vrienden komt de halve televisiewereld aan bod, die via voetnoten worden ingeleid.

    Ondanks dat woud aan namen en informatie blijf je na afloop zitten met vragen over haar jeugd en latere context. Zo wordt slechts een halve noot aan het slechte contact met haar vader gewijd en komt nauwelijks aan bod wat voor band ze met haar ouders en broer had. Vliegenier Jan H., op wie ze zeer verliefd was, blijft in de lucht hangen evenals de vraag: (waarom) heeft ze bepaalde brieven vernietigd?

    Die vragen worden wel beantwoord in de in 2002 verschenen biografie Anna van dezelfde Annejet van der Zijl. De lezer die de achtergrond van haar schrijverschap, haar spel en haar krasse, soms ambivalente uitspraken beter wil begrijpen, kan ik aanraden deze pil te lezen.
    Er is een theorie die beweert dat succes altijd inhoudt dat men iets compenseert. Als je Anna leest, begrijp je hoe een gebrek aan leven in de holle, koude pastorie waar ze opgroeide, later door haar is omgezet in een overvloed aan productiviteit en levenslust. In deze biografie worden haar dominante moeder, haar afwezige vader en haar isolement op de lagere school uitvoerig beschreven. De inhoud en toon van de vroege brieven aan haar moeder hebben dus te maken met ‘een kameel van een schuldgevoel’ in haar eigen woorden.

    Haar lijfspreuk voor kinderen ‘Doe nooit wat je moeder zegt’ bracht ze zelf in praktijk door telkens weer die Hollandse hypocrisie en fatsoensnormen op de hak te nemen. De prijs is misschien hoog geweest. Maar als onafhankelijke geest werd ze al snel een icoon en daarmee een inspiratiebron voor miljoenen kinderen en volwassenen.