• Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Een nieuwe bundel van Anneke Brassinga is op voorhand een belevenis. Vijf jaar na Het wederkerige (2014), een tijdspanne waarin ze twee essaybundels publiceerde – Grondstoffen, (2015) en Hapschaar, (2018) – verscheen haar elfde dichtbundel, Verborgen tuinen. Wat een sfeervolle en raadselachtige titel is. Tuinen zijn werelden op zich vol zintuiglijke sensaties en hier gaat het ook nog eens om verborgen tuinen: een mooi beeld waarin de fascinatie van de dichter voor de natuur is vervat en haar voorkeur voor het raadselachtige. De vraag die Brassinga zich voortdurend stelt is hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. ‘Verborgen tuinen’ zijn ook de gedichten zelf, vanwege hun enigmatische karakter en bijna natuurlijke schoonheid.

    Reeks en haiku’s

    De bundel opent nogal onconventioneel met een reeks foto’s die Brassinga in Berlijn maakte en die ze becommentarieert met haiku’s. Dit levert mooie observaties en mijmeringen op met een symbolische lading. Bijvoorbeeld bij een foto van een met een naakte vrouw beschilderde schutting: ‘Mensen – door muren, / vanachter schuttingen – zij / herrijzen blijvend’. Door de gedichten worden het ook voor de lezer sterke ervaringen. Brassinga heeft oog voor het alledaagse en ziet in het lelijke het schone. Een reeks die vanwege de zintuiglijkheid goed aansluit bij de rest van de bundel.

    Composities en muziek

    Behalve over kijken gaat het in Brassinga’s poëzie ook over luisteren, over muziek. De kleuren van de bomen in het openingsgedicht van het tweede deel ‘De geheime tuin’ worden beschreven als geluiden: ‘Nog tweedgroen, discreet lispelend, staan ze pal achter Ting-Jie, / Miss Gingko, die rijk en sierlijk boven het gepeupel uit /gouden fanfare zou zijn als kleur klinken kon’. Taal die door de alliteraties ook zelf zingt. Later in de bundel zijn er rechtstreekse verwijzingen naar componisten als Bruckner en Rachmaninov, waarbij de muziek weer in verband wordt gebracht met de natuur. Cultuur en natuur blijken dan op gespannen voet met elkaar te staan:

    ‘Een olifant ontwaakt in het hiernamaals van ivoren toetsen –
    slagtanden getemd maar welk ondier wil ooit leren
    musiceren? En ook van nature fijnzinnig trillende rimboebomen
    zijn omgehakt, als lijk, met hoogglans gelakt, diep in hun pit
    tegen elke dressuur gekant’.

    Vergankelijkheid

    Brassinga benadrukt vaak het eeuwige en cyclische karakter van de natuur: ‘Het lijkt of ik u ken uit een vorig leven; / was het Tiergarten, toen we allemaal gekapt werden/ voor brandhout in die oorlogswinter,/ of Boeddha’s hertenpark?’ Maar hoe zit het dan met de mens? ‘Als iets geboren is, geleefd heeft/hoe kan het dan/ ooit nog ontsnappen aan de wereld/ en de hemel eromheen (..)?’ schrijft ze in ‘De geheime tuin’, een in memoriam waarvan er trouwens meerdere in de bundel voorkomen. Tegelijkertijd wordt de sterfelijkheid en nietigheid van de mens sterk ervaren. De tegenstelling tussen dood en terugkeer, vergankelijkheid en eeuwigheid, komt in de hele bundel terug.

    Bespiegelingen

    Waar de mens zich van de natuur onderscheidt is de verbeeldingskracht: ‘ (…) omdat de schepper / heeft vergeten de natuur lofprijzing in te geven / zitten wij ermee: hiertoe op aarde te zijn – als onnatuur / geschapen zijn voor de kunst.’ De mens is een schepper, hoewel dat scheppingsproces niet te beschrijven valt: ‘Scheppen hult zich in roes / van klaarte; geen mens die het navertellen kan.’ Het mooie is dat Brassinga’s poëzie geen antwoorden geeft. De dichter bespiegelt, bevraagt, twijfelt hardop. De lezer kan hier vervolgens zelf zijn of haar gedachten over laten gaan.

    Door de melancholieke toon lijkt de poëzie aan de zware kant. ‘Wie kon weten dat een toekomst eerder sterft dan wij?’, vraagt de dichter zich bijvoorbeeld af in ‘Nostalgie’. Er is soms zelfs een romantische flirt met de dood. ‘Daarom, Heer, geef mij een gat in de grond’. Maar er is ook lichtheid en humor. ‘In een dorre woestijn kan een appelboomgaard heilig zijn – maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/drinkyoghurt in de aanbieding, én een hulplijn/voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?’ Die tegenstelling tussen ernst en lichtvoetigheid zit ook in de vorm.

    Experimentele vormen
    De gedichten bevatten vaak archaïsche of ronduit onbegrijpelijke taal (‘verkorven’, ‘geprotuberanst’), statige neologismen (‘parelschommelende’, ‘geestvonkatoom’) en ingedikte regels vol inversies, waardoor de gedichten soms moeilijk te volgen zijn. Maar Brassinga gebruikt ook de dialoogvorm, klanknabootsingen, (‘oewaaah-argh’, het geluid van een ‘brullustige zeeleeuw’), of dialect (in het zeer geestige ‘Dûh Jögd’, over de jeugd van tegenwoordig).

    Naast de soms onnavolgbare taal, vormen ook de vele literaire verwijzingen en citaten een uitdaging. Het is een sport op zich deze te plaatsen, waarvan de verwijzingen naar Brassinga’s grote held Leopold nog de makkelijkste zijn – zeker het overbekende ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, die natuurlijk vanwege de bomen niet mocht ontbreken. Aan het eind van de bundel staat een hele rij namen van dichters die in de bundel zijn terug te vinden, zoals Mallarmé, Gorter en Nijhoff. Dus lezer, op zoek!

    Vertaalde gedichten

    Net als in haar vorige bundels heeft Brassinga enkele vertalingen opgenomen: gedichten van Walt Whitman en van de moderne Tiroler dichter Oswald Egger die vanwege hun thematiek  – de relatie tussen mens en natuur – en natuurlyriek naadloos aansluiten op Brassinga’s eigen poëzie. De bundel sluit af met een ‘gedichtenduet’ met dichter-vertaler Piet Gerbrandy, door Brassinga in gang gezet naar aanleiding van Gerbrandy’s vertaling van Boëthius’ Troost in Filosofie. Gedichten die een behoorlijke kennis van de context en veel inlevingsvermogen vragen.

    Bezielde taal

    Maar vooral staan er in deze bundel weer prachtige gedichten, die opvallen door taal en bezieling. Muzikale gedichten van grote schoonheid. Dat je hiervoor niet per se moeilijke woorden, of doorwrochte regels hoeft te gebruiken, laat de dichter evenzo zien, zoals in ‘Restanten, relieken’, met een direct herkenbaar inzicht:

    ‘Hier was het en het is er niet meer toch?
    Met hoe weinig kunnen we volstaan in dezen?
    En is het dan concreet of huist het juist niet

    In aanwijsbare tekens? Dat ene dorre blad
    Is heengewaaid, en de dennenappel die precies
    De plak markeerde – opgegeten? Voortgeschopt?’

    Brassinga bouwt met Verborgen tuinen onverstoorbaar verder aan haar eigen universum en blijft onverminderd verwonderen en intrigeren. Dit zijn tuinen om nog lang in rond te dwalen.

     

  • Astrologie

    Middenin de nacht, nadat S. me over haar dagboeken had verteld, vielen ze uit haar boekenkast. De volgende ochtend stuurde ze me een bericht: ‘Ik hoop niet dat dit een teken is.’ Ik stuurde terug: ‘Wat is je sterrenbeeld, dan kijk ik even voor je in de Metro-horoscoop.’
    Alles kan een teken zijn, vooral op de momenten dat je op zoek bent naar houvast. Of laat ik voor mezelf spreken: op de momenten dat ik op zoek ben naar houvast. De frequentie waarmee ik op stations de Metro pak om mijn horoscoop en die van mijn geliefde of meest recente ex-geliefde te lezen, is een goede afspiegeling van de graad van mijn vertwijfeling in die periode. Toen ik echt heel erg in de war was ging ik zelfs zo ver dat ik op internet naar informatie zocht over hoe goed mensen met bepaalde sterrenbeelden bij elkaar passen in de liefde. Dat ik dit al een tijd niet heb gedaan, betekent dat het goed met me gaat.
    Maar de kennis over astrologie die ik inmiddels heb verzameld, heeft zich in mijn denken vastgezet. En dus verbaasde het me niks toen S. liet weten dat ze een Leeuw was, want ik ben een Ram, en Ram en Leeuw hebben een goede klik, want het zijn allebei vuurtekens.

    Gelukkig ben ik niet de enige die tegen wil en dank in dingen gelooft waarvan ze weet dat ze niet waar kunnen zijn. Toen ik nog op school zat, schreef ik de horoscopen voor de schoolkrant. Regelmatig was er een klasgenoot die opmerkte: ‘Jullie schrijven die horoscopen volgens mij gewoon zelf!’ Als ik vervolgens volmondig toegaf dat ik de schrijver er van was en alles wat erin stond uit mijn duim had gezogen, waren mijn klasgenoten toch nog verbaasd en verontwaardigd. Als ze al niet in horoscopen geloofden, dan wilden ze toch op zijn minst dat de schrijver ervan er zélf in geloofde, dat de astroloog in kwestie een astrologisch systeem had geraadpleegd in plaats van zomaar iets te verzinnen.

    S. had er gelukkig minder problemen mee toen ik haar mijn zelfverzonnen horoscoop stuurde, omdat ik geen Metro bij de hand had: ‘Iets uit je verleden heeft je laten schrikken. Laat je niet van je stuk brengen, maar wees wel voorzichtig bij het volgen van je intuïtie.’ Ze dacht zelfs dat ik vaker horoscopen kon gaan schrijven. En misschien zou ik dat ook wel kunnen. Maar beter schreef ik iets anders.
    Poëzie bijvoorbeeld. Die biedt een gezondere vorm van houvast. Die laat zien hoe wij allemaal aan dingen vasthouden die niet bestaan, of die op een dag zullen verdwijnen, en hoe dat inzicht ons kan bevrijden. Zoals bij Anneke Brassinga, in de bundel Verborgen tuinen: ‘Laat wat je was en had verloren zijn, verwaaid, verwoest, / dood en geroofd – dan welt als bloed uit je wonden / de vreugde die, bijna volmaakt, zweven doet’.
    Daar kan geen astrologie tegenop.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Bridge, tennis en tijgers

    Bridge, tennis en tijgers

    Volgens wijlen Harry Mulisch, die iets minder onsterfelijk is gebleken dan verwacht, konden auteurs worden ingedeeld in drie categorieën: zinnenschrijvers, boekenschrijvers en tenslotte oeuvreschrijvers. Het behoeft geen betoog dat hij zichzelf tot die laatste klasse rekende. Of hij gelijk had, is voer voor filologen, maar als er één auteur is die de oeuvreschrijver belichaamt, dan wel de Brit George Orwell (1903-1950). Er zit een heldere lijn in zijn werk die uiteindelijk naar 1984 leidt, zijn laatste en wellicht bekendste boek. Die aanklacht tegen totalitarisme had hij nooit kunnen schrijven als hij daarvoor niet naar Spanje was getrokken om ten strijde te trekken tegen Franco’s troepen, op die manier kennismaakte met de dictatoriale trekken van het communisme en zijn ervaringen te boek stelde in Saluut aan Catalonië. Maar zijn linkse engagement heeft eveneens een voorgeschiedenis, want Orwell hield niet alleen een afkeer over aan de Britse upper class door zijn jaren tussen Parijse en Londense daklozen en verschoppelingen, maar ook door zijn afschuw van de Britse kolonialen in Birma (tegenwoordig Myanmar), waar hij van 1922 tot 1927 werkte als politieman van de Imperial Force en de kiem van zijn schrijverschap werd gelegd. Zijn koloniale tijd verwerkte hij in Birmaanse dagen, dat van 1934 dateert en als zijn oerboek kan worden beschouwd, ook al verscheen het pas een jaar na zijn debuut Aan de grond in Londen en Parijs. 

    Het hoofdpersonage van Birmaanse dagen, de Engelse houthandelaar Flory, is een einzelgänger die een eenzaam bestaan leidt in het afgelegen Birmese stadje Kyauktada. Als een van de weinige Europeanen in het stadje brengt hij zijn vrije tijd hoofdzakelijk door met de weinige andere blanken die er wonen en die zich ’s avonds verzamelen in de Europese Club om er te zuipen, inlandse bedienden te mishandelen en banale gesprekken te voeren waarin vilein racisme steeds meer de boventoon voert naarmate de drank vloeit (‘Er komt een tijd dat je een brandende haat gaat voelen tegen je eigen landgenoten, dat je hoopt dat de bevolking in opstand zal komen en het Rijk in bloed zal smoren’).

    Zijn enige echte vriend is de Birmaanse dokter Veraswami, die hij graag zou voordragen als lid van de club om hem te beschermen tegen de machinaties van de corrupte magistraat U Po Kiyin. Dat is echter zeer tegen de zin van een aantal landgenoten die dat lidmaatschap als een exclusief blank voorrecht beschouwen.

    Flory ziet een uitweg uit zijn eenzaamheid in zijn reddende engel Elizabeth Lackersteen, een Engelse jongedame die bij haar oom en tante komt wonen in Kyauktada. Hij zoekt moeizaam toenadering tot haar, wat aanvankelijk niet lijkt te lukken: niet alleen de afzichtelijke wijnvlek op zijn gezicht boezemt haar afkeer in, maar vooral het feit dat hij bekendstaat als ‘intellectueel’, wat als een belediging geldt onder de lokale kolonialen. Maar dan lijkt hij toch haar hart te winnen tijdens een jachtpartij: samen dieren doodschieten schept blijkbaar een band die geen diner met kaarslicht kan overtreffen (‘Als hij maar altijd over de jacht wou praten, in plaats van over boeken en kunst en geschifte poëzie’). Zeker als Flory een luipaard voor Elizabeth schiet en haar de huid belooft, lijkt de buit binnen te zijn. Helaas verschijnt de stoere militair Verrall op het toneel en komt bovendien Flory’s voormalige Birmese maitresse roet in het eten gooien door voortdurend geld van hem te eisen en schandaal te schoppen. Daarnaast dreigt de lokale bevolking in opstand te komen…

    Zoals zoveel ex-kolonialen had Orwell een haat-liefdeverhouding met de Oost: nu eens voert zijn afkeer van de lethargische hitte, de stank en de smerigheid de boventoon, dan weer komt een nostalgisch verlangen naar tempo doeloe naar boven en steekt hij de loftrompet over de Birmese kleurenpracht op een plaatselijke markt: ‘Enorme grapefruits waren aan koorden opgehangen, als groene maanbollen, er waren rode bananen, manden paarsige garnalen zo groot als kreeften, bosjes knapperige gedroogde vis, vuurrode pepers, eenden, opengesneden en bereid als ham, groene kokosnoten, larven van de neushoornkever, stukken suikerriet, dahs, lakleren sandalen, geruite zijden longyi’s, liefdesmiddelen in de vorm van grote zepige pillen, anderhalve meter hoge potten van geglazuurd aardewerk, Chinese zoetigheid gemaakt van knoflook en suiker, groene en witte sigaren, donkerrode brinjals, halskettingen van dadelpruimpitten, rieten kooien met piepende kuikens, koperen boeddha’s, hartvormige betelbladeren, flesjes zuiveringszout, valse haarvlechten, rode aarden kookpotten, buffelhoefijzers, marionetten van papier-maché, repen alligatorhuid met magische krachten.’

    Het is best jammer dat er geen twintigste-eeuwse schrijvers van het kaliber van Orwell, Hemingway of Malaparte meer zijn. Zij konden niet alleen de pen voeren, maar hadden ook iets van de wereld gezien en kwamen naar huis met boeiende verhalen in plaats van zich met verwondering over het alledaagse te laten inspireren tot slaapverwekkende expressies van uiterst banale emoties. Orwells hang naar avontuur leverde knetterend, vitaal proza op dat naar verre streken doet verlangen: ‘De stroom was verstikt door het welig, sponzig gebladerte van de waterhyacint met zijn blauwe bloemen, zodat een krinkelend lint van niet meer dan anderhalve meter breedte hun als doorvaart overbleef. Het licht viel gezeefd en groen door verstrengelde takken. Soms hoorde je boven je hoofd een papegaai krijsen, maar wilde dieren lieten zich niet zien, op een slang na die haastig wegzwom en verdween tussen de waterhyacinten.’

     

     

     

     

  • Oogst week 26

    Kort proza

    Zeven teksten telt Kort proza van Samuel Beckett. De kortste tekst – noch het een nog het ander – is tien zinnen lang, zou poëzie kunnen zijn, als Beckett het geen verhaal gevonden had. Genoeg – de langste, ruim elf bladzijden – oogt van de zeven het meest als een verhaal met een kop en een staart, maar is goed beschouwd net zo plotloos en suggestief als alle andere – Bing, Zonder, Roerloos, Op een avond en De klif.

    Puur van taal zijn de uitzichten die Samuel Beckett biedt. Hij cirkelt, repeteert, komt terug op een punt waar hij al eerder was. Concreet wordt zijn proza pas als de lezer zich er iets bij voorstelt. Een beeld projecteert.
    In de vertaling van Anneke Brassinga klinkt, klatert en resoneert het korte proza van Beckett.

    Kort proza
    Auteur: Samuel Beckett
    Uitgeverij: Vleugels

    Pereira verklaart

    Portugal, 1938. Salazar maakt de dienst uit, en onder zijn bewind moet Pereira journalist zijn. Zelfs op de kunstpagina is stelling nemen uit den boze. Door stelselmatig de bijdragen – necrologieën en herdenkingsartikelen – van een talentvolle jonge collega (en beschermeling), wegens te links en te subversief, te weigeren, draagt Pereira bij aan het levend begraven van kritische geesten. Maar er komt een moment dat het regime te ver gaat, Pereira zijn geweten laat spreken en zich niet langer afzijdig houdt.

    In elk hoofdstuk van de roman komt minstens een keer de zin ‘Pereira verklaart’ voor, alsof Pereira verklaart het verslag van een verhoor is. De zin suggereert een objectieve, officiële en feitelijke weergave van de werkelijkheid. Niets is natuurlijk minder waar: Pereira laveert en geeft mee en geeft toe.
    Eigenlijk is Pereira net als Hanta in de novelle Al te luide eenzaamheid van Bohumil Hrabal een hoeder van machthebbers van niet welgezind cultureel kapitaal. In Pereira verklaart wemelt het van de literaire en politieke verwijzingen.

    Behalve dat Sostiene Pereira werd bekroond met belangrijke literaire prijzen en de naam van Antonio Tabucchi definitief op de kaart zette, werd het in 1995 verfilmd door Roberto Faenza. Marcello Mastroianni was Pereira.
    Eerste druk van de Nederlandse vertaling verscheen in 1995.

    Pereira verklaart
    Auteur: Antonio Tabucchi
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Buster Kafka

    Waar vereenzelviging van een schrijver met zijn personage(s) toe kan leiden, beschrijft Martin Schouten in zijn roman Buster Kafka. Over de Duitse leraar Enzo Krijgsman die  een roman heeft geschreven waarin de Hollandsche Schouwburg prominent aanwezig is en de belangrijke personages joods zijn. Omdat hij tijdens een televisie-interview de suggestie dat hij zelf ook joods is niet weerlegt, is hij vanaf dat moment voor de buitenwereld een joods auteur.

    Zijn wereld(beeld) verandert daardoor essentieel. Hij ondervindt aan de lijve wat het betekent als identiteiten gaan schuiven en raakt verzeild in situaties die lijken op de spreekwoordelijke omstandigheden waar komiek Buster Keaton en schrijver Franz Kafka – Krijgsman is een expert als het gaat om het wijzen op de overeenkomsten op tragikomisch vlak tussen Keaton en Kafka – het patent op leken te hebben.

    Buster Kafka
    Auteur: Martin Schouten
    Uitgeverij: Gibbon Uitgeefagentschap
  • Een avond Poetry International

    Een avond Poetry International

    Het is een warme woensdagavond in Rotterdam als de 47e editie van Poetry International  plaatsvindt. Dit keer in het sfeervolle RO theater in plaats van in de imposante Rotterdamse Schouwburg. Waar ik mij voorgaande jaren (was het 2009 en 2014?) in een elegant poëziepaleis waande en over de glanzende stenen vloer schreed met het geluid van rinkelende glazen in mijn oren, bevind ik mij nu met beide benen op (artistieke) grond.

    Bohemien knus theater
    De foyer van het RO Theater is een eenvoudige kleine ruimte: één bar, wat tafeltjes met stoelen, tapijt op de vloer. Buiten op het terras zitten vooral vijftigplussers met een glas wijn het programma door te nemen. Een groepje festival-vrijwilligers en dichters bespreken uitgebreid hun uitgaansavonturen en nieuwe poëzie. Een vrouw steekt een joint op. Ik zie hoe een jonge dichter en een oudere dichter elkaar met warmte begroeten en informeren naar elkaars nieuwe bundels. Ik begrijp de keuze voor deze nieuwe locatie – dichters en hun bewonderaars horen thuis in bohemienne, knusse theaters.

    Om vijf voor acht hoor ik de vrouw van de joint zeggen dat we nog zeven minuten hebben. Ik loop naar de studiozaal om te gaan luisteren naar de voordracht van drie internationale dichters. In de studio hangt een aangename, lichte houtgeur. Achterin nemen bezoekers plaats op de tribune, enkele bezoekers kiezen een stoel bij een tafeltje dichtbij het podium. Het licht dimt en de gastheer introduceert de dichters.

    Reading: Three Poets
    Jeet Thayil (1959) is een Indiase vijftiger die met zijn gekleurde brillenglazen, pak en charisma, doet denken aan George Michael. Thayil introduceert elk gedicht met de (veelal exorbitante) titel, inhoud en een kort technisch verhaal over de vorm van het gedicht. Thayil vertelt in meerdere gedichten over het verwoestende effect van drugsgebruik, en over zijn eigen heroïne verslaving  (The Heroin Sestina).In een cynisch gedicht protesteert hij  tegen de Indiase overheid (The Rules For Citizens). Tenlotte is er ruimte voor humor. Bij het laatste gedicht, The Consolations of Age (De troost van het ouder worden), laat hij eerst een stilte vallen en dan: There are none. It is a blank page. Het publiek lacht, en Thayil lacht uitbundig mee.

    De volgende dichter is de Italiaanse Laura Accerboni (1985). Een kleine vrouw met een bos krullen neemt plaats achter de photo_laura_accerboni_4x4jpg_220x500microfoon. Ze citeert haar gedichten aan één stuk, waarbij het niet altijd duidelijk is waar het ene gedicht eindigt en het andere begint. Met grote, indrukwekkende ogen schetst ze ons bizarre, gewelddadige en surrealistische beelden voor. Ze slaat spijkers in haar handen zodat ze niet meer beven (‘’Coldness’’). In ‘’Yesterday the tallest boy’’ kauwt een zoon op stenen om zijn moeder te tonen dat een vernield huis alleen maar een vernield huis is. De mensen in het publiek zijn stil en lijken niet te weten hoe om te gaan met de dreunende woordenmars van Accerboni. Als ze klaar is krijgt ze een luid applaus.

    De laatste dichter is de Nederlandse Anneke Brassinga (1948), die vorig jaar de P.C. Hooft prijs won voor haar gehele poëzie oeuvre. Ze krijgt direct de volle aandacht van het publiek door haar indringende blik en vloeiende, verhalende voordracht. Brassinga deelt in haar gedichten veelal haar gemengde gevoelens en gedachten over vergankelijkheid. Eén van de mooiste voorbeelden hiervan is De goede afloop. Ze begint het gedicht met de vraag:

    Wat doen we hier eigenlijk?

    Later in het gedicht:

    Wat we niet doen is opletten/Of is de afgrond onzichtbaar, of/bestaat er geen afgrond voor je erin valt/langs gladde steenwand suist?

    Aan het einde van het gedicht raakt ze mij onverwacht met tederheid:

    In het gras naast de beek op de bodem/wacht God, zo blij als een moeder die al die/tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s,/sherry in het glas. En vanachter de bloeiende/bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten/voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.

    The Complete Works
    the_complete_works008jpg_220x500Na een pauze ga ik naar The Complete Works. Een documentaire van Justin Stephenson over het werk van de experimentele Canadese dichter bpNichol (1944-1988), een pionier in de concrete-, sound– en digital poetry. Dit zijn termen die ik nog nooit gehoord heb, dus ik ben nieuwsgierig. In de documentaire verschijnen verschillende oude vrienden van bpNichols die zijn werk citeren en iets vertellen over hun band met de dichter.

     

    Een rode draad is de vriend die het gedicht Billy The Kid voorleest: een kort verhaal over een cowboy die vanwege zijn kleine geslachtsdeel allerhande onverstandige beslissingen neemt, zoals het neerschieten van mensen. Een andere vriend laat een voorbeeld zien van bpNichols sound poetry: hij maakt een geluid wat lijkt te beginnen als een normaal woord, maar vervolgens alle kanten op gaat – van hoog en snel gepiep tot een lange, uitgerekte geeuw. Het publiek lacht voorzichtig. De voordrachten worden afgewisseld met korte fragmenten van geluid, beeld en poëzie. Wat deze fragmenten precies zijn wordt niet duidelijk: is het het originele werk van bpNichols, is het kunst waarbij bpNichols’ poëzie wordt gebruikt of is het iets anders? Deze vraag blijft mij bezig houden.

    Met mijn hoofd vol poëzie verlaat ik het theater. Buiten is het afgekoeld en begint het te schemeren. Ik loop de Witte de Withstraat uit en denk aan de dichters op het terras, dat ze geïnspireerd naar huis zullen gaan. Net als ik.

     

  • Amsterdam Perdu: Hans Groenewegenlezing

    Het luchtige van de zwaarte

    Komende donderdag 5 november verzorgt Anneke Brassinga de eerste Hans Groenewegenlezing. Vrijdagavond 6 november reageren Maarten van der Graaff, Yra van Dijk en Ton Naaijkens in Perdu op Brassinga’s stellingname. Erwins Jans leidt het gesprek.

    De Hans Goenewegenlezing is een initiatief van Stichting Perdu, Poëziecentrum, Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) en Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, bedoeld om het werk van Hans Groenewegen (1956 – 2013) onder de aandacht te houden en om Groenewegens manier van poëzie lezen voort te zetten. Hij was een empathisch en ambachtelijk lezer met een aftastende stijl die weinig interesse had in op smaak gebaseerde polemiek. Hij was een integer en deskundig criticus.

    Deze eerste Hans Groenewegenlezing wordt verzorgd door Anneke Brassinga, onder de titel ‘Het luchtige van de zwaarte’. Zij zal spreken over twee op het oog tegengestelde richtingen in de poëzie: de opvatting dat poëzie een abstract taalspel is, verwant aan muziek, en de opvatting die poëzie bekijkt als een kunstvorm waarin plaats is voor unieke ervaringen van (of uit) de werkelijkheid.

    Een dag later verzorgen Maarten van der Graaff, Yra van Dijk en Ton Naaijkens de eerste ontvangst van Brassinga’s lezing. Zij zullen een korte reactie uitspreken en vervolgens onder leiding van Erwin Jans met elkaar in debat gaan. Bij de discussiebijeenkomst zal Groenewegens postume boek De lezer. Van poëzie en mystiek, waaraan hij vanaf 2006 structureel  werkte, voor het eerst te bewonderen zijn. Zo zal de aandacht voor poëzie en poëziebeschouwing blijven bestaan.

     

    Foto: Martijn Stronks

  • Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren

     

  • Internationale poëzie en Strak proza in Terras en De Revisor

    In de eerste editie van Terras,  geeft de achtkoppige redactie (waaronder Micha Andriessen, Kim Andriga, Erik Lindner, Hélène Gelèns en Miek Zwamborn) toe dat de naam Terras niet toevallig een anagram is van Raster (1977-2008). Raster is de inspiratiebron waar de redactie op vaart. De redactie is tevens de bewaarder van de literaire erfenis van Raster met een website. Evenals voorheen Raster, richt Terras de aandacht vooral op internationale literatuur.

    In het nulnummer van Terras ligt het accent op poëzie. Erik Lindner schreef een mooi portret van de Chinees-Taiwanese dichter Shang Ch’in (1930-2010). Op 15 jarige leeftijd wordt Shang Ch’in opgepakt door plaatselijke troepen en in een schuur opgesloten. Een schuur vol literatuur, waar hij eerst niets mee doet maar die hij later gaat lezen. Hierna volgt een leven van gevangenschap en ontsnappingen. Vanaf 1955 schrijft hij prozagedichten. Lindner ontmoette Shang Ch’in tweemaal in zijn leven waarover hij een mooi verslag schreef.
    Lindner is ook verantwoordelijk voor de inleiding bij de gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson in vertaling van Bernlef.

    De dichter K. Michel vertaalde de gedichten van de Amerikaan Russel Edson (1935) en schreef een inleiding op zijn werk, ‘nagenoeg allemaal prozagedichten die nog het meest doen denken aan duistere sprookjes’. Michel typeert Edson als een een soort kruising van Beckett, Charms, Michaux en Gerdrude Stein, waarbij hij zich tegelijk afvraagt wat deze typering bijdraagt aan het beeld van Edson. Als kennismaking met deze relatief onbekende dichter biedt het in ieder geval een kader voor wie hem kennen wil. Luister: ‘En zo kwam de zon door het raam van een kamer en wekte / een persoon die koffie schonk uit een mok in zijn hoofd.’ (Uit het gedicht: Verschijning)
    De poëzie van de Australiër Les Murray wordt ingeleid door Mischa Andriessen, waarbij hij ingaat op de ‘in een veelheid  aan vormen gevangen tegestrijdigheden’ van Murray’s poëzie. Hélène Gelèns gaf zich gewonnen voor de poëzie van de Duitse dichteres Monika Rinck met het gedicht, ‘vijver’.
    Van de Fransman Pierre Michon, een fragment uit zijn onlangs gepubliceerde boek, Elf.

    En een verhaal van de Amerikaanse schrijver Richard Powers (1957), Gemeten maten. Waarin Powers een mensenleven afmeet tegen de leesgeschiedenis van een boek. De inleiding hierop werd geschreven door Jan Pieter van der Sterre.
    Bijdragen (zonder inleiding) werden geschreven door Janneke Wesseling, Tonnus Oosterhoff, Jan Baeke en Anneke Brassinga, auteurs van eigen bodem waarbij de redactie er waarschijnlijk van uitging dat zij geen voorspraak nodig hebben. Terras toont zich veelzijdig in haar opgenomen stukken. Enige minpunt is de layout, die leest niet prettig. Het geeft een wat rommelige indruk en dat heeft te maken met de inleidingen die steeds in twee kolommen per pagina gedrukt zijn. Hiermee wordt de illusie van een krantenpagina gewekt, maar de bladzijden zijn duidelijk te klein om met twee kolommen te werken.

     

    In de tweede editie van De Revisor, die toch net even wat lekkerder oogt en in de hand ligt, veel sterk proza. Het lastige met een literair tijdschrift is dat er een grote verscheidenheid aan literatuur in staat. Soms, heel soms kun je niet verder lezen, na een verhaal zoals De stok van Bart Koubaa, waardoor alle andere bijdragen in het niets verdwijnen. In een ritmisch dwingende stijl verhaalt Koubaa over een jongeman en een stok, die hij vond toen hij veertien was. Een is een rusteloze, ontheemde jongeman voor wie die stok het enige kader in zijn leven blijkt. Het is een gewelddadig verhaal, zonder dat er daadwerkelijk geweld in voor komt. Achter de woorden (niet ertussen, want die zijn hermetisch gesloten) is een wereld voelbaar van angst en voortvluchtig zijn. Adembenemend verteld.

    Elke Geurts schreef Terug naar huis. Het verhaal wordt verteld door de 15-jarige Erica, die samen met haar ouders in het ziekenhuis is waar haar doodzieke babyzusje Summer is binnengebracht. Een gezin dat niet in orde is. De moeder en vader zijn niet sterk begaafd en dochter Erica voelt zich voor het welzijn van haar zusje verantwoordelijk. Maar het verplegend personeel stuurt haar, als minderjarige, naar huis. Erica is een sterk karakter, met veel  ontwijkend gedrag. De scène waarin ze, alleen in de taxi naar huis wordt gebracht, verklaart veel. En zo zijn er meer, veel meer mooie stukken proza in De Revisor van onder meer Sanneke van Hassel, Rob van Essen, Richard de Nooy, een echt kort verhaal van Gerbrand Bakker en een intrirgerende brief(wisseling) in Je sneeuwvlokje, Brieven aan Christophe Vekeman, van Peter Terrin. Victor Schiferli schreef een mooie reeks gedichten met De man van vroeger. Meer gedichten van o.a. Martijn den Ouden (die vorig jaar debuteerde met Melktanden), Anneke Brassinga en Hans Groenewegen. Jan van Mersbergen schreef een essay getiteld Helden, slachtoffers, rampen. Erik Lindner ontmoette Colin Newman, voorman van de punkband Wire. Hij was ooit fan, maar is inmiddels de punk ontgroeid. Des te beter kan hij de band volgen in hun ontwikkelingen. Want het ‘venijn’ van punk is geheel uit Wire verdwenen.

    De Fransman Daniel Cunin is literair vertaler, hij schreef: Van Duinkerken tot Vlieland, van Hadewijch tot Hafid. Het is de visie van een Franse lezer over de Nederlandse literatuur. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Daan Stoffelsen schreef het redactionele stuk, een zoektocht – met veel vragen en twijfels -naar literatuur. De Revisor: een literair avontuur.

     

    Terras
    Uitgeverij Perdu
    verschijnt 3 x per jaar
    Prijs los nummer: € 12,50
    Abonnementen: € 30,-

    De Revisor
    Uitgegeven door:
    Querido / Stichting De Revisor
    verschijnt tweemaal per jaar
    Prijs los nummer: 19,95

     

  • Overtuigende poëzie

    Overtuigende poëzie

    Recensie door Kurt Snoekx

    Uitgeverij De Bezige Bij bracht vorig jaar de verzamelde gedichten (tot dan toe) van Anneke Brassinga uit onder de titel Wachtwoorden. Nu, een jaar later, verschijnt haar nieuwe bundel, IJsgang. Brassinga schrijft daarin met verve poëzie die overtuigt, die de lezer, zo lijkt het, op geen enkele andere manier had kunnen bereiken dan door middel van poëzie.

    In de eerste afdeling van IJsgang, ‘Helleens voor beginners’  een reeks gedichten die Brassinga schreef tijdens haar verblijf in Athene, is het vooral de afstand die een hoofdrol speelt. Zo is er de zoutzuil in het openingsgedicht ‘Steeds’ die zich op een te grote afstand bevindt van de zee, misschien ook ‘liever stilstaat’ of ‘ergens op wacht’, en van de dichter het advies krijgt zich aan ‘de trouwe lucht’ te laven, ‘een schitterend droog water’. Of de ‘Ruïnes’ die in hun verwering, op een eeuwenlange afstand tot hun vroegere grootsheid, een terugkeer naar ‘een onbehouwen staat’ kunnen zien, de weg naar ‘iets ontzaglijkers’. In het gedicht Wedloop komt Brassinga de Griekse denker Zeno van Elea op het spoor. Zijn niet in te halen schildpad door de oneindige deelbaarheid van afstanden, wordt het afleggen van een afstand onmogelijk; een paradox waar ettelijke hun tanden op hebben stukgebeten wordt op een prachtige wijze het gedicht binnengebracht. Niet geforceerd, bijna onopvallend. Even vloeiend als het binnenbrengen van de verwijzing naar Zeno verloopt het gedicht.

    Sprinten, als een gek, kan de geest
    die zich najaagt, meesleept ?
    wat doe ik dan waar ik ben
    schuchter paraderend met mijn stoffelijk omwindsel?
    Op weg, maar niet heus, om de eindstreep
    te ontlopen? Leren arriveren
    of ik nergens in het bijzonder zijn wou
    om er te brengen luchtigheid,
    een stilstand van verstand?
    Zoals de koppige schildpad in de Oude Agora;
    voelde mijn blik en verstarde, niet willend
    dat ik zag hoe hij sneller liep dan ik dacht.
    Voor wie zich onder de knie heeft,
    wist ik hem niet te zeggen
    is het geen punt meer ?
    tempo noch bestemming.

    De geladenheid en volheid die het vertegenwoordigt, hinderen het lezen niet. Brassinga stouwt haar gedichten niet vol; ze laat ze rijpen. Het resultaat is voldragen, klaar en meer dan de moeite waard om gelezen te worden.

    Ook in Een uitstapje weet Brassinga zich onweerstaanbaar uit te drukken. En de vinger leggen op het moment waarop de magie zich voltrekt is onmogelijk. Er heerst een bijna eerbiedig samengaan van betekenis, idee, vorm, beeldspraak, ritme. Dit is zoals het hoort: Om aan de wassende hitte te ontglippen / begon de planeet haar aswenteling te versnellen / zodat de kelner te Athene in gedachten dichter / was bij Spijkenisse, daar woonde zijn vriendin.
    Hier heerst de verbeelding, de subjectieve beleving, maar op zo’n manier vormgegeven, dat alle mogelijke weerbaarheid wegvalt. Zoals de afstand die in de verbeelding wordt opgeheven waardoor werelden als lagen over elkaar heen schuiven:
    Ik / intussen hem beklantend repeteerde mijn verbeelding / waarin de stroom brullende, zwanig // klaroenende auto’s en vooral motoren dwars / door het stadshart dag en nacht de ringweg / centaurisch overrijdend, horde was geworden // van wolven, tijgers, grof roodwild, mieren, / berinnen en getergde biggen’. Wat dat doet met een mens: ‘allengs ging heel / mijn ideëel bezwaar tegen mensheid en liefde // op in rook.

    De reeks KV 533 is de tweede afdeling uit IJsgang. Gelegenheidspoëzie, geschreven voor het project ‘Min of meer Mozart’, die eveneens overeind blijft. Wat moet je met verzen als: Ik ben het met je eens. / Liefde, in deze smerige wereld, / is een smekend fantoom / dat zich niet vangen laat, maar uit jouw zuchten / lieflijk en barbaars ontstaat / als regen, splinters van juwelen in de zon. Of: ‘Stemt het treurig dat het paradijs bestaat en pas / in volle pracht ontbloeit / voor wie er is verjaagd Misschien, // maar net zo zeker / is er geen groter geluk dan te weten: / wij wisten daar niet, wat ons overkwam. Een reactie van een blad stilte. Speechlessness.

    IJsgang is niets minder dan verplichte poëzie. De bundel brengt het zingen en het zoeken van de tijd in betekenis. Wat doen we hier wordt er gevraagd in De goede afloop. De toon is ontnuchterend, maar doet nooit fatalistisch aan. Is het mededogen dat voor die waarneming zorgt? Soms lijkt het daar wel op; het bovenstaande citaat uit ‘Regels voor het einde der tijden’ vervolgt: Denk met kracht, en uitsluitend, // aan de liefkozingen, weemoedige, die redding zijn.

    Anneke Brassinga schuwt de grote woorden niet. Maar ze slaagt erin zelf niet te verdampen in deze confrontatie. Wel is er de andere uitweg uit die confrontatie, het zichtbaar maken van de vragen. En die worden gesteld:

    Stadsgezicht

    Is schoonheid de onmenselijke maat die ons menselijk
    en lelijk maakt? Is zij rond ieders reddeloze dralen
    in een eng bestaan de ruimte van melancholie ?
    waar voelbaar aan de kouwelijke huid het buiten
    doorelkaarwaait, te groot voor woorden, te vreemd?

    Of is zij gewoon ? de grijsroze lichtende winterse
    schemer boven zeepgroene rivier in zandgele stad
    waar altemet stomtoevallig helendal windstil het wordt?

    In IJsgang schetst Anneke Brassinga de zoekende mens als drijfijs dat zich op een oncontroleerbaar, stromende wereld bevindt. Tijd, schoonheid, waarheid, vormen eerder vloeibare concepten die ontglippen, die niet te vangen zijn. Brassinga bezit de taalkracht en het poëtische vernuft om een rijkdom aan denkstof in haar poëzie op te nemen zonder de indruk te wekken dat die betekenisvolle elementen noodzakelijk zijn om haar gedichten het nodige gewicht te verlenen. Het lijkt wel alsof de geschiedenis, de mythologie, de wereld háár dankbaar zijn om in de gedichten te mogen figureren. Wat Brassinga hier presteert, is bijzonder knap. Des te meer omdat elk gedicht het ook afzonderlijk, op zichzelf waarmaakt. Een aspect van Brassinga’s dichterschap is haar taalkundkundigheid. De ene keer overheerst een kalme nadenkendheid de verzen, en is de vorm iets wat zich zacht rond de betekenis vlijt; de andere keer gaan alle remmen los en is er van taal zoals ‘men’ die kent geen sprake meer. Is het Nederlands plots de rijkste taal ter wereld (iets wat tegen alle lemmata in mag worden benadrukt). In IJsgang zingt Anneke Brassinga, experimenteert ze, maakt ze de taal los. En de lezer absorbeert met graagte, zoals het aangeschoten wild / de kogel aan zag komen, dacht: / we nemen er nog een’ (Wie pijn wil lijden moet mooi zijn).

    IJsgang

    Anneke Brassinga
    De Bezige Bij, 2006.

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman