De taxichauffeur vindt dat het de laatste twintig jaar met Nederland de verkeerde kant opgaat. Of ik weet hoe dat komt, vraagt hij. Nee, dat weet ik niet, maar ik heb wel een bang vermoeden van wat hij gaat zeggen. ‘Omdat we de grenzen wagenwijd opengezet hebben voor al die eh…mensen met een tintje’, zegt hij. ‘Die geen fatsoen kennen, zich niet aan onze regels houden. Die denken dat ze zich alles straffeloos kunnen permitteren. Ze zouden ze moeten terugsturen of op zijn minst opsluiten. Maar ja, Nederland is niet streng genoeg.’
Ik breng voorzichtig naar voren dat de gevangenissen ook vol zaten toen er nog geen migranten in Nederland waren. Misdaad is niet aan een enkele bevolkingsgroep voorbehouden. Maar hij luistert niet en vraagt of ik wel eens naar het programma Opsporing verzocht gekeken heb. ‘Dieven, verkrachters en moordenaars, altijd allemaal donkere mensen, mevrouw.’
De adem stokt in mijn keel en ik voel hoe ik verstijf. Wat als ik hem nu vertel dat ik al een halve eeuw getrouwd ben met een van die donkere mannen? Dat mijn kinderen met een tintje aardige, eerlijke, betrouwbare mensen zijn? Dat hij mijn man, mijn kinderen, mij, een klap in het gezicht geeft met zijn uitlatingen? Misschien moet ik James Baldwin citeren: ‘It has always been much easier (because it has always seemed much safer) to give a name to the evil without than to locate the terror within’. Misschien moet ik het gedicht van Anne Vegter voordragen, dat ze in 2015 schreef als Dichter des Vaderlands.
‘Welkom in Nederland
Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
De tellingen hebben ons overtuigd:
mensen en mogendheden in ongelijke mate.
Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa
vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen.
En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land,
je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer,
je school, je huis, je deken, je matras,
je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
En onze harten slaan de tijd, beng, beng,
om het logeermatras te kloppen.’
Maar ik zeg niets. Hij zou niet luisteren en als hij het wel deed, zou hij zijn mening niet wijzigen, of erger nog: zeggen dat er ook wel goeie tussen zitten.
De tijden zijn voorbij dat ik als wereldverbeteraar vooraan op de barricades stond, mijn bloeddruk is tegenwoordig te hoog. Je kunt tijdens een taxiritje van twintig minuten geen eeuwen aan vooroordelen bestrijden.
Heb ik de morele plicht om er iets van te zeggen? Misschien. Ben ik laf? Nee, ik ben alleen maar moe. Ik wil me niet weer moeten verdedigen of rechtvaardigen. Het is bij lange na niet de eerste keer dat ik zulke tirades moet aanhoren. Omdat ik wit ben, omdat ik ‘eigen volk’ ben. Maar dat ben ik niet. Niet meer. Ik wil niet behoren tot een volk dat eeuwenlang landen en volkeren heeft geplunderd en uitgebuit en nu weigert de rekening te betalen. Ik wil horen bij mensen die hun verantwoordelijkheden nemen en samen ervoor zorgen dat de wereld inderdaad verandert. Maar dan een andere kant op dan die de taxichauffeur voor ogen staat.
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.
Onlangs is de roman De Netanyahu’s verschenen van de Amerikaanse schrijver Joshua Cohen. De lange ondertitel luidt: Een verhaal over een onbetekenende en uiteindelijk zelfs verwaarloosbare episode in de geschiedenis van een zeer beroemde familie.
Het werd vertaald door Janine van der Kooij.
Joshua Cohen is een van de snelst rijzende literaire sterauteurs van Amerika. Met The Netanyahu’swon hij in 2022 de Pulitzer Prijs en de National Jewish Book Award for Fiction. Met zijn boeken kwam hij voor in gerenommeerde top-zoveel-lijsten, maar De Netanyahu’s is pas het eerste boek dat van hem in het Nederlands vertaald werd. Als het hier net zo positief ontvangen wordt als in Amerika, zullen vertalingen van zijn andere boeken wel snel volgen.
De loftuitingen vliegen je om de oren als je informatie opzoekt over dit boek, op de flaptekst wordt bijvoorbeeld de The New York Times geciteerd ‘Pakkend, verrukkelijk hilarisch, adembenemend en een van de beste en relevantste boeken die ik in wat wel een eeuwigheid lijkt heb gelezen.’
En de jury van de Pulitzer Prize schrijft: ‘Een bijtende, taalkunstige en historisch onderlegde roman over de ambiguïteiten van de Joods-Amerikaanse beleving.’
Auteur: Joshua Cohen
Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2023)
Dans Panfilo dans
Op zijn website noemt Kyian Esser (Amsterdam 1992) zich acteur, auteur en artiest. Maar kroegbaas is hij ook. Van Café de Richel in Amsterdam.
Als acteur is hij verbonden aan De Theatertroep en De Spelersfederatie. In het najaar van 2023 gaat Wie de fuk is Alice in premiere, een komedie die Esser – geïnspireerd op het werk van Greta Gerwig -speciaal schreef voor de Theatertroep.
In 2017 won hij met zijn verhaal Grote lijnen, kleine mannen de finale van WriteNow! Het juryrapport schreef over zijn verhaal: ‘Hier is een schrijver aan het woord die ambitieus schrijft, maar nergens pretentieus wordt […]
Dans, Panfilo, dans is zijn debuutroman. Het vertelt het verhaal over een ontluikende liefde tussen twee jonge jongens. Het is een vakantieliefde maar een die ze nooit vergeten en waarnaar ze als ze volwassen zijn, op zoek gaan.
Auteur: Kyrian Esser
Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)
ZamZam
Anne Vegter was gedurende de jaren 2021 en 2022 stadsdichter van Rotterdam, de stad waar zij al dertig jaar woont.
Tijdens Gedichtendag, de aftrap van de Poëzieweek, in januari jl. is in die hoedanigheid afscheid van Vegter genomen. Het was tevens de dag waarop ZamZam werd gepresenteerd, een bundel met al Vegters Rotterdamse gedichten.
Ze heeft daarvoor niet stilgezeten. Zij heeft de afgelopen twee jaar alle hoeken van de stad bezocht, met inwoners gesproken en beschreven wat ze zag en hoorde. Afhankelijk van wat ze aantrof schreef ze er uiteenlopende gedichten over.
Met het fotoverslag van beeldend kunstenaar Kamiel Verschuren en een essay van compagnon Xandra Nibbeling krijgt Rotterdam er een bundel van eigen klasse voor terug.
Schrijver, theatermaker en performer Elfie Tromp is de nieuwe stadsdichter van Rotterdam.
Het was een uitzonderlijk drukke en vreemde maand geweest. We hadden juichend een nieuw mens verwelkomd, we hadden huilend een ander moeten laten gaan. Het was dan ook niet verwonderlijk dat mijn ogen langzaam dichtvielen toen ik aan tafel zat te lezen. Toen ik ze weer opendeed, lag ik languit op de bank, waren boek en bril op de grond gegleden, en de rode jurk die ik gedragen had, was vervangen door een zwarte. Nu ben ik al heel lang een hardnekkig slaapwandelaar en heb ik vaker rare dingen gedaan als ik ’s nachts rondspookte, maar was ik werkelijk naar boven gegaan om me om te kleden in mijn slaap? En waarom? Volgens een artikel uit 2017 in de Libelle zou zwarte kleding geassocieerd worden met zelfverzekerdheid, aantrekkelijkheid en intelligentie; rode jurken daarentegen met arrogantie en een gebrek aan intelligentie. Wat mijn activiteiten tijdens het slaapwandelen betrof, wilde ik liever geen conclusies verbinden aan deze informatie; ik kon beter van lectuur veranderen dan van kleding.
Ik raapte Orlando van Virginia Woolf op, dat ik aan het lezen was, maar daar kon het niet aan liggen: ik was niet van geslacht veranderd, alleen van jurk. Ik dacht aan jurken en kleuren, aan betekenis en symboliek, aan Roodkapje, aan Medea, die de trouwjurk van haar rivale Glauke in brand zette. Ik dacht aan Le rouge et le noir van Stendhal, aan het meisje in de rode jas dat als een brandpunt in de zwart-wit film Schindler’s list verschijnt tijdens een razzia in het Poolse Krakow en wier rode jas later op een kar te zien is tussen de opgestapelde doden. Ook dacht ik aan ‘scharlaken zonden die wit als sneeuw zouden worden, al waren zij rood als karmozijn’. Maar het hielp niet.
Ik heb nooit een bevredigende verklaring gevonden, totdat ik later een gedicht van Anne Vegter tegenkwam, waaruit duidelijk bleek dat het aan de jurk zelf lag.
‘Showen en trippen’
Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen. Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant. Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk geluid te maken dat dieren overstemt om aandacht te vangen van een geschminkte koningin. Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat. Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut. Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken. Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.
Vegter vertelt nergens welke kleur de jurk had. En een wade is wit. Maar ik ben een beetje huiverig geworden voor jurken van welke kleur dan ook. Voorlopig trek ik maar een oude spijkerbroek aan, altijd goed.
Gedicht uit: Spamfighter / Anne Vegter / Querido (2007)
Stichting Zutphen Literair maakte deze week bekend dat Anne Vegter de Ida Gerhardt Poëzieprijs gewonnen heeft met haar bundel Big data.
Uit honderdveertig ingezonden bundels kozen de juryleden Maria Barnas en Onno Kosters een shortlist van vijf genomineerden, waaruit Big data van Anne Vegter als winnaar naar voren kwam. Vegter werd twee maal eerder voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs genomineerd, in 2008 met de bundel Spamfighter en in 2012 met Eiland berg gletsjer, driemaal is scheepsrechts zou men in deze kunnen zeggen.
De jury schrijft in haar rapport: ‘In Big data (…) wordt woede omgebogen tot een krachtige en onderzoekende stem zoals die niet eerder heeft geklonken. Vegters talige universum is uniek. Ze weet met taal te verleiden, te troosten, om zich heen te slaan en een eigen plek te veroveren. Vegter weet van tegenstrijdigheden haar kracht te maken en blaast de lezer omver met schommelingen tussen tederheid en razernij, aarzelingen en wijsheid.’
De overige genomineerden waren Erik Bindervoet met De droom van eb inkt diervoer (De Harmonie), Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen (De Arbeiderspers), Maarten van der Graaff met Nederland in stukken (Pluim) en Sasja Janssen met Virgula (Querido).
De prijs zal op zaterdag 2 april feestelijk worden uitgereikt in de Burgerzaal aan de Korte Hofstraat 4 te Zutphen.
De shortlist van de Ida Gerhardt Poëzieprijs werd deze week bekend gemaakt door Stichting Zutphen Literair. Er werden honderdveertig bundels ingezonden waaruit de volgende vijf kans maken de prijs te winnen.
De winnende bundel wordt 15 februari bekend gemaakt. Zaterdag 2 april zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Zutphen, de stad die dichteres Ida Gerhardt de laatste jaren van haar leven regelmatig bezocht. De jury bestond uit Maria Barnas en Onno Kosters.
Ida Gerhardt leefde sinds 1967 in het nabijgelegen Eefde en haar laatste vijf jaren in een verzorgingstehuis te Warnsveld, waar ze vijfentwintig jaar geleden overleed. Een van haar beroemdste gedichten, ‘Dolen en dromen’, is gesitueerd in Zutphen.
De prijs werd voor het eerst in 2000 toegekend aan Kees ‘t Hart voor zijn bundel Kinderen die leren lezen, de laatste keer won Marieke Lucas Rijneveld de prijs met haar bundel Fantoommerrie (2020).
De titel van de zesde bundel van Anne Vegterdoet vermoeden dat het terrein van de wetenschap betreden wordt, maar al gauw blijkt dat de titel op z’n Nederlands uitgesproken dient te worden: gegevens over een big, een varken. Met ‘big’ wordt de man bedoeld, vriend, echtgenoot, vader, geliefde van de vrouw die in deze bundel in drie verschillende gedaantes haar beklag doet over zijn ontrouw. De eerste vrouw die aan het woord komt is de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, van wie een prachtig portret werd geschilderd in de documentaire Korreltjie niks is mij dood. Haar bekendste gedicht is wel Die kind wat dood geskiet is deur soldate by Nyanga.
Toen Ingrid Jonker tien jaar was, overleed haar moeder en ging ze met haar zus bij haar vader wonen, die al voor haar geboorte haar moeder verlaten had. In zijn nieuwe gezin werd ze echter nooit volledig opgenomen; haar band met haar vader bleef slecht. Later werd ze verliefd op de al getrouwde schrijver Andre Brink, op de veel oudere schrijver Pieter Venter en nog later op de twintig jaar oudere Jack Cope. Een abortus, de breuk met Brink en haar manische depressiviteit deden haar in een kliniek belanden, van waaruit ze in 1965 de zee inliep en verdronk.
In naam van Ingrid Jonkers
Vegter laat Jonker aan het woord in een fictief interview over haar reis naar Europa in de eerste afdeling, Hoe Europa doen. De gedichten hebben de vorm van proza, omdat Vegter er heel veel biografische gegevens in heeft verwerkt. Ze laat Jonker vertellen over haar verlangen om te reizen en grote steden te zien. De mannen die haar daarbij beurtelings vergezellen, zijn niet echt betrokken bij haar leven: Cope blijft onverschillig bij haar abortus, Brink gaat terug naar zijn vrouw, de ruzies zijn niet van de lucht. Als Jonker daarna instort, komt dat niet als een verrassing: haar doodsverlangen wordt door Vegter door de hele cyclus heen verweven in de gedichten. In het laatste gedicht als Jonker naar een kliniek wordt gebracht, laat ze haar zeggen:
‘Ik neem dit niemand kwalijk. Ik wilde zelf ook want ik moest van mezelf almaar dood. Daarom neem ik niemand iets kwalijk.’
Overspelige man
De big, waarvan tot nu toe geen melding werd gemaakt, doet zijn intrede in de tweede afdeling, ‘Big Data’ genaamd. Deze bestaat uit gedichten waarin een vrouw zich richt tot haar overspelige man. Beiden blijven naamloos, maar de man wordt big of pigboy genoemd. Deze gedichten zijn minder toegankelijk dan de rest van de bundel, omdat er weinig achtergrondinformatie gegeven wordt over de relatie van de man en de vrouw en de uiteindelijke breuk. De beelden die Vegter gebruikt, zijn niet eenvoudig te duiden. Het zijn duidelijk voelbare woede-uitbarstingen van de vrouw, waarin ze de man verwijten toeslingert die een glimp laten zien van wat er zich moet hebben afgespeeld: de relatie was aanvankelijk goed, er kwamen kinderen, er werden toekomstplannen gemaakt, maar leugens en ontrouw hebben alles vernield. Therapie en verzoeningspogingen brengen geen redding meer, de man vertrekt naar een andere vrouw.
in de praktijk
‘meer dan een jaar en wat deed dat met je of wil je dat niet delen dokter zegt seksles is dat iets om over na te denken de honger neemt af de bloedarmoede neemt toe en de statistieken knikken vriendelijk je dacht dat je de uitzondering was de enige die godvergeten ver wilde fietsen om haar tranen naar een begrafenis te brengen trouw, mevrouw, een schaars goed, ik heb nogal wat oudere patiëntes die net u en het zusje van mijn vrouw is trouwens ook boem de leidende rol in de rouw is voor ons’
Kwijlende big
De laatste en langste afdeling is Medea2.0 die de vorm van een monoloog heeft. Medea is in de Griekse mythologie de tovenares die haar twee kinderen doodde om haar ontrouwe echtgenoot Jason te straffen. De kinderen doden doet Vegters Medea niet, maar het scheelt maar weinig of ze waren omgekomen bij een auto-ongeluk. Big heeft na een relatie van twintig jaar troost gezocht bij een andere vrouw: ‘[…] een kwijlende big / die zijn neus snoot / in een jonge schoot’. In vlijmende zinnen beschrijft Vegter hoe de zelfrealisatie van de vrouw ondergeschikt werd gemaakt aan de ambities van de man uit naam van de liefde. Daar droeg ze zelf schuld aan, ze maakte zichzelf te afhankelijk van het mannelijk leiderschap, want ‘ik wilde je te graag’.
Tijdens een autorit met de beide jongens op de achterbank verliest ze haar concentratie, raakt een paaltje, waardoor de auto gaat tollen en achteruit het water in rijdt. Ze ziet zich gedwongen om haar man te bellen, te vragen of hij hen komt halen. Het wordt een vreselijk gesprek vol beschuldigen en verwijten, die Vegter als zweepslagen laat knallen. Ze bedenkt ook wat ze met hem zou doen:
Wraak en vergiffenis
‘hem halverwege laten bungelen uithongeren versterven of aan je hakken omhooghengelen ik help je niet vader van mijn liefsten verschrompel in je droge riool je had een ander (alweer’)
Toch is haar liefde voor hem niet verdwenen. Als Jason op de stoep staat en ‘jammert dat de liefde niet voorbij is’, weet ze niet wat ze moet doen. Vegter haalt Euripides aan, die de oorspronkelijke Medea schreef, en besluit met: ‘in haar feitelijke vorm is de geschiedenis ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend.’
In een stijgende lijn van pijn, haat en woede heeft Vegter drie vrouwen hun verhaal laten doen in een taal die striemt en overweldigt. Overtuigende verhalen van sterke vrouwen, levensecht.
Een goed festival, net als goede poëzie, blijft je bij. Vorige maand vond Dichters in de Prinsentuin in de binnenstad van Groningen plaats. In de ruim twee decennia dat dit dichtersfestival bestaat is het uitgegroeid tot een uniek in zijn soort zijnd festival. Het idee werd ooit geïnitieerd door de huidige Dichter des Vaderlands Tsjead Bruinja, die vanuit de behoefte de stad tijdens de zomer in literair opzicht tot leven te brengen en verschillende dichters bij elkaar trommelde. Het concept is in al die jaren onveranderd: verspreid over het weekend wordt tijdens de middagen op het theeveld voorgedragen door gerenommeerde dichters, in de loofgangen van de Prinsentuin treedt een keur van dichters op die net enkele schreden op het dichterspad hebben gezet, zij aan zij met de bekendere dichters. De vrijdag- en zaterdagavond wordt in een theatertje gehouden en kent een meer inhoudelijk programma met interviews en discussies onder dichters.
Face to Face
Voor sommige dichters was optreden in de loofgangen van de Prinsentuin de eerste keer om face to face met publiek te staan. De afstand tussen dichter en luisteraar beslaat soms niet meer dan een halve meter, er wordt naar de dichter voorovergeleund, bijna letterlijk neus tegen neus, en dan moet je maar sterk staan in je voordracht. Tijdens het voordragen in de loofgangen lopen mensen voorbij, blijven of langdurig staan, of lopen halverwege een gedicht weer door. Voor de aankomende dichters was er dan ook een workshop georganiseerd, gegeven door spoken word artiest Babs Gons – zelf ook een van de optredende dichters – om het jonge talent enigszins gevormd de Prinsentuin te laten ingaan. Gons zorgde de eerste middag voor een schitterend optreden. Met elk woord een beeld creërend, zo nu en dan intiem confronterend, met kracht en in perfectie gebracht. Zonder papier om van te lezen, recht uit hoofd en hart, om stil van te worden. Dat de organisatie haar gevraagd heeft jonge dichters in het voordragen te vormen, lijkt dan ook een voor de hand liggende keuze.
Zeventig dichters verdeeld over twee middagen en twee festivalavonden die zo’n tweeduizend bezoekers trokken. Er konden zelfs verzoeknummers worden aangevraagd tijdens de optredens in de loofgangen. Soms verzon de dichter ter plekke een gedicht, of bewerkte een bestaand gedicht (Norbert De Beule kreeg het woord ‘appelmoes’ toegeworpen wat hij verwerkte in een bestaand portret van zijn oma) om aan het verzoek van de bezoeker tegemoet te komen.
De interactie tussen dichter en publiek was inspirerend en oprecht, want wie een voordracht niet bevalt, loopt gewoon door. Langs de tuinen zitten bezoekers op bankjes, wandelen langs het theeveld, blijven staan, gevangen door de poëzie, want het mooie aan dit festival is dat het gratis is. Dit alles tegen een achtergrond van het stadse geroezemoes, stationair draaiende auto’s voor een stoplicht, geroep van jongeren (dronken?) en ronkend overkomende helikopters.
Gevleugelde woorden
Wie door de loofgangen liep, ging op gevleugelde woorden die een eigen leven gingen leiden. Veelvuldig waren opa’s, moeders, liefde en selfiepoëzie tot onderwerp gemaakt.
‘we verdwijnen nooit helemaal de schemer is genoeg’
‘moeders zijn de ware alchemisten’
‘kijk ik heb een typemachien’
‘probeer maar eens een wereld op poten te zetten’
‘ik vond in veren en botten warmte’
‘meisjes op het schoolplein die blij zijn als het pauze is’
‘gaf een zwerfhond voorrang aan een kat’
‘ik zit ook maar vast tussen de spelonken van mijn schedel’
‘de allermooiste reden’
‘naar het land van zeil en tegels’
‘kleuren vluchten uit bloemen’
‘ik zing niet, dit is geen zingen, geen zingen, geen lied’
‘herinneringen moesten worden opgelaten’
‘longen hangen met touwtjes aan zijn ribben’
‘in het handschoenenkastje bewaar ik oude ansichten’
Enkel de dichter
Goede poëzie doet je vergeten waar je bent. De tijd verdwijnt, weg van de Prinsentuin, het geroezemoes. Enkel de dichter wordt gehoord. Zo ging het onder meer bij voordrachten van stadsdichter van Amsterdam Gershwin Bonevacia, die voordroeg uit zijn debuut Ik heb een fiets gekocht. De jonge Obe Alkema verraste met zijn ‘gangbaarheid’ ontwijkende poëzie. Evenals Micha Andriesen die nog schor van de verslaggeving van het North Sea Jazz festival in Rotterdam drie gedichten bracht die voor een aandachtig stilte zorgde. De poëzie van Anne Vegter – die de zondagmiddag op het theeveld afsloot met gedichten uit haar nog te verschijnen bundel – zou je ‘levenswerk’ kunnen noemen, schrijnend en vernieuwend. Zelfbenoemd Plattelandsdichter Paul Demets bracht een laagje engagement in het geheel van selfies en verwerkingspoëzie.
Noodzakelijkheid van poëzie
Wat bijblijft is een uitspraak van de Engelse dichteres Verity Spott in een gesprek met Dean Bowen, Juha Virtanen, Obe Alkema en geleid door Hassnae Bouazza, over hoe geëngageerd poëzie behoort te zijn. Heeft de dichter een plicht om de actualiteit in zijn poëzie te verwerken? Volgens Spott kun je niet een geëngageerd dichter zijn, maar wordt je dat gemaakt door de omstandigheden. Veel dichters schreven vanuit een dictatuur zonde geëngageerde poëzie te willen schrijven. Het was de dictator die hen tot een politiek dichter maakte door ze gevangen te zetten. Een mooie tegenstelling tussen Alkema en Spott is dat Alkema zich niet verplicht voelt in het voetspoor van vroegere dichters te treden, hij creëert als dichter nadrukkelijk zijn eigen weg. Voor Spott was dit ondenkbaar, zij heeft veel gehad aan vroegere dichters en zegt: ‘Of je het nu leuk vindt of niet wij behoren tot die geschiedenis van dichters.’ Haar conclusie was dat als je de geschiedenis wilt wegvagen, een dictatuur om de hoek ligt. Waarmee dit festival een gelaagdheid kreeg die aan poëzie een zekere noodzakelijkheid gaf.
In het weekend van 13 en 14 april gaat de derde editie van het Rotterdamse literaire festival Woordnacht van start. Waar andere grote steden als Den Haag, Amsterdam en Utrecht een lange traditie kennen met groots opgezette literaire evenementen, is Woordnacht een betrekkelijk jong maar ambitieus festival in ontwikkeling. Het concept voor dit festival werd in 2014 door initiatiefnemer en huidig festivaldirecteur Hans Sibarani ontworpen. Literair Nederland ging in gesprek met Sibarani over zijn ideeën en drive achter dit festival, over Rotterdam als literaire stad en over de betekenis van literatuur in deze tijd.
We spreken af bij café Floor aan het Schouwburgplein in Rotterdam. Het is een zaterdag met zomerse intenties, de dag ook waarop de Marathon van Rotterdam gelopen wordt. Sibarani zit in de achtertuin van café Floor op het terras. Hij oogt een tikje vermoeid, zoals een organisator kan ogen wanneer de organisatorische afronding van een ambitieus festival zijn einde nadert. De grote lijnen zijn uitgezet, de invulling gedaan; nu nog de puntjes op de i.
Eerst komen we te spreken over de Rotterdamse schrijfster Anna Blaman (1905-1960) die Hans Sibarani weer onder de aandacht bracht door in 2005 de Stichting ‘Ram Horna’ op te richten, vernoemd naar een wel zeer bijzonder verhaal van Blaman. Hij zette de schrijfster weer op de kaart van het Nederlandse literaire landschap. ‘Ze was weggezakt, niemand kende haar meer en dan is het heel fijn als iemand weer terug is. Ze is nu wel een icoon voor de stad.’
Er was al een driejaarlijkse Anna Blamanprijs. In 2010 kwam daar het Anna Blamanmonument bij en de jaarlijkse Anna Blamanlezing, die nu onderdeel is van het festival. ‘In 2016 hebben we nog het proces tegen haar gereconstrueerd en opgevoerd in het Arminiusgebouw. Ik heb het typoscript bewerkt, Fred van der Hilst regisseerde en Anne Vegter speelde Blaman.’ Het ging over het tot een schandaal uitgelopen Boekentribunaal waarin Anna Blaman de gedaagde was maar waarin het niet over haar schrijverschap ging maar over haar seksuele geaardheid en gender.
Vanwaaruit is dit literaire festival ontstaan? ‘Een paar jaar geleden werd in een Letteren-overleg geopperd: Rotterdamse schrijvers zouden ’s avonds hun werk kunnen presenteren. Maar alleen een keuze uit eigen werk lezen leek me een gemiste kans. Dus: Waarom geen festival? Het hing in de lucht. Ik heb toen een programmaconcept ontwikkeld waarbij er vanaf het Centraal Station tot aan in ieder geval de Witte de Withstraat, een route loopt met verschillende literaire activiteiten in verschillende instituten zoals het Goethe instituut, en Chabot museum. Het was ook belangrijk om naast Rotterdamse auteurs de literatuur naar Rotterdam te brengen. Het kreeg toen al de basisvorm die het nu nog heeft.’ In het tweede jaar werd stichting Woordnacht opgericht, het festival wordt nu met acht andere teamleden georganiseerd.
Er zijn 13 verschillende locaties waar het festival zich afspeelt. Dat is veel. Sibarani knikt instemmend: ‘Dat is inderdaad het concept, meerdere locaties. Het is ook wel ontstaan vanuit het idee dat festivals steeds meer de rode loper gingen uitleggen voor hun bezoekers. Wij willen bezoekers juist kritischer maken, ze moeten zelf een keuze maken en het niet voorgeschoteld krijgen. Het aanschuiven bij een debat of interview kan voor de bezoeker veel opleveren. Maar ik ben me ervan bewust dat het keuzestress kan opleveren. En dan, denk ik, vooral vanwege de gelijktijdige programmering op 13 locaties.’
Er zijn 70 schrijvers maar niet iedereen zit er in zijn hoedanigheid van auteur. ‘We hebben verschillende schrijvers gevraagd in een andere rol dan het publiek van ze gewend is. Er zit wel iets rechtvaardigs in als er een kant belicht wordt die anders nooit aan de orde komt bij een schrijver. Zo staat Raoul de Jong als lichtvoetig auteur bekend maar hij is ook een denker en dat komt minder naar voren. Hij kan vanuit een heel andere hoek vragen stellen aan Karin Amatmoekrim (in het programma De nooit gepeilde diepte).’
In het vaste programma onderdeel Debutanten leidt dichteres Peggy Verzett het gesprek tussen een gevestigd auteur en een beginnend auteur. Dit jaar is Arthur Japin de gevestigde auteur en werkt Daan Doesborgh aan zijn debuut.
Schrijver Kluun zit er niet om over zijn boeken te praten maar om zijn meningen over het boekenvak in een debat uiteen te zetten.
‘Kluun verwacht dat er niet meer gelezen wordt. Hij gelooft dat over een tijdje boeken een elitaire aangelegenheid zijn.’ Waarop Sibarani mij vraagt wat ik daarvan denk. Hij merkt dat mensen in zijn omgeving boeken wegdoen. In mijn omgeving zie ik juist dat meer jonge mensen aan het lezen slaan. Maar misschien wil ik dat liever geloven dan dat boeken zullen verdwijnen, of erger; lezen een elitaire aangelegenheid wordt. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig naar de uitkomst van Het grote geld debat.
Een deel van het programma draagt het thema postkoloniale literatuur. Waarom dit thema? ‘We zijn in de aanloop naar 70 jaar onafhankelijkheid van Indonesië, dan moeten we het nu ook als thema pakken. Er zijn veel maatschappelijke discussies die daarop aanhaken. De tijd is er dan opeens rijp voor om zo’n thema aan te snijden. Daarbij kan het koloniale tijdperk pas echt een plaats krijgen door postkoloniale literatuur. Ik vind dat literatuur handvatten biedt tot verdieping, tot een meer dimensionale manier van kijken, het debat meer relateert aan de realiteit. Ik hoop ook dat iets de discussie gaat overstijgen, dat het meer van twee kanten bekeken kan worden. Niet in de schuld blijven hangen maar op een of andere manier verder komen. Dat zou mooi zijn als postkoloniale literatuur dat kan bewerkstelligen. En ja, het is spijtig dat Alfred Birney er niet bij kan zijn. Hij heeft toegezegd maar kreeg een zware griepaanval en moest afzeggen. Er wordt natuurlijk naar gevraagd waarom hij er niet is.’
Ligt achter dit festival als organisator ook een grotere missie om bezoekers meer met literatuur in aanraking te brengen? ‘Iemand vroeg me: ‘Moet je nu gelezen hebben om naar dit festival te gaan?’ De praktijk is dat mensen die lezen er wel heen gaan. Het kan zijn dat mensen die alleen Kluun hebben gelezen en op Woordnacht afkomen, daardoor de literatuur gaan ontdekken. Maar de verwachtingen moeten wel realistisch blijven. Een interview, een voordracht is mooi maar het mag ook meer zijn. Het zou mooi zijn als de achterkant van de literatuur zichtbaar wordt.’
Sibarani over het slotdebat op de vrijdagavond, Andermans huid. ‘Mag bijvoorbeeld een man in de huid van een vrouw kruipen. Daar is discussie over. Wat vind jij, mag je als schrijver in de huid van een ander kruipen?’ Ja, stamel ik, verrast over de vraag. Het lijkt me onvermijdelijk. ‘Het heeft natuurlijk met vrijheid te maken. Voor het debat hadden we Adriaan van Dis en Karin Amatmoekrim en daar moest nog een derde bij. Ik kwam uit op Stephan Sanders, die nu een religieuze ontwikkeling doormaakt. Dat maakte het kloppend voor mij. Sanders zegt dat het voor hem te maken heeft met afkomst, identiteit en zijn adoptie: welke verhalen zijn van mij? In het slotdebat brengt Sanders die religieuze elementen er misschien wel in waardoor het een heel andere discussie kan worden.’
Hoe is je eigen postkoloniale beleving en heeft de literatuur daarin iets betekend? ‘Ik heb er wel een ontwikkeling in doorgemaakt want ik kom ook uit twee culturen. Als je uit twee culturen komt is er de vraag waar je bij hoort. Eerst denk je ‘ik ben een mix’ en dat is het. Dan vraag je je af ‘ben ik de ene of de andere cultuur?’. Ik ben hier geboren en ben dus een Nederlandse Indo. Literatuur helpt me wel op die manier dat ik vanuit een metafoor of als iets heel exact beschreven is een schok van herkenning kan krijgen.’
Wat zijn je favoriete schrijvers? Sibarani lacht en vertelt over een avond met kerst, toen dit een vraag bleek om het ijs (in gezelschap) te breken. ‘Daar ontdekte ik dat mijn favoriete schrijvers bijna allemaal bij de letter B staan: Balzac, Baldwin, Blaman, Beckett, Bordewijk, Jan Cremer, Camus, Paul Bowles en Muriel Spark. Balzac en Bordewijk vind ik prachtig maar mijn meest favoriete schrijver is Paul Bowles. Een programma-onderdeel van Woordnacht is de graphic novel. Viktor Hachmang heeft Blokken van Bordewijk verstript. Dat is heel experimenteel geworden in de illustraties.’
Poëzie op muziek en verstript Sibarani praat enthousiast over verschillende programma onderdelen. ‘Ik denk aan de gedichten van Peter Holvoet-Hanssen die op muziek zijn gezet. Die gedichten van Holvoet zijn heel associatief en ik ben heel benieuwd hoe dit zal uitpakken. Ik heb geen flauw idee.’ De voorstelling wordt uitgevoerd door vijf musici van AKOM, Patty Trossèl (La Pat) en de dichter zelf. Illustrator Gemma Plum heeft gedichten van Myrte Leffring verstript.
‘Van Myrte en Gemma heb ik het proces meegemaakt. En het viel me op dat ze er bij deze (3e) editie helemaal in zitten; je merkt gewoon dat er meer focus is tijdens dit festival. Vorig jaar was het ook goed, maar anders. Bij Gemma en Myrte was dit tijdens het proces te zien, dat ging met veel passie.’
Leffring zal voordragen uit De tere bloemen van het verstand terwijl de verstripte gedichten getoond worden. Een genummerde exclusieve zeefdruk van een gedicht is ook te koop.
Engagement in de Pauluskerk. ‘Je zoekt bij alle locaties toch wel een signatuur die erbij past. Wat ik mooi vind is dat er een appèl wordt gedaan op de spoken word dichters: het gaat om engagement en overstijgt het ego. Nu worden er brieven geschreven in het onderdeel ‘Dit is de nachtpost’. Uitgangspunt vormt het gedicht van W.H. Auden die de dynamiek toonde van de moderne Britse posterijen, This is the Nightmail.’ Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin zal zaterdagavond het programma in de Pauluskerk rondom spoken-word, literaire performance en engagement openen.
‘Performer Justin Samgar heeft eerder gedichten over krijgerschap gedaan op een soundtrack van Philip Glass (Mishima). Dat gaat hij opnieuw doen. Maar dan op de soundtrack van de film Jackie (over Jacqueline Kennedy). Dan krijg je een hele aparte performence. Het is heel spannend, heel bijzonder. Dat sluit de avond af.’
Sibarani kijkt verwachtingsvol uit naar de verschillende programma-onderdelen, zoals de debatten en de onderdelen met het thema postkoloniale literatuur. Ook wordt er al een lijntje getrokken naar de volgende Woordnacht: ‘Voor volgend jaar lijkt het me mooi als er een Vlaams/Nederlandse uitgeversbeurs zou komen.’
Van Harry Mulisch is de uitspraak: ‘Ik heb de oorlog niet zozeer ‘meegemaakt’, ik bén de Tweede Wereldoorlog.’ Het is meer dan zeventig jaar geleden sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en het aantal mensen dat zich achter deze uitspraak kan scharen, wordt steeds kleiner. Met een beetje geluk wordt de generatie babyboomers de eerste die geen oorlog heeft gekend. Dat is te zeggen: niet aan den lijve. Maar via de media wordt dagelijks verslag gedaan van de oorlogen die elders in de wereld woeden en zo komt het oorlogsgeweld ons toch wel heel nader. Of dat voldoende is om ons te kunnen identificeren met de slachtoffers daarvan is de vraag die opgeworpen wordt in de bundel ik hier jij daar van Ghayath Almadhoun en Anne Vegter.
Verontschuldiging oorlogsbeelden
Het eerste gedeelte bevat gedichten van Ghayath Almadhoun (1979), geboren in een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus, vader Palestijns, moeder Syrisch. Hij studeerde Arabische literatuur en was werkzaam als cultureel journalist. Sinds 2008 woont hij in Stockholm. In 2014 verscheen zijn eerste bundel in Nederland: Weg van Damascus, die net als de gedichten in, ik hier hij daar werd vertaald door Djûke Poppinga.
De bundel opent met het prozagedicht Wij, een sarcastische verontschuldiging voor het feit dat het leed van oorlogsslachtoffers dagelijks door de media aan nietsvermoedende burgers wordt voorgeschoteld:
‘Wij bieden onze excuses aan, omdat we onze afgerukte lichaamsdelen in hun sneeuwwitte geheugen hebben geprent, […] omdat we zo schaamteloos waren om plotseling op te duiken in het journaal […] naakt, met alleen ons bloed en onze verkoolde resten.’ Zonder alinea’s of witregels worden in dit gedicht – in crescendo – de gruwelen opgesomd die door een oorlog wordt veroorzaakt. Alsof de dichter met bijtend plezier de lezer deze feiten in het gezicht wil slingeren. Om vervolgens na alle excuses in een losse alinea te concluderen:
‘Wij zijn de dingen die jullie op jullie schermen en in jullie kranten hebben gezien. Als jullie de moeite nemen om de stukjes bij elkaar te leggen, als een puzzel, dan zullen jullie een duidelijk beeld van ons krijgen. Zo duidelijk, dat je niet in staat zult zijn om nog iets te doen.’
Vergelijkende beelden
In het gedicht Schizofrenie vertelt Almadhoun over zijn bezoek aan de stad Ieper in België, die in de Eerste Wereldoorlog geheel verwoest werd en later het middelpunt van de herdenking is geworden. Hij vergelijkt Ieper met Damascus, vanwaar hij vluchtte en met Stockholm, waar hij nu woont. Het gedicht wordt doorbroken door voetnoten, waarin Almadhoun op ironische wijze een encyclopedische uitleg geeft over feiten en personen die in het gedicht genoemd worden. Oorlog is het onderwerp van alle gedichten en transformeert geleidelijk aan zelfs de liefde:
‘Mijn God. Zie waar de oorlog ons heeft gebracht. Zelfs in mijn gruwelijkste nachtmerries zou het niet in me zijn opgekomen dat ik op een dag in een gedicht zou zeggen: Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.’
De oorlog laat de liefde verdwijnen en ‘de dichter kan in een wolf veranderen’: in Stockholm verlaat hij de vrouw die hij bemint, omdat hij zijn verlangen naar Damascus niet meer kan onderdrukken: ‘Hoe kan ik in jouw huis wonen, als God heeft beschikt dat ik “in elke vallei smacht naar mijn geliefde”?’ Opnieuw neemt hij de vlucht, want: ‘Je beschuldigt me van een gebrek aan objectiviteit in mijn gedichten.’ De vrouw is niet in staat de dichter te begrijpen of zich in hem te verplaatsen: zij heeft de oorlog niet meegemaakt en hij ís de oorlog, zoals Mulisch zei. Dat heeft een wig tussen hen geslagen die hen splijt en die zelfs niet door liefde ongedaan kan worden gemaakt. De laatste versregels van de gedichten laten dat zien: ‘Mijn hart dat je zo goed kent. Steeds wanneer ik het ’s nachts uit zijn hol haal zodat het de maan kan zien, jankt het je naam, maar ik ben harder dan steen en mijn hart dat je zo goed kent, wordt niet milder.’
Identificatie en achterdocht
Hanny Michaelis zei: ‘Zolang er mensen zijn, blijft er oorlog. Daar zijn we het over eens bij de warme kachel, behaaglijk nippend van onze cognac.’ Vanuit het gevoel dat dit citaat verwoordt schrijft Anne Vegter de gedichten die het tweede deel van deze bundel vormen: ‘De wereld brandt en ik weiger de andere kant op te kijken. Lekker makkelijk met een dak boven mijn hoofd. Vanuit mijn eigen ongemakkelijke gemak schrijf ik gedichten over oorlog.‘
In het eerste gedicht is er geen sprake van identificatie, maar eerder van achterdocht en onwil tegenover vreemdelingen: ‘we bewaken intussen de pilaren’, schrijft Vegter en ze noemt ‘noord europa sluwe nachtwacht’. Het eigen erfgoed dient bewaakt te worden. In de daaropvolgende gedichten scherpt ze de tegenstelling aan tussen ‘hier’: ‘iemand noemde vrede een periode / waarin het bij anderen oorlog is.’ en ‘daar’: iemand noemde het eerste uur / de dag waarop het bij anderen vrede is’. Niet alleen in plaats, maar ook in tijd is de titel van de bundel te duiden.
Maar in de drie opeenvolgende gedichten – die alle drie de titel Ondertussen in Nederland dragen met respectievelijk een Romeinse nummering I, II en III – begint het alledaagse leven scheuren te vertonen, tot er oorlog uitbreekt. In het laatste gedicht laat Vegter met indringende beelden zien hoe snel ‘zij’ ‘wij’ kunnen worden: ‘het rijksmuseum is grotendeels ingestort hoeveel overlevenden er zijn weet niemand’. Net als Almadhoun leidt Vegter haar gedicht tot een helse climax door steeds sneller en wanhopiger oorzaken en gevolgen op te noemen (‘delen van dijken zijn weggeslagen’, ‘er zouden tientallen boten klaarliggen’, ‘waar is de overkant / er is geen overkant’) om te eindigen met de trieste constatering:
‘we drijven verder we spoelen over de hele wereld aan niemand zit op vluchtelingen te wachten gelukszoekers zo worden we genoemd’
Onoverbrugbare kloof
Vegters gedicht Intussen I, verbeeldt de chaos door de opsomming van aanvankelijk doodgewone voorwerpen, wat escaleert in een steeds grotere verschrikking. Vegter probeert met alle middelen die tot haar beschikking staan zich te realiseren wat oorlog betekent. Niet alleen door zich de uitbraak van een imaginaire oorlog voor te stellen, maar ook door de overgeleverde verhalen en herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Bijzonder is dat zij ervoor kiest om die oorlog te beleven door de ogen van een jonge Duitser die verlangt naar zijn moeder, die met de rest van het gezin in Rotterdam woont. Hij begint zijn reis dwars door Duitsland en het bezette Nederland om haar te kunnen zien en ondergaat daarbij de verschrikkingen van de oorlog, niet alleen door zijn landgenoten aangericht. Op 10 mei 1940 wordt hij gevangen genomen door Nederlanders. Vier dagen later vindt het bombardement op Rotterdam plaats.
Almadhoun en Vegter tonen wat een oorlog betekent en hoe groot de gevolgen daarvan zijn. Gedichten die zich in het hart van de lezer kerven door hun treffende beelden en het tempo van de strofen. Maar waar Almadhoun door zijn afweer alleen blijft staan, probeert Vegter de kloof van onbegrip en onwetendheid te overbruggen die gaapt tussen oorlogsslachtoffers en hen die er nooit een meemaakten. Almadhoun gelooft niet dat die kloof ooit gedicht kan worden. Waar Vegter de oorlog in haar gedichten zeer aannemelijk maakt, probeert Almadhoun met zijn wanhopige gedichten – tevergeefs – een oorlog te vergeten. Beiden hebben met hun poëzie een heel bijzondere bundel gemaakt, waarbij juist het verschil tussen deze twee dichters de vinger op de zere plek is, als een oorlogswond.
Lees je de tijd af in gedichten dan kom je tot de ontdekking dat ze sneller verglijdt wanneer ze in poëzie wordt gevat. Anders gezegd; poëzie verheft het gerammel aan normen en waarden en Beruhigt de wereld tot een aantal overzichtelijk opgestelde strofen.
In de loop van de voorbije Poëzieweek (26 jan. t/m 1 febr.), gaf Dichter Des Vaderlands Anne Vegter het poëziestokje door aan Ester Naomi Perquin, werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt, won Else Kemps het jaarlijks Nederlands Kampioenschap Poetry Slam en werd de Turing Gedichtenwedstrijd gewonnen door Dorien de Wit. En niet te vergeten, kreeg iedereen die in de poëzieweek een gedichtenbundel kocht, het poëziegeschenk – Rotterdamse kost, geschreven door Jules Deelder – cadeau.
Herman de Coninck Prijs en VSB Poëzieprijs Tijdens Gedichtendag (do. 26 januari) werd bekend gemaakt dat Peter Verhelst de Herman de Coninckprijs gewonnen heeft met zijn bundel: Zing zing. Ook won hij de publieksprijs voor het mooiste gedicht ‘Als je geen contact meer hebt met de dingen’. Het gedicht verscheen op de Gedichtendagposter.
Voor deze prijs komen oorspronkelijk Nederlandstalige bundels van Vlaamse auteurs in aanmerking. Een uitzondering wordt gemaakt voor buitenlandse auteurs die in het Nederlands schrijven en die een bijzondere band hebben met Vlaanderen. Aan de prijs is een bedrag van 6.000 euro verbonden.
In Groningen werd de VSB Poëzieprijs uitgereikt aan Hannah van Binsbergen voor haar bundel Kwaad gesternte. De jury is van mening dat: “Niets aan Kwaad gesternte verraadt dat het een debuutbundel is, of het moet nu juist de onbevangenheid zijn waarmee de dichteres haar lezers tegemoet treedt, niet gehinderd door de last van de verwachtingen.”
De VSB Poëzieprijs is dé jaarlijks prijs voor Nederlandstalige poëzie en de winnaar ontvangt een bedrag van 25.000 euro.
NK Poetry Slam 2017 in Utrecht Vrijdag 27 januari vond de finale van het Nederlands Kamioenschap Poetry Slam plaats. In Utrecht streefde Else Kemps de zeven andere deelnemers met verve voorbij en werd winnaar van de 15e editie. Hoewel de jury unaniem koos voor het sterke performerschap van Gijs ter Haar, koos het publiek (die uiteindelijk de beslissende stem heeft), in de finalebattle voor de sterke teksten van Else Kemps. Vorig jaar was Kemps een ijzersterke tweede op het NK en winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd 2016. Hierna gaat ze Nederland vertegenwoordigen op het EK Poetry Slam in Ierland en het WK in Parijs.
Dichter Des Vaderlands in Rotterdam Het mooiste nieuws in die week was natuurlijk dat Ester Naomi Perquin gekozen was tot Dichter Des Vaderlands voor de komende twee jaar.
Poëzie als middel tot communicatie, was de inzet van scheidende Dichter Des Vaderlands Anne Vegter. Het instrument om poëzie te begrijpen is de lezer zelf; ‘Gedichten gaan in principe altijd over de wereld om je heen en jij bent het middelpunt’, aldus de dichteres in een gesprek op Radio 1. Vegter ontdekte tijdens de vier jaar in haar functie als DDV, dat het een uitdaging is iets in gang te zetten met poëzie. Op haar laatste dag als Dichter Des Vaderlands presenteerde Vegter de website HALLO GEDICHT!, waar een keur aan gedichten uit de moderne Nederlandstalige poëzie voor elke geïnteresseerde lezer toegankelijk wordt gemaakt.
Ook laat ze een mooie bundel na: Wat helpt is een wonder: gedichten van de Dichter des Vaderlands 2013-1017. Deze zijn ook te vinden op Dichter des Vaderlands.
Met blijdschap en opgewekt gemoed werd de nieuwe Dichter Des Vaderlands, Ester Naomi Perquin, ontvangen. Perquin die bij het horen van haar verkiezing op geheel Perquiniaanse wijze zei, “Het was nooit in mij opgekomen dat ik zoiets zou kunnen ambiëren.’ aanvaarde de functie.
Perquin stapte haar nieuwe ambt binnen met een toespraak die gestoeld leek op een andere spreker die voor zijn vaderland spreekt in termen als: ‘We geven de poëzie terug aan het volk. Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd. U kwam met duizenden om onderdeel te worden van een historische beweging. Gevangen in doorzonwoningen zonder boekenkast zullen we u bevrijden. De poëtische slachting stopt hier en nu. Drukkerijen en bibliotheken sloten, dat is het verleden. We kijken alleen nog naar de toekomst. Vanaf vandaag wordt ons land geregeerd door een nieuwe visie, vanaf vandaag is het poëzie eerst. Poëzie op de eerste plaats. We zullen onze sonnetten terugbrengen… we zullen onze burgers uit de chicklit halen en gedichten bezorgen.We zullen onze dromen terugbrengen. En we zullen ons aan twee simpele regels houden: Koop dichters, en boek dichters. Samen zullen we de poëzie weer sterk maken. En ja, samen zullen we de poëzie weer groots maken.’
Turing Gedichtenwedstrijd en Awater Poëzieprijs De prijsuitreiking van de Turing Gedichtenwedstrijd vormt de afsluiting van de Poëzieweek. Aan de wedstrijd deden dit jaar 2572 dichters uit Nederland en België mee. Zij stuurden samen 7815 gedichten in. Dorien de Wit won uiteindelijk de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht ‘Legenda’.
Volgens de jury bestaan er geen criteria waarmee vast te stellen is wat goed is in een gedicht. “Literaire kwaliteit kun je niet afvinken. Oplagecijfers kan je bijhouden, dichtersoptredens kun je turven, maar kwaliteit is iets wat je ervaart.”
Tijdens de uitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd werd tevens bekend gemaakt dat Eva Gerlach de Awater Poëzieprijs gewonnen heeft met haar bundel Ontsnappingen. Aan deze jaarlijkse prijs van poëzietijdschrijft Awater is een bedrag van 500 euro verbonden. De winnaar werd gekozen door negenentwintig beroepslezers die een top 3 van de dichtbundels maakten die in 2016 zijn uitgekomen.
De voorstelling Chapman for President is een zeer bijzondere speelfilm. Een film zonder doek. Door de klanken en kleuren gebracht door dertien musici, acteurs en ter plekke gemaakte filmgeluiden, wordt er een treinreis door landschappen, buitenwijken en revoluties gecreëerd en wordt de speelfilm Chapman for President afgespeeld. Het gaat over een jongeman die zich een ontmoeting herinnert met politiek vluchteling genaamd Chapman, uit Kameroen. Deze ontmoeting maakte diepe indruk op hem, omdat het de eerste keer is dat hij iemand treft die bereid is zijn leven te geven voor een ideaal. In de trein leest hij nieuwsberichten over recente onlusten in Kameroen. Hij besluit uit te zoeken waar Chapman nu is en of hij betrokken is bij de recente omwentelingen in zijn land. Het is deze zoektocht die wordt verbeeld door muziek, poëzie en foley-geluiden. Chapman for President is een zoektocht naar verandering in een wereld die ‘af’ is. Met nieuwe muziek van de Eef van Breen Group en teksten van Dichter des Vaderlands Anne Vegter en Ko van den Bosch. Met nieuwe muziek van de Eef van Breen Group en vlijmscherpe teksten van Anne Vegter (Dichter des Vaderlands) en Ko van den Bosch. Vegter leverde niet alleen tekst aan, maar is ook een van de ‘spelers’ tijdens de voorstelling
Speciaal voor de voorstellingen in Amsterdam is er een samenwerking met Eye. Bij aanvang zien de bezoekers een korte stille film, gemonteerd met zeldzame beelden uit het Eye archief, om het brein van de toeschouwer als het ware naar ons collectieve visuele archief te loodsen. Eenmaal daar aangekomen, bij die reusachtige opslagplaats van alle beelden uit onze herinnering, verdwijnt de projectie en begint Chapman for President, een reis door de beelden van onze eigen herinnering.
Eef van Breen Group Eef van Breen is onder andere de componist van de succesvolle theatervoorstelling Borgen.De muziek van de Eef van Breen Group is avontuurlijk; ze reist door muzikale landschappen, springt moeiteloos over stijlschuttingen, is niet te vangen, vast te leggen of in te delen. Muziek als een klinkende film die alle zintuigen prikkelt en steeds weer verrassende wendingen neemt. Het maakt het werk van de Eef van Breen Group niet alleen heerlijk om naar te luisteren, maar ook muziek om over na te denken.