• Horror in het alledaagse

    Horror in het alledaagse

    In Een zonnige plek voor sombere mensen van Mariana Enriquez ontstaat de horror door het onverklaarbare: geesten en andere bovennatuurlijke verschijnselen dringen het dagelijks leven van de personages binnen zonder dat er duidelijke oorzaak of logica is. In twaalf verhalen lopen persoonlijke trauma’s, sociale misstanden en bovennatuurlijke verstoringen steeds verder door elkaar heen, tot oorzaak en gevolg nauwelijks te onderscheiden zijn. Het angstaanjagende zit hem in de herkenbaarheid van de situaties: omstandigheden zoals armoede, sociale druk, uitsluiting en eenzaamheid vormen het kader waarin de dreiging langzaam voelbaar wordt.

    Dat is zichtbaar in de openingsverhalen, waarin armoede, geweld en sociale ontwrichting de basis vormen voor het bovennatuurlijke. De geesten die verschijnen, doen geen recht aan morele orde en komen vaak bij personages die nauwelijks iets verkeerds hebben gedaan. Juist die willekeur maakt het kwaad voelbaar en realistisch: het weerspiegelt een wereld waarin lijden zonder logica of rechtvaardigheid wordt verdeeld. Door het bovennatuurlijke zo te verbinden aan sociale ongelijkheid, doorbreekt Enriquez het klassieke horroridee dat angst uiteindelijk altijd betekenis, orde of vergelding onthult.

    Ondermijnd door lijden

    Ook in ogenschijnlijk gewone situaties laat Enriquez zien hoe het alledaagse ongemerkt wordt ondermijnd door lijden. In het verhaal over tweedehands kleding zijn jurken en sieraden geen actieve bedreigingen, maar dragers van pijn, ziekte en aftakeling van eerdere eigenaars. De dreiging zit niet in wat de kleding doet, maar in wat het meedraagt: de ervaringen van anderen drukken zich bijna tastbaar op de nieuwe drager af.

    Die stille overdracht maakt het verhaal verontrustend. De angst sluipt langzaam binnen en manifesteert zich in het lichaam: de kleding zit strak op de huid, veroorzaakt ongemak en confronteert de drager met andermans verlies. Enriquez laat zien dat consumptie nooit volledig onschuldig is; wie iets overneemt, neemt ook sporen van een ander leven mee. Het vertrouwde alledaagse verliest zijn neutraliteit en verandert in een bron van spanning en ongemak.

    Diezelfde strategie keert terug in verhalen waarin ruimtes centraal staan: vervallen buurten, afgelegen kustplaatsen of kleine steden met een beladen verleden. Enriquez laat deze plekken niet enkel als decor functioneren, maar als actieve krachten die gedrag en ervaringen sturen. Personages raken verstrikt in een omgeving die herinneringen bewaart en eerdere vormen van geweld reproduceert, waardoor het verleden letterlijk op hen terugvalt. Het bovennatuurlijke manifesteert zich hier als ruimtelijk geheugen. Gebeurtenissen en trauma’s laten zich niet begraven en dwingen confrontatie van wie er nu leeft. Zo toont Enriquez hoe omgeving, geschiedenis en collectief lijden onlosmakelijk verbonden zijn, en hoe horror ontstaat uit de invloed van plaats op mensen.

    Waar komt het kwaad vandaan?

    Thematisch richt de bundel zich op marginaliteit en lichamelijkheid. In verschillende verhalen koppelt Enriquez psychische instabiliteit aan fysieke aftakeling of transformatie, zonder dit volledig te verklaren. In een opvallend verhaal moet een vrouw een vleesboom laten verwijderen voordat deze mogelijk tot kanker uitgroeit, maar ze vindt een manier om het lichaamselement elders voor zichzelf te gebruiken, waardoor ze opnieuw verbinding voelt met haar lichaam. Soms blijft onduidelijk of ervaringen voortkomen uit ziekte, trauma of een externe, bovennatuurlijke kracht. Door deze ambiguïteit te behouden, dwingt Enriquez de lezer beide mogelijkheden naast elkaar te laten bestaan, waardoor de spanning verschuift van directe angst naar onzekerheid over lichaam en kwetsbaarheid zelf.

    Die openheid vormt tegelijk de kracht en een mogelijke zwakte van de bundel. Veel verhalen eindigen abrupt, op het moment dat een verklaring lijkt te naderen. In de sterkste verhalen, bijvoorbeeld wanneer een personage een ondefinieerbare dreiging voelt, versterkt dit het besef dat kwaad structureel en niet tijdelijk is. In andere verhalen blijft de techniek minder overtuigend, waardoor sommige intrigerende ideeën onvolledig blijven en de lezer eerder gefrustreerd dan geïntrigeerd achterblijft.

    Herhaling of versterking van haar stijl?

    Door de bundel heen blijft de spanning voelbaar. Terugkerende motieven, zoals geesten van vergeten doden, gewelddadige sociale omgevingen, lichamelijke ontregeling, folklore en spiritisme, scheppen interne samenhang, maar kunnen soms het gevoel van herhaling geven. Verhalen volgen vaak een beweging van realisme naar ontregeling, waarbij niet elk verhaal een nieuwe dimensie toevoegt.

    Stilistisch overtuigt Enriquez. Haar proza is zintuiglijk en doelgericht; ze besteedt veel aandacht aan tastzin, geur en lichamelijk ongemak. Zo blijft maatschappelijke thematiek concreet. Armoede, geweld en uitsluiting zijn voelbaar, bijvoorbeeld in de aftakeling van een veel te jonge vrouw. Horrorscènes functioneren als analyse van een gewelddadige en arme samenleving, niet als ontsnapping aan de werkelijkheid.

    Een zonnige plek voor sombere mensen is geen gemakkelijk toegankelijke bundel. Wie enkel schokkende horror verwacht, kan teleurgesteld raken. Wie echter bereid is ambiguïteit te accepteren en herhaling als stilistische keuze te zien, ontdekt een bundel die consequent en compromisloos een somber portret van de wereld schetst. Hier is kwaad geen uitzondering, maar een toestand. Dat maakt de verhalen ongemakkelijk en onvergetelijk.

  • In de ban van leegte

    In de ban van leegte

    Het vlees van David Szalay, het boek waarmee hij in 2025 de Booker Prize won, opent opvallend terughoudend. In plaats van een dramatische gebeurtenis of een expliciete psychologische inleiding presenteert Szalay een opeenvolging van alledaagse momenten, nauwelijks ingekaderd en zonder duidelijke spanningsboog. Die keuze is wezenlijk voor de roman. Door het verhaal vrijwel zonder richting te laten beginnen, dwingt Szalay de lezer om het leven van zijn hoofdpersonage, István, te ervaren zoals het zich voor hem ontvouwt: als een aaneenschakeling van situaties waarin hij zelden zelf sturend optreedt. De Hongaarse flatwijk in de jaren tachtig waarin hij opgroeit vormt daarvoor een logische achtergrond. Het is een omgeving waar perspectieven schaars zijn, waar gezinnen onder druk staan en waar jongeren vooral leren te verdragen in plaats van te sturen. In zo’n wereld is het niet vreemd dat Istváns jeugd bestaat uit gebeurtenissen die hem overkomen. Zijn passiviteit is geen karakterzwakte, maar het resultaat van omstandigheden waarin initiatief weinig oplevert.

    Dat wordt pijnlijk zichtbaar in de scène waarin hij, vijftien jaar oud, een seksuele relatie krijgt met een oudere buurvrouw. Szalay vertelt het zonder sensatie, alsof het een alledaagse gebeurtenis is. Voor de lezer ontstaat daardoor een ongemakkelijk gevoel. Je weet dat het niet normaal is, maar het wordt zo gepresenteerd. De focus ligt op Istváns reactie: een mengeling van afkeer en nieuwsgierigheid, zonder protest, zonder volledig besef van wat er gebeurt. Zijn ‘oké’ is veelzeggend. Het is geen instemming, maar een houding die het patroon van zijn hele leven samenvat: meebewegen, aanpassen, verdragen. Dit moment vormt geen traumatisch breekpunt, maar een vroege aanwijzing voor wie István is en hoe beperkt hij zich voelt door de verwachtingen van anderen en de grenzen van wat hij durft te voelen of te zeggen.

    Een leven in stappen die hij niet zelf kiest

    Over een periode van ongeveer veertig jaar volgt de roman Istváns ontwikkeling – of beter gezegd: zijn verschuivingen. Szalay kiest bewust niet voor een klassieke ontwikkelingslijn. De stappen in Istváns leven hebben geen duidelijke opbouw en komen niet voort uit ambitie of besluitvorming. Ze komen in sprongen: militaire dienst, werk als uitsmijter, klusjes in de beveiligingssector, en uiteindelijk een onverwachte entree in de wereld van de Londense superrijken.

    Belangrijk is dat Szalay steeds laat zien hoe deze sprongen tot stand komen. Niet omdat István iets nastreeft, maar omdat anderen hem verplaatsen. Een sergeant die hem opmerkt. Een werkgever die hem ergens neerzet. Een vrouw met geld en invloed die hem betrekt in haar wereld en hem kansen geeft die hij zelf nooit zou hebben gezocht. Zijn latere werk als vastgoedontwikkelaar wordt daardoor geen bewijs van bekwaamheid, maar van afhankelijkheid. Hij bezit geen visie, maar passeert door deuren die anderen openzetten. Zo laat Szalay zien hoe succes soms weinig zegt over zelfsturing en veel over beschikbaarheid en toeval.

    István als stille lens

    Wat István vooral kenmerkt, is zijn manier van in de wereld staan. Hij verklaart zichzelf nauwelijks, hij denkt weinig hardop, en hij reageert vaak aarzelend of ondoorgrondelijk. Dat maakt hem geen traditioneel romanpersonage dat de lezer via innerlijke monologen of conflicten leert kennen. In plaats daarvan fungeert hij als een lens. Doordat hij zelf weinig initiatief neemt, vallen de bewegingen van anderen des te meer op.

    In de flatwijk is hij iemand waarop mensen projecteren: familieleden die hem zien als een last of hoop, leeftijdsgenoten die hem als doelwit gebruiken, volwassenen die hem proberen te kneden volgens hun verwachtingen. In Londen verandert dat mechanisme niet; de context wordt groter, de huizen ruimer, de macht zichtbaarder, maar Istváns positie blijft die van iemand die observeert en wordt waargenomen. Zijn stille houding maakt hem tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Zichtbaar als lichaam dat aanwezig is, onzichtbaar als persoon met een eigen wil.

    Dat zijn zoon langzaam hetzelfde gedrag vertoont, onderstreept de herhaling van patronen. Szalay toont hiermee hoe een manier van leven – gedreven door aanpassing, stilheid en gebrek aan zelfvertrouwen – kan worden doorgegeven zonder dat iemand expliciet leert of kiest. Het komt voort uit wat men ervaart, niet uit wat men besluit.

    Het lichaam als drager van ervaring

    Szalays stijl is doelbewust sober. Hij werkt met korte, precieze zinnen en scènes die vaak breken op het moment dat een gevoel of gedachte zich zou kunnen uitkristalliseren. Door die keuze ontstaat ruimte voor lichamelijke details. Een hand die te lang blijft liggen, een blik die ongemakkelijk is, een schouder die wegdraait. Het zijn precies die momenten die de betekenis dragen. Niet wat István zegt, maar hoe hij fysiek reageert; niet wat anderen verwoorden, maar wat hun lichaam prijsgeeft.

    De titel Het vlees krijgt daardoor een dubbele lading. Enerzijds verwijst het naar lichamelijkheid en seksualiteit, die door het hele boek terugkomen als bronnen van verlangen én macht. Anderzijds benadrukt het hoe het lichaam functioneert als een soort geheugen. Waar István mentaal weinig vastlegt of doorvoelt, onthoudt zijn lichaam alles: spanning, onderwerping, afkeer, aantrekkingskracht. Zo maakt Szalay voelbaar dat een leven niet alleen bestaat uit gedachten en keuzes, maar evenzeer uit aanrakingen, nabijheid en ervaringen die zich in het lichaam nestelen.

    Het contrast tussen Hongarije en Londen versterkt dit effect. In de kleine, krappe appartementen in Hongarije beweegt István tussen de bewoners door, aanwezig maar nauwelijks opgemerkt; hij maakt geen deel uit van hun leven. In de grote, luxueuze huizen in Londen is hij zichtbaar tussen de mensen, maar slechts als figurant. Hij leeft mee aan de rand van hun wereld, fysiek onder de mensen maar emotioneel en sociaal afgescheiden. Zijn aanwezigheid is het enige constante, zijn plek in de wereld blijft onzeker. Szalay laat zo zien dat sociale verschillen niet alleen abstract bestaan, maar voelbaar worden in hoe iemand wel of niet onderdeel kan zijn van de ruimtes en levens om zich heen.

    Aandacht voor het minieme

    Het vlees is uiteindelijk geen verhaal over groei of bevrijding. Het is een roman die laat zien hoe omstandigheden iemand kunnen vormen, beperken en opsluiten in patronen. Szalay toont hoe een jeugd zonder goede begeleiding, zonder duidelijke grenzen of steun, iemand een leven lang kan achtervolgen. István is soms onaantrekkelijk en vaak onbegrijpelijk, maar precies daardoor geloofwaardig. Hij staat voor velen die geen grote gebaren maken, maar vooral proberen te overleven in de omstandigheden die ze krijgen.

    De spanning in het boek komt voort uit stiltes, uit details, uit het ongemak van kleine momenten. Een blik kan een hele relatie veranderen, een aanraking kan een machtsverhouding blootleggen, een korte misser kan een levenspad verzegelen. Szalay vraagt de lezer om aandacht voor het minieme. In die kleine details schuilt de ware lading.

    Een roman die blijft nazinderen

    Het vlees vraagt geduld, omdat het weigert de lezer te belonen met een climax of een ommekeer. Maar juist dat maakt het boek krachtig. Het toont een leven dat grotendeels in de marge wordt geleefd, maar dat daardoor een scherp licht werpt op hoe afhankelijk mensen zijn van hun omgeving en van andermans wil. Szalay confronteert de lezer met vragen die zich niet laten afschudden: hoeveel invloed hebben we werkelijk op ons leven? Hoeveel van wat we doen is keuze, en hoeveel is reactie?

    István is geen gids of voorbeeld, maar een spiegel. Hij toont hoe een leven eruitziet wanneer richting verdwijnt, wanneer gebeurtenissen elkaar opvolgen zonder dat iemand ze naar zich toetrekt. En juist daardoor blijft de roman lang hangen: het is een verhaal dat weinig zegt, maar veel laat zien.

  • Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    In Het inferno van Slauerhoff reconstrueert Luuk Imhann een cruciale en pijnlijke periode uit het leven van Jan Jacob Slauerhoff (1898–1936): de tijd na de doodgeboorte van zijn zoon in 1932. Dit verlies ontwricht niet alleen zijn huwelijk, maar ook zijn verhouding tot zijn werk en zijn plaats in de wereld. In een poging aan zijn verdriet te ontsnappen vertrekt Slauerhoff uit Nederland en laat hij zijn vrouw Darja achter. Hij vestigt zich als arts in het Marokkaanse Tanger, toen een neutrale, internationale zone. Zijn vlucht is zowel een poging het onbegrijpelijke verlies te doorgronden als een manier om zijn schuldgevoel en gemis met zich mee te dragen. De roman volgt hoe deze emoties zijn denken en handelen voortdurend kleuren.

    Tanger vormt in het boek een dynamisch decor vol contrasten. De stad is druk, chaotisch en onvoorspelbaar; veel culturen en vluchtelingen maken de omgeving levendig én belastend voor iemand die midden in een rouwproces zit. Slauerhoff vindt er zowel afstand als overprikkeling. De anonimiteit van Tanger biedt hem ruimte om te observeren en reflecteren, terwijl de drukte hem confronteert met een wereld die ongehinderd doorgaat. In zijn medische praktijk krijgt hij te maken met patiënten en passanten die elk hun eigen verhaal en problemen hebben. Zo wordt de stad een spiegel van zijn innerlijke onrust.

    Een etmaal dat uitzet

    Hoewel het verhaal zich in slechts één dag afspeelt, weet Imhann deze vierentwintig uur te rekken tot een volledig universum. De opeenvolging van incidenten, ontmoetingen en gedachten maakt de tijd onwezenlijk intens. De Nederlandse consul Eduard vat het kernachtig samen: ‘Wat een puinhoop is alles in amper vierentwintig uur geworden.’ Die opmerking geeft aan hoe snel het leven kan kantelen en hoe overweldigend een enkele dag kan aanvoelen wanneer emoties, professionele verplichtingen en onvoorspelbare gebeurtenissen door elkaar lopen.

    Slauerhoff beweegt zich door dit etmaal met een vermoeidheid die hem fysiek en mentaal parten speelt. Terwijl hij patiënten behandelt, door de stad loopt en gesprekken voert, wordt hij telkens teruggetrokken naar zijn verlies. De roman geeft de lezer toegang tot deze innerlijke bewegingen door de gesprekken die Slauerhoff in gedachten met Darja voert. Deze stille dialogen laten zien hoe schuld, verlangen en gemis een constante rol spelen. De afstand tussen beiden wordt voelbaar, niet alleen in fysieke zin, maar vooral doordat hun gedeelde verdriet hen in stilte uit elkaar drijft.

    Literatuur als laag bovenop de werkelijkheid

    Een belangrijk onderdeel van Imhanns aanpak is het citeren van originele teksten en gedichten van Slauerhoff. Door poëziefragmenten en literaire verwijzingen toe te voegen, plaatst hij Slauerhoffs emoties in een bredere culturele en historische context. De hoofdpersoon verschijnt hierdoor ook als schrijver, iemand die zijn ervaringen voortdurend door een literaire lens bekijkt. Deze intertekstualiteit verrijkt de roman en benadrukt hoe nauw persoonlijk leven en literair denken voor Slauerhoff verweven waren.

    De verwijzingen naar het interbellum — de periode tussen de twee wereldoorlogen, waarin grote culturele verschuivingen plaatsvonden — maken duidelijk hoe Slauerhoff in zijn tijd stond. Het geeft inzicht in zijn psychologische profiel en laat zien hoe zijn gedachten, angsten en verlangens passen binnen de intellectuele sfeer van die jaren. Door literatuur en biografie te combineren, ontstaat een roman waarin kunst en leven elkaar voortdurend beïnvloeden.

    Tanger als arena van confrontaties

    De stad Tanger speelt in de roman een cruciale rol als plaats waar Slauerhoff niet langer kan ontsnappen aan zichzelf. De onverwachte en soms bizarre situaties waarin zijn patiënten belanden, de ontmoetingen met avonturiers, vluchtelingen en excentrieke figuren, en de onafgebroken beweging van de stad confronteren hem voortdurend met zijn onzekerheden. De chaos en diversiteit van Tanger weerspiegelen de fragmentatie die hij van binnen voelt, terwijl het ritme van de stad – het rumoer van markten, de geuren van specerijen, de stroom van mensen en voertuigen – hem voortdurend herinnert aan een wereld die ongehinderd doorgaat. In deze constante wisselwerking tussen overprikkeling en persoonlijke reflectie ontstaat een spanning die de roman voortstuwt en die Slauerhoff dwingt zijn verdriet, schuldgevoel en onzekerheden onder ogen te zien, zonder ooit de kans op ontsnapping te bieden.

    Ritme en helderheid in stijl

    Imhann schrijft in een stijl die tegelijk rijk en helder is. Zijn taal heeft ritme en blijft toegankelijk. Poëtische passages worden afgewisseld met scherpe observaties. Imhann structureert de veelheid aan gebeurtenissen zorgvuldig zodat de lezer niet overweldigd raakt en wordt meegenomen in een gelaagd verhaal.

    Het ritme van de roman wordt bepaald door de afwisseling tussen actie en reflectie. Slauerhoffs gedachten, herinneringen en emoties vormen de rode draad die de opeenvolgende scènes met elkaar verbindt. Zo ontstaat een manier van vertellen waarin de buitenwereld dienstbaar is aan de ontwikkeling van het personage.

    Een mens in rouw in een wereld die doorgaat

    Het verlies van zijn zoon vormt de kern van het verhaal. Het beïnvloedt hoe Slauerhoff naar de mensen om hem heen kijkt, hoe hij zijn werk doet en welke keuzes hij maakt. Imhann laat zien dat rouw geen afgesloten fase is maar een toestand die permanent alles doordringt; een lens waardoor de wereld wordt bekeken, en die de betekenis van dagelijkse gebeurtenissen verandert.

    Het inferno van Slauerhoff is een portret van iemand die tracht om te gaan met een verlies dat te groot is om eenvoudig te verwerken. Door literatuur, geschiedenis en emoties met elkaar te verbinden, creëert Imhann een rijk en overtuigend geheel. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in psychologische romans of interbellum-literatuur, en voor liefhebbers van de grote dichter Slauerhoff, biedt dit boek een diepgaande en meeslepende ervaring.

     

     

  • De schijn van stand

    De schijn van stand

    Met Sjees en paella, dat oorspronkelijk in 1894 verscheen als Arroz y tartana (letterlijk: ‘rijst en rijtuig’), opende Vicente Blasco Ibáñez (1867–1928) zijn reeks zogenoemde Valenciaanse romans. De titel bevat meteen de kern: de spanning tussen het volkse en het verfijnde, tussen voeding en vertoon. Arroz, de rijst, verwijst naar het alledaagse leven van Valencia, de stad van de paella en de arbeid. Tartana, de sjees, symboliseert de drang naar status en de façade van de burgerlijke wereld. In die tegenstelling ontvouwt zich het drama van Doña Manuela, dat tegelijk de spanningen binnen een maatschappelijke klasse weerspiegelt.

    De roman verscheen aanvankelijk als feuilleton in El Pueblo, de republikeinse krant die Blasco Ibáñez zelf oprichtte. Het vroege werk biedt een portret van burgerlijk Valencia rond de eeuwwisseling: een stad op de drempel van moderniteit, verscheurd tussen traditie en vooruitgang, tussen eergevoel en economische drift. Behalve een realistische kroniek biedt de roman ook sociale kritiek,† verpakt in een meeslepend familiedrama. Achter het verhaal van een vervallende familie ontvouwt zich een bijtende satire op de opkomende Spaanse bourgeoisie, een klasse die smacht naar erkenning, maar wankelt in haar pogingen zich te handhaven binnen een maatschappij die haar nog niet volledig heeft aanvaard.

    Een samenleving van schijn en status

    Centraal in Sjees en paella staat Doña Manuela, een weduwe van middelbare leeftijd die ooit tot de gegoede burgerij behoorde, maar wier fortuin inmiddels is verdwenen. In plaats van haar verval te aanvaarden, klampt zij zich met verbeten trots vast aan de uiterlijke tekenen van haar vroegere status: kostbare japonnen, diners, liefdadigheidsacties en een woning die zij nauwelijks kan onderhouden. Alles draait om de blik van de ander. Haar leven is een zorgvuldig geregisseerd toneelstuk waarin zij de hoofdrol speelt, terwijl het decor langzaam instort.

    Blasco Ibáñez tekent Doña Manuela met een evenwicht van ironie en mededogen. Zij is zowel tragisch als komisch: een vrouw die leeft van bewondering, maar door haar eigen illusies het verval van haar gezin onvermijdelijk maakt. In haar obsessie om haar dochters Concha en Amparo ‘goed te laten trouwen’, offert zij alles op – waardigheid, eerlijkheid en innerlijke rust. Haar jongste zoon Rafael is de verwende lieveling die onverantwoord met geld omspringt, terwijl haar oudste zoon Juanito, nuchter en plichtsgetrouw, als enige probeert het morele evenwicht te bewaren.

    Doña Manuela’s verschijning onthult veel over de thematische kern van de roman:

    ‘Ze naderde de vijftig, zoals ze enige malen aan haar dochter had opgebiecht; maar ze was zo trots en zag er zo goed uit, haar verheven postuur ging samen met zulke weelderige vormen, dat ze nog altijd een zekere vervoering wekte, vooral bij adolescenten, die in hun verhitte brooddronkenheid de uitstulpingen en zwellingen van de vervallende schoonheid een verering toedragen die ze de ranke en jeugdige frisheid onthouden.’

    Ze belichaamt de spanning tussen uiterlijk vertoon en innerlijk verval, tussen nostalgie naar een verloren wereld en de onontkoombare moderniteit van de nieuwe tijd.

    Valencia als spiegel van de samenleving

    Wat Sjees en paella intrigerend maakt, is de manier waarop Blasco Ibáñez het lot van één familie verweeft met een bredere sociale diagnose. Het Valencia van rond 1900 is een stad van contrasten: weelderige boulevards naast verarmde wijken, speculanten die fortuinen vergaren terwijl oude families geruisloos wegzinken. De drang om ‘erbij te horen’ bepaalt het handelen van bijna alle personages, een thema dat nog altijd herkenbaar is.

    Het verhaal is doortrokken van costumbrismo: het realisme dat de gebruiken, kleding, taal en omgangsvormen van een streek vastlegt. De levendige beschrijvingen van markten, rijtoeren langs de Turia, sociale rituelen en het onophoudelijke geroddel in cafés en salons maken van de roman een indringende momentopname van een verdwenen tijd. Blasco Ibáñez’ proza is rijk, zintuiglijk en soms uitbundig: zijn Valencia ademt, ruist en leeft.

    Een meester in observatie

    Wat deze roman bijzonder maakt binnen het negentiende-eeuwse realisme is de opmerkelijke psychologische scherpte van Blasco Ibáñez. Doña Manuela is geen karikatuur, maar een complex personage, gedreven door angst, trots en verlies. Haar broer tío Juan fungeert als moreel tegenwicht – een man van eenvoudige gewoonten, die de waarde van arbeid en geld begrijpt, maar machteloos moet toezien hoe zijn zuster zichzelf naar de afgrond drijft.

    Ook Juanito, de oudste zoon, is intrigerend. Hij beweegt zich tussen twee werelden, gevangen tussen de illusies van zijn moeder en de stem van zijn eigen geweten. Zijn ontwikkeling van volgzame zoon tot man die zijn eigen pad durft te kiezen verleent de roman emotionele diepte. Blasco Ibáñez toont hoe economische en morele waarden in elkaar verstrikt raken en hoe moeilijk het is om integer te blijven in een wereld die de schijn beloont.

    De kunst van vertraging

    De stijl is weelderig en zintuiglijk, maar niet altijd licht verteerbaar. Beschrijvingen kunnen zich over meerdere pagina’s uitstrekken, rijk aan minutieuze details over kleding, architectuur en landschap. Voor de hedendaagse lezer, meer gewend aan snellere vertelvormen, kan dat traag lijken, maar die traagheid is doelbewust: zij schept sfeer, geloofwaardigheid en historische diepte. Men ruikt de sinaasappels in de haven, hoort het geratel van de rijtuigen en voelt de zinderende hitte boven de stad.

    Blasco Ibáñez schrijft levendige dialogen, vaak doortrokken van ironie. Achter de alledaagse gesprekken schuilen sociale spanningen en morele dilemma’s. Sjees en paella wordt zo meer dan een familieroman; het is een fijnzinnig maatschappelijk portret waarin menselijke waardigheid onder druk staat in een tijd van economische onzekerheid.

    Een boodschap die blijft nazinderen

    Aan het einde van de roman blijft de lezer niet alleen achter met mededogen voor Doña Manuela, maar ook met herkenning. De wereld waarin uiterlijk vertoon belangrijker is dan innerlijke rust, waarin status en consumptie het geluk lijken te bepalen, is geen reliek van 1894. Blasco Ibáñez legt een menselijke zwakte bloot die tijdloos blijkt: de behoefte om beter te lijken dan men is.

    Daarmee krijgt ook de titel haar volle betekenis. De ‘sjees’ en de ‘paella’ zijn meer dan symbolen van een tijdperk: ze vertegenwoordigen twee manieren van leven die elkaar tot op heden tegenspreken. De rijtuigen zijn verdwenen, maar het verlangen om indruk te maken is gebleven. In dat spanningsveld, tussen rijst en rijtuig, tussen voeding en vertoon, toont Blasco Ibáñez hoe kwetsbaar trots kan zijn en hoe moeilijk het is eerlijk te leven in een wereld die voortdurend oordeelt. Sjees en paella is een hoogtepunt van het Spaanse realisme: meeslepend, ironisch en moreel geladen, een roman die de façade doorziet en de mens erachter onthult.

     

  • Verstrengeld in herinneringen

    Verstrengeld in herinneringen

    In de omvangrijke roman Mordechai neemt schrijver Marcel Möring de lezer mee in een verhaal over afkomst, herinnering en de kracht van literatuur. Het is tegelijk een portret van een eigenzinnige schrijver en een spiegel van een geschiedenis waarin hij verstrikt raakt. Hoofdpersoon Mordechai Gompertz (72) is een literair zwaargewicht: gevierd, omstreden en vaak onderwerp van roddel. Toch blijkt zijn onaantastbaarheid slechts uiterlijk vertoon. Een ogenschijnlijk onbeduidend incident – een enkel woord dat hem uit balans brengt – zet een reeks gebeurtenissen in gang waardoor zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie begint af te brokkelen. Wanneer hij tijdens een interview door het lint gaat, valt de façade van onafhankelijkheid uiteen.

    Möring tekent Mordechai als een man die nooit heeft willen knielen of zich voegen. Die houding maakt hem tot iemand die zijn eigen weg kiest, onafhankelijk van anderen, waardoor hij ook in eenzame situaties terechtkomt. In zijn terugblik ontdekt Mordechai bovendien dat zijn werk minder autonoom is dan hij altijd dacht. Elk boek blijkt te zijn ingegeven door echo’s uit zijn familiegeschiedenis: een terloopse opmerking van een tante, een gebaar van een grootvader, een herinnering die hij nooit volledig heeft losgelaten. Het verleden laat zich niet wegdrukken, hoezeer hij zich er ook tegen verzet: ‘Dat er aan het verleden niet viel te ontsnappen wist hij ook wel, maar dat familie die al heel lang niet meer bestond hem achtervolgde, wekte zijn ergernis. Heel precies kon hij er zijn vinger niet op leggen, maar hij was zich vaag bewust van het gevoel niet alleen Mordechai Ephraim Gompertz te zijn, maar ook, misschien wel vooral, een verlengstuk, een schakel, een gevolg.’

    Het onontkoombare verleden

    Daarmee overstijgt Mordechai het persoonlijke relaas. Het is een generatieroman die laat zien hoe trauma’s, overtuigingen en herinneringen van voorouders hun schaduw werpen over het heden. Een terugkerend motief zijn de ‘stoflagen van de geschiedenis’ die in de kleren blijven hangen. Tegelijkertijd verweeft Möring actuele thema’s door zijn verhaal, zoals #MeToo, politieke polarisatie en de vraag hoe ver literatuur mag gaan in het verkennen van seksualiteit.

    De zinnen in Mordechai hebben een zorgvuldig ritme, maar vooral de dialogen vallen op: geestig, doorspekt met subtiele ironie. Sommige scènes blijven onuitwisbaar: de slapstickachtige spanning rond de Nobelprijs, of de intieme en tragische momenten met Klara, de geliefde met wie hij dertig jaar samen was. Leven en schrijverschap weerspiegelen elkaar voortdurend, waardoor de roman een meta-laag krijgt.

    De schaduwzijde van ambitie

    Toch werkt Mörings stijl niet altijd in het voordeel van het boek. Waar hij naar grandeur streeft, kan de lezer eenzelfde vermoeidheid ervaren als Mordechai bij het doorploegen van omvangrijke familiegeschiedenissen. ‘Wat was het waardoor ze een dikke pil van bijna zeshonderd pagina’s over een geslacht van Joodse kaartenmakers kochten?’ vraagt hij zich af – een vraag die soms net zo goed voor deze roman en zijn lezers geldt. Regelmatig kabbelt het verhaal voort zonder duidelijke richting, en blijft het uiteindelijke doel van het relaas vaag en diffuus.

    De roman is opgezet als een mozaïek waarin herinneringen, literaire reflecties en filosofische bespiegelingen elkaar afwisselen. Dat geeft het boek een onmiskenbare rijkdom, én zorgt voor verwarring. Thema’s als geschiedenis, religie, politiek en liefde verdringen elkaar, zonder dat er één echt tot volle bloei komt. Het fascinerende idee dat elke roman voortkomt uit familie-invloeden raakt daardoor vaak naar de achtergrond.

    Ook Mörings eruditie is dubbel: verwijzingen naar schrijvers als Umberto Eco, Hella Haasse of Samuel Beckett en uitstapjes naar kabbalistische tradities voegen zeker allure toe, maar zijn niet altijd op natuurlijk wijze in het verhaal ingebed. Op die momenten hapert de vertelling en overheerst het gevoel van intellectualistisch vertoon. Wie verwacht het boek vlot te kunnen uitlezen, komt bedrogen uit.

    Op zoek naar verzoening

    Tegenover de overvloed aan reflectie staat Mordechais verlangen naar handelen. De roman laat zien dat psychologie en filosofie niet alleen in introspectie zichtbaar worden, maar ook in concrete daden. De hoofdpersoon is het levendigst wanneer hij kookt, iets repareert, schrijft, of zich in de chaos van het bestaan stort. Het slapstickachtige Nobelprijs-hoofdstuk markeert daarin een keerpunt: voor het eerst voelt Mordechai zich vrij temidden van de wanorde.

    Ondanks de zwaarte eindigt de roman verrassend hoopvol. Waar eerdere boeken van Möring vaak kil en somber sloten, gloort hier verzoening. In de tuin van zijn voorouders ontdekt Mordechai dat er een plek kan bestaan die als thuis voelt – een ervaring die hij nooit eerder kende en die de roman een onverwachte zachtheid meegeeft.

    Mordechai is een roman van uitersten: groots van opzet en vaak psychologisch scherp, maar tegelijkertijd soms overladen en fragmentarisch. Het boek balanceert daardoor tussen briljante passages en de valkuilen van eruditie; het volgen van die balanceer-act levert een geheel eigen spanning voor de lezer op.

     

  • Idylle en beklemming in een tijdloos landschap

    Idylle en beklemming in een tijdloos landschap

    Het werk van de Italiaanse schrijfster Donatella Di Pietrantonio is diep verankerd in het Italië van de periferie, ver weg van de grote steden, in gemeenschappen waar de tijd niet rechtlijnig verloopt, maar rondcirkelt langs oude gewoonten, rituelen en trauma’s die generaties elkaar doorgeven. Sinds ze debuteerde in 2011 onderscheidt Di Pietrantonio zich door familiegeschiedenissen te verweven met het sociale weefsel van kleine dorpen. Haar nieuwe roman De kwetsbare tijd heeft als decor haar geboortegrond, de Abruzzen, een regio van ruige schoonheid en hardnekkige stilstand.

    Het landschap fungeert als personage op zichzelf. De heuvels zijn ruw en soms onherbergzaam, de valleien breed en stil, de dorpen gesloten en compact. Di Pietrantonio vangt ze in beelden die zowel idyllisch als beklemmend zijn. Het verleden is geen statisch decor maar een levende aanwezigheid, onophoudelijk voelbaar in het heden. Tegen deze achtergrond ontvouwt zich een verhaal over kwetsbaarheid in vele gedaanten: die van ouderdom, jeugd, van herinneringen, liefde, en van het onvermogen uit te spreken wat gezegd zou moeten worden.

    Twee ontwikkelingen in één verhaal

    Hoofdpersoon Lucia is een fysiotherapeute van middelbare leeftijd die haar leven in het dorp, met zijn beperkingen maar ook zijn rust, grotendeels heeft aanvaard. Dochter Amanda studeert in Milaan, een keuze die symbool staat voor ontsnapping en vernieuwing. Wanneer Amanda onverwacht terugkeert, gebeurt dat in een staat van stilzwijgen en apathie. De oorzaak van deze ommekeer wordt door moeder noch dochter benoemd, waardoor er vanaf het begin een sluier over het verhaal hangt.

    Ook op een ander front wordt Lucia’s leven opgeschud: haar vader, met wie zij een complexe relatie heeft, wil de familiecamping verkopen. Wat op het eerste gezicht slechts grond met toeristische waarde lijkt, draagt de last van een tragedie die diepe sporen heeft nagelaten in de familie en de gemeenschap. De terugkeer naar dit beladen verleden vormt een tweede verhaallijn, die samenloopt met Amanda’s komst. Het kruispunt van deze twee ontwikkelingen schept een subtiel spanningsveld.

    Variatie in stijl en toon

    Di Pietrantonio hanteert verschillende stijlen: de minimale, terughoudende passages laten stilte en spanning spreken, terwijl de poëtische beschrijvingen van landschap en omgeving een rijke, zintuiglijke ervaring bieden. Deze variatie verleent de roman meerstemmigheid en zorgt ervoor dat personages en emoties tot leven komen. Tegelijkertijd blijft veel emotie impliciet. De lezer wordt uitgenodigd tussen de regels te lezen en zelf verbanden te leggen.

    De uitwerking van de personages is genuanceerd. Lucia is vooral gelaagd in de passages over haar jeugd: kwetsbaar, innemend en overtuigend. In het heden blijven haar emoties vaker impliciet, zeker in relatie tot Amanda en de dreigende verkoop van de camping. Amanda zelf blijft grotendeels gesloten. Haar innerlijke wereld blijft ontoegankelijk, en haar aanwezigheid krijgt vooral gewicht door handelingen en gebaren. Een scherp constrast vormt Lucia’s vader: hij leeft in het verleden, past zich niet aan en weerspiegelt zo de hardnekkige stilstand die het dorp en de familie kenmerken. 

    Het gewicht van verleden en gemeenschap

    De roman overtuigt volledig in de beschrijving van de oudere generatie en de nasleep van de tragedie rond de familiecamping. Eén gebeurtenis, zo laat Di Pietrantonio zien, tekent de direct betrokkenen maar nestelt zich ook in het collectieve geheugen van de gemeenschap. Met enkele scènes maakt ze de emotionele impact voelbaar, en dan niet door spectaculaire details maar een stilte die zwaarder weegt dan woorden.

    In haar landschapsbeschrijvingen wekt Di Pietrantino met zintuiglijke precisie en zonder clichés de Abruzzen tot leven: de zon die traag over de valleien glijdt, de geur van vers gemaaid gras, wind die door de bomen ruist. Poëtische momenten contrasteren met de strakke toon van de vader-dochterrelatie, en versterken zo de spanning tussen uiterlijke schoonheid en innerlijke complexiteit.

    Gebaren en onuitgesproken woorden

    De relatie tussen Lucia en Amanda bereikt bij vlagen een indringende scherpte, vooral in scènes waarin gebaren alles zeggen. Wanneer Lucia haar dochter observeert terwijl die haar kamer ordent, voel je afstand en onbegrip naast een stille verwachting. Zulke momenten tonen Di Pietrantonio’s inzicht in familiebanden: liefde en afstandelijkheid hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar kunnen vlak naast elkaar bestaan.

    De titel van de roman, het centrale idee van de kwetsbare tijd – dat ieder mens blootstaat aan risico’s en emotionele breekbaarheid -, is krachtig en universeel. Het zou als motto kunnen dienen van het oeuvre van deze auteur, waarin kwetsbaarheid nooit louter zwakte is, maar een verbindende menselijke conditie.
    De kwetsbare tijd is een subtiel spel van stijlen, van terughoudende passages bij innerlijke spanning, poëtische landschapsbeschrijvingen die emotionele diepte en sfeer brengen. Met zulke tegenstellingen kan Di Pietrantonio de complexiteit van familie, herinnering en kwetsbaarheid verbeelden. Wat het meest blijft hangen, is niet alleen het tijdloze landschap van de Abruzzen, maar ook het besef dat menselijke breekbaarheid en stiltes even waardevol kunnen zijn als woorden en actie.

     

  • Hoe verhalen kunnen ontstaan

    Hoe verhalen kunnen ontstaan

    In De naaister en de wind (uit 1991 en nu vertaald) laat de Argentijnse auteur César Aira (1949) opnieuw zien waarom zijn werk moeilijk in traditionele literaire categorieën valt. In De schimmen (Los fantasmas, uit 1990), combineerde hij het realistische decor van een flatgebouw in aanbouw met geestachtige verschijningen die alleen door bepaalde personages werden waargenomen. Deze onverwachte vermenging van het alledaagse en het fantastische is ook in De naaister en de wind aanwezig. De roman begint in een café in Parijs, waar Aira zichzelf als verteller opvoert en probeert te bedenken hoe hij een verhaal moet beginnen waarvan alleen de titel al vaststaat. Dit zet de toon voor een associatieve tekst die zich zonder vast plan ontwikkelt en zich niets aantrekt van conventionele logica of structuur.

    De vertelling balanceert tussen autobiografie en fictie, tussen herinnering en vergeten, droom en werkelijkheid. Het traditionele verhaal met een duidelijke plot en karakterontwikkeling maakt hier plaats voor een experiment waarin het proces van schrijven zelf centraal staat. Aira wil iets vertellen, maar wil vooral laten zien hoe verhalen ontstaan en wat vertellen überhaupt betekent.

    Vergeten als vertrekpunt

    Het uitgangspunt van de roman is een vergeten droom. Vaag herinnert Aira zich een perfect verhaal dat hij ooit droomde, maar dat bij zijn ontwaken volledig verdwenen was. In plaats van dat verhaal terug te halen, besluit hij het vergeten zelf tot onderwerp te maken. Zo schept hij een verhaal dat niet voortkomt uit herinnering of inspiratie, maar juist uit het ontbreken daarvan.

    Het eerste concrete verhaal volgt Delia, een naaister uit Pringles die werkt aan een trouwjurk. Wanneer haar zoon Omar gaat spelen in de bestelauto van de buurman die plotseling wegrijdt, zet Delia zonder aarzeling een achtervolging in die naar Patagonië voert. Haar man Ramon gaat vervolgens achter haar aan, en al snel sluit zich ook een verliefde wind zich aan als een eigenzinnig personage. Dan verschijnt er een demonisch kind, en de trouwjurk begint op mysterieuze wijze te zweven, wat leidt tot een keten van bizarre, onverwachte gebeurtenissen.

    Aira’s logica hanteert is niet die van oorzaak en gevolg, maar een droomlogica waarin het ongeloofwaardige binnen het verhaal vanzelfsprekend wordt. Uitleg of verantwoording zijn niet nodig. Wat telt, is dat het verhaal blijft bewegen en veranderen.

    Schrijven als een voortdurend experiment

    Aira, die in één jaar wel vier titels kan publiceren, schrijft zonder revisies in één vloeiende beweging. Hierdoor vervagen traditionele literaire grenzen: personages veranderen of verdwijnen plotseling en het narratief rekt de conventionele logica op zonder die te breken. Dit resulteert in een boek dat eerder voelt als een momentopname van een creatieve beweging dan als een afgerond product. Het ontbreken van een duidelijke spanningsboog of voorspelbare plot kan voor sommige lezers bevrijdend zijn, omdat het de lezer uitnodigt mee te gaan in het onvoorspelbare. Anderen kunnen het gevoel van houvast missen.  

    Een opvallend aspect is het meta-niveau van deze roman. Regelmatig keert Aira terug naar het café in Parijs, laat zijn vertelstem verdwijnen en weer opduiken, en speelt met de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. Deze zelfreflectie over het schrijfproces zorgt voor een dynamiek die het verhaal levendig houdt.

    Toch is dit geen louter intellectueel spel, nog afgezien van de mogelijkheid dat de auteur verwijst naar verdwijningen die in Argentinië onder de dictatuur niet ongewoon waren – maar zo’n boodschap laat de auteur geheel voor rekening van de lezer. In doorlopend hoog tempo bevat dit boek juist veel humor, slapstick en absurdistische situaties die aan Monty Python doen denken. Deze speelse toon voorkomt elke zwaarte, ondanks de filosofische thema’s over geheugen, identiteit en de aard van verhalen. 

    Magisch realisme zonder symboliek

    Hoewel het verhaal bovennatuurlijke elementen bevat, zoals een verliefde wind en een zwevende trouwjurk, past Aira’s stijl niet echt in het genre van het magisch realisme. Waar bij auteurs als García Márquez of Isabel Allende het magische vaak symbool is voor diepere culturele of historische thema’s, is Aira’s magie ongrijpbaar en los van betekenis.

    De wonderlijke gebeurtenissen zijn niet geladen met metaforische lagen, maar functioneren als elementen die de droomachtige sfeer van het verhaal versterken. Zijn wereld volgt de principes van het surrealisme en het groteske: personages zijn minder psychologisch uitgewerkt dan dat ze beweging en verandering belichamen.

    Toch is er ruimte voor subtiele melancholie. De passages waarin Aira terugkeert naar zijn jeugd in Pringles roepen een verlangen op naar het ongrijpbare verleden, naar dromen en herinneringen die net buiten bereik blijven. Dit spanningsveld tussen absurditeit en existentiële reflectie geeft de roman een onverwachte diepte.

    Een verhaal zonder vaste bestemming

    De naaister en de wind biedt geen traditionele afronding, catharsis of eenduidige betekenis. Het verhaal laat zich lezen als een experiment, een improvisatie met een open structuur die desoriënterend kan zijn, maar het verhaal ook verrassend rijk en gelaagd maakt.

    Voor lezers die zich kunnen overgeven aan het onvoorspelbare en onbegrensde, biedt De naaister en de wind een uniek avontuur. Het spoort aan tot nadenken over de aard van herinnering, identiteit en de rol van de schrijver. Dit boek laat zien hoe verhalen kunnen ontstaan, niet uit wat er ís maar uit wat ontbreekt. Het toont de onvermoede opbrengst uit vergeten en verdwalen.

     

     

  • De jongen op de achterste rij van de klassenfoto

    De jongen op de achterste rij van de klassenfoto

    In Blauw of de kleur van blijdschap voert Anke Scheeren (1982) haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie: het promoten van windenergie in Mongolië. Egbert is een introverte en onopvallende man die zijn dagen slijt bij een duurzaamheidsbedrijf. Zonder nadere verklaring wordt hij uit zijn routine gerukt. De opdracht zaait vooral onzekerheid en onbehagen — hij voelt zich verre van de aangewezen figuur om in een vreemd land het gezicht te zijn van zijn bedrijf. Maar geleidelijk groeit Egbert in zijn rol en raakt hij verknocht aan het doel. Wat eerst een last was, gaat hij beschouwen als zijn eigen verantwoordelijkheid, bijna als een kwetsbaar kind dat om zorg vraagt.

    Dat juist hij zich zo vastbijt in deze onderneming is alleen te begrijpen wanneer we achter zijn verlegen façade kijken. Vanaf de eerste bladzijde gunt Scheeren de lezer een blik in Egberts binnenste; een landschap even kil als schrijnend. Hij kan zichzelf omschrijven in ontluisterende bewoordingen: “Ik ben die jongen op de achterste rij van alle klassenfoto’s. Ik ben hard geworden kauwgom onder een schoolbank. […] Ik ben niemand, volstrekt niemand.” Deze sombere zelfportrettering vormt het startpunt van een reis die vooral een innerlijke blijkt te zijn.

    De wereld als spiegel

    De roman volgt Egbert door een ruig en spaarzaam bevolkt landschap dat zelden verlichting biedt. Mongolië met zijn eindeloze vlakten, koude straten en schaarse menselijkheid, ontvouwt zich in sobere, suggestieve beelden. Ontmoetingen blijven zeldzaam; communicatie blijft fragmentarisch. De fysieke leegte van de steppe weerspiegelt Egberts binnenste.

    Egbert Klein doet denken aan Frits van Egters, de beroemde hoofdpersoon uit Gerard Reve’s De Avonden (1947). Net als Frits is Egbert een verlegen figuur die worstelt met zijn plek in de wereld en zich gevangen voelt in de sleur van alledag. Beide personages dragen een diep gevoel van ongemak en existentiële onzekerheid met zich mee, en hun innerlijke monologen onthullen een melancholie die even pijnlijk als herkenbaar is. Waar Frits cynisch en soms bijtend scherp observeert, blijft Egbert ingetogen, maar ook hij worstelt met vervreemding en een gevoel van zinloosheid. De stiltes en kleine momenten van desillusie bij Egbert resoneren sterk de toon die Reve neerzette: het schrille contrast tussen het alledaagse en de onuitgesproken dieptes van het innerlijk leven. 

    De oorzaak van Egberts onvermogen om geluk te ervaren, ontvouwt zich bijna geruisloos, tussen de regels. Een diepgaand persoonlijk drama behandelt Scheeren met spaarzame beknoptheid, alsof het zwijgen rondom deze pijn de zwaarte ervan alleen maar versterkt. Tegelijk groeit er een behoedzame verstandhouding, een broze en wederzijdse herkenning tussen Egbert en Batu, zijn gids. Deze subtiele terughoudendheid typeert Scheerens literaire handschrift. Zelfs momenten die naar openbaring neigen vergroot ze niet uit, maar laat ze bewust in stilte vervagen; een doordachte stilistische keuze.

    Tragikomische gevoeligheid

    Blauw of de kleur van blijdschap is geen conventioneel ontwikkelingsverhaal. Egberts aard wijzigt nauwelijks. Wel verandert het perspectief van de lezer: wie geneigd is Egbert als tragikomisch figuur te beschouwen ontwikkelt gaandeweg sympathie voor zijn aarzelingen en gelatenheid. Zijn gevoeligheid voor de wereld drukt zich uit in ongemak bij het onverwachte, een lichamelijke afkeer van verandering, in een subtiel ‘wurgend gevoel’ dat als een lichte druk door het verhaal loopt.

    Toch is de roman niet zonder humor — wrange humor, weliswaar. De absurditeit van een onervaren werknemer die een campagne moet opzetten voor windmolens in een land waar de wind alomtegenwoordig is, biedt ruimte voor ironie. Scheeren benut die, zonder haar te expliciteren. De worsteling om de missie te laten slagen krijgt geen melodramatische glans, maar is het onvermijdelijke resultaat van een systeem dat mensen inzet als pionnen, zonder oog voor hun eigenheid.

    Taal als sfeerdrager

    Het taalgebruik is overwegend sober en zorgvuldig: Scheeren verkiest precisie en suggestie zonder zich op te dringen, zodat de lezer ruimte krijgt om Egberts emoties en gedachten zelf te ervaren. In enkele scènes wijkt ze bewust af van deze sobere stijl en kiest voor een lyrischer taalgebruik: voor de ontmoeting met het paard gebruikt ze beeldende, bijna dromerige taal waardoor het onduidelijk blijft wat feit is en wat verbeelding. Ook in de zwemscène met het kind wordt de melancholie versterkt door intenser en beeldender taalgebruik, waardoor de emotionele betekenis van het moment tastbaar wordt.

    Of Egbert zijn opdracht volbrengt mag voor hem persoonlijk van belang zijn, voor het verhaal is het ondergeschikt. De kern van deze roman ligt niet in het resultaat, maar in de reis: traag, onbeholpen, pijnlijk soms. Blauw of de kleur van blijdschap is een roman die zich niet opdringt, maar onderhuids werkt. Scheeren onthult de leegte en het onvermogen van haar hoofdpersoon: niet met grote gebaren, maar met subtiele nuances. De lezer die zich aan het trage ritme overgeeft, ontdekt dat dit boek dat zijn kracht ontleent aan terughoudendheid, en dat stilte evenveel kan zeggen als het gesproken woord.

     

  • Geuren uit zijn parfumcollectie

    Geuren uit zijn parfumcollectie

    Met Vissertjes voegt Pjeroo Roobjee (1945) op tachtigjarige leeftijd een nieuw hoofdstuk toe aan een oeuvre dat zich nooit in hokjes liet dwingen. De lancering van de roman vond plaats in de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde en was meer dan een gewone boekpresentatie; ze onderstreepte een kunstenaarschap dat zich consequent heeft verzet tegen vormdwang en verwachtingspatronen. Roobjee is zowel beeldend kunstenaar als schrijver en blijft zich onttrekken aan literaire conventies. Hij volgt geen traditie en flirt niet met vorm. Hij slaat het bord kapot en laat de scherven voor zich spreken.

    De roman begint niet met een vertrouwd of klassiek uitgangspunt, maar met een ontregelende scène. Op Paaszondag 1992 staat er plotseling een zwarte tiener voor de deur van Joël Troch, die hem zonder aarzelen aanspreekt als haar vader. Of dat inderdaad waar is, blijft in het ongewisse. In plaats van een zoektocht naar de waarheid, ontvouwt zich een grillige stroom van zijpaden en absurde dialogen tussen Joël en andere personages, waarin de schaarse houvast telkens weer verdwijnt. 

    De roman als structuurloze ervaring

    Joël Troch is een mislukte schrijver en noemt zichzelf een ‘filosoof van het chique nietsdoen’. Hij laat zich meevoeren door de tijd, maar we leren weinig van hem zelf. Zijn verleden komt in fragmenten, vaak getriggerd door geuren uit zijn parfumcollectie, maar blijft vluchtig en onvolledig. Deze zintuiglijke flarden – melancholisch, woedend of absurd – vormen geen klassieke vertelscènes, maar vage indrukken die geen dieper inzicht in zijn karakter geven. Wat rest is een man die zich liever verliest in de tijd dan zich te verhouden tot zijn eigen bestaan.

    Tijd, ruimte en perspectief verschuiven voortdurend. Personages verschijnen, spreken en verdwijnen. Wat belangrijk is, is niet wie ze zijn, maar wat ze zeggen. De roman bevat scherpe zinnen, poëtische erupties en conversaties die soms op het randje van het onbegrijpelijke balanceren. Het resultaat is een ervaring in plaats van een traditioneel verhaal. Deze ervaring kan verwarrend, veeleisend en soms frustrerend zijn. Joël zegt het zelf duidelijk: ‘Er zal in mijn geschrijf geen actie vindbaar zijn, geen dramatische situaties of psychologische conflicten. Ik zal mijn personages, die geen duidelijk omlijnde individualiteit zullen hebben en vaak zelfs niet over een naam zullen beschikken, aan het woord laten of, hinkend op twee gedachten dub ik daar wreed over, snoer hen knakaf de mond.’ Dit sluit perfect aan bij de roman die je leest.

    Satire met scheermesranden

    Temidden van deze stilistische ontregeling klinkt scherpe maatschappijkritiek. Roobjee spaart niets en niemand. Het holle jargon van de zelfhulpcultuur, het opgeblazen media-intellectualisme en de oppervlakkige schijn van maatschappelijke betrokkenheid worden genadeloos gefileerd. De ironie is niet luchtig maar duister, bijtend en confronterend. De wereld die Roobjee schetst is kil en op drift: ‘in deze tijd die vanzelfsprekende moordlust en bloedvergietende eigenliefde als de meest vertrouwde emoties promoot en de dwingelandij van de opengetrapte deuren der staathuishoudkundige opiniefabriek.’ 

    Toch wringt er iets in de manier waarop Roobjee zijn personages neerzet. De groteske overdrijving roept vragen op over de bedoeling en de impact ervan. Bijvoorbeeld de oversekste nicht, wiens seksualiteit op een overdreven en karikaturale manier wordt gepresenteerd, of de verstandelijk beperkte man die als lustobject wordt afgeschilderd. Daarnaast is er het zwarte pubermeisje, dat meer fungeert als een symbolische projectie dan als een volwaardig personage met eigen diepte en autonomie. Deze figuren lijken vooral bestaande stereotypen te bevestigen in plaats van ze te ondermijnen of kritisch te bevragen. Daardoor dreigt de betekenis van de satire te verdampen, omdat het onduidelijk wordt waar de spot precies op gericht is en wat er wordt bekritiseerd.

    Een treffend voorbeeld hiervan is de reactie van Joëls moeder op het bezoek van de zwarte tiener. Ze zegt: ‘Wat gaan de mensen daar weer van zeggen?!’ gevolgd door: ‘En de familie?! Om nog maar van de kennissen en variabele relaties te zwijgen?! Eerst die averechtse doeningen met jongens en mannen en nu dat geval met die vuile dweil van een zwart schandaal!’ Met deze woorden legt Roobjee iets bloot over de sociale hypocrisie en de bekrompenheid binnen de gemeenschap. Tegelijkertijd blijft het echter onduidelijk wie precies het mikpunt van de spot is: is het de moeder zelf, de gemeenschap, de zwarte tiener, of de vooroordelen die allemaal onder de oppervlakte spelen? Deze ambiguïteit maakt het lastig om de satire eenduidig te interpreteren.

    Een zeldzaam moment van stilte

    Juist om die reden vallen de contemplatieve hoofdstukken op. Wanneer Joël zich herinnert hoe hij met zijn vader ging vissen of met zijn grootvader de markt bezocht, daalt het tempo. Ironie maakt plaats voor verwondering, zinnen ademen, beelden resoneren. De geur van paling, het klotsen van water – het zijn sobere details die zonder effectbejag ontroeren.

    In die passages verkiest Roobjee precisie boven overdaad. Hij laat zien dat zijn stijl, hoe explosief die ook is, ruimte kan maken voor tederheid. Joëls verlangen om opnieuw ‘vissertje’ te zijn – klein, verbonden, onschuldig – raakt aan een dieper verlies. Hier is de roman geen daad van opstand, maar een poging tot verzoening met het verleden.

    Vissertjes is geen roman die de lezer uitnodigt, maar eerder uitdaagt. Het roept op tot herlezing en weerstand, met een ongrijpbaarheid die zowel intrigeert als verwart. Roobjee lijkt meer geïnteresseerd in de botsing dan in betekenis, schrijft om te verstoren en gelooft dat literatuur een ruimte moet zijn waar conflict en spanning kunnen ontstaan. Of deze spanning iets opent of juist muren opwerpt, blijft onduidelijk. Wat echter onmiskenbaar is, is de compromisloze aard van het werk. Wie zich er niet in kan vinden, valt niets te verwijten, maar wie zich eraan overgeeft, ontdekt een eigenzinnige stem die de lezer niet gemakkelijk loslaat.

     

  • Een dystopie die schrikbarend dichtbij komt

    Een dystopie die schrikbarend dichtbij komt

    In De Alpenfederatie voert Gregor Verwijmeren ons naar een toekomst die verontrustend en tegelijk pijnlijk actueel is. De wereld zoals we die kenden is ingestort: het fictieve Newholland is verzwolgen door de zee, sociale structuren zijn weggevallen, en de overgebleven samenleving draait slechts om overleven. Otto, voormalig stadsbotanicus, woont met zijn vrouw Tilly en dochter Sophia in een grauwe flat in het zuiden van het land. De leegte thuis is niet alleen het gevolg van armoede, maar ook van het vertrek van hun zoon Iwan. Hij heeft zich van zijn familie afgekeerd en strijdt samen met andere jongeren tegen de elite, onder het motto ‘Eat the Rich’.

    Wanneer Otto de kans krijgt om te werken in de luxueuze orchideeënkas van een welgesteld echtpaar in de Alpen, ziet hij dit als een ontsnapping uit hun uitzichtloze bestaan. Wat hij echter niet weet, is dat zijn keuze hem en zijn gezin juist in het hart van het conflict plaatst: in hetzelfde gebied bereiden Iwan en zijn medestrijders een aanval voor op de rijke elite die zich daar heeft verschanst.

    Breed scala aan thema’s

    Aanvankelijk lijkt de roman een breed spectrum aan actuele thema’s te behandelen — van klimaatverandering en ecologische rampen tot terrorisme en sociale ongelijkheid. Toch voelt het verhaal nergens fragmentarisch. Verwijmeren opent met de ondergang van Newholland door de stijgende zeespiegel, waarmee de ecologische én humanitaire crisis direct als achtergrond voor de vertelling wordt neergezet. Tegelijk komt de extreme sociale ongelijkheid direct aan de orde, met een kloof tussen rijk en arm die niet meer te overbruggen is. Naarmate de roman vordert, verschuift de focus naar de vraag hoe ver mensen bereid zijn te gaan voor hun idealen, met morele dilemma’s rondom verzet als kernmotief. Door deze thema’s geleidelijk en met precisie te introduceren, schept Verwijmeren een gelaagd verhaal, stilistisch verfijnd en inhoudelijk diepgravend.

    De morele conflicten als kern van het verhaal

    Al is De Alpenfederatie rijk aan thematische lagen, één vraag staat centraal: welke morele keuzes maken we als individu in een wereld die wordt gekenmerkt door groeiende ongelijkheid, ideologische verdeeldheid en ecologische ontwrichting? Zowel in de dialogen als in de innerlijke conflicten van de personages speelt deze ethische worsteling een bepalende rol.

    Uit liefde voor zijn gezin kiest Otto voor een baan bij de elite en belichaamt daarmee de morele compromissen die velen sluiten in een onrechtvaardig systeem. Zijn keuze is geen lafheid, maar het resultaat van een innerlijke strijd tussen verantwoordelijkheid en druk van buitenaf. Verwijmeren laat deze spanning genuanceerd zien en daagt de lezer uit na te denken over diens eigen morele grenzen.

    Sophia vertegenwoordigt de jonge generatie die zich verzet tegen de status quo, maar worstelt met de vraag waar verzet omslaat in destructie. Haar dilemma draait om trouw blijven aan haar morele kompas of zich aansluiten bij een beweging waar ze ook twijfels bij heeft. Haar broer Iwan is geen held, maar een ambigue leider van de opstand. Zijn strijd met de ethiek van geweld en leiderschap onderstreept het centrale thema: dit is geen verhaal over goed of kwaad, maar over hoe systemen mensen dwingen tot onduidelijke keuzes.

    Verwijmeren dwingt je niet om partij te kiezen, maar roept op tot reflectie: hoe verhouden wij ons tot een wereld waarin de spelregels scheefgegroeid zijn — en wat betekent dat voor onze eigen verantwoordelijkheid?

    Satire waar je niet omheen kunt

    Wat op het eerste gezicht welhaast over het hoofd wordt gezien, is de subtiele satire in de roman. Verwijmerens heldere taal is doordrenkt van droge ironie – een stijl die niet luid is, maar onderhuids wringt. Door serieuze beschrijvingen te combineren met eigenaardige details en technocratische nieuwspraak ontstaat een vervreemdend effect dat de absurditeit van de geschetste wereld des te indringender maakt.

    De satire schuilt vooral in het taalgebruik: Verwijmeren ontmaskert met bijtende precisie hoe taal wordt ingezet om controle te verkopen als vooruitgang. Technocratische termen, zogenaamd ambachtelijke producttaal en modewoorden als bodyshaming, zero waste, of het mystificerende colXBri dienen niet om helderheid te bieden, maar om morele en beleidsmatige ideeën aantrekkelijk te verpakken. In werkelijkheid bevorderen ze uitsluiting en gedragsdwang.

    In deze hybride mengtaal — tegelijk commercieel, beleidsmatig en ideologisch — is de auteur zo bedreven dat de roman op momenten hilarisch wordt. Juist doordat de personages haar zelden ter discussie stellen, valt eens te meer op hoe absurd de werkelijkheid is geworden. Verwijmeren overdrijft niet zomaar, maar spiegelt op scherpe wijze het soort taal dat ook in onze wereld steeds normaler wordt gevonden.

    De setting versterkt dit effect. Newholland is de groteske afspiegeling van Nederland: een kunstmatig geconstrueerde natiestaat waarin bureaucratie, identiteitsdenken en nationale symboliek tot in het absurde zijn doorgevoerd. Alles lijkt gecalculeerd, ontworpen, gecontroleerd — een samenleving als maakbaar project. De naam ‘Newholland’ is daarbij een spottende verwijzing; naar de koloniale erfenis, en naar het technocratisch streven naar een vernieuwde, beheersbare nationale identiteit. Verwijmeren toont hoe deze façade hol en gevaarlijk wordt.

    Elk personage een eigen stijl

    ​​Wat De Alpenfederatie in stilistische zin bovendien bijzonder maakt, is de afwisseling in stijl: per hoofdstuk komt de stem en innerlijke wereld van een personage aan bod. Otto’s hoofdstukken ademen een melancholische, poëtische sfeer. Iwans passages zijn rauw en energiek, doorspekt met Engels en activistisch jargon. Sophia’s hoofdstukken zijn introspectiever en filosofischer, met droomachtige beschrijvingen die haar existentiële twijfels voelbaar maken.

    Wanneer de rijke elite aan de beurt is, verandert de toon: afstandelijk, zelfverzekerd, met een abstracte, verheven stijl die de wereld van privileges weerspiegelt. Deze stilistische schakelingen versterken de thematische gelaagdheid van de roman. Ze maken de kloof tussen de verschillende klassen niet alleen zichtbaar in de plot, maar ook voelbaar in de taal zelf. Daardoor slaagt Verwijmeren erin om de psychologische en morele complexiteit van zijn personages verder te verdiepen, en de sociale ongelijkheid in de roman tastbaar te maken.

    De Alpenfederatie is geen roman die geruststelt. Hij biedt geen oplossingen, geen houvast, en zeker geen sluitende moraal. Verwijmeren stelt vragen, niet om ze netjes te beantwoorden, maar om ons eraan te herinneren dat wij ze vaak niet eens meer durven te stellen. Deze roman spoort niet aan tot actie omdat dat ‘moet’, maar houdt ons een spiegel voor. De ware kracht ligt in de confrontatie: durven we te kijken naar wat we zien, en kunnen we nog leven met de keuzes die we maken? In een wereld die zijn eigen ondergang met logica en beleid rechtvaardigt, is dat misschien wel de meest urgente boodschap van allemaal.

     

     

  • Hoe vertrouwde plekken een nieuw gezicht krijgen

    Hoe vertrouwde plekken een nieuw gezicht krijgen

    Schrijver zijn én stedenbouwkundige: het klinkt misschien als een ongewone combinatie, maar voor Hester van Gent is het de ideale manier om de werelden van woorden en stenen met elkaar te verbinden. Met haar technische achtergrond in architectuur en stedenbouw schrijft ze essays, recensies en journalistieke stukken die niet alleen de fysieke ruimte verkennen, maar ook de emoties en verhalen die eronder schuilgaan. Ze was een van de vijfenzestig kunstenaars die reageerden op Paul van Ostaijens iconische werk Bezette stad, in een bloemlezing samengesteld door Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek, uitgegeven door Pelckmans in 2021. In haar verhaal ‘De miniatuur’ deelt ze haar persoonlijke blik op de stad en de manier waarop mensen zich verhouden tot hun omgeving.

    Haar debuutboek, Het passeren van onmeetbare ruimten (2024), is een essaybundel over de invloed van ruimtes op wie we zijn. Van Gent kijkt niet alleen naar hoe wij ons als individuen verhouden tot verschillende omgevingen – van hectische stadsstraten tot rustige, intieme plekken – maar ze verdiept zich ook in de psychologische en culturele lagen die deze ruimtes vormgeven. Het boek laat zien hoe ruimtes, of ze nu meetbaar zijn of niet, van onmiskenbare invloed zijn op onze identiteit, emoties en ervaringen. Van Gent zoekt naar de menselijke maat in uiteenlopende situaties: de scheidslijnen tussen landen, de voordeur die je blik vangt, de overgang tussen water en land, of de lijn op de vloer in een ziekenhuis die je de weg wijst.

    Sterke en doordachte argumentatie

    Van Gent bouwt haar betoog op door bestaande werken te citeren en toont zo aan dat haar gedachten niet alleen persoonlijk zijn, maar ook aansluiten bij een bredere (literaire) context. Zo onderbouwt ze overtuigend haar standpunt dat mens en ruimte niet altijd met elkaar te rijmen zijn. Ze illustreert dit met Kafka’s ‘Het hol’, waarin de hoofdpersoon overmand wordt door angst en zich het liefst terugtrekt in een kleine, afgesloten ruimte. Maar deze schuilplek biedt geen veiligheid. Hoe meer hij schaaft aan de muren, de versperringen rond de opening en het opgebouwde doolhof, hoe vaker hij de vijand denkt te horen kruipen, ritselen, graven.’ De angst van de ‘holbewoner’ groeit en hij verschuilt zich steeds dieper. Van Gent laat hiermee zien hoe angst en benauwde ruimtes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: je zoekt een veilige plek om jezelf te vinden, maar tegelijkertijd sluit je jezelf af van de wereld.

    Deze spanning tussen ruimte en beleving maakt Van Gent niet alleen inzichtelijk door middel van voorbeelden uit de literatuur en kunst, maar ook door het delen van haar eigen ervaringen. Dit maakt haar werk niet alleen theoretisch, maar ook concreet en invoelbaar. In een hoofdstuk over ‘fysische momenten’, bijvoorbeeld, beschrijft ze hoe een vertrouwde route langs een singel opeens een andere betekenis krijgt. Dit gebeurt omdat je ervaring van de ruimte onbewust wordt gevormd door je overtuigingen en verwachtingen, waardoor je van de ene op de andere dag details opmerkt die je eerder niet zag. Misschien is het water een stukje hoger, of valt het zonlicht op een nieuwe manier: ‘Op een fysisch moment is een mens zich precies daarvan bewust: het in een ruimte zijn.’

    Uitdagen van denkpatronen

    Van Gent daagt je uit om na te denken over je eigen relatie met de ruimtes waarin je je bevindt en die je bezoekt. In het laatste essay van haar boek betoogt ze overtuigend hoe wij ons op een paradoxale manier verbonden voelen met wereldsteden zoals Parijs. Ze illustreert dit door te wijzen op de paradox van het beklimmen van de Eiffeltoren, die je een gevoel van directe verbondenheid met de stad geeft: ‘Toch is het een paradoxale gedachte om jezelf als onderdeel van een stad te zien, terwijl je bovenin een bouwwerk staat dat in wezen contextloos is, een constructie die nauwelijks met de grond is verbonden. Dat is geen werkelijke situatie, maar een waan – een droombeeld. Het symbool is immers niet de stad zelf, maar een sterk vereenvoudigde uitdrukking daarvan.’

    Door deze paradox te belichten, laat Van Gent zien hoe we ons vaak identificeren met iconen en symbolen van een stad, terwijl we tegelijkertijd het gevoel van verbondenheid verliezen met de alledaagse realiteit van diezelfde ruimte. Dit staat in schril contrast met de diepere betekenis van een stad, die veel gelaagder is dan wat we vanaf een afstand of via een symbool kunnen ervaren

    Van Gents essays bieden een interessante kijk op de complexe relatie tussen mens en ruimte. Ze maakt ons bewust van de subtiele, maar krachtige invloed die de omgevingen waarin we ons bevinden op ons uitoefenen – of ze nu concreet en meetbaar zijn, of abstract en ongrijpbaar. Ook legt ze overtuigend uit dat onze omgeving veel meer is dan een fysieke plek; het is een ruimte die niet alleen onze identiteit vormt, maar ook ons gevoel van zelf bepaalt en ons dagelijks leven beïnvloedt. Het passeren van onmeetbare ruimten is dan ook een uitnodiging om stil te staan bij de kracht van de ruimtes die belangrijk voor ons zijn – en een herinnering dat het begrijpen van deze omgevingen ons misschien wel dichter bij een beter begrip van onszelf kan brengen.