• Oogst week 26 – 2025



    Addertje

    Van dichter en kunstenaar Jolanda Kooijmans verscheen eerder werk in onder andere De Revisor, Ooteoote, Deus ex Machina en in de bundels De Branie en De aarde nu. In 2020 debuuteerde ze met Twee ton

    In haar nieuwste bundel, Addertje ontmoeten we het demonische wezen Addertje dat haar moeder zoekt. Het bange meisje Zuuz dat de stem van de duivel heeft gehoord. Haar oudoom Drie die eindeloos op sterven ligt. De kinder misbruikende priester Bubblebeez die de hel onder zijn toog meedraagt. De eeuwig klagende treinreiziger Constant en de zeldzame watersatan, aan de andere kant van het gangpad, die het op hem gemunt heeft.

    Addertje is een wonderlijk lichte, fijnzinnige en diepzinnige dichtbundel over de duivel. De vier verhalende gedichten gaan over het kwaad, over vervreemding, verdraaiing, angst, het verloren lopen in de wereld, het passeren van een kritische grens. Het archetype van de duivel wordt opnieuw geboren in een veelheid van vormen en gedaanten en hij is verrassend anders dan je denkt.

    oké
    genoeg poëzie

    Addertje is geboren
    op slag en compleet
    een schepsel

    en wat betekent dan Addertjes naam?

    Addertjes naam is: de niet op gerekende
    maar ook: de verrassende
    maar ook: de zeker wetende
    dat alles uiteindelijk zal worden rechtgezet

    Addertjes naam is de lach in het vuistje

    allemaal waar
    maar op dit moment is ze maar één ding:
    honger

     

    Addertje
    Auteur: Jolanda Kooijmans
    Uitgeverij: Koppernik

    Achter het glas

    Onna Kosters is docent Engels en promoveerde op het werk van James Joyce. Hij vertaalde gedichten van Beckett en Seamus Heaney. Zijn eigen werk staat in de traditie van de dichters die hij vertaalde. Hij schrijft vaak lange gedichten waarin meerdere verhaallijnen elkaar aflossen en betekenis geven. Met het gedicht ‘Doe-het-zelf’ won hij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012. 

    In Achter het glas gaat het om kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: glazen ogen zijn overal. In lange, meanderende gedichten en heldere, compacte lyriek legt Kosters de huidige tijd bloot.
    Gewapend is het glas, gewapend is het veilig. Aan welke kant van het glas bevind je je? Weet je het antwoord pas als je het breekt? Onno Kosters leidt je langs en door de transparante wanden die ons scheiden van de werkelijkheid: beeldschermbril en dwazenspiegel, touchscreen en monitor, televisie en surveillancelens. Kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: de glazen ogen zijn overal. Hoe verhoud je je achter het glas tot de ander, tot de wereld en tot jezelf?

    Alsof je er niet bij bent
    gaat het leven ’s ochtends aan en ’s avonds uit. 

    De dagen lichtreuzen
    en ondertussen 

    alsof je er niet bij bent
    beweeg je of het uitmaakt, 

    hou je je staande op het lichaam
    dat je staand houdt

     

     

    Achter het glas
    Auteur: Onno Kosters
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De onderkant

    Als psychotherapeute en als dichter – van Soldatenliederen (1991) tot en met Berichten van het front (2020) – heeft Anna Enquist steeds achter en onder de dingen gekeken, tegels lichtend van de ziel en vliezen wegtrekkend van de oppervlakkige werkelijkheid, om te verkennen wat er woelt en woedt in de duistere ‘ruimte onder grond en mos’. In deze nieuwe bundel, haar tiende, vervolgt ze die missie met onverminderde passie en vasthoudendheid. Wat daar zoal wordt aangetroffen: een innerlijk toneel van krimp, benauwd geluk, de glimmende hoeven van een sater, een wak in de winter. Ook de dood heeft er een vooraanstaande plaats in gekregen.

    Het blauwe touwtje

    Leg de duizend dingen van de dode
    op de tafel. Een hondenhalsband rood
    als bloedkoraal. Injectiespuiten, herderstas.
    Elk voorwerp vastpakken, bekijken, ordenen,
    beschrijven. Je observeert, je voelt niets.

    Duizend herinneringen in een tijdlijn
    plaatsen. De herder slurpte rode wijn
    met suiker; zijn hond piste op ons terras.
    ‘Onder de steen leeft hij, de hagedis’.
    Hij zei het vriendelijk. Het deed me niets.

    Maar nu, bij de al jaren droogstaande
    schapentrog, vind ik het blauwe touwtje.
    Thuis in elke herdersbroekzak om een hek
    te sluiten, een boom te markeren. Fel blauw,
    als vroeger. Ik pak het op. En dan, ja, dan.

     



    De onderkant
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Ademloos luisterend en enthousiast applaudisserend publiek

     

    Na twee weken dagelijke literaire festiviteiten in Utrecht sloot ILFU op 5 oktober traditiegetrouw af met de Nacht van de Poëzie.



    Onder het motto van M. Vasalis, ‘Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil’, traden 
    tijdens de 41ste Nacht van de Poëzie twintig Nederlandse en Vlaamse dichters op in Tivoli Vredenburg in Utrecht. Voordat de de Nacht begon dwaalden bezoekers vol verwachting door de immer onoverzichtelijke rondgangen. Eenmaal in de zaal aanbeland trekken grote schermen de aandacht, waarop geprojecteerde foto’s van dichters die tijdens eerdere Nachten hebben opgetreden. Het vervult de bezoeker met een zekere nostalgie en droefenis. Want oh, oh, oh, wat zijn er al veel van die gasten niet meer onder ons! Gerrit Komrij, Leo Vroman, F. Harmsen van Beek, Menno Wigman en ga zo maar door: allemaal dood.

    Het woord oorlog

    De brute actualiteit van de boze buitenwereld gaat aan de grote rode zaal vol poëzie in Utrecht niet voorbij. Zelden viel op een avond als deze zo vaak het woord ‘oorlog’. Terloops misschien – maar toch. Mahat Arab, Spoken Word Artist, geboren in Ethiopië en opgegroeid in Arnhem die vorig jaar de Nacht afsloot en traditiegetrouw de Nacht mag openen, brengt zijn taal en professie meteen in stelling met de zinsnede: ‘ik dacht dat poëzie verzet was’. Anna Enquist, grand old lady van de Nederlandse poëzie, wil volgens de aankondiging iets belangrijks zeggen met ‘gevonden voorwerpen’. De zaal luistert ademloos, applaudisseert enthousiast, en ook bij Enquist valt het woord: ‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’. Peter Verhelst (’een prijsbeest’) leest eveneens een oorlogsgedicht voor. Met Daan Doesborgh staat er een dichter op het podium die net zo goed performer is. Ook hij refereert aan oorlog (met water als inzet) en raakt het publiek met een ontroerend gedicht over een jong gestorven vriend: 

    ‘Spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan
     Bestaan in het volle licht van het bestaan’

    Bibi Dumon Tak was vereerd dat ze voor deelname aan de Nacht werd gevraagd. Ze had echter naar eigen zeggen zo weinig poëzie geschreven dat ze vreesde de toegemeten zeven minuten niet vol te krijgen – maar dat lukte prima. Haar voordracht liep over van aandacht en liefde voor dieren. Tamelijk onpoëtisch en zeer indringend nam de dichteres de zaal mee op sleeptouw in het kielzog van een transport per vrachtwagen van pasgeboren kalfjes. Honderden kilometers lang, kriskras door Europa. En een non-fictie prozafragment over evenhoevigen (wel de koe, niet de tapir) liet zich perfect poëtisch vertolken. 

    De lach, die toch kwam

    Ted van Lieshout spreekt het publiek direct aan als hij de denkbeeldige vraag verwoordt: ‘Ga je ons laten lachen? Nee.’ Waarna een aangrijpend gedicht volgt over zijn overleden jongere broer. De toehoorders krijgen geen tijd om het effect op zich te laten inwerken, want hoe pregnant Van Lieshout het publiek met dit gedicht ook benadert, hij doorbreekt de opgeroepen stemming door de voordracht direct te vervolgen met de verzuchting, ‘Erg hè?’. Waarna er alsnog genoeg is om hard om te lachen.

     

     

    Als immer tijdens de Nacht worden voordrachten van dichters afgewisseld met entr’acts. Deze zijn doorgaans van zeer hoog niveau. Zo kreeg theatermaker Steef de Jong het publiek op de banken met zijn hartveroverende presentaties: vernuftige kartonnen constructies, De Jongs performance en de verbeelding van de toeschouwers leidden tot een uitzinnig geheel. Hilarische slapstick, origineel en onweerstaanbaar: van een negentiende-eeuws operettefragment van Jacques Offenbach tot een optreden van Queen en een uitstapje naar de Oostenrijkse Alpen, waar Maria von Trapp de vreugde van muziek bezingt. Schijnbaar moeiteloos en opgewekt brengt Steef de Jong het in een dik kwartier allemaal voor het voetlicht.

     

     

    Heel anders van aard was de muziek van het Cello Octet Amsterdam. Deels ritmisch ‘monotoon’ en modernistisch, deels toegankelijk met een schitterende uitvoering van ‘Within you without you’ van The Beatles. Waarbij ‘When I’m 64’ de zaal zachtjes meezong.

    Geëngageerde poëzie  

    Ramsey Nasr dichtte en acteerde geëngageerd over Wilders en Rutte. En hoe een gedicht uit 2010 tegen de achtergrond van de actualiteit aan schrilheid heeft gewonnen. Met zijn opzwepende voordracht oogste Nasr een enorm applaus. En wat je voelde aankomen gebeurde inderdaad: Nasr citeerde de regels van Vasalis die het motto zijn van deze Nacht en vervolgde geëmotioneerd: ‘Lang leve Palestina’. Maarten Inghels probeert naar eigen zeggen al twintig jaar te stoppen met schrijven. Gelukkig slaagde hij daar niet in – en blijkens zijn website doet hij bovendien nog veel meer. Zijn voorstel voor een voetbalwedstijd tussen tweemaal elf bomen (een team inheemse, een team uitheemse bomen), die in de loop van honderd jaar ‘naar elkaar toe groeien’ was een verbluffend staaltje van de grenzeloos rekbare mogelijkheden van de poëzie. Roan Kasanmonadi – schrijver, danser, psychiater in opleiding – demonstreerde aanstekelijk en overtuigend dat de wijze waarop games zijn gestructureerd, ook een prima kapstok kunnen zijn voor gedichten.    

    Soms ongemakkelijk, immer poëtisch

    De  entr’acte van Brilhang, rapper uit Knokke-Heist, paste met zijn prachtige teksten, uitgevoerd in het West-Vlaams en indringend begeleid op een synthesizer naadloos tussen de andere poëtische voordrachten. Veel dichters vertolkten gedragen lange teksten, bezwerend, verhalend, soms sprookjesachtig, soms ongemakkelijk, immer poëtisch. De finale entr’acte van de Nacht behelsde een muzikaal spektakel opgevoerd door een ensemble bestaande uit negen vrouwen dan wel non binaire bandleden. Veel bezoekers waren al vertrokken maar de blijvers hadden gelijk en dansten de vermoeidheid uit hun ledematen. En konden zo om kwart voor drie nog aandachtig luisteren naar de laatste dichter, Yentl van Stokkum, die traditiegetrouw volgend jaar de 42e Nacht mag openen.

    Buiten de zaal was er gedurende de hele Nacht de roezige dynamiek van boekverkoop, stands van poëzie-uitgevers, tijdschriften als Vooys en Awater, signeersessies. Wie wilde kon terecht in een literaire tattooshop of naar een poëzie apotheek.
    ‘Wat goed dat dit bestaat!’, begon dichter Bernard Wesseling zijn voordracht. Daaraan hoeft niets meer te worden toegevoegd.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Therapiesessie in het hoofd van de hoofdpersoon

    Therapiesessie in het hoofd van de hoofdpersoon

    Sloop, de nieuwe roman van Anna Enquist, heeft een intrigerend kaft: een op de rug gezien, robotachtig uitgevallen meisje houdt op een wat verkrampte manier iets vast wat een springtouw moet zijn, temeer er onder haar rug haar schoenzolen te zien zijn en daar weer onder een paar donkere benen. Het is een suggestie van een springende beweging en het beeld blijkt ook inderdaad een touwtje springend meisje voor te stellen. Een door Co Westerik in 1976 gemaakte muurschildering voor het politiebureau Haagseveer in Rotterdam, een achttien meter hoog kunstwerk dat samen met het politiebureau in 1988 werd gesloopt. Hoewel van begin af aan als tijdelijk bedoeld, ‘om rotplekken in Rotterdam op te fleuren’,  zoals Westerik in een interview zei, vond hij  het ‘toen het er eenmaal af moest… wel verdomd jammer’, maar was ook weer niet bereid om het elders nogmaals te maken, al werd het hem gevraagd.

    Zelfbehoud door te componeren

    Enquist’ roman opent met de scène van de vernietiging van deze muurschildering. Het eerste hoofdstuk blijkt met terugwerkende kracht ook in een notendop de thematiek van de hele roman te bevatten: een vrouw vecht voor zelfbehoud door te scheppen, te componeren in dit geval, doet iets waar ze goed in is en goed voor haar is, maar ze blijkt keer op keer weerloos tegenover een groot trauma dat ze meezeult. De tegenstellingen hoofd-lichaam, denken-voelen, inspiratie die vleugels geeft en verdriet dat naar beneden trekt vormen de stellage waarop het verhaal rust. Het klinkt heel sluitend. Misschien zelfs té sluitend. Deze waargebeurde sloop krijgt bij Enquist een dramatische lading die voor zo veel betekenissen staat, dat het geconstrueerd aandoet. 

    De hoofdpersoon, Alice Augustus, is aan de ene kant een hoogbegaafde musicus die van jongs af aan volledig in haar werk kan verdwijnen en fantastische, door musici en publiek bewonderde composities maakt. Aan de andere kant is ze een doodeenzame vrouw, als kind zwaar beschadigd door haar veeleisende, kille  moeder, wier vernietigende rol ze als volwassene inmiddels geïnternaliseerd heeft en onophoudelijk op zichzelf loslaat. Begrippen als berusting, mildheid voor jezelf, zelfwaardering kent ze in theorie, maar ze kan er niets mee. Haydn, haar favoriete componist en voorbeeld, waardeert ze behalve om zijn muziek ook juist om zijn gave zich aan de werkelijkheid aan te passen en waardering uit zichzelf te halen, ondanks zijn eenzaamheid en tegenslag. Zij daarentegen, succesvol, geliefd, gerespecteerd, zoekt erkenning in haar omgeving en vooral in dingen die buiten haar invloedssfeer liggen.

    Verlangen naar een kind

    Het is dan ook niet verrassend dat ze geobsedeerd raakt door een kinderwens, die vanzelfsprekend niet op afroep vervuld wordt wat zij volgens innerlijke voorprogrammering als eigen falen en straf voor haar slechte inborst opvat.
    De roman lijkt één lange therapiesessie die plaatsvindt in het hoofd van de hoofdpersoon. Ze blijft maar rondjes draaien, schiet er niets mee op. De lezer heeft ondertussen, zonder al te veel inspanning, het probleem wel  in de gaten. Er wordt ook niet veel ruimte voor twijfel, dubbele bodems en doordenkers gelaten, en uiteindelijk blijven er gemakkelijk te slikken brokken over. Misschien wel daardoor krijgen de op zich aangrijpende gebeurtenissen een wat pathetische lading. Waar komt ‘haar onbegrijpelijk verlangen naar een kind’ vandaan ‘als je zelf zo’n ongelukkig kind geweest bent’?, vraagt Alice zich af. De vraag stellen, is hem beantwoorden. Even verder wordt dit ook klip en klaar bevestigd: ‘Opnieuw geboren worden, in mijn dochter… Een enorme, concrete herkansing.’

    Het kan gek lopen

    Alleen bij het componeren is Alice eigenzinnig, zelfverzekerd, vaart ze op eigen intuïtie. Ze wordt van verschillende kanten gewaarschuwd dat met de komst van een kind de ruimte in je hoofd voor kunstzinnig scheppen verdwijnt, maar schuift deze, zichzelf straffend en boos als ze is, aan de kant. Zo blijft ze een tweedimensionaal personage zonder schakeringen terwijl de anderen om haar heen of kleurloos en onbestemd zijn, of maar één dimensie kennen. Zoals haar vriendin Svea, het prototype van de liefdevolle moeder (met uiteraard ‘een vriendelijk gezicht’) te midden van een volmaakt, vijfkoppig gezinnetje.

    Soms raakt het verhaal een triviale snaar: het lukt Alice niet zwanger te raken in haar  vaste relatie, noch via een langdurig voortplantingstraject, maar een toevallige onenightstand leidt tot bevruchting. Het leven kan inderdaad gek lopen. En toch, geheel volgens verwachting komt Alice in het slot, tijdens de grootse première van haar laatste werk – een symfonie genaamd ‘Sloop’, geïnspireerd op de muurschildering van het touwspringende meisje uit het eerste hoofdstuk – erachter dat ze inderdaad (en alweer) een fout heeft gemaakt. En zo is de cirkel rond, maar ook plat. Waren er wat meer vragen onbeantwoord gebleven, dan was het boek wellicht wat interessanter geworden.

     

  • Oogst week 2 – 2022

    Sloop

    Anna Enquist (1945) is het pseudoniem van Christa Widlund-Broer. In 1991 debuteerde ze met de dichtbundel Soldatenliederen, waarmee ze de C. Buddingh’-prijs won, en inmiddels heeft ze een veelomvattend oeuvre met romans, novelles, korte verhalen, monologen en poëzie op haar naam staan. In 2014 en 2015 was ze stadsdichter van Amsterdam. Enquist volgde een conservatoriumopleiding. Muzikaliteit komt terug in een groot deel van haar werk, zo ook in haar nieuwste roman Sloop. Hoofdpersoon Alice is een componist met een grote toekomst die de belangrijke opdracht krijgt een jubileumstuk te componeren voor het Koninklijk Symfonie Orkest. Ondertussen houdt ze geheim dat ze om geld te verdienen onder een schuilnaam geluiden voor reclames schrijft. Verder wil ze, ondanks haar eigen moeilijke jeugd, niets liever dan een kind. Deze roman gaat over maken, scheppen, creëren, en vooral over het leven zelf.

    Sloop
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Wij kunnen dit

    Nelleke Noordervliet (1945) heeft niet alleen hetzelfde geboortejaar als Anna Enquist, maar al net zo’n uitgebreid oeuvre. Ze debuteerde in 1987 met Tine of de dalen waar het leven woont, een historische roman over Tine van Wijnbergen, de vrouw van auteur Multatuli. Hierna volgenden verhalenbundels, toneelteksten, poëzie, columns en romans. In 1994 won ze de Multatuliprijs voor een andere roman, De naam van de vader. In 2018 kreeg ze de prestigieuze Constantijn Huygens-prijs voor haar gehele oeuvre. Noordervliets nieuwste roman, Wij kunnen dit, gaat over de liefde tijdens het coronatijdperk. Helen en Leo zijn allebei de veertig gepasseerd. Zij is een boekhandelaar die probeert het hoofd boven water te houden, hij een succesvolle ondernemer die een doel in zijn leven zoekt. Behalve Noordervliets liefde voor details bevat dit verhaal ook veel humor.

    Wij kunnen dit
    Auteur: Nelleke Noordervliet
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ik zing in een andere taal

    Jila Mossaed (1948) is een auteur uit Iran die sinds 1986 in Zweden woont en ook pas vanaf dat moment Zweeds leerde, een taal die ze ‘de taal van ijs’ noemt. Ze bekleedt een positie als een van de achttien leden van de Zweedse Academie, een eeuwenoud instituut dat de kwaliteit van de Zweedse taal bevordert.  De Academie heeft ook de verantwoordelijkheid om de winnaar van de Nobelprijs van de Literatuur te benoemen. Soms schrijft Mossaed ook in het Perzisch. Ik zing in een andere taal is een poëziebundel met gedichten die geschreven zijn tussen 1997 en 2018 én de eerste vertaling van Mossaeds werk naar het Nederlands. Sjoerd-Jeroen Moenandar vertaalde deze poëzie niet alleen, maar schreef ook een nawoord.  In deze gedichten roept Mossaed beelden op die vertellen hoe het is om onderdrukt te worden, te vluchten en een nieuw thuis in een ander land te vinden.

    Ik zing in een andere taal
    Auteur: Jila Mossaed
    Uitgeverij: Wilde Aardbeien
  • Oogst week 49 – 2020

    Zonder papieren

    ‘In een democratie heeft eenieder / het onvervreemdbare recht / om een idioot te zijn’. Een regel die de gedachten van lezers in deze roerige tijden misschien meteen laat richten op zekere presidenten en partijvoorzitters. In het gedicht waaruit deze regels komen worden ze gevolgd door ‘U ook. Moet toch wel gezegd worden […]’

    Het gedicht staat in de bundel Wirrwarr van Hans Magnus Enzensberger die begin dit jaar uitkwam bij Suhrkamp Verlag en is nu in Nederlandse vertaling opgenomen in Zonder papieren. Die bundel is samengesteld door literair vertaler René Smeets, die twee maanden geleden ook al Straks gaat het jenever sneeuwen, een bloemlezing van gedichten over jenever, uitbracht. Zonder papieren is een keuze van de gedichten die Enzensberger (in november 91 jaar geworden) tussen 1950 en 2020 schreef.

    Zonder papieren
    Auteur: Hans Magnus Enzensberger
    Uitgeverij: Poeziecentrum vzw

    De andere kant – Pohemen

    Wie Gellu Naum (1915 – 2001) niet kent – en dat zijn waarschijnlijk heel wat literatuurvolgers – zou bij het woord Pohemen gemakkelijk aan een landstreek kunnen denken zoals Bohemen. Maar in de woordenwereld van de Roemeense surrealist staat ‘pohemen’ voor poëzie die hij afwijst. Daaronder begrepen zijn eigen gedichten.

    Uitgeverij Vleugels is sterk in het onder de aandacht brengen van literatuur die buiten de mainstream blijft, maar verrassende wijzen van naar de wereld kijken vertegenwoordigt. Zo ook De andere kant – Pohemen, na Zenobia de tweede bundel van Naum die in het Nederlands vertaald is. Beide door Jan H.Mysjkin, vertaler van en naar het Frans en Roemeens.

    De andere kant – Pohemen
    Auteur: Gellu Naum
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Tegenwind

    In Tegenwind zijn 34 stukken gebundeld die Anna Enquist schreef voor kranten en tijdschriften, als inleiding bij werk van anderen of als lezingen en toespraken. Ze zijn gerangschikt in zes delen die overeenkomen met de van haar bekende interessegebieden kunst, psychotherapie, schrijven, muziek, sport en filosofie.

    De stukken zijn persoonlijk van toon en wisselend van lengte. Zeer persoonlijk is bijvoorbeeld haar studeergeschiedenis van Schumanns Toccata, opus 7 met afbeeldingen met afbeeldingen van acht pagina’s uit de partituur.

    Tegenwind
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe ga je verder met je leven, als een van je kinderen is gestorven? Kom je de dood van je kind nog ooit te boven? En helpt het, als je ‘je leed te boek stelt’, zoals P.C. Hooft Maria Tesselschade aanraadde bij de plotselinge dood van haar dochter en man? Kun je het ‘van je afschrijven’?
    Toen baby Constantijn nog voor zijn eerste verjaardag stierf, schreef vader Vondel een troostrijk gedicht, maar bij de dood van zijn achtjarige dochter Saartje was er in zijn bittere gedicht over haar geen troost meer te vinden. Van Eeden zag de dood van zijn 24-jarige zoon Paul als een ‘ontwaken’, Bilderdijk verloor tien kinderen en schreef voor hen allemaal apart een gedicht, maar brak pas echt bij de dood van de elfde, Julius. En in recentere tijden hebben Jan Wolkers, A.F.Th. van der Heijden en P.F. Thomése aangrijpend over de dood van hun kind geschreven. De moeders lijken minder van zich te laten horen: Vasalis, Esther Jansma en vooral Anna Enquist zijn namen die zich aandienen als het gaat om schrijven over een gestorven kind, waarbij vooral voor Enquist het een allesoverheersend thema in haar werk is geworden.  

    De titel van haar negende bundel, Berichten van het front, duidt er op dat zij nog steeds een gevecht moet leveren om verder te kunnen leven zonder haar dochter die in 2001 op 27-jarige leeftijd door een vrachtauto werd geschept en overleed. In het eerste gedicht Oudjaarstoespraak, dat los staat als een aankondiging, noemt Enquist ook een aantal schrijvers die gebukt gaan onder de dood van een kind. Ze spreekt ironisch over hen en over zichzelf als: ‘de werkgroep gedupeerde dichters, / de vereniging rouwende schrijvers’, […] vlijtig /  schrijvend aan de zinnen die wij schrijven moeten. / Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.’

    Poëzie als gebalde vuisten

    Wat volgt is een cyclus van tien gedichten over de Griekse godin Demeter, oorspronkelijk de godin van de landbouw, maar ook van het graan en de groei van de gewassen. Haar dochter Persephone werd ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Demeter smeekte Zeus, de oppergod, om haar dochter naar haar te laten terugkeren en hij stemde toe, maar op de terugweg uit het dodenrijk at Persephone vier pitjes van de granaatappel die Hades haar had meegegeven, waardoor ze gedwongen werd om vier maanden per jaar bij Hades in de onderwereld door te brengen. In die vier maanden treurt Demeter om de afwezigheid van haar dochter; dan is het winter op aarde en wil er niets meer groeien.
    In enkele van de gedichten identificeert de dichter zich met Demeter en maakt haar verdriet inzichtelijk, maar ook bekritiseert ze haar en neemt ze afstand: Demeter mocht haar dochter uiteindelijk acht maanden per jaar bij zich hebben; voor de dichter is dat niet weggelegd. 

    Verdriet en woede voeren de boventoon in de gedichten: Enquist schrijft rauw en hartstochtelijk en met gebalde vuisten. Ze gebruikt woorden als ‘razernij’, ‘geteisterd’, ‘onmachtig’ en ‘verscheurd’ om aan te geven hoe zij zich voelt.
    Troost wordt gezocht – maar slechts ten dele gevonden – in de natuur. Ook in de afdeling Hoog, wit, koud van gedichten die de natuur beschrijven, kiest de dichter bewust voor de onbarmhartige kant van de natuur, de koude winter, het kille ijs en ‘de hoogste hoogten / waar niets meer groeit’. Op een tocht door de bergen in Zweden worden de sneeuw en het ijs een symbool voor het bevroren zijn in de tijd en het niet verder willen gaan.

    Alles gaat verder

    In de derde afdeling Ter hoogte van het gras komen de raadgevers aan het woord, die allemaal zo goed weten hoe het moet, rouwen en verder gaan. Maar wie bepaalt voor een ander hoe lang rouw mag duren? 

    Vakantie

    ‘Je moet vakantie, zeggen ze, berglucht
     en meer nemen dan geven. O nee,

     de raadgevers weten van niets. Veel
     weet ik niet uit te delen en reizen is:

     vlucht. Tussen de hagen van de tuin
     moet ik, onder de onnozele fruitbomen

     met hun zinloze oogst ieder jaar, potten
     vol appelmoes, vijgenjam, kweegelei,

     -met de kleinkinderen, dat wel, jazeker –
     ophouden met de weidsheid, de hoogte.

     Wend je tot het robuuste gras, groen
     tussen dorre plaggen. Niets beleven. Zijn.’ 

    Bijna twintig jaar na de dood van haar dochter is ook de dichter verder gegaan, al kijkt ze nog steeds op bij het zien van ‘Een vrouw uit haar geboortejaar / met brede heupen, grijzend haar’. Ze kan geen afstand nemen van de tastbare herinneringen aan haar dochter in een huis dat als een museum voor haar is ingericht. Maar er lijkt verandering op komst, een afsluiten en een nieuw begin: de gedichten spreken van het snoeien van de planten en hun ‘ongepaste groei’, het opruimen van de tuin, het omhakken van de buxushagen waar de mot in gekomen is:

    ‘Wie durft zet de bijl erin, ontsteekt het vuur
     -een jaar later nog een zwart litteken naast
     de schapentrog. Maar kijk, uit de stompen
     barsten de nakomelingen, drie op een rij, frisgroen
     glimmend, bedauwd, stomweg groeiend alsof
     er niets is gebeurd, alsof er genoeg is gerouwd.’

    Kleinkinderen en muziek

    Troost wordt gevonden bij de kleinkinderen en in muziek. Enquist gaf daar al eerder blijk van als pianiste in haar roman Contrapunt. In het laatste gedicht van deze ontroerende bundel Berichten van het front worden die gecombineerd: 

    Voor de stilte

    ‘De drummer is drie jaar. Hij heeft
     de hele dag een liedje in zijn hoofd.
     Jij ook, oma? ja, oma ook. Al wat zij
     ooit gehoord, gespeeld, gezongen heeft
     ligt in die jukebox vastgelegd. Dat blijft.

     O ja? Als het haar wit voor ogen wordt
     omdat het zover is? Als zij verlangt naar
     pauken en trompetten en misbaar? Buiten
     de tijd verstomt alle muziek. Het is de hel.
     Dat gaat ze niet vertellen aan de trommelaar.’

    Woorden zijn leugens, zegt de dichter. Tijd en ouderdom maken je niet milder zegt het gedicht Boterdeeg, je moet ‘rechtop staan en het slagveld overzien. // Dan kieper je – geen angst, geen afgunst – heel dat / reservoir aan kennis en herinnering de afgrond in.’ Enquist is in haar gedichten streng en gebiedend voor zichzelf, maar niet voor de lezer. Je hoeft haar teksten niet te lezen, zegt ze. Maar wie dat niet doet, mist een diepe en overweldigende ervaring.

     

     

  • Een brief die wel aankwam

    Een brief die wel aankwam

    Op 21 september kwam  bij een Amstelveens postzegelveilinghuis de wellicht laatste brief aan Otto Frank gericht onder de hamer. Het is een dikke brief met een postzegel van vijf cent erop. Hij komt uit de nalatenschap van een in 2013 overleden verzamelaar en lag onder in een doos. Ongeopend. De veilingmeester speculeert in een kort interview waarom deze brief ongeopend zou kunnen zijn gebleven. Het kan volgens hem zijn, dat de brief over het hoofd is gezien. Maar het kan natuurlijk net zo goed, dat de filatelist het een te beladen object vond om te openen. Otto Frank was immers de vader van Anne. Bovendien is het stempel op de brief al schrijnend genoeg: ‘Terug afzender’, evenals het er met de hand bijgeschreven ‘Onbekend’. De brief bracht € 9.500 op.

    Tijdens mijn middelbareschoolperiode luisterde ik naar een lp waarop twee piepjonge violisten elk een Romance van Beethoven spelen. Ik kon de diepte van Beethovens beide Vioolromances nog niet vatten. Het was als een brief die aan mij was geadresseerd maar die ik niet open wilde of kon maken.

    Jaren later duiken de Vioolromances opeens weer op. Ik bereid een middag voor van een muziekclubje in een verzorgingshuis, dat een keer in de maand samenkomt om naar muziek te luisteren. Ik vertel er wat bij en we praten erover. Op verzoek van een van de deelneemsters had ik gekozen voor de muziek die Beethoven rond 1800 schreef, ‘de tijd van gisting’ zoals de Vlaamse dirigent en musicoloog Jan Caeyers het in zijn mooie biografie over Beethoven noemt.
    Als ik tijdens die middag de Tweede romance draai, vertel ik erbij dat Beethoven toen hij dit werk schreef, zich ervan gewaar werd dat hij doof aan het worden was. Caeyers noemt het stuk in zijn boek een vorm van escapisme. Beethoven vluchtte in deze delicate, jeugdige muziek die suggereert dat alles goed is, en vond er troost in.

    Een van de deelneemsters uit het groepje merkt op, nadat we stil hebben zitten luisteren, dat een vriendin van haar deze muziek vaak wilde horen toen ze op sterven lag. ‘Het gaf haar troost’. Deze  woorden raken me, ik die eerst niets met deze muziek kon of wilde en nu met de neus wordt gedrukt op het feit wat die muziek eigenlijk heeft te zeggen. Beethoven wist, zelf gebukt gaande onder narigheid, als geen ander dezelfde snaar van troost bij een ander te raken. De deelneemster uit het muziekclubje boog haar hoofd – om twee zinnen uit Anna Enquists roman Want de avond te parafraseren – in figuurlijke zin over de brief en schreef door die houding het antwoord. Ik mocht meelezen.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Een meer van wanhoop

    Een meer van wanhoop

    De psychologie en de muziek spelen een grote rol in het leven van Anna Enquist, zo ook in haar boeken.Want de avondis een vervolg op Kwartet (uit 2014) maar kan onafhankelijk gelezen worden. Kwartet vertelt over de repetitie van een strijkkwartet bestaande uit Carolien, haar echtgenoot Jochem en hun vrienden Heleen en Hugo. Tijdens die repetitie op de woonboot van Heleen vindt een aanslag plaats, gevolgd door een explosie. De leden van het strijkkwartet reageren ieder op hun eigen manier, daarover gaat Want de avond.

    Titel
    De titel heeft Enquist ontleend aan Gezang 282: ‘Blijf bij mij heer, want de avond is nabij.’
    In een interview in de Boekenkrant zegt ze hiervoor gekozen te hebben omdat ze niet alleen de melodie prachtig vindt, maar ook de tekst; daar gaat een zekere dreiging vanuit: laat me niet alleen, want het wordt alleen maar erger. Dat past goed op het thema van het boek: de vriendengroep dreigt uit elkaar te vallen. Ieder lid van de groep reageert op zijn eigen manier op de aanslag en heeft weinig oog voor de reacties van de anderen; elk heeft zijn psychologische problemen en kan er met de anderen niet over spreken.

    Thema
    Van Enquist weten we dat ze verschillende instrumenten speelt en dat ze cello speelt in een strijkkwartet. Het mooie is dat de vier musici qua karakter goed passen bij het instrument dat ze bespelen. Zo speelt de ondernemende Hugo eerste viool, de volgzame Heleen tweede viool, de zorgzame Carolien cello en de sombere Jochem altviool.

    Carolien en Jochem zijn met elkaar getrouwd, zij staan centraal in deze roman. Door hun verschillende reacties op de aanslag komt hun relatie onder druk te staan; ze verstaan elkaar steeds minder.
    Carolien heeft als gevolg van de aanslag haar rechterpink verloren; ze vindt dat ze noch haar beroep van huisarts, noch haar rol in het strijkkwartet als celliste nog kan uitoefenen. Dat zou ze strikt genomen best kunnen, maar ze gebruikt het gemis van haar pink als excuus om niets meer te doen.
    Jochem vindt dat ze haar beroep heel goed kan blijven uitoefenen en ook dat ze cello kan blijven spelen: het is immers haar rechterhand. Jochem is een drammer, hij wordt geregeerd door angst, op het neurotische af. Hij beveiligt zijn huis en werkplaats -hij is bouwer van muziekinstrumenten- met alle mogelijke middelen en bouwt het om tot een onneembare vesting.

    Carolien voelt zich er niet meer thuis, komt in ‘een meer van wanhoop’ en raakt depressief. Ze voelt zich waardeloos en vraagt zich af of ze op een andere manier kan leven dan ze tot nu toe heeft gedaan. ‘Er moet toch een leven te ontwerpen zijn voor een mens met een aantoonbaar gebrek aan wil?’
    Wanneer ze ook genoeg heeft van de druk die Jochem op haar uitoefent om te blijven werken en spelen, vlucht ze naar China. Daar is Hugo als cultureel ondernemer naar toe gegaan om muzikale evenementen te organiseren. Ze ontmoet er ook Max, een arts die kindertehuizen bezoekt, ze gaat hem helpen en krijgt een verhouding met hem. Langzaam keert het leven in haar terug.

    Ze moet weer terug naar Nederland wanneer de aanslagpleger voor de rechter staat en alle vier de musici moeten getuigen. Na afloop van de rechtszaak gaan ze op initiatief van Hugo eten bij de Italiaan waar ze vroeger ook altijd zaten. Carolien ziet in de ruit van het restaurant ‘hoe ze alle vier hun glazen heffen en elkaar toedrinken. Het is klaar. Het is goed.’
    Hun vriendschap lijkt weer terug te keren.

    Waardering
    Enquist schrijft een mooi verhaal over vier musici wier leven overhoop is gehaald door een aanslag. Wat ze heel goed weet te verwoorden is wat die aanslag bij elk van de vier teweegbrengt. Zoals we gewend zijn bij Enquist komen de karakters goed uit de verf, weet ze hun psychische gesteldheid te duiden zodat de lezer kan invoelen wat hen tot hun gedrag leidt. Ze heeft verstand van gevoel en weet er meesterlijk over te schrijven. Je leest het ademloos uit.

     

     

     

  • Oogst week 25 – 2018

    De afstand die ons scheidt

    Voordat de Peruaanse regisseur en presentator Renato Cisneros in staat was zijn eigen familiegeschiedenis te onderzoeken en over zijn vader – ‘de beruchte ‘El gaucho’, een controversieel, machtig en gewelddadig politicus’ – te schrijven, moest er tijd verstrijken en had hij het nodig om ook letterlijk afstand te nemen. Cisneros woont inmiddels in Madrid en is inmiddels vooral schrijver. In De afstand die ons scheidt onderzoekt hij de relatie met zijn vader en vraagt hij zich af of hij ooit in staat zal zijn hem te begrijpen. Om van verzoeken nog maar niet te spreken. Zijn (zelf)onderzoek levert behalve het verhaal van een vader en een zoon ook het verhaal over een land dat lijdt onder een fout regime.

    De afstand die ons scheidt werd genomineerd voor de Premio Vargas Llosa en de Prix Médicis.

    De afstand die ons scheidt
    Auteur: Renato Cisneros
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)

    Een dagje in de stad

    Een jongen en zijn zusje vluchten eind januari 1953 naar Rotterdam waar ze hopen onderdak te vinden bij hun door hun vader vanwege onzedelijk gedrag van Goeree-Overflakkee verbannen oom. De oom herkent zijn neefje en nichtje nauwelijks, maar stelt zich gastvrij op, gaat een dagje gezellig met de kinderen op stap. Maar ondertussen weegt de familiegeschiedenis zwaar (de vader blijkt een grotere zondaar dan zijn broer) en dan weten ze nog niet eens wat hen te wachten staat.

    Een dagje in de stad is een kleine roman over grote tijdloze thema’s die speelt in een roerige periode in de Nederlandse geschiedenis.

    Een dagje in de stad
    Auteur: Ru de Groen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2018)

    Want de avond

    Want de avond is het volstrekt opzichzelfstaande vervolg op Kwartet (2014)’, staat er op de flaptekst van de nieuwe roman van Anna Enquist. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, want Want de avond volgt de personages uit Kwartet nadat zij tijdens een repetitie het slachtoffer zijn geworden van een aanslag op een woonboot. Ze moeten met de gevolgen dealen, en hoe ze dat doen, beschrijft Anna Enquist in haar nieuwe roman.
    Die personages werden in Kwartet achtervolgd door verlies en vonden troost bij elkaar en in de muziek. De vraag is of zij nog meer tegenslag kunnen verwerken en niet opnieuw op zichzelf teruggeworpen worden.

    Want de avond
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2018)
  • Wondranden

    Wondranden

    Het zijn de geuren die het hem doen en het hele boek doortrekken. De geur van oude dekens in de gang van het verpleeghuis waar Gerrit Kouwenaar stierf, de geur van bloeiende lelies in de grote zaal van de Rotterdamse Doelen waar Anna Enquist Kouwenaar ruim tweeëntwintig jaar geleden voor het eerst ontmoette. Op de een of andere manier zijn ze makkelijk op te roepen, blijven ze je langer bij dan het beeld van iemand dat allengs ‘zal vervagen en uiteindelijk verdwijnen.’ Dat wilde Enquist met dit boek voorkomen. Daar helpen geuren bij, al weet ze niet meer zeker of ze die visgeur op de trap van de Kouwenaars nu echt heeft geroken of dat het ‘een verhaal over vroeger, van vóór onze tijd’ is. Een tijd die de collega-schrijfster stil wil zetten.

    Twee doden
    De verhalen die ze in dit boek vertelt zijn gestolde scènes of – zoals ze elders schreef naar aanleiding van de dood van haar dochter – als een sculptuur (in: Nieuws van nergens). Want natuurlijk gaat dit boek niet alleen over Kouwenaar maar evenzeer over Enquist zelf, en over de dood van haar dochter. Met zelfkennis geschreven: ‘Mildheid is niet mijn sterkste kant’, schrijft ze en zet deze karaktereigenschap tegenover Kouwenaar die dat juist wél had.
    Ook in een natuurbeschrijving van een uitstapje door Paula en Gerrit Kouwenaar met Anna Enquist en haar man Bengt Widlund klinkt het verlies door van de dochter van Enquist en Widlund: ‘Wat je nog hebt zijn de afschaduwingen, de overwoekerd rakende herinnering, de wondranden.’

    Emoties
    Gerrit Kouwenaar zou dit zelf nooit zo verwoorden, als hij zulke emoties al aan het papier toevertrouwde. In zijn romans kwamen die gevoelens nog wel aan bod, maar in de gedichten waar hij bekend en bekender mee werd zijn ze ‘begraven onder bouwsels van taal’ terwijl Enquist over haar eigen gedichten die zijn geschreven na de dood van haar dochter schreef dat ze eigenlijk maar wat deed. Er schemert in die woorden iets door wat elders vriendelijker wordt omschreven als: ‘Ik vraag me af wat we gemeen hadden, óf we veel gemeen hadden.’ Dat is een legitieme en ook interessante vraag, maar toch wens je als lezer dat Enquist meer op Kouwenaars gedichten zelf in was gegaan. Ze blijven nu een beetje teveel in de schaduw van het (auto)biografische en anekdotische van het boek, waarin overigens de mindere kanten van Kouwenaar ook niet worden verzwegen (egocentrisme en gemakzucht, om ze met Enquist bij name te noemen).

    De gedichten zelf
    Een enkele mooie alinea over Kouwenaars bundels of een gedicht daargelaten: ‘De kwaliteit van Gerrits latere werk heeft te maken met het symboliseren van herkenbare autobiografische gegevens. De witte kamer is de eeuwigheid, de boomgaard is de wereld’ schrijft Enquist met een verwijzing naar Kouwenaars bundel Totaal witte kamer. Ook over het gedicht dat uitgeverij Querido liet afdrukken op de herinneringskaart die bij de begrafenis werd uitgereikt schrijft ze. De laatste strofe luidt:

    hier duurt zich wat bedierf, namaals is goudpapier
    dun als de vlinder die onwetend rouwt
    en in zijn mantel uit zijn vleugels valt – 

    ‘Het is een moedig gedicht over het einde geworden’, schrijft Enquist, ‘met afgekorte i-klanken aan het slot van de regels en me de terugkeer, op het laatst, van de bekende rouwmantel, die hier als stof verpulvert en het zinnebeeld wordt van de teloorgang.’

    Vooroordelen
    Meer van dergelijke beschrijvingen hadden het boek een meerwaarde gegeven en de kans was groot geweest dat daarmee de vooroordelen die er af en toe in staan met de mantel der liefde waren bedekt. Bijvoorbeeld over het debuut van Kouwenaar, Achter een woord, dat in 1953 verscheen in de beroemde poëziereeks ‘De Windroos’ van Ad den Besten, die Enquist eng met christendom associeert, wat ze moeilijk ‘kan rijmen met Gerrits levenshouding.’ Den Besten was echter méér, veel meer. Later in het boek schrijft ze iets soortgelijks over Huub Oosterhuis, waarvan Kouwenaar wel in staat was ‘om de poëziepromotor van de psalmenschrijver te scheiden’ maar zij dus niet.
    Voorts kun je je als lezer afvragen of het belangrijk is, of aanvullende informatie geeft, om te weten dat Kouwenaar worstelde met zijn gebitsplaatje en daardoor met eten? Het is jammer dat Enquist dit uitgerekend doet ten aanzien van iemand die er goed uit wilde zien, met mooie kleding en dure schoenen.

    Het zijn enkele tekortkomingen en smetjes op herinneringen die lezen als een trein, van een collega-dichteres en vriendin die zich in het nawoord ervoor verontschuldigd ‘geen biograaf en geen letterkundige’ te zijn. De hoop is nu gevestigd op iemand die het een of het ander wel is en het werk van deze grote dichter op die manier levend houdt.

     

  • Avond met Anna Enquist en het Dudok kwartet

    Avond met Anna Enquist en het Dudok kwartet

    Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) organiseert een muziekavond met stadsdichter Anna Enquist en het Dudok kwartet. Enquist is schrijver van romans en gedichten, en een klassiek geschoold pianist. Zij leest woensdag 28 oktober voor uit haar meest recente roman Kwartet. Over vier leden van een muziek kwartet die op verschillende manieren beschadigd zijn door het leven. In de muziek vinden ze afleiding en troost, en soms zelfs verheffing. Daaraan lijkt een abrupt einde te komen wanneer een repetitie met grof geweld wordt verstoord door een levensgevaarlijke indringer.
    Het Dudok Kwartet, bestaande uit Judith van Driel, David Faber, Lotte de Vries en Marleen Wester, studeerde in juni 2013 met de hoogste onderscheidingen af aan de Nederlandse Strijkkwartet Academie. Mede door hun successen op internationale concoursen wordt het kwartet erkend als een van de meest veelbelovende jonge strijkkwartetten van Europa. In november 2014 ontving het Dudok Kwartet de Kersjesprijs, een jaarlijkse prijs die uitgereikt wordt aan uitzonderlijk talent in de Nederlandse kamermuziek. Voor deze avond zal het kwartet o.a. het Dissonantenkwartet van W.A. Mozart ten gehore brengen, stukken van de Hongaars-Oostenrijkse componist György Ligeti en van J.S. Bach.

    Anna Enquist en Het Dudok Kwartet