• Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Uitgeverij Van Oorschot brengt een nieuwe reeks uit, getiteld Terloops, die bestaat uit kleine wandelboekjes waarin schrijvers hun favoriete wandeling optekenen. De eerste twee zijn Bergje van Bregje Hofstede en Je keek te ver van Marjoleine de Vos. De serienaam Terloops is wellicht ontleend aan het eerste van de drie wandeldagboeken van J.J. Voskuil, eveneens auteur bij Van Oorschot. Hofstede en De Vos gebruiken beiden het woord terloops ergens in hun tekst. Dat kan geen toeval zijn. Zij verbinden de buitenruimte met particuliere ervaringen en gebeurtenissen uit verleden, heden en de toekomst die beide auteurs voor de natuur donker inzien.

    De wandelingen vormen de basis voor een vertelling over persoonlijke belevenissen en gevoelens, al zijn de bespiegelingen van De Vos filosofischer van aard. Hofstede’s titel Bergje spruit voort uit de fantasie in haar kindertijd, toen ze met haar ouders en zus jaarlijks in de Dolomieten ging skiën en ze geobsedeerd raakte door de berg Sass Songher. Ze verbond haar voornaam met het woord berg. Bergje begint met haar treinreis in juli naar de vroegere vakantieplek, waar ze zes weken eerder met haar relatie, consequent aangeduid als ‘de jongen’ ook een week doorbracht. Ze wil ‘per se dat hij de plek waar mijn kindertijd woont in zijn hart zal sluiten.’

    Symboliek

    Van de vermelde jeugdvakanties maakt Hofstede gebruik om de geschiedenis van onder meer Zuid-Tirol en de Ladijnen uit de doeken te doen en de bergen in de omgeving te benoemen. Als de volwassene van nu ziet ze de monumentale berg elke dag ‘uit net een andere hoek […] Maar altijd heeft hij dezelfde kenmerkende, afgeplatte kop, daaronder de schuin aflopende kraag en de wijd uiteenvallende mantel, die onderaan is afgezet met een bies van witte steengruis.’

    De wandelvakantie met de jongen lijkt een test. De ik suggereert subtiel dat de relatie niet blijvend is, dat de jongen zich misschien van haar zal afkeren. Ze vreest dat zij niet tot hem kan doordringen. ‘Alles wat ik zeg moet zich een weg door zijn gehoorgang vechten, tegengewerkt door inwendig rumoer.’ schrijft ze poëtisch. De wandelingen lijken symbool te staan voor de relatie. Samen lukte het niet de top van de Sass Songher te bereiken, in juli slaagt de ik er in haar eentje wel in. De woorden depressie en somberte zijn dan al gevallen. Over hoe dat allemaal zit en hoe het afloopt met de jongen doet Hofstede er het zwijgen toe.

    Wereldproblemen als hinderlijke last

    Marjoleine de Vos is dromeriger, geeft zich over aan beschouwingen over de wereld en de plaats van de worstelende mens daarin. Ze woont in Noord-Groningen en wandelt vanuit Zeerijp langs Eenum, Wirdum, Loppersum. De Vos beseft dat de mens historisch wil leven, het verleden wil kennen en vasthouden, het heden vastleggen. Maar ‘… de sfeer van het moment, die wil je behouden, alles van het buitenzijn op een mooie morgen, in je eentje lopen, even niet verlangen naar iets van vroeger of van straks, hier in de stilte, het licht, de weidsheid.’ Wandelen in de natuur maakt een mens los van zichzelf en van de wereldproblemen, ervaart ze. En inderdaad, als De Vos die wereldproblemen in een paar zinnen bij name noemt ervaart ook de lezer een hinderlijke last en wil hij direct terug naar de stille leegte van het platteland, weg van alles.

    Zinloosheid

    Vaak is er ‘het bange hoofd’ en de drukke gedachten daarin die de wandelaar afleiden van de omgeving. ‘Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier,’ constateert De Vos. Ze peinst over de betekenis van het leven op aarde, het tijdbesef. Ze haalt Proust aan, Coetzee, Oidipous, het Gilgamesj-epos, een operette en nog veel meer, wat soms een beetje te veel is maar wat er ook niet toe doet omdat al die menselijke opschudding toch ondergeschikt is aan het wandelen. Maandenlang is De Vos ‘naar’ geweest van de film Melancholia van Lars von Trier, waarin de aarde ‘opgeslokt wordt door een veel grotere planeet […] niet uit angst voor de verwerkelijking van zo’n gebeurtenis, maar uit angst, paniek bijna, voor de zinloosheid van alles.’ Ondertussen loopt ze. ‘En toch dat verlangen om te gaan wandelen.’

    Geluk groeit aan de bomen

    Beide auteurs zijn pleitbezorger van de natuur, vrezen voor haar toekomst, Hofstede via de overweldigende bergen, De Vos via de tere schoonheid van grassprieten, een omgeploegd veld en vergezichten. Wandelen is in het nu zijn. ‘Kijken moet je leren’, meldt De Vos als kennissen uit Amsterdam de omgeving prijzen en dan snel terug willen naar de stedelijke dynamiek. Nederland als één grote stad is haar een gruwel, mensen die ‘rekenen’ zien de waarde van de ruimte niet, zeggen de natuurliefhebbers, ‘die denken zeker dat het geld aan de bomen groeit. Nee.’ schrijft De Vos ‘Maar het geluk wel. […] witte bloesems tegen een knalblauwe lucht, narcissen onder fruitbomen […] ver kunnen kijken.’

     Wandelen is mens-zijn

    Voskuil in Terloops is neutraler. Dagelijks noteert hij droog wat hij waarneemt. ‘Er zijn veel vogels. Dichtbij slaat een kwartel. Er komt een grijze slang langs. Het rommelt. Drukkend weer.’ Uiteraard afgewisseld met langere zinnen laat hij de lezer meewandelen op de ‘voettochten’ die hij en zijn vrouw van dorp tot dorp maken in het Frankrijk van de jaren 1957-1973 waar toeristen nog niet en masse het land overstromen. Nauwgezet beschrijft hij de contreien, het weer, de route, de tegenslagen en strubbelingen, de dorpshotels waar ze verblijven. De weinige mensen die ze zien, veelal in de hotels, kunnen eveneens rekenen op Voskuils scherpe blik.

    Eén ding leren deze drie wandelboeken ons: wandelen is mens-zijn, in het nu zijn, de menselijke nietigheid beseffen, de natuur inademen, erkennen en waarderen. ‘Omdat wandelen je, uiteindelijk, bevrijdt van jezelf,’ stelt De Vos. Wat een rijkdom.

     

     

  • Het vorstendom van een taalkoningin

    Het vorstendom van een taalkoningin

    Je leert er nog eens wat van, van de roman Een wereld binnen handbereik van de gevierde Franse schrijfster Maylis de Kerangal. Het is een prachtig boek, laat dat meteen maar gezegd zijn. De kracht ervan is dat de nadruk op het visuele ligt, op de overtuigend in beeld gebrachte omgeving, waarmee de activiteiten van de personages doeltreffend zijn verweven. Het verhaal trekt voorbij als een film met schitterende beelden en aandacht voor de kleinste details.

    Hoofdpersoon Paula, aan het begin van het boek twintig jaar en woonachtig in Parijs, stapt het Instituut voor Decoratieve Schilderkunst aan de Metaalstraat in Brussel binnen, nadat ze twee jaar lang van de ene opleiding in de andere rolde om het allemaal snel weer op te geven. Dit ‘doorsnee meisje […] een die het grootste deel van haar tijd op een cafébankje slijt tussen soortgenoten en bij wie elk moment in het bestaan een mengsel is van elegantie en leegte,’ vindt haar roeping in het decorschilderen en deelt haar verraste ouders mede: ‘Ik ga trompe-l’oeil-technieken leren, de kunst van de illusie’.

    Materialen

    De opleiding duurt zes maanden en is zwaar. Het is de hele dag door studeren op de materialen, niet alleen op die welke nodig zijn om te schilderen maar ook op de materie die de studenten natuurgetrouw moeten weergeven: marmer, houtsoorten, water, stof, patina, bladgoud. Ook ’s avonds gaat het door, soms tot in de nacht, om de opdracht van die dag af te maken of te oefenen. Paula is stug, in zichzelf gekeerd, bang dat ze faalt. Pas na een paar weken begint ze fysiek aan het werk te wennen, krijgt ze oog voor haar medeleerlingen en durft ze hen ’te zien schilderen […] haar blik vermengt zich eindelijk met de blikken die elkaar hier ontmoeten’. Zeven jaar later, tegen het einde van het boek, is ze een succesvol decorschilder en stort ze zich op de ultieme opdracht: meewerken aan de reproductie van de grot van Lascaux – waarvan de geschiedenis door de auteur uitgebreid wordt verteld.

    In de tussenliggende jaren blijft zij contact houden met de onverstoorbare Jonas en de extraverte Kate, de vrienden die ze op het instituut maakte, al zien ze elkaar vaak lange tijd  niet. Die contacten zijn de ijkpunten van de tweede laag in het verhaal: naast de vriendschap ook het liefdesverhaal tussen Jonas en Paula. Ze deelden de studie, een appartement, hun leven en de liefde. Na de opleiding gaan ze ieder hun weg, werken in verschillende landen. Totdat ze elkaar via ‘Lascaux’ weer ontmoeten.

    Schoonheid van de materie

    Maylis de Kerangal vertelt niet zomaar een verhaal over een paar mensen. Ze zet een relaas neer over de schoonheid van de materie, waarin personen zich óók mogen bewegen, moeten bewegen omdat mensen, kunst en natuur samenkomen in de cultuurgeschiedenis. Want dat is waar de auteur het over heeft: cultuurgeschiedenis. Zo moeten de leerlingen behalve marmer leren schilderen ook weten wat voor marmersoorten er bestaan, waarvoor ze het handboek geomorfologie (‘de Derruau’) raadplegen. Dit detail alleen al geeft aan hoe precies De Kerangal te werk gaat. ‘Hout imiteren is geschiedenis schrijven met het bos […] Er zindert plantaardig leven in het atelier, dat zijn verlengstuk krijgt op de panelen, […] hout dat dosse of kwartiers is gezaagd, wat te zien is aan de knoest, de vlammingen en de vlekken, de vezel, het parenchym en de vaten.’ Opsommingen als deze zijn er het hele boek door. Eerst is het struikelen daarover, maar al gauw openbaart zich in de vele details het vorstendom van De Kerangal. Ze heeft een scherp oog voor hoe kleinigheden een geheel vormen en samen met haar verfijnde formuleringen heerst hier de koningin van de taal.

    Schildpad

    Aan de enorme hoeveelheid onderzoek die de auteur heeft verricht geeft ze een gevoelsmatige interpretatie. Voor het examen laat ze Paula kiezen voor het uitbeelden van het schild van een karetschildpad en vertelt en passant hoe haar protagonist als kind werd gefascineerd door het dier: ‘het geweldige moment waarop de schildpad eindelijk tevoorschijn kwam, met zijn voorhoofd vlak boven de grond en ver naar voren, de nek uitgestrekt zodat de soepele, elastische huid die zijn kop en poten met het schild verbond, zichtbaar was […] een monster in het klein maar heel echt, dat uit de schaduw van een steen kwam zetten als uit een plooi in de tijd om contact met haar te leggen.’

    Stoet dieren

    In de ‘digitale kloon’ van Lascaux probeert Paula zich in te leven in de stervelingen van twintigduizend jaar geleden en ‘stelde zich de ondergrondse grot voor, de geïsoleerde schoonheid, de stoet dieren in de nacht van het Magdalénien’. Even daarvoor heeft ze zich al verdiept in de kleuren waarmee ze zal gaan werken: ‘de natuurlijke pigmenten die de pigmenten van de grot benaderen, mangaanoxide voor zwart, okers voor de bruinen (limoniet), de roden (hematiet) en de gelen (goethiet).’

    De vaktaal ontbreekt evenmin. In het instituut wordt geschilderd met ‘de glanzende ferule, […} een petit-grisvan varkenshaar, een stompe épointé, […] een Kolinski-effilé’. Ook specifieke benamingen hebben De Kerangals voorkeur. Licht is zenitaal licht, een motorboot een Boston Whaler, een pistool een Colt, scheelzien (wat Paula doet) is exotropie. Als de auteur een technische term kan gebruiken zal ze het niet laten.

    Encyclopedie in razend proza

    Daardoor kan het soms lijken alsof de lezer een encyclopedie voor zich heeft, maar in de veelzijdige taal van De Kerangal krijgt het verhaal door de knap geïntegreerde details grote intensiteit. De stijl sleept je mee. In razend proza, voortsnellende zinnen met veel komma’s en puntkomma’s en weinig punten, is het zelfs naar adem happen. Er is geen ontsnapping mogelijk, afdwalen is er niet bij, de lezer wordt constant bij de les gehouden. De vele komma’s, die behalve in de opsommingen ook tussen de gebeurtenissen en handelingen zijn geplaatst, doen tegen het einde van een zin het begin ervan nogal eens vergeten. Eenentwintig regels met gedachtestreepjes en puntkomma’s is wat veel van het goede. De remedie hiertegen is zelf hier en daar een denkbeeldige punt plaatsen.

    Zintuiglijke sfeer

    Prettig is om met een computer naast het boek op te zoeken of het ook echt klopt wat er allemaal geschreven staat. En het klopt altijd. Bijvoorbeeld wanneer Paula en Jonas het hebben over ‘de aap van de ander’ en ze een filmpje van chimpansee-onderzoeker en primatologe Jane Goodall bekijken. Zo terug te vinden op het wereldwijde web. Ook over filmdecorstad Cinecittà in Rome, waar Paula een tijdje werkt, is de informatie gemakkelijk te verifiëren. De Kerangal gebruikt alle beschikbare informatie en sommige gegevens lijken rechtstreeks uit Wikipedia te komen. Maar de schrijfster heeft al deze feiten zo knap verweven met het verhaal, zo een zintuiglijke sfeer meegegeven dat het de betrokkenheid bij het boek alleen maar groter maakt. Een wereld binnen handbereik is zowel qua inhoud als taal een rijk, vorstelijk rijk boek.

     

  • Hoe feiten een verhaal vertellen

    Hoe feiten een verhaal vertellen

    Voor wie van cijfers houdt is het genieten van Rembrandts plan. De ware geschiedenis van zijn faillissement, het nieuwe boek van Machiel Bosman. En hetzelfde geldt voor degenen die liefde voor feiten koesteren. Volgens eerdere historische studies zou Rembrandt een onaangenaam mens zijn geweest die door een verkwistende levensstijl failliet ging. Nou, zo zit het niet, betoogt Bosman. Rembrandt heeft zijn faillissement zelf in gang gezet, en dat had een bedoeling. Historicus Machiel Bosman had zich voorgenomen een boek te schrijven over Rembrandts leven en werk. Tijdens zijn onderzoek stuitte hij echter op feiten die niet overeenkwamen met hoe Rembrandt in de literatuur door veel historici was afgeschilderd: als een sjoemelaar, egoïstisch en onbetrouwbaar. De conclusies, meldt Bosman, zijn vaak dat het zo kan, moet, zal gegaan zijn en ook wordt nogal eens gesuggereerd dat er een rechte lijn loopt van Rembrandts aankoop van een huis naar zijn faillissement. Bewijzen ontbreken.

    Luchtkasteel en fact-checking

    Bosman haalt het allemaal onderuit. Hij neemt beweringen van zijn voorgangers op de korrel en komt tot andere verklaringen. Uit de gegevens die hij in de archieven tegenkwam bleek dat Rembrandts faillissement heel anders in elkaar stak dan over het algemeen wordt aangenomen. Daardoor ontstaat vanzelf een ander beeld van zijn karakter. Bosman schrijft: ‘Maar zo werkt het soms in de geschiedschrijving: de een bouwt voort op het werk van de ander, en samen bouwt men een luchtkasteel.’ Hij vond dat er een apart boek over het faillissement moest komen en dook verder in de bronnen.

    Op de eerste pagina’s zet de auteur al snel uiteen waar het hem om te doen is: bewijzen dat Rembrandt met zijn faillissement een plan had. Daarmee roept hij vragen op die de lezer prikkelen tot doorlezen in de hoop dat ze verderop in het boek worden beantwoord. En dat gebeurt in het tweede deel ook, tot in alle details en met een verantwoording van ruim zestig pagina’s aan noten. Ondanks de vele jaartallen, cijfers en beschrijvingen die soms doen duizelen, ontbreekt het in het boek niet aan spanning. Steeds komt er een stukje van de legpuzzel bij. En hoewel geen enkele bron Bosmans vermoeden letterlijk bevestigt, maakt zijn fact-checking het idee van een vooropgezet plan zo aannemelijk dat er eigenlijk geen ruimte overblijft voor een andere interpretatie.

    Schuld aan Titus

    Rembrandt heeft zelf op zijn faillissement aangestuurd, een plan dat was ingegeven door zorg voor zijn geliefde Hendrickje Stoffels en hun dochtertje Cornelia. Hij kon niet met Hendrickje trouwen omdat er een wet in de weg stond die bepaalde dat hij dan eerst een schuld aan zijn zoon Titus moest vereffenen, en dat kon hij niet. Deze schuld was voortgekomen uit het testament van Rembrandts overleden vrouw Saskia van Uylenburgh waarin Titus de helft van de gemeenschappelijke boedel erfde, maar ‘Rembrandt mag in de onverdeelde boedel blijven zitten, en ook het vruchtgebruik is aan hem’. Maar als hij wilde trouwen, moest hij eerst de schuld aan zijn zoon voldoen.

    Dat Rembrandt een inventarislijst maakt van 40 duizend gulden die later, als het faillissement speelt, door de Hoge Raad gecorrigeerd wordt naar ‘minstens 22 duizend’, is onderdeel van het plan. Het was ‘een boekhoudkundige truc, wat overigens niet noodzakelijk een diskwalificatie is’ betoogt Bosman. Uiteindelijk heeft het plan niet gewerkt; Rembrandt is nooit vrij van schulden verklaard.

    Faillissement en alternatieve scenario’s

    Waarom Rembrandts financiën er op bepaald moment slecht voor stonden valt niet te achterhalen, zijn boekhouding is niet bewaard gebleven. Toch waren het niet de crediteuren die een faillissement wensten, blijkt uit de gegevens. Schulden op zich waren niet uitzonderlijk. ‘Schulden waren in de Gouden Eeuw het smeermiddel van de economie. De Hollanders leefden op krediet:’ legt de auteur uit, ‘de bakker en de kruidenier werden eens per jaar voldaan. Cash was schaars en omslachtig, […]’. Ook schenkt hij in verband met Rembrandts werk aandacht aan de economische situatie en de kunstmarkt tegen de achtergrond van de toenmalige Engelse zeeoorlogen.

    Bosman wijdt eveneens een hoofdstuk aan Geertje Dircx, de vrouw met wie hij eerder een relatie had, waarin hij laat zien dat Rembrandt niet zonder meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar opsluiting in het spinhuis. Want ook dat is de mening die doorgaans opgeld doet. Bosman ontvouwt een interessante theorie die hij besluit met: ‘Ik weet het niet, ik geef het voor beter. Mijn doel was slechts om te laten zien dat er alternatieve scenario’s denkbaar zijn – scenario’s die een ander licht werpen op Rembrandts betrokkenheid bij de affaire-Geertje Dircx dan de zwarte interpretatie die momenteel de beeldvorming domineert.’

    De duivel zit in de details

    Het is een ingewikkeld verhaal dat door Bosman als een ware speurder met volharding is uitgeplozen en opgetekend. ‘De duivel zit in de details’ vermeldt hij en dat is wat het verhaal spannend maakt.

    Rembrandts plan laat zich lezen als een detective. Maar dat hele weefsel van details en feitjes die allemaal met elkaar verbonden zijn, vergt wel wat van de lezer om het te doorgronden. Pagina na pagina gaat het naar de afsluiting toe, totdat eindelijk duidelijk wordt hoe het gehele Rembrandtverhaal in elkaar zit – kan zitten. Of het inderdaad zo is en Bosman gelijk heeft met Rembrandt een plan toe te kennen, zullen we nooit te weten komen – zoals hij zelf ook aangeeft. Maar dat het beeld van Rembrandt veel ‘napraterij’ behelst en alleen al om die reden bijstelling behoeft moge duidelijk zijn.

     

  • Wilkerson Sexton vindt haar stem

    Wilkerson Sexton vindt haar stem

    Hoe is het om een donkergekleurde huid te hebben? In het kader van de racisme-, slavernij- en zwartepietendiscussie zeggen witte Nederlanders nogal eens dat het met de discriminatie van donkergekleurde mensen wel meevalt. Wat ze daarbij vergeten is dat zij die opvatting huldigen omdat ze er niets van merken.
    Bij het lezen van een roman als Een zekere vrijheid van de Amerikaanse Margaret Wilkerson Sexton bekruipt de witte lezer dan ook een zeker gevoel van vervreemding. Het boek laat zien hoe het leven van zwarte Amerikanen radicaal verschilt van dat van witte Amerikanen. Drie generaties van een familie in New Orleans trekken vanaf de jaren veertig tot in 2011 voorbij.

    Het verhaal begint met Evelyn, zus Ruby en ‘Broertje’. Hun vader is een gerespecteerd dokter in de zwarte gemeenschap en Evelyn en Ruby volgen achtenswaardige beroepsopleidingen. Evelyn raakt verliefd op Renard, die van lagere komaf is en wegens geldgebrek moest stoppen met zijn medicijnenstudie. Aanvankelijk is haar vader dan ook tegen het huwelijk, maar later draait hij bij en steunt hen zelfs met geld. ‘Daarom heb ik ook zo hard gewerkt, zodat mijn dochter het zo goed zou hebben als voor een zwarte vrouw maar mogelijk is, en jij kunt ook wel een ruggensteuntje gebruiken, lijkt me, misschien dat je je opleiding kunt afmaken.’ Evelyn is dan al zwanger en ervan overtuigd dat haar ongeboren dochter later dokter zal worden. ‘Wellicht waren er tegen die tijd al andere vrouwelijke artsen, misschien zelfs wel zwarte.’

    Problemen en obstakels

    Gaandeweg het verhaal komt er heel wat ongemakkelijks aan bod, zoals wanneer het over Evelyns dochter Jackie en Jackie’s zoon T.C. gaat. Jackie woont met echtgenoot Terry in een aardige buurt, maar moet later verhuizen naar een probleemwijk als Terry zijn baan als apotheker kwijtraakt en zijn toevlucht neemt tot drugs. Hij verdwijnt een paar keer uit haar leven en zij blijft achter met baby T.C., depressief en met uitzicht op patrouillerende politie die regelmatig zwarte jongetjes oppakt, schuldig of niet. T.C., aanvankelijk succesvol, vergaat het niet beter dan zijn ouders. Door een gebroken knieschijf en de orkaan Katrina belandt hij op een dieptepunt waar hij niet meer vandaan komt. De overheid vergoedt te weinig voor herstel en wederopbouw van zwarte wijken. T.C. is net als zijn vader in wezen een goed mens, maar niet opgewassen tegen de problemen en obstakels die zijn zwarte leven teisteren.

    Dromen van een respectabel leven

    Tegenover de heersende witten vormen de personages uit Een zekere vrijheid een groep die zich voortdurend bewust is van het anders-zijn, de achterstand en de mindere kansen, kortom van discriminatie en racisme. T.C. bezwijkt net als zijn vader voor het drugswereldje – voor zwarte jongeren vaak de enige manier om aan geld te komen – en belandt behalve in een uitzichtloze werkelijkheid in de gevangenis. Daar droomt hij van het respectabele leven dat hij na de straf zal gaan leiden om zijn inmiddels geboren zoon tot voorbeeld te kunnen dienen. Zijn tante Sybil, de zus van zijn moeder, is advocaat en had hem al ooit aan een baantje geholpen. Wie weet is zij, ondanks dat hij toen verpestte, wel weer bereid hem te helpen.

    De Fransen waren aardig

    De auteur springt tijdens het vertellen heen en weer in de tijd, wat de spanning ten goede komt. Die ontstaat ook door het op vrijwel iedere pagina aanwezige racisme, soms subtiel, vaak onverbloemd. Tegen het einde, als de verhalen van Evelyns dochters en kleinzoon zijn gepasseerd, maakt Wilkerson Sexton nog eens goed duidelijk hoe zwarte mensen werden (en worden) gediscrimineerd als ze Renard laat vertellen over zijn ervaringen in het Amerikaanse leger waarmee hij in de Tweede Wereldoorlog naar Europa werd gestuurd: ‘We waren gelegerd in een klein stadje in de buurt van Parijs. Naast ons lag een witte eenheid waarvan er zo nu en dan eentje kwam buurten. Dan riepen ze “nikker” en zo […] In het begin was het nauwelijks anders dan hier. De witten kregen hun eten op een bord, wij op een stuk blik. Wij kregen één prak, maar de witten mochten zo vaak nemen als ze wilden […] woonden in kamers met een gepolitoerde vloer en hadden een wasmachine, wij moesten het doen met betonnen vloeren en potkachteltjes. […] Op een avond was er ergens een feestje en wij maakten aanstalten ernaartoe te gaan. De Fransen hadden ons namelijk uitgenodigd om hun dankbaarheid aan ons zwarte militairen te tonen.’
    De commandant verbiedt de zwarte militairen erheen te gaan, sommige doen het toch en er ontstaan vechtpartijen. Renard vertelt verder: ‘De Fransen waren zo aardig, zo hartelijk. Als je met hen praatte, vergat je dat je zwart was, maar die andere Amerikaanse soldaten beukten op ons in alsof ze ons dood wilden slaan.’

    Grappig slang

    Het begin van het boek is enigszins onevenwichtig en binnen de hoofdstukken klopt het tijdsverloop zo nu en dan niet. Wat opvalt is een tussen de zussen Evelyn en Ruby (en later ook Jackie en Sybil) uit het niets opdoemende animositeit die verder lijkt te gaan dan een onschuldige wedijver. Dat wekt bevreemding omdat de zussen elkaar als het erop aankomt steunen. Wellicht staat de auteur in dit eerste boek nog niet helemaal boven haar personages. Wat ze wel in de hand heeft zijn de treffende situatiebeschrijvingen waarmee ze vooral witte lezers een onloochenbaar beeld geeft van het leven in een zwarte Amerikaanse gemeenschap. Het maakt de sympathie voor de VS er niet groter op.

    Hulde verdienen de vertalers Harm Damsma en Niek Miedema met hun woordkeuzes en de zinsbouw voor het taalgebruik van T.C. en zijn vrienden dat, behalve dat het slang is, ook grappig klinkt. De jongens spreken over en met elkaar als ‘nigga’ en ‘bro’, wat nog te begrijpen is, maar bij woorden als ‘mofo’ ‘bruya’ ‘no spang’ ‘ki welloe’ ‘jilla’ en ‘sjap’ voelt de niet-ingewijde zich een bewoner van een andere planeet.

    Eindelijk schrijfster

    Margaret Wilkerson Sexton studeerde rechten en creatief schrijven en werkte op een advocatenkantoor. Op publishersweekly.com beschrijft ze hoe zij na een worsteling van jaren, waarin ze aan een boek schreef dat steeds maar niet tot publicatie en tevredenheid van proeflezers leidde, eindelijk de schrijfster werd die ze wilde zijn. ‘Ik kon mijn eigen stem niet vinden,’ vertelt de voormalige advocate, altijd al vastbesloten om van het schrijven haar werk te maken. De kans deed zich voor en ze greep hem, toen ze samen met andere partners van het advocatenkantoor het aanbod tot uitkoop kreeg. Sindsdien schreef ze vele uren per dag, maar, meldt ze, ‘er ontstond een gevoel van paniek in mijn werk, een wanhopige behoefte om iets te bewijzen op elke koortsachtig geschreven pagina’. Een meelezer merkte op dat het leek alsof hij ‘iets las van een heel goede verhalenverteller die geen verhaal vertelde.’ Onder begeleiding van een docent literatuur begon Wilkerson Sexton aan een andere vertelling. Zo ontstond Een zekere vrijheid. In november van dit jaar verschijnt in de VS haar nieuwe boek The Revisioners.

     

  • Zomerlezen – Onbehaaglijke bespiegelingen

    Leerschool

    Waar uitgevers nogal eens boeken van het lichte genre aanprijzen als vakantielectuur is er geen enkele reden om in de zomer niet iets van meer gewicht te lezen. Zomer met warmte, licht en vrije tijd is uitermate geschikt voor bespiegelingen over wat er allemaal niet deugt in het leven.

    Een religie kan mensen houvast en troost geven, maar in doorgeschoten vorm zal ze de menselijke geest altijd ook beschadigen. Wie daar niet van overtuigd is, kan zich verdiepen in het meisje Tara in Leerschool van Tara Westover. Zij groeit op in een mormoonse gemeenschap in Utah, de ouders zijn streng religieus. Ze hebben zich afgekeerd van de maatschappij. Tara moet net als haar zus en broers werken in de schroothandel van haar vader op hun boerderij. Daarbij gewond raken zien de ouders als de wil van God waarin mensen niet horen in te grijpen. De eerste negen jaar van haar leven bestaat Tara administratief niet en haar moeder schat haar zestien op het moment dat ze dertien is. De vader denkt dat de overheid openbaar onderwijs gebruikt ‘als truc om kinderen van God af te keren’, reden waarom de zeven kinderen niet naar school gaan – totdat enkelen van hen zelf voor onderwijs kiezen. Ook Tara wil uiteindelijk naar de Brigham Young University, waar blijkt dat ze nog nooit van de Holocaust heeft gehoord. Uit schaamte voor haar achtergrond houdt ze afstand van iedereen. Ze leert alles wat er te leren valt, waarna school en kerkgemeenschap haar steunen bij verdere studie: ze mag zelfs naar het Britse Cambridge.

    Leerschool is een adembenemend relaas over de worsteling van een jonge vrouw die alles in het leven zelf moest veroveren, terwijl ze gekweld werd door lichamelijke pijnen en schuldgevoelens omdat ze haar familie had verraden door zich aan hun wurgende regime te onttrekken.

     

    Leerschool
    Auteur: Tara Westover
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Kind, beloof me dat je de kogel kiest

    Over heel andere beschadigingen gaat Kind, beloof me dat je de kogel kiest van historicus Florian Huber, een indrukwekkend boek over gebeurtenissen waar nog weinig mensen vanaf weten: de zelfmoordgolf onder de Duitse bevolking aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Tientallen jaren is deze verdrongen en verzwegen geweest, Huber vestigt er de aandacht op. Gevoed door nazipropaganda werden burgers uit alle soorten beroepen en alle lagen van de bevolking radeloos van angst voor de binnentrekkende Russen in het oosten en Amerikanen in het westen, overtuigd als zij ervan waren slachtoffer te worden van moord en verkrachting als straf voor het verliezen van de oorlog en de daden van de nazi’s. Met duizenden tegelijk pleegden ze zelfmoord door zich op te hangen, te verdrinken, dood te schieten of de polsen door te snijden. Ouders vermoordden hun kinderen alvorens zelf de dood te kiezen en soms liep dat mis en overleefde of een kind of een ouder.

    Huber baseert zich op dagboeken, brieven en verslagen van gewone mensen die getuigen van de zelfmoorden. Hij verdiepte zich in de geestesgesteldheid van mensen die liever dan de overwinning van de geallieerden te aanvaarden de eigen ondergang zochten. Ook begrepen velen na de oorlog niet waardoor zij zich de jaren ervoor zo hadden laten verblinden.

    Een opzienbarend en verhelderend boek dat zich door de literaire stijl van Huber laat lezen als een roman.

    Kind, beloof me dat je de kogel kiest
    Auteur: Florian Huber
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Vrouw

    Om een beetje in de sfeer te blijven: Karl Ove Knausgård schrijft in ‘Vrouw’– het laatste deel van Mijn strijd, verschenen in 2016 – een essay van vierhonderd pagina’s dat voornamelijk handelt over de mentaliteit en drijfveren van de jonge Hitler en hetgeen daaruit is voortgevloeid. Na gedachten over een gedicht van Paul Celan komt hij op nazi-Duitsland en pakt hij Mein Kampf uit de kast dat daar al een tijdje stond. Hij probeert Hitler – voordat dat deze ‘der Führer‘ werd – te duiden, haalt vrienden en bekenden uit die tijd aan, ontleedt ieder woord in het vermaledijde boek en concludeert dat Hitlers woorden een symbool van menselijke boosaardigheid zijn.

    Lezers die alleen geïnteresseerd zijn in het leven van Knausgård kunnen het essay gewoon overslaan. Daarbuiten kijkt hij terug op het schrijven van Mijn strijd en vraagt hij zich af waarom hij zijn familie en vrienden erin betrok. De schrijver is vrijwel overal wijdlopig, het lijkt alsof hij iedere in hem opkomende gedachte aandacht geeft en wijdt ellenlange zinnen – er staan soms komma’s waar beter een punt had kunnen staan – aan zijn onderzoek. Maar zijn redeneringen snijden hout, vervelen nooit en komen langs de vele omwegen altijd weer op het uitgangspunt terug. Behalve een begenadigd schrijver is Knausgård ook een gedegen denker waardoor zijn eigenzinnige gedachten een genoegen zijn om te lezen.

     

    Vrouw
    Auteur: Karl Ove Knausgård
    Uitgeverij: De Geus
  • De woordenvloed van een taalvirtuoos

    De woordenvloed van een taalvirtuoos

    Tim Parks lezen staat zo ongeveer gelijk aan het doorstaan van een vliegende storm. Taal is op alle fronten zijn vakgebied en dat is aan zijn teksten te merken. Met groot enthousiasme racet deze virtuoze auteur door zijn ervaringen en denkbeelden en lardeert ze in Waarom ik lees met ondersteunende bewijzen.

    De korte hoofdstukken van dit boek zijn de afgelopen drie jaar als blog verschenen op de website van de New York Review of Books. Elk van deze essays over schrijven, lezen, vertalen en de boekenwereld was een afgerond geheel en is dat in dit boek nog steeds. Alle hoofdstukken samen bieden een brede blik op het hedendaagse ontstaan van een boek, op de weg die het aflegt voordat het gedrukt in de winkels ligt of elektronisch kan worden gedownload.

    Wat lezen mensen en waarom? Wat kan een boek voor de lezer betekenen en wat betekent het voor de schrijver? Wat is de invloed van een vertaling en hoe is het boekenlandschap door de jaren heen veranderd? Op deze vragen probeert schrijver, essayist, recensent en vertaler Parks antwoord te geven en hij slaagt daar uitstekend in.

    Wat de een prachtig vindt, kan de ander nauwelijks bekoren. Waar een boek bij de een aanspraak maakt op een diepliggende behoefte, brengt de ander er nauwelijks enige interesse voor op en waar de ene mens overloopt van bewondering voor boek of schrijver wordt de volgende er mateloos door geïrriteerd. ‘Onze reactie op romans kan te maken hebben met de groep mensen en de omgeving waarbinnen we zijn opgegroeid, ons een positie hebben moeten verwerven en een persoonlijkheid hebben moeten opbouwen,’ betoogt Parks. De positieve en negatieve uitingen van deze omgeving zijn ons vertrouwd en we houden eraan vast of zetten ons ertegen af. Een mens leest vanuit zijn eigen achtergrond en dat is waarom lezers het vaak niet eens zijn, zegt Parks.

    Aanvankelijk lijkt Waarom ik lees voor lezers bedoeld. Naarmate het boek vordert lijkt de doelgroep meer naar het schrijverspubliek te verschuiven en ook vertalers zullen in zijn uiteenzettingen veel herkennen. Soms is niet duidelijk of Parks als lezer of als schrijver aan het woord is. Niettemin valt er voor de gemiddelde lezer veel te genieten van zijn visie op de talrijke aspecten van schrijverschap en boekuitgaven. Voorbeelden put Parks uit het werk van S. Beckett, D.H. Lawrence, Th. Hardy, Ph. Roth en vele, vele anderen, terug te vinden in het uitgebreide register achterin.

    Parks maakt onderscheid tussen de schrijver als kunstenaar en de schrijver die verkoopsucces tot doel heeft. Het laatste tegenwoordig veelal onder invloed van de steeds internationaler wordende boekenmarkt, waar de Angelsaksische en vooral de Amerikaanse cultuur dominant zijn. Een gevolg van deze ontwikkeling is, meent Parks, dat schrijvers zich al dan niet bewust aanpassen aan een universeel taalgebruik omdat dat gemakkelijker in het Engels te vertalen is en ook uitgevers zo een omvangrijker lezerspubliek binnen bereik zien komen. Parks vindt dat jammer. Schrijvers met hun eigen specifieke cultuur en taalgebruik als uitgangspunt zullen daardoor zelden een groot publiek bereiken, terwijl hun kwaliteit misschien wel op een hoger plan staat dan die van schrijvers die zich met succes op de wereldmarkt richten.

    Dan zijn er nog de haken en ogen aan het vertalen. Een eerste bewijs van de problemen die zich daarbij kunnen voordoen is dit boek zelf. De Engelse titel luidt: Where I’m Reading From. In het Nederlands zou dat ‘Waarvandaan ik lees’ moeten zijn, maar dat klinkt niet. In dit geval maakt dat niet uit omdat het ‘slechts’ een titel is, en ook Parks’ eigen Engelse titel de lading van het boek niet echt dekt. Bij literaire teksten ligt dat anders. Parks – universitair docent vertaalkunde in Milaan – meent dat vertalen onmogelijk is zonder het ritme, de stijl en de stem van de brontekst aan te tasten. Als een van de voorbeelden noemt hij de Zibaldone van Giacomo Leopardi, waaruit hij zelf stukken tekst zou gaan vertalen. Recentelijk had een team van zeven vertalers en twee gespecialiseerde redacteuren een ‘onverkorte en volledig geannoteerde Engelse editie voltooid’. Parks schrijft: ‘Ik heb diep ontzag voor de gigantische prestatie van dit team […] Wat ik wel wil signaleren is dat ik me, terwijl ik hun vertaling lees, terdege bewust ben van de respons van elke individuele lezer […] van onze eigen interesses, overtuigingen, obsessies. Ik hoor Leopardi in een Engels dat heel anders klinkt en aanvoelt dan mijn collega’s hebben gebruikt. Ik hoor gewoon een andere man tegen me spreken – een andere stem – hoewel wat ik hoor niet valabeler is dan de Leopardi die zij voor ogen hadden.’

    Dat de erudiete veelschrijver Parks aan tekst geen gebrek heeft blijkt wel uit zijn productie van zo’n dertig boeken, ruim tachtig essays en artikelen en een stuk of zeventien vertalingen. Over zijn ervaringen met meditatie schreef hij maar meteen twee boeken: het autobiografische Leer ons stil te zitten en de daarmee gepaard gaande roman De dienares. En niet in de minste hoeveelheid woorden. Soms vraag je je af of Parks zijn woordenvloed niet wat kan indammen. Het antwoord is: ja, dat kan vrijwel altijd, maar ook nee, omdat ondanks hier en daar een doublure de lezer door de bezielde en veelzijdige manier waarop Parks uitputtend beschrijft wat hij over het onderwerp kwijt wil, toch geboeid blijft. Ook in Waarom ik lees.

    Het is een rijk boek, al blijft de rol van het e-book wat onderbelicht. Met zijn bekwame formuleringen neemt Parks ook de voorzichtigheid in acht. Hij constateert verschijnselen, staat boven de materie, laat ieder het zijne en vermijdt al te stellige uitspraken. Daarbij is hij zich terdege bewust van zijn Europese publiek – naast het Angelsaksische – wat onder meer blijkt uit de aandacht die hij heeft voor Nederlandse en andere Europese lezers en schrijvers.

    Wie even niet weet wat hij moet lezen of welke boeken van belang zijn voor de canon, al bestaat die volgens Parks niet meer, kan in Waarom ik lees ideeën opdoen, mits hij niet uit is op titels van de nieuwste uitgaven.

     

    Waarom ik lees

    Auteur: Tim Parks
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,99

  • Hij wist niet half hoe erg het was

    Hij wist niet half hoe erg het was

    Psychische problemen zijn in de romans van Josha Zwaan een terugkerend gegeven. In het teruggetrokken leven van de vrouwelijke hoofdpersonen wordt maar een enkeling toegelaten en ook die krijgt weinig te horen over wat er werkelijk in hen omgaat. Marthe, De protagonist uit Dwaallicht, vertelt in een onbewaakt ogenblik aan haar  grote liefde Barend, over de stemmen in haar hoofd. En als zij later kinderen krijgen, kan Marthe het leven niet meer aan.

    Josha Zwaan heeft zelf aan den lijve ondervonden wat het is om psychische problemen zonder hulp van buitenaf te overwinnen. In een interview met Andries Knevel vertelt de schrijfster dat ongeveer vijftig procent van de bevolking psychische klachten heeft en dat ze die problemen uitstekend kunnen verbergen. ‘Veel mensen krijgen het moeilijk met zichzelf en daarmee leren leven is een hele klus,’ zegt Zwaan die zelf heeft gewerkt in de hulpverlening met dak- en thuislozen en verslaafden.

    Ermee leren leven geldt ook voor Marthe. Als kind hoorde ze al stemmen. Ze communiceerde er soms hardop sprekend mee, maar onder invloed van haar moeder leerde ze dat af. Andere kinderen vonden haar vreemd en moesten weinig van haar hebben. Tijdens haar schooltijd ontdekte ze seks als middel om het soms oorverdovende geschreeuw van stemmen in haar hoofd het zwijgen op te leggen. Ze gaat Frans studeren en doet vertaalwerk. De goede seks en zijn liefde voor haar maken het voor Barend moeilijk zich van haar los te maken. Iets waar hij wel naar verlangt.

    Marthe’s eigen stem gaat verloren in de chaos in haar hoofd. Ze heeft iets met de heilige maagd Maria. Ze bidt tot haar, roept haar aan, ziet haar verschijnen en hoort haar praten. Door Maria vindt ze na een psychotische periode de kracht om terug te keren naar een normaal leven. Maar voor het zover is lijden haar werk en haar gezin onder haar grilligheid en onbetrouwbaarheid. Ze is extreem bang dat de kinderen iets zal overkomen. Toch laat ze hen alleen om bijvoorbeeld nog even vlug boodschappen te doen. Op een skivakantie vergalt ze met  haar angsten voor de zoveelste keer het plezier van haar man en kinderen. Hij laat haar dan ook achter en neemt de kinderen mee.

    Later in een klooster vertelt ze tegen een monnik: ‘Hij wist dat ik niet zonder hem kon. Zo’n gekke moeder gun je toch je kinderen niet. En hij wist niet half hoe erg het was. Ik heb het hem nooit helemaal uitgelegd, ik keek wel uit. Hij zou meteen weggegaan zijn.’ […] ‘Hoewel, hij kon ook niet zonder mij. Verslaafd aan elkaar, zeg maar…’

    Als ze haar gezin kwijt is, stort Marthe zich in het Amsterdamse straatleven. Ze doolt rond, komt in contact met daklozen, slaapt op een vervuilde etage waar een junkie met haar verwaarloosde baby woont. Ondanks haar eigen wanen heeft Marthe de tegenwoordigheid van geest om voor de baby te zorgen al kan ze het niet bieden wat het echt nodig heeft. Deze passages en vooral de afloop daarvan zijn hartverscheurend.

    Zwaan versluiert niets. In het korte verhaal Al dood dat op haar website staat, staat de zin: ‘Ze was geboren als parasiet en dat zou ze altijd blijven.’ Hier is een moeder aan het woord over haar dochter. Dit verhaal heeft iets van een thriller, maar laat vooral zien hoe ver iemand met een verknipte geest andere mensen kan drijven, zich de afkeer van hun meest naasten op de hals haalt, simpelweg omdat die zelf moeten zien te overleven. En dat lukt niet als zij keer op keer meegesleurd worden in de psychische afgrond van hun geliefde.

    Zo hard als in Al dood gaat het er in Dwaallicht niet aan toe. De roman is niet een en al  somberheid. Lichte tonen klinken vooral op in het gewone dagelijkse leven. Het spelen van de kinderen, de orde van de dag. En in de muziek, de poëzie en de Franse taal. Zelfs de positieve kant van het zwervende bestaan wordt belicht: ‘Ze begreep steeds meer van de daklozen die de oncomfortabele omstandigheden van de straat verkozen boven het traject van nachtopvang naar dagopvang, naar beschermd wonen en verplichte begeleiding onder strikte voorwaarden.’
    Waaruit duidelijk wordt dat een deugdzaam leven niet door iedereen als het hoogste goed wordt gezien en dat niet ieder onaangepast mens zwelgt in ellende. Bij Marthe dringt zich de vergelijking met een gevangenis op als ze met een dagschema, professionele hulp en medicatie weer thuis woont.

    Zelf leed de schrijfster geregeld aan angst- en paniekaanvallen en depressies. De overtuiging om het zelf te kunnen oplossen met mindfulness, yoga, hardlopen en bidden verdween toen ze in een moeilijke periode haar angsten uiteindelijk niet meer de baas kon. De psychiater bracht met een antidepressivum redding. Door antidepressiva steeds af te wijzen heeft ze zichzelf lang tegengewerkt, zegt ze nu. ‘Oh, wat heb ik het mezelf moeilijk gemaakt, en de mensen om me heen. Met medicatie verbeterde mijn basishumeur.’ Zwaan vond het, net als Marthe in het boek moeilijk toe te geven dat medicatie helpt. Voor mensen met psychische problemen, zullen de gebeurtenissen in de roman herkenbaar zijn.

    Dwaallicht is een goed vertelde geschiedenis, bijna een casestudy, maar dan in de vorm van een boeiend verhaal waar omgevingsdetails aan bijdragen. Een zo’n detail zijn de geregeld terugkerende roeken. Ze zitten in de bomen of vliegen rond, dreigend of vertrouwd, waarbij hun aanwezigheid een enkele keer voorspelbaar wordt. Een diagnose van de hoofdpersoon Marte wordt in Dwaallicht niet gesteld. Al doen de symptomen nog het meest denken aan schizofrenie of een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

    Het is een spannend boek waarin je zonder meer wilt doorlezen. Het laat je de gebeurtenissen meebeleven zonder te verdrinken in de duisternis van de problematiek. Het einde biedt uitzicht op zowel neergang als hoop. Lezen!


    Dwaallicht

    Josha Zwaan
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo/Anthos
    Prijs: € 19,99

  • Allegorische fantasie streelt de zintuigen

    José Veiga’s boeken beginnen volgens vertaler Harrie Lemmens steeds in een dorp, waarin het onschuldige, gezapig leventje van buitenaf ruw wordt verstoord. Zo ook in De drie plagen van Manirema (oorspronkelijke titel: A hora dos ruminantes), een fantastisch ofwel magisch realistisch verhaal over een klein stadje dat machteloos moet toezien hoe het ten prooi valt aan onbegrijpelijke, verwoestende gebeurtenissen. Op een avond staan een paar mannen op de brug over de rivier langs Manirema het einde van de dag te verwelkomen. In de schemering zien zij een groep pakezels naderen. Maar de brug blijft leeg en in het donker discussiëren de mannen over de vraag óf ze eigenlijk wel iets hebben gezien. De volgende dag blijkt er bij de vervallen boerderij naast de rivier een kamp opgeslagen te zijn. De mensen in het stadje praten erover en wachten tot de vreemdelingen contact met hen zoeken en zich in hun winkels vertonen. Zelf weigeren zij naar het kamp te gaan om uitleg over de komst van de mannen te vragen. ‘Als zij duur doen, doen wij dat ook. Niks aanbieden.’

    De eerste contacten zijn al meteen onaangenaam. De nieuwkomers zijn bezig met bouwen en verbouwen op het terrein van de boerderij, gedragen zich brutaal en autoritair en accepteren geen nee. De eerste die daarmee te maken krijgt is Geminiano, eigenaar van een kar en een ezel waarmee hij voor de bewoners vracht vervoert. Hij weigert zijn kar aan de kampbewoners af te staan en geeft te kennen dat ze gewoon op hun beurt moeten wachten om iets vervoerd te krijgen. Maar als Geminiano daar eenmaal aan toe is, blijkt de opdracht gaandeweg zo groot dat hij erin gevangen wordt en niet meer aan andere vervoersklussen toekomt. Ook Amâncio, heethoofd en eigenaar van de plaatselijke winkel voor allerhande waren, raakt in de macht van de mannen.

    De tweede plaag bestaat uit ontelbare honden die de straten binnenstromen. Ze blaffen, vertrappen planten, woelen moestuinen om, springen over muurtjes, stoten hekken om en bijten kippen dood. ‘Soms drong er een hond een huis binnen, onduidelijk hoe, en dan raakten de bewoners in paniek. De hond keek hen een voor een aan en koos vervolgens iemand uit waar hij kwispelstaartend naartoe liep. Die kromp ineen, beschermde handen en benen en kon geen woord uitbrengen om het beest weg te jagen.’

    Als de hondenplaag voorbij is kunnen de mensen zich weer even bezighouden met hun eigen perikelen – waaronder een kleine liefdesgeschiedenis en een verhoor, verweven met de nog steeds aanwezige mannen in het kamp. Maar al gauw komen de ossen. Ze bezetten straten en huizen, loeien luid en trappen alles kapot, ‘de koppen omhoog om geen last te hebben van hun hoorns, zonder ruimte om zelfs maar hun staart op te heffen als ze moesten schijten, zodat de drek langs hun poten omlaag liep en verwerd tot één grote derrie. […] Een os die zijn evenwicht verloor en […] door de knieën ging kwam niet meer overeind, de andere trapten op hem tot hij dood was, en dat bood wat verlichting – heel even maar …’ De ossen zijn overal, vanaf de straten waar ze opeengepakt staan steken hun hoorns door de ramen naar binnen. Niemand kan zijn huis meer uit, honger, stank, wanhoop en ziekte slaan toe en de mensen ‘piekerden over wat ze hadden misdaan om deze straf te verdienen’.

    Al is dit een klein boek van slechts 104 pagina’s, José Veiga beschrijft op zijn gemak in zintuigelijke taal de op handen lijkende ondergang van Manirema. Als lezer sta je er middenin, je hoort de mensen praten, de honden blaffen, ziet de opeengepakte massa ossen, ruikt de drek en voelt het chaotische gedrang waarin de meutes, mensen en dieren, zijn terechtgekomen. Want ook de honden en ossen lijken willoze slachtoffers van een onzichtbare hand, van een vijand zonder mededogen met hun onmacht.

    Zoals het bij fantastisch realisme gaat laat Veiga het ook hier aan de eigen fantasie van de lezer over om betekenis aan het verhaal te geven. Achterop het boek staat te lezen: ‘In 1964 pleegt het Braziliaanse leger een staatsgreep en vestigt een nationalistische dictatuur. Er daalt een duistere nacht van vrijheidsberoving, censuur en geweld neer over het land die twintig jaar zal aanhouden. De drie plagen van Manirema is in 1966 het allegorische antwoord van José J. Veiga op die nacht.’

    Vertaler Harrie Lemmens meldt echter in zijn nawoord dat Veiga zijn manuscript al voor de staatsgreep bij zijn uitgever had ingeleverd. Deze zag volgens Lemmens de vervreemding, het wantrouwen, de dreiging en de verbrokkeling als de grote kracht van de roman en vond het raadzaam met uitgeven te wachten tot helder werd welke kant het met de dictatuur opging.

    Of het boek nu ontsnapt is aan de aandacht van de generaals of dat die het als een onschuldige fantasie beschouwden, het gold volgens Lemmens voortaan als hét verzetsboek in Brazilië. Veiga zelf vond het best dat de lezers zijn boek als metafoor van en aanklacht tegen de dictatuur interpreteerden, want was het leger niet ook een plaag? Mogelijk heeft Veiga bij het schrijven eerdere staatsgrepen en dictaturen in Zuid-Amerika voor ogen gehad. Zo niet, dan is voor de lezer die zijn zintuigen wil laten strelen deze fantastische geschiedenis toch een feest.


    De drie plagen van Manirema

    Auteur: José J. Veiga
    Vertaald door: Harrie Lemmens
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 108
    Prijs: € 14,99

  • Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Alphonse Badji, een vroegere Senegalese muzikant uit Brussel, werkt als zelfstandig klusser in een klein dorp aan de Belgisch-Franse grens waar hij met zijn (blanke) vrouw Kat sinds een jaar woont. Hoewel Kat af en toe droomt van teruggaan naar de stad, zijn ze er best tevreden. Aan werk heeft Alphonse geen gebrek. De ene klus – meestal schilderwerk – is nog niet achter de rug of de volgende dient zich alweer aan. De klanten bellen of mailen hem. Als hij voor de deur staat wordt hij een enkele keer plotseling geweerd, waarschijnlijk vanwege zijn donkere huidskleur.

    Meestal echter wordt hij verbazend snel in vertrouwen genomen over allerlei persoonlijke besognes van de klanten en vervolgcontacten hierover blijven niet uit. Al deze klanten, door de nuchtere Kat soms ‘patiënten’ genoemd, bellen Alphonse om ondersteuning, en de goedhartige schilder draaft braaf op om naar hen te luisteren, hen naar het ziekenhuis te brengen, hun hond in huis te nemen of de kinderen gerust te stellen. Hij laat zich de hulpvragen welwillend aanleunen, schept genoegen in de rol van reddende engel. Al snel is de klusser die de klanten nog maar een week of wat kennen hun grootste vertrouweling geworden.

    Het verhaal wordt luchtig verteld met mooie gedachten als: ‘Iedereen is een optocht, denkt Alphonse, en daarin neemt er een de leiding, of telkens een andere, afhankelijk van de situatie of van wie er per toeval een ruimte met je deelt. Er zijn tijden geweest waarin hij de wat ongezonde neiging had zich dommer voor te doen dan hij was, nieuwsgierig naar het soort leiders dat in andermans parade op zou staan. In zeldzame gevallen moet je je rug keren naar wat ze je tonen.’ En ironische frasen als ‘… en een café met een portret van de eigenaar die van het plafond op je neerkeek alsof hij in je bier wilde spugen.’ roepen een glimlach op.

    Verbeke heeft alles uit de kast gehaald om een levendig verhaal te schilderen. Achtergrond en interesses van de personages, zijweggetjes over bijvoorbeeld de tirailleurs uit de eerste wereldoorlog, het bezoek van vriend Amadou waarin de Brusselse periode wordt opgehaald en niet te vergeten de couleur locale van het stille dorp dat tegen het einde een onaangename hoofdrol blijkt te spelen, zetten een treffend verhaal neer. Ook de obligate seksscène, plastisch verbeeld met Alphonse in de hoofdrol, ontbreekt niet.

    Dat de klanten blijkbaar geen familie of vrienden hebben om hun problemen mee te bespreken, doet wat gekunsteld aan. De toevallige ontmoetingen van Alphonse met zijn beschermelingen wekken soms bevreemding en voor de lezer is het moeilijk te geloven dat hij als enige hen voor de ondergang kan behoeden. Sommige scènes, zoals die waarin een lompe journalist bij een geïnterviewde schrijfster thuis ‘zijn broek laat zakken’ en op het parket zijn behoefte doet, en, ja hoor, een zwangerschap binnen een ingewikkelde driehoeksverhouding, schieten wel erg door als het om geloofwaardigheid gaat.

    De situaties met de klanten doen aan een klucht denken die je niet al te serieus hoeft te nemen, net als het vechthuwelijk van Kats ouders dat geregeld uitmondt in Who’s afraid of Virginia Woolf-achtige situaties, maar dan lachwekkender. ‘Ze lusten elkaar rauw,’ schrijft Verbeke en zij laat Alphonse zich ‘operetteachtige taferelen’ herinneren ‘waarbij de twee elkaar verbaal en een enkele keer fysiek te lijf gingen’. Alphonse en Kat zelf daarentegen, hun vrienden en later de vluchtelingen die zij trachten te helpen doen wel weer waarachtig aan.

    Vele lijnen tekenen de gebeurtenissen in het dorp. Dertig dagen is een veelhoekige ster waarvan de punten vakkundig met elkaar zijn verbonden. Geen situatie blijft open en alle problemen vinden een soort happy end. Bijna alle, want Verbeke zou de affaires voor de romanlezer te onbevredigend gladjes hebben laten verlopen als er niet ergens iets behoorlijk mis gaat. Dat het noodlot volkomen onverwacht toeslaat, laat zien dat de auteur het plot tot het einde toe goed in de hand heeft. Ondanks de toevalligheden, de extremiteit en vergaande welwillendheid van Alphonse in de rest van het boek, heeft die gebeurtenis een honderd procent overtuigende logica in zich.

     

     

  • Onmachtig om het juiste te doen

    Onmachtig om het juiste te doen

    In Een bijna volmaakte vriendschap draait het om besluiten die geen besluiten zijn. Hoofdpersonen Taguchi Hiro, een zogenaamde ‘hikikomori’, en Ōhara Tetsu, een ‘salaryman’, laten zich drijven door hun gevoel en erkennen tenslotte dat nietsdoen ook een besluit is.

    Een hikikomori is een Japanse jongere die zich langdurig opsluit in het ouderlijk huis, meestal omdat hij of zij zich niet kan of wil aanpassen aan de prestatiemaatschappij. Een salaryman is in Japan een mannelijke werknemer van een bedrijf.

    Bij ik-verteller Taguchi was het niet de prestatiedruk op school waardoor hij een hikikomori werd. Het was nadat hij zijn vriend Kumamoto door een auto overreden zag worden en in zijn herinnering voortdurend diens hand vanaf het asfalt naar hem opgeheven zag, dat hij besloot voortaan op zijn kamer te blijven en het leven te ontwijken.

    In de jaren daarvoor verloochende en verloor hij vriendinnetje Yukiko door haar zijn steun te onthouden op het moment dat zij die nodig had en ook de neergang van een klasgenoot op school had hij misschien kunnen voorkomen als hij niet had weggekeken bij de treiterijen door andere klasgenoten.

    Twee jaar na zijn zelfgekozen afzondering zoekt hij huiverend de buitenwereld weer op. ‘Op een koude februariochtend, gaf ik toe aan mijn verlangen.’ Hij laat zichzelf vrij, zoals hij het noemt.

    Onwennig vermijdt hij iedere aanraking, ieder contact. ‘De gruwelijkste gedachte was die aan twee blikken die op een toevallig moment in elkaar vasthaken.’

    Als hij in een park waar hij als kind met zijn moeder kwam een plek gekozen heeft om zijn dagen door te brengen, komt een oudere man, Ōhara, die Taguchi later ‘Stropdas’ gaat noemen, dagelijks op de bank tegenover hem zitten. Na twee weken wisselen ze wat blikken en woorden en in de toenadering die volgt vertellen ze elkaar langzaam hun geschiedenis. Ook Ōhara kent situaties waarin hij het liet afweten op momenten dat hij een ander, zijn vrouw, houvast had moeten bieden en in de huidige situatie heeft hij een essentiële gebeurtenis, de reden waarom hij op de bank zit, voor haar verzwegen. De consequenties van hun nalatigheid moeten Taguchi en Ōhara met zich meedragen.

    In treffende bewoordingen en betekenisvolle zinnen laat de Oostenrijkse schrijfster Flašar (Japanse moeder, Oostenrijkse vader) zien hoe de jongere en de oudere man, ieder om verschillende redenen en op een andere manier, lijden onder hun huidige bestaan en hun onvermogen om de moreel juiste keuzes te maken. Ōhara zegt: ‘Verteerd door haat verscheen de dood aan mij als een vriend die me hartelijk zou ontvangen, me vriendelijk in zijn hart zou sluiten.’

    Waar Taguchi in het begin van het boek nog denkt: ‘Ik wilde niemand ontmoeten. Iemand ontmoeten betekent verstrikt raken.’ gloort op de bank in het park gaandeweg de hoop. Het praten over de gebeurtenissen en de erkenning zonder oordeel lijken het begin van genezing, van kracht voor een nieuwe start. Als Ōhara op een dag niet komt opdagen, geeft de ontstane vriendschap Taguchi een paar weken later de moed om te besluiten naar hem op zoek te gaan.

    Flašar gebruikt geen aanhalingstekens, zet punten waar je eerder een komma zou verwachten en schrijft soms heel korte en onaffe zinnen. Zoals ‘Stil blijven liggen, terwijl buiten het leven.’ Dat beroep op invulling door de lezer leidt nergens tot onduidelijkheid en heeft een aangename kant omdat het je belet door de tekst te razen – een optie door het ogenschijnlijk eenvoudige taalgebruik – en de kern van de zinnen te missen. Want vele daarvan zijn de moeite waard om nog eens over te lezen en de betekenis tot je te laten doordringen. Ze belichten de psyche van de mens in het algemeen en van het individu in een prestatiegerichte maatschappij in het bijzonder, waar bij falen schaamte op de loer ligt. Dat is in het westen net zo herkenbaar als in Japan. Maar aan het einde van dit uitmuntende boek is het lijden voorbij en de loutering mild. De lezer kan gerust gaan slapen.
    Een bijna volmaakte vriendschap

     

     

  • Een op te lossen puzzel

    Een op te lossen puzzel

    Tegen een achtergrond van bomen, water, licht, sterren, foto’s, woorden en een naam ontwaart de lezer in Constellaties personages die als in een schimmentheater komen en gaan. Ze zitten, lopen, kijken, denken, en af en toe zeggen ze wat.

    Het boek is genomineerd voor de J.M.A. Biesheuvelprijs, een prijs voor de beste korte verhalenbundel in de Nederlandse taal. Of dit korte verhalen zijn, valt echter te bezien. Constellaties zou net zo goed voor roman kunnen doorgaan.

    In stukken tekst met de namen Wildgroei, Grond, Zon, Magnolia wordt of worden –vermoedelijk – een of meer verhalen verteld. De mannelijke personages lijken in elkaar over te vloeien en afwisselend vader, zoon en opa te zijn. Basis daarvan zou het kort het door Roelof ten Napel aangehaalde bijbelverhaal over Esau en Jacob kunnen zijn, hoewel uit geen enkel tekstdeel een conflict valt te distilleren, noch uit het totaal. De vrouwelijke figuren spelen een bijrol als zus, vriendin, echtgenote, moeder en oma. Er zit overlap in de personages, die soms met dezelfde naam terugkeren in een ander stuk. Ook de titel van het boek doet vermoeden dat de teksten niet los van elkaar staan. Maar wie is wat, waar en wanneer? Waar draait het om? Is Lux Lukos, is Lukos Noah of is Noah Robin? En is Anders Lux?

    De dialogen zijn kort en geven weinig prijs van wat de sprekenden werkelijk bedoelen. Zelden wekken die belangstelling of nieuwsgierigheid op, noch medelijden met hun schijnbare eenzaamheid. Het vele zwijgen suggereert diepere lagen, maar zonder verwijzingen naar welk drama dan ook levert het vooral saaiheid op.

    Op aparte pagina’s staan citaten van dichters, schrijvers en musici, door Ten Napel ‘enten’ genoemd en op andere pagina’s zijn met puntjes sterrenconstellaties weergegeven.

    Ondanks de vaagheid zijn er veel details te lezen over wat de in alle ‘verhalen’ terugkerende ik-figuur ziet en denkt. Het zijn vooral bespiegelingen over kleine handelingen, zoals het bekijken van een doos die onder een bed vandaan komt, of over het gewaarworden van licht. Wel raak je door de talloze details het zicht op de essentie al gauw kwijt. De beschrijvingen van de natuur, inclusief sterren, zijn kaal. Net als de personen zijn het beelden zonder emotie. Op een kwart van het boek rijst de vraag: waar gaat dit over, gaat het ergens naartoe, wat is de bedoeling?

    De enige manier om daar achter te komen is doorlezen en dat vergt doorzettingsvermogen voor wie zich graag laat boeien door begrijpelijke gebeurtenissen en belevenissen van mensen van vlees en bloed. Tussen de prozastukken, de enten en de constellaties zitten verbindingen, maar er is ook sprake van uit de hand gelopen associaties. Bij die conclusie aangeland maakt een onbegrijpelijke zin meer of minder niets meer uit.

    Wiskundestudent Ten Napel heeft bewust niet gekozen voor de gangbare opbouw van een verhaal. Uitgaande van dit boek is het zelfs de vraag of hij wel verhalen wil vertellen. Op www.cjp.nl zegt hij: ‘Waarschijnlijk is het een fout van mijn kant, maar ik word snel moe van ‘normale’ boeken. Van elk systeem dat zich vastzet in een bepaald patroon waar mensen blijkbaar tevreden mee zijn, word ik namelijk recalcitrant.’

    Mogelijk als gevolg daarvan doet ook zijn taalgebruik het lezen soms stokken. De woordvolgorde is af en toe tegendraads: ‘Ik groef tussen de planten een kuil’, in plaats van ‘Ik groef een kuil tussen de planten’, evenals de woordkeuze: ‘Ik kwam even bij haar zitten’ in plaats van ‘Ik ging even bij haar zitten’. Terminologie als ‘vervangen alle bladeren hun plaats’ in een zin waar windvlagen door bomen jagen, doet de lezer fronsen. Ook ‘Buiten de badkamer lag na het douchen een overhemd klaar’ wringt.

    Soms lijkt Ten Napel per ongeluk hedendaags jongerenslang te bezigen, bij keuzes als ‘Ik ben een soort verdoofd’ en ‘…ik ga je zien, ja?’.  Frasen als ‘De golven leggen zich voorbij zichzelf, laag over laag,’ daarentegen zijn weer prachtig en to-the-point.

    Het voortdurende gebruik van ik loop, ik zie, ik denk na, ik vraag, ik sta op, ik dit, ik dat, maken het lezen samen met de korte zinnen vermoeiend. Zelfs ‘ik adem in’ moet genoemd worden. Ten Napel op cjp.nl: ‘Als je conventies breekt, maar een lezer toch op een heel basale manier kunt raken, ontroeren, heb je pas iets bereikt.’

    Helaas is ontroeren nou precies wat dit boek niet doet. Daarvoor zijn de vertellinkjes te afstandelijk en is het geheel te veel een methodische constructie waarbij het louter om de vorm draait. Alleen het deel Magnolia, waarin de ik als kind bij opa en oma logeert waar zijn vader ook zou zijn maar toch niet komt en ‘ik’ daarom wraak wil nemen, roept bij de lezer gevoel en begrip voor de jongen op. En juist dat (hoofd)stukje gaat richting traditionele verteltrant.

    Ergens laat Ten Napel een ‘ik’ denken: ‘Ik begon me af te vragen of de woorden die ik had genoeg waren, of ik ooit zou kunnen zeggen wat ik wilde.’ Zeggen wat hij wilde heeft de auteur misschien gedaan. Of hij ook verteld heeft wat hij kwijt wilde, is de vraag. Als hij poëzie in plaats van proza zou schrijven, zou de kans daarop wellicht groter zijn.

    Al mag je personages en auteur niet zomaar met elkaar verwisselen, Ten Napel lijkt net zo zoekende te zijn als zijn vermoedelijke hoofdpersoon of hoofdpersonen. Als schrijver hecht hij belang aan woorden en dat doen zijn ‘ikken’ ook. Een van hen deelt mee: ‘Ik lees een boek. Iemand schrijft over hoe iets onvergetelijk zou kunnen zijn, zonder herinnerd te worden – dat het vergeten achterblijft, toch nog plek inneemt, en invloed heeft. Ik weet niet wat ik daarmee aanmoet.’

    En zo weet de conventionele lezer niet wat hij met Constellaties aanmoet. Het geheel wekt de indruk een knap bouwwerk te zijn dat nauwelijks streeft naar mee te leven verhalen. Als experiment is dat interessant, als verhalenbundel, roman of welk geheel van teksten ook, meer een op te lossen puzzel. Daar moet je dan wel zin in hebben.