• Oogst week 47 – 2024

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen

    De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Ton van Reen zit 60 jaar in het vak. Hij debuteerde in 1965 als dichter met Vogels. Van halverwege de jaren zeventig tot 1984 had hij samen met zijn vrouw een uitgeverij voor voornamelijk Afrikaanse literatuur die toen nog alleen in het Engels of Frans beschikbaar was. Daarna werd Van Reen full time schrijver en journalist, voor welke job hij de wereld bereisde.

    Om het jubileum van zijn schrijverschap te vieren zorgden tien schrijvers en journalisten voor de uitgave van Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen. Het bevat twaalf verhalen, interviews en studies over leven en werk van Van Reen. Deze wist wel dat er een boek aankwam maar dat tien schrijvers en journalisten eraan werkten was nieuw voor hem. ‘Het is heel verrassend dat ze zoiets voor je maken,’ zegt hij. In het liber amicorum wordt zijn leven behandeld, vanaf zijn jeugd in Panningen tot nu toe. Ook zijn negentig boeken, waarin hij vrijwel altijd maatschappijkritiek verwerkte, en de boeken waaraan hij nu werkt komen aan bod. Veel van zijn romans en verhalen spelen in Noord-Limburg. Van de vier jeugdboeken over de Bokkenrijders is de tv-serie De legende van de Bokkenrijders gemaakt. Van Reen werkte zijn leven lang voor Afrika en de Afrikanen en ziet dat als zijn levenswerk, meer nog dan zijn schrijven. Samen met zijn zoon richtte hij in 1999 de stichting Lalibela in Ethiopië op om kansarmen te helpen.

     

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen
    Auteur: Samenstellers: onder meer, Wim van Grinsven, Hans Hendriks, Wiel Kusters
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918

    In Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918 brengt historicus Wouter Linmans de lezer naar stinkende Amsterdamse grachten en rokerige lokalen waar arbeiders vergaderden, ruzie maakten en revolutionaire plannen smeedden. Direct na de eerste wereldoorlog ontstond er in Nederlandse steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Leiden revolutionaire onrust, net als in Hamburg en Berlijn waar arbeiders staakten en militairen muitten, in navolging van de revolutie van 1917 in Rusland. In Amsterdam werd op 13 november 1918 in de Sarphatistraat met geweerschoten een einde gemaakt aan de dreigende socialistische revolutie.

    Het gebeuren wordt ‘Troelstra’s vergissing’ genoemd. Sociaaldemocraat Pieter Jelles Troelstra (advocaat, journalist, dichter, politicus) had in de Tweede Kamer opgeroepen tot een revolutie. Tevergeefs weliswaar, maar de onrust leidde wel tot de confrontatie tussen de revolutionaire demonstranten en het leger, waarbij doden en gewonden vielen.
    Linmans vertelt in Revolutiekoorts wat er precies gebeurde, wie er bij het oproer betrokken waren en hij gaat na waarom deze geschiedenis in de vergetelheid is geraakt.

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918
    Auteur: Wouter Linmans
    Uitgeverij: Atheneum 2024

    Een nieuw woord voor liefde

    Verliefdheid, huwelijk, kinderen, donkerte, scheiding, woede, verwarring, verdriet en uiteindelijk veerkracht. Voor velen herkenbaar, net als het daaropvolgende gevoel van bevrijding en toch weer ruimte voor liefde, al zoekt illustrator Marieke van Ditshuizen daar een nieuw woord voor. ‘Dat is wat ik nodig heb, dacht ik, toen de vader van mijn kinderen en ik uit elkaar gingen’ schrijft zij. Want de realiteit van nieuwe liefdes blijkt weerbarstig.

    Van Ditshuizen laat in Een nieuw woord voor liefdeEen graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding alle gevoelens en ervaringen passeren, niet alleen in woorden maar vooral in tekeningen.

    Autodidact Van Ditshuizen experimenteerde al jong met tekenen en schrijven van haar eigen verhalen; schrijven en tekenen gingen altijd hand in hand. Op de kinderboekenbeurs in Bologna liet ze haar werk zien aan uitgeverij Leopold, waarna ze haar eerste prentenboek mocht illustreren. Sindsdien maakt ze voor veel uitgeverijen  vooral illustraties voor kinderboeken en tijdschriftillustraties. Van Ditshuizen geeft ook cursussen kinderboekillustraties. Het autobiografische beeldverhaal Een nieuw woord voor liefde is haar eerste boek voor volwassenen.

     

    Een nieuw woord voor liefde
    Auteur: Marieke van Ditshuizen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024
  • De afschrikwekkende vrouw

    De afschrikwekkende vrouw

    Baba Jaga is volgens de Slavische mythologie een boosaardige oude vrouw die in een hutje op kippenpoten woont. Haar hangende borsten kan ze op de kachel leggen of over een stok hangen, haar puntige neus komt tot aan het plafond en ze rooft kleine kinderen. Haar vervoermiddel is een vijzel waarbij de stamper de roeispaan is. Ze beschouwt zichzelf als een wezen met één been van meestal alleen bot, hoewel het ook van hout, ijzer, goud of ander materiaal kan zijn. 

    Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić gaat over vrouwen, oude vrouwen wel te verstaan. ‘Baba Jaga is, voor alles wat ze ook is,’ schrijft Niña Weijers in haar voorwoord, ‘een schrikbeeld. Dubravka Ugrešić houdt dat schrikbeeld niet alleen in ere, ze eist Baba Jaga’s recht op om een schrikbeeld te zijn.’ 

    Veelomvattende mythologie

    Het boek bestaat uit drie delen: in het eerste bezoekt de schrijfster haar moeder in Zagreb, het tweede is een novelle over Pupa, Beba en Kukla, drie eveneens oude vrouwen die in een duur hotel in een Tsjechische badplaats verblijven, en deel drie handelt over wie en wat Baba Jaga is of kan zijn. In dit deel openbaart de auteur bij monde van folklorespecialiste Dr. Aba Bagay dat de mythische figuur naar veel meer kan verwijzen dan alleen de heks uit het hutje op kippenpoten. Ze treedt in mythes ook op als moeder van draken, als spinster of een lief omaatje, als hulpverleenster of strijdster. De Slavische mythologie blijkt veelomvattend. Alle Slavische talen herbergen talloze uitdrukkingen met ‘baba’ erin. De auteur stipt ook paralellen met de Griekse mythologie aan en zelfs met Boeddhistische en Islamitische vertelsels. 

    Aba Bagay verschijnt voor het eerst in deel een waarin Ugrešić bij haar nog zelfstandige, eigenzinnige moeder in Zagreb op bezoek gaat. Ze is oud, gaat achteruit en haar geheugen hapert. De dochter, zelf ook niet meer de jongste, voert geduldig gesprekken met haar. De jonge Aba heeft contact met Ugrešić gezocht omdat ze graag met haar wil discussiëren over taal- en politieke kwesties. Ugrešić woont niet in Zagreb, ze laat Aba bij haar moeder langsgaan. De auteur ziet bij Aba dezelfde hunkering naar aandacht en liefde als die ze bij haar moeder ervaart, maar wijst haar niet af.  

    In deel twee zit Pupa in een rolstoel, de benen in een bontlaars, heeft Beba heel grote borsten en is Kukla heel lang en dun, vooruitwijzend naar kenmerken van Baba Jaga. De vrouwen kunnen gezien worden als drie-eenheid of als afzonderlijke godinnen. Pupa is ook de oudste vriendin van Ugrešić’ moeder. In het hotel ontmoeten de vrouwen allerlei mensen en ondertussen vertelt Ugrešić in bondige taal hun levens die voorafgingen aan het hotelverblijf. 

    In deel drie komen allerlei parallellen met Baba Jaga terug, bijvoorbeeld: ‘Pupa’s als een grote bontlaars uitgevoerde elektrische voetenwarmer is in wezen een moderne tegenhanger van Baba Jaga’s vijzel’ en haar rolstoel is de tegenhanger van Baba Jaga’s ene been, net als de rollator van Ugrešić’ moeder. Pupa overlijdt tot haar eigen voldoening en wordt in een peperdure doodkist in de vorm van een ei gelegd. Het ei speelt een rol in veel sprookjes. Kukla en Beba beschikken door het lot over een niet onaanzienlijke hoeveelheid geld en ontfermen zich over een onverwacht opgedoken kleinkind. In die zin is het wel een beetje een banaal happy end.

    Ugrešić zelf is tussen de fragmenten door als auteur nadrukkelijk aanwezig met tussenzinnetjes als: ‘En wij? Wij moeten door…’, ‘En wij? Wij gaan verder…’, ‘En wij? Wij gaan hen snel achterna…’, ‘Hier dient te worden aangetekend…’, ‘En wij? Tja, het leven is…’ Met deze overbodige en nogal storende toevoegingen wil Ugrešić de lezer er wellicht van doordringen dat hij niet slechts met een eenvoudig verhaal van doen heeft maar met een weldoordachte tekst. 

    Het wemelt van de Baba’s

    Aba stelt in deel drie de tekst Baba Jaga voor beginners samen, waarin ze ‘begrippen, thema’s, motieven en mythen’ uit de Slavische mythologie bespreekt. In honderd pagina’s geeft Ugrešić een uitputtend overzicht van wie en wat Baba Jaga is: ‘in de Slavische wereld wemelt het letterlijk van de Baba’s!’, waarbij ze ook andere onderzoekers en schrijvers aanhaalt die zich over het fenomeen hebben gebogen. Ze legt knappe kruisverbanden tussen de mythologische figuur en haar personages. In deel een wordt de schrijfster nauwelijks ‘toegang tot haar moeders territorium gegund. Haar moeder vereenzelvigt zich met haar huis, (…)’ In deel twee hebben Pupa en Beba ‘met hun kinderen een traumatische relatie die zonder problemen als symbolisch kannibalisme zou kunnen worden opgevat.’ Alle hoofdpersonen in het boek staan model voor Baba Jaga of haar toegedichte eigenschappen.

    Deel drie is doorspekt met antropologische wetenswaardigheden over diverse volken. In aparte tekstblokken behandelt Ugrešić onderwerpen als moeder, vrouw, voeten, benen, de neus, het badhuis, klauwen, poppen, jongens, de kam, vogels, vuilnis, het ei. Aba Bagay merkt op dat de titel van Ugrešić’ boek kan terugverwijzen naar een archetypisch folkloristisch beeld, ‘maar er is ook de verklaring mogelijk dat het ei grofgezegd een symbool voor “vrouwelijke” creativiteit is.’ Dat Ugrešić ook zichzelf met Baba Jaga identificeert blijkt uit de passage: ‘Baba Jaga staat bekend als een “dissidente” een verworpene, een verstotene, een “oude vrijster”, een karikatuur en een verliezer. Maar desondanks is zij eenzaam noch alleen.’

    Joegonostalgie

    Dubravka Ugrešić (1949-2023) werd geboren in Kutina (Kroatië) in Joegoslavië. Vanaf 1996 woonde ze in Amsterdam, een stad die jeugdherinneringen bij haar opriep. Ze noemde zich een Joegoslavische schrijver. Aan de Universiteit van Zagreb studeerde ze vergelijkende literatuurwetenschap en Russische taal- en letterkunde en bleef er na haar studie werken. In 1991 viel Joegoslavië uiteen en brak de burgeroorlog uit met hevige etnische conflicten. Ugrešić keerde zich daar in felle bewoordingen publiekelijk tegen en bekritiseerde zowel het Servische als het Kroatische nationalisme. Daardoor werd ze gezien als een verrader, een vijand van het volk, door collega-schrijvers, politici en journalisten. Ze werd voor heks uitgemaakt en bedreigd. In 1993 verliet ze Kroatië. Ze publiceerde in Europese en Amerikaanse kranten en tijdschriften en doceerde aan Europese en Amerikaanse universiteiten. Haar boeken, waarmee ze prestigieuze prijzen won, zijn vertaald in 27 talen. 

    Veel essays en autobiografische teksten van Ugrešić gaan over Europa, voormalig Joegoslavië, nationalisme en hedendaagse verschijnselen zoals mode. In Het tijdperk van de huid bespreekt ze onder meer tatoeages, de toestand in de academische wereld en in de media, de verstrengeling tussen criminaliteit en politiek en het statusverschil tussen man en vrouw. Ugrešić ziet, duidt en vertelt vanuit eigen waarnemingen en gevoelens. Altijd origineel en kritisch, met scherpe blik, mededogen en humor. Ze heeft een nostalgische kijk op Joegoslavië. In Europa in Sepia (2015) schrijft ze: ‘Maar pas toen Joegoslavië definitief ten onder ging, kreeg mijn neurose een officiële naam: joegonostalgie, met als nadere omschrijving: politieke sabotage van de nieuwe Kroatische staat. Zelf kreeg ik het etiket opgeplakt van “joegonostalgica”, lees: “verraadster”.’ De collectieve geschiedenis en daarmee haar persoonlijke herinneringen werden uitgewist. 

    Het leed van vrouwen

    Op de laatste pagina’s van Baba Jaga legde een ei benoemt Ugrešić het leed van vrouwen in de wereld, de ongelijkheid, de onderdrukking door mannen. ‘Want stelt u zich eens voor dat de vrouwen (…) de Baba Jaga’s van deze wereld, naar het zwaard grijpen dat onder hun hoofd ligt, en erop uit trekken om alle openstaande rekeningen te vereffenen? Voor elke keer dat ze in hun gezicht werden geslagen, dat ze werden verkracht, beledigd, gekwetst en geschoffeerd, voor elke keer dat ze in het gelaat werden gespuwd?’ Mythes of niet, de werkelijkheid is bij Ugrešić nooit ver weg. 

     

     

  • Een schitterende lawine van woorden

    Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Op het conto van Adriaan van Dis, een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers, staan romans, (reis)verhalen, essays, poëzie, toneelstukken, documentaire televisieseries, literaire non-fictie en zelfs een libretto. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Constantijn Huygensprijs. Huidskleur is een terugkerend motief bij Van Dis, vooral in zijn boeken en reisreportages over Afrika en in zijn ‘Indische’ boeken. Zijn belangstelling voor Zuid(elijk)-Afrika kwam voort uit bewondering voor de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach. De beschouwende blik op afkomst en sociale ongelijkheid is bij Van Dis nooit ver weg.

    Veel van zijn romans hebben te maken met Indonesië en de Nederlands-Indische achtergrond van zijn ouders. Ze waren beiden Nederlanders; zijn moeder was eerder getrouwd met een Molukse KNIL-militair waardoor de drie halfzussen van Van Dis half-Indisch zijn. Omdat hij zelf wit is en geboren in Nederland voelde hij zich een buitenstaander in het gezin, ook omdat behalve hij alle gezinsleden een Nederlands-Indisch oorlogsverleden hadden. Zijn boek Indische duinen daarover werd een groot succes.

    De oorlog

    Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen ruist oorlog. De negenjarige Adriaan wordt voor langere tijd naar zijn grootvader Huibert gestuurd om in diens ‘hoge huis’ rust te krijgen van zijn vaders oorlogstrauma, van zijn getier, de slaag en de demonen. Hij is een zenuwachtig kind met sproeten. De stugge grootvader praat weinig, weet niet hoe hij met een kind moet omgaan. Bij huishoudster Jans daarentegen, die Adriaan na een tijdje uit zichzelf Ommie gaat noemen, mag hij op schoot zitten, krijgt hij aaien over zijn hoofd en armen om zich heen. De verre herinnering aan haar was voor Van Dis de aanleiding tot dit boek.

    Ommie is in dienst bij Adriaans grootvader. Ze woont in het hoge huis, krijgt niets betaald, is afhankelijk van hem – al is de afhankelijkheid wederzijds. Zij is ook zijn concubine, maar daar wordt in huis niet over gepraat. Ze dient, doet het huishouden, verzorgt grootvader en bedient de vrienden en zakenmannen die op bezoek komen. Het is de tijd van De Koude Oorlog, de komst van de Russen dreigt. Restanten van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aanwezig: in ruïnes van dorpsgebouwen, in het op straat tikkende houten been van de dagelijks langslopende Melita, in flarden van gesprekken die Adriaan opvangt. Voor hem is het allemaal spannend. Mondjesmaat krijgt hij over de oorlog iets los van Ommie. Ze praat er liever niet over. Van haar heeft hij een verrekijker gekregen die hij Maresch noemt, naar de naam in de voering van het foedraal. Maresch is de vriend die hem de wereld laat zien
    – zelf durft hij nog niet goed naar buiten. Hij observeert er de straat mee, de langslopende mensen, en in huis de plafonds, kastdeuren, ieder randje of vlekje. ‘Sproet’ is nieuwsgierig, opgewonden en bang voor wat hij ontdekt en niet begrijpt. Ommie stelt hem gerust: ‘Je bent veilig.’ Later hoort hij van haar dat Maresch de achternaam is van de Tsjechische Jan, gevlucht voor de nazi’s en in het verzet, ondergedoken bij Ommie in het hoge huis.

    Intermezzo’s

    Van Dis is inmiddels zevenenzeventig jaar oud en zo presenteert hij zich ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen. Over dat heden vertelt hij in een ander lettertype in kleine intermezzo’s tussen de hoofdstukken door. Met een kapotte heup zit hij op een bankje in het park, dagelijks na altijd dezelfde wandeling. Hij ontmoet er onder andere ‘twee vingervlugge kameraden, Hamza en Ricardo, die samen langs de winkels slierden. Al kletsend merkte ik dat ik erg op mijn woorden moest letten. Wat was een roman precies? Wat bedoelde ik met “teruggaan in de tijd”?’ Boeken lezen doen ze niet, nooit. Met deze jongens toont Van Dis zijn beschouwende oog voor andere ontwikkelingen, voor het asociale van een samenleving. In het park peinst hij ook over de tijd in zijn grootvaders huis. ‘Soms kan ik het niet laten even tegen de stam te leunen, zoals Ommie deed na het schoffelen.’

    Melita met het houten been fascineert Adriaan, net als het gevaarlijke woord ‘razzia’ dat hij in verband met haar opvangt. Haar invalide zoon duwt ze in een kar voort. ‘Ze leefde voor hem, dat was ze verplicht aan zijn vader, een verzetsheld.’ Adriaan bekijkt moeder en zoon door het raam nieuwsgierig en medelijdend met zijn verrekijker. Op een ochtend vallen ze, de zoon met zijn hoofd op de stenen. Hij krijgt een spasme en een hersenschudding, moet naar een tehuis, wordt haar afgenomen. ‘Ze begon door de straten te dwalen. (…) Soms schreeuwde ze luid zijn naam. (…) Niet meer het tikken van haar been kondigde haar aan, maar haar stem. Hoog en schor. (…) Adriaan riep Ommie als hij haar hoorde. (…) Hij zou haar nooit meer “manke” noemen.’

    Onder de stijl schuilt het drama

    Gedurende het verhaal blijkt hoe sociaal Ommie is. Ze probeert iets te betekenen voor Melita, heeft onderduikers geholpen en houdt Huiberts familie bij elkaar. Langzaamaan hoort Adriaan meer over de oorlog, al proberen grootvader en Ommie dat te vermijden. Zijn huisleraar – Adriaan krijgt thuis les -laat vallen: ‘“De moffen lieten ons verrekken”. Nou, toen begreep Adriaan het wel. Meneer Van Look (…) dicteerde er nog een hele trits bij: “vechtbereid”, “verhoortechniek”, “vernietigingskamp”. Ook die woorden schreef Adriaan met een bibberpotlood op. Hij kon het echt niet helpen, was zelf niét over de oorlog begonnen. (…) Hij stelde vele vragen. Verboden vragen. Betrad verboden terrein. Maar hij genoot ervan. O, wat verlangde hij naar dapperheid.’

    De hedendaagse Van Dis gaat op zoek naar informatie over de vrouw die zijn Ommie was. Hij spreekt verre familieleden, vindt documenten. Zijn moeders nalatenschap levert een paar brieven van Ommie op. ‘Geruststellingen over mijn schoolvorderingen en strijd tegen galbulten (…) Bij tweede lezing viel mij een passage op die ineens meer betekenis kreeg: Wat is dat toch met Adje? Hebben jullie er veel met hem over gesproken? Hij tekent al dagen tanks in zijn tekenschrift en schietende soldaten in plassen bloed.’

    In Naar zachtheid en een warm omhelzen neemt de waarnemer Van Dis de lezer in treffende bewoordingen mee naar de ervaringen van de kleine, bangelijke jongen van toen. Het boek leest moeiteloos. Maar onder de heldere, haast lichtvoetige stijl van de auteur schuilt het drama. De verbeelding en empathie van de lezer worden aangesproken dankzij levendige personages, invoelbare dialogen en het perspectief van de kleine Adriaan. Af en toe is er een alwetende verteller aan het woord. De hedendaagse intermezzo’s zijn in de eerste persoon geschreven.

    Rudy Kousbroeklezing

    Vorig jaar kon Adriaan van Dis dan eindelijk de Rudy Kousbroeklezing houden die wegens corona een paar jaar was uitgesteld. In de tussenliggende jaren schreef hij verder aan de lezing. Zijn onderzoek breidde zich uit, de artikelen stapelden zich op, er kwamen steeds meer gegevens bij. Veel te veel voor een lezing. Daarom is er nu wederom een boek; De kolonie mept terug is de neerslag van al dat materiaal. Opnieuw is Van Dis’ beschouwende oog gericht op het koloniale verleden en de gevolgen ervan, op racisme en de witte kijk op de wereldgeschiedenis.

  • Met weinig woorden veel effect

    Met weinig woorden veel effect

    De naamloze ik-verteller in Ik dacht dat jij van Joke van Leeuwen is kunstschilder, zijn vrouw Zigi is violiste. Vanaf pagina één leren we hem kennen als iemand die tegen veel dingen niet bestand is. Hij kon niet tegen het huilen van zijn babydochter Lotta (die hij kreeg met zijn eerste vrouw), hij kan niet tegen buren, niet tegen het viool oefenen van Zigi en kan er ook niet tegen als Zigi ‘zo’ naar hem kijkt. Hij kan er überhaupt niet tegen als iets niet strookt met zijn wensen en verwachtingen. ‘Voor haar’, repareert hij het lek in de badkamerkraan ‘want zoiets kon ze dus niet.’ De tafel in de woonkamer is ‘mijn tafel’. Lotta at als peuter ’tergend langzaam’ en hij dacht dat ze ‘het expres deed, om te treiteren’. Na zijn scheiding geeft hij een tijdje les waarbij een van de leerlingen huilend wegloopt omdat ‘ze beter een trui kon gaan breien als ze dat tenminste wel kon. (…) Ik zei het misschien te dicht bij haar gezicht, maar zo erg is dat niet.’

    Als kind had hij ‘een vader die mij vertelde wat ik moest denken over de wereld. Hij had een stuk of zes in een mal gegoten meningen’, en zijn moeder stuurde hem op zijn zevende naar een psycholoog omdat hij zijn eten uitkotste boven zijn bord als hij het niet lustte. Toen al kleurde verongelijktheid en zelfovertuiging de ik-figuurs blik op de wereld. Met Zigi zit hij in bad en wil eruit ‘en ze antwoordde in van die slijmjurkentaal dat ik best wat meer in het nu kon zijn.’
    Dan zijn we pas op pagina tien. De neiging om een etiket te plakken op ’s mans gedrag is nauwelijks nog te onderdrukken.

    Psychisch landschap

    De roman Ik dacht dat jij is de elfde van creatieve duizendpoot Joke van Leeuwen. Al decennialang onderhevig aan wat zij haar scheppingsdrang noemt, publiceert ze tientallen kinderboeken, illustraties, romans, dichtbundels en vier non-fictieboeken, en staat ze geregeld op het podium met voorstellingen voor kinderen en volwassenen. Haar stijl is ‘pregnant’, zoals ze die zelf bestempelt op dbnl.org. ‘Als je je in drie zinnen precies kunt uitdrukken, waarom dan een hele pagina gebruiken? Ik voel me goed bij een pregnante manier van uitdrukken, in heldere taal.’ Die heldere taal voelt ook voor de lezer goed. Met haar rake zinnen en puntige humor roept Van Leeuwen hele werelden op, zoals die van de Franse revolutie in Feest van het begin (2012) en van Nederlandse emigranten uit 1847 in een tropisch land in De onervarenen (2015). Met Ik dacht dat jij blijven we dichter bij huis maar krijgen we wel een interessant psychisch landschap voorgeschoteld.

    In de relatie tussen de ik en Zigi lijkt Zigi de op- en aanmerkingen, het wantrouwen en de onterechte beschuldigingen, plus de ‘liefde’ van haar man lijdzaam te ondergaan. Ze is nog niet los van de charme die hij ook tentoon kan spreiden, heeft begrip voor zijn lichtgeraaktheid, doet suggesties hoe in contact te komen met dochter Lotta die hij al negen jaar niet meer ziet en vraagt hem mee te gaan naar concerten als ze moet spelen.

    Wie er aan zichzelf denkt

    Andersom is het anders. Reflecteren is de ik vreemd. Hij roept Zigi om naar een schilderij te komen kijken dat hij net voltooid heeft, maar zij zit in bad. Als ze later komt kijken staat het schilderij met de achterkant naar voren. Hij laat het niet zien. ‘Ze snapte niet dat ze zeurde en dat ze meteen had moeten komen, ze was duidelijk niet geïnteresseerd, ze dacht alleen maar aan zichzelf, Zigi.’ Hij levert schilderijen aan een nieuw te openen restaurant en al snel volgt er onenigheid met de twee eigenaren over de financiële afhandeling. Begrip van zijn kant is totaal afwezig, kwaad gooit hij het bijltje erbij neer, haalt zijn schilderijen terug.

    Voortdurend beweert hij dat hij van Zigi houdt. Hij koopt een blouse voor haar, verfraait de wand van haar oefenkamertje als zij een week weg is met het orkest, legt er dik tapijt neer en koopt een kastje voor haar muziek, doet er een lief briefje bij. Hij mist haar, het huis en bed zijn koud. Eten laat hij komen. In de prullenbak vindt hij een doorgescheurde ansichtkaart en ‘wist opeens zeker dat het een kaart van Lotta was, dat Lotta wèl kaarten terugstuurde en dat Zigi die onderschepte omdat ze er niet tegen kon dat ik een kind had en zij niet (…).’ De snippers aan elkaar gelegd ziet hij dat het een kaart van Zigi aan een vriendin was die ze niet verstuurd heeft, en hij concludeert: ‘Het was dus geen kaart van Lotta, maar wie zei me dat Zigi geen andere kaarten had kapotgescheurd als ze zo goed kon scheuren?’ Tegen die tijd vraag je je al lang af waarom Zigi nog in dat huis woont met die man.

    Geen time-out

    Van Leeuwen heeft aan weinig woorden genoeg om de tragedie op te roepen. Niets wordt uitgesponnen, de vertelde feiten spreken voor zich. Misschien juist daardoor dendert het boek binnen. Met twee zinnen duidt de auteur het stuklopen van het eerste huwelijk van de ik en in niet meer dan drie zinnen in het boek schemert de dreiging. Waarom de ik geen contact meer heeft met zijn dochter wordt tegen het einde van de roman duidelijk, als hij een plaats en een school in Oostenrijk heeft weten te achterhalen waar hij denkt Lotta te kunnen zien. Hij heeft er met Zigi een huisje gehuurd. Zij is met het orkest in Wenen en de ik reist er eerder heen zonder dat tegen Zigi te zeggen om Lotta te zoeken, wat op een debacle uitloopt. De ik is geschokt en verontwaardigd. Tegen Zigi zwijgt hij of liegt erover. Al eerder zijn ze op aandringen van Zigi naar een psycholoog geweest. Na dat bezoek zegt de ik dat ze niet time-out tegen hem moet roepen, dat zal ‘een verkeerd effect op me hebben, doe dat niet’. Zelfinzicht en empathie zijn geheel afwezig.

    De kracht van Van Leeuwens beschrijving is dat die laat zien hoe hulpeloos en eenzaam iemand met zo’n persoonlijkheidsstoornis eigenlijk is, naast het onmogelijke gedrag van de egocentrist die al geërgerd is als hij bij een benzinestation ‘alles zelf moet doen’. Hoe leeg zijn gevoelsleven ook. Iets van genegenheid voor zijn ouders en Lotta en Zigi bestaat slechts in een verre uithoek van zijn gemoed. Hij kan niet zonder Zigi. Als ze er niet is, is hij rusteloos en hij heeft haar, liever gezegd iemand, nodig om voor hem te zorgen en zich tegen af te zetten. Ondertussen vlucht hij voor iedere vraag, voor iedere confrontatie, in wijn en zijn schilderijen.

    De afloop is niet echt verrassend, wel verrassend is de manier waarop Van Leeuwen die vertelt: in haar heldere stijl, onomwonden, zonder een woord teveel. Dat is niet de enige reden waarom de lezer toch nog onvoorzien kan glimlachen.

     

     

  • Aangename verstrooiing

    Aangename verstrooiing

    Bob Beerhorst en zijn dochter hebben een geheim, liever gezegd twee geheimen, zo vernemen we op het einde van Huis Vrede Breuk, de nieuwe roman van schrijver en journalist Boudewijn Smid. Alvorens daar te komen lezen we over Bobs perikelen, waarvan het laatste hem in de gevangenis brengt, waarin hij de eerste twee pagina’s van het boek zit. Dat feit verdwijnt al snel naar de achtergrond.

    Bob, zijn vrouw Mira en hun puberkinderen Lotta en Zeb wonen in een mooi appartement midden in Amsterdam. Bob werkt op een instituut dat doet denken aan het Meertens Instituut, waar schrijver Smid zelf een aantal jaren werkte. Hij neemt ontslag om zich volledig te gaan wijden aan zijn ‘darwinistische roman (…) over homo sapiens als kroon op de evolutie tegenover homo sapiens als plaag voor de aarde’, zijn debuut waarvoor hij van de uitgever een riant voorschot krijgt. Maar eigenlijk, memoreert Bob, ‘was het een verhaal over zijn moeder, over godsdienst, waanzin, liefde,’ waarover Smid eerder schreef in zijn tweede roman Een goede zoon (2010). Deze is grotendeels autobiografisch en serieus van toon. Voor Huis Vrede Breuk – en eerder voor Op de helling (2017) – heeft de auteur gekozen voor lichtvoetigheid met stereotype personages.

    Problemen

    Bob zal aan zijn roman werken tijdens het begeleiden van de renovatie van de ‘idyllische woning’ die hij en Mira hebben gekocht net buiten Amsterdam. De vlotte, zelfverklaard architect Geert (‘De oren staan als buitenspiegels aan zijn hoofd’) fungeert als aannemer, regelt de technische en financiële kant van de verbouwing en levert de Polen aan die het uitvoerende werk komen doen.

    Zoon Zeb en dochter Lotta vertonen onbehoorlijk pubergedrag en negeren hun vader. Ze zijn boos over de aanstaande verhuizing. De verbouwing gaat gepaard met problemen en tegenvallers, vooral van financiële aard. Klussen vallen duurder uit, de Polen doen moeilijk. De nieuwe buurt is minder aangenaam dan gedacht. Er komen inbraken voor, hangjongeren deinzen niet terug voor vernielingen en geweld, de buren blijken niet zo meegaand als ze zich aanvankelijk opstelden. Intussen is Bob na een opgebouwde gewoonte aardig aan de drank en heeft last van kwaaltjes en spanningen waarvoor hij zich tot de archaïsche huisarts Van Sprengel wendt. Met hem heeft Bob kleine discussies over het leven, terwijl de arts hem in het café intieme zaken toevertrouwt.

    Mira, met een goede baan als belangrijk iemand in de kunst, heeft nergens echt last van. Ze laat de kinderen zijn wie ze zijn, eist niets, maakt zich geen zorgen over financiën, gaat luchtig naar openingen van tentoonstellingen en vertrouwt erop dat alles goedkomt. Zelfs onbehouwen gedrag van Bob, wanneer hij een restaurant waar ze gevieren zouden gaan eten ontvlucht en in de kroeg gaat zitten, kan haar nauwelijks van haar stuk brengen.

    Aardige inzichten

    Smid vertelt gemakkelijk en het verhaal zit goed in elkaar. De dialogen zijn levendig. Het is een verdienste van de welbespraakte auteur om in alle oppervlakkigheid toch aardige inzichten te debiteren, zoals: ‘te veel mensen worden grootgebracht met het idee dat ze iemand zijn. (…) Uniciteit is een idee-fixe. (…) Maar in feite zijn we helemaal niemand. (…) En dan die obsessie met geluk (…) Geluk is een verdienmodel. We moeten kinderen vanaf de geboorte meegeven dat het leven een grap is. Een samenloop van omstandigheden. Dat voorkomt trauma’s en andere ellende.’ Even stereotiep als de personages zou je denken, maar stonden deze woorden in een filosofie- of zelfhulpboek dan zouden ze wellicht als een betekenisvolle zienswijze worden omarmd.

    Na de verhuizing – Bob en Mira kamperen dan in de woonkamer omdat de aanbouw nog niet klaar is – worden Zeb en Lotta meegaander. Als Bob, de schrijver die niet erg opschiet met zijn boek, belaagd wordt door jongeren is het Zeb die hem helpt en nog een aardige zoon wordt ook. Lotta keert zich als ze hem met een andere vrouw ziet tegen Bob, maar bij een conflict met de buurman is zij de hulpvaardige dochter die het voor haar vader opneemt. Aannemer en architect Geert is een levensgenieter: ´Ik kwam er langzamerhand achter dat ik geen ambitie heb. Ja, zo aangenaam mogelijk versterven. Mediteren, seksen en dansen, en zo nu en dan een huisje renoveren. Ook bij een levenskunstenaar moet de schoorsteen roken.´Soms schemert kennis van zaken door die zo van internet lijkt te komen, bijvoorbeeld in een gesprek over tantra, en over de verbouwing.

    Netjes afgerond

    Het boek is door Smids luchtige en humoristische verteltrant aangenaam om te lezen. ‘God heeft mij geschapen naar zijn beeld: een luie donder die vanaf de zijlijn toekijkt hoe de wereld naar de ratsmodee gaat.’ Nadelig is dat de oppervlakkigheid het menselijk leed tenietdoet. Eerder zal de lezer geamuseerd kennisnemen ván dan meeleven mét de narigheid die het gezin treft. Bob noch anderen roepen medelijden of medeleven op. Het verhaal wordt wel netjes afgerond. Geert verdwijnt na een confrontatie met Mira uit zicht, de Polen hebben zich al eerder teruggetrokken, Van Sprengel houdt plotseling zijn deur voor zijn patiënten gesloten en we vernemen zelfs nog wat er van hem is geworden. De buurman overspeelt zijn hand waardoor ze van hem en zijn vrouw ook geen last meer hebben. En het gezin gaat de toekomst tevreden tegemoet, al zit Bob in de gevangenis. De twee geheimen maken nieuwsgierig naar het perspectief van de dochter op de geschiedenis – iets wat we niet te weten zullen komen. Huis Vrede Breuk is een aardig boek om ter verstrooiing te lezen, al dan niet in de vakantie.

     

     

  • Oogst week 25 – 2023

    Veelvuldig en alleen

    Voor Veelvuldig en alleen maakte schrijver en wiskundige Anjet Daanje foto’s van rotspartijen en tekende ze plattegronden, van het verzonnen dorp waar het verhaal zich afspeelt, van het kasteel waarin hoofdpersoon Daan verblijft, van zijn kamer. Dat laat zien hoe grondig zij te werk gaat bij het schrijven van romans en scenario’s, wat ze al sinds de jaren tachtig doet. Met De herinnerde soldaat (2019) kreeg ze grote bekendheid en sinds Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) een bestseller werd, mag voor velen duidelijk zijn hoe ingenieus haar romans (en scenario’s) in elkaar zitten.

    Veelvuldig en alleen werd voor het eerst uitgegeven in 2003. Het handelt over Daan, die zeven jaar eerder een beslissing nam waardoor er iets vreselijks gebeurde. Vanaf die tijd ligt hij in bed en ontvangt vrienden aan wie hij het graag doet voorkomen alsof de reden daarvoor een intellectuele oorsprong heeft. De vrienden vertellen hem over de vroegere gebeurtenissen, Daan piekert. Hoe betrouwbaar zijn hun aller herinneringen?
    ‘Als hij zich nu voorstelt hoe hij daar loopt, met de zelfverzekerde, ferme passen die voor Floors ogen zijn bedoeld, de zebragestreepte handdoek om zijn nek, voelt hij een verlamd, opstandig medelijden. Het is alsof hij naar een onwetend kind kijkt en niets kan ondernemen om te verhinderen dat het straks over een boomwortel zal struikelen. De vijftienjarige Daan is hopeloos onnozel. Hij zoekt zijn vrienden bij de zee waarin een van hen vier dagen later zal verdrinken, maar hij voelt het niet aankomen.’
    Daanje laat in dit verhaal de waarheid vele gezichten hebben en schuld vele verschijningen.

    Veelvuldig en alleen
    Auteur: Anjet Daanje
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Kwade wind

    Kaouther Adimi (Algiers, 1986) ontdekte tussen haar vierde en achtste levensjaar het plezier van het lezen. Ze woonde op dat moment met haar familie in Grenoble. In 1994 keerde ze terug naar Algerije, waar toen een religieuze burgeroorlog tussen de Algerijnse overheid en gewapende islamitische groeperingen woedde. De mogelijkheden om te lezen waren beperkt, reden waarom Adimi zelf maar verhalen begon te schrijven. Ook tijdens haar studies literatuur en hrm schreef ze. Met haar verhalen en novellen won ze vele prijzen. Sinds 2009 woont en werkt ze in Parijs. De boekhandel van Algiers verscheen in 2017 en werd in 2021 in het Nederlands uitgegeven. De roman werd alom geprezen. Dagblad Le Figaro ziet Adimi als het nieuwe wonderkind van de literatuur.

    Nu is daar Kwade wind, waarin bijna een eeuw Algerijnse geschiedenis aan bod komt; van de kolonisatie tot aan de burgeroorlog. In de jaren twintig zijn twee jongens en een meisje in een Algerijns dorp goede vrienden. De jongens, Tarek en Saïd, zijn beide verliefd op Leila. Zij wordt jong uitgehuwelijkt, de rijke Saïd gaat in het buitenland studeren en Tarek wordt herder. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moeten beide mannen naar het front.
    Als Tarek terugkomt ontmoet hij Leila, die dan gescheiden is en een zoon heeft, opnieuw en trouwt met haar. Hij werpt zich in de strijd voor onafhankelijkheid en keert terug naar Europa omdat hij in eigen land geen werk kan vinden. Saïd is schrijver geworden en publiceert een roman, met grote gevolgen voor Tarek en Leila.

    Kwade wind
    Auteur: Kaouther Adimi
    Uitgeverij: Uitgeverij Ambo⎪Anthos 2023

    Een tafel bij het raam

    In de tweede roman van Mirthe van Doornik is chef-kok en ik-personage Alp het liefst alleen in de keuken van zijn restaurant dat een tragische geschiedenis achter zich heeft. Koken is niet direct zijn passie. Hij heeft zich op het restaurant gestort om te ontkomen aan de zorg voor zijn ouders. De gasten en de rest van de buitenwereld interesseren hem niet echt. Zijn aandacht is bij het koken, bij recepten, zijn to-dolijstjes en de zorg voor het op tijd klaar zijn van zijn menu’s. In de warme zomer kampt hij ook nog eens met te weinig personeel en is genoodzaakt om voor de bediening de afwasjongen in te schakelen. Een eenling, net als hijzelf.

    Plastisch, zwartkomisch en fijngevoelig beschrijft Van Doornik de gebeurtenissen rondom Alp. ‘Nooit eerder had ik muizen gehad. Het was een dik, traag beestje, absoluut een muis voor beginners, maar ik had geen idee hoe ik het moest aanpakken. (…) Er zijn veel dierenhemelen waar ik zelf ook niet meer aan kan kloppen. Piepende kreeften in mijn pan, soms nog stuiptrekkend op de grill. Niet in de kreeftenhemel, niet in de hertenhemel, geen hemelse velden waar lammetjes grazen. Ik ben er nooit helemaal onverschillig over geweest.’ Mens en dier komen in Een tafel bij het raam aan bod, net als eenzaamheid, erkenning en verzet. Hoe moet Alp tegemoetkomen aan de steeds buitenissigere wensen van de gasten? Hoe moet hij met teruglopende reserveringen het restaurant laten voortbestaan?

    Een tafel bij het raam
    Auteur: Mirthe van Doornik
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus 2023
  • Er dwaalt een aardige jongeman door Kopenhagen

    Er dwaalt een aardige jongeman door Kopenhagen

    ‘Bob verhuist dan en ik met hem naar Vanløse, (…)’ Aldus begint Bob van de Deense schrijfster Helle Helle. Het is augustus, Bob is tweeëntwintig en gaat samenwonen met zijn vriendin. Deze vriendin is de ik die het verhaal vertelt, maar zelf nauwelijks als personage meedoet. Veel meer dan dat ze eerstejaars student is, komen we over haar niet te weten. Af en toe gaat het over ‘we’ of ‘ons’ maar meestal enkel over het wel en wee van Bob.

    Helle dist het verhaal op door Bobs doen en laten in het dagelijks leven te registreren, inclusief wat hij ervaart en onderweg ziet en tegenkomt. Bob klopte de kussens op, Bob zei hartelijk dank, Bob moest strijd leveren, hij kon niet uit bed komen, ging de stad in, liep naar beneden, wilde gaan zitten, wandelde. Bob doet dit en Bob doet dat. Het is even wennen aan die opsomming van trivialiteiten. Is de stijl eenmaal vertrouwd, dan ontstaat een levendig beeld van het leven van een jongeman die zijn best doet zich te handhaven in een nieuwe situatie. Hij weet nog niet wat hij zal gaan studeren, alle opties liggen open maar voor geen enkele voelt hij echt iets. Hij zoekt een baantje en komt bij toeval als receptionist in een hotel terecht. Tijdelijk. Thuis doet hij het huishouden.

    ‘Lange gedachtereeksen ontsprongen aan alles wat hij meemaakte en hoorde en dingen waar hij op stuitte, van een doorweekte graszode tot jeuk aan zijn oor.’ Dwanggedachten zijn de licht neurotische Bob niet vreemd. Straatnamen zijn in het boek in grote mate aanwezig. Ze zijn weliswaar relevant, maar ‘Bob dacht voortdurend aan straatnamen, (…) een gewoonte die thuis aan de ontbijttafel was ontstaan.’ In Kopenhagen, waar hij de weg moet leren kennen, repeteert hij behalve de namen van straten ook die van restaurants, hotels en andere gebouwen. ‘Bob wandelde in de richting van station Nørreport. Hij verdwaalde als gebruikelijk in de buurt van de Grønnegade en Gammel Mønt, het was een hele onlogische buurt, maar na een poosje zag hij de stroom mensen in Købmagergade (…)’ Helle Helle is populair in Denemarken en er zullen zeker lezers zijn die de routes van Bob gaan nalopen.

    Socialemediagemakzucht

    De ik en Bob komen ook voor in Helles roman zij (2019). Het meisje dat in Bob als ‘ik’ een bijrol heeft, is in zij een van de hoofdpersonages. De twee boeken zijn de aanloop naar een serie waarmee Helle langer wil doorgaan. Daarin zal altijd een rol weggelegd zijn, is haar voornemen, voor het meisje/de vrouw, opklimmend in jaren. De schrijfster begint een boek met de eerste en de laatste zin, vertelt ze in een interview in het Parool. Het schrijven van wat er tussenin ligt, ziet zij als een experiment waarbij haar zuinige taal niet los te zien is van het verhaal zelf. ‘Niet dat ik dat per se zo heb bedacht, maar ik schijn niet veel woorden nodig te hebben. Ik erger me wel al gauw als ik boeken lees met meer woorden. Wat ik merk is dat ik mijn eigen werk steeds strenger redigeer.’

    Haar unieke stijl is snel, achteloos haast. Bob eet met iemand smørrebrød in een restaurantje en ‘De klokken van het gemeentehuis sloegen. Hij strooide er meer zout op’. Iedereen snapt dat hij geen zout op die klokken strooit, maar zulke zinnen roepen de vraag op of Helle zich hier de grote stappen van de socialemediagemakzucht veroorlooft, of doorschiet in haar stijl. ‘De lucht was spierwit, hij sloeg zachtjes op het matras.’ Het lijkt erop dat ze moeilijk maat kan houden nu ze het adagium schrijven-is-schrappen is gaan omarmen. Toch zal de gearriveerde en in vele talen vertaalde Helle die steeds strenger redigeert, precies weten wat zij doet. Haar korte zinnen vol details over het dagelijks leven zijn haar handelsmerk. Ze schaaft eraan, net zolang tot ze overhoudt wat voldoende is voor het verhaal – reden waarom zij wel een minimalistisch schrijver wordt genoemd.

    Haar formuleringen zijn vaak ook verrassend en humoristisch. Bobs auto, die bij zijn ouders op het platteland stond gestald, is gestolen en de politie heeft hem gevonden. ‘Maar hij zou helaas geen auto meer worden, zoals zij het inschatten.’ Of in een barsituatie: ‘Sommige mensen kunnen gewoon nooit hun geld vinden’, wat een grappige manier is om te zeggen dat iemand haar drankje graag door een ander laat betalen.

    Moreel kompas

    Het is knap om in een soort telegramstijl een hele vertelling van kop tot staart neer te zetten. Door de veelal korte zinnen leest het boek snel en gemakkelijk weg. Maar wat aanvankelijk lichte kost lijkt, zet de lezer juist aan tot nadenken. Hij moet zelf ontdekken wat er precies gaande is: ‘Haar ogen traanden, hij had een servet van een oud lunchpakketje in zijn zak.’ Dat invullen lukt niet altijd. Bij ‘en dacht voor de duizendste keer: dat kan toch niet’ is in nevelen gehuld wat hij vindt dat er niet kan. Ook bij ‘zijn schuchtere broertje niet, zijn vader met sigaret en koffiekop, lichtvoetig de deur weer uit’ voeren de laatste raadselachtige woorden nergens naar terug.

    Waar het echt om draait, namelijk de relatie van Bob en zijn vriendin, is te vinden in de diepere laag. Er komen vrienden of Bobs broertje op bezoek, met wie ze zoals het jongeren betaamt, gezellig de stad in gaan. Ondertussen bekommert de ik zich niet om huishoudelijkheden en heeft ze Bobs blauwe slaapzak kwijt gemaakt. Soms is ze er niet. En Bob wil soms, als hij elders is, nog niet naar huis.

    Wat blijft hangen is het beeld van een aardige, onzekere, wat naïeve jongeman met neurotische trekjes en een sterk moreel kompas, dwalend door de straten van Kopenhagen. Hij doet de boodschappen en de was, kookt het eten, maakt het bed op, gaat naar de wasserette, bakt pannenkoeken, gaat naar zijn werk en ontmoet vrienden. Door zijn onzekerheid dreigt hij te worden meegezogen in een piramidespel dat hem al zijn spaargeld kost.
    Het boek heeft bijna een open einde. Eén klein gegeven vermeldt Helle, waarmee ze Bob op tijd lijkt te laten ontsnappen aan een uit elkaar vallend voortbestaan. Het is genoeg om opgelucht adem te halen.

     

     

  • De kracht van Onetti’s mysteriën

    De kracht van Onetti’s mysteriën

    Ontgoocheling, eenzaamheid, existentie, zielenleed en verloedering: dat zijn zo’n beetje de thema’s, gevat in raadselachtige vertellingen, waar de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) om bekend staat. Zijn boeken worden wel hermetisch genoemd en De dood en het meisje (1973) is daar wellicht de meest evidente representatie van.

    In het voorwoord schrijft vertaler Maarten Steenmeijer over Onetti’s debuutroman De put (1939): ‘In plaats van de lezer te onthalen op romantische doorkijkjes op het pampaleven of op helse avonturen in overweldigende oerwouden (…) maakte Onetti hem deelgenoot van de existentiële walging van (…) een ontgoochelde en ontgoochelende loner die in een aftandse kamer ergens in een niet met name genoemde stad aan de vooravond van zijn veertigste verjaardag de uitgebeende balans van zijn leven opmaakt.’ Daarmee is de toon gezet. Ook in De dood en het meisje is cynisme, waaruit geregeld een laconieke humor ontspruit, de tendens.

    Onetti’s boeken vertegenwoordigen niet het magisch realisme van Latijns-Amerikaanse schrijvers als Gabriel García Márquez, Isabelle Allende of José Veiga – al wil de laatste niet bij die categorie ingelijfd worden – maar een vleug van deze sfeer is in De dood en het meisje beslist aanwezig, alleen al door gebeurtenissen waarvan niet altijd duidelijk is wie ze vertelt en wat er precies is gebeurd. Ook woorden als grootgrondbezitters, nationalisten en gaucho, plus beschrijvingen van een met zilverwerk opgetuigd veulen en het gezicht van een ruiterstandbeeld dat trekken van een rund begint te vertonen, alsmede een aangekondigde dood roepen associaties op met de literaire Latijns-Amerikaanse wereld.

    Uitgestelde moord

    In de fictieve stad Santa María komt ’tevenzoon’ en notaris Augusto Goerdel bij de arts Díaz Grey en vertelt hem van zijn voornemen om zijn vrouw om te brengen. De reden is dat hij zijn ‘onsterfelijke verlangen’ naar haar, zijn begeerte, niet de baas kan en een (tweede) bevalling volgens artsen in de hoofdstad en Europa haar dood zou betekenen. ‘Voorzorgsmaatregelen’ om de seksuele gemeenschap of een zwangerschap te voorkomen zijn om godsdienstige redenen niet mogelijk en zijn vrouw ‘zou ook geen nee zeggen’. Voorlopig stelt Goerdel de aangekondigde moord uit door een paar maanden weg te gaan.

    Onetti laat een ik, die soms Díaz Grey is, een alwetende verteller en een enkele keer wij-vertellers aan het woord. Veel personages zijn afkomstig uit zijn eerdere romans. Ook de stad Santa María, ‘waar alleen de goede daden zich in het geheim voltrekken’ (in Onetti’s roman Het korte leven gesticht door Juan María Brausen), komt voor in veel van zijn andere romans en verhalen. Brausen is ‘Onze Heer’, Onze Vader die in het Niets zijt’, ‘de Stichter’ en ‘God’ en in De dood en het meisje alomtegenwoordig.

    Eigen plannen

    De Zwitserse katholieke kolonie nabij de stad is een kolonie van landarbeiders, gesticht door Europeanen die met het schip de Mayflower naar de kust van Santa María waren gekomen.

    Pater Bergner, wiens ouders evenals die van Augusto Goerdel met de Mayflower waren meegekomen, had Goerdel uit de kolonie gehaald om hem een Kerkelijke opleiding te geven, met als doel Goerdel voor zijn eigen plannen in te zetten. ‘Hij bestudeerde op zijn gemak zijn neppriester. Als het idee, het project echt uit Brausens koker kwam en geen valstrik van de Duivel was, dan speelde tijd geen rol. Hij begreep dat de jongen intelligent was, dat de onverbiddelijkheid hem in het bloed zat vanwege zijn ambitie en de Germaanse behoefte aan triomf, aan wraak.’

    Onetti schrijft beide personages toe al lang te weten wat hun doelen zijn. ‘Jarenlang hebben jij en ik hetzelfde spelletje gespeeld (…) we wisten hoe we moesten veinzen,’ zegt Bergner tegen zijn leerling. ‘Jij bent niet geboren om de Heer binnen de Kerk te dienen. Daarvoor heb ik je ook niet opgeleid. De plaats voor jou die mij altijd voor ogen heeft gestaan is de wereld, Santa María en de Kolonie (… ) Maar van nut om met een of andere titel de Kerk te dienen, en met haar steun. Ik wil dat je rijk wordt (…) dat je schijnheilig en subtiel wordt (…).’

    Aldus gaat Goerdel voor de kerk in de kolonie werken en buigt zich over burenconflicten, testamenten, hypotheken, koop en verkoop en ‘leningen met rentes die werden vastgesteld door Pater Bergner of het mysterieuze Kapittel (…)’. Bergner neemt de biecht af en samen weten ze alles over de vermogens, relaties en belastingen van de kolonisten. Door Bergners bemoeienis trouwt Goerdel met Helga Hauser, de vrouw die hij in het begin van het boek voornemens is te doden.

    Raadselachtigheid

    Díaz Grey, de samenhangende factor en volgens Maarten Steenmeijer een ‘soort alter ego’ van Brausen, krijgt in een volgend hoofdstuk bezoek van Jorge Malabia. Zijn ‘als praktijkassistente vermomde monster’ laat hem binnen. Met zijn laconieke humor schrijft Onetti: ‘Ik keek hem kalm aan vanuit mijn fauteuil. Ik wist dat de leegte van mijn ogen, de kalmte van mijn rustende, roerloze handen, vingertop tegen vingertop, hem zouden doen ontploffen. Zodoende sloegen we de begroeting over.’ Malabia schreeuwt: ‘Hij heeft haar vermoord,’ en ‘we zoeken hem om hem te vermoorden maar hij had zich al verscholen.’ Vervolgens gaat het over Kaïn en Abel en over Brausen die handelde als ‘een politieke caudillo. Hij nam het op voor Kaïn bij de onderzoeksrechter (…) hing de moordenaar een preventie- en immuniteitsbord om.’ In zijn grot kijkt, vermoedelijk Kaïn, dat is niet duidelijk, naar een op hem gericht driehoekig, groen oog en denkt-praat ‘Jij wilde dat ik het zou doen en ik deed het.’

    Op het einde van De dood en het meisje hebben Malabia en Díaz Grey van een teruggekeerde Goerdel documenten gekregen waaruit zou moeten blijken dat niet hij maar iemand anders zijn vrouw heeft omgebracht. De feiten komen echter niet boven tafel.

    In Afscheid – in 2021 eveneens uitgegeven door Uitgeverij Kievenaar – roept Onetti eenzelfde raadselachtigheid op, zaait hij twijfel, als hij in een café allerlei personages laat samenkomen en roddelen over de basketbalspeler die in een nabijgelegen sanatorium wordt behandeld en ook vaak in het café komt. Ook hier blijft het gissen naar de waarheid achter de roddels.

    Onetti’s personages zijn marionetten, bewegend aan de touwtjes waar de schrijver in de vermomming van Brausen aan trekt. De dood en het meisje is geen boek om te lezen maar om te savoureren en niet alleen voor het doorgronden. Iedere spitsvondige zin is het waard te overdenken, de inhoud ervan te ontleden. Subtiel is de kritiek, op de (katholieke) kerk, de Zuid-Amerikaanse maatschappij, de Germaanse inborst – wat dat ook mag zijn – de mensheid met al haar individuen. Zelfs de revolutionairen ontkomen niet aan Onetti’s aantijgingen. Ondanks alle mystiek beschrijft Onetti een wereld waarvan hij de schijn genadeloos ontmaskert.

  • Oogst week 40 – 2022

    Kroniek in steen

    Ismail Kadare (1936) is Albanië’s meest beroemde schrijver. In 1963 kreeg hij internationale bekendheid met zijn roman De generaal van het dode leger waarin een Italiaanse generaal twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog opdracht krijgt om in Albanië de stoffelijke resten van Italiaanse militairen op te sporen die daar omgekomen zijn bij gevechten met Albanese partizanen, Grieken en Duitsers. Kadare schreef daarna nog tientallen andere verhalen en romans, waarvan uitgeverij Atheneum nu Kroniek in steen uitgeeft in een vertaling van Hans de Bruijn. Kadare schreef het in 1971 en onder de titel Kroniek van de stenen stad verscheen het tweemaal eerder in het Nederlands.

    Het werk van Kadare heeft vaak een historische context, waarbij wraak, geruchten, afgunst en een koude omgeving met sneeuw, regen en kilte de belangrijkste ingrediënten zijn. In Kroniek in steen vertelt een jongetje van rond de tien jaar de lotgevallen van een niet bij naam genoemde oude stad in Albanië. Hij zwerft rond door stenen straten, markten en pleinen met waterputten. Hij komt in abattoirs en bezoekt salons waar oude vrouwen de toekomst voorspellen. De magie van het alom tegenwoordige bijgeloof wordt ruw verstoord door de Tweede Wereldoorlog en de werkelijkheid wordt afwisselend bepaald door Italiaanse, Griekse en Duitsers bezetters. Met een onbevangen kinderblik vertelt het jongetje wat hij waarneemt van communisten, fascisten, zigeuners, een vluchtende bevolking en uiteindelijk de partizanen, wier komst een nieuw begin inluiden. Ondertussen heeft hij een van zijn grootvader gekregen boek gelezen waardoor hij de betoverende kracht van taal heeft leren kennen.

    Kroniek in steen
    Auteur: Ismail Kadare
    Uitgeverij: Atheneum 2022

    In het labyrint – Nagelaten verhalen

    De literaire aantrekkingskracht van Franz Kafka (1883-1924) behoeft geen betoog. Zijn wereldberoemde Het proces heeft talloze lezers bekoord en weinig schrijvers kunnen erop bogen dat hun naam een bijvoeglijk naamwoord is geworden. “Kafkaësk” is zo ingeburgerd geraakt dat menigeen zich er wel een situatie bij kan voorstellen.
    De meester van de vervreemding, het beklemmende en het absurde heeft veel ongepubliceerde teksten nagelaten. Deze zijn allemaal verzameld in de Nachgelassene Schriften und Fragmente, waaruit In het labyrint – Nagelaten verhalen is samengesteld.

    De Franse literatuurcriticus Roland Barthes maakt een onderscheid tussen ‘leesbare’ en ‘schrijfbare’ teksten. De leesbare teksten zijn duidelijk, de lezer hoeft niet te gissen naar de betekenis van de woorden en zinnen. Bij de schrijfbare teksten is de betekenis multi-interpretabel waardoor er weinig zinnigs over gezegd kan worden. De teksten in In het labyrint zijn volgens de uitgever leesbare stukken. Het boek bevat een vrijwel afgerond verhaal plus andere, onaffe verhalen, maar ook losse uitgewerkte scènes en afzonderlijke zinnen waarmee Kafka een idee opschreef. Hoe kort of lang ook, de beelden die Kafka met zijn woorden oproept tonen altijd weer zijn fantastische, absurde en toch herkenbare wereldbeeld, waarin de humor niet ontbreekt.

    In het labyrint - Nagelaten verhalen
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Koppernik 2022

    Boekhandel in de bergen

    De Italiaanse Alba Donati (1961) maakte naam als dichter en literair criticus. Met haar werk won ze verschillende Italiaanse poëzieprijzen. Ze werkte voor tv en radio, vertaalde poëzie en had poëziecolumns in diverse kranten. Het Regionaal Orkest van Toscane zette haar gedicht Het lied voor de vernietiging van Beslan op muziek.

    Woonachtig in Florence neemt Donati het besluit om een nieuw project te starten. In haar geboortedorp Lucignana, waar 170 mensen wonen, opent ze een boekhandel. In Boekhandel in de bergen, het dagboek waarin ze haar werk in de boekhandel en het leven in Lucignana beschrijft, tekent ze op: ‘Het idee van de boekhandel kwam op een nacht kant-en-klaar, ingepakt en wel, bij me aankloppen. Het was 30 maart 2019. (…) Ik had weinig geld: ik moest iets verzinnen.’

    Na een paar weken al breekt er brand uit in Donati’s boekhandel, maar met hulp van haar dorpsgenoten en jeugdvrienden komt ze er bovenop. ’s Nachts leest ze, overdag runt ze de winkel. ‘De pakketjes voor de vrouw in Salerno en haar twee dochters zijn bijna klaar. Dit is hoe ik op het idee ben gekomen om een boekhandel te beginnen in een dorpje in de Toscaanse bergen tussen de Prato Fiorito en de Apuaanse Alpen. Ik ben erop gekomen zodat een moeder in Salerno haar dochters twee dozen vol Emily Dickinson kan geven,’ schrijft ze in het dagboek. Haar Libreria Sopra la Penna wordt een toevluchtsoord voor gelijkgestemden. In beeldrijke taal noteert Donati haar gedachten over de beste boeken, bezielde auteurs en memorabele personages, gelardeerd met dorpsverhalen en beschrijvingen van de Toscaanse natuur.

    Boekhandel in de bergen
    Auteur: Alba Donati
    Uitgeverij: Cossee 2022
  • Van vervangkind naar zondagskind

    Van vervangkind naar zondagskind

    Het is januari 1900 als de Haarlemse Lodewijk zich meldt bij het conservatorium La Schola Cantorum in Parijs. Onderdak heeft hij gevonden in de Rue Lepic, waar toentertijd veel schilders, schrijvers en musici woonden. Daarmee begint Erik Harteveld zijn Het verloren kind, een novelle in brieven.

    Lodewijks hospita, Madame Perez, noemt hem monsieur Ludovic. ‘Dus heb ik tot mijn vreugde eindelijk een eigen naam!’ schrijft hij in zijn tweede brief aan een niet nader genoemde broer. Aan het conservatorium zal hij verder opgeleid worden tot componist, nadat hij in Nederland al een gedegen muzikale opleiding achter de rug had. ‘Er is voor mij niet veel te doen op La Schola,’ schrijft hij dan ook. ‘Ik heb alle taken af en alle voor dit jaar verplichte stof bestudeerd en meer dan dat.’ Intussen heeft hij kennis gemaakt met de hoornist Jürgen en diens broer de cellist Karl. Zij zijn telgen uit een rijke Duitse familie en worden Lodewijks beste vrienden. Samen met enkele andere studenten vormen ze een vriendenclub binnen en buiten het conservatorium.

    Met wijd open ogen op zijn paardje

    Al snel krijgt Lodewijk een pakje bezorgd. Hij verwacht dat het door zijn vader gestuurde bladmuziek bevat, maar het blijkt de foto van zijn overleden broertje, die Lodewijk bewust niet had meegenomen. In de begeleidende brief schrijft zijn vader dat zijn moeder diep in hem teleurgesteld is. ‘Vader vraagt zich af waarom ik lichtvaardig omspring met de gevoelens van anderen,’ schrijft hij in zijn brief aan zijn broer. Op de foto zit het broertje dood en wel met wijd open ogen op zijn paardje en Lodewijk, het vervangkind, het mindere kind, gruwt van dat beeld. Hij zet de foto op de piano achter bladmuziek om hem niet te hoeven zien. Hij kan de foto niet opbergen voor het geval zijn ook in Parijs woonachtige Tante Chantal op bezoek komt en aan zijn moeder doorgeeft dat de foto ontbrak. Zijn moeder, die na al die jaren nog steeds gebroken was van verdriet en niet naliet Lodewijk te vergelijken met zijn dode broer. Gefrustreerd hamert Lodewijk ‘zo hard op de Pleyel dat Madame Perez kwam kijken wat er aan de hand was.’ Mede om los te komen van ‘een gebeurtenis die hem al zijn leven lang achtervolgt’ verheugde Lodewijk zich op zijn leven in Parijs.

    De couleur locale is bij Harteveld behalve in de omgeving ook in de taal te vinden. Naast het Nederlands gebruikt hij Franse en Duitse woorden en zinnen. ‘Bonjour mon petit frère,’ ‘Beste broer,’ en ‘Gutentag Brüderlein,’ schrijft hij in zijn brieven en hij ondertekent met variaties op ‘Ton Frère, Ludwig’. Als Karl en Jürgen hem ophalen om naar de Wereldtentoonstelling te gaan die juist op dat moment in Parijs plaatsvindt, zien ze de foto van het broertje. ‘Karl vroeg of hij erkrankt war. Ik antwoordde dat hij ertrunken ist. Und warum guckt das Kind so komisch? Ik zei dat das Bild post mortem gemaakt is.’

    Rooskleurige weg

    Lodewijk heeft een lamento gecomponeerd met gedachten aan zijn dode broertje. De uitvoering van deze compositie wordt door iedereen toegejuicht, maar zijn ook aanwezige moeder reageert hysterisch. Als kort daarop zijn vader overweegt zijn toelage in te trekken omdat hij zijn moeder zoveel verdriet heeft gedaan, is daar, oh wonder, de volgende dag al een genereuze oplossing. Vervolgens krijgt hij van het conservatorium de opdracht het openingsconcert voor het volgende seizoen te componeren omdat de ouderejaars die deze opdracht eigenlijk zou vervullen is uitgevallen. Voor dit Une Journée à la Campagne laat hij zich inspireren door de vredige, harmonieuze plattelandsomgeving van de ouders van zijn vriendin Margaux. Lodewijks weg in Parijs gaat over rozen.

    De hoorn scheurt de lucht doormidden

    Hartevelds beschrijvingen van de muziek zijn magnifiek. Hier spreekt de muzikant Harteveld, die er wonderwel in slaagt met woorden over te brengen wat hij met de muziek bedoelt: ‘Daar hing het Tristan-accoord trillend in de lucht als een kille deken op het land. (…) Traag en bijna onmerkbaar klom het accoord omhoog, het werd langzaam lichter. De fagot steeg aarzelend, alsof de zon zijn plaats zocht aan de hemel. (…) Melodieën buitelden over elkaar heen tot alles samenkwam in een juichend hoog septiemaccoord. (…) Altviool en cello leggen laag een dreiging neer. Meer flitsen, luider zwart, roffels zwellen aan. (…) De hoorn scheurt de lucht doormidden, strijkers galopperen in het laag in ritmische cadans. (…) Alles kwam tot rust en zacht zette cello en fagot een melodie in, hun stemmen vlochten zich ineen, ondersteund door een bescheiden ondergrond van bas en hoorn en altviool, tot alleen de fagot nog een eenvoudig Gregoriaans motief speelde, zachter en zachter.’ Je zou wensen het muziekstuk in werkelijkheid te kunnen horen.

    Aan het einde van de novelle rest de conclusie dat ‘Ludovic’, ondanks dat hij voor zijn moeder slechts een vervangkind was, de bedroevende ervaringen uit zijn jeugd achter zich heeft gelaten en uiteindelijk een zondagskind blijkt te zijn. Hij kon naar Parijs gaan, heeft er welgestelde vrienden, verkeert in een bijzonder plezierige sociale omgeving, krijgt een lieve vriendin. Ook ontbreken diners niet en vloeien goede wijnen rijkelijk. De Gebrüder nodigen Lodewijk uit voor een ritje in een automobiel die een ‘snelheid kon bereiken van wel veertig kilometer per uur’. Mensen zwaaien naar hen, rennen achter hen aan. In een dorpje bij een herberg verzoekt Jürgen de waard om een tafeltje met een wit tafelkleed buiten te zetten.

    Bovenal heeft Lodewijk groot succes op het conservatorium. Met een toekomst waarin hij los van zijn vroegere leven behalve componeren ook een nieuwe hartstocht kan uitleven heeft hij het erg getroffen. ‘…ik wist alles al en moest alleen nog maar componeren om componist te worden. Mit dem Geld kannst du machen was du willst!’

    Alles past in elkaar

    Met de ontdekking van de vrienden dat in een kelder een noot van een bepaalde frequentie en rondzingend effect kan veroorzaken en dat een hoge noot een glas kan doen springen componeert Lodewijk La Résonance. De uitvoering daarvan in de concertzaal van La Schola zorgt voor een verrassing, door Harteveld uitmuntend beschreven. Ook het gebruik van Frans en Duits geven het boek een lichte sfeer mee. Lodewijks jeugdtrauma’s resoneren slechts op de achtergrond, pijn en verdriet zijn niet noemenswaardig aanwezig.

    In Het verloren kind overheerst de vreugde, van het maken van muziek, van het studentenleven van de artiesten, van de mogelijkheden en het succes. Lodewijks tijd in Parijs is zijn hergeboorte. Niet voor niets laat Harteveld dit verhaal zich afspelen in negen maanden tijd. Het is een mooi gecomponeerd boek, vol dwarsverbindingen en samenhang: verwijzingen naar de gebroeders Karamasow, Die Traumdeutung, de wijnhandeltjes, de wijnboerderij, het past allemaal naadloos in elkaar. En niet in de laatste plaats de muziek die gecomponeerd en uitgevoerd moet worden waarin alle leden van de vriendenclub hun rol hebben. Het verloren kind is één groot, vrolijk succesverhaal.

     

  • Oogst week 36 – 2022

    Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes.

    Filosoof Eva Meijer heeft zich verdiept in de rol van stilte in de politieke samenleving en daarover het essay Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes geschreven.
    De veelzijdige filosoof Meijer is op velerlei gebiedt creatief. Ze maakt tekeningen, kunstprojecten, schrijft liedjes, treedt op, fotografeert, schrijft essays, verhalen, romans en artikelen. Dieren staan in haar werk centraal plus de vraag wat het is om mededier – mens – te zijn. Taal is daarbij een instrument dat niet alleen door mensen wordt gebruikt, zo betoogt Meijer. Ze liet dat onder meer zien in haar boek Dierentalen (2016).

    Het politieke discours lijkt in toenemende mate afhankelijk van het taalgebruik. Wie het meest ad rem is wint het publieke debat en luide stemmen krijgen vaak de meeste aandacht. Wat er gezegd wordt is dan van ondergeschikt belang, net als op sociale media waar iedereen bijna alles kan roepen wat hij wil. Er is ook stilte, zegt Meijer. Die kan onderdrukken, maar kan ook stil verzet zijn, of deelname aan een gesprek via luisteren. In Verwar het niet met afwezigheid onderzoekt Meijer verschillende soorten politieke stiltes en schetst ze contouren voor nieuwe politieke omgangsvormen en de rol van morele dilemma’s.

    Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes.
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De fiscalist

    De fiscalist beschrijft een man, de fiscalist Anton, die in zijn verbleekte leven op zoek gaat naar echt contact. Zijn huwelijk stelt weinig meer voor en zijn werk is meer een dagelijkse sleur dan dat hij het succesvol kan noemen. Hij beseft dat hij eigenlijk hulp nodig heeft, maar in plaats van een psycholoog te bezoeken of zelfhulpboeken of -websites te raadplegen zoekt hij het in contacten via zijn telefoon. Hij merkt al snel dat het hem weinig oplevert.

    Dan richt hij zijn aandacht op Mila Kaufman, de dochter van een van zijn klanten. Deze Kaufman bezit talloze panden in Amsterdam en Anton is voor hem en de familie behalve belastingadviseur ook een vertrouwenspersoon. Mila weet niets van Antons adoratie. Hij laat zich steeds verder gaan en ziet in haar de vrouw die hij zich zou wensen maar die zij niet is. Ze wordt een obsessie. Om zijn rusteloosheid onder controle te krijgen spreekt hij voor zichzelf voicemails in. Gaat dit Anton helpen zijn leven te herscheppen of raakt hij verder verwijderd van de realiteit?
    De fiscalist is gebaseerd op een waargebeurd verhaal waarin Ariëlla Kornmehl zelf de hoofdrol speelde.

    De fiscalist
    Auteur: Ariëlla Kornmehl
    Uitgeverij: Uitgeverij Ambo Anthos

    Rombo

    Het is 1976. In het noordoosten van Italië vindt tweemaal, in mei en in september, een hevige aardbeving plaats. De aardverschuivingen zijn enorm. Bijna duizend mensen vinden de dood onder de puinhopen, tienduizenden mensen worden dakloos en velen verlaten voor altijd hun vertrouwde omgeving. Er ontstaat een nieuw landschap waarin de kracht van het natuurgeweld zichtbaar is. Minder zichtbaar is het menselijk trauma, de taal ervoor is niet zo gemakkelijk te vinden. Maar in Rombo, de nieuwe roman van Esther Kinsky, komen zeven mensen aan het woord over de gebeurtenissen van toen.

    Ze wonen in een afgelegen bergdorp waar de aardbeving behalve in het landschap ook in de geesten van de mensen littekens heeft achtergelaten. Langzaam leren deze mannen en vrouwen woorden te geven aan de gevoelens die hun toen verpletterde levens zijn gaan beheersen. Verlies en angst kennen allen, maar de individuele herinneringen brengen ook diepere en oudere pijnen boven. Kinsky maakte er ontroerende en beklijvende verhalen van.

    Rombo
    Auteur: Esther Kinsky
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim