Cherry Duyns vertelt verhalen en doet dat op veel manieren. Hij is film- en theatermaker, is verantwoordelijk voor vele tv-programma’s en schrijver van talloze artikelen over kunst en cultuur. Hij is regisseur, acteur, redacteur. Hij schreef ook tientallen boeken. In zijn nieuwe roman Morlands huis is hoofdpersoon Sebastiaan met pensioen gestuurd. Om daarvan te bekomen vertrekt hij naar een Waddeneiland.
‘Ik kijk naar het eiland dat op mij wacht. Ik kom er al zo lang, ik heb er mijn herinneringen, ik weet er de weg, ken ieder schelpenpad. De duinen en de kwelder zullen mij troosten, de vergezichten boven zee zullen mij verzoenen met het bestaan, de stille wolkenluchten zullen me kalm maken.’
Uitkijkend over zee zoekt hij in de stilte de rust, maar de komst van een brief gooit die rust overhoop. De schrijfster ervan, Sofie, afkomstig uit IJsland, denkt dat hij de halfbroer is naar wie zij al lang op zoek is. Na een ontmoeting met haar gaat Sebastiaan met enige tegenzin met haar mee naar het woeste landschap van IJsland. Want hij is toch nieuwsgierig. Vanaf dan wordt hij gedwongen anders naar zijn verleden te kijken.
Auteur: Cherry Duyns
Uitgeverij: Uitg. Atlas Contact (2025)
Amerigo
Stefan Zweig (Wenen, 1881-1942) hield van de tijd waarin hij geboren was en noemde die “de gouden eeuw van de zekerheid”. Hij reisde veel, zowel binnen als buiten Europa en zag Europa als een samenhangend cultuurgebied. Totdat het nazisme opkomt. In 1933 verruilt hij Salzburg voor Londen. Hij krijgt de Britse nationaliteit en schrijft zijn autobiografie, De wereld van gisteren over het Europese leven en de literaire, kunstzinnige en politieke kringen. In WOII gaat hij naar de Verenigde Staten en vestigt zich daarna in Brazilië. Daar pleegt hij in 1942 samen met zijn echtgenote zelfmoord uit teleurstelling over het verval van de Europese cultuur. De dag voor zijn dood verscheen Amerigo. Zweig had grote belangstelling voor het verleden en behalve novellen, romans en essays schreef hij psychologisch verantwoorde biografieën over Europese historische en literaire personen, onder wie Erasmus, Marie Antoinette en Freud.
Columbus ontdekte in 1492 Amerika, hoewel hij zelf dacht dat het Indië was. Maar van de Florentijnse ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci (1454-1512) werd de naam gegeven aan het nieuwe continent. Stefan Zweig vroeg zich af hoe dat kwam. Was Vespucci een misleider? Of was hij een pion in een groter spel van macht en toeval? Over de reizen van Vespucci zelf bestaan twijfels. In Amerigo schrijft Zweig over de grote ontdekkingen van de zestiende eeuw waarin moed en navigatiekunst van groot belang waren. Ambitie, misverstanden en propaganda echter wogen soms zwaarder dan de werkelijkheid.
Auteur: Stefan Zweig
Uitgeverij: Uitg. IJzer (2025)
De grote kuur
Het hoofdpersonage uit De grote kuur van Johannes van der Sluis is psycholoog Paul Bleicher. Hij bezondigt zich aan grensoverschrijdend gedrag, wat het einde van zijn praktijk betekent. Daardoor stort hij in en wordt hij opgenomen in een kliniek. Als hij daar weer uitkomt is zijn huwelijk op de klippen gelopen. Bleicher besluit om naar een kuuroord in het Italiaanse Merano te gaan om er te schrijven. Hij verblijft in een klooster en komt in contact met een streng katholieke Poolse die hij onder zijn hoede neemt, wat hem duur komt te staan. Zijn volgende besluit is het reizen naar München om daar het door hem zelf bedachte ‘Vierde Rijk’ op te richten. Het Vierde Rijk zet verdeling en vernietiging in de plaats van de liefde en de vereniging van het ik en het niet-ik. ‘Ik zal er niet lijdzaam bij staan kijken. De tijd is nabij en de lezer weet dat de tijd inmiddels is gekomen.’
Bleicher lijdt aan depressie en dwangneuroses, hij beschikt over een zelfdodingspil en plast af en toe in zijn broek. Zijn grootvader was een nazi, een feit dat ook een innerlijke strijd oproept.
De grote kuur is Van der Sluis’ eerste roman. Eerder publiceerde hij de dichtbundels Een mens moet ook niet alles willen weten (2018, onder de naam Giovanni della Chiusa), Ik ben de verlosser niet (2020), Profane verlichting (2022) en de ‘dichterlijke verdediging’ Mijn vaderland (2024) met persoonlijke gedachten over de nationalistische Nederlandse politieke koers. Van der Sluis is hoofdredacteur van Hollands Maandblad.
Na het lezen van Aan het einde van de oorlog van Bert Natter resteert verbijstering, zelfs als je wel zo’n beetje weet wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog in de concentratie- en vernietigingskampen van de nazi’s gebeurde. De verbijstering geldt niet het einde, dat is min of meer bevredigend, maar je verzoenen met de menselijke soort is na het dichtslaan van het boek uitgesloten. Het kwaad is getoond in al zijn facetten.
Het is 20 april 1945, en de verjaardag van de Führer. In een kamp ten noorden van Berlijn, waar tienduizenden vrouwen en een paar honderd mannen gevangen worden gehouden, vergast en verbrand, zal de verjaardag ’s avonds worden gevierd in de Kommandantur, het bureau van de kampleiding. SS-Obersturmführer en hoofdpersonage Karl Zehlendorf heeft een pianoconcert voorbereid, dat iets moet goedmaken van zijn al vroeg uiteen gevallen illusie om concertpianist te worden. Vanuit het westen naderen de Amerikanen en Canadezen, vanuit het oosten het Russische front. De gevechtshandelingen zijn in de verte te horen en komen langzaam naderbij. Dat en de ontknoping van wat er gebeurd is met Karls vermiste zoon Ernst zijn de twee rode draden van het verhaal.
Vijanden van het Rijk
De elfjarige zoon van Karl en Christine Zehlendorf heeft met zijn broer Reinhart gevist aan de oever van het meer. De jongens wonen in een villawijkje buiten het kamp en weten niet wat er binnen het ommuurde kamp gebeurt. Hun vader heeft verteld ‘dat veel mensen in het kamp slecht voor zichzelf zorgen, ze zijn vatbaar voor ziekten en genetisch minderwaardig (…) het zijn nauwelijks mensen, (…) oppervlakkig gezien lijken ze misschien op ons, maar in wezen zijn het parasieten, ongedierte – hun dood is de logische uitkomst van een natuurlijk proces’. Veel van het burgerpersoneel wordt wijsgemaakt dat de vrouwen ‘vijanden van het Rijk’ zijn. De SS’ers noemen hen gegenereerde zeugen, teven, hoeren, verderfelijke zwijnwijven, onnutte vrouwen, enzovoort.
Het verslag – want dat is het – speelt zich af in vierentwintig uur, vanuit de perspectieven van 31 personages. Zij zijn gevangenen, bewakers, soldaten, officieren, of personeel uit het nabijgelegen stadje. In scènes van een paar regels tot een pagina kijken we door hun ogen vanaf de plek waar ze zich dan bevinden naar de gebeurtenissen, in aparte typografie aangekondigd. Zoals EMANUEL VOOR DE HOOFDPOORT; GISELE IN DE GASKAMER; RITA IN DE ARCHIEFRUIMTE; SUZIE IN LOODS 3 VAN HET BEUTEGUT-LAGER. Het lijkt op een toneelscript, alleen zitten we hier in het hoofd van de personages waardoor Natter het kampleven van alle kanten kan belichten. Omdat de scènes iedere keer ophouden om plaats te maken voor een volgende is elk stuk een cliffhanger. Tegelijkertijd vordert het verhaal tergend langzaam, aangezien gedachten en herinneringen van de personages worden geschetst als er nog niets gebeurt.
Reinhart komt thuis, Ernst niet. Verschillende mensen zien Ernst op verschillende momenten en plekken maar niemand praat erover. Christine gaat met dienstmeisje Annemarie zoeken, Karl denkt alleen aan zijn optreden. De Joodse tubaspeler en pianostemmer Menachem is er getuige van en ‘hoopt dat hij zich nooit van zijn leven meer in dat rokerige moordenaarshol hoeft te begeven. (…) ook al heeft Menachem er op een akelige manier van genoten eindelijk weer eens iets moois te horen, na al die jaren van geschreeuw en gekerm.’ Tijdens het feest komt het bevel tot ontruiming van het kamp. Alle bewijzen van wat daar gebeurde moeten vernietigd worden en de gevangenen moeten allemaal weg, voordat Russen of Amerikanen het kamp ontdekken. Ondertussen dringt het tot Karl door dat zijn jongste zoon echt wordt vermist. De lezer weet dan al lang wat er met hem is gebeurd.
Nobelprijs en trots
Met afstandelijke nauwkeurigheid beschrijft Natter de gruwelen. Zoals over Lucienne die uit haar barak wordt gehaald, in een vrachtwagen gezet, na uren rijden in een ander kamp een bad en schone kleren krijgt om daarna dagenlang te worden verkracht door gevangenen van de Freudenabteilung. Lothar haalt een blik zyklon B uit de voorraadkast, zet zijn gasmasker op, klimt het trapje naar het dak van de gaskamer op om het blik boven het luik te legen. Hij hoort het geschreeuw en gekreun. Als het front nadert zal hij met een andere SS’er in een van de mitrailleursnesten de MG42 moeten bedienen.
De Poolse, gezonde Iwona is een van de ‘proefkonijntjes’ van SS-Obersturmführer en arts Lance. Met een grote snijwond in haar been wil hij zien hoe wond en lichaam zich zonder verdere verzorging ontwikkelen. Hij is trots op zijn experimenteel ‘onderzoek’, droomt over de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde. Als hij over vluchten denkt ‘kan hij alleen maar hopen dat zijn patiënten de oorlog niet overleven. Gelukkig zijn er voor hen veel manieren om te creperen: uitputting, verzwakking, gebrek aan schoon water, besmettelijke ziekten, bommen, kogels, ander geweld. Hoe dan ook zullen er niet veel getuigen overblijven.’ De hebzucht die altijd al in hem zal hebben gezeten uit zich in het slopen van gouden tanden en kiezen uit de monden van de lijken.
Karl is trots op zijn werk, de bouw van het kamp, de efficiënte werking van gaskamer en crematorium, al komen er ‘wagonladingen vrouwen bij’ die gaskamer en oven niet aankunnen. Hij is blijven geloven in de eindoverwinning, de opbouw van het Duizendjarige Rijk. Hij begrijpt dat het einde van de oorlog in zicht is, ‘maar het is het verkeerde einde’. ’s Nachts schijnt een zoeklicht over het meer, op zoek naar Ernst. Karl doolt verdwaasd rond. Als ’s ochtends de tankkanonnen vuren en alles verloren blijkt heeft hij kunnen deduceren wat er met Ernst is gebeurd. In een inmiddels besmeurd gala-uniform terug bij Christine en Reinhart neemt hij een onvermijdelijk besluit.
We zien de branie van SS-Scharführer Franz, de ontevredenheid van Christine, de naïviteit van chauffeur Herbert, de wreedheid van kampbeul Eva – nooit te beroerd om een vrouw met haar zilveren zweepje tot moes te slaan -, de gelatenheid van Szymon, de lafheid van SS-Sturmbannführer Hanns.
De Russische sluipschutter Zmitser die voor de tanks uit het kamp verkent, tracht zijn angst te bezweren door Stalin te laten spreken. ‘(…) het gevangennemen van zo’n opperfascist zou een tot de verbeelding sprekende prestatie zijn. Het doden ook. Kameraad Stalin beweert dat je dan niet de lasten hebt, maar wel de lusten.’
Banaliteit van het kwaad
Veel van Natters personages zijn tussen de vijftien en vijfentwintig jaar, vertelt hij (interviews onder meer VPRO Boeken en RTV Baarn). Ze leefden onder een nazidictatuur, zoals een goed opgeleide arts, en leerden vanaf de kleuterschool al de rassentheorie van de nazi’s. Ze kenden alleen een antidemocratisch systeem waarin slechtheid werd beloond, met name in extreme omstandigheden. Hoewel Karl met zijn culturele gevoeligheid een voorbeeld is van Hannah Arendts banaliteit van het kwaad, maakt ook Natter niet inzichtelijk waar het moment zit dat een ‘gewoon iemand verandert in een slecht mens’. Hij begrijpt dat proces zelf ook niet, zegt hij.
Met zijn heldere zinnen, ieder treffend woord op zijn plaats, is Natter een geweldige schrijver en Aan het einde van de oorlog een magnifiek boek. De lezer is getuige van wat de personages meemaken, al doseert Natter de gruwelijkheden tot te behappen proporties. De vergelijking is eigenlijk laakbaar, maar het boek laat zich lezen als een thriller. Wat voor wie het nog niet begrepen had een goede manier is om de ijzingwekkende waanzin van oorlog tot zich te laten doordringen.
Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!
Jan Douwe Westhoeve
Liefde, als dat het is – Marijke Schermer
In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?
Oroppa – Safae el Khannoussi
Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”
Anna Husson
Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren
In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.
Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.
Ronald Bos
De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga
Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)
Mijn Lwów – Jozef Wittlin
Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’
Marjet Maks
De verkavelingen – Arthur Goemans
Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.
Luister – Sacha Bronwasser
Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.
Evert Woutersen
De resten van een mens – Detlev van Heest
Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mensvan Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.
BevrijdingDagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil
Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’
Els van Swol
De slager van Klein Birma – Håkan Nesser
Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.
Vacht! – Cobi van Baars
Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.
Hettie Marzak
Krekel – Annet Schaap
Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.
Beladen huis – Christine Brinkgreve
Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.
Adri Altink
Lied van de profeet – Paul Lynch
Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.
Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel
Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.
Joke Aartsen
Ossenkop – Manik Sarkar
Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!
Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland– Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker
Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.
Bjorn Lichtenberg
Onzichtbare steden – Italo Calvino
Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.
Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle
Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.
Ben Koops
Godric – Frederick Buechner
De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.
Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade
Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.
Juul Martin Williams
Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp
Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.
We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard
De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.
Anky Mulders
Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
Knausgård
De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.
De zwevende wereld – Annejet van der Zijl
Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!
In 1943 verschijnt Uitgenodigd, de eerste roman van Simone de Beauvoir. Het is ‘een existentiële filosofie in romanvorm, als een soort aanvulling op Sartres Het zijn en het niets,’ schrijft Caroline Bernard (pseudoniem van Tania Schlie) in de biografische roman over Simone de Beauvoir De vrouw van Montparnasse. In Café de Flore, hun stamcafé, bestelt Sartre om de uitgave te vieren champagne, die vanwege de oorlog helemaal niet te krijgen is. Het wordt slechte jenever.
‘”Op de vrijheid,” zei Sartre en hij proostte op haar’. Vrijheid werd voor Simone het sleutelwoord. Voor Sartre gold alleen persoonlijke vrijheid. In Het zijn en het niets had hij maar een paar bladzijden over de ethiek van vrijheid geschreven en al tijdens het schrijven van zijn werk had Simone herhaaldelijk over deze definitie met hem gesproken. Volgens haar was de ander ‘meer dan een object, meer dan een obstakel op de weg naar de eigen vrijheid. (…) “U denkt te kort door de bocht Sartre. U vergeet het ethische aspect dat in elke relatie moet bestaan.”’
Geen traditionele vrouwenrol
Het is een van de voorbeelden waaruit blijkt dat De Beauvoir en Sartre als filosofen en schrijvers absoluut gelijkwaardig waren in hun manier van denken en discussiëren. Zij publiceerden niets zonder het aan elkaars bevindingen te hebben getoetst. Maar veel van hun lezers vulden haar in als een aanhangsel van hem. Voor mannen, concludeert De Beauvoir als ze nadenkt over wat De tweede sekse (1949) zal worden, is een vrouw ‘de ander’.
Caroline Bernard (Hamburg, 1961, pseudoniem van Tania Schlie), laat De vrouw van Montparnasse – Simone de Beauvoir en haar zoektocht naar liefde en waarheid, in 1924 beginnen (en eindigen in 1946). Simone is dan zestien jaar en heeft vaak onenigheid met haar vader, wiens bewondering voor haar intelligentie is omgeslagen in afwijzing. Hij ziet haar graag in de traditionele vrouwenrol, maar Simone verzet zich daartegen. Ze leest, wil leren en weten, schrijven. ‘Alles interesseerde haar, niets was veilig voor haar honger naar kennis en haar nieuwsgierigheid,’ schrijft Bernard. Omdat haar vader zijn fortuin had verloren wist Simone dat ze haar eigen geld zou moeten verdienen. Voordat ze dat kon als schrijfster zou ze als lerares gaan werken. Ze volgt verschillende opleidingen, onder andere aan de Sorbonne Grieks, Latijn, wiskunde, literatuur en filosofie.
Om haar uiterlijk geeft ze niets, maar romantische gevoelens zijn haar niet vreemd. Haar vriendin Zaza is verliefd op Maurice Merlau-Ponty, haar nieuwe vriendin Stépha kleedt zich uit in haar bijzijn en slaapt zelfs met vriend Fernando, vrijheden die Simones mond ‘doen openvallen van verbazing’. Zelf hoopt ze te trouwen met haar neef Jacques, die haar geregeld verdedigt tegenover haar vader. Maar als hij als dienstplichtige naar Algerije vertrekt, is er bij hun afscheid niets dat die hoop rechtvaardigt.
Studeren
Simone mag studeren aan de École Normale, waar ze een van de eerste vrouwelijke studenten is. In januari 1929 gaat ze als lerares in opleiding een paar weken lesgeven aan het Lycée Janson de Sailly, waar alleen jongens worden toegelaten. De leerlingen lachen om haar: ze is te jong en een vrouw. ‘Sommige jongens maakten haar duidelijk dat ze niet wilden dat een vrouw hun vertelde wat ze moesten doen. Simone haalde haar schouders op en legde strenge straffen op.’
Op de Sorbonne komt ze via haar goede vriend Maheu in aanraking met Paul Nizan en Jean-Paul Sartre. Ze voelt zich door Sartre geïntimideerd, al hebben ze nog nooit met elkaar gepraat. Hij heeft de reputatie veel geliefden te hebben en ze slecht te behandelen, maar Simone kon ‘ergens niet geloven dat hij net zo was als de anderen, die vonden dat vrouwen niet op de universiteit thuishoorden, die begonnen te lachen en gekke gezichten trokken als een van de weinige vrouwelijke studenten een presentatie hield.’
Levendig beschrijft Bernard hoe in de collegezaal de eerste blikken worden gewisseld tussen Sartre en Simone en er briefjes heen en weer gaan. Een paar maanden later vraagt Sartre of Simone hen ‘die ingewikkelde Leibniz uitlegt’ over wie haar proefschrift gaat. Ze stemt in en vindt het leuk om ‘intellectueel met hem te concurreren’. Sartre zag haar voor wie ze was, waardeerde haar om haar intellect. ‘Ik heb u nodig om mijn gedachten te ordenen,’ zegt hij, ook al had hij ‘een intellectueel zelfvertrouwen dat zij miste’. Sartre leerde haar dat ze een ‘eigen persoon’ was, terwijl zij nog ‘al haar ontmoetingen en ervaringen aan Jacques relateerde’. Ze komt tot de conclusie dat in de filosofie en de boeken die ze zelf zou gaan schrijven geen plaats voor Jacques was. Ze is dan 21 jaar.
Niet een maar twee
Aangemoedigd door Stépha gaat Simone op eigen initiatief met Sartre naar bed. ‘Ze had er geen idee van gehad dat er nog een ander niveau van verbinding mogelijk was dan het intellectuele.’ Ze worden onafscheidelijk, hun gesprek houdt nooit op, ook niet in het bijzijn van vrienden. Sartre maakt haar wel duidelijk dat hun liefde niet vanzelfsprekend is. Ze moeten die altijd op de proef blijven stellen. Huwelijk en monogamie verwerpt hij, zo wist Simone, die door Sartre ‘Castor’ wordt genoemd. Ze beseft dat zij niet een zijn maar twee. Ze realiseert zich ook dat ze geen vrouwelijke rolmodellen heeft om zich aan te spiegelen, terwijl er voor mannen talloze zijn. Aan haar zus schrijft ze: ‘Ik zal een genie worden. En als er geen vrouwelijke rolmodellen zijn, dan zal ik er een zijn.’
Sartre stelt voor een stel te zijn, waarin hij alleen met Simone een stabiele relatie heeft, met andere vrouwen losse. ‘We vertellen elkaar alles. Ook als er anderen zijn.’ Het pact betekent dat ook Simone vrij is, ze hoeft niet te kiezen. Alles wat ze schrijven laten ze elkaar lezen en becommentariëren. De periode waarin ze beiden buiten Parijs lesgeven, schrijven ze elkaar dagelijks lange brieven. Weer terug haalt Simone Olga, een oud-leerlinge naar Parijs, Olga’s zus Wanda volgt. Sartre en Simone onderhouden hen en noemen hen ‘hun kleine familie’.
Ze hebben allemaal relaties met elkaar, Sartre met Olga en Wanda, Simone met Olga en Sartre. Bost, een goede vriend, krijgt een serieuze relatie met Olga. Dat weerhoudt Simone er niet van ook een langdurige relatie met hem te beginnen, maar Olga mag dat niet weten. Eerlijkheid bestond alleen tussen Simone en Sartre. Deze driehoeksverhoudingen, de worstelingen met jaloezie, de leugens, het uitgaan, de hele vriendenkring om hen heen, zal Simone later uitgebreid beschrijven in Uitgenodigd.
Maar er zijn nog meer ‘anderen’. Volgens Bernard schaamt Simone zich voor Sartres haantjesgedrag. ‘Verleiding was een deel van hem. “Het gaat niet om mij of u,” zegt Simone. “We zijn één ding vergeten in ons pact: dat anderen eronder lijden en er een hoge prijs voor betalen.”’
Simone regelt hun beider financiën, organiseert alles rondom hun beider verplichtingen, zorgt voor ‘de familie’, houdt uit de gratie geraakte vrouwen en journalisten bij Sartre weg. Ondertussen leest ze alles wat ze vinden kan over de rol van de vrouw. ‘Het waren de mannen die zichzelf als het eerste geslacht zagen (…). Alles wat niet mannelijk was, werd als minderwaardig beschouwd, als een afwijking.’
Ontwikkeling als vrouw
Café de Flore is hun werkplek, ’s avonds gaan ze uit. Tijdens de oorlog zijn Simone en Sartre gescheiden. Als later, in het bevrijde Parijs, Simone in een café wordt aangesproken door een man die vindt dat politiek voor mannen is en dat naïviteit vrouwen aantrekkelijk maakt, dient ze hem ‘van binnen ziedend’ van repliek. ‘(…) ”Maar je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt.” Sartre keek op en plotseling wist Simone dat ze de zin had gevonden die de essentie van haar toekomstige boek omvatte.’ In 1949 verschijnt het existentialistische De tweede sekse. ‘Het zou de ogen van vrouwen openen,’ schrijft Bernard.
Hier, in 1946, laat zij de biografie van De Beauvoir eindigen, ook al volgen er nog twee pagina’s in 1951. Bernard legt de nadruk op De Beauvoirs ontwikkeling als vrouw. Haar politieke bewustwording komt nauwelijks aan bod, net zomin als de reizen die ze toen al met Sartre maakte en haar filosofische artikelen en essays. Het boek is geschreven in een ongecompliceerde stijl, die in het begin wat gemakkelijk aandoet. Eenmaal daaraan gewend, leest het plezierig weg. Caroline Bernard heeft ruim twintig boeken geraadpleegd en citeert uit de memoires van De Beauvoir, al is niet duidelijk welke citaten dat zijn. Dat is niet erg, het boek is boeiend genoeg en de vele details maken de gebeurtenisseninzichtelijk en levendig, alsof je erbij bent.
Simone de Beauvoir wordt niet meer gezien als de vrouw van. Ook uit Bernards boek blijkt dat zij een groot schrijfster is van romans waarin de filosofische existentiële vrijheid verweven is met het verhaal, een groot denker die met haar leefwijze haar ideeën onderstreepte. Haar boeken zijn nog steeds verkrijgbaar, ook over denken, existentialisme en ouder worden. Als onderwerp is zij tegenwoordig eveneens geliefd. Deze progressieve, krachtige vrouw is een voorbeeld voor velen, of ze nu over haar lezen of over haar schrijven.
De auteur
Tania Schlie/Caroline Bernard (Hamburg, 1961) studeerde Germanistik und Politik in Hamburg en Parijs. In het Nationaal Archief in Parijs deed ze onderzoek voor haar masterscriptie. Ze werkte tien jaar bij een uitgever, waarna ze zelf begon te schrijven: liefdesromans met vrouwen als hoofdpersoon. Ze publiceerde ook Schrijvende koppels, waarin naast Jean-Paul Sartre & Simone de Beauvoir, ook F. Scott & Zelda Fitzgerald, Martha Gelhorn & Ernest Hemingway, Elsa Morante & Alberto Moravia, Sylvia Plath & Ted Hughes, Siri Hustvedt & Paul Auster, Jessica Durlacher & Leon de Winter, Nicole Krauss & Jonathan Safran Foer figureren. De vrouwen van die koppels zijn zelf begaafde schrijvers maar fungeren ook, of misschien vooral, als muze voor hun echtgenoot. Als Caroline Bernard schrijft Schlie over buitengewone vrouwen in de kunst zoals Simone de Beauvoir, Frida Kahlo, Alma Mahler. De Beauvoir fascineerde haar al toen ze als au pair ongelukkig was in Parijs en uiteindelijk vond ze via haar de moed om te gaan schrijven. Sinds 2021 maakt ze ook podcasts over en met kunstenaars.
Japan is van de aardbodem verdwenen in de nieuwe roman Verspreid over de aarde van Yoko Tawada (1960). De inwoners zwerven over de wereld en Japan wordt nu het land van sushi genoemd. Hoofdpersoon Hiruko is via Noorwegen en Zweden in Denemarken beland en heeft zelf een taal ontworpen, het Pansca, waarin ze immigrantenkinderen lesgeeft. Ze wil graag in haar moedertaal praten, maar er is niemand om dat mee te doen. Onder het opmerkelijke gezelschap om Hiruko heen bevinden zich de Deense taalkundige Knut, en Nanoek uit Groenland die vaak voor een Japanner wordt aangezien. In de vrolijke dystopie ontmoet het gezelschap op zijn zoektocht onder andere een dode walvis, een Andalusische matador en robotvrouwen.
Volgens vertaler Luc Van Haute gebruikt Tawada altijd woordspelletjes in haar taal, maar ‘ditmaal was die uitdaging nog een stuk groter, met personages van verschillende nationaliteiten die in verschillende landen communiceren in verschillende talen.’
Yoko Tawada is geboren in Tokio, verhuisde in 1982 naar Duitsland waar ze Duitse literatuur studeerde. Sinds 2006 woont ze in Berlijn. Tawada schrijft in het Japans en in het Duits en won vele Japanse en Duitse prijzen voor haar werk. Haar thema’s zijn de relatie tussen woorden en realiteit en het idee dat verschillen in taal assimilatie in een andere cultuur onmogelijk maken. Het gaat vaak over het overstijgen van grenzen, zowel wat betreft reizen tussen landen en culturen als de grens tussen waken en dromen, gedachten en emoties. Tawada publiceerde tientallen boeken, verhalen en essays. Ze laat zich beïnvloeden door Paul Celan en Franz Kafka.
Auteur: Yoko Tawada
Uitgeverij: Koppernik
De zwevende wereld
Om nog even bij Japan te blijven: Het leven van de Duits-Nederlandse arts, wetenschapper en botanicus Franz von Siebold (1796-1866) vond onderdak in De zwevende wereld, het nieuwste boek van Annejet van der Zijl. Maar niet alleen zijn leven, ook dat van zijn Japanse dochter Kusumoto Ine ‘Oine’ (1827-1903) wordt door Van der Zijl meeslepend beschreven. Oine was de eerste vrouwelijke arts in Japan en is tegenwoordig een heldin in boeken, opera’s en televisieseries.
Von Siebold vertrok in 1823 naar de Hollandse handelspost Deshima, aanvankelijk met de opdracht om informatie te verzamelen over het toen nog grotendeels van de buitenwereld afgesloten Japan. Hij ontmoette er zijn grote liefde Sonogi en kreeg met haar dochter Oine. ‘Onder het portret dat Franz opnam in het eerste deel van Nippon, dat hij in deze maanden aan het schrijven was, noemde hij haar Otaksa, het koosnaampje dat hij zijn geliefde na de geboorte van hun dochter had gegeven.’ Helaas werd Von Siebold verbannen uit Japan. Vader en dochter zouden elkaar tientallen jaren niet zien en toen het eindelijk zover was, pakte de ontmoeting anders uit dan voorzien.
Von Siebold werd wereldwijd beroemd als Japankenner. In Nederland kregen de vele door hem gestuurde en meegebrachte planten een plek, onder meer in de Leidse Hortus Botanicus.
Van der Zijl schreef een uniek boek over een unieke vader en een unieke dochter, dat begint met ‘Het lijden van de jonge Siebold. (…) De vroegste kinderjaren van Philippe Franz von Siebold waren doordrenkt met tranen, de rest van zijn jeugd met oorlog.’ Het boek bevat stambomen van zijn familie en van die van Sonogi, plus een overzicht van historische en persoonlijke gebeurtenissen.
Auteur: Annejet van der Zijl
Uitgeverij: Hollands Diep
Afdruk
In de nieuwe roman van Peter Brouwer, Afdruk, is Carl in de jaren tachtig student fotografie in Utrecht. Hij beleeft zijn studententijd met vrienden die korter of langer in zijn leven aanwezig zijn. Zo heeft hij een onenightstand met de twintig jaar oudere Mara die de volgende dag zijn camera lijkt te hebben gestolen. Als vijftigjarige blijkt hij in het bezit van een haarkam in de vorm van een vogel. Hij was vergeten dat hij de kam bezat en waar deze vandaan kwam weet hij niet meer. Zijn vrouw, een kunsthistorica, zet hem ertoe aan om het verhaal achter de kam te gaan uitzoeken. Maakt het voorwerp deel uit van een traumatische geschiedenis, is het verleden onzichtbaar geworden?
In Zuid-Frankrijk zoekt Carl antwoorden op vragen die in zijn studententijd zijn ontstaan. Hij ontmoet er Patrique Rossier, een Fransman en Carls voormalige docent die teruggetrokken op de Haute-Vienne leeft. Hij bezoekt een gruwelplek uit de Tweede Wereldoorlog, het dorp Oradour sur Glane waar in 1944 de Nazi’s een massaslachting aanrichtten. Er is sprake van roofkunst en van een geschilderd portret van een meisje met een masker dat Carl op Corsica ziet. Dat herinnert hem aan de nacht met Mara.
Peter Brouwer (1965) studeerde Duitse taal- en letterkunde. Hij is schrijver, vertaler en nuziektheatermaker. Voor Afdruk publiceerde hij al drie romans en drie poëziebundels.
Voor haar nieuwe roman Wondermond liet Anne-Gine Goemans zich inspireren door een waargebeurde scheepsramp die in 1883 plaatsvond op zee bij het Friese dorp Moddergat. Daar verging toen door een hevige storm vrijwel de gehele vissersvloot, waarbij drieëntachtig mannen de dood vonden. In de roman is Wondermond een denkbeeldig Fries vissersdorp. Daarheen verhuizen hoofdpersoon en ik-verteller Boye en zijn moeder Reina, wier geboorteplaats het is. Hun vertrek is meer een vlucht omdat hun vader en echtgenoot, de rijke beleggingsadviseur Erik de Koning, wegens beleggingsfraude is gearresteerd.
Het eerste hoofdstuk, verteld door een alwetende verteller, begint in 1901 met Nanna, overgrootmoeder van Reina. Ze is de vrouw van visser Siebe de Jong die op zee omkomt als bij een zware storm de Wondermondse vissersvloot vergaat. Aken, blazers en lichamen spoelen de daarop volgende dagen aan, behalve de WM13 van schipper Siebe. Het schip blijft spoorloos. Nanna verliest daarmee haar man en twee zonen. Dit drama plus latere sterfgevallen op zee en de eruit voortvloeiende armoede vormen de onderlaag van het familietrauma dat doorwerkt tot in het heden.
Genenpakket van vissers en bouwvakkers
In hoofdstuk twee valt in Bloemendaal op een feest van Erik en Reina de FIOD binnen. Ze nemen Erik mee en leggen beslag op alle bezittingen. Zeventienjarige Boye gaat met een vriend mee waar zijn moeder hem de volgende dag ophaalt. Ze hebben niets meer en hun Poolse werkster rijdt hen in ruil voor een Prada-tas naar Wondermond. Boye heeft nooit anders dan een luxe leventje gekend te midden van vrienden met ouders die even rijk waren als de zijne, hoewel er een verschil was tussen ‘oud en nieuw geld’. ‘Mijn genenpakket bestond uit het DNA van vissers en bouwvakkers.’ Boye en zijn vriendjes zijn arrogante ettertjes, vermaken zich met drank en drugs en halen streken uit zoals koi-karpers alcohol in hun bek gieten en ze in een zwembad van een villa verderop gooien. Boye ‘moest nog leren dat twee-onder-een-kapwoningen niet de standaardnorm zijn’. Reina wordt na de arrestatie onmiddellijk verguisd door haar vriendinnen van wie de echtgenoten door Erik zijn opgelicht.
Tot zover de achtergrond. Op pagina 43 begint de rest van het verhaal. In Wondermond zijn Boye en Reina ingetrokken bij Reina’s moeder Wiep, waar de tegensteling groot is, ze vallen van het ene uiterste in het andere. Noodgedwongen moeten ze een baantje zoeken. Reina, als altijd de zaken koel onder controle, begint in een callcenter en Boye vindt werk op een visserskotter, hoewel zijn moeder hem vanwege de vele verdronken voorouders verbiedt de zee op te gaan. Boye gaat toch, naar de gebroeders Krab: ‘”Wiep zei dat jullie werk voor me hebben. Op zee”. Ik twijfelde of ik wel voor zulke debielen moest gaan werken, maar geld was de enige manier om hier weg te komen.’ Hij mag mee voor de visverwerking op zee. Over het vastlopen van de kotter, waarbij even gevaar dreigt en Boye alleen in een reddingsvlot afdrijft, vertelt hij thuis niets. Hij heeft nog eenmaal contact met een van zijn Bloemendaalse vrienden, daarna laat ook deze hem vallen. Alleen Olivia, een weinig geliefd meisje bij de vroegere vriendenclub, blijft hem steunen, totdat Boye het verpest.
Sterke vrouwen
Goemans trekt de verhaallijn vanuit het verleden door tot in het heden: de geschiedenis van de moeder, oma en overgrootmoeder van Reina. Na de ramp in 1901 moet Nanna het net als veel andere weduwen in het dorp zien te redden zonder echtgenoot. Het geld uit een noodfonds voor de weduwen raakte onverklaarbaar ‘op’, waarna de dominee en andere dorpsnotabelen veel vrouwen ‘hielpen’ met een gulden in ruil voor seksuele gunsten. Nanna probeert haar dochter Famke ervoor te behoeden, wat niet helemaal lukt. Jaren later gaat Famke, nadat ze in Parijs in de Moulin Rouge heeft gedanst en in Amerika woonde waar haar Amerikaanse echtgenoot overleed, terug naar haar geboortedorp waar ze een vriendelijke echtgenoot vindt. Maar de dominee wandelt ook nog rond en Famke besluit om alsnog wraak te nemen. Ze krijgt Wiep en Wiep krijgt Reina die grote bewondering voor haar frivole oma Famke heeft. Reina vertrekt uit het dorp en vindt rijke Erik. Terug in Wondermond begint ze na verschillende mislukte baantjes – want Reina kan haar mond niet houden – en een mislukte schoonheidssalon een parenclub. Net als haar voormoeders laat Reina zich niet klein krijgen.
Goemans kent haar materie. Het visserijjargon, de financiële wereld, het jongerengedrag, de gevaren op zee en het leven in een afgelegen klein dorp, het komt allemaal grondig gedetailleerd voorbij. Daarbij schetst ze personages die voor de ogen van de lezer gaan leven, al kunnen ze soms wat karikaturaal aandoen. Zoals de gebroeders Krab met hun bijnamen Hynder, Skeet en Fokse, hun ongeschoren gezichten, slordige kleren en blikken bier. ‘Ik kon niet geloven dat de broers een drieling waren, ze hadden niks gemeen behalve dat ze alle drie uitzonderlijk lelijk waren. In Bloemendaal hadden we ze tentoongesteld op de jaarmarkt.’ Van Boye lezen we zijn gedachten, van de andere personages blijkt de gemoedstoestand vooral uit hun handelingen en opmerkingen, vaak in het Fries dat ook zonder kennis van die taal te begrijpen valt. Boye integreert uitzonderlijk goed in het dorp. Hij krijgt er vrienden, gaat naar café en discotheek, wordt verliefd op een totaal ander type meisje dan zijn vriendinnetje uit Bloemendaal en past zich aan. Met zijn vader heeft hij sporadisch contact, hij is boos op hem.
Voor Boye aan het einde van het boek vertrekt, vermoedt een maritiem archeoloog dat op de plek waar de kotter van de gebroeders Krab in de problemen kwam de nooit gevonden WM13 ligt. Onder het oog van Omrop Fryslân, waaraan Boye tot zijn spijt naïef eerder al een interview heeft gegeven, wordt er gedoken. De hedendaagse notabelen besluiten tot een museumpje, wat het vrouwentrauma even doet opleven.
Meer dan coming-of-age
Waar coming-of-age verhalen vaak vooral jongere lezers aanspreken, overstijgt Wondermond het genre door het historisch perspectief en het indirecte commentaar op morele hypocrisie, zowel bij de Bloemendalers als bij de Wondermondse notabelen. Goemans’ manier van vertellen is net zo onverstoorbaar als het gedrag en het karakter van de sterke vrouwen in het boek. Het verhaal vloeit, het loopt, er staat geen woord verkeerd of te veel in. Het ritme nodigt uit tot doorlezen en juist de vele kleine gebeurtenissen tussen de grote door maken het verhaal levensecht en boeiend. Het werk op de viskotter en het leven in het dorp beschrijft de auteur zo beeldend alsof ze er zelf bij was. Ze bespeelt alle zintuigen: je ziet Boye met de vissen in zijn handen, je ruikt de vis. Je hoort de personages Fries praten en je voelt de voldoening als Famke de dominee te grazen neemt. Dat en alle details maken de roman ondanks alle misère lichtvoetig en plezierig om te lezen.
Ergens in een van de delen van Mijn strijd herinnert Karl Ove Knausgård zich over het geworstel in het begin van zijn schrijverscarrière: ‘Ik moest en zou groot worden.’ Die ambitie heeft hij aardig verwezenlijkt. Hij werd niet alleen een groot schrijver, hij bleef en blijft het ook. Daar is de trilogie De morgenster het bewijs voor. In de boeken lezen we over delen uit de levens van mensen, steeds vanuit het perspectief van een ander ik-personage. Er liggen talloze verbanden tussen personages en gebeurtenissen en soms zijn die er ook helemaal niet.
Het derde rijk is deel 3 van deze trilogie. Sommige ik-personages uit deel 1 komen terug maar nu vanuit hun eigen perspectief als echtgeno(o)t(e), dochter, vriend. Eerst antagonist, nu protagonist. Alleen Syvert vormt via De wolven van de eeuwigheid (deel 2) een constante. Waar hij in Wolven naar Rusland ging om zijn halfzus Alevtina voor het eerst te ontmoeten, komt hij in Het derde rijk terug van die reis en constateert dat zijn begrafenisonderneming vrijwel stil ligt omdat er al dagenlang niemand gestorven is. De nieuwe ster en de aanhoudende hitte vormen net als in de eerdere delen het decor en ook dood en religie behoren weer tot Knausgårds ingrediënten.
We zien Gaute’s blik tegenover echtgenote en predikant Kathrine die in deel 1 na een vliegreis opeens besluit de nacht in een hotel door te brengen en daar tegen Gaute over liegt. Een nieuw personage is de architect Helge die contact zoekt met Syvert om hem iets over diens overleden vader te vertellen. De ster, nu soms de komeet genoemd, wordt door een paar bijfiguren vaag verklaard met wetenschap en religie, het mysterie van het dagenlange gebrek aan sterfgevallen blijft onopgelost.
Qua doorwrochte essays of essayistische stukken heeft de schrijver zich deze keer beperkt tot enkele pagina’s over neuroloog en onderzoeker Jarle die een boek schrijft over het brein en het bewuste en onbewuste. Ook onderzoekt hij met een collega of er bij een hersendode patiënt toch nog iets van bewustzijn aanwezig is. Van deze patiënt, Ramsvik, beschrijft Knausgård een paar pagina’s over hersenactiviteit, liever gezegd gedachtespinsels die aan een psychose doen denken. In de richting van een psychose gaat ook ik-personage Tove, vrouw van Arne via wiens perspectief hun gezin in De morgenster vakantie heeft, wat we nu door de ogen en gedachten van Tove meemaken.
Heavy metal
Enkele andere feiten die in een essay niet zouden misstaan zijn in een dialoog gegoten. Politieman Geir onderzoekt de raadselachtige, rituele moord in een bos op drie leden van een ‘doodgewone blackmetalband’ – die plaatsgevonden heeft in deel 1 – en bekijkt daartoe filmpjes over heavy metal. Hij belt met een kenner om meer over de ‘scene’ te weten te komen. De bands uit de eerste generatie noemden zich satanisten, vertelt de deskundige. Die uit de tweede golf hielden zich bezig met de oud-Scandinavische Odin en Vikingen en de ‘de nieuwe garde gaat in alles een stapje verder. (…) Satan is belangrijk voor ze (…) staat voor het dierlijke, voor bloed, aarde en pijn en dood (…). Ze zijn niet online, ze hebben geen mobieltjes of computers. Ze doen niet aan goedkoop bij de slager gehaalde schapen- of varkenskoppen op staken (…) ze offeren zelf dieren.’ Domen is zo’n band, nergens op het internet te vinden. ‘Ze spelen alleen een doodenkele keer live, en dan alleen voor de incrowd.’
Line, in deel 1 de introverte dochter van Solveigh, heeft de knappe Valdemar ontmoet. Hij bepaalt of en waar ze elkaar zien, Line is onzeker of hij wel iets voor haar voelt. Omdat ze verliefd is gaat ze in op zijn uitnodiging om hem in Zweden te treffen, terwijl ze hem eigenlijk nauwelijks kent en niet weet waar ze terecht zal komen. Het blijkt ergens in een bos te zijn bij een concert van Domen waarvan Valdemar de gevierde leider is. De bandleden dragen dierenkoppen en scanderen ‘De mens is God’ en ‘Wij zijn Goden.’ Ze hebben nazi-sympathieën en Valdemar staat welwillend tegenover Hitler. Als hij het over het derde rijk had ‘bedoelde hij niet dat van de nazi’s, maar iets wat ze in de middeleeuwen hadden geloofd, dat het eerste rijk de tijd van God was, het tweede rijk de tijd van Jezus en het derde rijk de tijd van de heilige geest.’ Line heeft seks met hem, maar als er een mes tevoorschijn komt keert ze zich van hem af. Weken later blijkt ze zwanger te zijn, een wat triviaal gegeven, en dan nog steeds verliefd en onder de indruk van de ongrijpbare Valdemar denkt ze erover om het kind te houden. Het zal niet verbazen als dit de aanzet voor een volgend boek blijkt te zijn.
Andere sfeer
Een van de eerste dingen die opvalt bij het lezen van Het derde rijk is dat de sfeer van het boek anders is dan die in Knausgårds eerdere boeken. Wat blijkt? Waar De morgenster en De wolven van de eeuwigheid zijn vertaald door Marin Mars komt de vertaling van Het derde rijk van Maaike van Rijn. Dat zal de andere sfeer verklaren.
Het tweede dat opvalt is dat zinnen vaak beginnen met een werkwoord waarbij het persoonlijk voornaamwoord ontbreekt, zoals: ‘Hield het pakje sigaretten voor me op.’ Of ‘”Ja”, zei ik. Knikte.’ Niet een enkele keer, maar het hele boek door ontbreekt regelmatig vooral ‘ik’. Ook lijkt er een zekere verruwing te zijn opgetreden, peuk in plaats van sigaret, kraaien die hun bek houden, en verdomme of godverdomme – waar je gezien Knausgårds eerdere boeken godsamme verwacht – komt regelmatig voor. De woordkeus is soms vreemd: een haardos is ‘ongeschonden’, ‘milieu’ in plaats van het Engelse ‘scene’, waardoor je aanvankelijk op het verkeerde been wordt gezet.* ‘Onder ons’ waar ‘beneden’ logischer was geweest. Knausgård zelf doet met de keuze voor modieuze, wat banale woorden als vape, Tesla, kudo’s, afbreuk aan de doorgaans beschouwende sfeer. Gelukkig is het boek weer zo rijk dat over deze kleine irritaties heen te stappen valt. Het verhaal blijft boeien met de talloze kleine en grote gebeurtenissen, vol zijweggetjes die hun logische vervolg vinden in de gedachten en handelingen van de ik-persoon. Met tussendoor altijd de gewone dagelijkse dingen als het eten, de boodschappen, autorijden, de tobbende relaties en vooral niet te vergeten de machtige Noorse natuur.
Het begon en hield op
Het essay van Egil in De morgenster eindigt als de ster net verschenen is met ‘Ik weet wat dat betekent. Dat betekent dat het begonnen is.’ Op het einde van Het derde rijk gaat psychiatrisch patiënte Tove met moordverdachte Jesper naar een raam. Ze kijken samen naar buiten. ‘(…) de fjord, de bergen aan de andere kant, de hemel erboven, waarin de ster stond te stralen. En toen niet meer.’ Het is de laatste zin van het intrigerende drieluik. Het licht is uit, de door Knausgård betoverde lezer blijft peinzend achter.
Vertaalster Maaike van Rijn heeft naar aanleiding van deze bespreking onder meer laten weten dat het weglaten van het persoonlijk voornaamwoord bij uitstek een stijlkenmerk van Knausgård is; dat de auteur er soms stevig op los vloekt; dat ‘milieu’ hier politiejargon is.
De ik uit De naaister en de wind van de Argentijnse schrijver César Aira (1949) is een jaar of negen en speelt met zijn vriendje Omar op straat, waarbij ze in de lege oplegger van een vrachtwagen klimmen. ‘We probeerden elkaar angst te jagen, wat vreemd was zo midden op de dag en ook hadden we geen maskers en vermommingen (…) de angst bleek effectiever dan verwacht. Bij de eerste poging was die al buitensporig. Omar begon. Ik ging op de vloer zitten, dicht bij de rand aan de achterkant, en hij ging tegen de wand aan de andere kant staan. Hij zei “nu” en kwam met zware, trage stappen en zonder bekken te trekken of gebaren te maken (dat was niet nodig) op me af. De angst die me beving was zo groot dat ik mijn ogen moet hebben dichtgedaan. Toen ik ze weer opende was Omar er niet meer.’
Maar het is niet Omar die verdwenen is maar de ik, wiens moeder, de naaister, denkt dat haar zoon per ongeluk ontvoerd is in een vrachtwagen. In paniek gaat ze er met een taxi achteraan. De vader gaat haar weer achterna, in een rood vrachtwagentje, en in een blauw autootje volgt ook de zwangere klant van de naaister, wat een kolderieke achtervolging oplevert. De vader vergokt zijn vrachtauto, de zwangere vrouw baart een monster en de naaister wordt de liefde verklaard door de zuidenwind, een soort opperwezen van de pampa.
Het klinkt als een komische avonturenroman, maar het boek, oorspronkelijk uit 1994, heeft ook horror- en filosofische elementen, vleugen Zuid-Amerikaans magisch realisme, dadaïsme en surrealisme. Aira weeft er meeslepende herinneringen aan zijn jeugd en geboorteplaats Coronel Pringles (provincie Buenos Aires) en andere overpeinzingen doorheen. Hij wordt gezien als een van de origineelste Zuid-Amerikaanse schrijvers en publiceerde meer dan honderd titels.
Auteur: César Aira
Uitgeverij: Koppernik 2025
Overgave op commando
Hoofdpersoon Schelvis uit Overgave op commando van Nadia de Vries (1991) droomt ervan een meester te zijn, maar is in plaats daarvan een dienaar. Man noch vrouw is die een ‘soort avatar’ zegt Nadia de Vries in een interview met de Noord-Hollandse Dagbladcombinatie. ‘Diens identiteit wordt steeds bepaald door de manier waarop anderen hen indelen op de klassenladder.’
Schelvis woont in een dorp aan zee onder de rook van een staalfabriek, heeft een litteken op het gezicht en blauw haar. De meeste dorpelingen werken in de zwarte wolken gruis uitstotende fabriek. Het ‘bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kende. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren. Zelfs de communiejurken werden grijs na een middag aan de waslijn.’ (…) Net als de mensen in de fabriek zagen de orderpickers zelden zonlicht. Hun levens ontvouwden zich in afgesloten ruimten zonder ramen en zonder een klok aan de muur.’ Schelvis ziet een betere toekomst voor zich en besluit naar de stad te vertrekken, weg van diens lage sociale omgeving.
De Vries kent de omstandigheden waarin ze Schelvis plaatst – haar ouders waren arbeiders – al werd zijzelf door een auto-immuunziekte aan huis gekluisterd. ‘Dit boek is voor mij een experiment,’ zegt ze in het interview. ‘Het onderzoekt de vraag wat er van mij geworden was als ik niet de jeugd had gekregen die ik heb gehad. En ook als ik niet de motivatie had gehad om ergens uit te breken.’ Schelvis is een optimistische personage omdat die ‘wel dingen probeert, maar het ook accepteert wanneer ze niet lukken. Ik denk dat dat een grote wijsheid en kracht laat zien.’ Ondanks dat Schelvis geen geld heeft en nog niet weet hoe de wereld in elkaar zit, ondanks tegenslag, weet die toch beetje bij beetje succes te bereiken.
Auteur: Nadia de Vries
Uitgeverij: Pluim 2025
Het verhaal over Mevrouw Berg
Het verhaal over Mevrouw Berg is een bundel van vijf verhalen geschreven vanuit het perspectief van een kind. Voor kinderen en jongeren is de wereld vaak nog raadselachtig en magisch. In de verhalen uit Het verhaal over Mevrouw Berg ontmoet iemand de eerste liefde, komt een ander erachter dat ze erg op Janis Joplin lijkt, is helderziendheid een onderwerp en gaat een vertelling over glimwormen en kaarten.
Mevrouw Berg uit de titel van het boek is een hamster waarvoor het kind een grote liefde heeft opgevat. ‘Maar toen ik het weekend daarna kwam, zag ik dat Mevrouw Berg geen eten had gekregen, want ze had aan haar molentje geknaagd. Ik zei tegen mama: “Je moet niet vergeten om haar elke dag eten te geven.” “Nee,” zei mama.”’ Ze stond bij de gootsteen. Maar ze waste niet af. Ze staarde naar de muur en beet alleen op haar lip. “Zal ik je helpen afwassen?” vroeg ik, en ik pakte de theedoek. We deden de afwas. Daarna rende ik naar mijn kamer en knuffelde heel lang met Mevrouw Berg. Die avond zaten haar wangen helemaal vol met zaad.’
De Noorse schrijver en journalist Ingvild H. Rishøi (1978) heeft in haar boeken vaak het raadselachtige en beangstigende van relaties tussen mensen tot onderwerp, vaak in melancholische sfeer. Ze schreef drie kinderboeken, drie verhalenbundels en de novelle Stargate waarvan de film in oktober van dit jaar uitkomt. Met Stargate en de bundel Winterverhalen verwierf Rishøi grote bekendheid.
Het lot van Oekraïne gaat in het westen velen aan het hart. De populariteit van de schrijver Andrej Koerkov (1961), geboren in Rusland, opgegroeid en woonachtig in Oekraïne, is sinds de oorlog toegenomen. Hij is internationaal een veelgevraagd commentator. Vorig jaar verscheen zijn oorlogsdagboek Onze dagelijkse oorlog (2024), over zaken als wassen als de stroom is uitgevallen, loopgraafkaarsen, het geluid van rijdende tanks op een snelweg, vallende bommen, en de plaats voor kunst, literatuur en muziek in de maar doorgaande oorlog. Eerder verschenen onder meer Grijze bijen (2018) en Dagboek van een invasie (2022).
Het zilveren bot is deel 1 van The Kyiv Mysteries, drie misdaadromans met een historische achtergrond. In dit eerste deel wordt op klaarlichte dag Samson Kolechko’s vader in zijn bijzijn vermoord. Samson ontsnapt aan de sabel, het kost hem alleen een oor. Het is 1919. In Kiev is het Rode Leger van de Sovjets de baas, het Witte Leger probeert vanuit het westen op te rukken. Overal heerst wantrouwen. Samson is nu als wees alleen in het huis van zijn vader en op een dag wordt dat huis gevorderd door twee soldaten van het Rode Leger. Samson luistert hun plannen af en besluit hen te dwarsbomen, waardoor hij in moorddadige complotten terecht komt. Zijn leven staat geregeld op het spel, maar misschien zal hij een held worden.
Zoals altijd schrijft Koerkov op een licht ironische toon met oog voor absurditeit. Voor het spannende boek raadpleegde hij de archieven van de misdaadbestrijdingsdienst in Kiev.
Auteur: Andrej Koerkov
Uitgeverij: Borgerhoff & Lamberigts 2024
De bodem van het bestaan – Dagboeken 1976-1980 deel 5
In deel 5 van de Dagboeken van J.J. Voskuil wordt door de schrijver weer veel geworsteld, met zijn werk op het Meertensinstituut, met andere medewerkers, vrienden, met zijn vrouw L.. Voskuil schildert zichzelf daarbij negatief af, is meestal ontevreden over zijn gedrag en opmerkingen. Tegelijkertijd is hij vaak overtuigd van zijn eigen gelijk en doorziet hij behalve zichzelf ook de mensen om zich heen.
In 1976 is hij verliefd op de jonge medewerkster Mirjam Lucassen, die wordt gearresteerd in verband met een explosief. Zij verdwijnt uit het Bureau en uit Voskuils leven. Hij raakt gedeprimeerd en schrijft eind 1977: ‘En nog altijd het nu al maanden durende gevoel van zinloosheid dat het onmogelijk maakt indrukken op te doen en neer te schrijven. Om iets waar te nemen heb je een vast punt nodig. Er is geen vast punt.’ Ondanks de ruzies en oeverloze discussies met L. schrijft Voskuil herhaaldelijk: ‘Ik ben niets zonder L.’
In 1978 noteert hij, naast wat plaatsnamen van wandeltochten, slechts: ‘Marietje [hun kat] is vanmiddag doodgegaan. Ze was al een paar maanden ziek. De laatste weken had ze niet meer gegeten. Een klein, lief, mager scharminkeltje. Toen L. uit Den Haag thuiskwam, om kwart voor drie, leefde ze nog. Een minuut later was ze dood.’
Begin 1980 gaat hij verder met zijn dagboek. Over het werk: ‘Het komt erop neer dat ze niet geloven dat het een voorstel is. Ze zien het als een overval. Ik wil hen op die manier met een hoop nieuw werk opzadelen. Dat had ik pas mogen doen als er eerst een principebeslissing was genomen. Enzovoort. Ik ben verbijsterd.’
Voskuil chargeert en relativeert. Met humor, dat wel.
Auteur: J.J. Voskuil
Uitgeverij: Van Oorschot 2025
Namiddagen
De Duitse schrijver Ferdinand von Schirach (1964) is strafrechtadvocaat. Hij heeft vele bekende, beroemde en beruchte cliënten. Op zijn 45e publiceerde hij zijn eerste boek, Misdaden (2009), een bundel met verhalen uit zijn advocatenpraktijk die meteen een bestseller werd. Daarna volgden meerdere verhalenbundels, essays, toneelteksten en romans waarna hij al snel tot de beroemdste Duitse schrijvers ging behoren. Zijn boeken worden in meer dan 40 landen verkocht en er worden films en tv-series van gemaakt.
In de bundel Namiddagen (2025) spelen Von Schirachs verhalen zich af in velerlei steden, zoals Taipei, Berlijn, Oslo, New York, Marrakech, Tokio, om er een paar te noemen. In Japan is Von Schirach erg populair, hij won daar de Honya Taishō boekhandelsprijs in de categorie internationale literatuur. In een van de Namiddagen-verhalen ontmoet de schrijver in een hotelkamer in Tokio een Amerikaanse advocate. Zij is er voor werk, hij ook – voor interviews en lezingen. Door de vliegreis en het tijdsverschil kunnen ze geen van beiden slapen en zij vertelt hem haar verhaal als advocaat van een beroemde muzikant met wie ze, getrouwd en wel, een paar jaar een relatie had. Bij het einde van de relatie krijgt ze van de muzikant een bijzonder horloge, dat ze later op verrassende wijze tegenover haar echtgenoot weet te ‘legaliseren’.
In een prettig lezende, onopgesierde maar treffende ‘telling’ stijl laat Von Schirach levens van mensen passeren, met verkeerde beslissingen, toevalligheden, de liefde en de vluchtige aard van geluk en niet te vergeten eenzaamheid. Hij haalt daarbij literatuur, film en kunst aan.
Karl Ove Knausgård lezen is ondergedompeld worden in andermans leven. Niet als een voyeur, maar als een mens die herkenbare situaties, gedachten, relaties en ideeën meebeleeft. Aan die herkenbaarheid is behoefte; Knausgård heeft niet voor niets een wereldpubliek veroverd met het zesdelige autobiografische Mijn strijd waarin hij over zichzelf schrijft en over alles en iedereen in zijn leven. Ook in de seizoensboeken en zijn non-fictie horen en herkennen we zijn stem. Altijd zijn er de onovertroffen invoelbaar beschreven dagelijks handelingen als een jas aantrekken, een grammofoonplaat opzetten, uien snijden, in de pan met soep roeren, koffie zetten, in de auto stappen, een richtingaanwijzer aanzetten, de trap oplopen, naar buiten kijken, sleutels pakken en talloze andere alledaagse verrichtingen. Je ziet wat hij doet, spiegelt zijn bewegingen, hoort de dialogen. Daarnaast zijn er de gedachten, de ontwikkelingen en voortgang in het leven van de ik. Wat de lezer gewaarwordt is het mysterie dat leven heet, het geworstel dat het is.
In De wolven van de eeuwigheid ontmoeten we in de eerste helft van het boek ik-personage Syvert, die net uit militaire dienst ontslagen is en weer bij zijn moeder en zeven jaar jongere broertje Joar intrekt. Hij weet niet wat hij zal gaan doen, studeren misschien, maar wat dan? Hij neemt een baantje bij een begrafenisonderneming om financieel bij te dragen in het huishouden, traint weer bij zijn voetbalclub, hangt wat rond, zoekt oude vrienden op. Bij het opruimen van de garage vindt hij brieven van zijn al jaren geleden gestorven vader. In het Russisch. Hij laat ze vertalen en ontdekt dat zijn vader in de Sovjet-Unie een geliefde had.
Tweede natuur
Daarna volgen op zichzelf staande hoofdstukken met andere ik-personages, zoals vrachtwagenchauffeur Jevgeni en biologe Alevtina die na Syvert het tweede hoofdpersonage is. In allen herken je de blik en de manier van denken van de schrijver. Hij kan er zijn veelzijdige interesses in onderbrengen, want Knausgård zou Knausgård niet zijn als hij door het rustig voortkabbelende verhaal niet allerlei essayistische overpeinzingen zou weven, of niet af en toe een blik op de eeuwigheid zou werpen, zoals wanneer hij Syvert op weg naar de winkel laat denken: ‘Nu ik over de asfaltweg liep, leek het alsof de flitsende, dreunende ruimte, waar de opgewonden gezichten werden opgelicht en weer donker werden, zoals bij onweer, opging in iets oneindig veel groters en rustigers.’
Denken en schrijven over zaken die hem intrigeren, zoals de plaats van de mens in de kosmos, lijkt Knausgårds tweede natuur. Behalve een begenadigd schrijver is hij een gedegen denker. In Vrouw, het laatste deel van Mijn strijd, schrijft hij meer dan honderd pagina’s over Hitler en Mein Kampf en in De wolven van de eeuwigheid praat en denkt Alevtina pagina’s lang over evolutie en mycorhizza (de symbiose van planten en schimmels via de wortels), over celdeling en dna.
‘De dood is iets’
Dan personage Vasilisa, een vriendin van Alevtina. Zij schrijft een boek over F.N. Fjodorov, geboren in 1828. ‘Hij heeft een plan bedacht voor een gemeenschappelijke taak waarbij de hele mensheid betrokken zal zijn, en die de lichamelijke opstanding van alle mensen tot doel heeft.’ Als ze nadenkt over haar jong overleden broertje schrijft ze: ‘De dood is iets.’ Ze bezoekt een bedrijf waar dode lichamen, of alleen hoofden, drijven in tanks gevuld met vloeibaar gas van min tweehonderdvijftig graden. De bedoeling is ze ooit, later, weer tot leven te wekken, hersenen misschien te uploaden in een computer. Vrachtwagenchauffeur Jevgeni levert in dit bedrijf tanks af, bij het weggaan hoort hij een ‘onheilspellend gebonk’ uit een schuur komen. Het bedrijf Krio Rus, de naam die genoemd wordt, bestaat echt. Over het Amerikaanse equivalent schreef Jeanette Winterson in de roman Frankusstein.
De dood is een onontkoombaar thema bij Knausgård. Morgenster bevat een lang essay over de dood, Wolven begint al meteen met een paar pagina’s over Helge, een jeugdige ik die een auto in het water ziet liggen en er tegen niemand iets over zegt. De suggestie ontstaat, later, dat het Syverts vader is die in die auto om het leven is gekomen en misschien gered had kunnen worden. Deze Helge komt niet terug, of het moet de Helge zijn die in Syverts latere begrafenisonderneming werkt. Maar dan zijn we tientallen jaren verder. Syvert lijkt een stoïcijns personage, totdat uit de gesprekken met Alevtina blijkt hoe hij zijn gevoel uit de weg gaat, zich verbergt achter meegaandheid en aardig zijn. Hij durft haar niet te vertellen dat hij een begrafenisonderneming runt, bang als hij is dat zij dat werk onaangenaam vindt en hij erdoor in haar achting daalt.
Bijbel
De dood is niet het enige terugkerende element bij Knausgård. Grote, zwarte vogels vliegen wederom rond en de hellichte grote ster uit Morgenster is ook in Wolven aanwezig. De Bijbel, inspiratiebron voor Knausgårds eerste, weinig succesvolle roman Engelen vallen langzaam, neemt ook nu een vooraanstaande plaats in. In Wolven en Morgenster wordt eruit geciteerd en over nagedacht. De Bijbel is niet alleen een christelijk cultuurverschijnsel, hij vertegenwoordigt ook de mystiek en het bovenaardse. Wat weer samenvalt met de ‘nieuwe ster’ die in Wolven Vasilisa angst aanjaagt.
De wirwar van relaties, de noties over leven, dood, oneindigheid, mensheid, eeuwigheid en de cliffhangers na ieder hoofdstuk, dit alles maakt het boek mateloos boeiend. De wolven van de eeuwigheid is na De morgenster het tweede deel van een drieluik. Recentelijk verscheen Het derde rijk, het laatste deel. Dat belooft wat.
De schrijver van Native son — in het Nederlands Een van ons — is Richard Wright, een Afro-Amerikaanse schrijver en essayist die leefde van 1908 tot 1960. Zijn hoofdpersoon is Bigger Thomas, een zwarte jongen uit het Chicago van 1939, middenin de tijd van de Amerikaanse rassensegratie. Zwart en wit leefden strikt gescheiden. Afro-Amerikanen mochten alleen in voor hen bestemde treinen en bussen reizen, mochten enkel naar Zwarte scholen. Er waren gescheiden openbare toiletten, drinkwatervoorzieningen, restaurants en bedrijven. Witten beheersten de woningmarkt. Zwarten (de auteur schrijft Zwarten met een hoofdletter), mochten alleen wonen in door witten vastgestelde en afgezette woonwijken en betaalden voor dezelfde eenkamerwoning twee keer zoveel huur als witte mensen. Zwarten mochten niet stemmen, leefden onder het juk van witte wetten, werden niet geacht zelfstandig te denken en te voelen.
Een van ons is ingedeeld in drie boeken. Boek een heet Angst. Bigger Thomas woont met zijn moeder, zusje en broertje in zo’n wijk waar mensen nauwelijks werk en geld hebben en voelt zich totaal onmachtig om iets aan zijn situatie te veranderen. Zijn gevoelens bestaan uit — veelal overschreeuwde — angst, schaamte en haat, ‘een haat die hij niet wilde maar er desondanks was’. Om de wanhoop niet te voelen gedraagt hij zich grof en harteloos tegen zijn moeder, zusje, broertje en vrienden.
Biggers leven is al in de knop gebroken. Zijn ‘smeulende’ gevoelens kan hij niet plaatsen, het is Wright die vertelt dat zijn angst, onmacht, minderwaardigheidsgevoel en schuldgevoel zich vertalen in woede en haat. Bigger voelt pas dat iets in zijn binnenste de gelegenheid krijgt naar buiten te komen als hij geweld pleegt. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen zich onderwerpen en eigen initiatief, weet niet waarom hij ‘iets wil bereiken wat er toch niet is’, begrijpt de aandrang niet waarmee hij zich op iets wil richten, weet niet waarop of waarom. Als een blinde tast hij rond in zijn leven.
De moord
Bigger krijgt een baantje als chauffeur en een kamer bij de rijke witte familie Dalton. Meneer en mevrouw Dalton zijn ‘erg begaan met Zwarte mensen’, net als hun dochter Mary. Op de eerste avond moet Bigger Mary naar college brengen, maar Mary heeft andere plannen. Ze laat zich afzetten bij een gebouw waar ‘de rooien’ huizen. Bigger weet niet wat communisme inhoudt, alleen dat het een door de witten verafschuwd gevaar vormt. Mary komt weer buiten met haar vriend Jan die Bigger een hand wil geven. ‘Bigger verkrampte van spanning en angst (…) vroeg zich af of hij die witte man een hand moest geven.’
Schrijnend is dat Mary en Jan niets maar dan ook niets begrijpen van Biggers geestesgesteldheid. Zij beseffen niet hoe groot de kloofis tussen hoe Bigger voelt en denkt en wat voor hen normaal is. Ze zeggen de verkeerde dingen; Mary wil ‘al heel lang eens kijken hoe jouw soort mensen woont’. Ze dringen zich op. Ze maken een ritje met Jan achter het stuur, Bigger ernaast en Mary komt ook voorin zitten. ‘Hij zat ingeklemd tussen twee witte mensen, tussen twee enorme wit opdoemende wanden.’ Ze dwingen hem — althans ze dringen zo aan dat Bigger niet durft te weigeren — in een restaurant met hen aan tafel te eten. Provocerend en triomfantelijk. Hij wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen verbazing, onbegrip en haat. ‘Hij werd witheet. Laat ze naar de hel lopen! (…) Wat wilden die lui? Waarom lieten ze hem niet met rust? Hij was ze toch niet tot last?’
De avond draait erop uit dat ze door toedoen van Mary en Jan alle drie te veel drinken. Vooral Mary is erg dronken als Bigger haar thuis voor de deur wil afzetten, ze kan niet op haar benen staan. Uit verantwoordelijkheidsgevoel helpt hij haar naar haar bed. Daar gaat het, met mevrouw Dalton onverwacht in de buurt, faliekant mis. Bigger wordt ‘overmand door een hysterische angst’, want Zwarten worden, ook als er geen sprake van is, gepakt of gelyncht voor verkrachting. Hij doodt Mary en bedenkt in paniek hoe hij van het lichaam af kan komen. We zijn dan nog niet op een kwart van het boek.
Wright jaagt de lezer voort
Pagina’s lang beschrijft de auteur Biggers paniekerige beslissingen, handelingen en gedachten als hij Mary’s lichaam laat verdwijnen. Hij bedenkt een plan waardoor hij met geld weg kan komen en een ander de schuld zal krijgen en betrekt zijn vriendin erin. Deze Bessie stribbelt tegen, maar legt het lot van haar armzalige leven toch in handen van Bigger. Inmiddels zitten we in boek twee: Vlucht.
Zintuiglijk verhaalt Wright wat Bigger doet, denkt en voelt, en wat hij niet voelt en niet begrijpt. Er is hitte en rode gloed van de kolen in de verwarmingsketel in het huis van de Daltons, wind beukt tegen ramen, sneeuw jaagt in het licht van de zaklantaarn, er is de geur van rottend hout, gehuil van de nachtwind en een krakend, leegstaand oud huis. Als Bigger een steen opheft met de bedoeling zijn vriendin te doden probeert ‘zijn hart zich uit zijn borst te wurmen’. Hij raakt in paniek, zijn armen zijn verlamd. Wright jaagt de lezer met het ene detail na het andere door het boek, hij neemt hem mee op Biggers vlucht, laat hem voelen wat Bigger voelt en laat hem begrijpen waarom Bigger handelt zoals hij handelt.
De politie drijft Bigger op met felle lichten over besneeuwde daken. Als ze hem hebben wordt hij aan zijn voeten over de grond gesleept. In de gevangenis overkomt een andere Zwarte hetzelfde. Na Biggers arrestatie begint boek drie: Noodlot. Een van de kranten schrijft: ‘in woord en gebaar ontbeert hij de charme van het gemiddelde, ongevaarlijke, vriendelijk glimlachende zuidelijke Zwartje dat zo geliefd is bij het Amerikaanse volk.’ Enig cynisme is Wright niet vreemd. De journalist ziet Bigger als ‘rimboebeest’, ‘Zwarte beul’, als ‘een ontbrekende schakel in de evolutie van aap tot mens’. Hij pleit voor rassenscheiding en voor het beperken van ‘kennisoverdracht aan negers’. ‘Wij hier in het zuiden zijn van mening dat het Noorden negers aanmoedigt om meer kennis te vergaren dan ze biologisch aankunnen.’
Basale onveiligheid
Een witte advocaat — die we nu een mensenrechtenadvocaat zouden noemen — werpt zich op als Biggers verdediger. Bigger zelf begrijpt niet dat hij door de witte bewaker, zijn advocaat en door Jan die hem niets kwalijk neemt, ‘netjes en normaal’ wordt behandeld. In de vragen van zijn advocaat voelt hij een erkenning van zíjn persoon en bestaan, ‘een erkenning die hij nooit eerder had ervaren’. Hoofdaanklager Buckley hitst de haat van de witten tegenover de zwarte bevolking via de kranten op en eist de doodstraf voor Bigger. Zijn advocaat probeert dat te voorkomen.
Bigger probeerde voor zichzelf ‘een wereld te scheppen om in te leven’, wat steeds mislukt maar wat hij in de gevangenis nog steeds wil. Hij vraagt zich af: ‘Had die stem van de haat al niet lang voor zijn geboorte geklonken, en zou die na zijn dood niet nog steeds klinken?’ Tijdens het proces voelt hij de ‘weerloze schaamte’ van zijn familie ‘in het bijzijn van witte mensen’. Hoe groot de tragiek en onrechtvaardigheid is van de maatschappij waarin Bigger leeft toont Richard Wright als hij zijn hoofdpersoon laat denken: ‘Witte mensen vervolgden geen Zwarte die een andere Zwarte had vermoord.’
De auteur legt achterin het boek de totstandkoming ervan uit, zijn twijfel over een boek met een Zwarte als misdadiger. Hij laat zien hoe de benauwde visie die bij zowel wit als Zwart heerste, de beperkingen die Zwarten werden opgelegd, hun basale onveiligheid, de uitsluiting, hoe dat alles wel moest leiden tot psychische problemen die geregeld een uitweg vonden in ‘een wereld die bestond op het niveau van dierlijke driften’. Wright ‘kende vele Bigger Thomassen’, in verschillende gradaties. Niet alleen in eigen land zag hij een ‘modderpoel van menselijk leven’, hij signaleerde die ook in Nazi-Duitsland en Rusland. In Amerika voorzag hij de revolte die niet kon uitblijven. Zelf verruilde hij, het racisme zat, in 1947 Amerika voor Parijs, waar hij zich aansloot bij existentialistische kringen.
De aanklacht tegen Bigger is terecht, maar nog meer terecht is Wrights aanklacht tegen het onvermijdelijke resultaat van de racistische omstandigheden. Een van ons zou door iedereen, wit en gekleurd, moeten worden gelezen.
Literair Nederland vroeg zijn recensenten en redacteuren twee titels te noemen van boeken die zij dit jaar hebben gelezen en die de meeste indruk op hen maakte. Boeken die werden herlezen, inspireerden, troostrijk waren, of gewoonweg zo goed dat je ze nooit meer vergeet. Meer dan dertig titels kwamen boven uit de meer dan driehonderd boeken die er op Literair Nederland gerecenseerd of getipt werden. Sommige titels werden door meerderen genoemd als beste boek. We kunnen wel zeggen dat het een goed boekenjaar was en de keuze niet eenvoudig.
Van de boeken die in 2024 een bijzondere indruk op me maakten is er een van vorig jaar dat me een nieuwe leeservaring bezorgde en een inmiddels bekroond boek is. Dat laatste is Het kleedje voor Hitler. Een imponerende familiegeschiedenis die me trof door het vermogen van auteur Bas von Benda-Beckman wel kritische vragen te stellen, maar nergens te veroordelen of op te hemelen. Mag je trots voelen op je voorouders of schaamte, verantwoordelijk zelfs?
Ik herlas De kleine prins (1943) van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) na het zien van de schitterende documentaire Het wonder van Le Petit Prince, over versies in uitstervende talen. ‘Native speakers’ van vier daarvan vertellen over de betekenis van het boek in hun leven. Ik herlas het (in de vertaling van Erik van Muiswinkel) met nieuwe ogen en zag de actualiteit, vooral om hoe het prinsje zijn roos beschermt tegen de woekerende baobab en onze zorgen om de opkomst van rechts extremisme. (Adri Altink)
Verkeerd begrepen is de Nederlandse vertaling uit 1871 door Johanna van Swinderen van de meesterlijke
tranentrekker Misunderstood (1869) van Florence Montgomery (1843-1923). Daarover schreef Vladimir Nabokov in Speak Memory dat het lot van de 7-jarige Humphrey hem een vakkundiger brok in de keel bezorgde dan wat dan ook van Dickens. Ook Lewis Carroll was een groot bewonderaar. In 2000 verscheen een Nederlandse bewerking van dit boek. Jammer. Er moet gewoon snel een serieuze nieuwe vertaling van dit prachtboek komen!
Ander woord voor moeder (2024) is het ijzersterke poëziedebuut van Auke Leistra, vertaler van Paul Theroux, John Updike, David Sedaris e.v.a.. Een zeer persoonlijke bundel die in 42 gedichten een claustrofobisch universum van verdriet oproept. Ontsnappen lukt niet, maar door de stilistische brille en de humor toch wel af en toe bijna. Gedichten als ‘Bij nader inzien’, ‘Treintje’, ‘Zelfportret met schep’, ‘Pleister op de wonde’ en ‘Moederlijke zorg’ zijn voorbestemd evergreens te worden. (Hans Heesen)
‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Dit is de aanvang van het evangelie van Johannes. Zo heet ook het hoofdpersonage in Ochtend en avond, novelle van de Noorse Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Johannes gaat dood, maar komt onder de handen van de schrijver prachtig tot leven. Vertaald door Marianne Molenaar.
Het is zo’n titel die tot in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden (2021). Weer een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, totdat ik het niet langer kon negeren. Nu weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd door een schrijver. Vertaald door Charlotte Pothuizen. (Jan Kloeze)
Vertel me alles is het vijfde boek van Elizabeth Strout over de schrijver Lucy Barton. Lucy is erin geslaagd haar armoedige afkomst achter zich te laten en toch draagt ze die altijd bij zich. Fictie is verzonnen, maar die van Strout voelt waar. Ze heeft een geweldig gevoel voor sfeer en intermenselijke verhoudingen.
Vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen.
In Koud genoeg voor sneeuw (2022) van Jessica Au reist een dochter met haar moeder naar Tokyo. Ze lopen, eten in restaurant, bekijken kunst in musea en praten over onderwerpen die er ogenschijnlijk niets of juist alles toedoen. Dat dochter en moeder van elkaar houden is voelbaar, al blijft er veel onuitgesproken. Kunnen ze elkaar werkelijk bereiken? Vertaald door Marion Hardoar. (Juno Blaauw)
Frank Nellen weet in De onzichtbaren in een zorgvuldige stijl de sfeer op te roepen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Hij treft het karakter van de twee totaal verschillende hoofdpersonen – de ik-figuur (Dani) en zijn vriend Pavel -, buitengewoon raak. Er zitten sombere en naargeestige scènes in het boek, die tegelijk op een komische manier worden verteld. Daardoor blijven ze je des te meer bij. En de surrealistische verhalen, allemaal samen vormen ze een mozaïekroman. Groots verteld.
Marjoleine de Vos schrijft in Zo hevig in leven over kanker die haar trof. Bijna een half jaar lang, van oktober 2022 tot en met maart een jaar later. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Associatief lopen herinneringen aan momenten die ze met haar overleden man, Tom van Deel beleefde, en het hier en nu in elkaar over. Haar toon is zachtmoedig en zoekend, raak en nuchter, intiem en intens. Troostrijk ook. (Els van Swol)
Alkibiades (1923) van Ilja Leonard Pfeijffer heeft iets van een omgevallen boekenkast en lijkt geschreven door een auteur die van het weggeblazen dak van het Parthenon wil schreeuwen wat hij allemaal weet van het oude Griekenland. Maar het is ook een geweldige onderdompeling in wat ooit was en de bodem legde voor onze Westerse samenleving. Het was het eerste boek dat ik in januari uitlas dat meteen de lat voor 2024 torenhoog legde.
Op vakantie in Sardinië ontdekte ik een vergeten schrijfster en Nobelprijswinnares Grazia Deledda (1871- 1936), geboren en gevormd in de ruige gebergten rondom Nouro. Terwijl ik vlak bij haar geboorteplaats verbleef las ik drie boeken van haar hand. Ze maakten allen een diepe indruk en verdiepten mijn verblijf. Vooral Elias Portolu (1901) greep me, over een verdoemde liefde en over de kerk als toevluchtsoord, waar de ziel misschien wel, of misschien geen, rust zal vinden. (Martin Lok)
Het xoanon van Jan van Aken is een breed uitwaaierende roman over het Constantinopel van na WOI, met onvoorziene plotwendingen, dubbel-ingewikkelde intriges en een bijzonder sfeervolle inkleuring van de historische achtergrond. Geschiedenisboek, spionagethriller en avonturenroman in één.
In De onzichtbaren van Frank Nellen wordt een zeer geloofwaardige, hoewel groteske weergave van de aftakeling van het Sovjetrijk beschreven, aan de hand van personages bij wie allemaal wel een stukje loszit. Spannend, vermakelijk, schokkend en overtuigend. (René Leverink)
Vijf dagen trok ik op met Rut en Gorm uit Mijn iemand van de Noorse schrijverer Herbjørg Wassmo. Vroeger waren Rut en Gorm vage vrienden, maar ze verloren elkaar steeds weer uit het oog. Tot, gepokt en gemazeld door het leven, ze elkaar opnieuw ontmoeten en dit keer echt voor elkaar kiezen. Ze zijn elkaars iemand. Een verhaal over liefde en onafhankelijkheid, zielsverwantschap, egocentrisme en kunstenaarschap. Vertaald door Paula Stevens.
Het kleedje voor Hitler van Bas von Benda-Beckmannis de gedegen onderzochte en zeer toegankelijk geschreven familiegeschiedenis van Bas von Benda-Beckmann. Aan de hand van ongelooflijk veel brieven en dagboeken beschrijft de historicus zijn Duitse familie, de generatie van zijn grootouders in de vorige eeuw. Zijn tante Luise was getrouwd met de vertrouweling van Hitler, Alfred Jodl. Hoe loyaal waren zijn oudtantes en oudooms aan het Nazi-regiem, keken ze weg of wisten ze het echt niet? (Marjet Maks)
In Woestijnpassages (2023) van Emmelien Kramer kiest de Catalaanse dichter Àngel Or voor blindheid om de wereld anders te zien. Na zijn arrestatie door de Guardia Civil en zijn daaropvolgende verdwijning probeert de journalist Rodrigo Torres het mysterie rond Ors’ leven te ontrafelen. Kramer verweeft thema’s als vrijheid, identiteit en tijd met historische Spaanse trauma’s. Haar elegante, zintuiglijke stijl en filosofische aanpak maken deze roman tot een unieke leeservaring die uitnodigt tot herlezing en reflectie.
In zijn debuutroman De maat van alle dingen verweeft Johannes Westendorp een ingenieus netwerk van personages en verhaallijnen rond een aanslag in winkelcentrum Hoog Catharijne. Via rapteksten, nieuwsberichten, innerlijke monologen en sociale media onderzoekt hij thema’s als verlies, miscommunicatie en maatschappelijke spanningen. Westendorp breekt met literaire conventies en daagt de lezer uit om zelf verbanden te leggen. Deze gedurfde en strak geconstrueerde roman biedt een unieke, complexe leeservaring die blijft verrassen. (Anna Husson)
Verhalen van Toergenjev (1818-1883) verscheen dit jaar in een nieuwe vertaling bij van Van Oorschot, 1024 pagina’s dundruk. Het bevat Notities van een jager en de novelle Eerste Liefde. Verhalen die 400 bladzijden beslaan met vlotte dialogen en mooie natuurbeschrijvingen. ‘Een van de voornaamste voordelen van het jagen, beste lezer, is dat je dwingt voortdurend van de ene naar de andere plek te reizen, wat voor een man met weinig te doen bijzonder aangenaam is.’ Je maakt kennis met mensen uit het oude Rusland, adel, boeren, dienstmeisjes en bakkersdochters. Sjoukje Slofstra tekende voor de vertaling.
Moeder na vader (2023) is het derde boek van Gerbrand Bakker in de reeks Privé-domein. Bakker beschrijft met veel oog voor detail een jaar uit het leven van zijn moeder nadat zijn vader is overleden. Ontroerend boek met liefdevolle observaties over dagelijkse dingen. De 87-jarige moeder is hulpbehoevend, Bakker belt haar vaak en gaat geregeld bij haar langs. ‘Toen we naar de auto liepen, zei ik tegen M. dat ik dit altijd het ergste moment vond. Gewoon weggaan, zo aan het einde van de middag; juist omdat we geweest waren, ineens extra leeg en stil.’ (Evert Woutersen)
A rather haunted life (2017) door Ruth Franklin is de biografie van Shirley Jackson (1916-1965). Jackson schreef verhalen vol psychologische spanning in de traditie van the American Gothic, zoals ‘The haunting of Hill House’. Franklin laat zien hoe groot haar betekenis was in het naoorlogse Amerika toen het niet gebruikelijk was dat een vrouw een literaire carriere had naast haar gezin. Maar naarmate haar carrière vorderde, werd haar huwelijk zwakker en nam haar angst toe. Deze biografie vertelt waarom Jackson thuishoort in de hoogste regionen van de Amerikaanse literatuur.
Mary Gauthier is een Amerikaanse singer-songwriter, te vondeling gelegd, geadopteerd, weggelopen, verslaafd aan alcohol en drugs en gered door folkmuziek. Saved by a song (2021) bestaat uit memoires, gedachten over kunst, hoe haar liederen tot stand kwamen en haar streven om met muziek mensen te inspireren en samen te brengen. Eenvoudig en oprecht vertelt ze hoe muziek en woorden voor haar heling en verlossing brachten en haar leerden dat empathie met alle wezens de enige manier is om te verbinden. (Hettie Marzak)
Frank Nellen maakt in De onzichtbaren via de hoofdpersonen Dani en Pavel invoelbaar hoe het is (geweest) op te groeien in het oude Oostblok. Indoctrinatie, naïef maar niet minder oprecht strijden voor de socialistische heilstaat, leugens en bedrog, ontgoocheling en een trieste en troosteloze werkelijkheid die alleen te verdragen is door heel veel wodka te drinken tekenen hun wereld. Prachtig geschreven en aangrijpend interessant.
Bep Rietveld heeft haar hele leven tegen de klippen op geschilderd en getekend. Tineke Hendriks schreef met Waar kleur is, is leven een roman over haar veelbewogen leven als dochter van de beroemde vader Gerrit, in haar strijd te mogen (leren) schilderen, over haar lessen bij Charley Toorop, haar overleven in een Jappenkamp in toenmalig Nederlands-Indië en over haar werk. Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. (Joke Aartsen)
Mijn begin-van-de-vakantie-beloning is een dikke pannenkoek met kaas en stroop. Een zalige combinatie van vet, zoet en zout. Fout! Precies die drie ingrediënten. Teun van de Keuken schrijft in De mens is een plofkip over de verleidende, verslavende en ziekmakende voedingsindustrie. Waarom zijn er wel reclames voor ongezonde producten, maar amper voor gezonde? Hoe ambachtelijk is die ‘echte Italiaanse’ tomatensaus eigenlijk? En eten we onszelf bewust obees of treft de fabrikant ook nog blaam? Inzichtelijk en confronterend leesvoer.
Een brug naar Terabithia (2007) van Katherine Paterson. Waar ligt Terabithia? Het is het geheime koninkrijk van Jess en Leslie die een ongebruikelijke vriendschap sluiten. Een zachtaardige jongen en een vrijgevochten ‘jongensmeisje’, gesitueerd op het Amerikaanse platteland van de jaren ’70. Herlezen is waardevol: lees je nieuwe dingen? Word je nog meegenomen in het verhaal, staat de taal nog overeind? Raakt de tragische gebeurtenis je nog steeds? Ja! Oorspronkelijk uit 1977, bekroond en verfilmd, maar verlies jezelf liever lezend in deze tijdloze vertelling. (Saskia M. Toussaint)
Ik was verrast door de intrige waarin aantrekkingskracht en schuldgevoel in Raam, sleutel (2021) van Robbert Welagen om voorrang strijden. Schrijfster Karlijn raakt in de ban van haar gevoelens voor een vrouw die zij onverwacht ontmoet. Kort tevoren heeft ze haar vriend bij een ongeluk verloren. Welagen weet heel knap de gevoelens van rouw gelijk op te laten gaan met de verliefdheid voor de nieuwe vriendin. Dat spanningsveld zorgt ervoor dat je wil doorlezen.
Michail Sjisjkin is een Russische schrijver die in Zwitserland woont. Hij kent Rusland van binnenuit. In Mijn Rusland geeft hij een goede inkijk in het ontstaan van het dictatoriale politieke systeem door de eeuwen heen. De wijze waarop de bevolking in de greep wordt gehouden, is van alle tijden. Het zal heel moeilijk zijn om deze eeuwenlange onderdrukking om te buigen naar een meer democratische richting. Dat biedt geen uitzicht op een betere toekomst in Rusland na Poetin. Vertaald door Jan Sietsma. (Johan Reijmerink)
De leugenaar (1950) vanMartin Hansen is een scherp psychologisch portret dat tegelijkertijd doortrokken is van een Scandinavische treurigheid van de landelijke en afgelegen omgeving waar het speelt. Met weinig woorden wordt enorm veel sfeer en karakter neergezet in een klein drama over verhoudingen op scherp en de last van het verleden, en over vogel spotten. Vertaald uit het Deens in 1984 door Gerard Cruys.
Een doodgewoon leven (2017) van Karel Capek begint in alle opzichten als een doorsnee verhaal over een stationschef en zijn kabbelende leventje en ontvouwt zich tot een ware kakofonie van stemmen. Het innerlijk orkest van de hoofdpersoon komt al twistend met elkaar met volle kracht naar voren als hij terugkijkt op zijn leven en zijn motieven. Welke afslag was de ware en wat betekende zijn leven nu echt? Vertaald door Irma Pieper. (Ben Koops)
In Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv en een sniper beschrijft Jaap Scholten – die direct na het begin van de oorlog in Oekraïne het initiatief nam er hulpgoederen naar toe te brengen – wat hem bewoog en hoe het er was. Hij schakelde daarvoor o.a. zijn rugbymaten in, waaronder ook Tommy Wieringa. Een deel van de opbrengst van beide boeken wordt gebruikt om meer hulp te kunnen bieden.
Tommy Wieringa beschrijft in Konvooi van binnenuit de ellende in Oekraïne, maar ook het optimisme en de heldenmoed van veel mensen. Het is niet altijd even prettig om te lezen wat de Russen daar allemaal uithalen; het bevestigt wat velen al vrezen. Beide boeken zijn ook te lezen als aanklacht tegen het wegkijken van veel westerse overheden en meer nog tegen de verdomming van met name radicaal rechtse partijen en/of regeringen. (Martenjan Poortinga)
Het Internaat (2022) van Serhi Zjadan is een meeslepende Oekraïense roman die jaren voor de Russische inval is geschreven en tijdens de oorlog in de Donbas. In drie dagen maakt leraar Pasja een levensgevaarlijke tocht om zijn neefje uit een internaat in een onbenoemde stad op te halen. Hij reist door dorpen in een apocalyptisch landschap met militairen legervoortuigen, bombardementen en ontheemden. Met zijn neefje op de onvoorstelbaar helse terugweg denkt Pasja: ‘Geen mens zou zoveel angst en nijd in z’ geheugen moeten meetorsen.’ Vertaald door Tobias Wals en Roman Nesterenco.
In Vinvis der Vergetelheid (2022) van Tanja Maljartsjoek vertelt de vrouwelijke Oekraïense hoofdpersoon over teringleider en kluizenaar Vjatsjeslav Lypynski (1882-1931). Hij was historicus, conservatief politiek activist en Oekraïens gezant in Wenen. De vinvis staat voor de tijd die de hoofdpersoon met haar ‘gedachten, ervaringen en herinneringen’ opslokt. De hoofdstukken spelen begin deze eeuw, waarin de ik op drie blauwogige relaties terugkijkt, en begin vorige eeuw waarin zij het leven van Lypynski in verhalende vorm beschrijft – met veel politieke ontwikkelingen in Oekraïne. Op het eind schuiven de twee verhaallijnen in elkaar en de ‘blauwe vinvis sloot zijn bek en zwom verder.’ Vertaald door Marina Snoek en Tobias Wals. (Ronald Bos)
De tweelingen trilogie bevat Het dikke schrift (1986), Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991) van Agota Kristóf (Hongarije 1935 – 2011), dit jaar opnieuw uitgeven door DasMag. Tijdens WO2 in Hongarije worden de tienjarige tweelingbroers Lucas en Klaus bij hun grootmoeder ondergebracht. In een schrift schrijven ze heel precies en objectief wat ze beleven: ‘Wij moeten opschrijven wat er is, wat wij zien, wat wij horen, wat wij doen’. Alles zonder emoties. De karakters van Kristóf bezigen een logica die onbeschoft lijkt, maar (precies) is wat het is. Verrassende en intrigerende trilogie. Vertaald door Henne van der Kooy.
De openingszin van Café Dorian(2023) van Gilles van der Loo zet je direct op scherp. ‘Het is ochtend in de stad die ik je geef. Je trekt de voordeur dicht en kijkt naar de plaat met de verlichte bellen, het bordje met de naam die ik je gaf omdat ik over je wil schrijven.’ Die je is Guillaume, eigenaar van café Dorian. Een verhaal over mensen die elkaar niet kunnen bereiken. Twee tijdlijnen die af en toe op een wonderlijke manier in elkaar overlopen. Een verhaal van troost over mensen die elkaar niet kunnen bereiken, zo goed geschreven dat het je verleidt er opnieuw in te duiken. (Ingrid van der Graaf)
Goudjakhals van Julien Ignacio is verschillend in stijl en opzet. Zes verhalen die ogenschijnlijk los van elkaar staan, maar die met elkaar verbonden zijn door de thematiek. Het gaat over mensen die buiten hun eigen land, tegen de klippen op, een bestaan moeten opbouwen. Goudjakhals is een verpletterend goed boek. Een boek dat ertoe doet. Het maakt van de onbekende, ongeliefde vreemde een mens met een verhaal, een gezicht en een stem. Waarom ligt dit boek niet in grote stapels in de boekhandels?
In Onderburen van Juli Zeh verhuist hoofdpersoon Dora in coronatijd van de stad Berlijn naar het platteland. Is ze op zoek naar afstand tot haar activistische vriend of juist naar meer rust en ruimte om zich heen? Niet alleen haar omgeving begrijpt haar vertrek en vooral haar bestemming niet, ze vraagt zichzelf ook af wat ze moet in die AfD-omgeving. Onderburen is geestig, goed geschreven en bevat rake dialogen. Vertaald door Annemarie Vlaming. (Carolien Lohmeijer)
Je zou denken dat het niet kan, maar Carolina Trujillo beschrijft in De instructiesmet hilariteit en humor hoe dierenactivisten hun soms vergaande acties voorbereiden en uitvoeren. Ook laat ze gedetailleerd weten hoe het er in slachthuizen en met het transport van de ter dood veroordeelde dieren aan toegaat. Niet altijd fijn om te lezen, wel goed voor mensen die het nog niet weten, al lezen die dit boek misschien niet. Ik-personage Mol vertelt met terugblikken het verhaal van de uit de hand gelopen brandstichting in een slachthuis. Trujillo weet voor alle personages sympathie op te wekken, al is het alleen al omdat deze de consequenties van hun actie – gevangenisstraf – zonder morren accepteren.
Het Xoanon is een heerlijk avonturenverhaal van Jan van Aken tegen een nauwgezet weergegeven historische achtergrond en speelt in 1920 in Constantinopel. Het Ottomaanse rijk is verslagen, grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië bezetten de stad en Russische vluchtelingen zijn overal. Tegelijkertijd beginnen in de betere wijken de vrolijke jaren twintig en doemt in het oosten een nieuwe oorlog op. Verteller en vrijbuiter Beaujon raakt betrokken bij de jacht op een xoanon, een antiek houten beeldje dat in dit geval het palladium zou zijn dat Pallas Athene voorstelt. In een uitmuntende couleur locale vol geheimzinnigheid bevolken kleurrijke figuren de woelige straten van de stad waar de politieke situatie voelbaar is. (Anky Mulders)