• Nostalgie als inspirator voor nationalisme

    Nostalgie als inspirator voor nationalisme

    Halverwege Schuilplaats voor andere tijden van de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov bekruipt de lezer een benauwend gevoel. Geleidelijk gaan de gedachten uit naar stromingen – Poetin voorop – die terug willen naar een romantisch beeld van hun land uit het verleden. Het verhaal wordt vooral benauwend omdat de roman dan een wending neemt die in al zijn absurditeit niet eens zo onvoorstelbaar is vanwege de parallelle situaties die in de recente geschiedenis zijn terug te vinden.

    Gospodinov schept meteen verwarring met de ‘disclaimer’: ‘Alle echte personen in deze roman zijn verzonnen, alleen degenen die verzonnen zijn, zijn echt’. Al snel in de roman krijgt dat een uitwerking in een mystificatie als de ik-figuur naar aanleiding van een minuscuul berichtje in een daklozenkrant over een psychiater-gerontoloog die Gaustin heet, vertelt dat hij die man nu in levenden lijve wil ontmoeten; Gaustin, een man die hij ooit zelf verzonnen had: ‘Of misschien was het andersom, ik weet het niet meer’.

    Van Gospodinov is in Nederland één andere roman bekend, De wetten van de melancholie uit 2015. Ook daarin treedt ene Gaustin op; hij is er de ‘enige vriend’ van de verteller en een gesjeesde student filosofie. En zoals in die roman een mysterieuze Gaustin uit de 17de eeuw passeert, zo wordt in Schuilplaats voor andere tijden ene Gaustin van Arles uit de dertiende eeuw opgevoerd.

    Zwerver door de tijd

    Gaustin vergezelt auteur Gospodinov (uit wiens leven we feiten herkennen in de ik-figuur) al langer. Er zijn bijvoorbeeld het korte verhaal ‘Gaustin, of de man met de vele namen’ uit een verzameling uit 2001 en de gedichtenbundel ‘Brieven aan Gaustin’ van enkele jaren later (beide niet in het Nederlands vertaald). Het genoemde verhaal is in gewijzigde vorm trouwens opgenomen als hoofdstuk 5 van het eerste deel van Schuilplaats voor andere tijden.
    Gaustin is een man die zwerft door de tijden en geobsedeerd is door herinneren en vergeten.

    Georgi Gospodinov werd geboren in 1968 in Bulgarije, toen dat deel uitmaakte van de Sovjet-Unie terwijl dat jaar in West-Europa studentenrevoltes plaatsvonden en Praag een hard neergeslagen Lente kende. Het is een jaar dat in Schuilplaats voor andere tijden regelmatig opduikt, net als de datum 1 september 1939, de dag dat nazi-Duitsland Polen binnenviel. Verschillende biografische gegevens van Gospodinov, zoals zijn geboortejaar, zijn in de ik-figuur terug te vinden, maar auteur en verteller vallen op veel andere punten duidelijk niet samen.

    Bakeliet

    De roman zet in met de ontmoeting tussen de verteller en Gaustin tijdens een literair seminar, nadat de laatste nogal luidruchtig in het restaurant een portie zure room bestelde en daardoor de aandacht trekt van de overvloedig rakijadrinkende verteller. Het leidt tot een nadere kennismaking met deze uitzonderlijke figuur waaruit de verteller te weten komt dat Gaustin bezig is met het opzetten van een kliniek waarin hij dementerende ouderen plaatst in een omgeving uit het verleden waaraan zij de duidelijkste herinneringen hebben. De kliniek wordt snel verder uitgebreid met verdiepingen die elk hun eigen tijd en herinneringen hebben. De jaren zestig-etage was bijvoorbeeld ingericht met een bakelieten platenspeler, hoezen van Beatles-lp’s, tijdschriften en kranten uit dat decennium en behang en stoffering uit die tijd. De beschrijving is af en toe wrang humoristisch. Negentigjarige Alzheimerpatiënten worden bijvoorbeeld bewust op de begane grond geplaatst: de patiënten hoeven dan immers geen trappen te lopen en bovendien kon je ‘de kelder eronder gebruiken (..) als schuilkelder, en dat maakte de beleving van dit decennium nog authentieker’. Zo is ook de verdieping voor de jaren vijftig verdeeld in een oostelijk en een westelijk deel door een houten deur die het IJzeren Gordijn moet symboliseren.
    De ideeën worden nog later verbreed tot het plan een hele stad volgens die principes in te richten. Er ontstaan echter problemen als niet alleen Alzheimer-patiënten worden verzorgd, maar ook familie en vrienden en mensen die zich in hun huidige tijd niet thuis voelen, er willen worden opgenomen.

    Abba of Ikea

    Schuilplaats voor andere tijden wordt echter angstaanjagend als landen politieke munt uit het succes willen gaan slaan: de EU gaat een referendum organiseren waarin inwoners van een land mogen kiezen voor een terugkeer naar hun geliefde tijd. Onmiddellijk herinner je je als lezer het Brexitreferendum en de referenda die Poetin organiseerde in de Krim en het oosten van Oekraïne. De politieke strijd gaat allereerst over de vraag welke landen überhaupt mee mogen doen. ‘Groot-Brexitannië’ valt af, maar het neutrale Zwitserland mag wel meestemmen. Uiteindelijk leidt de uitslag van het referendum tot nieuwe grenzen, samenhangend met de verschillende tijdvakken waarnaar de landen terug willen. De grenzen van de EU-landen lopen ineens langs andere lijnen: Spanje, Frankrijk en Duitsland kiezen voor de tachtiger jaren en in Zweden is het lang spannend tussen fans van de jaren vijftig (de eerste IKEA-catalogus) en die van de jaren zeventig (opkomst van ABBA). Opvallend is overigens – iets dat Gospodinov nergens benadrukt – dat geen enkel land voor de eigen tijd of zelfs maar de 21ste eeuw kiest. Impliciet leven we volgens hem blijkbaar in een ongelukkige wereld met een grote hang naar nostalgie.

    Zoals te verwachten roept de herschikking als gevolg van het Europese referendum snel verhitte discussies op tussen vóór- en tegenstemmers, maar ook omdat deze nieuwe scheidslijnen praktische problemen opleveren en af en toe geboycot worden. ‘Wat geeft een natiestaat je eigenlijk?’, vraagt de verteller zich op een gegeven moment af: ‘Hij geeft je zekerheid, dat je weet wie je bent, dat jij daar bent te midden van al die anderen, die zijn zoals jij, die dezelfde taal spreken en zich dezelfde dingen herinneringen (…) En tegelijk heeft iedereen last van dementie als het gaat om andere zaken. Ik weet niet meer wie dat ooit heeft gezegd, dat een natie bestaat uit een groep mensen die het eens zijn over de dingen die ze onthouden en vergeten’ (volgens Gospodinov was dat Ernest Renan, die dat in de 19de eeuw al zei).

    God heeft dementie

    Gospodinov associeert er. aan de hand van kernbegrippen als vergeten, verlangen en geheugen op los. Daardoor raak je als lezer de draad wel eens kwijt. Daar staan echter tal van kernachtige (soms paradoxale) bespiegelingen tegenover die je aan het denken zetten: ‘Hoeveel verleden kan een mens verdragen?’; ‘Als niemand zich iets herinnert, is alles mogelijk’; ‘het ergste van dit verstoppertje spelen was om te beseffen dat niemand je meer zocht’; ‘God is niet dood. God is vergeten. God heeft dementie’.
    Een bijzonder plezier voor de veellezer zijn de talloze verwijzingen naar beeldende kunst en literatuur (Brecht, Auden, Borges enzovoort), de parafrases van beroemde zinnen (uit Moby Dick en Anna Karenina) en in het oproepen van de sfeer van schilderijen, zoals Tussen klok en bed van Munch.

    In de krachtige slotstukken blijkt het leven na het Europese referendum nog slechts te bestaan uit re-enactments van historische gebeurtenissen die nu misschien anders zullen eindigen of die je nog eens wilt herbeleven: de inval van Hitler in Polen in 1939, de moord in Serajevo in 1914, de moord in het Weense Burgtheater in 1925. En misschien schiet Rensenbrink nu niet op de paal. Ja, ook dat moment komt voorbij in Schuilplaats voor andere tijden als Alzheimerpatiënten op hun jaren zeventig-etage de WK-finale tussen Argentinië en Nederland uit 1978 beleven alsof ze hem voor het eerst zien.

     

  • Oogst week 11 – 2022

    Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool

    Vorige week, op de eerste dag van de Week van de Klassieken, verscheen Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool van Diederik Burgersdijk. Het gymnasium bestaat als onderwijsinstelling al sinds 1876 (en zelfs eigenlijk al sinds 1838). Lang kon je alleen via het gymnasium op de universiteit terecht komen. Velen die de school hebben doorlopen voelen zich hun hele leven een rijker mens terwijl critici zich verwonderd afvragen waarom je je hersens zou pijnigen met oude geschiedenis en dode talen.

    Burgersdijk opent zijn geschiedenis met de vaststelling dat het gymnasium, gezien het aantal leerlingen, populairder is dan ooit. Hij dacht aardig thuis te zijn in zijn onderwerp, maar tijdens zijn onderzoek ging toch nog een wereld voor hem open: ‘De geschiedenis van het onderwijs is eindeloos: tienduizenden gymnasiasten hebben de afgelopen decennia (en evenzovele in de voorbije eeuwen) examens afgelegd in een van de vormen die het klassiek onderwijs heeft gekend, van Groote School tot Latijnse school en gymnasium. Elk van hen koestert zijn of haar herinneringen, sommigen schreven die op, anderen hebben een diepgravende kennis of ervaring met het onderwerp. Van dat alles heb ik onderhavig boek gemaakt’.

    Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool
    Auteur: Diederik Burgersdijk
    Uitgeverij: Athenaeum

    Als je ze kent

    Na de poëziebundel Nova Zembla uit 2013 verscheen in 2014 het verhalendebuut van Fieke Gosselaar, Tussen de anderen, een bundel waarvoor ze putte uit haar ervaringen bij de rechtbank in Leeuwarden waar ze werkt. Ze gaan over mensen die buiten de boot (dreigen te) vallen, vaak zonder dat ze daar veel tegen kunnen doen. Ook in haar zojuist verschenen roman Als je ze kent staan weer gewone mensen centraal die terecht komen in situaties die hun leven onzeker maken: schulden, verslaving, eenzaamheid. En de schrijnende armoede als gevolg daarvan:

    ‘Bij de kassa moet ik 10 euro 74 afrekenen en dat valt me tegen, ik wilde op 10 euro uitkomen of in ieder geval met het croissantje erbij onder de 10 euro 50 blijven. Als ik de winkelwagen heb teruggebracht, besluit ik bij de uitgang toch mijn boodschappen na te rekenen. Een man voor me koopt een slof sigaretten en een kraslot met zilverkleurige klavertjesvier. Hij blijft naast me aan de balie staan krassen als ik aan de beurt ben. Zijn duimnagel is vergeeld door het roken en is te lang om netjes te noemen.
    “Mijn bon klopt niet,” zeg ik. “Ik kom uit op 10 euro 52, terwijl ik 10 euro 74 moest betalen.” De kassabon leg ik voor de caissière neer.’
    Gelukkig ontmoet Nora, de ik-figuur ook mensen die daar de schouders niet voor ophalen. Het levert gewone en toch bijzondere ontmoetingen op.

    Als je ze kent
    Auteur: Fieke Gosselaar
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het licht aan het eind van de loop

    De nieuwste roman van regisseur en schrijver Martin Michael Driessen (bekend van de veelgeprezen romans en verhalen Vader van God, De pelikaan en Rivieren) valt onmiddellijk op door zijn omslag. Daarin zit rechtsboven een prachtig vormgegeven kogelgat. Titel: Het licht aan het einde van de loop. Driessen kruipt in dit boek in het lichaam van die kogel. Hij stelt zich in de eerste zinnen voor: ‘Ik sta rechtop in een kartonnen doosje, in het gelid met negen collega’s. Het is donker, we bevinden ons in het nachtkastje van een tandarts in Palm Beach. Alleen als de la niet helemaal goed is dichtgeschoven, wat soms voorkomt als Asuncion heeft gepoetst, zien we een smalle streep fel zonlicht (…) Henry noemen we de Colt .38 die de la met ons deelt en voor wie we zijn bestemd. Hij is zwaar en zwijgzaam, nogal nors gezelschap eerlijk gezegd. De meeste revolvers beschouwen zich als min of meer superieur aan hun ammunitie. Maar wij hebben onze eigen trots; zonder ons zouden zij immers betekenisloze mechanieken zijn.’
    Henry ligt met de kogels te wachten. Waarop? Wie is of zijn het doelwit? Op wie zullen ze gericht worden? Wat zal het effect zijn? Voldoende vragen voor een spannende ‘Autobiografie van een kogel’.

    Het licht aan het eind van de loop
    Auteur: Martin Michael Driessen
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Meeleven met een ongeleid projectiel

    Meeleven met een ongeleid projectiel

    In december 2021 is Yvonne Keuls 90 jaar oud geworden. Ze kan naast een eerbiedwaardige leeftijd ook bogen op een zeer indrukwekkend oeuvre. Van haar hand zijn inmiddels meer dan negentig publicaties verschenen, van toneelstukken en hoorspelen tot literaire televisiebewerkingen en romans. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw brak ze echt door met haar ‘sociale romans’ zoals Jan Rap en z’n maat, Het verrotte leven van Floortje Bloem en De moeder van David S. In diezelfde categorie valt ook Gemmetje Victoria, een boek dat binnen dat enorme oeuvre nog geschreven moest worden. 

    Yvonne Keuls ontmoette de nog jonge Gemmetje ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw in een opvanghuis voor jongeren, waar Keuls als vrijwilligster werkte. Het nog minderjarige meisje had in haar jonge leven al zeventien kindertehuizen, acht pleeggezinnen en een paar psychiatrische inrichtingen van binnen gezien en kondigde luidruchtig aan dat er niet voor niets met grote letters een stempel met ‘onhandelbaar’ op al haar dossiers stond. Als baby is ze weggehaald bij haar biologische moeder, van wie ze de achternaam niet kent. Victoria is een bedachte achternaam, omdat Gem altijd wel weer boven komt drijven. Ondanks het feit dat Gem Yvonne aanvankelijk allerlei voorwerpen (onder meer schoenen, asbakken en nog bevroren Iglo-maaltijden) naar het hoofd smijt en ondanks het feit dat Gem vanaf het begin duidelijk is over al haar gebreken, waaronder haar kleptomane neigingen, ontstaat er tussen de twee vrouwen een band voor het leven. 

    Ook nog zwanger

    In wezen is de verhaallijn bijzonder triest. Gemmetje kent haar ouders niet en zowel jeugdzorg als de kinderbescherming weigeren om haar aanknopingspunten te geven om op zoek te gaan naar haar biologische moeder. Het ontbreken van een stabiele basis heeft van Gemmetje een ongeleid projectiel gemaakt. Ze is ongelofelijk druk, steelt haar hele garderobe bij elkaar, heeft overal het hoogste woord, steekt de ene met de andere sigaret aan en heeft zelden een vaste woon- of verblijfplaats. Ze voelt zich vanwege allerlei akelige ervaringen in het verleden nooit veilig genoeg om ergens alleen in een kamer te slapen, er moet altijd iemand bij haar zijn bij wie ze zich op haar gemak voelt. En dan is ze op een dag ook nog zwanger.

    Gelukkig is er een non van de Congregatie van de Zusters van de Liefde die zich over haar ontfermt. Zuster Van der Mast, kortweg Zus, biedt in de Schilderswijk van Den Haag hulp aan daklozen en verslaafden. Yvonne en Zus zullen samen een onvoorwaardelijke basis blijven vormen voor de wispelturige Gem, maar ze doet alleen een beroep op hen wanneer ze echt helemaal klem zit. Het zoontje waarvan ze moeder wordt vindt ze te druk en te bewerkelijk. Ze laat hem al snel achter bij zijn vader, maar ze houdt wel contact met hem.

    Gevangenis

    Onder invloed van Zus lijkt Gem haar leven enigszins op de rails te krijgen. Zus regelt een baantje voor haar in de Schilderswijk en ze kan daar via Zus zelfs een eigen huisje krijgen. Gem maakt vanwege haar nieuwe baan kennis met een aantal Turkse en Marokkaanse vrouwen voor wie ze allerlei activiteiten bedenkt en organiseert, samen met Zus en haar Congregatie. Op een gegeven moment gaat Gem een papieren huwelijk aan, waarmee zij veel geld verdient en haar Turkse echtgenoot (die ze slechts enkele keren ontmoet) een verblijfsvergunning. Het geld spendeert ze aan een vakantie naar Suriname, samen met een vriendin van vroeger, maar op de terugweg naar Nederland worden er drugs aangetroffen in haar bagage en belandt ze een poos in de gevangenis. 

    De ellende stapelt zich kortom op in Gemmetje Victoria. Gelukkig hanteert Keuls een zeer vlot leesbare stijl die doorspekt is met allerlei humoristische observaties, maar de drukke Gem en de situaties waarin zij zich bevindt dan wel manoeuvreert zijn soms wat veel van het goede. Het verdient dan ook aanbeveling om het boek regelmatig even te sluiten om weer op adem te komen, want het ene probleem is nog niet opgelost of het volgende dient zich alweer aan. Gem blijkt op een gegeven moment ook nog flink ziek te zijn en moet steeds vaker een beroep doen op Yvonne, Zus en haar vriendinnen uit de Schilderswijk. 

    Belofte

    Keuls heeft met Gemmetje Victoria feitelijk een belofte ingelost aan Gem; al vanaf hun eerste kennismaking droomde Gem ervan dat Yvonne ooit een boek over haar zou schrijven. Je zou het boek kunnen zien als een aanklacht tegen foute keuzes die er in de jeugdzorg en door de kinderbescherming werden gemaakt. Het sterkst is Keuls wanneer ze de spreektaal weergeeft. De rauwheid van het milieu waarin Gem verkeert druipt er vanaf:

    ”Wat bedoelt die lulhannes nou?” zei Gem. “Nou ja, ik denk dat ik toch liever weer terugga naar Truus, koffie schenken met gevulde koeken en condooms en slapen in het grote IKEA-bed. Ik heb geen zin om in zo’n handhavingspakkie rond te lopen en iedereen op de bon te slingeren. Straks wachten ze me in het donker op om me een pak om m’n sodemieter te geven. En ik kan ook Sevda gaan helpen op haar school, want Sevda zei laatst nog dat ze me hartstikke slim vond en dat ik alles snel doorhad. Maar Sevda wil wel dat ik eerst naar de dokter ga, want die rothoest, die gaat maar niet weg en Sevda is bang dat het kinkhoest is, want dat heerst, en ze wil niet dat de hele school kinkhoest krijgt.”’ 

    De hele setting van de beginjaren van de Schilderswijk vormt een prachtig tijdsbeeld. Keuls’ observaties zijn vaak droogkomisch en de scène waarin Gem boos wordt omdat haar fiets is gestolen is grappig, omdat ze zelf ook vaak spullen meeneemt zonder ze te betalen. Maar om nu, zoals Marion Pauw dat op de achterflap van het boek doet, te stellen dat je ‘onder de tafel ligt van het lachen’ vanwege dit boek gaat te ver, daarvoor ben je als lezer toch te veel gaan meeleven met Gemmetje. De foute keuzes die keer op keer door haar gemaakt worden zie je al van verre aankomen. Onwillekeurig blijf je je echter steeds afvragen wat er van deze vrouw geworden zou zijn als ze na haar geboorte wel bij haar moeder had mogen blijven en niet in de handen van de jeugdzorg was gevallen.

     

  • Een kind meer of minder

    Een kind meer of minder

    Stel je bent donorkind en je gaat, nieuwsgierig geworden naar je afstamming, op zoek naar je biologische vader. Waar moet je beginnen? En wil je mogelijke vader jou en zijn mogelijke andere kinderen wel kennen?  Of verschuilt hij zich liever achter zijn recht op privacy? Christiaan Alberdingk Thijm heeft dit gegeven gebruikt voor zijn nieuwe roman De familie WachtmanChristiaan Alberdingk Thijm schrijft in zijn nawoord dat hij negen jaar aan zijn roman heeft gewerkt en dat alle gebeurtenissen volledig uit zijn brein zijn ontsproten, ‘al deed de actualiteit gaandeweg haar best de fictie in te halen.’

    Fictie 

    Philip Wachtman (45 jaar) werkt al jaren als universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde ooit op het recht op anonimiteit van de spermadonor. Als autoriteit op dit gebied is hij een graag geziene gast in televisieprogramma’s. Hij geeft colleges over de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting.  Daarvoor gebruikt hij steeds dezelfde powerpointpresentatie. Hij hoeft alleen zijn USB-stick in de computer te steken om college te geven. Tot zijn college een keer anders verloopt dan verwacht. Studente Vera Hartog stelt vragen over het arrest van Rasmussen waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een streep heeft gezet door de belangen van zaaddonors. Wachtman heeft zich niet in dit arrest verdiept en reageert geïrriteerd: ‘Rasmussen is niet verplicht voor het tentamen.’

    Na het college vraagt Vera of hij haar wil begeleiden bij haar scriptie, maar hij houdt de boot af, omdat – zoals hij zegt – ze bij de vakgroep maar 0,8 fte beschikbaar hebben voor onderwijs en scriptiebegeleiding. Later blijkt dat Wachtman al jaren geen scripties meer begeleidt. De doorbreking van de anonimiteit van de zaaddonor zet zijn wereld op zijn kop. Op werkgebied omdat het onderwerp van zijn colleges hiermee in één klap achterhaald is. En privé, omdat hij al jaren spermadonor is. Volgens schattingen van de spermabank zou hij tot wel 411 nakomelingen hebben. Zijn vriendin Freya de Koning (39 jaar) is niet op de hoogte van zijn donorschap, van zijn ‘parallelle leven.’ Zij heeft een kinderwens en probeert al anderhalf jaar zwanger te worden. ‘Ze wil een kind. Een kind van hem. “Een klein roodharig hummeltje,” had ze gezegd.’ Opvallend in dit verband: Freya is de naam van de noordse godin van de vruchtbaarheid. Nu het haar niet lukt om zwanger te worden, heeft ze een afspraak gemaakt bij de gynaecoloog voor onderzoek. Wachtman gaat met tegenzin mee, omdat er volgens hem niks mis is met zijn zaad…

    In afwisselende hoofdstukken lezen we over de belevenissen van Philip en Freya, vanuit zijn – en haar perspectief. Philip hoopt op een benoeming tot hoogleraar, maar dat gaat niet zoals hij verwacht. Er is meer tegenslag: hij moet zich verdedigen tegen een aanklacht van een studente. En hij wordt beschuldigd van plagiaat in zijn proefschrift. Bij tegenslag en teleurstelling vindt Philip troost in het doneren. Hij neemt dan contact op met de kliniek met de vraag of hij nog even kan langskomen: ‘Ik heb het nu echt even nodig. Er is iets gebeurd. Het gaat even helemaal niet goed.’ In de kliniek vindt hij rust, na al ‘die momenten waarop hij boos de deur achter zich dichttrok omdat hij niet werd begrepen.’ Het is een boosheid ‘die alleen te koelen is door te verdwijnen.’ Ook al kent hij zijn donorkinderen niet, ‘ook al heeft hij geen band met ze, hij voelt een diepe verwantschap.’ Het idee dat hij zoveel nakomelingen heeft, geeft hem een gevoel van veiligheid. ‘Al die kinderen van hem staan eigenlijk voor alle momenten in zijn leven dat er even niemand voor Wachtman was.’

    Universiteit versus theater

    Alberdingk Thijm schetst een mooi tijdsbeeld van hoe het eraan toe kan gaan op een universiteit: de voortdurende druk om te publiceren, het gedoe rondom het aanvragen van subsidies voor onderzoeksprojecten, kostenbesparingen en reorganisaties, #metooprotocollen en het azen op promoties. Zijn beschrijvingen van de universitaire wereld lijken een hedendaagse variant van Onder Professoren (1975) van Willem Frederik Hermans.  Bij Hermans ging het over de universiteit van Groningen, bij Alberdingk Thijm over de Universiteit van Amsterdam. Hermans’ hoofdpersonen Rufus Dingelam, Knellis Tamstra en Andreas Ballingh, heten bij Alberdingk Thijm Philip Wachtman, Maaik Dammers en Theo Niemantsverdriet.

    De hoofdstukken over Freya vertellen hoe zij Philip heeft leren kennen, over haar studie aan de toneelacademie, haar afstudeerrol als Martha in Edward Albees toneelstuk Who’s Afraid of Virginia Woolf bij een groot toneelgezelschap. Ook hier heeft Alberdingk Thijm zich laten inspireren door de actualiteit, zoals seksueel misbruik en intimidatie in de theaterwereld. Freya heeft succes als stemactrice voor het  populair karaktertje, Felicity. ‘Het leven straalt als iedereen een zonnetje is.’

    Amsterdam

    Het decor van de roman is Amsterdam. Bekende plekken zoals de Oudemanhuispoort, Rokin, Athenaeum boekwinkel, Buiksloot in Amsterdam-Noord, het Boven IJ-ziekenhuis.  Het verhaal speelt zich af rond de bouw en de opening van de Noord/Zuidlijn op zaterdag 21 juli 2018.

    Alberdingk Thijm schreef in een soepele stijl een roman met veel vaart. De verhouding tussen dialogen en beschrijvingen is goed in balans. De structuur met het wisselende perspectief Philip/Freya werkt goed. Wat dat betreft zou het een Nicci Frenchboek kunnen zijn: de een schrijft vanuit de man, de ander vanuit de vrouw. Maar Alberdingk Thijm heeft beide perspectieven voor zijn rekening genomen. De beeldspraak die hij gebruikt, past bij de stemming van de hoofdpersonen. Als Philip zich niet goed voelt lezen we: ‘Wachtman lijkt tot zijn middel in een vat beton gegoten.’ En als Freya de kinderen van haar vriendin afhaalt bij school: ‘Voortdurend het beeld om me heen van het leven dat ik zou willen leiden, de reflectie van wat had kunnen zijn, zo dichtbij, maar slechts een spiegeling in het water.’

    Alberdingk Thijm schrijft in het nawoord dat hij voor zijn roman de Wet over de donorgegevens verplaatst heeft naar 2012. In werkelijkheid was 2004 het jaar waarin anoniem doneren verboden werd. De tegenstelling recht op privacy van de donor tegenover het recht op kennis over afstamming van het donorkind heeft hij knap uitgewerkt. Voordat je er als lezer erg in hebt, komen alle lijntjes in de roman als in een stroomversnelling samen in een verrassend slot tijdens de opening van de Noord/Zuidlijn. Alberdingk Thijm heeft met De familie Wachtman à la Nicci French een echte pageturner geschreven. Alleen de sticker ‘De nieuwe Alberdingk Thijm’ ontbreekt op de omslag.

     

     

  • Oogst week 14 – 2021

    De verdwenen piano's van Siberië

    De Britse reisjournalist Sophy Roberts begeeft zich bij voorkeur naar extreme bestemmingen, naar daar waar anderen niet zo snel zullen gaan. Toen ze van een Mongoolse concertpianist dan ook hoorde over een unieke, verloren gewaande piano in Siberië, was dat voor Roberts reden ernaar op zoek te gaan. De zoektocht duurde drie jaar, de uitkomst was De verdwenen piano’s van Siberië dat op 13 april verschijnt.

    Siberië roept vooraleerst de gedachte op aan ijzige kou, onherbergzaamheid, verlatenheid, ballingschap en strafkampen. In dit immense gebied vindt Roberts talloze oude piano’s, van prachtige oude vleugels uit de hoogtijdagen van de negentiende eeuw tot vormelijke piano’s uit de tijd van de Sovjetunie. Met de piano’s als leidraad vertelt Roberts hoe pianomuziek omarmd werd door het volk dat zoveel ontberingen moest doorstaan, waarmee ze ook de geschiedenis belicht. Catharina de Grote was de aanjager waardoor pianomuziek werd opgenomen in de Russische cultuurgeschiedenis. ‘Dit boek is een persoonlijk en literair avontuur,’ schrijft Roberts. ‘Als mijn definities eenzijdig zijn, komt dat doordat ik geen historicus ben. Als ze Eurocentrisch zijn, komt dat doordat ik Engels ben; al mijn reizen naar Siberië gaan van west naar oost – fysiek, cultureel, muzikaal.’

    Paul Theroux noemt De verdwenen piano’s van Siberië ‘een elegante reis door literatuur, geschiedenis en muziek maar ook langs revolutie, moord en verbanning.’ De Sunday Times vindt het boek ‘Een bijzondere kennismaking met een fascinerend deel van de wereld waar we opvallend weinig van weten.’

     

    De verdwenen piano's van Siberië
    Auteur: Sophy Roberts
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De grijzen

    Geheimzinnigheid, raadsels, dood, onbeantwoorde vragen, het zijn geliefde thema’s van Vincent Merjenberg. Zijn korte verhalen laten de lezer weifelend achter. Ook in zijn debuutroman De grijzen die 15 april verschijnt, vormen mysterie en de onmacht van het individu de hoofdmoot. Er is een grensstad, waar ‘hopelozen’ zich in buitenwijken voorbereiden op een gevaarlijke oversteek naar de ander kant van de grens. In de buitenwijken zijn ook de ‘vondsten’, lichamen van mannen, vrouwen en kinderen die rechtop in de aarde worden aangetroffen. In een appartement kijkt een oude man terug op de tijd dat hij pas in de stad woonde. Hij weet meer van de vondsten: ‘De herinneringen komen uit de diepte. Sinds de eerste vondsten werden gedaan en ik er voor het eerst over las – ondertussen alweer maanden geleden – worden ze scherper, pijnlijk scherp, en ze komen steeds vaker bovendrijven, of ik het nou wil of niet. Ik weet dat het komt door wat ik lees, doordat ik lees. Dat het daar in ieder geval mee begint. En toch volg ik de berichtgeving over de gruwelijkheden op de voet: de speculaties, de zogenaamde ooggetuigenverslagen, de beschuldigingen die steevast volgen op iedere nieuwe ontdekking.’

    De jonge journalist Lena lijkt steeds meer te weten te komen over betrokkenen, over het kwaad waartoe mensen in staat zijn. Maar juist als een antwoord op de vragen toch ver weg is, stuit Lena op een verdwenen schrijver en zijn verdwenen manuscript. Brengt dat haar dichter in de buurt van de oplossing van de raadselen?

     

     

    De grijzen
    Auteur: Vincent Merjenberg
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De hond die durfde te dromen

    Van de Zuid-Koreaanse schrijfster Sun-mi Hwang (1963) zijn in eigen land meer dan veertig boeken verschenen. Vanwege het sprookjesachtige karakter worden ze gelezen en gewaardeerd door zowel volwassenen als kinderen. In Nederland is nu De hond die durfde te dromen verschenen, het derde boek van Hwang in een Nederlandse vertaling.
    Hond Kroezel ligt niet goed bij andere honden omdat ze nogal temperamentvol is en een lange vacht heeft. Ze doet niet veel meer dan op de binnenplaats rondhangen en haar baas gezelschap houden. Toch droomt ze van een beter leven. Deze dromen geeft ze ook niet op als ze ’s winters ten prooi valt aan de donkerte. Daarvoorbij weet ze geluk, vriendschap, moederschap, maar dan moet ze wel de kansen die zich voordoen durven grijpen en de moed hebben om te zijn wie ze is.

    De hond die durfde te dromen gaat over fouten maken en daarvan leren, over de speciale band tussen mens en dier, over liefde en verlies, over vertrouwen hebben, kortom over levenswijsheid en troost.
    Van Sun-mi Hwang zijn Het huis met de kersenbloesem en De kip die dacht dat ze kon vliegen eerder in het Nederlands vertaald. Van het laatste boek is in Zuid-Korea een succesvolle animatiefilm gemaakt. De schrijfster is er erg geliefd en won met haar boeken vele prijzen.

     

    De hond die durfde te dromen
    Auteur: Sun-Mi Hwang
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Oogst week 6 – 2021

    De berenvrouw

    Het jaar 1541 lijkt niet ver af te staan van het heden in De berenvrouw van Karolina Ramqvist. Niet alleen omdat het verhaal van Marguerite de la Rocque, een daadwerkelijk historisch figuur, te maken heeft met seksuele intimidatie en verbanning, victim blaming avant la lettre, zeg maar – helaas weer en altijd actueel – maar ook omdat Ramqvist haar eigen verhaal met dat van Marguerite vervlecht. Ramqvists reflectie op haar moeder- en schrijverschap speelt namelijk een belangrijke rol in De berenvrouw. In de roman wordt De la Rocque na een seksschandaal van een schip gezet en achtergelaten op een onherbergzaam eiland in Newfoundland, waar ze het hoofd moet bieden aan de beren die er leven en in de wildernis bevalt van een zoon. Ramqvist doet verslag van haar leven en toont de lezer tegelijkertijd hoe ze tot het schrijven van het verhaal is gekomen, en welke keuzes haar eigen leven bepaald hebben.

    De berenvrouw
    Auteur: Karolina Ramqvist
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In mijn mand

    Van schrijver en filosoof Lieke Marsman, die Tsead Bruinja op 21 januari van dit jaar officieel opvolgde als Dichter des Vaderlands, verscheen In mijn mand. Het is een maatschappelijk geëngageerde dichtbundel waarin zij reflecteert op het leven met een levensbedreigende ziekte, en de plek, de waarde, die ziekte en dood in een mensenleven en de maatschappij hebben. Marsman schrijft vanuit haar eigen ervaringen, zoals ze ook deed voor haar eerder verschenen bundel De volgende scan duurt vijf minuten: in 2018 werd kraakbeenkanker bij haar gediagnosticeerd, ze wordt inmiddels behandeld voor uitzaaiingen. Het leven met een levensbedreigende ziekte wakkert juist ook strijdvaardigheid en politiek activisme in haar aan. In 2020 stelde ze in een interview met Trouw al: ‘(…) me verdiepen in politiek is meer dan alleen afleiding. Ik wil geen verhaal houden van “die ziekte levert ook goeie dingen op”, toch is er ergens een soort oerkracht aangewakkerd. Die oerkracht voelt ongeveer als wanneer ik een gedicht aan het schrijven ben en alles op zijn plaats valt. Dat je ineens heel helder ziet: dit woord moet daar, en deze drie zinnen moeten er helemaal uit en die zin moet hier. In de kunst noemen ze dat inspiratie, in de politiek eerder gedrevenheid. Het is een fijn gevoel. Dat je heel scherp ziet waar ergens een probleem is en wat daaraan gedaan kan worden.’

    In mijn mand
    Auteur: Lieke Marsman
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De andere kant van de zee

    Drie personages delen in De andere kant van de zee hun herinneringen aan de opstand van de zwarte bevolking in Angola tegen de koloniale Portugese onderdrukker, die in 1961 plaatsvond en leidde tot de Portugese koloniale oorlog (of ‘Overzeese Oorlog’). Aan het woord komen een kolonel, een directeur van de post en de dochter van een plantagehouder. Zij delen hun ontworteling en verdriet. Lobo Antunes schrijft de lezer het hoofd van de personages in: hij laat leestekens achterwege, beschrijft associatief of juist haarscherp de omstandigheden en creëert zo een stream of consciousness.

    Schrijver en psychiater António Lobo Antunes put uit eigen ervaring: hij was als arts-psychiater in Angola gestationeerd in 1973, tijdens de koloniale oorlog, en schreef naar aanleiding daarvan ook zijn romandebuut Memória de Elefante (1979).

    Lobo Antunes wordt wel ‘het geweten van Portugal’ genoemd vanwege zijn scherpe maatschappijkritiek en grillige karakter, en wordt door velen gezien als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur (hij zag de prijs aan zich voorbijgaan toen landgenoot en collega-auteur José Saramago die in 1998 won). Lobo Antunes heeft inmiddels 31 romans op zijn naam staan.

    De andere kant van de zee
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Een lied van hoger honing

    Een lied van hoger honing

    In één van zijn beroemdste verzen dicht Martinus Nijhoff over een geur van hoger honing. Deze geur verleidt bijen ertoe tuinen en rozen te verlaten en hun geluk in het ijskoude azuurblauw te beproeven. Daar valt niets te bevruchten, waarna ze onverrichter zake door de vallende sneeuw terugkeren en uitgeput neerdwarrelen. Ze sterven tussen de bevroren korven. Waar Nijhoff met Het lied der dwaze bijen het vluchtgedrag van de moderne mens verwoordt, is onlangs het boek der wijze bijen verschenen. Winterbijen van Norbert Scheuer (door Anne Folkertsma vertaald vanuit het Duitse origineel Winterbienen) vertelt het verhaal van underdog én bijenimker Egidius Arimond. Deze ex-docent Klassieke Talen verdient de kost door Joden de Belgische grens over te smokkelen in grote bijenkasten. 

    Winterbijen past in de traditie van de naoorlogse literatuur. De hoofdpersoon is een antiheld, het onderscheid tussen goed en fout is troebel en de afloop is ijzingwekkend. Daar voegt de schrijver nieuwe elementen aan toe. Zo hanteert Scheuer een rijkelijk variërende, opzettelijk ontspoorde schrijfstijl. Daarnaast oppert hij een revolutionair mensbeeld in een prachtige ode aan misschien wel het nuttigste insect van ons ecosysteem.

    Lucht, lust en lafheid

    Het is het jaar 1944 en de Geallieerden teisteren de Eifel voortdurend met bommenwerpers. Aken en Keulen zijn al in de as gelegd. Terwijl Russische krijgsgevangenen het dorp onder de brokstukken vandaan bevrijden, bekommert Egidius zich vooral om zijn epileptische aanvallen. Hij smokkelt weliswaar Joodse vluchtelingen langs de Belgische grens, van edelmoedigheid is echter geen sprake. Hij heeft geld nodig voor zijn medicijnen tegen epilepsie: ‘Het geld komt altijd op de eerste plaats, de moraal pas daarna.’ De instructies voor de vluchtpogingen vindt hij in de dorpsbibliotheek, tussen de folianten van bestofte, nooit geraadpleegde boeken. Hij is maar wat blij dat hij niemand van de verzetsgroep kent, want ‘Als ik verhoord of gemarteld zou worden, zou ik de pijn niet kunnen verdragen en beslist alles verraden’. 

    Zo eerlijk als hij is over zijn opportunisme, zo open is hij eveneens over zijn liefdesleven, dat hij een spel van lust en begeerte noemt. Daar denken zijn aanbidsters anders over. Vooral met ene Maria onderhoudt hij een jojorelatie. Voor nageslacht zijn de vrouwen bij Egidius helaas aan het verkeerde adres. Als epilepticus is hij gesteriliseerd, omdat de nazi’s geen ‘Volksschädlinge’ kunnen gebruiken bij de verwezenlijking van het Duizendjarig Rijk. De enige reden dat hij überhaupt nog leeft, is zijn broer Alfons. Wegens zijn verdiensten als vliegenier hoeft de gewezen classicus geen euthanasie te ondergaan. Hij stort zich op het schrijven van zijn memoires.

    De eclips van de epilepsie

    In eerste instantie lijkt de schrijfstijl eenvoudig. Het boek bestaat uit korte, twee pagina’s tellende dagboekaantekeningen. Egidius houdt bijen, neemt zijn medicijnen op tijd in, slaapt nu eens met Maria, dan weer met Anna of Charlotte en drinkt Ersatzkaffee met een worteltaartje. Slechts éénmaal dreigt het verkeerd met hem af te lopen, wanneer de Gestapo hem afvoert naar het door bommen verwoeste Keulen. Vanuit zijn cel merkt de gevangene op: ‘De gehangenen deinen door de explosies op en neer als vogelverschrikkers in de wind.’ Wat te denken van de volgende observatie: ‘Gisteren is de begraafplaats door verschillende bommen getroffen; de doden werden uit hun graven geslingerd en in net opengereten kraters voor de tweede keer begraven.’ Naast macabere vaststellingen als deze omschrijft Scheuer herhaaldelijk hoe de bijenhouder zijn epilepsie ervaart, een ‘wirwar van flitsen’, een ‘elektrische vonkenregen’, ‘schimmige beelden, grimmige dromen’ en op het laatst alleen ‘vergetelheid’. 

    Toch schuilt het meesterschap van Scheuer niet zozeer in de woordkeuze, als wel in de pagina-indeling en inhoudelijke versnippering van de dagboekaantekeningen. Op zeker moment is Egidius’ medicijn – luminal – op en verliezen zijn notities alle samenhang, eenheid en logica. Bovendien vergeet hij naarmate het boek vordert, de teksten te dateren. Regelmatig doen op één pagina drie of vier onderwerpen aan een soort stoelendans en verdwijnen ze weer naar de achtergrond. Met deze gedachteflarden en extatische uitstapjes maakt de auteur de attaques van Egidius invoelbaar. In Hersenschimmen, waar Maarten Klein wegkwijnt door dementie, maakte Bernlef al eens gebruik van dit virtuoze foefje. In Winterbijen betekent de hersenaandoening van de hoofdpersoon niet het einde. Het gezoem van de bijen brengt Egidius weer terug naar zijn Ik, hoe ver ze ook bij hem vandaan zijn.

    De bij zonder mens is een bijzonder mens

    Menig bijenhouder gelooft dat de mens zich meer zou moeten modelleren naar de bij. Ze zijn namelijk een symbool van puurheid, onbedorvenheid. Egidius onderschrijft deze overtuiging, want ‘bijen zijn niet agressief. Ze zouden nooit andere volken veroveren en onderwerpen; zolang ze zich niet aangevallen voelen, zijn ze vredelievend.’ Zijn voorliefde voor deze dieren komt niet uit de lucht vallen. De geestelijke Ambrosius, voorvader van Egidius, was via de Alpen naar de Eifel getrokken en had daar als bijenhouder gewerkt. In één tekstfragment dat Egidius over zijn voorouder leest, staat geschreven: ‘Ze gold als het enige levende schepsel dat geheel onveranderd, zonder het stigma van de erfzonde, vanuit het paradijs naar onze wereld was gekomen. (…) De Heilige Geest en de natuur werkten samen in het bijenvolk.’ 

    Niet alleen de insecten brengen gezoem voort in Winterbijen. Het boek bevat dertien schematische tekeningen van Amerikaanse en Engelse gevechtsvliegtuigen – een cynische knipoog naar een entomoloog die wel wat beters te doen heeft dan moordmachines in een tekening te vereeuwigen: de werkbijen van de oorlogsindustrie. Zo rustgevend als het geluid van de bijen is, zo wreed klinkt het gebrul van de stalen monsters. Er is nóg een opvallend detail ten opzichte van de mens: bij de bijen speelt de man een ondergeschikte, om niet te zeggen onderdanige rol. Het enige waartoe de darren  (mannetjesbijen) dienen, is de bevruchting van de koninginnenbij. Daarna worden ze in koelen bloede vermoord, omdat hun haantjesgedrag de kolonie alleen maar in gevaar brengt. Voor ego’s is geen plek, iedereen draagt bij aan het algemeen belang en ziet om naar elk lid in de kolonie. En dat is nodig ook: Egidius heeft in de bijenkast 120.000 stuks nodig om één vluchteling aan het oog van de nazi’s te onttrekken! Iedere ongehoorzaamheid is dus fataal.

    Venijn in de staart

    Is er dan helemaal geen balorigheid te bespeuren onder zijn bijen? Jawel! Wanneer Hitler het dorp binnenrijdt, moet hij zijn nazi-groet onderbreken, omdat meerdere bijen pesterig om hem heen zwermen. De toorn van Egidius’ bijenkolonie treft alleen de despoot die een verzwakt, haatdragend volk een geur van hoger honing beloofde. Met zijn mythe van het Germanendom uit het Teutoburger Wald stortte hij Europa in het verderf en degradeerde hij Duitsland andermaal tot een stel dwaze bijen. Norbert Scheuer schreef het boek Winterbijen, opdat zij de mens tot voorbeeld strekken.

     

     

  • Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen

    Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen

    Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen voor  haar historische roman Viktor (Ambo|Anthos). In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader.

    De roman is gebaseerd op de lotgevallen van de Weens-Joodse familie van Judith Fanto. In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader. Het personage Viktor heeft echt bestaan.

    Op Literair Nederland schreef recensent Marjet Maks over Viktor, ‘In haar onderzoek naar het familiegeheim haalt Judith de onderste steen boven en doet ze een aantal schokkende ontdekkingen over Viktors ware aard. Hij blijkt een soort Scarlet Pimpernel te zijn, een vermomde superheld. Fanto maakt slim gebruikt van de verhaallijn van deze klassiek geworden avonturenroman van de Engelse schrijfster Barones Orczy. Al dan niet feitelijk gebeurd, ze werkt het thema geloofwaardig uit.’
    Lees hier de hele recensie.

    Judith Fanto ontving de award uit handen van juryvoorzitter Gerben de Bruijn en Hebban-hoofdredacteur Sander Verheijen. De prijs werd voor de vijfde keer uitgereikt. Vorig jaar won Thomas Rueb met ‘Laura H.’.

    Een lezersjury van ruim honderd lezers bepaalde de shortlist voor de Hebban Debuutprijs 2020.
    Overige genomineerden waren, Draaidagen van Bianca Boer, Niemand zoals hij van Lucia van den Brink, Confettiregen van Splinter Chabot, Lichter dan ik van Dido Michielsen.

    De Hebban Debuutprijs is de enige juryprijs van Nederland en Vlaanderen met een grote invloed van lezers en richt zich op Nederlandstalige literaire fictie, literaire non-fictie, spanning, feelgood en young adult.

     

     

  • Zichzelf ontdekken en erkennen wie ze is

    Zichzelf ontdekken en erkennen wie ze is

    Viktor is het verrassende debuut van Judith Fanto en is gebaseerd op de familiegeschiedenis van Fanto’s joodse grootouders van moederszijde. De verteller van het verhaal, Geertje van der Berg is als kind geïntrigeerd door het leven van  haar Joodse grootouders, die in Wenen opgegroeiden en in 1939 naar België zijn gevlucht. Ook haar moeder, die zich vreemd gedroeg als het Joods-zijn ter sprake kwam, triggerde haar. Waarom werd er nooit over ‘het’ gesproken? Geertje voelt zich geen Geertje, ze voelt zich joodser dan ieder ander gezinslid en besluit voortaan als Judith door het leven te gaan. Ze wordt lid van de Joodse gemeenschap en wordt ingewijd in de Joodse rituelen. Ze wenst een draad te weven in het tapijt van haar familiegeschiedenis en ging op zoek naar de reden waarom haar ouders en grootouders het verleden verzwegen. Waar haar familie zich juist van het Joods-zijn weg bewoog, trekt Judith ernaartoe. 

    Het verhaal is een zoektocht naar zichzelf, haar Joodse roots en haar ontberingen in de Joodse gemeenschap. Alles wordt op een natuurlijke wijze beschreven, niet gespeend van zelfspot en zwarte humor.
    ‘Natuurlijk is ze Joods,’ zei David voordat iemand iets had kunnen zeggen. ‘Wie zou er zo stom zijn om dat te beweren als het niet zo was?’
    Ik kreeg een kleur als vuur. ‘Ik ben wel Joods, maar ik doe er niks aan.’
    ‘Nee, daar doe je niks aan,’ zei Sal somber. ‘Je bent herboren in de kringloop van het lijden. Een schakel in een ononderbroken keten van levens.’
    ‘Hoewel we er onderweg een paar zijn kwijtgeraakt,’ zei David, ‘zes miljoen om precies te zijn. Noem dat maar ononderbroken.’

    Banden met de groten der aarde

    De hoofdstukken beschreven vanuit de twintigjarige Judith, spelen zich af rond 1995 en worden afgewisseld met hoofdstukken over de intellectuele en muzikale familie Rosenbaum in de jaren dertig in Wenen. Het boek begint met, ‘Mijn grootmoeder werd geboren op de dag waarop Gustav Mahler stierf. Amper zeven jaar na de dood van Dvorák. En in de lente waarin Stravinsky’s Petroesjka zijn première beleefde.’
    Dat was voor haar grootvader Felix een goede reden om haar grootmoeder, Trude, te huwen, want haar familie leed aan de ‘Mahleritis’, schrijft Fanto. Haar grootvader ging er als musicus en filosoof prat op banden met de groten der aarde te hebben, zoals met Mahler die bij hem om de hoek woonde en Nietzsche en Freud. 

    Viktor is de oudere broer van deze grootvader en Judiths oudoom. Door de familie wordt Viktor afgeschilderd als een dandy en rokkenjagende nietsnut. Hij staat op gespannen voet met zijn vader, hun dialogen zijn veelal snerend. Nadat Viktor zijn vaders auto in de prak heeft gereden:
    ‘Vader, die aangifte is echt niet nodig ik heb toch al gezegd dat het me spijt dat ik uw wagen heb geleend! De enige reden dat ik u niet vooraf toestemming heb gevraagd is omdat ik de kans te groot achtte dat u het niet zou goedkeuren.’
    Felix proestte en hief de armen op. ‘Verder geen vragen, edelachtbare!’
    ‘Viktor, bij het feit dat je knettergek bent, had ik me reeds lang neergelegd,’ zei Anton en smeet zijn servet op tafel, ‘maar dat je ook elk moreel besef ontbeert is een regelrechte schande voor de familie!’

    Het eerste hoofdstuk dat in Wenen speelt, begint met Viktor als kind, die de kreupele Joodse jongen, Bubi, uit handen van antisemieten redt. Bubi wordt pleegkind van de Rosenbaums en hartsvriend van Viktor. Judith en Viktor zijn de hoofdpersonages van het verhaal. Al op jonge leeftijd is Judith gefascineerd door Viktor omdat ze misschien wel op hem lijkt, net als hij eet ze uit haar neus, heeft groene ogen en donkerblond haar. Geen Joods uiterlijk, maar wel een joods hart. Of misschien komt haar fascinatie voor hem voort uit de schimmigheid die om deze oudoom hangt, de tegenstrijdige verhalen over hem. 

    Een soort vermomde superheld

    In haar onderzoek naar het familiegeheim haalt Judith de onderste steen boven en doet ze een aantal schokkende ontdekkingen over Viktors ware aard. Hij blijkt een soort Scarlet Pimpernel te zijn, een vermomde superheld. Fanto maakt slim gebruikt van de verhaallijn van deze klassiek geworden avonturenroman van de Engelse schrijfster Barones Orczy. Al dan niet feitelijk gebeurd, ze werkt het thema geloofwaardig uit. Viktor verschuilt zich achter naïviteit en grootspraak en redt ondertussen mensenlevens in het uiterst grimmige Wenen van voor de Anschluss met Duitsland. Haar grootouders bekeren zich tot het katholicisme in 1938 en ontvluchten Wenen met hulp van Viktor. Ze duiken onder in een klooster in België, waar Judiths moeder in 1942 wordt geboren. Veertig jaar na de oorlog bezoekt Judith de nonnen in het klooster om van hen het ware verhaal te horen. 

    Judith vraagt zich af is, ‘van wie is de Shoa eigenlijk’. Hoe erg is het leed van de een vergeleken met andermans leed. Is overleven op een betrekkelijk veilig onderduikadres minder erg dan een kampervaring in Theresienstadt, was Auschwitz het ergste en heb je daarom het meeste recht op medelijden. Fanto geeft geen waardeoordeel maar laat wel een paar karaktertrekken van de mens zien, zoals opportunisme en hypocrisie. 

    Na even in het verhaal te moeten komen, kan het boek nauwelijks meer weggelegd worden. Het einde bevat  een verrassende wending, heel knap gedaan. Dan is er nog een epiloog, maar die voegt weinig toe aan de roman. Viktor is in vele opzichten een ontwikkelingsroman, Judith wil zichzelf ontdekken en erkennen wie ze is. Ze schrijft invoelend maar nergens wordt het sentimenteel. Dit boeiende familieverhaal is een sterk debuut en geeft een interessante inkijk in het leven van Joden in de gegoede burgerij in Wenen, kort voor de Anschluss in 1938.

     

     

  • Een meester in het gebruik van typografisch wit

    Een meester in het gebruik van typografisch wit

    Niets zo onbetrouwbaar als het geheugen. Toch is dat voor velen het enige waarop zij zich kunnen verlaten wanneer ze hun geboortegrond bezoeken om hun jeugd te herbeleven. Een herinnering is vaak het enige wat er nog over is als mensen van vroeger gestorven zijn, gebouwen afgebroken en de natuur zich onbarmhartig weinig aantrekt van wat in de herinnering leeft. ‘Ik was een kind en wist niet beter dan dat het nooit voorbij zou gaan,’ zong Wim Sonneveld ooit. Een vrije vertaling van wat Jean Ferrat in La Montagne verzucht: ‘que l’automne vient d’arriver’.

    In deze autobiografische roman Het eiland van Koos Terpstra, gelauwerd toneelschrijver uit Texel, bevindt een man zich in de herfst van zijn leven. Dat leven begon weliswaar op Texel maar bleek spannender in Amsterdam. Een doodzonde, volgens de eilanders: ‘Hoe kunnen jullie ooit pijn voelen in een stad waar je nooit rust hebt. En dan kom je hier met je ellende en laat het hier achter als je vertrekt.’ Het echte verraad pleegt de hoofdpersoon, volgens hemzelf, op zijn basisschoolreünie. In zijn roman zijn feit en fabel nauwelijks van elkaar te onderscheiden: ‘Ik sta mijn jeugd bij elkaar te liegen.’ 

    Meester in typografisch wit

    Terpstra is een meester in het gebruik van het typografisch wit. De rijkdom aan betekenis schuilt niet zozeer in de van zelftwijfel barstende zinnen, als wel in de strategisch geplaatste witregels. Zelfs de geheel witte pagina’s staan er niet willekeurig. Zoals het aardoppervlak uit zeventig procent water bestaat, beslaat het wit van het papier in Het eiland eveneens zoveel. De overige dertig procent vormt de voedingsbodem van Terpstra’s nuchtere, aardse taal.

    De thematiek van isolatie – zijn wij niet allemaal een eiland? – wordt op de pagina’s zichtbaar, wanneer de schrijver vanuit het heden terugblikt op het verleden. Aforismen als deze geven de verteller een alwetend, ontheemd karakter: ‘Wat waren we naïef’, ‘Het leven levert streken’, ‘We kunnen gisteren niet eens terugpakken’. Bij voorkeur plaatst de auteur zulke zinnen tussen alinea’s in. Sporadisch refereert Het eiland aan de levenskrachtige poëzie van Marsman, bijvoorbeeld als Terpstra zijn geliefde Bethlehem staccato bezingt: ‘De Dennen / Het Westerslag / De Hollewal / Het Achterom / De Hoge Berg / Gerritsland / De Ruigendijk / Oosterend, ook zo’n fijne. / Hoe mooi kan het zijn. Texel is een gedicht.’

    De leegtes belichamen vanwege die vitaliteit niet alleen afzondering, maar ook de scheppingskracht van herinneringen. De mentale hiaten drijven Koos, de hoofdpersoon in deze roman, aanvankelijk tot wanhoop: waarom waren zijn ouders niet gelukkig. Waarom werd hij behandeld zoals hij werd behandeld. Wanneer behoor je tot het eiland, wanneer niet. Wat is nuttig gebleken van wat je als kind leerde. Naarmate de ik-verteller zijn verleden reconstrueert, raken de pagina’s voller, worden de teksten prozaïscher en geeft dit verzonnen verleden hem zijn grond onder de voeten terug. ‘Het eiland was niet het eiland, de rest van de wereld was het eiland.’

    Parlando manier van schrijven

    Het eiland valt op door zijn alledaagsheid. Terpstra’s haast parlando manier van beschrijven promoveert het onbenullige tot het bijzondere en andersom, wat tot humoristische vondsten leidt. Beladen verwikkelingen ontnuchtert Terpstra met zinsneden als ‘Wisten wij veel’, ‘En het gewone was al zo mooi’, ‘Niet overdrijven’ en ‘Dus’. Wat te denken van het verplichte fotomoment bij de klassenreünie: ‘Toen we kinderen waren wilden we allemaal oud worden. En kijk ons daar eens staan. Gelukt.’ Hier en daar waagt de schrijver zich aan een woordspeling: ‘…zal (…) de aarde (…) ook weg zijn. Alles weg. Er zit een vorm van logica in die (…) bevalt. Opgelost.’ Zelfs de tekst op de begrafenispoort bij Oudeschild biedt de ik-figuur troost; de dood verwelkomt elke rouwstoet met de woorden ‘Ook u wacht ik’. Dapper biedt Terpstra het nihilisme het hoofd door te accepteren dat alles een einde kent.

    Deze stijl, die alle bombast en hoogdravendheid ontbeert, draagt bij aan de zelfrelativering van de verteller. De passages over zijn ongelukkige, Haagse moeder, die zich niet thuis voelde op Texel, zijn liefdevol en oprecht. ‘Dit boek zal mijn moeder en de plek waar ze nooit thuishoorde voor eeuwig verbinden en in het voorbijgaan mijn jeugd gelukkig maken.’ 

    Poëtische uitweidingen en muzikale analyses

    Al met al is in Het eiland voor ieder wat te vinden, er zijn prachtige poëtische uitweidingen over herinnering, leugen, waarheid en schoonheid, muzikale analyses in een dorpscafé, nostalgische reisjes over het lieflijke Waddeneiland, en lijstjes van wat er nu allemaal is in tegenstelling tot vroeger. Terpstra beseft bovendien dat onzekerheid geen ondeugd hoeft te zijn en ziet zich geconfronteerd met het kleine jongetje dat hij vroeger was. Hij is bij vlagen sprakeloos, als hij terugkijkt naar welke weg hij als gerenommeerd toneelschrijver heeft afgelegd. Soms is dan de enige passende reactie een diep gedragen zwijgen, hetgeen zo goed past bij Terpstra’s magnifieke gebruik van de witregel. Datgene wat gezegd wordt, is eenvoudig, maar krachtig.

    Misschien wel het mooist is de oproep van Terpstra aan zijn dierbaren, mocht hij er ooit niet meer zijn: ‘Dat is wat je moet zeggen: doorleven is mij verraden. En dat dat goed is. Dat je me belt en je mijn voicemail hoort. Mijn bureau leegruimt. Mijn rekeningen opzegt. Verraad me maar.’ Het echte verraad is dus niet de leugen, waarmee Terpstra zijn jeugd reconstrueerde. Het echte verraad is dat hij doorleefde in Amsterdam, waardoor hij opnieuw verliefd werd op zijn Texel. En dat is goed.

     

     

  • Oogst week 16 – 2020

    De onbevlekte

    De Vlaamse auteur Erwin Mortier (1965) publiceert fictie, gedichten en essays, maar is ook ghostwriter en vertaler. Hij kreeg zowel de Debutantenprijs als het Gouden Ezelsoor voor zijn eerste roman Marcel uit 1999. Later won hij onder meer de Cees Buddingh’-prijs en de AKO Literatuurprijs met andere boeken. In Marcel is de hoofdrol weggelegd voor een plattelandsjongen die ontdekt dat zijn familie sinds de Tweede Wereldoorlog een geheim met zich meedraagt. Dat geheim heeft alles te maken met Marcels grootoom, die ook Marcel heette en SS-soldaat was.

    Nu, ruim twintig jaar later, heeft Mortier een vervolg op deze roman geschreven: De onbevlekte. Marcel is inmiddels volwassen en wil weten waarom hij is vernoemd naar zijn grootoom. Om dat donkere verleden naar boven te halen, moet hij diep graven. Dat levert een complex, prachtig geschreven verhaal op.

    De onbevlekte
    Auteur: Erwin Mortier
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    Viktor

    De Tweede Wereldoorlog speelt ook een grote rol in Viktor, de debuutroman van de Nederlandse schrijver Judith Fanto (1969). Dit verhaal begint in 1914 in Wenen, wanneer de zesjarige Viktor Rosenbaum een ander kind redt van de verdrinkingsdood. Als Viktor volwassen wordt, bestaat zijn leven vooral uit feestjes en het niet afronden van studies. Pas in 1938 komt hier een einde aan: tijdens de Anschluß moet hij zijn geliefden beschermen. Dit doet hij met alle heldhaftigheid, vindingrijkheid en brutaliteit die hij in zich heeft.

    Meer dan een halve eeuw later ziet Geertje haar familie lijden onder de Joodse identiteit. Over Viktor, de broer van haar grootvader, wordt door niemand meer gesproken. Dat wakkert haar nieuwsgierigheid aan: ze wil weten wie hij was en gaat op onderzoek uit. Daarbij ontdekt ze een familiegeheim. Viktor is een waargebeurd verhaal.

    Viktor
    Auteur: Judith Fanto
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Victor

    Toevallig is er nóg een debuutroman verschenen die Victor heet, alleen nu met een c. Deze roman heeft niets te maken met de Tweede Wereldoorlog. Hij is geschreven door de Nederlandse auteur David Steenmeijer (1996), die opgroeide in een gezin vol boeken, maar zelf niet van lezen hield. In Victor wordt een psychologiestudent gedomineerd door zijn moeder en zijn vriendin. Via een bevriende dj belandt hij in het nachtleven, een wereld waar alles mogelijk is. Victor ontmoet er zelfs de perfecte vrouw. Eindelijk lijkt hij het geluk te hebben gevonden, maar lang duurt dat niet. Terwijl hij steeds meer van het nachtleven ontdekt, wordt hij ook steeds dieper in zijn eigen onderwereld gezogen. Peter Buwalda noemde Victor ‘een meeslepend debuut’.

    Victor
    Auteur: David Steenmeijer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Brieven

    Brieven

    Er is een schriftje weg, er staat iets in dat ik nodig heb, denk ik. Ik zoek een zinsnede, een opgeschreven waarneming die iets op gang moet brengen. In mijn ergernis dat ik het niet kan vinden, stoot ik mijn teen tegen een grote zwarte koffer. Gevuld met honderden met de hand geschreven brieven en postkaarten. Brieven die pas na mijn dood gelezen zullen worden door anderen. Nu schrijven we e-mails die worden opgeslagen in een cloud waar niemand tegenaan loopt. Ik las een boek waarvan elk hoofdstuk zich laat lezen als een e-mail, puntsgewijs, in ingedikte taal, als is er geen tijd te verliezen. Een met de hand geschreven brief brengt gedachten op gang, werkt ideeën uit. We schreven brieven, en wachtten daarna weken op een wederhoor. Geïntrigeerd door hoe mensen op internet corresponderen, schreef de Braziliaanse schrijver Michel Laub een roman. Zijn gedachten over wat we allemaal via internet vrijgeven, hoe weinig besef er is wat ermee gebeurt, werkte hij uit in Het donderdagtribunaal.

    Hoe het is als je leven onder een digitaal vergrootglas wordt gelegd. Brieven die online geschreven zijn lopen kans door anderen gelezen te worden. Waarom zou je e-mails van anderen willen lezen? Wraak is er een, domweg nieuwsgierig een tweede. Gewoon even kijken wat de ander zoal doet op internet.
    José Victor en Walter zijn sinds hun jeugd vrienden van elkaar. Ze zijn van de generatie ‘80, toen aids de seksuele vrijheidsbeleving in zijn greep hield. José Victor houdt van vrouwen, Walter van mannen, beiden hebben wisselende contacten gehad. Seksuele veroveringen worden in hun e-mailwisseling in oneliners neergezet, hiv besmettingen op de hak genomen. Ze zijn als jongens onder elkaar, de grootspraak, onderbroekenlol, niet voor derden bestemd. Dan stuit de ex-vrouw van José Victor op de mailwisseling, (als vond ze een koffer met brieven onder het bed) en begint te lezen.

    Ze komt te weten dat Walter al jaren seropositief is (daar maken ze grappen over in hun mails). Ooit heeft de ex, kort voor ze José Victor ontmoette, onbeveiligde seks gehad met Walter. De schrik slaat haar om het hart. Ze voelt zich toch al bedrogen omdat haar man voor een andere vrouw koos, uit wraak zet ze enkele van hun e-mails online. De vrijgegeven berichten werken als een roddel, ze ontberen de context en verspreiden zich snel. José Victor wordt verguisd door vriend en vijand. Dan zegt hij zijn baan op en begint een zelfonderzoek.
    Dat vriend Walter in de jaren tachtig besmet raakte, dit geheim hield, laat nog weer eens zien wat een schande er kleefde aan de diagnose aids, aan homo zijn. Laub laat in tegenstelling tot wat nog wel gedacht wordt, zien dat ieder mens met het aidsvirus besmet kan worden, ongeacht geaardheid. Verrassend boek.

    Het schriftje vind ik dan eindelijk tussen andere schriftjes op mijn werktafel, ik lees de zin: ‘Het internet versnelt de tijd die we hebben, roem en vernietiging gaan langs dezelfde weg.’ Ja, dat brengt wel iets op gang.

     

    Het donderdagtribunaal / Michel Laub / vertaling Harrie Lemmens / Ambo|Anthos (2018)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.