• Een overrompelende leeservaring

    Een overrompelende leeservaring

    Moussa of de dood van een Arabier raakt de lezer als een voltreffer. De winnaar van de Prix Goncourt 2015 doet je met een schok beseffen hoe we met westerse ogen kijken. Het boek zet vraagtekens bij De vreemdeling van Albert Camus en toont bovendien aan hoe weinig we van de geschiedenis leren.

    Om direct maar een misverstand te voorkomen, schrijver Kamel Daoud heeft groot respect voor Camus. Moussa is qua structuur en thema zelfs schatplichtig aan hem, maar tegelijk opent Daoud onze ogen voor wat Camus verzweeg.

    Eerst maar eens naar De vreemdeling van Camus. In die roman uit 1942 pleegt de Franse kantoorbediende Meursault op het strand van Algiers een moord op een Arabier die wraak zou willen nemen voor wat zijn zus was aangedaan. Voorafgaand aan die moord heeft Meursault zich onaangedaan getoond bij de begrafenis van zijn moeder. Hij wist niet eens precies hoe oud ze was bij haar dood. Hij rouwde niet, maar begon meteen erna een relatie met een zekere Marie, waarin hij evenmin blijk geeft van diepere gevoelens. Meursault wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld, niet vanwege de moord op de Arabier, maar omdat hij een maatschappelijke code schond: je hoort verdrietig te zijn om de dood van je moeder en het niet meteen daarna aan te leggen met een vriendin. Het zijn normen en waarden die door de maatschappij zijn opgelegd en waarvan Meursault de absurditeit aanvaardt, omdat hij leeft naar wat hem voor de voeten komt in het besef dat niets een hogere zin heeft en het leven tijdelijk is.

    Haroen
    Het vertrekpunt van Daoud is dat de Arabier die is vermoord in de roman van Camus, geen enkele rol speelt in de veroordeling van Meursault. Hoofdpersoon in Moussa is Haroen, de broer van de vermoorde, die in De vreemdeling 25 keer, zo heeft Haroen becijferd, als ‘de Arabier’ wordt aangeduid en niet één keer bij zijn naam wordt genoemd. Haroen is intussen ruim 80 jaar oud. In een bar vertelt hij een journalist hoe zijn moeder haar hele leven op zoek is geweest naar het lichaam van Moussa, haar meest geliefde zoon. Het lijk is nooit gevonden, en de moeder legde alle last van haar verdriet op Haroens schouders, voor haar de mindere zoon.

    Haroen was 7 jaar toen Moussa werd vermoord en hij begaat op zijn 27ste, in 1962, na de gevechten die zouden leiden tot de Onafhankelijkheid van Algerije, zelf ook een moord op de Fransman Joseph Larquais, in wiens huis hij na het vertrek van de Fransen met zijn moeder gaat wonen. Ook Haroen moet terechtstaan voor zijn misdaad. En ook in zijn geval speelt nauwelijks de moord op de Fransman een rol; wat hem verweten wordt is dat hij niet aan het Verzet heeft deelgenomen: hij had de Fransman moeten vermoorden vóór de Onafhankelijkheid.

    Haroen wordt niet veroordeeld, maar hij beseft dat zijn verhaal steeds meer samenvalt met dat van Meursault. Al veel eerder in de roman, als de lezer nog niet op de hoogte is van zijn daad, heeft Haroen al gezegd: ‘Voordat ik besefte in hoeverre hij en ik celgenoten waren (…)’.

    Ook in Haroens leven speelt een vriendin een rol met wie hij uiteindelijk niet de door hem gewenste relatie krijgt. Het is Meriem (vergelijk ‘Marie’ bij Meursault), een studente die hem heeft opgespoord omdat zij op zoek is gegaan naar ‘de Arabier’ uit De vreemdeling. Hij krijgt van haar het boek van Camus.

    Kolonie
    Moussa tilt het verhaal van Meursault in De vreemdeling daarmee uit boven een roman over de absurditeit van ons bestaan en stelt het tevens aan de kaak als een voorbeeld van de westerse verhouding tot de kolonies: ‘Over de moordenaar [van Moussa] wisten we niets. Hij was el-roemi, ‘de vreemdeling. (…) voor ons was hij de incarnatie van alle kolonisten, zwaar van alle gestolen oogsten’. En even verderop:  ‘Het was hier haast traditie geworden: als de kolonisten wegvluchten laten ze drie dingen voor ons achter: botten, wegen, en woorden – of moorden’.

    Is dat al een rijkdom die het bestaan van Daouds roman ten volle rechtvaardigt, de schrijver stelt bovendien de verlammende invloed van de islam op het moderne Algerije aan de orde. Staat en godsdienst dienen gescheiden te zijn. Religie is een privézaak voor Daoud. Of zoals hij Haroen in de roman laat zeggen: ‘Religie is voor mij openbaar vervoer waar ik geen gebruik van maak, ik hou ervan naar God te gaan, lopend als het nodig is, maar niet met een georganiseerde reis.’ Toen hij zich in een interview nog veel explicieter uitliet over de onwenselijke rol van het moslimfundentalisme, kwam hem dat op een fatwa van een salafistische imam te staan.

    Contra-expertise
    Deze aspecten in aanmerking nemend, is een vraagteken te plaatsen bij de vertaling van de titel van de roman in het Nederlands. In het Frans luidt die Meursault, contre-enquête. De Nederlandse vertaling Moussa of de dood van een Arabier legt de nadruk erg op het ontbreken van de naam van de vermoorde in Camus’ verhaal, terwijl de oorspronkelijke titel het hele proces van Meursault in ogenschouw neemt als een tegenonderzoek (in de roman zelf wordt contre-enquête vertaald als contra-expertise). In feite gaat de roman zelfs niet zozeer over de persoon Moussa als over hoe zijn dood bepalend is geweest voor het verdere leven van zijn moeder en zijn broer, maar ook over de omgang met zo’n daad en de geestesinstelling van de dader. Meursault zag Moussa als een wezen dat er niet toe deed. Dat brengt Haroen in de roman tot de uitspraak: ‘Wat me pijn doet, telkens als ik eraan denk, is dat hij hem heeft gedood door over hem heen te stappen, niet door hem neer te schieten.’

    De Nederlandse titel doet tevens tekort aan de manier waarop Haroen zijn eigen daad, de moord op de Fransman, spiegelt aan die van Meursault. Dat doet Daoud door in zijn roman Haroen een soortgelijk gesprek te laten voeren met een imam als Meursault dat in De vreemdeling heeft met een aalmoezenier.

    Intertekstualiteit
    Daarmee begeven we ons meteen ook in de literaire verknooptheid van Moussa met de roman van Camus door de grote intertekstualiteit. Daoud gebruikt tal van citaten en verwijzingen naar De vreemdeling.

    Meursault begint zijn relaas met de zin ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren. Ik weet het niet.’ Haroen zet in met ‘Vandaag is mijn moeder nog in leven.’ (Overigens weet Haroen evenmin als Meursault hoe oud zijn moeder is, maar anders dan bij die laatste is dat een gevolg van de administratie in de koloniale tijd, toen geboortedata van inlanders niet werden vastgelegd).

    En waar Meursault eindigt met ‘Om alles volmaakt te doen zijn, om me minder alleen te voelen, bleef mij nog slechts over te wensen dat er veel toeschouwers zouden zijn op de dag van mijn terechtstelling en dat ze mij met kreten van haat zouden begroeten’, is het Haroen die zijn toehoorder in de bar aan het slot van zijn relaas zegt: ‘Het is net de biografie van God. Ha, ha. Niemand heeft hem ooit ontmoet, zelfs Moussa niet, en niemand weet of zijn verhaal waar is of niet (…) Aan jou om die vraag te beantwoorden (…). Ik hoop ook dat er veel toeschouwers zijn, en dat hun haat groot is.’

    En zie de wending in het verhaal waarin Haroen de Fransman Joseph Larquais heeft gedood, waarin door een ontlening aan Camus wordt verwezen naar de moord door Meursault. De laatste doodde Moussa ’s middags om 2 uur in de brandende zon, Haroen pleegde zijn moord om 2 uur in de nachtelijke duisternis. Meursault, die eerst één keer en daarna nog viermaal op Moussa schoot, zegt daarover in De vreemdeling: ‘En het klonk als vier korte slagen waarmee ik op de deur van het ongeluk klopte’. Haroen loste twee schoten op Joseph en zegt daarvan: ‘Het klonk als twee korte slagen waarmee ik op de deur van de verlossing klopte’. Ketening tegenover bevrijding.

    Daoud grijpt ook in de constructie van zijn roman naar Camus.
    Haroen doet zijn verhaal op een barkruk in een lange monoloog tegen iemand die niets terugzegt, zoals de advocaat Clamence in De Val van Camus aan een zwijgende Amsterdamse cafégast vertelt hoe hij naliet een vrouw die zelfmoord pleegde daarvan af te houden.
    En de waarschuwing van Daoud tegen de (fundamentele) islam roept De pest, dat gaat over de menselijke reactie bij opkomend gevaar, in gedachten.

    Soms zit een verwijzing naar Camus in minieme details. Haroen vertelt bijvoorbeeld hoe hij klem zit tussen de dood van zijn broer en het verdriet daarover dat zijn moeder op hem overdraagt en beschrijft dat als ‘de absurde situatie waarin ik me bevond, namelijk dat ik een lijk naar de top van een berg moest duwen waarna het weer naar beneden tuimelde, en zo eindeloos door.’ Aldus verwijzend naar De mythe van Sisyphus van Camus.

    Opvallend, tot slot, zijn overigens ook de parallellen tussen Camus en Daoud zelf. Beiden werden geboren in Algerije, kwamen uit een arm, deels analfabetisch gezin, beiden begonnen als journalist en beiden schreven ze een verpletterende debuutroman, Camus De vreemdeling, Daoud Moussa of de dood van een Arabier.

    Samen vormen ze een overrompelende leeservaring.

     

    Opm: De gebruikte citaten uit De vreemdeling van Camus komen uit de vertaling door Adriaan Morriën.

  • Een zelfhulpboek uit het jaar nul

    Marcus Aurelius was heerser over het Romeinse rijk van 161 tot 180 na Christus. Hij ging de geschiedenis in als de keizer-filosoof, omdat hij stoïcijnse diepzinnigheden optekende en brieven vol wijsheid wisselde met zijn vrienden. Onlangs verscheen de 12e druk van zijn Persoonlijke notities, uit het Grieks vertaald en toegelicht door Simone Mooij-Valk. Dankzij de buitengewoon informatieve inleiding en toelichting kun je je verplaatsen in het denken en voelen van een Romeins keizer van tweeduizend jaar geleden. De vraag is: wat heeft die ons te melden?

    Hij schreef voor één lezer en dat was hij zelf. Letterlijk heette zijn boek De tot zichzelf gerichte dingen, of zoals J.H. Leopold een dikke eeuw geleden trefzeker schreef: ‘Marcus Aurelius tot zich zelven’. De Persoonlijke notities bestaan uit twaalf ‘boeken’ van tussen de 8 en 15 pagina’s met korte notities. Daarin spreekt de auteur zichzelf vermanend, bemoedigend en bespiegelend toe, om zichzelf op het spoor te houden van de enige echte Stoïcijnse leer. Die Grieks-Romeinse filosofie (onder meer overgeleverd in fragmenten van Zeno, het zakboekje van Epictetus en de Brieven van Seneca) leert dat de mens zich ‘onaandoenlijk’ moet zien te maken voor de waan van de dag, de hijgerigheid van de publieke opinie en de verleidingen van het genot. Alleen zo kan de mens zich bevrijden van alles wat voorbij gaat, en een ‘goed’ leven leiden in overeenstemming met de ´Universele Natuur’ en zijn bestemming daarin. Dat de bestemming van Aurelius was om keizer te zijn van een wereldrijk zet de zaak daarbij aangenaam op scherp. Aurelius was een ‘goede’ keizer overigens: geen wreedheden (een paar in de arena geofferde Christenen daargelaten), verzoeningsgezind tegenover lieden die tegen hem in opstand kwamen, en volhardend in de strijd tegen barbaarse stammen die zijn rijk binnenvielen. Plichtsgetrouw, en tussen alle besognes door ook nog in staat filosofie te bedrijven en diepzinnigheden te noteren. Weer heel wat anders dan Nero, die bij nacht als hooligan de Romeinse straten onveilig maakte.

    Doodsverachting en plichtsbetrachting
    Steeds weer keren bepaalde noties terug in Aurelius’ aantekeningen. Het leven is kort. Iedereen sterft: je vijanden, je geliefden en jijzelf. Je druk maken heeft (dus) niet zoveel zin. De natuur wordt geordend en voortgedreven door de ‘universele natuur’ en de menselijke rede is daarvan een afspiegeling. Wees (dus) vooral redelijk, beheers je, accepteer de tekortkomingen van anderen, jaag geen genot na en negeer lichamelijke ongemakken. Al met al geen feestelijk dieet: een scheut ascese, een wolkje mindfulness, een snuifje doodsverachting en een eetlepel plichtbetrachting.

    Wie de stoïcijnse filosofie als denksysteem wil omarmen kan misschien beter terecht bij Seneca en Epictetus. Maar juist de fragmentarische vorm, de kernachtige formuleringen en het feit dat het hier gaat om ‘filosofie in actie’ maken de Persoonlijke notities de moeite waard. Ook nu nog. Zo verwijst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen geregeld naar Marcus Aurelius (om nog maar te zwijgen van de 16e-eeuwer Montaigne in zijn Essays). Sloterdijk citeert uit het Negende Boek om te bewijzen dat Aurelius een belangrijke stap zette in de vorming van het moderne bewustzijn door de ‘uitvinding’ van de scheiding tussen binnen- en buitenwereld: ‘De omstandigheden staan buiten de deur, helemaal op zichzelf. Ze weten niets van zichzelf en doen over zichzelf geen uitspraak. Wie doet dan wel een uitspraak over hen? Ons innerlijk kompas.’

    Filosofie als sprong van Münchhausen
    De Persoonlijke notities zijn een zelfhulpboek, maar alleen in letterlijke zin: de auteur probeert zichzelf te helpen, niet de lezer. Daardoor juist zijn de Persoonlijke notities een spannend verslag van de worsteling van de auteur met tekortkomingen en tegenslagen. Soms probeert Aurelius zich al filosoferend uit het moeras van zijn wanhoop te trekken: ‘De voorstellingen die je vaak hebt zullen ook de kwaliteit van je denken bepalen, want de ziel wordt door de voorstellingen gekleurd. Kleur haar dus onafgebroken door een reeks van voorstellingen bijvoorbeeld de volgende: Waar je kunt leven, kun je ook goed leven. Welnu, aan het hof kun je leven, dus kun je aan het hof ook goed leven.’ Af en toe lijkt zijn wereld te versplinteren onder zijn bespiegelingen. Hij roept zichzelf dan (letterlijk) tot de orde en zet zich af tegen genotzuchtige Epicuristen, die de wereld zien als een verzameling losse atomen. Het angstbeeld van een zinledig universum moet hem meer dan eens hebben bekropen –niet zo vreemd gezien de tijd waarin hij leefde: ‘Er is ofwel een mengelmoes van atomen die aan elkaar blijven haken en weer verstrooid worden, of eenheid, ordening en Voorzienigheid. Als het eerste het geval is, waarom verlang ik dan nog mijn leven te slijten in zo’n toevallig samengestelde wereld en zo’n warboel? Waarom maak ik me nog druk over iets anders dan er, hoe dan ook, doorheen komen?’ Zijn lotsbestemming als keizer botst meer dan eens met zijn wens om als filosoof te leven, maar al filosoferend dwingt hij zichzelf dat juk te blijven dragen. ‘Over wat er niet is, moet je niet fantaseren,’ zegt hij, en ‘Je hebt geen gelegenheid om te lezen, maar wel om je arrogantie in te perken, wel om de lusten en lasten de baas te worden, wel om je boven je verlangen naar roem te verheffen, wel om je niet kwaad te maken op botte en ondankbare lieden en bovendien voor hen te zorgen. Laat niemand je nog aanmerkingen horen maken op het leven aan het hof, ook jijzelf niet.’  Sommige wijsheden zouden het goed doen op een geglazuurde tegel, zoals ‘Bedenk dat het ook een uiting van onafhankelijkheid is van mening te veranderen. Aurelius’ wezenlijke wijsheid schuilde erin dat hij de enige persoon toesprak die hij al denkend en schrijvend tot een beter mens kon maken: zichzelf.

    [bedelbrief]

     

     

  • Werken in vrijheid

    Werken in vrijheid

    Op 15 september 1997 lieten Larry Page en Sergey Brin Google.com registreren als domeinnaam. Google is een woordspeling op het woord ‘googol’, een wiskundige term voor een één met honderd nullen. Het verwijst naar de missie van Google: ‘Alle informatie ter wereld organiseren en universeel toegankelijk en bruikbaar te maken.’

    Een jaar later nemen Page en Brin hun eerste werknemer aan.  In 1999 heeft Google acht medewerkers. In 2006 treedt Laszlo Bock in dienst bij Google als Senior Vice President bij de afdeling People Operations. Het bedrijf heeft op dat moment zo’n 6.000 ‘Googlers’ in dienst en groeit door naar 60.000 medewerkers in 2015. Google scoort wereldwijd hoog op lijsten van ‘Meest aantrekkelijke werkgevers’. Fortune heeft Google al zes keer uitgeroepen tot beste werkgever ter wereld.

    Per jaar ontvangt het bedrijf pakweg twee miljoen sollicitaties. Het aantal nieuwe werknemers, ‘Nooglers’, ligt per jaar rond de vijf duizend. Google neemt slechts een kwart procent aan van wie zij de geschiktheid beoordelen. Bock op Youtube: ‘We sort of have to kiss a lot of frogs before we find a prince or princess.’ Het is moeilijker aangenomen te worden bij Google dan bij de gerenommeerde universiteiten Harvard en Stanford.

    Laszlo Bock schrijft in De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen dat het aantrekken van nieuw personeel in de beginjaren van Google een kostbaar en tijdrovend proces was. Google heeft een systeem ontwikkeld waarbij analyse van data steeds belangrijker is geworden. Sollicitatiegesprekken zijn gestandaardiseerd. Verborgen vooroordelen, zoals over naam, geslacht, afkomst en leeftijd van de sollicitant, zijn uitgefilterd. Zo komen beslissingen tot stand op basis van objectieve gegevens, niet op basis van meningen. Het doel van de procedure is te voorspellen hoe kandidaten zullen presteren als ze eenmaal zijn aangenomen. Een verschil met de traditionele manier van werven is dat de inhurende manager niet beslist. Bock: ‘We ontnemen managers doelbewust een deel van hun zeggenschap over medewerkers.’ Een sollicitatiecommissie doet een aanbeveling voor de Senior Leader Review die al dan niet besluit tot een voordracht. Uiteindelijk beslist Larry Page.

    Google kent geen traditionele afdeling personeelszaken met HR-professionals. Bock: ‘In te veel bedrijven is HR de afdeling waar de aardige mensen terecht komen die elders niet succesvol zijn’. HR bij Google heet People Operations en is opgebouwd volgens het ‘driederdemodel’. Slechts eenderde van de medewerkers heeft een HR-achtergrond. Het tweede derde bestaat uit consultants en de laatste derde uit analytici. De consultants en de analisten vormen de bron van de technologische kennis binnen Google. Bij de dynamische benaming ‘Operations’ klinkt ‘de belofte van wiskunde’ door: het werken met data. Dat is met name aantrekkelijk voor softwareontwikkelaars. De afdeling fungeert zo als een ‘ingebouwd consultancy kantoor’.

    Larry Page en Sergey Brin hebben de basis gelegd voor het wervingssysteem van het bedrijf. Zij willen alleen de allerslimsten als medewerker, geen ‘nerds’ die alles weten van een speciaal onderwerp, maar slimme generalisten. Als een bedrijf groeit, is de kans groot dat nieuwe wervers vrienden aannemen of familieleden van een belangrijke klant. Op deze manier lever je altijd in op kwaliteit. De ‘regels’ voor de selectie van nieuwe medewerkers zijn o.a.: ‘Leg de lat hoog, ga zelf op zoek naar kandidaten, beoordeel kandidaten objectief en geef de kandidaten een reden om voor jou te werken.’

    In meerdere hoofdstukken vertelt Bock hoe Google er al jarenlang in slaagt een cultuur te creëren waarin mensen graag werken. Hij deelt zijn ideeën over hoe je de beste mensen kunt vinden, ‘te laten opbloeien en aan het bedrijf te binden in een sfeer van vrijheid, creativiteit en ontspanning’. Elk hoofdstuk sluit hij af met ‘regels’, een lijstje met aanbevelingen.

    Het laatste hoofdstuk van het boek bevat een overzicht van de veertien ‘werkregels’ waarmee je je bedrijf en werkomgeving kunt veranderen. De belangrijkste ‘werkregels’ zijn de regels om een geweldige cultuur te creëren: ‘Geef je werk betekenis’ en ‘geef je medewerkers vertrouwen.’ Het gaat erom net iets meer vertrouwen, vrijheid en beslissingsbevoegdheid te geven dan waarbij je je prettig voelt. ‘Rules’ vertaald als ‘regels’. Het klinkt nogal streng, maar als je regels opvat als ‘tips’ of ‘aanbevelingen’, dan valt het mee. Overigens relativeert Bock deze ‘regels’ in zijn inleiding: ‘Bij Google hebben we maar weinig regels en handvesten, dus wat ik hier vertel betreft niet het officiële bedrijfsbeleid. Het zijn niet meer dan mijn ideeën over het waarom en hoe van het succes van Google […].’

    Het thema van het boek is onvrijheid tegenover vrijheid. Bock vluchtte in 1974 met zijn ouders uit het communistische Roemenië naar de Verenigde Staten. Roemenië was in die tijd het land van de geheime diensten en afluistersystemen. De tegenstelling met zijn nieuwe land kon niet groter zijn. Bij Google, een bedrijf waar vrijheid, creativiteit en transparantie hoog in het vaandel staan, voelt hij zich op zijn plaats. De vrijheid herkent  hij in de missie van het bedrijf,  het toegankelijk maken van alle informatie.

    Volgens Bock zijn er twee extreme modellen van hoe je een bedrijf kunt leiden: ‘Het ‘onvrije’ model is het bedrijf dat opdrachten geeft, zijn werknemers onder de duim houdt en kneedt, zodat ze zich voegen naar het bedrijf. Het ‘vrije’ model gaat uit de van vrijheid en vrijwilligheid, respect voor werknemers en voor hun ideeën hoe het bedrijf zich verder kan ontwikkelen.’ Beide modellen kunnen winstgevend zijn, maar getalenteerde mensen maken liever deel uit van een organisatie die vrijheid voorstaat: ‘de vrije bedrijven profiteren van de inzichten en toewijding van hun medewerkers en zullen daardoor veerkrachtiger zijn en blijvend succesvol.’ De ‘regels’ van Google kunnen je helpen bij het opbouwen van een bedrijf waar vrijheid en creativiteit voorop staan.

    Bock legt de nadruk op de successen van Google, maar ook missers krijgen een plaats. Hij schrijft in zijn voorwoord dat dit boek ook vertelt ‘wat jij kunt doen om mensen op de eerste plaats te zetten en om je een heel andere manier van leven en leidinggeven eigen te maken.’

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen is de vertaling van Work Rules!  Insights from Inside Google to Transform How You Live and Lead. De Nederlandse titel De toekomst van werk is te algemeen en heeft een stelligheid die de Engelse titel niet heeft.  Jammer dat de dubbele betekenis van Work Rules! niet te vertalen is. Inzichten die je kijk op het leven veranderen is niet hetzelfde als transform how you live and lead. Het leidinggeven ontbreekt in de Nederlandse ondertitel. ‘Je kijk op het leven veranderen’, is te passief. Het gaat er ook om hoe jij zelf de regels van Google kunt toepassen.

    Laszlo Bock heeft een zeer lezenswaardig boek geschreven, met anekdotes en voorbeelden uit de praktijk. Hij verwijst veelvuldig naar gedragseconomisch en psychologisch onderzoek, met een handig notenoverzicht tot slot.

    De toekomst van werk, inzichten van Google die je kijk op het leven veranderen

    Laszlo Bock (1972) studeerde aan Yale University School of Management (MBA) en Pomona College (BA). Hij werkt sinds 2006 als HR-manager bij Google (‘SVP, People Operations’).  In 2010 riep HR Executive Magazine hem uit tot ‘Human Resources Executive of the Year‘. Eerder werkte hij als management consultant bij o.a. bij General Electric en McKinsey & Company.

  • Hij wist niet half hoe erg het was

    Hij wist niet half hoe erg het was

    Psychische problemen zijn in de romans van Josha Zwaan een terugkerend gegeven. In het teruggetrokken leven van de vrouwelijke hoofdpersonen wordt maar een enkeling toegelaten en ook die krijgt weinig te horen over wat er werkelijk in hen omgaat. Marthe, De protagonist uit Dwaallicht, vertelt in een onbewaakt ogenblik aan haar  grote liefde Barend, over de stemmen in haar hoofd. En als zij later kinderen krijgen, kan Marthe het leven niet meer aan.

    Josha Zwaan heeft zelf aan den lijve ondervonden wat het is om psychische problemen zonder hulp van buitenaf te overwinnen. In een interview met Andries Knevel vertelt de schrijfster dat ongeveer vijftig procent van de bevolking psychische klachten heeft en dat ze die problemen uitstekend kunnen verbergen. ‘Veel mensen krijgen het moeilijk met zichzelf en daarmee leren leven is een hele klus,’ zegt Zwaan die zelf heeft gewerkt in de hulpverlening met dak- en thuislozen en verslaafden.

    Ermee leren leven geldt ook voor Marthe. Als kind hoorde ze al stemmen. Ze communiceerde er soms hardop sprekend mee, maar onder invloed van haar moeder leerde ze dat af. Andere kinderen vonden haar vreemd en moesten weinig van haar hebben. Tijdens haar schooltijd ontdekte ze seks als middel om het soms oorverdovende geschreeuw van stemmen in haar hoofd het zwijgen op te leggen. Ze gaat Frans studeren en doet vertaalwerk. De goede seks en zijn liefde voor haar maken het voor Barend moeilijk zich van haar los te maken. Iets waar hij wel naar verlangt.

    Marthe’s eigen stem gaat verloren in de chaos in haar hoofd. Ze heeft iets met de heilige maagd Maria. Ze bidt tot haar, roept haar aan, ziet haar verschijnen en hoort haar praten. Door Maria vindt ze na een psychotische periode de kracht om terug te keren naar een normaal leven. Maar voor het zover is lijden haar werk en haar gezin onder haar grilligheid en onbetrouwbaarheid. Ze is extreem bang dat de kinderen iets zal overkomen. Toch laat ze hen alleen om bijvoorbeeld nog even vlug boodschappen te doen. Op een skivakantie vergalt ze met  haar angsten voor de zoveelste keer het plezier van haar man en kinderen. Hij laat haar dan ook achter en neemt de kinderen mee.

    Later in een klooster vertelt ze tegen een monnik: ‘Hij wist dat ik niet zonder hem kon. Zo’n gekke moeder gun je toch je kinderen niet. En hij wist niet half hoe erg het was. Ik heb het hem nooit helemaal uitgelegd, ik keek wel uit. Hij zou meteen weggegaan zijn.’ […] ‘Hoewel, hij kon ook niet zonder mij. Verslaafd aan elkaar, zeg maar…’

    Als ze haar gezin kwijt is, stort Marthe zich in het Amsterdamse straatleven. Ze doolt rond, komt in contact met daklozen, slaapt op een vervuilde etage waar een junkie met haar verwaarloosde baby woont. Ondanks haar eigen wanen heeft Marthe de tegenwoordigheid van geest om voor de baby te zorgen al kan ze het niet bieden wat het echt nodig heeft. Deze passages en vooral de afloop daarvan zijn hartverscheurend.

    Zwaan versluiert niets. In het korte verhaal Al dood dat op haar website staat, staat de zin: ‘Ze was geboren als parasiet en dat zou ze altijd blijven.’ Hier is een moeder aan het woord over haar dochter. Dit verhaal heeft iets van een thriller, maar laat vooral zien hoe ver iemand met een verknipte geest andere mensen kan drijven, zich de afkeer van hun meest naasten op de hals haalt, simpelweg omdat die zelf moeten zien te overleven. En dat lukt niet als zij keer op keer meegesleurd worden in de psychische afgrond van hun geliefde.

    Zo hard als in Al dood gaat het er in Dwaallicht niet aan toe. De roman is niet een en al  somberheid. Lichte tonen klinken vooral op in het gewone dagelijkse leven. Het spelen van de kinderen, de orde van de dag. En in de muziek, de poëzie en de Franse taal. Zelfs de positieve kant van het zwervende bestaan wordt belicht: ‘Ze begreep steeds meer van de daklozen die de oncomfortabele omstandigheden van de straat verkozen boven het traject van nachtopvang naar dagopvang, naar beschermd wonen en verplichte begeleiding onder strikte voorwaarden.’
    Waaruit duidelijk wordt dat een deugdzaam leven niet door iedereen als het hoogste goed wordt gezien en dat niet ieder onaangepast mens zwelgt in ellende. Bij Marthe dringt zich de vergelijking met een gevangenis op als ze met een dagschema, professionele hulp en medicatie weer thuis woont.

    Zelf leed de schrijfster geregeld aan angst- en paniekaanvallen en depressies. De overtuiging om het zelf te kunnen oplossen met mindfulness, yoga, hardlopen en bidden verdween toen ze in een moeilijke periode haar angsten uiteindelijk niet meer de baas kon. De psychiater bracht met een antidepressivum redding. Door antidepressiva steeds af te wijzen heeft ze zichzelf lang tegengewerkt, zegt ze nu. ‘Oh, wat heb ik het mezelf moeilijk gemaakt, en de mensen om me heen. Met medicatie verbeterde mijn basishumeur.’ Zwaan vond het, net als Marthe in het boek moeilijk toe te geven dat medicatie helpt. Voor mensen met psychische problemen, zullen de gebeurtenissen in de roman herkenbaar zijn.

    Dwaallicht is een goed vertelde geschiedenis, bijna een casestudy, maar dan in de vorm van een boeiend verhaal waar omgevingsdetails aan bijdragen. Een zo’n detail zijn de geregeld terugkerende roeken. Ze zitten in de bomen of vliegen rond, dreigend of vertrouwd, waarbij hun aanwezigheid een enkele keer voorspelbaar wordt. Een diagnose van de hoofdpersoon Marte wordt in Dwaallicht niet gesteld. Al doen de symptomen nog het meest denken aan schizofrenie of een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

    Het is een spannend boek waarin je zonder meer wilt doorlezen. Het laat je de gebeurtenissen meebeleven zonder te verdrinken in de duisternis van de problematiek. Het einde biedt uitzicht op zowel neergang als hoop. Lezen!


    Dwaallicht

    Josha Zwaan
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo/Anthos
    Prijs: € 19,99

  • De moedertaal als paradijs

    Hoe duidelijke wil je het als lezer hebben? De ondertitel Een autobiografische roman zet Ruben Jablonski meteen onontkoombaar neer als het alter ego van Edgar Hilsenrath. En wie de feiten uit het leven van de auteur in zijn achterhoofd heeft vraagt zich tijdens het lezen meerdere malen af waar het romaneske en de fictie dan wel in zit. Daarover straks meer. Maar zo ooit, dan is het nu wel van belang eerst de jeugdervaringen (tot ongeveer zijn 25ste) samen te vatten.

    Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een deceptie. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten. Momenteel woont Hilsenrath in Berlijn.

    De eerste roman van Hilsenrath, Nacht, is een beklemmende beschrijving van het leven in het getto van Mogilev-Podolski. Het boek verscheen in 1964 in Duitsland, maar werd daar nogal opzichtig tegengewerkt omdat hij in Joodse ogen een leugenachtig beeld schetste van de houding van de Joden zelf. Een jaar later sloeg het wel aan toen er een Amerikaanse vertaling kwam.

    De belevenissen van Ruben Jablonski uit 1997, dat onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen, is een verslag van zijn jeugd tot en met het schrijven van Nacht, het boek dat voor hem zelf als een verlossing kwam. De Ruben uit de titel is geobsedeerd door de drang dit boek te schrijven. We volgen hem in sneltreinvaart door zijn jonge jaren. We krijgen een indruk van de romantische omgeving die Sereth voor de jongen was en een sober overzicht van het getto waarin hij zich tot een ware overlever ontwikkelt. De grote lijnen in het boek worden gevormd door zijn alsmaar mislukkende pogingen om het gettoleven te beschrijven, zijn onrustige maatschappelijke bestaan (waarin hij het ene baantje na het andere, van bordenwasser tot ziekenhulp, aanpakt en vaak na een paar dagen alweer opgeeft), zijn zoektocht naar een samenleving waarin hij kan geloven en zijn verstoorde verhouding tot vrouwen. Hij kan ze alleen maar zien als seksobjecten en laat ze vallen als ze niet bereid zijn om op zijn commando te neuken.

    Als Ruben na zijn Palestijnse avontuur (de staat Israël wordt in 1948 uitgeroepen, maar juist op dat moment vertrekt hij) in Lyon in het gezin terugkeert frustreert zijn vader zijn verlangen om te schrijven en dwingt hem in de bontindustrie te gaan werken. Ruben vervalt in een diepe depressie, gepaard aan impotentie, waaruit niets hem lijkt te kunnen redden. Tot het beslissende moment waarop hij Arc de Triomphe van Erich Maria Remarque leest. Deze novelle gaat over statenloze vluchtelingen in Parijs vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog; Remarque schreef het tijdens zijn ballingschap in Amerika. Ruben Jablonski schrijft: ‘Voor het eerst had ik gezien hoe iemand in uiterst bondige taal een sfeer neerzette, goede karakters creëerde, razend spannend vertelde en vooral dialogen schreef zoals ik ze nog nooit had gelezen. Dat bracht me op het idee mijn gettoroman ook zo te schrijven.’ Aan boord van De Grasse, het schip dat hem naar de VS brengt, voltooit hij het boek.

    Intussen heeft de lezer in De belevenissen van Ruben Jablonski een amalgaan van politieke discussies geserveerd gekregen, die ook in andere romans van Hilsenrath zijn uitgewerkt: de verwikkelingen in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide (het onderwerp van zijn roman Het sprookje van de laatste gedachte) en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd.

    Maar er is ook iets merkwaardigs aan deze roman voor wie eerder werk van Hilsenrath heeft gelezen. We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de venijnige satire in De nazi en de kapper, het boek dat in Nederland voor zijn definitieve doorbraak zorgde. Deze Belevenissen lijken zonder de geringste literaire ambitie geschreven. Er zitten, vooral als het gaat over de historische achtergrond, bijna naïef te noemen dialogen in en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden afgeraffeld op de manier waarop je vertelt wat je in de supermarkt hebt gekocht.

    Toch zal een dergelijke kale, bijna fantasieloze, verteltrant een bewuste keuze van Hilsenrath zijn geweest, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. Wat past daar beter bij dan de platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven.

    Je krijgt wel de neiging te gaan psychologiseren over de banaliteit van zijn seksleven. Is het een weerslag van de ervaringen in het getto? Is het een voortdurende zucht zijn mannelijkheid te willen bewijzen omdat hij zichzelf eigenlijk een mislukkeling vindt? Is het een soort wraak op de wereld die geen liefde te bieden heeft (de Jodenvervolging, de Armeense genocide, de vernedering van de Palestijnen en de arrogantie van de zionisten)?

    Een mooie conclusie bieden in elk geval de laatste regels van het nawoord van Helmut Braun, een Duitse uitgever en pleitbezorger van Hilsenrath. Ruben Jablonski weet aan boord van De Grasse zeker dat hij zijn boek zal voltooien en zelfs bij welke uitgever het in Amerika zal verschijnen (daarin is deze autobiografie wél fictie, want in feite zal Hilsenrath het boek in Amerika pas afronden). Braun schrijft daarover: ‘En wat een moeizame weg (…) moest Edgar Hilsenrath gaan voor hij aankwam waar Ruben Jablonski overtuigd was te zijn. Heeft Hilsenrath later ooit zijn paradijs gevonden? Ja, alleen niet op een plek op deze aarde, maar in zijn moedertaal, die ook zijn literaire taal is, in het schrijven, in zijn boeken en de respons erop.’

     

     

     

  • Als eilanden elkaar tegenkomen

    Als eilanden elkaar tegenkomen

    Na de nodige omzwervingen komt de jonge Leo Heger eind jaren 60 terecht in een gastgezin in een Zwitsers dorp. Waar hij precies vandaan komt, is onduidelijk. We weten enkel dat het communisme, ergens in Oost-Europa, hem niets te bieden had en dat hij instinctief heeft gedaan wat zovelen voor hem deden: je land en familie de rug toekeren en niet meer achterom kijken.

    Maar dat blijkt moeilijk wanneer je terechtkomt in een land dat je vreemd is, waarvan je de taal niet spreekt en waarin je puur als observator leeft. Leo beseft dat de enige manier om aan zijn isolement te ontsnappen het nemen van taallessen is. En dus klopt hij aan bij Martha Dubach, een onopvallende vrouw van in de dertig, die het leven passief aan zich voorbij ziet gaan. Zij zal hem de finesses van de Duitse taal bijbrengen. Hoewel ze het in eerste instantie niet beseffen, is dit voor beiden het begin van een nieuw leven – maar hoe lang dat zal duren en waar het hen brengen zal?

    Van meet af aan wordt duidelijk hoezeer Leo en Martha elkaar nodig hebben: ze zoeken verlossing van hun eenzaamheid en vinden dat in de privélessen. Voor beiden is het een mogelijkheid om te ontsnappen: Leo moet een manier vinden om zijn verleden achter zich te laten, en dankzij de lessen is Martha voor het eerst in staat kritisch naar haar eigen leven te kijken. Taal staat in de roman van Sulzer voor iets veel groters: identiteit. Met een nieuwe taal, of een hernieuwde kritische blik op je eigen taal, opent zich een nieuwe wereld.

    Om Martha’s taal te leren had hij zijn eigen taal de rug toegekeerd, zich aan de nieuwe overgeleverd en overgegeven aan de onbetwistbare autoriteit en niet gemerkt hoe hij daardoor steeds verder van zijn oude taal vervreemdde terwijl de nieuwe bezit van hem nam, samen met zijn lerares (…).’ (pagina 192)

    Taal, of beter gezegd: communicatie, de afwisseling tussen spreken en zwijgen, tussen opbiechten en verborgen houden, is waar Privélessen op gebouwd is. In alle relaties die in het boek beschreven worden is het de afweging spreken of zwijgen die essentieel is. Andreas, de zoon van Martha, komt erachter dat zijn vader, Walter, het niet zo nauw neemt met de huwelijkse trouw. Bovendien vraagt hij zich af of er iets speelt tussen zijn moeder en haar student. Maar wat moet hij doen met deze informatie? Hij kiest de middenweg: hij spreekt er wel over, maar alleen met zijn grootvader, die in een kliniek zit en al tijden met niemand een woord gewisseld heeft. Hoewel er wel degelijk wordt gesproken in deze roman, lijkt het erop dat de personages nergens echt tot elkaar doordringen. Ze leven eerder naast elkaar dan met elkaar. En wanneer ze erin slagen uit hun eenzame cocon te stappen, is dat slechts van korte duur. Uiteindelijk leiden alle personages een bestaan waarin onopvallendheid als noodzakelijkheid wordt gezien. Verenigd in onbeduidendheid:

    ‘Dus deed hij niet meer dan het hoogstnoodzakelijke om niet door de mand, maar ook niet op te vallen.’ (pagina 44, over Andreas)

    ‘Ze kon alleen met zichzelf praten. (…) Niemand leek het op te merken, des te beter.’ (pagina 158-9, over Martha)

    ‘Leo’s aanwezigheid stoorde hen niet, ze gedroegen zich alsof hij lucht was of alsof ze een zwijgende getuige nodig hadden, als de vierde wand in het theater.’ (p. 137)

    Sulzer schetst in Privélessen een wat melancholisch beeld van menselijke relaties: in feite is iedereen alleen en zijn we allemaal eilanden, hoe graag we ook willen geloven dat we deel uitmaken van een groter geheel. We zien dat het communisme, zoals Leo dat gekend heeft, niet de sociale cohesie biedt die ze beoogt. Want om tot het gevoel van eenheid te komen zijn er strenge maatregelen ingevoerd: brieven worden geopend, burgers worden regelmatig aan de tand gevoeld en durven daardoor zich aan niemand meer bloot te geven. Leo voelde zich volledig ontheemd in zijn eigen land, maar vindt ook geen rust in het gedroomde westen. Want ook daar, onder het kapitalisme, ligt het geluk niet voor het oprapen. Ook daar zijn mensen teleurgesteld en hopen ze op een beter leven. Sulzer lijkt te willen bepleiten dat geluk niet vanzelfsprekend is, en dat er vaak een houdbaarheidsdatum aan zit. Hoeveel invloed heb je daadwerkelijk op je eigen geluk?

    De contemplatieve stijl van Sulzer past goed bij deze ietwat melancholieke gedachtegang: Privélessen is geen uitbundig verhaal, wil geen revolutie teweegbrengen. Van meerdere kanten wordt de kortstondige verhouding tussen Leo en Martha belicht, alsof deze hevige verandering in hun beide levens overdacht moet worden. Wat betekent een tijdelijke ontheffing van de dagelijkse sleur? Af en toe draaft Sulzer wat door in zijn beschrijvingen van Martha, hoezeer ze lijdt onder haar liefde voor Leo en hoe zwaar het haar valt het heft in eigen hand te moeten nemen. Het lijkt er wel erg dik op te liggen allemaal:

    ‘Ze was een gevangene van haar onverdraaglijke gevoelens, en zoals ieder mens die in een gevangenis zit, zou ook zij erin blijven tot er iemand kwam die haar bevrijdde.’ (pagina 163)

    ‘Niet omdat ze huilde had ze zich opgelucht gevoeld, maar omdat de drie borden waren gebroken met veel lawaai, en bijna zonder haar toedoen. Alsof haar iets zwaars van het hart was gevallen.’ (pagina 171)

    Tegelijkertijd is er iets te zeggen voor deze wat clichématige woordkeus: wellicht reflecteert die het uitgebluste karakter van Martha.

    Al met al is deze roman van Sulzer, die werd bekroond met de Herman Hesse-prijs, een integer verhaal over ons allemaal. Over hoezeer we soms verlangen naar een ontsnapping aan ons eigen leven, maar hoe moeilijk het blijkt daadwerkelijk alles achter je te laten.  Een mooi verhaal dat laat zien hoezeer iedereen op zoek is naar erkenning, begrip en geluk – en hoe je dat soms op de meest onverwachte momenten tegenkomt.


    Privélessen

    Auteur: Alain Claude Sulzer
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo|Anthos
    Vertaald door: Annemarie Vlaming
    Aantal pagina’s: 221
    Prijs: €19,99

  • Aanvaarden dat het leven niet maakbaar is

    Aanvaarden dat het leven niet maakbaar is

    Toen de Airbus A 320 van Germanwings zich op 24 maart 2015 in de Alpen boorde, lag Filosoferen is makkelijker als je denkt van Coen Simon al drie weken in de boekwinkels (het verscheen op 19 februari). Toch staat er een stuk in dat één van de lessen beschrijft die uit de crash te trekken zijn. Het gaat om Toekomst. ‘Het akelige aan idealen’, zo schrijft Simon daar, is dat ze de neiging hebben om de werkelijkheid te minachten’. En even verder: ‘het [beoogde] toekomstig resultaat [kan] blind maken voor de verscheidenheid aan actuele mogelijkheden.’
    Natuurlijk is er angst voor het nieuwe. Ooit was bijna iedereen bang voor die enge stoommachine en de trein, maar zie wat die ons hebben gebracht. Vervang echter de stoommachine in die metafoor eens door asbest, zegt Simon, ‘en de toekomst ziet er ineens heel anders uit. Want ook asbest was een revolutionaire uitvinding. Een natuurlijk product met magische werking (…) Asbestos betekent onverwoestbaar. En dat hebben we inderdaad geweten.’
    Dachten we met die niet te openen cockpitdeur ook niet dat we voorgoed bestand zouden zijn tegen mensen die moedwillig een vliegtuig zouden willen laten crashen?

    Coen Simon zet je inderdaad op een prikkelende manier aan het denken. De in 1972 geboren filosoof won daarmee in 2012 zelfs de Socrates-wisselbeker, de jaarlijkse prijs voor het meest urgente, originele en vooral voor een breed publiek leesbare filosofieboek. Hij kreeg hem voor En toen wisten we alles. Al net zo’n pakkende titel als die van zijn nieuwste bundel met korte beschouwingen van 4 à 5 pagina’s, die eerder verschenen in Filosofie Magazine, NRC Handelsblad en NRC next en vooral in Trouw, waarin hij onder dezelfde woordspelige titel een column heeft. Aardig taalgrapje inderdaad, Filosoferen is makkelijker als je denkt, al zit er al wel wat sleet op. In 2009 verscheen al Rekenen is leuker dan als je denkt en er is ook een boekje Natuurkunde is leuker als je denkt. De ondertitel van Simons bundel is veelzeggender: Leren denken zonder dogma’s. Want dat is wat de auteur vooral doet met zijn stukken. Hij zet steeds vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid van wat we zeggen en laat zien dat die min of meer vaste formuleringen aannames verhullen waarvan we ons lang niet altijd bewust zijn.

    Het boek bevat 33 columns, die allemaal dezelfde structuur hebben. De schrijver begint met een simpele uitlating uit de actualiteit, gevolgd door een citaat van een filosoof waaraan die uitlating hem doet denken. Elke column sluit hij vervolgens weer af met een doordenkertje, aanbevolen literatuur en een verwijzing naar verwante columns in het boek. Zo is het startpunt van de column Durven een uitspraak van retaildeskundige Paul Moers die in 2013 over de sluiting van 5 warenhuizen van de Bijenkorf zei: ‘Je moet in deze crisis keuzes durven maken’. Daaronder volgt een citaat van Plato over angst en dapperheid. In zijn column toont Simon aan dat Moers met zijn uitspraak de waarheid claimt: ‘De stellende toon gaat ten onrechte door voor bewijskracht’. Maar een crisis dwingt vanzelf al tot handelen. Dat is geen kwestie van durf; je moet wel. Het is veel moeilijker om keuzes te maken als een dergelijke noodzaak er juist niet is. En iemand die ingrijpende maatregelen neemt hoeft zichzelf niet meteen een ereteken voor durf op te spelden. Bewust kiezen voor handhaving van een bestaande situatie als er ook veel andere mogelijkheden zijn kan evenzeer getuigen van durf. ‘Durven is weten wat je doet. Dat kan ook zijn: niets doen’.

    Aan zo’n column voegt Simon dan doordenkertjes toe voor de lezer. Zoals onder Durven: ‘Vaak wordt iemands eerlijkheid geprezen door hem moedig te noemen. Wat zegt dat over de eerlijkheid van degene die hem prijst?’ Voor verder lezen worden titels genoemd van Plato, Aristoteles en Cornelis Verhoeven.
    Dat procedé past hij toe bij alle 33 stukken.

    Coen Simon maakt niet de fout dogma’s onderuit te halen en daar zijn eigen absolute waarheid – een nieuw dogma als het ware – voor in de plaats te stellen. Hij stelt vooral vragen.
    De lezer mag het ook oneens zijn met zijn stellingname, als hij maar denkt. Er zijn dan ook columns die wringen. Daar is Breinwetenschap een goed voorbeeld van. Daarin haalt Simon een bewering van vakgenote Joke Hermsen onderuit. Zij zei in 2014 in een interview: ‘Door permanent online te zijn, raakt je brein overprikkeld’. Simon is het eens met haar pleidooi tegen het kritiekloos omarmen van nieuwe technologie, maar hij valt haar aan op onterecht autoriteitsdenken als ze zich beroept op neurologen: we weten nog zo weinig over het menselijke brein dat we geneigd zijn elke nieuwe ontdekking op dat punt als uitputtend te zien. Joke Hermsen neemt in haar uitspraak aan dat we ook een soort rustbrein hebben waarin we alle informatie selecteren. Om daar aan toe te komen moet de input even worden gestopt. ‘Hermsen vergeet’, schrijft Simon, ‘dat wat neurologen in het brein zien dan wel correspondeert met ons gedrag, maar het gedrag niet per se veroorzaakt. Ons gedrag en onze waardering van de prikkels worden ook ingegeven door de voorstellingen die we ervan maken.’ Wat wringt, is dat Simon de grondslag van de bewering van Hermsen onderuithaalt, maar het lijkt dat door deze redenering de aandacht wordt afgeleid van datgene waarvoor Joke Hermsen waarschuwt en dat geloofwaardig is. Misschien is Simon wel op zijn best als hij de lezer met dit soort effecten aan het denken kan zetten.

    Hoewel niet alle stukken een even sterk niveau hebben of echt iets nieuws verkondigen (de column Leiderschap bijvoorbeeld lijkt nogal obligaat), houden ze de lezer alert. De teksten zijn pregnant, maar toch luchtig. Ze blijven daarom een plezier om te lezen, mits met mate: de lezer beleeft er het meeste plezier aan door ze met tussenpozen en gedoseerd te savoureren. Dan dringt zich, ondanks de verscheidenheid aan onderwerpen, toch een soort grondtoon op. Dat is dat veel van wat we in korte soundbites (horen) verkondigen gebaseerd is op een veronderstelde maakbaarheid van het leven. Dat we ons niet kunnen verstoppen voor de realiteit zagen we al in het voorbeeld van het asbest, dat hierboven is doorgetrokken naar de crash van de Airbus A 320, maar mooie voorbeelden daarvan bieden ook de stukken met de titels Herdenken en Vieren. Ze draaien om de vraag of we zelf wel kunnen bepalen of we herdenken en wat het eigenlijke doel is van de viering van een verjaardag. Die verjaardag lijkt niet meer iets te zijn wat ons overkomt, maar wat we organiseren. Als de dag niet uitkomt, verplaatsen we hem gewoon uit behoefte om lastige omstandigheden uit de weg te gaan. ‘Maar bij een viering hoort ongemak’, schrijft Simon. ‘Het ongemak van de afwezigheid van juist je meest dierbare vriend (…) of van je moeder die vijf jaar geleden precies op je verjaardag overleed. Omstandigheden zijn deel van het feest. Je viert ondanks de omstandigheden.’

    Mooi.


    Filosoferen is makkelijker als je denkt. Leren denken zonder dogma’s

    Auteur: Coen Simon
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo/Anthos (2015)
    Aantal pagina’s: 159
    Prijs: € 18,99

  • Op zoek naar het eeuwige leven

    Op zoek naar het eeuwige leven

    Het is even wennen, de futuristische wereld die Auke Hulst in Slaap zacht Johnny Idaho neerzet. Deze roman speelt in een wereld die lijkt op de onze, maar die toch totaal anders is met weblenzen, swipes en taps. ‘Veel berichten gaan over sociale onrust in ooit welvarende steden, in ooit welvarende landen, waar ooit de zon scheen. Londen brandt. Madrid smeult na, in San Francisco hebben ordediensten de toegang tot Millionaire’s Row gebarricadeerd. Silicon Valley wil zich afscheiden, burgermilities brengen de technies zo nu en dan een slag toe.’ Welkom in de wereld van Auke Hulst, waarin weblenzen het leven domineren, zoals bij de kennismaking met personage Hatsu blijkt: ‘Voor de spiegel doet ze haar oude weblenzen in. Ze probeert dóór haar lenzen heen te kijken, voorbij de informatiestromen, en ziet diezelfde data terug in het spiegelbeeld. Ze sluit niet uit dat er een camera is verstopt achter het glas. En hoeveel voyeurs liften mee op wat haar lenzen registreren? Eén paar ogen? Meerdere?’

    Hier wordt meteen gekenschetst in wat voor een Big Brother-achtige samenleving de personages zich staande moeten houden. Wie kijkt er mee en wie houdt je in de gaten? Er is een ‘Oog’ dat alles registreert en vastlegt. Dit, in combinatie met de ratrace waarin iedereen verstrikt zit, geeft een gevoel van beklemming en rusteloosheid dat door het hele boek te voelen is. In deze setting gaan een, volgens de databanken niet bestaande, tiener, een terminale bankier en een wetenschapper op zoek het eeuwige leven.

    Johnny Idaho, een Amerikaanse tiener, is op weg naar de Archipel, een zwaar bewaakt eiland in de oceaan. Zijn reis wordt beschreven als de tocht van een illegale immigrant zoals wij deze vandaag de dag kennen. Het doel van zijn reis blijft lang onbekend. De missie van Willem Gerson, de Chief Executive Officer van een multinational, is wel meteen duidelijk. Zijn terminale ziekte duwt hem in de richting van Hatsu, een Japanse wetenschapster die het gen van onsterfelijkheid probeert te isoleren.

    In de eerste helft van de roman raken de levens van de drie hoofdpersonen elkaar nauwelijks, maar na een indringend beschreven ramp verandert dit. In dit centrale hoofdstuk toont Hulst zich een meesterlijk verteller. Het gebouw waarin Johnny Idaho zich bevindt, stort in. Het doet denken aan een 9/11 aanslag. Na deze cruciale scène is alles anders, en vallen de levens van de hoofdpersonen samen.

    Gerson is op een oneerlijke wijze schatrijk geworden en dacht overal mee weg te komen. Hij dacht zelfs onsterfelijk te zijn, maar nu moet hij accepteren dat hij dood gaat. Hij besluit onsterfelijkheid te kopen bij Hatsu. Vastbesloten is hij en bereid ver te gaan. Het was een van Gersons malafide bouwprojecten die instortte en al dan niet de dood van Johnny Idaho veroorzaakte. Het is maar de vraag of Johnny echt dood is, hij bewoont een duistere onderwereld. Vanuit zijn (schijn)dode situatie neemt hij wraak en dit doet hij geheel in stijl van het boek Moby Dick. In eerste instantie lijkt het boek Moby Dick slechts een detail uit het leven van Johnny (‘Een goed boek maakt geen reclame, een goed boek verkondigt de waarheid.’), maar het blijkt als een rode draad door Slaap zacht Johnny Idaho te lopen met de walvis die symbool staat voor de harde werkelijkheid.

    De roman van Auke Verhulst staat op de grens van science fiction en daar moet je van houden. Soms is het verhaal moeilijk te volgen, met allerlei digitale maar ook futuristische termen. En dat maakt het lastig je werkelijk in te leven in de personages en de wereld waarin zij leven. De thema’s daarentegen zijn alledaags: de dood zit de personages op de hielen en ondanks de mythe van onsterfelijkheid die hun futuristische leven suggereert, moeten ze toch één voor één hun sterfelijkheid accepteren.