• Gedichten die ertoe doen

    Gedichten die ertoe doen

    Allard Schröder (1946) is bekend als auteur van essays en proza zoals de romans Grover en vooral De hydrograaf, waarvoor hij in 2002 de AKO-literatuurprijs ontving. Toch debuteerde hij in 2011 op 65-jarige leeftijd als dichter met de bundel Het meisje met de afstandsbediening, die tot stand kwam door een keuze te maken uit een verzameling poëzie die hij gedurende 35 jaar geschreven had. En in 2024 verscheen zijn tweede bundel, Lichtvang getiteld. Het zou zomaar kunnen dat deze bundel ook ontstaan is door een keuze uit de gedichten die Schröder in de tussenliggende dertien jaar heeft geschreven, want de opgenomen gedichten zijn zeer uiteenlopend van zowel vorm als inhoud, maar niet van kwaliteit, die blijft constant hoog.

    Het zijn gedichten van iemand die veel gezien en geleefd heeft en die daardoor wijs genoeg is om zich niet druk te maken om wat een ander van hem vindt. Schröder is geen moderne dichter en stoort zich niet aan poëtische conventies of modetrends. Er is moed voor nodig om zo volstrekt eigenzinnig te dichten, zonder acht te slaan op wat de tijdgeest voorschrijft of wat je populair maakt. De gedichten lijken puur te zijn geschreven voor eigen genoegen, als een weergave van de dingen die de dichter overpeinsd heeft en waarvoor hij nu en na veel schaven een passende formulering heeft gevonden. Daarbij mengt hij heden, verleden en toekomst dooreen tot een tijdloze wereld waarin realiteit en fantasie in elkaar overlopen. Nooit worden de gedichten zwaar, maar ook zijn ze nooit zonder betekenis. De dichter zoekt het in de lichtheid van het bestaan, zoals de titel van de bundel al aangeeft. Hij zoekt het in de romantiek van het leven, de sprookjeskant:

    ‘Ergens daartussen, tussen dag en nacht,
    vind je mij in het vale licht, oud schemerkind, al jaren
    bezig met zijn zoveelste ademtocht, daar leef ik
    in de zachte grijzen, te midden van stemmen nog zachter
    dan grijs – geen god of demon die zich daar laat horen.
    Dit is mijn rode uur, dat van licht nog even fonkelend
    spiegelt in onverschillig glas, voor het zijn dood smeult.’

    Het licht is overal 

    Het licht gaat altijd met de dichter mee. Het vergezelt hem op zijn reis door de klassieke oudheid in het gedicht ‘In Beneventum in het voorjaar van 268 van onze jaartelling’, dat een eerbetoon is aan de Griekse dichter Kavafis die over het verleden schreef alsof het nog steeds een levende realiteit was. Zo maakt Schröder ook geen onderscheid tussen oude en moderne poëzie: zijn werkterrein bestrijkt alle eeuwen. Dat is ook te merken aan de mythologische elementen waarover hij dicht: eenhoorns, griffioenen en nimfen bevolken zijn gedichten alsof ze echt bestaan. En de oude Griekse goden lijken nooit verdwenen te zijn. Rozenvingerige godinnen, najaden en silenen kondigen hun terugkomst aan. ‘Alles wordt nieuw, overal straalt groot licht / en zingt het weer, want de goden zijn teruggekomen. […] – de goden zijn weer onder ons // en alles is weer, zoals het hoort te zijn.’ De schikgodinnen bepalen het noodlot van de mens, zoals in het mooie gedicht dat begint met de versregel: ‘Een vrouw komt naar buiten, zet de handen in de zij.’

    ‘De vrouw strekt lachend de armen uit, zachte
    armen met kuiltjes, die kinderen hebben gewiegd;
    ze kruist ze over de borst en sluit de ogen.
    Dit is de dag der dagen, hiervoor wilde ze geboren zijn.’

    De draad van de tijd

    Ondertussen zitten onder een oude boom drie oude vrouwen, die ‘de draad van de vrouw [hebben] opgepakt en meegeweven.’ De vrouw heeft er geen besef van dat haar dood al voorbestemd is, maar de dichter aanvaardt dat gegeven zonder dat het afschrikwekkend is, het hoort er gewoon bij. ‘Intussen staat zij daar en zingt met gesloten ogen./ Haar stem snelt de wereld in, omdat het die dag is.’

    Naast Kavafis lijkt Schröder ook te verwijzen naar een andere grote dichter, Czeslaw Miłosz, als hij in het gedicht ‘Dat’ zegt: ‘Dat ik nu het onmogelijke moet doen:/ voorzichtig de wereld optillen/ en haar dan omkeren zodat we/ haar eindelijk van onderen kunnen zien.’ In het gedicht ‘De zin’ zegt Miłosz in de vertaling van Gerard Rasch: ‘Eenmaal dood zal ik de voering van de wereld zien./ De achterkant […]’.

    Er zijn meer verwijzingen naar de literatuur te vinden: versregels van bijvoorbeeld Goethe, Homerus, Willem Kloos, zitten in de gedichten verborgen. Ze leggen getuigenis af van wat in de poëzie van waarde is voor Schröder, van wat blijft, ook als al het andere verdwenen is.

    Leef je leven

    Het verleden wordt door de dichter niet alleen aangeduid door middel van de klassieke oudheid, maar ook door zijn herinneringen aan zijn jeugd, in het besef dat de tijd voorbij gaat en dat we ouder worden, maar bij hem hoeft dat niet per se een nadeel te zijn. Een lichte melancholie over de vergankelijkheid is hem niet vreemd, maar echt zwaar wordt het nooit, omdat de dichter met milde zelfspot in alles naar het licht zoekt. Leef je leven, zoek het licht, want eens zal alles voorbij zijn, lijkt de dichter te willen vertellen. De gedichten lijken door een gelukkig mens te zijn geschreven.

    Toch is de dood nooit ver weg, maar de dichter ziet die niet met angst tegemoet, omdat hij als  heiden zich opgenomen weet in de kringloop van het leven, waar elk einde steeds weer een nieuw begin betekent:

    ‘Uiteindelijk zal ik een herfstblad zijn
    en rood en bedachtzaam wikkend en wegend
    uit de hemel komen zweven
    om me voorzichtig neer te vlijen
    op wat me al is voorgegaan om ermee tot humus te vergaan
    voor wie na ons komt.

    Mooi einde.’

    Een einde van een mooi leven, ‘een leven als een zoete bries op een zomerdag.’ Deze gedichten doen ertoe. Zelfs als alles donker wordt, zal er ergens nog licht schijnen, zeggen ze.
    Schröder heeft dat licht gevangen in deze indrukwekkende en troostrijke bundel.

     

     

  • De liefde voor Henri

    De liefde voor Henri

    Sebastiaan Welsend is een geboren conformist van goede burgerlijke komaf. Zijn vader heeft hem geleerd altijd afstand te houden tot mensen en onaangename confrontaties uit de weg te gaan. Dat is hem goed gelukt, maar tegelijk voelt hij zich nergens bij betrokken. Hij leeft het leven niet zelf, het leven overkomt hem. Hij is een beschouwer, niet iemand die zijn leven in eigen hand neemt.
    Maar dan verandert er iets: vlak voordat hij zestig jaar wordt, wordt hij ontslagen bij de bank waar hij werkt. Eigenlijk had hij gedacht dat hij een leidinggevende positie zou krijgen. De boodschap dringt dan ook niet tot hem door, hij raakt er van in de war; de volgende dag gaat hij gewoon naar de bank en vindt op zijn bureau de brief waarin staat dat hij niet langer op het werk wordt verwacht. Via een zijdeur vlucht hij het gebouw uit.

    Roken roept herinneringen op
    Hij begint weer te roken –na 20 jaar- en tijdens zijn eerste sigaret komt de herinnering boven  aan zijn jeugdliefde, Henriette die Henri genoemd wil worden. Met haar heeft hij in zijn jeugd veel tijd doorgebracht. Henri wordt opgeleid tot pianiste en moet veel oefenen, Sebastiaan luistert daarnaar in de tuin van haar huis. Henri weet dat; na afloop van de les gaan zij samen naar Het Leesmagazijn van meneer Perelman en genieten ze van de boeken die ze mogen lezen. Sebastiaan blijft langer kind dan Henri en ze verliezen elkaar uit het oog.
    De passage waarin Sebastiaan zijn eerste sigaret in 20 jaar opsteekt, is prachtig om te lezen; het laat goed zien wat een taalvirtuoos Allard Schröder is.

    Hij inhaleerde diep.
    Terstond vulde zijn hoofd zich met een weldadige, rozige mist, het was alsof het opzwol tot het wonderlijk groot was en bijna gewichtloos als een ballon, ook zijn maag dijde uit tot hij tegen zijn huig drukte; op hetzelfde moment gebeurde er een wonder; weg was ineens die onbestemde zwaarte, die in de loop der jaren nachtzwart in hem was neergedaald en hem een neerdrukkende last was geworden; hij was hem als een onvermijdelijk deel van zichzelf gaan beschouwen, die alleen met rode bourgogne doeltreffend te bestrijden was. Gulzig zoog hij de rook naar binnen en wachtte tot die zich reinigend in hem verspreidde, het was alsof hij een oude, nog altijd willige liefde in de armen sloot, die hij veel te lang had verwaarloosd. (…) De nicotine leek zijn geheugen te scherpen, ze trok het doek op en toonde hem een toneel, waarvan hij niet wist dat hij het in zich droeg. Helder er zonnig verscheen hem het panorama van een vroeger leven voor de geest, alsof het nog maar pas geleden verleden was geworden – licht was het en schuldeloos, verleidelijk en leugenachtig, maar tegelijk ook diep en intens waar. Misschien was alles wel zoals het had moeten zijn, het drukte het getroebleerde heden weg en gaf zich over aan dat zoet, gloeiend, zonovergoten landschap van vroeger. 

    Telkens wanneer hij er een opsteekt, komt er een herinnering aan Henri naar boven. Dan vindt hij op zijn zolder van zijn huis een oude foto van Henri; op de achterkant staat: Wanneer kom je nou? H. Dat is voor hem de aanleiding om naar haar op zoek te gaan.

    Van die zoektocht doet Schröder magistraal verslag. In mooie, meanderende zinnen vertelt hij van de jeugd van Sebastiaan en Henri, en dan vooral hoe Sebastiaan zich die herinnert. De zoektocht van Sebastiaan duurt lang, heel lang voordat hij erin slaagt haar te ontmoeten. Ondertussen is er bij hem een gezwel in zijn hersenen verwijderd waardoor hij lijdt aan geheugenverlies. Zijn geheugen speelde hem al parten en na de operatie is hij het vrijwel geheel kwijt. Dat maakt zijn zoektocht naar Henri nog meer bijzonder omdat hij niet meer precies zijn relatie met haar kan reconstrueren. Gelukkig heeft hij genoeg verbeelding om er iets van te maken.

    In de VS
    Wanneer Sebastiaan uiteindelijk heeft ontdekt dat Henri in de VS woont, besluit hij haar daar te gaan opzoeken. Wat dan volgt, is een prachtige en wonderlijke reis door de VS, die eindigt in het dorp waar ze blijkt te wonen. Maar het zit Sebastiaan niet mee: ze blijkt niet thuis; ze is in Nederland vanwege de dood van de tante die haar heeft opgevoed. Sebastiaan is besluiteloos: zal hij wachten tot ze terug is of zal hij naar Nederland reizen met het risico dat ze elkaar kruisen? Na lang aarzelen vliegt hij terug en gaat naar het huis van de overleden tante van Henri. Daar ontmoeten ze elkaar dan eindelijk. Sebastiaan schrikt zo van deze, toch nog onverwachte, ontmoeting dat hij flauw valt.

    Terug in Nederland
    Sebastiaan heeft een zoon, die in Engeland woont. Wanneer die door zijn vrouw het huis wordt uitgegooid, keert hij terug naar Nederland en wil hij bij zijn moeder gaan wonen. Die vindt dat geen goed idee en wil dat Sebastiaan hem in huis neemt. Sebastiaan voelt daar niets voor, hij heeft weinig met zijn zoon, maar staat machteloos. De zoon is een nietsnut, ligt de hele dag op de bank en viert ’s avonds feest. Hij maakt van het huis van Sebastiaan een puinhoop. Wanneer Henri Sebastiaan vraagt om bij haar te komen logeren, zegt hij geen nee. Daardoor kan hij de confrontatie met zijn zoon uit de weg gaan. Vanaf dat moment halen Sebastiaan en Henri jeugdherinneringen op en vertellen elkaar hoe het ze in het leven is vergaan. Dan blijken de grote verschillen in karakters maar ook de bijzondere band die ze in hun jeugd met elkaar gehad hebben. De verlegen en schuchtere Sebastiaan, met zijn monstrueuze neus, bewonderde Henri. Voor Henri was Sebastiaan een manier om het huis van haar tante te ontvluchten.

    Terug naar de VS
    Wanneer Henri het overlijden van haar tante heeft afgehandeld, gaat ze terug naar de VS. Sebastiaan blijft in Nederland. Een paar weken later ontvangt hij een CD met pianomuziek, gespeeld door Henri; dat was de muziek die zij vroeger speelde en waar Sebastiaan, staand in de struiken naast haar huis, altijd naar luisterde.

    Waardering
    Er valt nog veel meer over dit rijke boek te vertellen, maar beter is het zelf te lezen.
    Sebastiaans neus is een schitterend verhaal, de mooie zinnen en prachtige taal rijgen zich aaneen, vol rake typeringen, evocatieve beschrijvingen en opvallende woorden (zoals wegdeemsteren).
    Een waar genot om te lezen! Wanneer je wilt ervaren wat literatuur is: lees dit boek en je bent voor altijd een liefhebber.