• Een verzameling briljante omschrijvingen

    Een verzameling briljante omschrijvingen

    De Zuid-Afrikaanse Ronelda S. Kamfer schreef eerder vier dichtbundels voordat haar eerste roman, Compoun, dit jaar verscheen. De thematiek is dezelfde als in haar poëzie: het leven in Zuid-Afrika na de afschaffing van de Apartheid. De titel in de Kaaps-Afrikaanse taal is afgeleid van ‘compound’, ‘een Engels begrip voor een omheinde leefgemeenschap, waarbinnen mensen gemeenschappelijk leven (bijvoorbeeld een grootfamilie) of verwante activiteiten bedrijven’, is te lezen op Wikipedia. Het woord komt van het Maleisische begrip ‘kampong’ dat vrijwel hetzelfde betekent. De leefgemeenschap in deze roman is die van de familie McKinney, een grote, kleurrijke familie waarin vooral de vrouwen een belangrijke rol spelen. Zij zijn degenen die in een voortdurende staat van onveiligheid en geweld zichzelf staande moeten zien te houden. Kamfer gaf haar roman als motto mee: ‘Opgedragen aan alle vrouwen die ‘het spijt me’ moesten zeggen, al hadden ze geen spijt, en voor mijn moeder, altijd’.

    Degene die ‘verwante activiteiten bedrijven’ zijn Nadia en Xavie, tieners van de derde generatie McKinney in dit boek, neef en nicht, die het verhaal van de familie vertellen. Vooral Nadia’s verhaal is heftig, schokkend en luidruchtig. Xavie weet dezelfde gebeurtenissen wat rustiger te vertellen en toe te lichten vanuit hun achtergrond en voorgeschiedenis. Maar het is Nadia die het meest te lijden heeft: haar vader mishandelt haar zo erg, dat ze haar haren afknipt om hem niet meer de kans te geven haar daaraan mee te sleuren (maar dan doet hij het wel aan de mouwen van haar hoodie). Met haar oma heeft ze een haat/liefde verhouding en haar moeder heeft het te druk met zichzelf en het wel en wee van haar broers en zusters om zich met haar dochter bezig te houden.

    De verschrikkelijke oma

    De neefjes en nichtjes van Nadia en Xavie groeien op als getuigen van dood, geweld, alcohol, drugs, prostitutie en mishandeling binnen een familie die hen niet kan of wil beschermen. De dood is prominent aanwezig. Vele begrafenissen worden bijgewoond en beschreven, een tante die door haar ‘boyfriend’ is toegetakeld en sterft aan de verwondingen. Een oom die zich dood gezopen heeft en uiteindelijk ook oma Sylvia, de ‘stomme oude bitch’.

    Nadia is opgevoed door die verschrikkelijke oma, de sadistische matriarch wier moeder wit was, en die daarom neerkijkt op gekleurde mensen als ‘vuil volk’. Ze wilde de tweeling van haar dochter Diana verkopen omdat het ‘hoerenkinderen’ waren, geboren uit een verhouding met een zwarte man, waarvoor Diana een pak slaag van haar moeder krijgt. Ook na de periode van de Apartheid blijkt huidkleur nog steeds van belang te zijn. Hoewel Kamfer de nadruk niet op politiek legt, weet ze wel binnen de familie McKinney, die alle schakeringen van wit tot diepzwart vertoont, te suggereren dat hoe blanker, hoe beter, nog steeds geldt binnen de Zuid-Afrikaanse samenleving. 

    Accepteren van de status quo

    In korte hoofdstukken vertellen Xavie en Nadia, niet perse om de beurt, hun verhaal, waarbij heen en weer gesprongen wordt van heden naar verleden en terug, van herinneringen naar dromen, waardoor de tijd een factor lijkt te zijn die niet van belang is. Het is alsof hun leven altijd al zo geweest is en ook nooit zal veranderen. De mannen in de familie vervullen een negatieve rol: ze zijn dronken, belazeren de boel, of vergokken alles, maar vooral slaan ze hun vrouwen en kinderen. De vrouwen sussen, proberen geheimen te verhullen, alles toe te dekken, maar zijn vooral bezig te overleven, ieder op haar eigen manier, waarbij het weer de kinderen zijn die aan hun lot worden overgelaten. Die hebben op harde wijze geleerd om iemand uitsluitend op zijn gedrag te beoordelen, niet op aanzien of status binnen de familie.

    Het is het accepteren van de status quo die dit boek zo schrijnend maakt: iedereen berust in zijn of haar lot, behalve Nadia. Alle hoofdpersonen dromen van een beter leven, maar weten heel goed dat deze droom geen werkelijkheid zal worden. Toch is dit boek met veel humor geschreven, in een tempo dat even razendsnel is als dat waarin de schokkende gebeurtenissen elkaar opvolgen. Het is niet de humor die je doet lachen, maar eerder een ongemakkelijk grijnzen is. Zo gebruiken de protagonisten Xavie en vooral Nadia galgenhumor om het leven draaglijker te maken en te relativeren: ‘Toen mijn vader me zo hard sloeg dat ik van de koelkast tot de wasbak tolde, zong ik: ‘Brightly Beams Our Father’s Mercy.’’ 

    Rauwe nietsontziende taal

    Nadia heeft moeite met het bepalen van haar plaats binnen de familie: ze wijst de houding van haar vrouwelijke familieleden af. Ze verzet zich tegen de gelatenheid en acceptatie van hun levensomstandigheden. Tegelijkertijd wil ze erbij horen, zoekt ze liefde en genegenheid, zelfs bij de mensen die het gemeenst tegen haar zijn. Als haar oma overlijdt, voelt Nadia zich woedend en verloren, zelfs zeven jaar later in haar dromen: ‘Ik kan niet besluiten of ik geld moet sturen voor bloemen, een deel van mij wil en het andere deel wil niet. Een dozijn witte rozen, nee, lelies, nee, niks. Ze krijgt niks als ze dood is, ze heeft alles gepakt toen ze leefde.’

    Wat het meeste opvalt in dit overweldigende boek, is de felle schoonheid die schuilgaat in de rauwe, nietsontziende taal die het lezen van alle ellende te verdragen maakt. Steeds word je eraan herinnerd dat Kamfer in de eerste plaats vooral dichter is, zoals blijkt uit de titels die ze aan de hoofdstukken meegaf. ‘Breek het boompje als het jong is’ en ‘Stoïcijns als een motherfucker’, ‘De Heer schept een mens, de duivel kleurt hem in’, en het eerste hoofdstuk luidt: ‘Hallo-daar-tieten en tot-ziens-tranen’. Het is een bonte verzameling van briljante omschrijvingen, origineel en tot de verbeelding sprekend in een halsbrekend tempo. 

    Daarom mag de aandacht ook uitgaan naar het werk van de vertaler, Alfred Schaffer, die ook Kamfers dichtbundels vertaalde. De vertaling moet een enorme klus geweest zijn, niet in het minst omdat Kamfer woorden uit diverse talen gebruikt, Kaaps, Afrikaans, Engels, slang en straattaal door elkaar. Mede dankzij Schaffers vertaling is dit een goed boek en een verschrikkelijk boek. Een verschrikkelijk goed boek. 



  • Oogst week 22 – 2024

    Lentekind

    Al ruim voordat zijn debuut Lentekind verschijnt bij Uitgeverij Meulenhoff hebben we door o.a. zijn opiniestukken in het Parool en een interview met zijn literair agent Maaike Pereboom in de Volkskrant, al kennis kunnen maken met de jonge schrijver en regisseur (in spe) Harmen van Liemt. Een jongeman die – net als zovele anderen – tijdens de middelbareschooltijd zijn seksuele geaardheid onderzoekt. Hij komt erachter dat hij niet in een hokje past, en ook zeker niet ‘gelabeld’ wil worden.

    Als blijkt dat zijn zusje, met wie hij het goed kan vinden ernstig ziek is, deelt hij zijn worsteling over zijn seksualiteit met zijn ouders. ‘Want mocht ze komen te overlijden, dan wilde ik dat ze alles over me zou weten.’
    Zijn zus overlijdt in december 2021. Van Liemt verloor niet alleen zijn zus, maar eerder ook een goede vriend. In de stukken in de krant toont hij zich een positief mens, een die heeft leren omgaan met de vele kanten van het leven. Iemand die te rade gaat bij zichzelf, en zich ook wat betreft rouw niet in een hokje laat duwen maar kiest voor de weg die voor hem het beste werkt.

    Zijn ervaringen en gevoelens liggen ten grondslag aan de roman Lentekind, dat begin juni 2024 verschijnt

    Lentekind
    Auteur: Harmen van Liemt
    Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff (2024)

    de geur van zwart

    Twee jeugdtitels van de Vlaamse Tom Marien (1979) zijn op Jong Literair Nederland het afgelopen jaar besproken: Jij bent het einde, uit 2022 en Het eerste licht uit 2023 waarover recensent Ingrid Bilardi schrijft: ‘Hij […] boetseert een wereld met woorden. Elk woord staat op de juiste plek als het gaat over betekenis, ritme en rijm.’
    In beide recensies, maar ook elders, spreken de recensenten hun waardering uit voor het prachtige taalgebruik van de auteur.

    De boeken van Marien worden vaak op een verrassend mooie wijze geïllustreerd, zo ook weer bij de geur van ongeluk, en dit keer door Pascale Petterson (1980). Gezamenlijk presenteerde dit duo begin mei 2024 de geur van ongeluk, Mariens debuut als dichter voor volwassenen. Marien noemt dit boek op zijn website ‘een duistere bundel vol graphic novels’. Het is een onderzoek naar de geur van ongeluk, waarin de gedichten van Marien over personages die volgens de flaptekst ‘vol op de rem van het leven staan’ en ‘met open ogen tegen de muur knallen’, door Petterson geïnterpreteerd en getekend zijn. Marien en Petterson leerden elkaar kennen toen ze op basisscholen creatieve workshops gaven. De meeste gedichten werden eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften.

    Tom Marien is leraar, maakt podcasts en toneelvoorstellingen, schrijft muziek. Zijn website is een bezoekje waard.

    de geur van zwart
    Auteur: Tom Marien
    Uitgeverij: Uitgeverij Poëziecentrum vzw (2024)

    Compoun

    De Zuid-Afrikaanse schrijfster Ronelda Sonnet Kamfer (1981) is vooral bekend om haar gedichten, ze is een van de meest toonaangevende dichters in het Zuid-Afrika van dit moment. Voor haar debuut Noudat slapende honde dat in 2008 verscheen kreeg ze de Eugène Maraisprijs, een prijs die jaarlijks wordt toegekend door de Zuid-Afrikaanse Akademie voor Wetenschap en Kunst aan een debuut of werk in het Afrikaans.
    In 2010 verscheen deze bundel in vertaling door Zuid-Afrikakenner, dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer. Schaffer vertaalde ook haar drie volgende bundels en haar romandebuut Compoun, dat onlangs bij uitgeverij Wereldboek verschenen is.

    Compoun gaat over twee kinderen, neef en nicht van elkaar, die opgroeien in een harde omgeving. Ze worden opgevoed door hun grootmoeder, maar een veilige omgeving biedt zij niet. De beide kinderen gaan op zoek naar de waarheid over hun familie, die zoveel geheimen kent.

    In het themanummer ‘Writers Unlimited 2024’ van de Groene Amsterdammer van 9 januari jl. stond stond een interview met Kamfer door Maria van Dordrecht. Op de vraag wat haar ertoe aanzette om een roman te gaan schrijven na al de dichtbundels antwoordt ze: ‘Ik heb altijd al dit specifieke verhaal over deze kinderen die samen opgroeien in mijn hoofd, al voordat ik poëzie schreef. Maar ik moest wat meer leven en meemaken om dit op te kunnen schrijven.’

    Compoun
    Auteur: Ronelda S. Kamfer
    Uitgeverij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
  • Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Bitter, scherp, confronterend, krachtig. Dit zijn de kwalificaties die zich opdringen aan wie Chinatown leest, de nieuwe gedichtenbundel van Ronelda S. Kamfer. Het is de vierde bundel die in Nederland verschijnt van deze dichteres. Alle vier zijn ze uitgevoerd in twee talen: het Afrikaans en het Nederlands. En voor alle vier de bundels verzorgde dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer de Nederlandse vertaling. 

    Ronelda Sonnet Kamfer werd geboren in Kaapstad in 1981. Volgens de flaptekst van het boek wordt zij gezien als ‘de meest vooraanstaande Zuid-Afrikaanse dichter van haar generatie’. De gedichten in deze bundel – vrije verzen, zonder rijm of metrum – vertonen verschillen en overeenkomsten. Ze verschillen bijvoorbeeld zeer in lengte, van drie regels tot twee volle pagina’s. Qua thematiek is er de eenheid der familieverbanden. In veel gedichten figureert een vader, een moeder, een zus, een oma, een neefje, een kind. En verder lopen deze gedichten over van ellende: geweld, verkrachting, racisme, onverschilligheid en dood, weinig poëtische onderwerpen. Toch is er in het huis van de poëzie ook voor dit soort gedichten een kamer. 

    ‘hou vol
     doe niet zo ontzettend je best
     om te lachen
     doe het licht uit
     doe de gordijnen dicht
     denk slechte gedachten
     hou vol’

    Bezwerend en woedend

    Het lijkt erop dat Ronelda Kamfer met haar gedichten probeert te bezweren wat haar raakt, verontrust, kwetst en woedend maakt. En waar ruimte is voor kracht, hoop op nieuwe kansen, komt ook zoiets als triomf om de hoek – gelaten weliswaar, maar toch. 

    ‘meire
     ik leer mijn kind bendetekens met haar flashcards
     zij leert het ABC van white supremacy
     samen met haar bedtijdritueel
     ik was haar haren met salie
     en leer haar over haar voorouders
     ik leer haar over vuur en over oorlog en ik leer haar
     hoe je precies genoeg eten kookt

     ik ben de moeder die ik niet heb gehad
     zij is het kind dat mijn moeder nooit heeft gekregen’

    Soms zijn de gedichten ronduit gewelddadig, wat een toch al sluimerend gevoel van ongemak bij het lezen van deze gedichten nog eens versterkt. 

    ‘[…]
     en ik geef nog minder om een vrouw die
     tijdens de apartheid mooie gedichten schreef
     mijn literaire helden winnen geen belangrijke prijzen
     ik ben nooit iemands bazin of mevrouw geweest
     mijn gedichten zijn niet voor feministen
     mijn gedichten zijn voor de vrouwen in de keuken
     mijn gedichten zijn voor zwarte en bruine jochies
     in een klas vol witte kinderen
     ik ben het kind van de werkster en nu ben ik groot
     ik ruil mijn moeders as voor kruit
     voor de volgende generatie
     opdat die gewapend kan zijn
     jullie schieten ons niet nog eens in de rug
     terwijl wij angstig wegrennen’  

    Bijzondere poëzie

    Naast deze bijzondere poëzie, die ongepolijst getuigt van een barre Zuid-Afrikaanse realiteit, biedt deze bundel in poëtisch opzicht minstens twee extra’s. In de eerste plaats zijn naast de Nederlandse vertalingen de originele gedichten in het Afrikaans afgedrukt. Omdat deze taal veel verwantschap vertoont met het Nederlands is het voor lezers in ons taalgebied een buitenkans om kennis te kunnen maken met de gedichten van Ronelda S. Kamfer in hun oorspronkelijke vorm en klank. 

    ‘safe word stopwoord’

     soms kyk ek                     soms kijk ik
     in die spieël                     in de spiegel
     dan sien ek myself         dan zie ik mezelf
     daar waar ek vir dood   daar waar ik voor dood
    agtergelaat is                   ben achtergelaten’

    Dat de Nederlandse vertalingen van Kamfers gedichten zijn gemaakt door een gelauwerd dichter als Alfred Schaffer is een extra bonus. Schaffer is de ideale gegadigde voor deze vertaling. Hijzelf is immers ook opgegroeid ‘tussen twee vaderlanden’, in zijn geval Nederland en Aruba, met een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader is ook hij vertrouwd met het concept van de gemengde culturele identiteit. Bovendien woont en werkt Schaffer een groot deel van het jaar in Zuid-Afrika, waardoor hij de gedichten van Ronelda S. Kamfer met meer dan gemiddelde kennis van zaken tegemoet kan treden.

    Gedichten die een verhaal vertellen dat doorgaans wordt vertolkt via kranten, nieuwssites en  actualiteitenprogramma’s op tv. Een verhaal dat weinig goed nieuws bevat – en dat in de enorme veelheid van slecht en slechter nieuws van over de gehele wereld makkelijk verloren gaat. De vorm van dit verhaal in de gedichten van Ronelda S. Kamfer heeft verbluffende zeggingskracht en indringende pregnantie en klinkt daarom opvallend nieuw en anders. Het verdient alleen al daarom te worden gehoord. 

     

  • Oogst week 15 – 2021

    Het eigenlijke

    De Duitse schrijfster Iris Hanika (1962) won de LiteraTour Nord-prijs en de EU-prijs voor literatuur met haar roman Das Eigentliche, in het Nederlands vertaald als Het eigenlijke door Jantsje Post.
    Het ‘eigenlijke’ betekent voor iedereen iets anders. Voor Hans Frambach, de hoofdfiguur in deze roman, zijn het de misdaden in het nazitijdperk waar hij na de oorlog niet mee leven kan. Hij werkt als archivaris bij het Instituut voor ‘Exploitatie van het Verleden’ in Berlijn maar overweegt een andere baan te zoeken.

    Voor zijn enige vriendin Graziela stond verbijstering over dit oorlogsverleden centraal – totdat ze een man ontmoet die haar begeert en vanaf dat moment zoekt ze ‘het eigenlijke’ in de vleselijke liefde; een concept waar ze nu aan begint te twijfelen.
    Is het het nationaalsocialisme dat verantwoordelijk houden voor hun ongelukkig zijn? Of is het hun eigen onvermogen waardoor ze geen geluk vinden? Iris Hanika laat zien hoe misdaden uit het verleden tot op de dag van vandaag een rol spelen in het leven van anderen. Met een belangrijke rol voor de professionalisering van het herdenken, en waartoe dit kan leiden.

     

    Het eigenlijke
    Auteur: Iris Hanika
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Chinatown

    Uit Ronelda S. Kamfers (1981) vierde, tweetalige bundel Chinatown, spreekt een activistische en overtuigende taal. Er zit woede in haar gedichten, evenals ironische humor. Kamfer dicht over haar geschiedenis van complexe familieverhoudingen, hoe je een dochter opvoedt in het Zuid-Afrika van nu. Ronelda S. Kamfer zegt de helft van haar leven op zoek te zijn geweest naar een vorm van feminisme die ook over haar en de vrouwen uit haar gemeenschap gaat. ‘Mijn moeder en ik hadden de stille afspraak dat ik met mijn leven zou doen wat ik zelf wilde. Ze keek dan ook niet op toen ik zei dat ik wilde schrijven. De enige waarschuwing die zij me gaf was: ‘As jy besluit wat jy gaan skryf, moenie skryf vir ’n gat nie.’ (Als je weet wat je gaat schrijven, vrkloot het dan niet.)

    Haar moeder kan tevreden zijn, er is integendeel iets ‘vrkloot’. Met deze uitdagende bundel confronteert ze op vaak luchtige wijze haar lezers met de realiteit van marginalisering, armoede en geweld, alles  beschreven vanuit haar eigen ervaringen. Daarnaast bevat Chinatown ook intieme gedichten over liefde, familie en ouderschap. Kortom, een zeer uitgesproken bundel.

     

    Chinatown
    Auteur: Ronelda S. Kamfer
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Stilte is mijn moedertaal

    De Eritrese schrijver  Sulaiman Addonia (1972) vluchtte in 1976 met zijn familie naar een vluchtelingenkamp in Soedan, waar zijn vader vermoord werd. Met zijn moeder en jongere broer verhuisde hij naar Jedda waar hij zijn jeugd doorbracht. In 1990 vroeg hij asiel aan in Engeland en sindsdien woont hij in Londen. Hij debuteerde met de roman Als gevolg van liefde waarin hij over zijn eigen ervaringen schreef over het leven in een vluchtelingenkamp.

    Zijn tweede roman Stilte is mijn moedertaal gaat over Saba, een jong meisje dat met haar familie hals over kop moest vluchten en speelt eveneens in een vluchtelingenkamp. Ze komen terecht in een Oost-Afrikaans vluchtelingenkamp. Het leven daar is hectisch en onveilig voor een jong meisje. Dan is er ook nog Hagos, haar zwijgende broer die ze beschermen moet tegen de gangbare normen. Broer en zus weigeren zich te schikken in de rol die hen wordt opgelegd. Aan de hand van intrigerende personages onderzoekt de schrijver wat het betekent om een man of een vrouw te zijn. Wat het betekent een individu te zijn wanneer je geen thuis of toekomst hebt.

    Addonia analyseert hoe het kan dat een samenleving in staat is de oorlog te verklaren aan haar eigen vrouwen. Hij vertelt de verhalen die nodig zijn om te overleven in een vijandige omgeving.

     

    Stilte is mijn moedertaal
    Auteur: Sulaiman Addonia
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • Een tirade van…

    Een tirade van…

    Het leek een leven geleden dat ik me onder flanerende wandelaars en fietsers bevond. Met geknepen ogen tegen het zonlicht fietste ik over de dijk. Halverwege knoopte ik mijn jas open, trok de sjaal los van mijn hals. Wat een lentedag. In de bocht van een landweg zat een zilverreiger in de berm. Toen ik dichterbij kwam, vouwde de reiger zich in een oogwenk om tot een liggende witte steen. Nu zag ik meerdere witte stenen, om een bocht in de weg te markeren. Een waarneming voor een gedicht. Het zou ‘origami’ kunnen heten. Maar ik ben geen dichter, wel een lezer van gedichten. In die hoedanigheid las ik een Tirade van eind vorig jaar. Lang voor de ‘Week van de Poëzie’ begon, was deze Tirade geheel gewijd aan poëzie. Je moet niet overal op in willen spelen zullen de makers van het blad gedacht hebben.
    In de laatste rubriek van het blad, ‘De tirade van…’ – waarin een schrijver zijn hart inzake de literatuur mag luchten – schrijft Alfred Schaffer ‘Poëzie mag best een beetje moeilijk zijn’.

    Schaffer gaat tekeer (nouja, tekeer,… hij is verongelijkt) tegen al diegenen die poëzie niks vinden. In het bijzonder tegen muzikante Eefje de Visser. Hij verwacht van Eefje – gezien haar teksten – enige affiniteit met poëzie te hebben. Dat heeft ze niet. Ze is oprecht wars van poëzie. Terwijl haar teksten pure poëzie zijn, meent Schaffer. Maar Eefje zou ze niet gedrukt willen zien, ze gelooft niet dat iemand dat wil lezen: poëzie. ‘Poëzie kan ik heel goed verdragen als het in popmuziek is verwerkt, maar poëzie lezen in een bundel vind ik maar zelden zeer interessant.’ Een opmerking te eenvoudig om je lang druk over te maken. Eefje is een niet-lezer van dichtbundels. Daar valt niets mee te beginnen als je het over poëzie wilt hebben.
    Zoals bij elke goede tirade, komt pas halverwege de aap uit de mouw, datgene waar het ten diepste om gaat.

    Bij Schaffer gaat het om de verwachting dat poëzie leesbaar en begrijpend moet zijn. Hij vindt dat poëzie niet alleen gericht op ‘directheid, verstaanbaarheid en instemming’ moet zijn. Dit onderstreept hij met een citaat van de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky: ‘Poets should get back to saying crazy shit. All of the time.’ Wat hij een (bijna) cliché vindt, maar ook: ‘clichés zijn waar’. Ik had nog nooit van Lasky gehoord, ook dit citaat was me onbekend. Als een gedicht teveel van me vraagt, blader ik door. Uit luiheid. Daar schaam ik mij nu wat voor, nu ik Schaffer over poëzie heb gelezen. En dan nog die laatste regels, waarin hij aanhaalt wat een leraar eens tegen dichteres Maud Vanhauwaert zei: ‘Maak jij maar iets waar niemand op wacht.’ Schaffer gunt iedereen zo’n leraar.
    Wie nu deze Tirade (nr. 473) in handen krijgt: lees eerst Alfred Schaffers tirade en dan de gedichten in het nummer. Want in het licht van Schaffer spelen er krachten mee die dwingen verder te kijken. Dan ga ik op zoek naar iets moeilijks, iets van Dorothea Lasky.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Rauwe en niets verhullende gedichten

    Rauwe en niets verhullende gedichten


    ‘Het zinneloze geraaskal
    van moederloze moeders’

    Ronelda S. Kamfer (1988, Kaapstad) schreef met Mammie haar derde bundel. Sinds haar tiende schrijft ze al gedichten, geïnspireerd door de verhalen van haar grootvader over zijn jeugd op het platteland. Ze werd ontdekt door de Afrikaanse dichter Antjie Krog en de Nederlandse dichter Alfred Schaffer, die haar gedichten in 2004 opnamen in een bloemlezing van Afrikaanse poëzie. In 2008 debuteerde ze met haar eerste bundel Noudat slapende honden, in 2010 vertaald door Schaffer als Nu de slapende honden. Hiermee won ze de Eugene Maraisprijs, de belangrijkste prijs voor poëzie.

    Niets verhullende poëzie
    Haar eerste twee bundels gingen voornamelijk over het harde leven in de township in Kaapstad waar ze vanaf haar twaalfde woonde; over armoede, drugs en criminaliteit schreef ze. In Mammie staat haar overleden moeder centraal. Dat betekent echter niet dat Kamfer haar eerdere inspiratiebronnen negeert. Ook in deze bundel zijn rauwe en niets verhullende gedichten opgenomen over gangsters, pedofiele ooms, geweldsdelicten en wat het betekent om kleurling te zijn in een land waar apartheid nog steeds niet vergeten is. ‘Kleurlingen’ was tijdens het Apartheidsbewind een verzamelnaam voor mensen die niet blank, maar ook niet zwart waren. Die geen eigen cultuur of geschiedschrijving hadden en eigenlijk overal buiten vielen. Kamfer wil niet gezien worden als de stem van deze groep, maar laat zich ook niet claimen door witte Afrikaners. In een interview met Tjitske Mussche in de VPRO-gids van juni 2012 vertelde ze dat de pijn en de woede, veroorzaakt door de Apartheid, pas in een volgende generatie verwerkt kan worden, maar nooit vergeten.

    Eerbetoon aan moeder
    De gedichten in deze bundel zijn bedoeld als eerbetoon aan haar moeder en trekken de aandacht door de liefdevolle toon en het respect. Kamfer beschrijft het moeizame proces van haar moeders sterven, gadegeslagen door haar zuster en haarzelf, terwijl ze op dat moment zwanger was van haar dochter Seymour: ‘het had vandaag / een saaie dag moeten zijn / mijn moeder en ik waren van plan / mijn afbetaalde babykleertjes / op te halen in de winkel’

    Nu eens beschrijft ze een herinnering aan haar moeder uit haar kinderjaren, dan weer het moment van overlijden van haar moeder en het verdriet en gemis. Ook de emoties zijn verschillend: onder een nuchtere constatering gaat vaak een diepe lading verdriet schuil. Humor en pijn wisselen elkaar af, maar ook opstandigheid is een veel voorkomende tendens in de gedichten. De relatie met haar moeder is niet altijd probleemloos verlopen, zo valt te lezen: moeder kon autoritair en bemoeizuchtig zijn en legde veel verantwoordelijkheid op de schouders van haar dochter, waaronder de zorg voor Ronelda’s jongere zus Allisen. Maar het is de liefde die overwint in deze bundel, waarin heel herkenbare momenten beschreven worden in ‘een taal voor kinderen met een dode moeder.’

    In eigen taal het sterkst
    Achter in de bundel zijn de originele gedichten in het Afrikaans opgenomen in een kleiner lettertype. Ook is er een verklarende woordenlijst aanwezig van woorden uit de gedichten die niet direct herkenbaar zijn vanuit het Nederlands. Dat de originele gedichten niet direct naast de vertaling van Alfred Schaffer zijn afgedrukt op de tegenover liggende bladzijde is jammer, want het is de moeite waard een vergelijking te maken: zó ver staat het Afrikaans niet van het Nederlands af. Pas in haar eigen taal valt op hoe Kamfer Engelse uitdrukkingen gebruikt, teksten van popsongs en straattaal, waardoor het rauwer en hedendaagser klinkt dan in vertaling. Dan wordt ook duidelijk hoe Kamfer de lezer op het verkeerde been zet door eerst een poëtische vergelijking te maken om hem daarna hardhandig uit de droom te helpen met een zinsnede die treft als een bom: ‘die kleine teven zijn net kikkers in de regen / hoppen van blad naar blad steeds dichter / naar de meest verse bol stront / want daar zitten de vetste vliegen’

    Liefdevol provoceren
    Ze deinst er niet voor terug om de meest schokkende gebeurtenissen om te zetten in poëzie, maar het is haar niet alleen te doen om het provoceren: de vreselijkste dingen laat ze gepaard gaan met onderkoeld mededogen en spijt. Poëzie is uiteraard niet alleen maar bedoeld om schoonheid te beschrijven: Kamfer laat een wereld zien die gruwelijk is: vrouwen die in elkaar geslagen worden door hun man, kinderen die verkracht worden door hun ‘pedovader’ terwijl een vriendinnetje moet toekijken; een wereld van vernederingen en haat.

    Daarnaast staan de gedichten voor en over haar moeder waarin liefde en gemis de boventoon voeren. Deze gedichten laten een blijvende indruk na, misschien omdat ze een universeel gevoel beschrijven en identificatie makkelijk is. Want telkens  valt de bundel open op dezelfde bladzijde:

    ‘Aanspraak’

    al wat ik terug wou hebben
    was het blauw van de zee
    het groen van de winter
    het geel van de zon
    de afstand van de maan
    het water van de regen
    de klank van de wind
    mijn plekje achter mijn moeders rug’

    Kamfer heeft zichzelf niet gespaard in deze kwetsbare gedichten, maar juist doordat zij zo veel van zichzelf heeft laten zien, raakt zij aan de harten van een ieder die een moeder  heeft verloren.

     

     

  • Oogst week 37

    Mammie

    De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer (Kaapstad 1981) is in 2008 tot haar verrassing ontdekt door Antjie Krog en Alfred Schaffer. Een vriend had haar gedichten zonder dat zij het wist aan Krog gestuurd. Het vertrouwen dat zij van beide dichters kreeg resulteerde in o.a. Nu de slapende honden waar zij de Eugène Marais-prijs voor ontving, en Santenkraam.

    In de tweetalige bundel Mammie dicht ze over haar overleden moeder. ‘Zij was mijn moeder/ en zij heeft me geleerd/ hoe niet van mezelf te houden.’

    In heldere, krachtige taal snijdt ze haar rauwe jeugd aan, die de toon zette voor de rest van haar leven. Maar bovenal ontgint ze datgene wat zo vaak ongezegd blijft tussen ouders en kinderen. Dat resulteert in pijnlijk openhartige versregels vol liefde, woede, hoop en teleurstelling, waarmee Kamfer laat zien tot de beste Zuid-Afrikaanse dichters te behoren.

     

    Mammie
    Auteur: Ronelda Kamfer
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    Parttime astronaut

    Renée van Marissing (1979) is schrijver van romans, theater- en hoorspelteksten, regisseur en performer.
    Haar roman Strak blauw uit 2012 werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuurprijs. Een fragment uit dat boek nam Wim Brands op in De Nederlandse literatuur, de nieuwe schrijvers van het nieuwe millennium.

    In Parttime astronaut ontleedt Van Marissing -die geprezen wordt om haar ijzersterke dialogen – haarfijn hoe een echtpaar geruisloos uit elkaar groeit.
    Tussen beide echtelieden hangt een voelbare maar onuitgesproken spanning. Hun pogingen nader tot elkaar te komen stranden door onwil of onvermogen.

    Parttime astronaut is volgens de uitgever ‘een subtiel Hollands gezinsdrama compleet met Eftelinguitstapje’.

    Parttime astronaut
    Auteur: Renée van Marissing
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Kraaien tellen

    Kraaien tellen is de tweede roman van Lucas de Waard die in 2015 debuteerde met De kamers.

    Kraaien tellen gaat over Tobias, een veegwagenbestuurder die het liefst met rust gelaten wil worden. Maar als zijn zus en geestverwant een einde aan haar leven maakt, begint zijn omgeving steeds meer van hem te verlangen. Terwijl Tobias probeert zijn wereld schoon te houden, stapelt het vuil zich langzaam op.

    Op zijn eigen website stelt Lucas de Waard zichzelf voor: hij ‘houdt van aanzwellende violen, van kleinmenselijke lulligheid, van sterfscènes en van superhelden. Zijn werk kenmerkt zich door een toegankelijke schrijfstijl, zwarte humor en her en der een stevig potje effectbejag. Want Lucas schuwt de grote thema’s niet, al schrijft hij ook met liefde over lelijke hondjes, doktersassistentes en de Blokker.’

     

    Kraaien tellen
    Auteur: Lucas de Waard
    Uitgeverij: De Geus

    Reddende engel

    Met haar laatste roman, Reddende engel keert Renate Dorrestein terug naar een voor haar bekend genre, de gotieke roman. Kenmerken daarvan zijn o.a. mystiek, horror en romantiek. Het genre is ontstaan in Engeland in de 18e eeuw. Vooral vrouwen schreven gotic novels, vandaar dat ook wel gesproken wordt over vrouwelijke gotiek. In 2011 waren de gotieke elementen in het werk van Dorrestein zelfs onderwerp van een promotieonderzoek (Griezelig gewoon door. A. Andeweg).

    In Reddende engel komt een jonge vrouw door een noodlottig ongeval op een boerderij om het leven. Twee jaar later arriveert een andere vrouw, de verteller van dit verhaal, op de plek des onheils. Terwijl zij onbedoeld allerhande geheimen ontrafelt, wordt haar eigen leven er niet zekerder op.

    De uitgeverij noemt Reddende engel ‘een spannende psychologische roman over naastenliefde, eigenbelang en het verlangen ergens bij te horen.’

    Reddende engel
    Auteur: Renate Dorrestein
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium