De Nobelprijs heeft de Deense schrijver Jonas Eika (1991) nog niet gewonnen. Maar ‘die andere Scandinavische onderscheiding’ staat al wel op zijn naam: de Nordic Council Literature Prize. Hij dankt die prijs aan de verhalenbundel Efter solen. Sinds februari dit jaar ligt de Nederlandse vertaling door Michal van Zelm – Na de zon – in onze winkels. Zelfs overzees scoort het boek van Eika; een klein gedeelte van Na de zon verschijnt als feuilleton in de New Yorker. Ook zijn debuutroman Lageret Huset Marie levert hem al literaire prijzen op in Denemarken. Jonas Eika komt eraan.
De titel – Na de zon – anticipeert op een duistere inhoud. Wat bevindt zich immers achter die allesverwarmende en -verlichtende ster, behalve het eeuwige donker? Bovendien prijzen recensenten Eika’s dierlijke stijl, die zindert van lichamelijkheid. In dit werk beziet Eika het leven van Londenaren, Amerikanen, Mexicanen en Denen, die allen om andere redenen de veranderende wereld proberen te begrijpen, vaak tevergeefs. De meeste personages zijn weliswaar ongelovig, het mystieke blijft hen aantrekken. Net als seks, uiteraard. En of dit alles nu zijn doel bereikt of voorbijschiet: het levert prachtige verhalen op! Na de zon, voor de lezer.
Auteur: Jonas Eika
Uitgeverij: Koppernik
Landziek
Wie zeeziek wordt, moet gewoon even stevig over zijn nek gaan. Probleem opgelost. Oh ja, en van boord gaan, natuurlijk. Want landziekte, daar heeft geen sterveling last van. Of toch wel? Sommige ziekten zijn niet op te lossen, zelfs niet met een simpele vaccinatie. Neerlandica Mariëlle Selser ondervindt dit aan den lijve en schrijft erover in haar medische geschiedenis Landziek. Ze lijdt aan ME/CVS, wat staat voor myalgische encefalomyelitis en het chronische vermoeidheidssyndroom. Deze ziekte is niet aangeboren en overvalt Selser in 2011 als een beroerte die haar tot op heden parten speelt. Praten, schrijven, bewegen: alles kost moeite.
Vanaf het moment van verschijnen kent Selsers boek een grote lezersschare. Mensen met longcovid, bijvoorbeeld, herkennen zich in haar verhaal. Wat te doen, als je niet meer volwaardig mee kunt draaien als voorheen? Landziek is meer dan de tegenhanger van zeeziekte. Hoe laconiek de Nederlandse overheid omgaat met bepaalde ziekten, hekelt Selser. Zelfs de wetenschap tast wat ME/CVS aangaat, in het duister. De ‘hersenmist’ waar meerdere patiënten last van hebben, wordt dichter en dichter en trekt zelden meer op. Ongelooflijk eigenlijk, dat Selser desondanks Landziek wist te schrijven.
Auteur: Mariëlle Selser – een medische geschiedenis
Uitgeverij: Querido Fosfor
Wat wij verzwijgen
Stille wateren, diepe gronden. Als deze uitdrukking nog niet bestond, was hij speciaal voor de familie van Aisha Dutrieux in het leven geroepen. In haar autobiografische roman – Wat wij verzwijgen – staat de zwijgzaamheid van een Nederlands-Indische familie centraal. Eerder schreef Dutrieux al Het leven noemen en Wees niet bang. Ook geniet ze bekendheid als Volkskrantcolumniste en heeft ze een carrière als rechter achter de rug. Beroepsdeformatie of niet: in Wat wij verzwijgen stelt Dutrieux zich eveneens neutraal en objectief op richting haar oom. Met het oog op wat hij haar geflikt heeft en hoe de familie hierop reageert, mag dat een wonder heten.
Wat wij verzwijgen verenigt een oud cliché met een nieuwe maatschappelijke tendens. Enerzijds gaat de roman over grensoverschrijdend gedrag, dat het meest in familiesferen voorkomt. Anderzijds bestrijdt Dutrieux een cliché, hardnekkig als het koloniale verleden: de ‘zwijgzame Indiër’. Haar familie houdt zich weliswaar koest over het misbruik van hoofdpersoon Mia, zelf doorbreekt zij dit doodzwijgen als ze haar ooms oude huis doorzoekt. Ze spreekt hem toe, oordeelloos, moedig. In dat opzicht doet Wat wij verzwijgen denken aan De tolk van Java, geschreven door Alfred Birney. Geen afrekening, maar een verrekening.
Alfred Birney is schrijver van De tolk van Java, de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2017 en van de Henriette Roland Holst-prijs van dat jaar. Voor die tijd was hij een schrijver die maar matig werd gelezen. Na het winnen van de prijzen werden er een aantal boeken op de markt gebracht of heruitgegeven. Eind 2020 verscheen De drie rivieren, een bundeling van drie al wat oudere novellen die eerder los van elkaar en in 2017 eerder gebundeld onder de titel De rivieren zijn uitgegeven.
Ze hebben een gemeenschappelijk thema: de ik, meneer B., gaat op zoek naar zijn afkomst waarbij steeds de vraag speelt hoe hij door anderen wordt gezien: als Indiër, als Indonesiër, als Nederlander, als blanke en vooral: hoe ziet hij zichzelf en hoe is hij geworden wat en wie hij is. Uit De tolk van Java weten we dat Birney een beroerde jeugd en opvoeding heeft gehad met een zeer gewelddadige vader, een onmachtige moeder en pleeggezinnen. Ook in de drie novellen komen deze thema’s bovendrijven. Als titel hebben ze de naam van drie rivieren.
De Lossie
De eerste is de rivier de Lossie in Schotland. Meneer B., deik in de gedaante van een Nederlandse gitarist met een Europees-Aziatische achtergrond, gaat op zoek naar een tak van zijn voorouders (de Birnies) om te achterhalen wat er in die familie gebeurd is, hoe zijn grootvader en zijn vader geworden zijn wie ze waren. Hij ontmoet een geheimzinnige vrouw die hem doet denken aan een personage uit een ballade van Donovan (de Chestnut Lady). Hier beginnen verbeelding en werkelijkheid door elkaar te lopen. In deze novelle wordt de geschiedenis van Schotland gekoppeld aan die van de familie, maar het wordt niet duidelijk wat historisch klopt en wat de schrijver erbij fantaseert. Het lijkt erop dat hij erg naar zichzelf toe redeneert over de positieve en negatieve aspecten van zijn potentiële voorgeslacht. Bovendien worden er wel erg veel feiten, data en jaartallen opgesomd. Met de geheimzinnige dame uit de stad waar meneer B. verblijft, gaat hij op zoek naar het plaatsje Birnie, waar zijn voorouders mogelijk vandaan zijn gekomen. Onderweg beleeft hij een seksueel avontuurtje met de vrouw, van wie hij in eerste instantie denkt dat ze gek is.
De IJssel
In de tweede novelle verblijft meneer B. in Deventer, aan de rivier de IJssel, waar hij zijn blanke dubbelganger ontmoet, (‘mijn diapositief’, tot vervelens toe steeds weer herhaald) die hem heel, heel erg veelwarrige informatie over zijn grootouders vertelt. De dubbelganger blijkt een neef te zijn die op zoek is naar zijn grootmoeder die in Deventer gewoond schijnt te hebben. De ik weet niet wat hij daarmee aan moet.Hij had zelf al een beeld van zijn grootouders opgetrokken en dat wordt nu deels onderuit gehaald door de verhalen van zijn neef. En passant wordt er nog verwezen naar de Chestnut Lady bij wie hij mogelijk een kind verwekt heeft. Een warrig geheel, deze novelle. Ook hier is niet duidelijk wat er zich daadwerkelijk heeft afgespeeld in het verleden. Het lijkt erop dat deschrijver zelf ook niet uit zijn verhaal komt. Het eindigt met de twee mannen aan de IJssel waar ze hun gesprek afronden en behoorlijk dronken worden.
De Brantas
De derde novelle speelt zich af in Jakarta, aan de rivier de Brantas die er met de haren wordt bijgesleept en verder geen functie vervult. ‘Wonen aan een rivier is in Nederland voor de rijken, in Indonesië voor de armen’, schrijft Birney treffend. Ook hier is hij als meneer B. druk bezig met zijn verleden: we krijgen meer over hemzelf te horen, zijn gewelddadige vader, de depressies en psychoses die de schrijver doormaakte, hoe hij in Nederland eerst werd gediscrimineerd en hoe hij daar uiteindelijk, mede door de muziek, een plaats verwierf. Waar hij het meest tegenaan loopt is het feit dat hij niet weet wat hij is: een ‘blanke Indo’ of een ‘Indonesische blanke’. En op deze bedevaart komt hij er ook niet uit. Hij blijft zich de buitenstaander voelen.
Het is verbazingwekkend dat deze schrijver zoveel lof krijgt toegezwaaid. Stilistisch is het niet sterk wat hij schrijft. Zijn woordkeus is vaak ongelukkig, de verhalen zijn warrig verteld en zitten vol storende herhalingen. Het egodocument of verondersteld egodocument De drie rivieren overstijgt het niveau van private ideeën en gedachten helaas niet.
‘ROMAN’ staat er in drukletters op de kaft van Alfred Birneys In de wacht, en het is niet zo gek om je na het omslaan van de laatste bladzijde af te vragen waarom. De namen van de personages zijn veranderd en hier en daar zal wellicht nog wel iets zijn gefictionaliseerd, maar in grote lijnen gaat het toch om een egodocument van een hoofdpersonage dat vrijwel geheel samenvalt met Birney zelf, zowel wat zijn achtergrond betreft als wat hij meemaakt. Alan Noland, zoals Birneys alter ego heet, ligt immers in het ziekenhuis te wachten op een hartoperatie waar zijn geestelijke vader zelf van is hersteld in 2019, had ook een getraumatiseerde militair als vader die zijn gezin mishandelde, was eveneens gitaarleraar enzovoort.
Ondertussen houdt hij een lange innerlijke monoloog over zowat alles wat hem bezighoudt, en dat is nogal wat. In de wacht gaat over van alles en nog wat. En dat is meteen ook het probleem: Birney kan er moeilijk een onderwerp uit kiezen om zich op te focussen zodat het boek alle richtingen uitwaaiert.
Kijk op multiculturele samenleving
Maar laten we beginnen met de positieve punten, want die zijn er wel degelijk. Zo is het vertelstandpunt alleszins origineel. Noland (of Birney dus) is een man van middelbare leeftijd van gemengde afkomst (Chinees, Indisch, Schots en Brabants om precies te zijn) en heeft in die hoedanigheid wel een originele kijk op de netelige kwestie van de multiculturele samenleving en de identiteit van de mens die zich daarin beweegt. Dat maakt hem op zich al bijzonder, want er is veel eenheidsworst in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur, die wel erg vaak draait om de first world problems die de gemiddelde witte middenklasser uit de randstad bezighouden.
Noland noemt zichzelf een ‘Brindo’, een verzonnen woord dat hij verkiest boven ‘allochtoon’: ‘Wat een bespottelijke term hebben die Batavieren toch verzonnen: allochtoon. In Amerika ben je immigrant, je directe nakomelingen zijn immigrantenkinderen en die daarna komen zijn Amerikanen. Punt. Maakt ze nog geen lieverdjes, dat tuig, ze doen alleen wat minder nodeloos ingewikkeld. Ik was hier een Indische jongen, vanaf de Molukse treinkapingen was ik een Indo en toen de allochtonenwet werd ingevoerd – ik denk in 1994 – was ik opeens een allochtoon. Waarom? Omdat mijn vader uit het buitenland kwam. Het buitenland was een gekoloniseerde eilandenreeks met de door Multatuli bedachte term Gordel van Smaragd.’
Het komt opvallend vaak terug, die afkeer van betutteling onder het mom van antiracisme, en ook de affiniteit van Birney met het gewone volk komt goed uit de verf. Liever heeft Noland nog het gewone, eerlijke volksracisme van bijvoorbeeld de Haagse kastelein met wie hij een ziekenhuiskamer deelt, dan het omfloerste, in bedekte termen geformuleerde superioriteitsgevoel van de witte middenklasse: ‘Andersom stel ik me voor dat mensen die voortaan over witten spreken niet per definitie een gedekoloniseerd brein hebben. Ze volgen braaf de dynamische terminologie zonder zich te verdiepen in de inzichten die daartoe hebben geleid.’
Gruwelen van het ziekenhuisleven
Birneys onvrede met de huidige samenleving, gekenmerkt door materialisme en consumptiedrang, vervuiling, hufterigheid (‘scheldkanonnades van halve analfabeten over en weer op socialemediaplatforms’) en andere ellende, zit erg diep. Het boek vormt ook aanleiding om het steriele, anonieme, onmenselijke ziekenhuissysteem aan te kaarten, met zijn overwerkte verplegers, arrogante dokters die op vijf minuten het lot bezegelen van patiënten die al weken liggen te wachten, en liefdeloos neergekwakt, smakeloos voedsel. ‘Het moet werkelijk een gruwel zijn iemand op te zoeken in een ziekenhuis,’ verzucht Noland, en geef hem eens ongelijk. Wie wil er nu zijn laatste dagen doorbrengen zoals de oudjes die je daar soms door de gangen ziet schuifelen, ‘Bijkans verschrompeld tot wandelende takken lopen ze achter hun rollators aan, vastbesloten om hun zonen of dochters nog eenmaal te bezoeken eer zijzelf als stofhopen achter die rare karretjes blijven liggen, gereed om opgeveegd te worden’?
In de wacht is een boek met pieken en dalen. Het is alsof je in het café naar een man van middelbare leeftijd zit te luisteren die heldere momenten vol puntig geformuleerde inzichten afwisselt met troebel gedram en gezeur. ‘OK boomer,’ denkt de brutale lezer, die aan de drang moet weerstaan om een paar bladzijden over te slaan, op zo’n moment. Een strengere selectie ware dus beter geweest, en ook dat fictiesausje hoeft eigenlijk niet. Als In de wacht dan toch niet echt een roman, maar een egodocument is, zoals het in de reeks Privé-Domein verschenen Niemand bleef, heeft het geen zin om de schijn op te houden.
Het nieuwste boek van Alfred Birney, vooral bekend van zijn prijswinnende De tolk van Java, zal stof doen opwaaien. In In de wacht ligt zijn hoofdpersoon Alan Noland in een ziekenhuisbed te wachten op een operatie. Politieke correctheid is Noland niet gegeven en zonder scrupules geeft hij zich over aan het becommentariëren van mensen met een multiculturele achtergrond. Maar dat is niet het centrale thema. Birney liet zijn hoofdpersoon fantaseren over het loslaten van een ziekte om het grote taboe onder de taboes aan te snijden: de overbevolking. De auteur dacht dat hij een toekomstboek had geschreven, getuige de zin: ‘Verspreid anders op de gok een uitgekiende bacterie over de wereld, ergens in Centraal China, dat tikt lekker aan. Die bacterie lift gewoon mee op de jaarlijkse griepgolf totdat de aarde weer wordt bevolkt door zo’n anderhalf miljard mensen.’ Het manuscript was al persklaar toen covid-19 uitbrak. Birney schrok en stond op een voetnoot bij de zin die door de realiteit is ingehaald.
Auteur: Alfred Birney
Uitgeverij: De Geus
De republiek of de dood
Van de beroemde redenaar, politicus, filosoof en advocaat Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) is een omvangrijke briefwisseling bewaard gebleven. Staatsman Cicero correspondeerde met veel andere invloedrijke Romeinen, en deze brieven plus fragmenten daaruit dienen in De republiek of de dood als context voor de veertien vlijmscherpe redevoeringen die bekend staan als de Philippicae. Cicero zag de republiek als de beste staatsvorm en beoogde met deze redevoeringen de senaat op te zetten tegen Marcus Antonius die na de moord op Caesar de macht en alleenheerschappij naar zich toe poogde te trekken. Cicero’s bedoelingen faalden en hij moest zijn optreden met de dood bekopen. Uit de brieven blijkt dat Cicero helemaal niet zo zeker van zichzelf was als hij in zijn venijnige redevoeringen deed voorkomen.
Auteur: Cicero
Uitgeverij: Athenaeum
Jaag je ploeg over de botten van de doden
De Poolse Olga Tokarczuk (1962), oorspronkelijk psycholoog, staat bekend als feministisch schrijfster. Ze won de Nobelprijs voor Literatuur 2018, wat in 2019 bekend werd gemaakt.
Vertaler Karol Lesman introduceerde Tokarczuk in de jaren negentig in de Nederlandstalige literatuur. En nu is daar haar eerste thriller boek, Jaag je ploeg over de botten van de doden. Dat de schrijfster bij Poolse nationalisten niet geliefd is ligt misschien aan het feit dat haar personages bepaald niet alledaags zijn. Haar huidige hoofdpersoon Janina is een oudere nogal buitenissige vrouw, vertaalt poëzie van William Blake, is geïnteresseerd in astrologie en houdt van de natuur. In het afgezonderde dorp waar ze woont vinden vreemde gebeurtenissen plaats, zoals de dood van haar buurman waar ze vraagtekens bij zet. Ze raakt betrokken bij het politieonderzoek dat start als enkele leden van de lokale jachtvereniging dood worden gevonden.
De autobiografische roman van Alfred Birney, De tolk van Java, getuigt van de verpletterende last van de geschiedenis. Over de wreedheden begaan door ‘onze jongens’ in Nederlands-Indië tijdens de zogenaamde politionele acties wil niet iedereen graag horen. Over de doorwerking daarvan op het leven van latere generaties is vrijwel niets bekend. Het besluit van de Nederlandse regering in 2017 om de gang van zaken tijdens de dekolonisatie te laten uitzoeken komt dan ook niets te vroeg. Het uitgestelde eindrapport van de onderzoekscommissie wordt tenslotte eind 2021 verwacht en belooft nu al veel explosief materiaal te bevatten. Voor mij was het aanleiding om onlangs de collegedag over de koloniale geschiedenis bij te wonen in Museum Bronbeek, georganiseerd door Het Historisch Nieuwsblad.
Bij de opening werd door een medewerker vol trots en als nieuwe aanwinst een kolossaal schilderstuk gepresenteerd van koning Willem III in vol ornaat en ten voeten uit door Nicolaas Pieneman. Over deze Oranjetelg, oprichter van Bronbeek als tehuis voor oud-KNIL-militairen en schenker van het landgoed, weet de website Historiek het volgende te melden: ‘Omdat Willem III bekend staat als een bruut, die volgens sommigen enkel geeft om jacht, drank en vrouwen, krijgt hij internationaal de naam ‘koning Gorilla’. Volgens de socialisten bestempelt Willem III zijn volk als ‘domme ossen, gepeupel en uitschot’. Je vraagt je af waarom je blij moet zijn met zo’n protserig schilderij van deze ‘Gorilla’.
In Bronbeek staat de geschiedenis van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en zijn tegenstanders centraal. Het museum wil de kennis en het bewustzijn van het Nederlandse koloniale verleden vergroten en hiervoor belangstelling wekken. Maar de collectie bestaat grotendeels uit rommel zoals militaire parafernalia met kanonnen en ander wapentuig, medailles, linten, uniformen en borstbeelden van, eh,… van Van Heutz!? Verder kiekjes van soldaten en van wreedheden begaan door de Japanners. Het verhaal van Alfred Birney kan ik hier niet goed plaatsen. Nog vóór de verschijning van het rapport van de onderzoekscommissie wordt de presentatie van het museum op de schop genomen. Tsja, je zou zeggen: ‘Wacht even’. Op een vraag uit de zaal of er ook aandacht komt voor het pacifisme, klonk een onderdrukt gelach, zeker toen de medewerker eventjes van slag leek en vervolgens met militaire duidelijkheid antwoordde: ‘Nee, ik begrijp niet wat u bedoelt’. Met een gevoel van bitterheid, grinnikte ik bij de gedachte: ‘Geen pacifisme, wel pacificatie natuurlijk.’
Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.
Hoewel dit autobiografische verhaal van de van oorsprong Schotse Grace Dalrymple Elliott (1754-1823) door historici niet helemaal geloofwaardig wordt gevonden, – het is zo hier en daar wel erg toevallig en gekleurd -, is het wel ‘een prachtige blik van binnenuit op het gekonkel aan het koninklijk hof en van de intriges in revolutionaire kringen ten tijde van de Franse Revolutie’.
Zo’n tweehonderd jaar geleden heeft deze courtisane haar memoires geschreven. De Engelse koning George III had haar gevraagd haar belevenissen uit de jaren tussen 1789 en 1794 in Parijs voor hem op te schrijven. Als maîtresse van Louis- Philippe d’Orléans, intrigant en neef van de onthoofde Franse koning Lodewijk XVI, maakte ze de Franse Revolutie van nabij mee. Haar boek is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.
Joris Verbeurgt vertaalde haar boek en voorzag het van een inleiding en een uitgebreid register met informatie over tal van personages die erin voorkomen, van adelijken tot aan het personeel.
Auteur: Joris Verbeurgt
Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag
De Chinese Droom
Jarenlang was Oscar Garschagen correspondent voor het NRC in China.
De Volksrepubliek China viert op 1 oktober 2019 haar zeventigste verjaardag. Trots wordt gevierd dat het ‘Land van het Midden’ welvarender en machtiger is dan ooit. Onder de strakke regie van partijleider en president Xi Jinping ontstaat een socialistische supermacht met een modern leger en ambitieuze plannen voor nieuwe zijderoutes en hoogtechnologische vernieuwing. In De Chinese droom beschrijft Oscar Garschagen hoe de grootste, bijna honderdjarige Communistische Partij zich voortdurend vernieuwt en brede steun behoudt, zonder democratische hervormingen – de nachtmerries van de armen, de repressie van christenen, minderheden en de media ten spijt.
Auteur: Oscar Garschagen
Uitgeverij: De Geus
Niemand bleef
Met Niemand bleef, het Dagboek van Meneer B. legde Alfred Birney volgens de uitgeverij de kiem voor De tolk van Java, het grote succes van Birney uit 2016 waar hij de Libris Literatuur Prijs en de Henriette Roland Holst-prijs mee won.
‘”De nacht is mijn vijand als ik slaap, mijn vriend als ik waak.” In 2005 wordt de wereld van Meneer B. kleiner als hij het na een hartinfarct rustig aan moet doen. In dit dagboek mijmert hij tijdens het herstel zonder schroom over voorbije liefdes, muziek maken, het schrijven, de boeken en de schrijvers die hem irriteren of inspireren. Hij fantaseert bij het uitzicht dat hij vanuit zijn flat heeft op vrijmoedige buurvrouwen. Hij maakt zich zorgen over zijn zoon die bij hem woont en zich afsluit. Gaandeweg herwint Meneer B. de lust om te schrijven en hij preludeert op een groots plan.’
.
Auteur: Alfred Birney
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Coetzee, een filosofisch leesavontuur
‘De Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee is vooral bekend als romanschrijver. Wat vele lezers niet weten, is dat zijn werk doordrenkt is van filosofie. Door de thematiek in zijn romans en verwijzingen naar bekende denkers als Jacques Derrida en Michel Foucault, laat Coetzee zien dat hij ook als filosoof een waardevolle gesprekspartner is. In Coetzee, een filosofisch leesavontuur gaat Hans Achterhuis op zoek naar deze filosofie in het werk van Coetzee. In het verlengde van iedere roman ligt een maatschappelijk vraagstuk. Zo koppelt Achterhuis bijvoorbeeld In ongenade aan de MeToo-discussie, Schemerlanden aan onze omgang met het koloniale verleden en Mr. Foe en Mrs. Barton aan de postmodernistische ideeën over de relatie tussen feiten, interpretatie en leugens. Hij geeft niet alleen een introductie in het werk van Coetzee, maar biedt ook nieuwe interpretaties’
Auteur: Hans Achterhuis
Uitgeverij: Uitgeverij Lemniscaat
Heimat
Een bijzondere graphic novel tot slot. Hij is van de Duitse Nora Krug, kunstenaar in New York. Zij leeft al jaren in de Verenigde Staten als zij op zoek gaat naar de oorlogsgeschiedenis van haar familie.
De uitgeverij: ‘In het schitterende en volkomen originele Heimat – graphic novel, familieplakboek en onderzoeksjournalistiek in een – maakt Nora Krug gebruik van brieven, archiefmateriaal, spullen van de vlooienmarkt en foto’s om duidelijk te maken wat het betekent om bij een land te horen en bij een familie.’
Van Alfred Birney, winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2017, verscheen recent De fenomenale meerval en andere verhalen, een selectie uit de verhalen die hij in de afgelopen dertig jaar geschreven heeft en voor deze uitgave deels herzien werden.
Toen Alfred Birney debuteerde in 1987 met de roman Tamara’s lunapark, waren er al verschillende verhalen van hem verschenen. In De fenomenale meerval zijn achttien verhalen opgenomen die al eerder gepubliceerd zijn tussen 1984 en 2005 en een recenter verhaal uit 2009. De verhalen sluiten thematisch deels aan bij De tolk van Java, de roman waarvoor Birney de Libris Literatuur Prijs kreeg, en daarmee de erkenning waar hij al zo lang op wachtte. Tot die tijd was het voor hem sappelen in de marge.
Negatief zelfbeeld
De tolk van Java is vooral een persoonlijke afrekening met zijn vader en de verwerking van een traumatische jeugd. Birney geeft gedetailleerd weer welke rol zijn vader in Indonesië vertegenwoordigde en in welke mate dat de gewelddadigheden tegen zijn vrouw en kinderen veroorzaakt heeft. Het lijkt erop alsof Birney daarmee begrip voor zijn vader probeert op te wekken.
Deze thema’s komen ook voor in De fenomenale meerval, samen met een onbereikbare liefde, een negatief zelfbeeld en het niet gezien worden (letterlijk en figuurlijk) vormen de leidraad in de verhalen.
Voor een belangrijk deel van die verhalen geldt dat ze niet alleen achterhaald, maar bij tijd en wijlen antiek zijn. Voor andere dat ze moeizaam verteld, anekdotisch zonder diepere achtergrond en stilistisch zwak zijn. De verhalen bevatten onhandige zinsconstructies, beeldspraak die vaak vergezocht is, vreselijk veel details die in de meeste gevallen niet ter zake doen en overbodig zijn. Uit een interview met Birney blijkt dat een groot deel van De tolk van Java geschrapt is; dat had bij deze verhalen ook moeten gebeuren.
Vergezochte metaforen
Neem nou een zin als: ‘Een rood stoplicht hing betraand achter het linkermaantje van de voorruit, dat de ruitenwisser buiten zijn boog hield.’ Wat staat hier. Wat betekent dit. Wat voor wereld roept dit op? Of deze: ‘Hij voelde zich alleen en wist dat zij zich ook alleen voelde, ze moesten beide ergens anders zijn met hun gedachten, of bij een ander, al zouden hun lichamen toch samen die ontspanning bereiken.’ Hè? Over moeizaam formuleren gesproken. Hoe weet je dat iemand anders zich ook alleen voelt? Hangt dat in de lucht, staat dat op een voorhoofd geschreven?
En dan dat steeds terugkerende, er met de haren bijgesleepte thema van de meerval: de geheimzinnige vis, die in een aantal verhalen opduikt, of zo je wilt onderduikt. Wat wil Birney hiermee? Het lijkt erop dat hij deze vis als het symbool ziet van zijn onderdrukte en onbegrepen zelf. Hij ziet zichzelf als het geheimzinnige wezen dat een meerval is: hij duikt op onverwachte momenten op, en is voor een groot deel onzichtbaar.
Er staat een uitzondering in deze bundel: een wat langer verhaal, in drie delen, getiteld Sonatine. Daar zit zowaar een (omgekeerde) ontwikkeling van het hoofdpersonage in, daar worden achtergronden, beweegredenen en motieven verduidelijkt, daar is een glimp van de schrijver die Birney blijkbaar ook is, te bespeuren.
In het weekend van 13 en 14 april gaat de derde editie van het Rotterdamse literaire festival Woordnacht van start. Waar andere grote steden als Den Haag, Amsterdam en Utrecht een lange traditie kennen met groots opgezette literaire evenementen, is Woordnacht een betrekkelijk jong maar ambitieus festival in ontwikkeling. Het concept voor dit festival werd in 2014 door initiatiefnemer en huidig festivaldirecteur Hans Sibarani ontworpen. Literair Nederland ging in gesprek met Sibarani over zijn ideeën en drive achter dit festival, over Rotterdam als literaire stad en over de betekenis van literatuur in deze tijd.
We spreken af bij café Floor aan het Schouwburgplein in Rotterdam. Het is een zaterdag met zomerse intenties, de dag ook waarop de Marathon van Rotterdam gelopen wordt. Sibarani zit in de achtertuin van café Floor op het terras. Hij oogt een tikje vermoeid, zoals een organisator kan ogen wanneer de organisatorische afronding van een ambitieus festival zijn einde nadert. De grote lijnen zijn uitgezet, de invulling gedaan; nu nog de puntjes op de i.
Eerst komen we te spreken over de Rotterdamse schrijfster Anna Blaman (1905-1960) die Hans Sibarani weer onder de aandacht bracht door in 2005 de Stichting ‘Ram Horna’ op te richten, vernoemd naar een wel zeer bijzonder verhaal van Blaman. Hij zette de schrijfster weer op de kaart van het Nederlandse literaire landschap. ‘Ze was weggezakt, niemand kende haar meer en dan is het heel fijn als iemand weer terug is. Ze is nu wel een icoon voor de stad.’
Er was al een driejaarlijkse Anna Blamanprijs. In 2010 kwam daar het Anna Blamanmonument bij en de jaarlijkse Anna Blamanlezing, die nu onderdeel is van het festival. ‘In 2016 hebben we nog het proces tegen haar gereconstrueerd en opgevoerd in het Arminiusgebouw. Ik heb het typoscript bewerkt, Fred van der Hilst regisseerde en Anne Vegter speelde Blaman.’ Het ging over het tot een schandaal uitgelopen Boekentribunaal waarin Anna Blaman de gedaagde was maar waarin het niet over haar schrijverschap ging maar over haar seksuele geaardheid en gender.
Vanwaaruit is dit literaire festival ontstaan? ‘Een paar jaar geleden werd in een Letteren-overleg geopperd: Rotterdamse schrijvers zouden ’s avonds hun werk kunnen presenteren. Maar alleen een keuze uit eigen werk lezen leek me een gemiste kans. Dus: Waarom geen festival? Het hing in de lucht. Ik heb toen een programmaconcept ontwikkeld waarbij er vanaf het Centraal Station tot aan in ieder geval de Witte de Withstraat, een route loopt met verschillende literaire activiteiten in verschillende instituten zoals het Goethe instituut, en Chabot museum. Het was ook belangrijk om naast Rotterdamse auteurs de literatuur naar Rotterdam te brengen. Het kreeg toen al de basisvorm die het nu nog heeft.’ In het tweede jaar werd stichting Woordnacht opgericht, het festival wordt nu met acht andere teamleden georganiseerd.
Er zijn 13 verschillende locaties waar het festival zich afspeelt. Dat is veel. Sibarani knikt instemmend: ‘Dat is inderdaad het concept, meerdere locaties. Het is ook wel ontstaan vanuit het idee dat festivals steeds meer de rode loper gingen uitleggen voor hun bezoekers. Wij willen bezoekers juist kritischer maken, ze moeten zelf een keuze maken en het niet voorgeschoteld krijgen. Het aanschuiven bij een debat of interview kan voor de bezoeker veel opleveren. Maar ik ben me ervan bewust dat het keuzestress kan opleveren. En dan, denk ik, vooral vanwege de gelijktijdige programmering op 13 locaties.’
Er zijn 70 schrijvers maar niet iedereen zit er in zijn hoedanigheid van auteur. ‘We hebben verschillende schrijvers gevraagd in een andere rol dan het publiek van ze gewend is. Er zit wel iets rechtvaardigs in als er een kant belicht wordt die anders nooit aan de orde komt bij een schrijver. Zo staat Raoul de Jong als lichtvoetig auteur bekend maar hij is ook een denker en dat komt minder naar voren. Hij kan vanuit een heel andere hoek vragen stellen aan Karin Amatmoekrim (in het programma De nooit gepeilde diepte).’
In het vaste programma onderdeel Debutanten leidt dichteres Peggy Verzett het gesprek tussen een gevestigd auteur en een beginnend auteur. Dit jaar is Arthur Japin de gevestigde auteur en werkt Daan Doesborgh aan zijn debuut.
Schrijver Kluun zit er niet om over zijn boeken te praten maar om zijn meningen over het boekenvak in een debat uiteen te zetten.
‘Kluun verwacht dat er niet meer gelezen wordt. Hij gelooft dat over een tijdje boeken een elitaire aangelegenheid zijn.’ Waarop Sibarani mij vraagt wat ik daarvan denk. Hij merkt dat mensen in zijn omgeving boeken wegdoen. In mijn omgeving zie ik juist dat meer jonge mensen aan het lezen slaan. Maar misschien wil ik dat liever geloven dan dat boeken zullen verdwijnen, of erger; lezen een elitaire aangelegenheid wordt. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig naar de uitkomst van Het grote geld debat.
Een deel van het programma draagt het thema postkoloniale literatuur. Waarom dit thema? ‘We zijn in de aanloop naar 70 jaar onafhankelijkheid van Indonesië, dan moeten we het nu ook als thema pakken. Er zijn veel maatschappelijke discussies die daarop aanhaken. De tijd is er dan opeens rijp voor om zo’n thema aan te snijden. Daarbij kan het koloniale tijdperk pas echt een plaats krijgen door postkoloniale literatuur. Ik vind dat literatuur handvatten biedt tot verdieping, tot een meer dimensionale manier van kijken, het debat meer relateert aan de realiteit. Ik hoop ook dat iets de discussie gaat overstijgen, dat het meer van twee kanten bekeken kan worden. Niet in de schuld blijven hangen maar op een of andere manier verder komen. Dat zou mooi zijn als postkoloniale literatuur dat kan bewerkstelligen. En ja, het is spijtig dat Alfred Birney er niet bij kan zijn. Hij heeft toegezegd maar kreeg een zware griepaanval en moest afzeggen. Er wordt natuurlijk naar gevraagd waarom hij er niet is.’
Ligt achter dit festival als organisator ook een grotere missie om bezoekers meer met literatuur in aanraking te brengen? ‘Iemand vroeg me: ‘Moet je nu gelezen hebben om naar dit festival te gaan?’ De praktijk is dat mensen die lezen er wel heen gaan. Het kan zijn dat mensen die alleen Kluun hebben gelezen en op Woordnacht afkomen, daardoor de literatuur gaan ontdekken. Maar de verwachtingen moeten wel realistisch blijven. Een interview, een voordracht is mooi maar het mag ook meer zijn. Het zou mooi zijn als de achterkant van de literatuur zichtbaar wordt.’
Sibarani over het slotdebat op de vrijdagavond, Andermans huid. ‘Mag bijvoorbeeld een man in de huid van een vrouw kruipen. Daar is discussie over. Wat vind jij, mag je als schrijver in de huid van een ander kruipen?’ Ja, stamel ik, verrast over de vraag. Het lijkt me onvermijdelijk. ‘Het heeft natuurlijk met vrijheid te maken. Voor het debat hadden we Adriaan van Dis en Karin Amatmoekrim en daar moest nog een derde bij. Ik kwam uit op Stephan Sanders, die nu een religieuze ontwikkeling doormaakt. Dat maakte het kloppend voor mij. Sanders zegt dat het voor hem te maken heeft met afkomst, identiteit en zijn adoptie: welke verhalen zijn van mij? In het slotdebat brengt Sanders die religieuze elementen er misschien wel in waardoor het een heel andere discussie kan worden.’
Hoe is je eigen postkoloniale beleving en heeft de literatuur daarin iets betekend? ‘Ik heb er wel een ontwikkeling in doorgemaakt want ik kom ook uit twee culturen. Als je uit twee culturen komt is er de vraag waar je bij hoort. Eerst denk je ‘ik ben een mix’ en dat is het. Dan vraag je je af ‘ben ik de ene of de andere cultuur?’. Ik ben hier geboren en ben dus een Nederlandse Indo. Literatuur helpt me wel op die manier dat ik vanuit een metafoor of als iets heel exact beschreven is een schok van herkenning kan krijgen.’
Wat zijn je favoriete schrijvers? Sibarani lacht en vertelt over een avond met kerst, toen dit een vraag bleek om het ijs (in gezelschap) te breken. ‘Daar ontdekte ik dat mijn favoriete schrijvers bijna allemaal bij de letter B staan: Balzac, Baldwin, Blaman, Beckett, Bordewijk, Jan Cremer, Camus, Paul Bowles en Muriel Spark. Balzac en Bordewijk vind ik prachtig maar mijn meest favoriete schrijver is Paul Bowles. Een programma-onderdeel van Woordnacht is de graphic novel. Viktor Hachmang heeft Blokken van Bordewijk verstript. Dat is heel experimenteel geworden in de illustraties.’
Poëzie op muziek en verstript Sibarani praat enthousiast over verschillende programma onderdelen. ‘Ik denk aan de gedichten van Peter Holvoet-Hanssen die op muziek zijn gezet. Die gedichten van Holvoet zijn heel associatief en ik ben heel benieuwd hoe dit zal uitpakken. Ik heb geen flauw idee.’ De voorstelling wordt uitgevoerd door vijf musici van AKOM, Patty Trossèl (La Pat) en de dichter zelf. Illustrator Gemma Plum heeft gedichten van Myrte Leffring verstript.
‘Van Myrte en Gemma heb ik het proces meegemaakt. En het viel me op dat ze er bij deze (3e) editie helemaal in zitten; je merkt gewoon dat er meer focus is tijdens dit festival. Vorig jaar was het ook goed, maar anders. Bij Gemma en Myrte was dit tijdens het proces te zien, dat ging met veel passie.’
Leffring zal voordragen uit De tere bloemen van het verstand terwijl de verstripte gedichten getoond worden. Een genummerde exclusieve zeefdruk van een gedicht is ook te koop.
Engagement in de Pauluskerk. ‘Je zoekt bij alle locaties toch wel een signatuur die erbij past. Wat ik mooi vind is dat er een appèl wordt gedaan op de spoken word dichters: het gaat om engagement en overstijgt het ego. Nu worden er brieven geschreven in het onderdeel ‘Dit is de nachtpost’. Uitgangspunt vormt het gedicht van W.H. Auden die de dynamiek toonde van de moderne Britse posterijen, This is the Nightmail.’ Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin zal zaterdagavond het programma in de Pauluskerk rondom spoken-word, literaire performance en engagement openen.
‘Performer Justin Samgar heeft eerder gedichten over krijgerschap gedaan op een soundtrack van Philip Glass (Mishima). Dat gaat hij opnieuw doen. Maar dan op de soundtrack van de film Jackie (over Jacqueline Kennedy). Dan krijg je een hele aparte performence. Het is heel spannend, heel bijzonder. Dat sluit de avond af.’
Sibarani kijkt verwachtingsvol uit naar de verschillende programma-onderdelen, zoals de debatten en de onderdelen met het thema postkoloniale literatuur. Ook wordt er al een lijntje getrokken naar de volgende Woordnacht: ‘Voor volgend jaar lijkt het me mooi als er een Vlaams/Nederlandse uitgeversbeurs zou komen.’
‘Ik heb een hekel aan mensen.
Ik heb een hekel aan mensen die zich, zonder werkelijk te weten waar het over gaat, in een gesprek over gebeurtenissen uit het recente of een ver verleden mengen en het zicht op het onderwerp van gesprek met hun niet terzake doende opmerkingen volkomen vertroebelen.’
Een heel herkenbare uitspraak. Maar tijdloos ook, want al zo’n 1000 jaar geleden opgeschreven.
Sei Shonagon, hofdame aan het Japanse hof in de tiende eeuw schreef wat ze zag, hoorde, dacht en beleefde op in haar dagboek. Bovenstaand fragment is een citaat uit de vertaling vanuit het Engels uit 1988 die toen bij Nijgh & Van Ditmar verscheen. Nu is Het hoofdkussenboek bij Athenaeum verschenen in een rechtstreekse vertaling door Jos Vos.
De dagboeknotities van Sei Shonagan kunnen nog steeds bekoren. Sei Shonagon schrijft over de (gesloten) hofcultuur, over poëzie, haar eigen avontuurtjes, de natuur. Ze blijkt soms geestig, soms scherp en neerbuigend en altijd vol adoratie voor de keizerlijke familie.
Auteur: Sei Shonagon
Uitgeverij: Athenaeum
De vrolijke verrijzenis van Arago
Omslag en titel doen vermoeden dat De vrolijke verrijzenis van Arago ook een vrolijk boek is. Maar zo begint het niet. Joys haalt het bloed onder de nagels van haar ouders vandaan met haar recalcitrante gedrag. Ze zijn met zijn drieën op vakantie maar de 15-jarige puber heeft helemaal geen zin in een reisje door ‘het land waar de citroenen bloeien’. Uit pure lamlendigheid gooit ze op een bergweg één voor één de schoenen van haar moeder het raam uit.
[…] Dus kon het gebeuren dat Roel de zoveelste bocht nam, zuchtend om dat eeuwige gezeik van zijn opstandige, vroegwijze dochter. En dat hij na de bocht vlak voor zijn auto een jonge vos zag opduiken, ontroerend in zijn argeloosheid, de grote ogen in de ronde snuit duidelijk gesperd, de zwarte neus tussen de haren op de witte kaken en pluis, overal pluis. Tegelijk met Roel zag Joys het jonge dier en ogenblikkelijk koos zij partij en commandeerde haar vader, die recht op het dier af reed: ‘Hé, kijk uit, lul!’
De ouders komen om, het meisje sluit vriendschap met het vosje.
De uitgeverij schrijft ‘De vrolijke verrijzenis van Arago is een verhaal over hartstocht en intens geluk, een liefdesverklaring aan het ene leven dat wij hebben.’
Auteur: Tomas Lieske
Uitgeverij: Querido
De fenomenale meerval
Na het grote succes in 2017 voor De tolk van Java, verschijnt nu bij De Geus een bloemlezing van de verhalen uit 25 jaar schrijverschap (1984 – 2009). De verhalen uit De fenomenale meervalzijn deels herzien.
De geheimzinnige meerval duikt in een groot aantal vertellingen op en symboliseert het verlangen naar liefde en het raadsel van de onbereikbare vrouw. Een andere inspiratiebron is het Indische verleden, dat onlosmakelijk verbonden is met het leven van Alfred Birney.
Arjan Peters voorspelde afgelopen zaterdag in Sir Edmund wie de Libris Literatuurprijs zou winnen; Alfred Birney met De tolk van Java. En zijn voorspelling kwam uit. Was dit te verwachten? Ja, het kon niet anders dan dat deze toch wel onopvallende schrijver, die eerder dertien boeken publiceerde voor hij eindelijk zijn boek der boeken schreef, eens opgemerkt zou worden. Nadat Adriaan van Dis het boek had gelezen, prees hij het als een meesterwerk: ‘Léés dat bloody book.’
Birney behoort tot de ‘Tweede Generatie’ Indische schrijvers met onder meer Adriaan van Dis en Marion Bloem. In De tolk van Java beschrijft hij de bloedige strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 vanuit het perspectief van zijn vader; een wrede en psychisch gestoorde man waar hij als kind doodsbang voor was. Volgens de jury doet hij dat in een ‘meeslepende documentaire stijl’. En juryvoorzitter Janine van den Ende zei over het winnende boek: “Een boek waarin je je als lezer door de sublieme stijl bijna medeplichtig voelt aan de beschreven wreedheden en tegelijk ook de kracht ervaart om te willen overleven”.
Birney dankte het Letterenfonds ‘dat me in staat stelde om deze nogal zware klus te klaren.’ Waarna hij zich tot de aanwezigen richtte: “U kunt er zeker van zijn dat ik morgen naar het strand zal gaan en daar, in de vloedlijn, een gat in de lucht zal springen.”
In zijn schrijven heeft Birney altijd gepleit voor een multiculturele samenleving. Over die multiculturele samenleving schreef hij jarenlang columns in de Haagsche Courant. In 1998 veroorzaakte hij enige ophef met de bloemlezing Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren.
Overige genomineerden waren Arnon Grunberg (Moedervlekken), Walter van den Berg (Schuld), Marja Pruis (Zachte riten) en de Vlamingen Jeroen Olyslaegers (Wil) en Lize Spit (Het smelt). Olyslaegers en Spit maken dit weekend overigens nog kans op de Fintro Literatuurprijs waarvoor ze beiden genomineerd zijn.
Samen met de AKO Literatuurprijs en de Fintro Literatuurprijs behoort de Libris Literatuur Prijs tot de belangrijkste literaire onderscheidingen in het Nederlandse taalgebied. Aan de onderscheiding is 65.000 euro verbonden. De zes auteurs op de shortlist krijgen ieder 2.500 euro. De winnaar krijgt daarbij nog eens 50.000 euro.
Lees hier de recensie van De tolk van Java die Literair Nederland plaatste.
Een man raakt de verschrikkingen van zijn kindertijd niet kwijt. Waarom was zijn vader zo’n gewelddadige sadist? Zo’n onberekenbare, grofgebekte en ongenaakbare paranoialijder? ‘They fuck you up, your mum and dad‘, zo luidt een beroemde regel van Philip Larkin, en dit boek presenteert een bloedstollende, dubbele geschiedenis van dat mechanisme in extreme vorm.
Vader heette Arto of Arend, en de kinderen noemden hem ‘de Arend’; dichterbij dan met deze bijnaam kwamen ze niet. Ze werden uit huis geplaatst toen de buitenwereld de kwetsuren eindelijk niet langer negeerde. De verteller van dit verhaal, Alan, is dan een tiener. De machteloze moeder vind het allang best; voor haar eindigt daarmee het huwelijk waarin zij zit opgesloten.
De geschiedenis Vader was een ‘Indo’, een Indische Nederlander. Geboren in Soerabaja in 1925 als buitenechtelijk kind van een ‘Indo’, die het maatschappelijk ver geschopt had en zijn kinderen weigerde te erkennen. Door zijn moeder, tante en broers wordt Arto hardvochtig en gewelddadig grootgebracht: de zweep, de rotanstok, pakken ransel en velerlei kleineringen vormen het regime. De jongen moet een vent worden: laten we citroensap in zijn ogen druppelen, daar wordt hij groot en sterk van!
Een marginale en gediscrimineerde figuur (als onecht kind; als ‘Indo’ in de racistische koloniale samenleving; als verschoppeling in het gezin) die aan zijn beproevingen een groot incasseringsvermogen en een meedogenloze vechtlust overhoudt, plus de verbeten drang Nederlander te zijn. Dat komt hem van pas op school, op het werk, tijdens de Japanse bezetting en na de bevrijding. De Japanners zijn verdreven maar een nieuw gezag nog niet is gevestigd; de Nationalistische opstand en de daarop volgende ‘politionele acties’ waarmee het Nederlandse leger de koloniale verhoudingen probeert te herstellen. Dit zijn jaren waarin Arto zich kan bewijzen als soldaat en als tolk (hardhandige ondervrager annex beul in dienst van de militaire inlichtingendienst), spion, moordenaar en uitvoerder van eigengereide wraakacties.
In de jaren ’60 verscheen de zogenaamde ‘excessennota’ over alles wat er aan misdragingen en misdaden heeft plaatsgevonden tijdens de politionele acties van het Nederlandse leger. Onlangs nog kende een Nederlandse rechter schadevergoedingen toe aan Indonesische vrouwen die toentertijd waren misbruikt. Het heeft lang geduurd eer men in Nederland schoorvoetend onder ogen zag wat zich in ‘ons Indië’ had afgespeeld. De voortgaande belangstelling voor de periode ’45-’49 geeft dit boek een toegevoegde waarde. Het relaas van de vader maakt het begrip ‘excessen’ op rauwe wijze aanschouwelijk.
Als Arto inziet dat het tij keert en de nationalisten aan het langste eind zullen trekken, besluit hij met Nederlandse soldaten mee te ‘repatriëren’ naar een vaderland waar hij nog nooit is geweest. Hij gaat naar een correspondentievriendin in Helmond. Ze trouwen en krijgen vijf kinderen. Dan toont de Arend zijn klauwen. Ook in Nederland voelt hij zich niet veilig voor eventuele wraakacties. Stond hij in Indonesië niet op een dodenlijst, nota bene ondertekend door Soekarno? Hij slaapt met een dolk onder zijn hoofdkussen, de dolk die hem in zijn geboorteland goede diensten heeft bewezen.
De roman
In deze roman beslaan jeugd en militaire verrichtingen van Arto enkele honderden bladzijden. Daarin leren we een geestesgesteldheid kennen (plus een historische periode) waarin geweld, onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons, normaal en noodzakelijk wordt geacht. Verschuilt een vrijheidsstrijder zich achter een moeder met haar baby? Schiet dan dwars door moeder en kind heen, dan ontkomt de pelopor niet. Arto is in zijn element en zijn superieuren geven blijk van hun waardering. Eindelijk!
De memoires van de vader liggen ingebed tussen drie delen genaamd ‘Spekkoek’. Waarom ‘Spekkoek’? In deze delen is voornamelijk de oudste zoon aan het woord, en verder ook diens moeder en broers. Gaat het om de afwisseling van licht en donker? In deze gedeelten komen de wittebroodsweken van vader en moeder ter sprake, de jeugd in herrijzend Nederland, de tijd in het kindertehuis, de voorzichtige toenadering tussen zoon en vader daarna, vrouwengeschiedenissen van vader, de gitaarmuziek die voor ‘Indo’s’ zo’n belangrijke rol speelde en het opgroeien met al die vragen, al die woede, al die wrok. En met de beschadigingen, en de moeite die het kost daar mee te leren leven. ‘Ik ben niet moordzuchtig, Pa, maar je hebt het wel verdiend om alsnog door mij eigenhandig het ziekenhuis in te worden geschopt.’ Interessant is ook het tijdsbeeld: Nederland in de jaren vijftig, het contrast tussen de Hollandse en ‘Indische’ leefvormen.
Na zijn pensionnering verhuist vader naar Spanje, waar het klimaat hem doet denken aan dat in Soerabaja. Daar sterft hij in 2005. Zijn as zal ooit door de verteller worden uitgestrooid in Indonesië. ‘Als ik de as van mijn vader over dat water ga uitstrooien, dan zal ik even oud zijn als hij toen hij zijn memoires af had. Lang heb ik als een gek zijn waanzin bevochten. Nu ben ik een vermoeide brug die zich over een verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te zien. Ik vecht niet langer, ik hou ermee op’.
Met andere woorden, geen verzoening, geen vergeving (hoewel: zie het In Memoriam voorin het boek), geen alles-vergoeilijkend ‘begrip’. Gelukkig maar, want de zoon ziet terug op een leven vol barrières, vol blokken aan het been, een tamelijk eenzaam leven.
Hartebloed
Wat heeft Alfred Birney, van wie schrijver dezes tot zijn schande nog nooit had gehoord, een rijk en indringend verhaal gepubliceerd! Wat een fascinerende stof! Geen inkt maar hartebloed. Vergelijk dat eens met de vaak zo magere inhoud van menig Nederlandse roman. We hebben hier te maken met een monument voor twee levens: dat van de vader en van de zoon. Couperus zou er tweeduizend bladzijden in hebben gestoken, Alberts tweehonderd, Birney gebruikt er vierhonderdzestig. Enerzijds te veel, anderzijds te weinig, want juist de zoon in zijn volwassen leven had meer aandacht verdiend.
Je moet een sterke maag voor dit boek hebben maar Birney’s roman is een heel bijzonder en indrukwekkend boek.