• Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    De bekende linkse econoom Joseph Stiglitz, Nobelprijswinnaar economie in 2009, schreef een boos boek. Boos over de in zijn ogen grote schade die mens en samenleving, nationaal en internationaal, wordt aangedaan door het neoliberalisme als overheersende economische en politieke theorie en praktijk. Stiglitz, met een lange loopbaan als academicus en beleidsadviseur voor President Clinton en topeconoom bij de Wereldbank, pleit hartstochtelijk voor een alternatief voor het neoliberalisme, het progressieve kapitalisme c.q.een ‘opgefriste sociaaldemocratie’. Die staan immers pas garant voor een werkelijke politieke en economische vrijheid. Zo niet, – ondanks de pretentie van het tegendeel -, het neoliberalisme dat leidt tot machtsongelijkheid en onvrijheid. Vrije markten zijn niet werkelijk vrij, en lossen geen enkel maatschappelijk probleem op, integendeel. We hebben niet, zoals veel politici beweren, minder, maar juist meer overheid nodig. Meer overheid en meer regelgeving, niet minder. Een in een tijd van een vooral conservatief of zo u wilt rechts narratief, opmerkelijk betoog.

    Verbroken beloften

    Dat is in een paar woorden de samenvatting van dit lijvige boek. Stiglitz heeft er, zonder de noten, ruim 300 bladzijden voor nodig, inclusief de nodige historische uitweidingen, bijvoorbeeld over het tijdperk van Reagan en Thatcher in de jaren 80. ‘We hebben nu veertig jaar van dit neoliberale experiment achter de rug, dat begon onder Reagan en Thatcher. De rooskleurige beloften van snellere groei en hogere levensstandaarden voor een brede kring zijn niet uitgekomen. De groei is vertraagd, kansen zijn afgenomen en de vruchten van wat er aan groei is geweest zijn voor het overgrote deel naar de mensen aan de top gegaan’. Dit is nog een beheerst geformuleerde kritiek, elders is Stiglitz venijniger. De ‘Grote Leugen van Hitler’ komt langs als het gaat om de ‘roep om terugkeer van het liberalisme met de nieuwe naam van neoliberalisme halverwege de vorige eeuw’. Die leugen slaat op de stelling dat markten uit zichzelf efficiënt en stabiel zijn, maar ook als niet-econoom kan je je afvragen of Nazi-Duitsland als oorlogseconomie nu een schoolvoorbeeld van juist die leugen kan worden beschouwd. Een serieuzere en forse kritiek op het neoliberalisme verwoordt Stiglitz als volgt, stellend dat ongebreideld kapitalisme uit de tijd van Reagan en Thatcher ons op weg brengt naar eenentwintigste-eeuws fascisme. Maar is dat empirisch onweerlegbaar aangetoond? Ook hier kan je bescheiden opperen dat soms in rechtse dictaturen de rol van de staat sterk is.

    Conculega’s

    De echte vijanden voor Stiglitz zijn niet zozeer Reagan en Thatcher of zelfs Trump, maar zijn vakgenoten Friedrich Hayek en ook Milton Friedman, ooit collega en concurrent bij de Universiteit van Chicago. Dit boek, De weg naar vrijheid, is ook een duidelijk antwoord op de befaamde neoliberale Bijbel, The Road to Serfdom van Hayek uit 1947. Stiglitz verzet zich met hand en tand tegen de gevaren van het neoliberale denken. Daarentegen koketteerde Thatcher met Hayek door in haar kabinet te voorspellen dat controle van de regering over de economie zou leiden tot tirannie. Friedman is beroemd geworden met zijn stelling dat als een federale regering de baas zou zijn van de Sahara daar binnen vijf jaar een tekort aan zand zou zijn ontstaan (….).

    De animositeit van Stiglitz tegen beide economen gaat diep. Hij beschuldigt hen van het aanhangen van een ‘fundamentalistische religie’. Daarbij een ‘bekeringsdrang via media en hoger onderwijs’. En hij ontziet hen niet door te stellen dat de ‘kennis van Friedman en Hayek over de aard van de economie en de relatie tussen economie en samenleving ernstige gebreken vertoont’. De verschillen in inzicht gaan overigens dieper dan alleen over de economie. ‘Friedman en Hayek hebben, net als veel andere conservatieven, een onwankelbaar naargeestige kijk op de menselijke aard’. Met als uitsmijter dat ‘hun extreme kijk op individuele zelfzucht misschien wel voorkomt uit diepe introspectie’. Pats, die zit, in bokstermen.

    Hoe dan wel?

    De vraag is hoe geloofwaardig Stiglitz’ alternatief is. Voor hem is allereerst helder dat er geen toekomst is voor het neoliberalisme. ‘Het neoliberalisme houdt zichzelf niet in stand. Het doet zichzelf teniet. Het heeft onze samenleving en de mensen daarin misvormd. De materialistische, extreme zelfzucht die het heeft gekweekt, heeft de democratie, de sociale cohesie en het vertrouwen ondermijnd, en daardoor zelfs het functioneren van de economie verzwakt’. Nou, die zit ook, en je zou denken dat als we maar voldoende geduld opbrengen, het neoliberalisme door zijn hoeven zakt en het wenkend perspectief van het progressieve, sociaaldemocratische kapitalisme de overhand krijgt. De argumenten maar vooral ook de instrumenten die Stiglitz daartoe aanreikt overtuigen niet direct. Hij noemt vrij onderwijs, wetten en regels om concentratie van economische macht te voorkomen, het bestrijden van angst en propaganda, het bestrijden van economische tweedeling, het tegengaan van (extreem) nationalisme, het onderstrepen van democratische waarden, inclusief een werkelijk vrije (en geen monopolie-) pers, het goed regelen van verantwoording, burgerparticipatie en een herwaardering van de rol van de overheid. Geen onzinnige reeks en deels wel een bruikbaar keuzemenu, maar verre van een direct en makkelijk toepasbaar concreet pakket op weg naar dat progressieve kapitalisme. Daar zijn politieke keuzes en is politieke strijd voor noodzakelijk, en zijn ‘succesvolle’ verkiezingen en goede regeerprestaties daarna van sociaaldemocratische en vergelijkbare regeringen een essentiële voorwaarde. Stiglitz’ alternatief voor het neoliberalisme, hoe moreel en retorisch krachtig ook, blijft abstract en weinig uitgewerkt.

    Terugblik

    Stiglitz gaat met reuzenstappen door de recente geschiedenis vanaf Adam Smith in de late 18e eeuw tot de huidige neoliberale dominantie op wereldschaal. Hij geeft ook een eindeloze reeks voorbeelden hoe burgers vaak in hun rol als consument dom worden gehouden en gemanipuleerd door financiële belangen bij bedrijven zoals verzekeringsmaatschappijen, banken en soms zelfs overheden. En dat niet alleen in de VS en in Europa want de ‘Washington consensus’ van kapitaalmarkt- en financiële marktliberalisering bij de grote internationale financiële instellingen zoals IMF en Wereldbank liet, aldus Stiglitz met name in Afrika en Latijns-Amerika zijn verwoestende sporen na. Geen groei, maar toename van ongelijkheid. En volgens hem was dat ook  het geval in het voormalige Oost-Europa na de val van de Muur: de-industrialisering en een machtsmonopolie door oligarchen.

    Vintage Stiglitz. Met fikse uitspraken een vernietigend oordeel vellen over het wanbeleid, in zijn ogen, bij groepen landen. Nu is daarvan best veel waar, maar zijn Jeltsin, Poetin en de oligarchen nu het gevolg van de Washington consensus? Of van het neoliberalisme?

    Wolven en schapen

    De Britse krant The Guardian oordeelt over Stiglitz’ boek: too little, too late. Te weinig overtuigende en dwingende bewijzen en beleidsadviezen om een werkelijk egalitaire, eerlijke samenleving dichterbij te brengen, en te laat om een klimaatramp af te wenden. Dit onderwerp stipt Stiglitz wel aan, maar hij graaft hier niet diep. Hetzelfde geldt voor actuele kwesties in de wereldhandel en de ongelijk verdeelde beschikbaarheid van grondstoffen. Het boek is vooral een gepassioneerde afrekening, na decennia van intellectuele en professionele vete, met Hayek en Friedman en hun naoorlogse gezelschap, de Mont Pélerin Society, dat hen verbond en inspireerde. Het ongeclausuleerde geloof in vrije markten en vrijheid als panacee voor alle kwaden en als garantie voor een goede samenleving bestrijdt hij met veel argumenten maar vooral ook wel met heel erg veel woorden. Dan deed Isaiah Berlin het ooit wat korter met zijn fraaie citaat dat vrijheid voor de wolven vaak dood voor de schapen betekende. Of een eigen voorbeeld van Stiglitz: het verkeerslicht. Beperkt vrijheid maar als het er niet zou zijn was de onvrijheid vele malen groter.

    Wat is het alternatief?

    Maar goed, de intentie van dit boek is nobel; een betere wereld, en vooral een rechtvaardigere en eerlijkere wereld voor iedereen. Dat zal dan gaan middels een kluts van progressief kapitalisme en ‘een 21e-eeuwse versie van sociaaldemocratie of van de Scandinavische welvaartsstaat’. Bij het vormgeven van dat alternatief is Stiglitz niet op zijn sterkst. Misschien niet zo verwonderlijk omdat voor bijna elke Amerikaan, ook van progressieve snit, het woord socialisme bijna gelijk staat aan communisme De derde weg tussen kapitalisme en socialisme (Clinton, Blair) was al heel bijzonder en vooruitstrevend. En over Scandinavië is de laatste jaren wel meer te zeggen dan louter over hun status als welvaartsstaat.

    Grote kans dat Kamala Harris in haar campagne vorig jaar op zijn minst een samenvatting van dit boek heeft gelezen. Ze deed een verdienstelijke poging het woord vrijheid dat door de rechts en de Republikeinen was gekaapt, terug te winnen. De diefstal van vrijheid door rechts moet door links worden ontmaskerd en ongedaan gemaakt. In deze traditie van grote woorden en fraaie retorica past het boek van Stiglitz zeer goed. En er staan beslist behartenswaardige noties in het boek zoals het belang van het koesteren van menselijk kapitaal als je spreekt over progressief kapitalisme of de verbreding van het Bruto Nationaal Product met welzijn en geluk. Of het boek dit najaar in de binnenzak past van Frans Timmermans en Rob Jetten is sterk de vraag. Daarvoor is het niet alleen te dik maar ook net wat te veel een Amerikaanse Bijbel, maar dan wél een van de betere soort dan die van de behoudende christenen die in de VS het debat lijken te overheersen.

     

     

     

     

  • Proulx duikt in veen en kwalijke dampen

    Proulx duikt in veen en kwalijke dampen

    Voor de Pullitzer prijswinnaar Annie Proulx (1935) is de tijd rijp om een activistische boodschap te laten horen met haar bundel essays Veen, dras, moeras. Het onderschatte belang van veengebieden voor onze planeet. Waar ze hiervoor in het veelomvattende Schorshuiden al had geschreven over ontbossing, gaat het nu voornamelijk over het verdwijnen van de moerasgebieden en de grote ecologische gevolgen daarvan. Ze had naar eigen zeggen altijd al iets met geschiedenis, en deze keer duikt ze diep onder in de materie van vennetjes, turf en kwalijke dampen. Ze doet dit met groot enthousiasme, maar lijkt af en toe even de draad kwijt te raken.

    In coronatijd besloot Proulx de boeken in te duiken, dit resulteerde in haar ‘uitwaaierende gedachten’ over hoogveen, laagveen en broekland. De bundel gaat over het ecologische en cultuurhistorische belang van de moeras- en drasgebieden. Daarbij maakt ze uitstapjes naar het mesolithicum, de Amazone, Doggerland, iconische veenlijken en het Teutoburgerwoud. Telkens keert zij terug op een basaal thema: de mens is goed in het vernietigen van natuur maar minder goed in herstellen. ‘Veenvorming is een proces van duizenden jaren, het wegsteken van veen een kwestie van weken of hooguit jaren.’ Proulx onderstreept hierbij het belang van het veen voor de soortenrijkdom en de opslag van co2. Het draineren van het veen laat die broeikasgassen weer los in de atmosfeer. In de plaats van het veen komt vaak landbouw, wat leidt tot het uitsterven van diersoorten en de verschraling van het ecosysteem. Het veen verwerkt dode plantenresten en is zo een bron van voedsel en grondstoffen voor de omliggende flora en fauna.

    Draslandvocabularium

    Proulx weet te enthousiasmeren voor haar onderwerp. Ze gaat niet alleen in op de ecologische kant van het verhaal maar gaat ook in samenspraak met de bronnen op zoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het moeras. Vaak haalt ze particuliere dagboeken aan, literaire passages uit het werk van uiteenlopende schrijvers en historische verslagen om bijvoorbeeld het verschil met de hedendaagse tijd aan te duiden. Een van de grootste verschillen is wel hoe schrikbarend snel sommige van deze gebieden verdwijnen. Zoals in Engeland, waar als resultaat van de grote ontwateringsprojecten nog maar één procent over is van de veengebieden. Saillant detail is wat Proulx daaraan toevoegt: ‘analoog daaraan sijpelde ook de taal en de kennis van de venen weg.’ Als een rode draad loopt de impact van de mens door al deze gebieden. Het is duidelijk aan Proulxs thema’s te merken dat deze veranderingen haar aan het hart gaan.

    Zo trekt Proulx van de Engelse laagvenen naar de historische Noord-Europese hoogvenen met vele antropologische en historische uitstapjes. Wat hierbij opvalt is dat haar interesse enorm breed is. Met de poten in de klei banjert Proulx gestaag door, zich bedienend van het ‘draslandvocabularium’, iets wat voor een leek geen sinecure is zoals ze zelf toegeeft. ‘Veen is geen eenvoudige materie.’ Zo komen woorden als oligotroof voorbij, regenwater is oligotroof, dat wil zeggen arm aan voedingsstoffen. Ze raakt aan antropologie als ze het over het idool van Sjigir heeft, of het geluid van de lure, een blaasinstrument uit de bronstijd. Dit alles om inzichtelijk te maken hoe de veenbewoners door de eeuwen heen geleefd moeten hebben. En zo leren we over veenmos, duizenden jaren oude veenboter en wat er verder zoal boven komt drijven.

    Herinnering aan haar eerste avontuur

    Dat de draslanden bedreigd worden is zeker. Deze gebieden werden over vele duizenden jaren gevormd maar verdwijnen nu zo snel dat de gevolgen ervan moeilijk zijn te overzien. Het huidige natuurbeleid lijkt minder respect voor de natuur te hebben, getuige bijvoorbeeld de houtkap in de Amazone. Proulx schrijft dat draslanden als een soort buffer kunnen werken om de schokken van ecologische veranderingen op te nemen. Maar de natuurlijke wereld verandert simpelweg te langzaam voor de mens om op te merken. ‘Eeuwen en millennia zijn de uren en dagen van een hoogveen.’ Proulx schrijft over onze voorouders dat ‘hun herinneringen de emotionele trossen waren die hen verbonden met de voorouderlijke geografie.’ Zoals ook natuurvorser Henry David Thoreau een grote voorliefde had voor de ruige achtertuin van het broekland volgens Proulx. Dit zou je in de context van haar romans kunnen zien die vaak sterk verbonden zijn met een bepaalde plek en soms meerdere generaties overspannen. Zo is dit boek ook het resultaat van het goed kijken naar haar directe omgeving.

    Zo bezien staat Proulx in een zekere traditie van natuurschrijvers, als een soort hedendaagse Thoreau, die trachtten om de overvloed van de natuurlijke wereld in woorden te vatten en zo hopelijk veilig te stellen voor komende generaties. Ze is daarbij vrij activistisch en schrijft over ‘ecologische rouw’ en ‘klimaatdepressie’, en het dubbele gevoel dat ze tegenwoordig heeft bij het genieten van de natuur. Ze maakt hierbij gebruik van de metafoor van het web van het leven, een inzicht dat gedeeltelijk ook teruggaat op de Duitse naturist Alexander von Humboldt. Bij Proulx begon het allemaal bij de herinnering aan haar eerste avontuur als kind in het veen, waarbij ze bijna terechtkwam in het zigzagvormige web van een moerasspin. Door de sporen van het verleden te volgen helpt ze vorm te geven aan het verhaal van het veen. Deze sporen leiden haar naar de ‘oneindige complexiteit van de natuurlijke wereld.’ En vlak daarachter naar de mens die deze natuurlijke wereld plundert en ontregelt.

    Griezelige schoonheid

    Draslanden hebben een sleutelrol in het ecosysteem. Leven met het water is zoals veel dingen in de natuur een kwestie van geven en nemen. Zoals de mangrovebossen die een gedeelte van de tijd nat moeten zijn en voor de rest droog. Het herstellen van natuurgebieden is ook een ingewikkelde onderneming, zoals Proulx laat zien. Toch is haar tocht wel een bochtige. Hij weerspiegelt de aard van haar persoonlijke interesse, en de geschiedenis van het behoud of de vernietiging van deze gebieden. Zo overtuigt Proulx als het op het belang van de draslanden aankomt, maar blijven we achter met de vraag of het inmiddels niet al te laat is voor behoud en herstel. De opsomming van bedreigde broeklanden en natuurgebieden op het eind van het boek waarvan sommige tot de verbeelding spreken met namen als ‘Limberlost’ en de ‘Dismal swamp’, biedt een somber vooruitzicht. Rentmeesterschap van deze waardevolle gebieden lijkt in de meeste gevallen ver te zoeken. Het besef van de ‘broze aarde’, zoals Antjie Krog het noemt, moet eerst op aanhoudende wijze doordringen.

    De frisse duik in het veen levert een belangwekkend beeld op van deze liminale overgangszones. ‘Wanneer we er voor het eerst voet zetten, bekruipt ons het unheimische gevoel dat we ons bevinden in een vreemde overgangszone tussen het leven en dat wat vergaat en wegrot.’ Net als de rivier van Heraclitus is ook het veenland geen twee keer hetzelfde. Het gebied is enorm divers, en Proulx beslaat op deze pagina’s dan ook maar een stukje. Een probleem hierbij is wel dat haar bronnen vaak verouderd zijn en dat er geen of weinig contact is met het wetenschappelijke veld. Het rommelige karakter van het boek resulteert in meer een bloemlezing van aanverwante feitjes of een pamflet over veengebieden dan een echte studie. De passie en liefde voor het onderwerp zijn wel duidelijk aanwezig. Proulx haalt op enerverende wijze de nodige curiosa op ‘van zeldzaam vreemde zaken en griezelige schoonheid’. Omdat ze er zoveel dingen bijhaalt en af en toe afdwaalt blijft het gelukkig geen lesje biologie maar is het een levend document van haar betrokkenheid.

     

     

  • Oogst week 49 – 2022

    Veen, dras, moeras

    Voorin in het boek Veen, dras, moeras heeft Annie Proulx de volgende opdracht opgenomen:

    ‘Dit bescheiden boek is opgedragen aan de inwoners van Ecuador, die ervoor zorgden dat hun land als eerste ter wereld rechten voor natuurlijke ecosystemen in de grond- wet heeft opgenomen. De recente rechterlijke uitspraak dat Los Cedros, het nevelwoud in de Andes, tegen de mijnbouwbedrijven moet worden beschermd, betekent een mijlpaal voor de wereld.’

    De urgentie van dit boek (oorspronkelijke titel Fen, Bog & Swamp) blijkt mogelijk uit het snelle verschijnen van de Nederlandse vertaling; beiden titels verschenen in 2022.
    In Veen, dras, moeras documenteert Proulx de lang onbegrepen rol van de belangrijkste veengebieden bij het redden van de planeet. Veen, drassen, moerassen en mariene estuaria zijn blijkbaar de meest wenselijke en betrouwbare hulpbronnen van de aarde. Proulx beschrijft de geschiedenis en toont de vennen van het 16e-eeuwse Engeland tot de laaglanden van de Hudsonbaai in Canada, het Russische Great Vasyugan Mire, het Amerikaanse Okeefenokee National Wildlife Refuge en de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers die begonnen met de vernietiging van het Amazoneregenwoud.
    The Guardian noemde Veen, dras, moeras ‘Een krachtige aanklacht in prachtig proza tegen onze medeplichtigheid aan de vernietiging van het milieu.’

    De inmiddels 87-jarige Annie Proulx werd bij het grote publiek vooral bekend door (de verfilmingen van) Scheepsberichten en Brokeback Mountain.

    Veen, dras, moeras
    Auteur: Annie Proulx
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2022)

    Uitwissing

    Uit het postuum gevonden manuscript van Thomas Bernard (1931-1989) van zijn eerste, grotendeels autobiografische roman komt een pessimistische, eenzame verbitterde auteur naar voren. Bernard hield tijdens zijn leven de publicatie van dit boek zelf tegen.
    Zijn latere werk getuigt ook van somberte, afkeer van de medemens en van zijn walging voor zijn Oostenrijkse vaderland. Hij werd er tegen wil en dank een succesvoll auteur, hoewel hij kort voor zijn dood nog enorme ophef veroorzaakte. In een toneelstuk beweerde hij o.a. dat Oostenrijk sinds de Tweede Wereldoorlog nog niet veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. 

    In Uitwissing, zijn laatste grote prozawerk, staat de vraag centraal of een mens in staat is zich te ontdoen van datgene waar hij zich door zijn afkomst mee belast weet. Deze roman verscheen in 1986, onder de titel Auslöschung. Ein Zerfall, drie jaar voor zijn dood.
    De hoofdpersoon uit Uitwissing worstelt met een ‘Herkunftskomplex’ en wil kost wat kost afstand doen van en afrekenen met zijn achtergrond. In Uitwissing zegt hij:
    ‘Het enige dat ik al definitief in mijn hoofd heb, […] is de titel Uitwissing, want mijn verslag is er alleen maar voor bedoeld om wat erin beschreven wordt uit te wissen, alles uit te wissen wat ik onder Wolfsegg versta, en alles wat Wolfsegg is, alles, […] inderdaad werkelijk alles.’

    Wolfsegg was het landgoed van de schatrijke familie van de hoofdpersoon in Opper-Oostenrijk.

    Uitwissing
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer (2022)

    Bob

    Vorige maand is bij uitgeverij Querido de vertaling verschenen van Bob en ik van de succesvolle Deense schrijfster Helle Helle (1965).
    In alle stukken die over Helle verschijnen staat iets over de manier waarop zij het gewone van alledag behandelt en beschrijft.
    Ook hier op Literair Nederland. In 2015 bijvoorbeeld in een recensie over Als je wilt schrijft Huub Bartman: ‘Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama.’

    In Bob en ik komen we alleen te weten over Bob, over de ik krijgt de lezer niet anders te horen dan via Bob. Het stel is net verhuisd, Bob wil wel studeren maar weet niet wat. Wat hij wel weet is dat hij samen wil blijven met de ik en mogelijk ooit ook een gezin met haar wil stichten.

    In 2012 verscheen hier op Literair Nederland ook een recensie over haar boek Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden, waarvoor ze de De Gyldne Laurbær ontving. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Deense Boekhandelaren.

    Bob
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2022)
  • Oogst week 9 – 2022

    Visjes – Een avontuur op Salina

    Hoe sociale media onze culturele vorming ook domineren, televisie blijft een effectieve springplank naar nationale bekendheid. Joost Oomen genoot weliswaar al aanzien vanwege zijn dichtbundels Vliegenierswonden (2011) en De stort (2013), maar De Slimste Mens maakte hem vorig jaar prompt een BN’er. In 2010-11 was hij huisdichter aan de Rijksuniversiteit Groningen, drie jaar later stadsdichter van de studentenstad. Momenteel verzorgt hij bovendien columns voor het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant. Ook zijn debuutroman Het Perenlied werd goed ontvangen en De Volkskrant betitelde hem als literair talent van 2021. Visjes – Een avontuur op Salina is zijn nieuwste bundel.

    Salina is een eiland boven Sicilië, met rechts uitzicht op de Etna- en links op de Stromboli-vulkaan. Maar net als in de rest van Italië is er nu niemand om dit natuurschoon te aanschouwen: de coronacrisis houdt de toeristen op afstand. Oomen wil het toerisme een boost(er) geven door te experimenteren met het poëziegevoel van vissen. Want, redeneert hij, voor vissen die reageren op gedichten, nemen reizigers vast wel twee weken quarantaine voor lief. Met foto’s van Mirka Farabegoli en José Witteveen geeft Visjes een indruk van het leven op Salina. En Oomen? Die voert de vissen met versjes.

    Visjes - Een avontuur op Salina
    Auteur: Joost Oomen
    Uitgeverij: Querido

    Van de kansel

    Ook schrijvers sterven soms te vroeg. Grofweg dringen zich de namen op van Hafid Bouazza, Joost Zwagerman, Naima el Bezaz en – langer geleden – Jacques Perk, het prototype van de jonggestorven dichter. Over jonggestorven auteurs uit de Veenkoloniën hoor je weinig, maar van hen is Nanne Tepper wel de opvallendste en – mogelijk – de begaafdste. Hoewel zijn romans De eeuwige jachtvelden en De vaders van de gedachte alom gewaardeerd werden, bleef het ultieme meesterwerk uit. Tepper stierf in 2012 op vijftigjarige leeftijd. Tien jaar nadien compileren Louis van Kelckhoven en Herman Sandman alle 37 columns die Tepper voor het Nieuwsblad van het Noorden schreef: Van de kansel.

    Waarom zijn columns in Nederland zo populair? De titel Van de kansel suggereert dat wij een volk vol dominees zijn. Columns stillen onze behoefte naar veroordeling. Als braafste jongetje van de klas alles en iedereen de maat nemend, liefst de personen en instanties met macht en aanzien. Zo maakt Tepper gehakt van de zelfgenoegzame kunstwereld met vlijmscherpe pen, zelfspot en polemiek. Vooral de dikdoenerij rondom het Boekenbal in Amsterdam pakt hij aan. Niet toevallig was de Groninger een penvriend van Geerten Meijsing, die in De Grachtengordel het literaire circuit van Nederland ook al eens bekritiseerde.

    Van de kansel
    Auteur: Nanne Tepper
    Uitgeverij: Kleine Uil

    Ongelijkheid en ons stemgedrag – een studie naar vijftig democratieën van 1948 tot 2020

    Thomas Piketty, beroemd vanwege zijn manifest Kapitaal in de 21ste eeuw, beweerde onlangs dat ongelijkheid een politieke keuze is. De Franse econoom bundelt nu zijn krachten met Amory Gethin en Clara Martínez-Toledano, respectievelijk promovendus en professor in de Economie, om deze uitspraak hard te maken. In Ongelijkheid en ons stemgedrag passeren vijftig verschillende democratieën van 1948 tot 2020 de revue, waarin gelijk stemrecht tot economische ongelijkheid leidde. Feitelijk benadert het drietal stemgedrag intersectioneel: het wordt namelijk gekoppeld aan inkomen, opleidingsniveau, vermogen, beroep, religie, etniciteit, leeftijd en sekse. Alleen seksuele voorkeur ontbreekt.

    In De kloof laat Sander Schimmelpenninck zien dat Piketty’s nieuwste boek ook in ons land aandacht verdient. Als adept van Marx bond Piketty in 2021 de strijd aan met het kapitalisme door Leve het socialisme! te schrijven. Het is dan ook geen verrassing dat Piketty ‘zakelijk rechts’ als grootste boosdoener ziet in Ongelijkheid en ons stemgedrag. Deze stroming wordt gedomineerd door vermogenden als Trump en Bolsonaro, maar ook door partijen die vooral de financiële dimensie van allerlei vraagstukken van belang achten, zoals de VVD in Nederland. ‘Toute nation a le gouvernement qu’elle mérite’, luidt het Franse gezegde. Wat verdienen wij?

    Ongelijkheid en ons stemgedrag - een studie naar vijftig democratieën van 1948 tot 2020
    Auteur: Amory Gethin, Clara Martínez-Toledano, Thomas Piketty
    Uitgeverij: De Geus