• In memoriam A.L. Snijders 1937 – 2021

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Cornelis Müller, werd in 1937 geboren in Amsterdam. In 1971 trok hij met zijn vrouw Yvonne Sweering, waarmee hij 52 jaar samen was, en vijf jonge kinderen naar een boerderij in Klein Dochteren waar hij het boerenleven omarmde. Eenmaal daar begon hij brieven te schrijven naar vrienden en familie in het land. Vanaf de jaren tachtig schreef hij columns voor verschillende kranten, waaronder het Parool, Deventer Dagblad, Dagblad van het Noorden en later de VPRO Gids. Vanaf 2000 begon Snijders korte stukjes te schrijven, de zogeheten zkv’s. Deze verzond hij in eerste instantie per mail naar zijn kinderen en vrienden, aan uitgeven dacht hij niet. Hij ging er ook wel prat op dat hij lange tijd de enige schrijver was die niet werd uitgegeven. Toen ik Peter Müller in 2019 interviewde, vertelde hij een anekdote ‘die waar is’, zo hij zei.

    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit.’ 

    De columns uit kranten en de begeleidende brieven die Snijders aan de redacteur van de krant schreef, werden in de jaren negentig gebundeld door Thomas Rap en uitgegeven in vier boeken. 

    Snijders is altijd een deadlineschrijver geweest, op verzoek van Ineke Swanenveld, sinds 2019 zijn vrouw, kwam daar verandering in. Zo lukte het Snijders om niet op zaterdagavond pas een punt achter zijn radiocolumn voor de zondagochtend te zetten, maar het stukje vaak op vrijdagmiddag al te schrijven. Of deze verandering in werkwijze in de toon en aard van zijn zkv’s te onderscheiden is, zou een onderzoek waard zijn. Ooit was zijn beeld van een ideale zkv, een verzonnen verhaal zo te schrijven, ‘dat niemand er bij stilstaat of het werkelijkheid is of niet’.

     Mijn eerste herinnering aan het bestaan van columnist A.L. Snijders gaat terug naar begin jaren tachtig, tijdens een literaire middag in de schouwburg van Apeldoorn, Orpheus. Ik was er met een oudere vriendin die daar zou voorlezen. Snijders naam klonk in de wandelgangen, daar was iets mee, eigenzinnige onbegrijpelijkheid klonk er. Ik herinner me vooral de lange benen, de uitbundige gezichtsbeharing en toegeknepen ogen, alsof er een vlieg uit geweerd moest worden. We waren te laat om hem te horen voorlezen, er was iets ongekends aan mij voorbij gegaan.
    Er is geen schrijver die zo onbegrijpelijk kon schrijven als A.L. Snijders, maar ook zo aanwezig was in elk zkv dat hij schreef dat hij op den duur een open boek was voor wie er oog voor had. Onbegrijpelijk schrijven was een uitdaging voor Snijders. In een interview vertelde hij dat hij nog verder probeerde te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker wilde schrijven. Al was het niet de bedoeling helemaal onbegrijpelijk te schrijven: ‘Als er in een stukje maar één dingetje raar is, dan is het een zkv, die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’

    Snijders schreef een kleine drieduizend zkv’s waarvan er in 2006 door AFdH uitgevers de eerste 336 werden gebundeld met de titel, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er zouden er nog elf volgen, waarvan de laatste, Tat Tvam Asi in april van dit jaar verscheen.

    Al had Snijders de frequentie van zijn zkv’s de laatste tijd wat geminderd om meer tijd met zijn vrouw door te kunnen brengen, was stoppen met schrijven geen optie. Zelfs als hij niet meer zou worden uitgegeven zou hij blijven schrijven. En dat deed hij, tot vorige week maandag, 7 juni, toen werd hij door een hartstilstand getroffen. Hij werd gevonden in zijn werkkamer waar hij aan een nieuw zkv werkte, voorover liggend op zijn toetsenbord. Toen het bericht van zijn dood wereldkundig werd gemaakt, ging er een schok door de liefhebbers van zijn zkv’s en de vele abonnees van de zogenaamde Graslijst die elke zondagochtend, na het voorlezen van een nieuw zkv, om 8.45 uur op radio 4, diezelfde zkv in hun mailbox vonden. 

    Zondagmorgen, 13 juni verzond AFdH uitgevers dit zkv in wording naar de abonnees van de Graslijst. Een stukje tekst waarvan zomaar gezegd kan worden dat het een puntgaaf zkv is. Want, zoals Snijders zei, als er maar één dingetje raar in zit, is het een zkv.

    Rotspunt
    ‘In de boekenweek ben ik op bezoek geweest in Zutphen t/m Nijmegen.

    Ik las voor in een boekhandel. Na afloop kwam er een oude man op me af die verklaarde dat ik niet bestond. Ik vroeg hem wie ik dan was. Dat kon hij me niet vertellen, dat was zijn zaak niet. Ik vroeg hem wat zijn zaak dan was, maar daar had hij geen antwoord op. Ik vertelde hem dat er in de Middellandse Zee (de zee van Homerus) een rotspunt naar mij vernoemd is, Cape Snijders.’ 

     

     

    Bron: Meer dan een bibliografie, A.L. Snijders / Marius Zeven
    Foto: Paul van Puffelen (2021)

     

  • Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Er zullen genoeg lezers zijn die zich hebben voorgenomen om tijdens een sabbatical of na hun pensionering alle zeven delen van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust te gaan lezen. Maar de meesten stoppen al na het eerste boek, De kant van Swann, zodra de schrijver de madeleine genuttigd heeft dat zijn geheugen activeert en hem in staat stelt zijn herinneringen op te roepen aan het dorpje Combray waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hanneke van Schooten wekt in haar derde bundel de indruk dat zij een van de weinigen is die Proust tot en met het laatste deel gelezen heeft. Haar bewondering voor de schrijver heeft deze bundel tot een eerbetoon aan Proust gemaakt, wat niet alleen in de gedichten tot uitdrukking komt, maar ook in de zeer verzorgde uitgave van deze bundel, waarin diverse portretten van Proust en voorbeelden van zijn handschrift zijn opgenomen.

    Geheugenhulp

    De titel van de bundel doet onmiddellijk denken aan het ‘geheugenpaleis’, een mnemotechniek die leert dat je de dingen beter kunt onthouden als je ze een plek geeft op een denkbeeldige route door een denkbeeldig huis. De naam is ontleend aan het verhaal over Simonides van Keos, een lierdichter uit het antieke Athene, die na de instorting van een paleis de doden kon identificeren doordat hij zich herinnerde waar ze aan tafel hadden gezeten. Van Schooten laat het bij Proust iets anders werken: al zijn herinneringen liggen al opgeslagen in zijn geheugen en moeten door toevallige voorwerpen opgeroepen worden. Anders dan bij het geheugenpaleis heeft Proust hier geen zeggenschap over, al laat Van Schooten hem met taal en woorden proberen greep te krijgen op zijn herinneringen:

    Geheugenkathedraal

    Hoe verwoed hij woorden zoekt,
    zijn zinnen kiest, met precisie inbedt
    en ordent naar een vaste wet.

    Tot in het sterfbed toe een jacht
    ─ wild vloekend of in kille berekening ─
    naar de ondraaglijke vracht  herinneringen
    van tijd, van vorm en van verhaal.
    Een universum: zijn geheugenkathedraal.

    Meester in manipulatie.
    Duivelskunstenaar met taal.
    Spraak en adem
    zijn levenslange kwaal.

    De twee laatste versregels duiden op het feit dat Proust zijn hele leven aan astma leed; hij stierf aan een longontsteking. 

    Geheim der dingen

    De zeven afdelingen van deze bundel bevatten allemaal gedichten met eenzelfde thema: de wens om via herinneringen achter ‘het geheim van dingen te komen’. De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, beginnend met Proust als kind en eindigend bij zijn dood:

    Ziener

    Dingen hebben hun geheim,
    als kind al wist hij dat,
    stelde later verbijsterd vast
    dat hij als ziener aangewezen was
    om orde te scheppen
    in de scherven, de chaos,
    de mieren van zijn brein
    om het raadsel op te lossen.

    Treffende beelden

    In de vijfde afdeling, De zaklantaarn van het geheugen, weet Van Schooten met een prachtig beeld weer te geven hoe het geheugen werkt: Proust ziet zijn geliefde dorp Combray, ‘in  gedachten nooit als één geheel / maar eerder in fragmenten / zoals een zaklantaarn accenten / op laat lichten van een groot gebouw in de ronde / focus van zijn schijnsel opgedeeld / hier en daar een helder beeld / uitgesneden tegen een donkere achtergrond.’

    De gedichten zijn rustig en eenvoudig van taal, maar met treffende beelden. Het zijn weloverwogen, uitgebalanceerde gedichten. Sommige hebben eindrijm, maar dat dringt zich nooit aan de lezer op, maar is er als het ware terloops in terechtgekomen. Ze maakt daarentegen ruim gebruik van begin- en klinkerrijm. Van Schooten heeft zich goed in Proust weten in te leven en kijkt door zijn ogen naar de wereld om hem heen; ze laat hem echter niet zelf aan het woord.

    Ze beschrijft hoe Prousts zoektocht naar het verleden gelijk oploopt met de ontwikkeling van zijn schrijverschap: naarmate hij dichterbij de uiteindelijke ordening van zijn geheugen komt, vindt hij een eigen stijl om zijn ‘paleizen van taal’ te bouwen, als tegenhanger van de geheugenpaleizen. De herinneringen die steeds sterker bovenkomen, getriggerd als ze worden door landschappen, huizen en torenspitsen, lopen parallel met de mate waarin Proust zijn eigen literaire stem vindt en komen samen in het laatste deel van zijn romancyclus, De verloren tijd hervonden. Ook geuren en smaken zijn sterke prikkels: zo wijdt Van Schooten twee gedichten aan het beroemde moment waarop Proust een madeleine in zijn kopje vlierbloesemthee doopt, waardoor herinneringen aan zijn jeugd weer bovenkomen. 

    Vanaf dat moment begint hij te schrijven, zielsgelukkig, omdat hij beseft dat hij zijn herinneringen kan omzetten in taal: ‘Hij wist ineens hoe en waarom / hij dode zielen bevrijden kon.’ Niet de voorwerpen, maar de taal wordt voor hem de behoeder van het verleden. Door de taal heeft hij de tijd hervonden. 

    Zingen van de dingen

    In het laatste gedicht vertelt Van Schooten dat hij de dingen zingen liet, maar dat ook zijn eigen stem nog steeds te horen is:

    Visioen

    (…)

    Nu hij zwijgt,
    dood hem heeft ingelijfd,
    ligt hij rustig ingebed voor altijd
    in zijn hervonden tijd.

    Nu klinkt zijn stem
    van elke bladzij die hij schreef
    en zingen zijn woorden voor hem.

    In De klokkenluider van de Notre Dame van Victor Hugo uit 1831 komt een geleerde voor die in zijn studeerkamer kijkt naar het eerste gedrukte boek kijkt; gedrukt in plaats van met de hand geschreven, iets wat in zijn ogen het begin vormt van de vernietiging van andere manieren van vereeuwiging. Hij doet vervolgens het raam open en kijkt naar de enorme kathedraal. ‘Dit hier zal dat daar doden’, zegt hij: het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen. In het geval van Proust is het omgekeerd: daar hebben de boekdrukkunst en de bundel van Hanneke van Schooten ervoor gezorgd dat Prousts geheugenkathedraal vereeuwigd is. 

     

     

  • Verhalen verzinnen

    Verhalen verzinnen

    In het noorden lijkt alles kouder, stugger, grijzer. Het land van Domela Nieuwenhuis en Troelstra. Mijn grootvader was een sociaal-anarchist, die, toen hij eenmaal bij ons inwoonde omdat niemand hem wilde hebben, me elke zaterdag een gulden in de hand drukte. Me aansprak met ‘wicht’ en zei: ‘Niks zeggen’, terwijl hij loeihard mijn hand dichtkneep. En weg moest ik. Dat was Groningse humor, begreep ik later. Spannend was het wel, zo’n man die enkel sprak als hij het ergens niet mee eens was, zijn zachtgekookte eitje te lang gekookt had. Hij was directeur geweest bij de Gasfabriek, in de oorlog saboteerde hij Duitse acties. Maar daar had hij het nooit over. Ik lees over zulke stugge mannen in Canisius, een novelle van zompige modder, tochtige verblijven, armoede, alcohol en pakken wat je pakken kunt. Ellende is een prikkel om te gaan fantaseren, ‘iemand die niets is wil iemand worden’, (parafraseer ik Wim Brands). Dat is geen liegen, dat is iets van je leven maken, omdat dat leven niets voor je in petto had, verzin je een leven. 

    Het verhaal gaat over Petrus, geboren na een verkrachting, een bastaard, simpel van geest. Door noodlottige omstandigheden in de eerste oorlogsdagen, trekt hij te voet van noord naar zuid Nederland. Hij komt in een haven te werken, waar de jongens hem willen hem testen door hem in elkaar te slaan. Als verweer roept Petrus dat als ze hem iets doen zijn oom, baas van de pooiers in Groningen, ze zou weten te vinden. ‘Hij ratelde een absurd verhaal af over Groningse pooiers die op paarden het noorden doorkruisten en die de rijken bestalen om het geld te verdelen onder de hoeren. … het werkte… En zo ontdekte Petrus zijn grootste talent: het verzinnen van verhalen.’ Zijn verhalen vormen zijn leven, brengen hem naar de verkeerde kant van de geschiedenis. Hij komt in Duitsland, wordt opgeroepen voor de Wehrmacht. En hij gaat naar het oosten om de Russen tegen te houden. Hij ziet enkel wat hem wordt opgelegd, nooit het grote geheel. Na de oorlog voelt hij wroeging, schuld over de wereld waarin hij zich heeft laten opnemen.

    Deze Petrus is een oom van de schrijver die eind jaren negentig spoorloos verdween in Antwerpen. Het laatste wat hij van hem te weten kwam was uit een Vlaams tijdschriftartikel. Dat hij dompteur was geweest in het Russisch staatscircus, daar een arm verloren had. Aan de andere kant waren er de gegevens dat hij een collaborateur was. De schrijver had zijn oom wel eens ontmoet, omschrijft hem als een ‘zachtmoedige dwaas’ met een witte baard. ‘Hij was een sterk verhaal in levende lijve, en als hij zijn leven verzon, waarom zou ik dat dan niet mogen, dus ik was vastbesloten zijn verhaal te herschrijven.’ En dat deed hij, het is een geweldig verhaal geworden van een jongen die zich verstoten voelt, een man die geen keuzes maakt. God wat een tijden, wat een rauw verhaal, uit het noorden, met compassie geschreven.

     

     

    Canisius / Lammert Voos / 142 pag. / Uitgeverij AFdH (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

  • Oogst week 29 – 2020

    Suikerbastaard

    Jaap Frederik Scholten (1963) is een echte romancier en woont sinds 2003 in Hongarije waarover hij jarenlang columns schreef voor het NRC. In 2011 won hij de Libris Geschiedenis Prijs voor Kameraad Baron, een verslag van de gevolgen van het communisme voor de Hongaarse aristocratie in Transsylvanië. In 2014 verscheen Horizon City en dit jaar zijn meest omvangrijke roman Suikerbastaard.

    Hoofdpersoon Frederik vertrekt met zijn jeugdliefde Mila naar Ethiopië om het verleden van zijn grootvader te achterhalen en Mila gaat op zoek naar haar vader, die voor Frederiks grootvader in Ethiopië werkte en nooit terugkwam naar Nederland. Deze grootvader was leidinggevende bij een internationale machinefabriek die machines leverde om suikerfabrieken in Ethiopië te laten bouwen.

    Niet alleen Frederik en Mila vertellen een verhaal: ook hun families en de Twentse jongens die in de jaren vijftig en zestig voor drie jaar naar Ethiopië vertrokken, maken deel uit van deze grootse roman.
    Suikerbastaard is een mengeling van feit en fictie en werd uitgeven in een samenwerkingsverband tussen AFdH Uitgevers en Uitgeverij Pluim.

    Suikerbastaard
    Auteur: Jaap Scholten
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim en uitgeverij AFdH

    Houd afstand, raak me aan

    Onlangs verscheen er nog een publicatie als reactie op de coronacrisis: de Vlaamse hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse Paul Verhaeghe (1955) richt zich in Houd afstand raak me aan op het leven na deze crisis. Hij pleit voor het maken van andere keuzes op het gebied van economie, milieu, omgang met elkaar en onderzoekt welk effect dit heeft op onze mentale gezondheid.

    Paul Verhaeghe publiceerde ruim tweehonderd artikelen en verschillende boeken. Met Liefde in tijden van eenzaamheid (1998) brak hij door naar een algemeen en internationaal publiek. In zijn werk is de wisselwerking tussen de maatschappij en het individu een terugkerend thema. Houd afstand raak me aan bevat een hoopvolle boodschap: de coronacrisis biedt een kans voor verandering, het leven na de crisis kan beter worden dan het leven daarvoor.

     

    Houd afstand, raak me aan
    Auteur: Paul Verhaeghe
    Uitgeverij: Bezige Bij

    De man van nu

    Sara Berkeljon (1982) werkt bij De Volkskrant en maakt al negen jaar portretterende interviews voor Volkskrant Magazine. Het viel haar op dat ze meer mannen interviewde dan vrouwen. In De man van nu zijn twintig van haar beste interviews met mannen gebundeld. De interviews geven een beeld van hoe de ander zich door het leven slaat. Voor haar is een goed interview een portret dat door iedereen anders gelezen wordt: ze is tevreden wanneer de ene lezer de geïnterviewde sympathiek vindt en de andere lezer huivert van afschuw.

    De man van nu gaat uit van de stelling dat de man zichzelf opnieuw moet uitvinden. De interviews geven de lezer de kans om zelf een oordeel te vellen over zowel de geportretteerde personen als over mannen in het algemeen.

    De man van nu
    Auteur: Sara Berkeljon
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Romantiek

    Romantiek

    Verhuizen is wel een ding. Achttien keer trok ik van het ene naar het andere adres, bewoonde kamers, appartementen, huizen. Soms voor de duur van een jaar, een half jaar, vaker zeven of drie jaar. Tegenwoordig zegen ik mezelf in stilte, we wonen al acht jaar (acht jaar!) in hetzelfde huis. Hardop zeg ik, ‘Nee hoor, wij zitten hier goed, wij blijven hier tot het einde der dagen’. Als was ik het verhuizen moe. Toen hoorde ik over een koetshuis aan de rand van het dorp, dat te huur staat. Ik ging er wandelen, liep achterlangs, keek over de heg, liep voorlangs, keek de oprit langs. En zag mogelijkheden. Ik ken het huis, alle dagen dat ik naar de stad fiets kom ik er voorbij. Met ruimte voor aanleg van een moestuin, het houden van kippen, stond in de annonce. Het huis met koetshuis deed zich anders voor nu ik mezelf er zag rondlopen, door openslaande tuindeuren het terras betredend. De verhuur is op basis van gunning, hoofdbewoners en huurders moeten elkaar liggen. Daarvoor dient een aanbevelingsbrief geschreven, er zijn anderen die er ook willen wonen. Nu zin ik op een brief waarbij ik eventuele nadelen (niet vermogend, maar genoeg tijd voor onderhoud van erf en tuin; drie katten, goede muizenbestrijders), als voordelen wil inzetten.

    Ondertussen blader ik gretig door een lijvig boek, zwaar als een motoronderdeel, met veel foto’s, tekeningen. Zo’n boek waar ik anderen mee lastig val. Kijk, luister, wist je, zal ik je iets voorlezen? Er staan prachtige verhalen in, reisverhalen, interviews. Jan Cremer, Anna Blaman en Jan Arends worden genoemd. Een motor die het gevoel van vrijheid vertegenwoordigt in een verhaal van Sanneke van Hassel. De rode Honda van haar vriend die al jaren ongebruikt op de stoep staat. ‘Hij staat daar opdat mijn man kan wegrijden.’ Carel Helder over een man die een Moto Guzzi kocht, ermee naar de Guzzi fabriek in Italië rijdt, in zijn garage vloerverwarming laat aanleggen. Daar op lange winteravonden naar zijn motor zit te kijken.

    Ik denk aan de grote schuur belendend aan het koetshuis. Lees verder over motorclubs, reizen en de dood. Een motorrijdende vrouw verliest haar lief in het Himalayagebergte, hij schoot met zijn motor 300 meter de diepte in, dood. God, wat een leven. Ze blijft nog maanden in Tibet, besluit dan, ‘Ik zal rijden tot ik heb gevonden’. Het verhaal gaat dat samensteller Paul Abels op bezoek bij A.L. Snijders, deze zijn motor, een Moto Guzzi aanbood om er een ritje op te maken. Dat leek Snijders niet verstandig. Na de koffie wordt Abels uitgezwaaid door Snijders. Op de snelweg met een vaart van 120 km loopt de motor vast. Hij kwam er goed vanaf, het zette aan tot dit boek, Motorrrraria, waarin levens liefdes en ongelukken gebeuren.
    Klinkt nu op mooie dagen het allesdoordringende geronk van motoren die over de dijk het dorp naderen, hoor ik opeens de romantiek daarachter, heb weet van een Moto Guzzi.

     

    Motorrrraria /samenstelling Paul Abels / AFdH uitgevers (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • Een brief

    Een brief

    Vorige week zondag was Jaap Scholten op de radio. Ik lees zijn verhalen, zijn eerste boek. Mooie verhalen die goed beginnen met, ‘Het regende en het regende.’ Of ‘Vanuit de trein zag ik een schaap. Of ‘Een paar weken geleden ben ik op een avond bij Louise binnengevallen.’ Ze gaan nergens over, toch ook weer over van alles. Zoals een goede brief. Waarvan elke zin je nieuwsgierig maakt naar de volgende, wat de schrijver je wil vertellen, wat hem overkomen is.

    Op de radio vertelde Scholten over het ontstaan van zijn nieuwe roman Suikerbastaard. Hoe er vijf jaar geleden in Deventer na een lezing over Horizon City, een man naar hem toekwam. Hem vertelde dat machinefabriek Stork uit Hengelo in de jaren vijftig in Ethiopië suikerfabrieken had gebouwd. Dat daar veel bastaardkinderen rondlopen, die, zoals daar gebruikelijk, de voornaam van de vader als achternaam kregen. Zijn grootvader Frans Stork leidde de machinefabriek Stork in Hengelo, was in Ethiopië geweest. De man wist dat er drie kinderen met de achternaam Frans, waren. ‘Dat was voor mij het startpunt om dit uit te gaan zoeken en een roman te schrijven.’ 

    Eenmaal in Ethiopië bleek het zoeken naar die kinderen geen doen. Zijn onderzoek richtte zich op de suikerfabrieken, het leven van de Nederlandse jongens die daar gewerkt hebben. Daar naartoe gehaald door Keizer Haile Selassie van Ethiopië, die in 1942 Koningin Wilhelmina in Londen had ontmoet, de contacten waren gelegd. Voor de bouw van deze fabrieken werden jongens van de Storkfabriek in Hengelo geronseld. Jonge jongens, ongetrouwd. Bleven er drie jaar, hadden een eigen huisje, een motor, een zogenaamde tuinboy, vrijheid.

    Begin dit jaar was de schrijver op het festival Lutterzand Literair. Op een zaterdagmiddag gaf hij drie maal een lezing over Suikerbastaard, dat in de afrondende fase zat. Eenzelfde verhaal werd drie keer verteld. Ik was een van de gastvrouwen. Goeie verhalen kun je niet genoeg horen. Tussendoor regelden we glaasjes water, ordenende stoelen, lieten een nieuwe stroom bezoekers binnen. Na afloop kregen we van de schrijver een kopie van een brief die in 1959  per Air Mail verstuurd was vanuit Djibouti, Ethiopië, naar Hengelo (O), Holland. Een brief van een van die jongens, de hoofdpersoon uit Suikerbastaard, aan zijn meisje. Een fijne attentie, een brief van vier kantjes met pen beschreven. Hierbij een fragment, een schets van de omgeving van de jongeman in Djibouti.

    ‘Ik zit onder de bogen van Hotel des Arcades (hier is schaduw) en heb het eerste al genoteerd. Ik denk niet dat ik je elke dag kan schrijven maar ga wel proberen zoveel mogelijk. Doe jij dat ook Mon chérie? Dit heb ik vandaag voor jou in het dagboek opgeschreven: bougainvillea palmen […] rioolstank lepralijders mensen met horrelvoeten gezwellen kinderen op blote voeten geen last van de kiezels vrouwen in gewaden soldaten van vreemdelingenlegioen keppies brede lege straten witte gebouwen met platte daken afgeronde kantelen de markt chaos kriskras paardenkarren dromedarissen takkenbossen op de flanken koopwaar op de zandvlakte armoede. Telegramstijl zo ga ik dat doen. Dan kan ik alles voor jou onthouden.’
    Een pracht brief, ondertekend met, ‘Honderd kussen en lieve pakkerds, Je Rinus’.
    Het moet wel een kanjer van een roman zijn geworden.

     

    Suikerbastaard / Jaap Scholten / AFdH Uitgevers|Uitgeverij Pluim / verschijnt 28 mei
    Luister hier het radiofragment bij OVT VPRO


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Waanzin

    Waanzin

    In ieder van ons schuilen ongewenste verlangens die de grens van het betamelijke overschrijden. In een flits (als ik nu een duw geef aan degene die voor me de stationstrap afloopt hoe wordt er dan gevallen?) kunnen bevreemdende gedachten de geest binnensluipen. Die je natuurlijk negeert, want je bent niet gek. In het boek Gevallen engelen – een titel die terecht ‘hoogmoed komt voor de val’ oproept – worden zulke verlangens tot uitvoer gebracht, waarmee ik niet teveel verklap. Vijf studenten, drie jongens, twee meisjes wonen eind jaren tachtig antikraak in een oud landhuis aan de Kromme Rijn in Amelisweerd. Ze hebben het goed met elkaar, maken afspraken (geen gebruikelijke corvee afspraken) over de omgang met elkaar: geen ongevraagde bemoeienissen, geen seks onderling, altijd zoeken naar de waarheid.

    De bijna vijftiger, ooit gesjeesd filosofiestudent, Michel van Bourbon Wittelsbach woont in een huisje naast het landhuis en hangt de leer van filosoof Foucault aan. De studenten in hun onbekommerde manier van omgang en Michel met de uitstraling van een kluizenaar, voelen zich tot elkaar aangetrokken. Er wordt gekookt en samen gegeten. Het landhuis heeft een gevulde wijnkelder waar gretig gebruik van wordt gemaakt. Onder invloed van Michel ontstaan er vijf opdrachten voor Paul, Breteler, Kim, Djoera en Hubert die hen zullen helpen hun waarheidsbevindingen te toetsen en elkaar beter te leren kennen. Michel observeert wanneer ze samen zijn, geniet en stelt dingen als: ‘De waarheid is de naakte waanzin van de mens.’

    Wanneer elk van de studenten hun diepste verlangen onder aanmoediging van Michel als wens opschrijft, is dit de laatste opdracht en luidt het einde van hun vriendschap in. Ook dit is geen spoiler, want het geheim van Gevallen engelen zit in de constructie en hoe het leest, als een verleiding. De man zonder eigenschappen van Robert Musil komt er in voor. Niet enkel als terloops genoemde titel wanneer Paul en Hubert dit boek in de bibliotheek zoeken. Het standpunt van Musil – dat het voldoen aan maatschappelijke verwachtingen je allerlei eigenschappen verleent maar tot vervreemding van jezelf leidt –  voert in Gevallen engelen de ondertoon. Een geweldig verhaal, met intrigerende karakters. En nee, we gaan het niet vergelijken met een ander geweldig  boek. Dit boek is zichzelf genoeg.

    John Cheever opent zijn boek Bijna een paradijs met een leesadvies: ‘Dit is een verhaal om in bed te lezen, op een regenachtige avond in een oud huis.’ Voor Gevallen engelen wil ik voorstellen het boek in tijdloze ruimten te lezen, zo gauw de kinderen naar school zijn of de baas het pand verlaat. Maar bij voorkeur in de ochtend trein van 06:17 uur richting Berlijn. Heb dan weet van het ritme en de trillingen van de trein alsook van de stopmomenten op tussenliggende stations waar de ochtendzon nog net onder de overkapping van het station doorschijnt. Wanneer je aankomt ben je een ander mens. En kun je, zoals de personages in Gevallen engelen nooit meer terug naar wie we waren. Anthony Mertens zou zeggen: ‘Lezen, man!’

     

    Gevallen engelen/ Almar Otten/ 414 pagina’s/ AFdH Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

  • Oogst week 20 – 2019

    Gevallen engelen

    In de oogst van deze week de debuutroman van Almar Otten en een roman van de Noor Per Petterson; een autobiografisch/biografisch boek over Barbara Loder door Nathalie Léger en een verhalende zoektocht naar de verstandhouding van de mens tot het donker onder het aardoppervlak door Robert Macfarlane.

    Gevallen engelen is de eerste literaire roman van misdaadromanschrijver Almar Otten (1964). Een roman in vier delen die begint met een proloog waarin een notaris, Frederik Corbijn het woord voert: ‘Ik ben namelijk notaris en in die hoedanigheid maakte ik in de herfst van 2016 kennis met de vijf hoofdpersonen in dit boek.’ De vijf hoofdpersonen hebben elkaar sinds vijfentwintig jaar niet meer gezien.

    In 1986 wonen vijf studenten samen in een vervallen landhuis. Hun buurman is filosoof en daagt hen uit op zoek te gaan naar de waarheid. Hij verleidt de studenten (twee vrouwen en drie mannen) tot experimenten gebaseerd op de ideeën van Michel Foucault. Gevolg is dat ze geconfronteerd worden met jeugdtrauma’s en seksualiteit waarbij ze gevaarlijk dicht bij elkaar komen. Tot er een laatste, niet te verdragen experiment volgt. De groep valt uit elkaar. Na vijfentwintig jaar ontmoeten ze elkaar opnieuw. Wat in eerste instantie op een traditionele reünie lijkt, loopt uit op een dramatische apotheose. Een rijke roman, met verschillende verhaallijnen.

    Gevallen engelen
    Auteur: Almar Otten
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers

    Aanvulling op het leven van Barbara Loden

    Barbara Ann Loden (1932 – 1980) was een Amerikaanse actrice en regisseur. Ze regisseerde welgeteld één film, Wanda (1970), een cultklassieker waarin ze zelf de titelrol vervulde.

    De Franse schrijfster Marguerite Duras zei over de film: ‘Ik geloof dat er een wonder gebeurt in Wanda. (…) Normaal gesproken is er een afstand tussen uitbeelding en tekst, onderwerp en handeling. Hier is die afstand compleet uitgewist.’
    Een film waar kunstenaars als Isabelle Huppert, Rachel Kushner en Kate Zambreno door gefascineerd werden. Voor schrijfster Nathalie Léger vormden de mysterieën in de film Wanda het begin van een zoektocht door archieven, over continenten en een bezoek aan de mijnstadjes van Pennsylvania. Alles in een poging dichterbij de film en degene die hem gemaakt heeft te komen.

    Aanvulling op het leven van Barbara Loden bevindt zich dan ook ergens tussen een biografie en autobiografie, filmkritiek en anekdotiek en is een beschouwing over kennis en zelfkennis, leven en kunst en over waarheid en verbeelding.

    Aanvulling op het leven van Barbara Loden
    Auteur: Nathalie Léger
    Uitgeverij: NBC – Koppernik

    Mannen in mijn situatie

    Per Petterson (1952) werkte als boekhandelaar en later ook als vertaler om vanaf de jaren negentig als fulltime schrijver verder te gaan. Hij is uitgegroeid tot een van de grootste hedendaagse Noorse schrijvers. Bij De Geus verschenen eerder van hem Kielzog, Heimwee naar Siberië, Ik vervloek de rivier des tijds, Ik vind het best en de internationale bestseller Paarden stelen. In 2014 brak hij in Nederland door met de roman Twee wegen, dankzij De Wereld Draait Door. Knut Hamson en de Amerikaanse korte verhalenschrijver Raymond Carver noemt hij zijn grote voorbeelden.

    Mannen in mijn situatie gaat over de achtendertigjarige Arvid. Net gescheiden en ’s nachts eenzaam door de stad zwervend. In de kroegen van Oslo zoekt hij troost bij verschillende vrouwen. Hij leeft roekeloos en zet daarmee de omgang met zijn drie dochters op het spel. Vooral zijn oudste dochter heeft hem nodig. De vraag is of hij in staat is haar te helpen. Arvid verlangt enkel naar het einde van zijn eenzaamheid.

    Mannen in mijn situatie
    Auteur: Per Petterson
    Uitgeverij: De Geus

    Benedenwereld

    De Britse schrijver Robert Macfarlane (1976) schrijft over landschappen en natuur. Met Benedenwereld schreef hij boeiende verkenningen van onderaardse ruimten in de mythologie, de literatuur, het geheugen en het fysieke landschap. Hij duikt onder het aardoppervlak en onderzoekt de verstandhouding van de mens tot het donker, leven en dood in de aarde. Macfarlane beschrijft begraafplaatsen uit de bronstijd en ondergrondse schimmelnetwerken waarlangs bomen onderling communiceren en nog meer.

    Zijn reis voert hem van prehistorische Noorse zeegrotten naar een ondergrondse ‘verstopplaats’ waar de komende honderdduizend jaar kernafval opgeslagen zal liggen, alsook voert het hem van het ontstaan van het heelal naar de toekomst van het antropoceen (het tijdperk waarin het aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteiten) tot het huidige tijdperk waarin de mens domineert. Benedenwereld gaat over de ingewikkelde relatie van de mens tot de wereld onder zijn voeten. Door Macfarlane beeldend beschreven met veel aandacht voor actuele problemen.

    Benedenwereld
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Ontluisterende geschiedenis in bijzonder mooie novelle

    Ontluisterende geschiedenis in bijzonder mooie novelle

    Enige tijd geleden keerde Lammert Voos, telg van de Groningse kleigrond met alle gevolgen van dien, terug naar zijn heimat. Stammend uit een gezin waar geweld en alcoholisme schering en inslag waren, had ook hij veel moeite om van een alcoholverslaving af te geraken. Na zijn passage als zanger van de roemruchte Friese band Umberto di Bosso é Compadres in de jaren tachtig, was hij docent aan de Schrijversvakschool in Groningen. Hij publiceerde een viertal dichtbundels, waaronder één in het Groningse dialect, drie boeken met kort proza en een roman. Hij was Stadsdichter van Deventer en in 2016 verscheen Abdou en de anderen – Ooggetuigenverslag van een ex-vluchtelingenwerker, een geëngageerd essay over het migrantenvraagstuk. In het meeslepende Malterfoske, rekent hij af met zijn jeugd en afkomst van een familie Groningse armoezaaiers.

    Uitzichtloos

    Ondanks de beknopte omvang van de novelle Malterfoske, slaagt Lammert Voos er wonderwel in om perfect de ongemakkelijke sfeer op te roepen die hij nastreeft. Voos schildert het Groningse leven van de grote herenboeren, maar vooral van de arbeiders, vissers, klompenmakers en meiden die zich niet konden losmaken uit de armoede. Een armoedig leven dat zich generatie na generatie voortplant en gebeiteld zit in de Groningse kleigrond. Naast prachtige en poëtische natuurpassages  – Voos kan zijn passie voor het dichten niet loochenen – waarin duidelijk zijn voorliefde voor het Groningse landschap naar boven komt, gebruikt hij vooral negatieve adjectieven die de sfeer donker maken. Het leven in de Noord-Groningse buurt is zwart, duister, grimmig, koud en nat. De personages zijn dat ook. De naam Malterfoske is trouwens verzonnen. Het eerste deel van de naam verwijst naar ‘treiteren’, het tweede naar ‘bosje’, en hoewel ook het buurtschap is verzonnen, is de novelle wel gebaseerd op de werkelijkheid.

    Van Zondeval tot Genesis

    In zeven hoofdstukken, die telkens een Bijbelse titel meekregen, beschrijft Voos de ingehouden woede en kwaadheid van de verschillende generaties, die er maar niet in slagen los te komen uit hun status. Hun leven wordt gekenmerkt door armoede, incest, ziekte , uitbuiting en die eeuwigdurende uitzichtloosheid. Het zwijgen overheerst, alles ondergaan staat voorop. Maar dan zijn er toch die enkelingen, mensen die tot een daad komen die je niet ziet aankomen, daarin schuilt vooral de kracht van Malterfoske. Het openingsverhaal Zondeval zet de toon.  Een meid wordt bezwangerd door de zoon van een herenboer. Ze moet het hof verlaten. De boer vermoordt zijn zwakzinnige zoon omwille van de daad. Op zijn sterfbed leert de boer dat zijn andere zoon verantwoordelijk was. Ook hij kan hier niet mee omgaan en pleegt zelfmoord.

    De herenhoeve komt te vervallen en zal in verdere verhalen opnieuw opduiken. In het tweede verhaal Schippers zonder God speelt de verbannen meid een hoofdrol, ondertussen bij arme schippers aanbeland. Voos bouwt immer verder, zowel in de tijd als met een (neven)personage uit een vorig verhaal. Van bij het begin tot de twintigste eeuw tot vandaag schetst hij het ruige leven in Malterfoske. Het laatste hoofdstuk Genesis is een terugblik van de grootmoeder van Voos die alles heeft zien gebeuren, die alle verhalen kent. Het vormt een mooie samenvatting van alles waar Malterfoske voor staat en brengt een boodschap van hoop voor haar kleinzoon die is ontsnapt aan alle ellende die zijn voorouders hebben meegemaakt.

    Doordachte uitgave

    Niet alleen de inhoud van deze fijne novelle is bijzonder, ook de uitgave mag er wezen. Een mooie hardback, dik lichtgelig papier en een tweekleurendruk maken het tot een hebbeding en een aanwinst voor de boekenkast. De omslag is van een bijzondere eenvoud. Op een blauwzwarte achtergrond staan eenvoudig gestileerde silhouetten getekend. Grote koppen die allemaal dezelfde kant opkijken. Onderaan in het klein en zwart is er één kopje dat de andere kant opkijkt, tegendraads, ontsnappend aan de richting waarin de anderen gedwongen werden. Over het concept van de hele novelle is bijzonder goed nagedacht: van cover, lay-out, typografie tot inhoud: alles maakt van Malterfoske een ontluisterend verhaal met veel ingehouden woede en droefheid dat je na lezing dichtklapt met een hoopvolle blik naar de toekomst.

     

  • Zeer korte verhalen met verslavende werking

    Zeer korte verhalen met verslavende werking

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Müller (1937) is zijn hele leven al schrijver van korte stukjes maar brak pas bij het grote publiek door nadat hij in 2010 de Constantijn Huygensprijs had gewonnen. Snijders schreef columns voor verschillende dagbladen, brieven, een enkele novelle en duizenden zeer korte verhalen (zkv’s). Het oog van de naald is de tiende bundel sinds de eerste bundel zkv’s, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk in 2006 verscheen. Deze laatste bundel bevat 206 zkv’s, waarvan er 66 in de Belgische krant De Standaard zijn verschenen. De overige zijn geschreven voor radio 4 waar A.L. Snijders elke zondagochtend een zkv stipt om 8.45 uur voorleest. Dit stukje wordt ook verstuurd naar zo’n drieduizend liefhebbers die op de mailinglijst van de vermaarde ‘graslijst’ staan voor een wekelijks zkv van Snijders.

    Ritje langs de Amstel

    Een zkv is een samengaan van een overdenking, een citaat, een observatie. Er zit kop noch staart aan, toch geeft het de indruk van een kleine vertelling, waarin objecten of personen figureren: een bezoeker, gereedschap, het huis van de schrijver, Amsterdam, en altijd weer Nescio of verschijnt Herakleitos uit het niets. Snijders put uit een bron van verhalen die hij ooit  gelezen of gehoord heeft. Zo wordt een verhaal uit een Haagse Post uit 1971 onderdeel van een zkv. Dat gaat over de vereenzaamde Jan Grönloh (Nescio) die door uitgever Geert van Oorschot wel eens werd meegenomen voor een autoritje langs de Amstel.
    ‘Grönloh zat de hele weg zwijgend naast hem, de hoed diep over de ogen getrokken. Toen ze voor een tractor moesten uitwijken, liet hij zich eindelijk een paar woorden ontvallen: “Imbeciel op ijzer”.’
    Stukjes geschiedenis die de lezer deelgenoot maakt van een anekdotische kant van de literatuur. Nog mooier wordt het als een gegeven uit een eerder geschreven zkv, weer terugkomt in een later geschreven zkv. Zodat de lezer een vleug van een déjà vu ervaart, wat overigens niets afdoet aan het leesplezier.

    Jaloers op een fantasie

    Snijders schrijft met een afstandelijkheid (geen gepsychologiseer, amper bijvoeglijke naamwoorden, licht zelden iets toe) die de lezer de ruimte geeft ervan te maken wat deze wil. Soms werpt Snijders de blik op zichzelf, vraagt zich af waarom hij bepaalde dingen doet. Noemt fantaseren, ‘oncontroleerbare’ gedachten. Gedachten die hem het leven van anderen laat inkleuren. Zoals de bewoners van een groot huis bij hem in de buurt. Als hij erlangs fietst, denkt hij te weten: hij is accountant, zij advocaat. In hun vrije uren vertalen ze, ieder voor zich Thucydides. ‘Soms vergelijken ze hun vertalingen’. Het gevolg is dat hij jaloers  wordt op dit geromantiseerde leven van mensen die het zo goed voor elkaar hebben. Dan schrijft hij: ‘Waarom verzin ik iets wat jaloezie veroorzaakt?’

    Een zkv leest als een gedachtestroom, ontspringend naar vele kanten. Of is als een praatgrage wachtende in de rij voor de kassa, die zijn verhaal vertelt en daarbij onverwachte zijwegen inslaat, maar waar je geboeid naar blijft luisteren. Soms krijg je de indruk dat de schrijver geen idee heeft waar het heen gaat of raakt verdwaalt in zijn tekst, dan nog is het goed hem te blijven volgen om een raadselachtige afslag of een uitspraak als deze: ‘Als ik niet aan mannen of vrouwen denk, blijk ik automatisch aan mannen te denken’ niet te missen. Waar de geest dan weer een tijdje mee voort kan.

    Metaforen

    Bij Snijders komt de realiteit in mooie beschrijvingen, zoals in ‘Voorhamer’. Hij schrijft dat de voorhamer, voor het kloven van houtblokken, niet vaak gebruikt wordt omdat hij een kachel heeft met een ‘grote mond’. Toch dwingt zijn ego hem die blokken zo nu en dan te lijf gaan, ze kleiner te maken.
    ‘…[dat] betekent dat ik overwinningen wil behalen, ook als ik alleen ben en niemand me ziet, ook als ik er niet over praat en mezelf vervloek. (…) De voorhamer is zwaar, wordt zwaarder omdat ik schoorvoetend zwakker word, de voorhamer moet langer wachten, heeft zich in mijn ogen verongelijkt teruggetrokken, is niet makkelijk meer te vinden omdat ik me niet kan herinneren in welke schuur ik hem het laatst gebruikt heb. De natuur giechelt.’
    Meesterlijk is dat ‘schoorvoetend zwakker worden’, waarmee de ouderdom bekend wordt. En een voorhamer die zwaarder wordt, staat hier voor het afnemen van krachten.

    Het fascinerende aan deze zkv’s is dat je blijft doorlezen en treedt er zelfs bij een tweede of derde keer lezen geen verveling in. Dat heeft alles te maken met de wijze van formuleren die in niets de lezer tegemoet komt en daardoor de geest op scherp zet. En dat heeft weer te maken met de taalkunst van de schrijver.

     

    Over het zkv ‘Valerie’ dat in Het oog van de naald is opgenomen, verscheen op Literair Nederland al eens de column ‘De schrijver’.

     

  • Kikvors

    Kikvors

    Onlangs las ik een zeer kort verhaal (zkv) van de schrijver A.L. Snijders over hoe de schrijver op een ochtend zijn deur opent en daar een kikvors aantreft die ‘groter is dan een kleine hond’. Zulke kikvorsen bestaan niet wist de schrijver. Toch zat er een voor zijn deur. Ook de kikvors schrok van de schrijver en maakte zich met sprongen van drie meter, waarna hij even omkeek en weer drie meter verder sprong, uit de voeten. Gelukkig kwam daar de postbode aan, die zou kunnen bevestigen dat de schrijver niet gek was. Hij moest de kikvors ook hebben gezien. De schrijver klampte hem aan en vroeg: ‘Wat moeten we doen met deze kikvors.’ De postbode meende dat het geen kikvors was maar een haiku, een Japans gedicht van zeventien lettergrepen.

    Toen A.L. Snijders dagelijks zkv’s schreef, vertelde hij in Nooit meer slapen (2015) aan Pieter van der Wielen, begon hij deze stukjes gaandeweg via de mail te versturen. Eerst naar zijn kinderen en later naar vrienden en bekenden. Met het gevolg dat er, om deze gretig gelezen stukjes te kunnen bundelen, een uitgeverij voor zijn zkv’s werd opgericht. Ondertussen zijn er meer dan tien bundels met zkv’s gepubliceerd. In de serie Op het nachtkastje (2014 VPRO) vertelt de schrijver – tijdens een zeer ontwapende ontmoeting met kunstenaar Joost Conijn – dat meer dan 1700 mensen op zondag een zkv van hem ontvangen. Dat er soms iemand, soms twee personen daarop reageren. Ik dacht te weten dat ik die ene of tenminste een van die twee was.

    In de ‘Kikvors’ kwamen de postbode en de schrijver niet tot een eenduidig oordeel over wat het was dat zij beide hadden zien wegspringen. Het ging van kikvors naar haiku, heen en weer als een kaatsbal. Was de  postbode aan gooi was het een haiku, kaatste de schrijver de bal terug, was het kikvors. Ik vond het een fantastisch verhaal, vooral op het moment dat de haiku zijn intree deed, dat van die kikvors zou nog wel eens waar kunnen zijn. Dat liet ik de schrijver weten.

    Een uur later ontving ik nog een zkv, ‘Zoon’. Ik voelde me aangemoedigd. Nadat ik ‘Zoon’ gelezen had, waarin de schrijver als een ongelovige priester door een ondiepe poel waadt, vanwaar hij een strofe uit een gedicht  van de Perzische filosoof en dichter Omar Khayyam, waar ik nog nooit van had gehoord (er is wel meer waar ik nooit van gehoord heb), naar ‘onzichtbare mensen’ schreeuwde. Daarna gaat de schrijver naar huis en wacht op zijn zoon die na afloop van een reünie van zijn lagere school bij hem zal overnachten. Het stormt die nacht. Zijn zoon moet vijftien kilometer ‘onder brekende takken’ door het bos naar huis fietsen. De schrijver blijft tot diep in de nacht op, tot zijn zevenenveertigjarige zoon ongedeerd thuiskomt.
    Ook dit zkv  was in alle betekenissen van het woord, verrassend en fantastisch. Toch waagde ik het niet de schrijver dit te laten weten omdat ik vreesde dat we de hele dag op elkaars mails zouden blijven reageren.

     

    Hier het Auteursportret A.L. Snijders met Joost Conijn.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en teksten als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Over twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren

    Over twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren

    Recensie door Coen Peppelenbos

    In de stortvloed aan dierenboekjes van schrijvers die hun goudvis of hamster vereeuwigen of nieuwslezers met kattenverhalen of welke tweede- of derderangsartiest dan ook die twee woorden achter elkaar kan pennen over zijn geliefde huisdier en beloond wordt met een ingebonden boek naast de kassa wil ik graag twee boeken aanprijzen die ik met erg veel genoegen heb gelezen. Ezel, schaap en tureluur van Gerbrand Bakker en De mol en andere dierenzkv’s van A.L. Snijders.

    Twee schrijvers die uitstekend kunnen observeren. Twee schrijvers die korte, goed gecomponeerde stukken kunnen schrijven: Bakker in columnachtige stukken, soms bewerkingen van zijn weblog en Snijders met zeer korte verhalen. Dat beide schrijvers houden van het landleven en allerlei dieren beschrijven en zich niet beperken tot het toevallig aanwezige huisdier (hoewel je daar ook goede literair over kunt schrijven, zoals Koos van Zomeren) maakt hun boeken rijker dan het overgrote deel van de dierenboekjestsunami die de boekwinkels overspoelt. Bij Bakker lees je over geiten, ezels, blaarkoppen, merels en wildzwijnfilet. Dat wildzwijnfilet komt Bakker tegen in een Dagboek van Hans Warren waarin de Zeeuwse schrijver bij de lunch heel kwaad wordt op jagers die een drijfjacht houden bij zijn huis en bij het diner zit te genieten van wildzwijnfilet. Met dat soort hypocriet gedrag moet je niet bij Bakker wezen. Wel voor een ongebreidelde genegenheid voor dieren, of het nu een oude hond is in een café of een jonge gems in Oostenrijk.

    Bij Snijders kom je vooral de dieren rond zijn erf tegen: kippen, hazen, konijnen, herten en de vreselijke ulk. Vierendertig zeer korte verhalen waarvan er dertien eerder zijn verschenen; de rest is nieuw. Het boekje is zoals gewoonlijk bij AFdH voortreffelijk uitgegeven en bevat ook nog een cd waarop de auteur alle zkv’s voorleest (helaas steeds voorafgegaan door wat jazzerigs). Het boek is van tekeningen voorzien door Jan M. Verburg en heeft een voorwoord van Pieter Steinz die ook probeert een zkv te schrijven, maar al snel zijn meerdere moet erkennen in A.L. Snijders.

    Net als bij het vorige boek van Snijders heb ik de neiging om veel te citeren. Dat doe ik maar niet: voordat je het weet, schrijf je het boek over. Liefhebbers kunnen op deze pagina luisteren naar een voorproefje. Daar kun je het boek ook rechtstreeks bestellen. Ik schrijf dat zo nadrukkelijk omdat ik onlangs bij een boekhandel was die de folder van deze uitgeverij zonder pardon in de papierbak deponeerde omdat deze niet aangesloten was bij het Centraal Boekhuis. Bestellen via de uitgeverij vond deze boekhandelaar teveel moeite. Als je de zkv’s dus niet kunt vinden in je boekhandel, ga dan terstond naar een boekhandel waar ze de nieuwe Snijders wel verkopen.

    Wat me in beide boeken aanspreekt, is de authenticiteit van de verhalen: deze schrijvers weten waarover ze het hebben. Daarnaast geniet ik van de verzorgde stijl van Bakker en Snijders. Ten slotte zijn ze allebei lekker recalcitrant. Kopen (ook houdbaar na de Boekenweek)!