• Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Uit het hart is een vriendenboek. Het is samengesteld door de besties Jeroen Dera en Jos Joosten voor hun zeer gewaardeerde collega Jos Muijres die tot en met 2023 universitair docent Moderne Letterkunde was aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. Muijres heeft vanaf de jaren ’90 aan die universiteit de Vlaamse letterkunde op de kaart gezet, gevoed en gekoesterd. Hij heeft in zijn colleges, de organisatie van gastcolleges van Vlaamse schrijvers, postacademische cursussen en lezingen een op zichzelf staand specialisme vormgegeven met veel aandacht voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen. Uit de lezingenreeks kwamen de bundels Op de hielen (2014) en Tegen de schenen (2018) voort over recent verschenen Nederlandstalige romans. Bij zijn pensionering en daarmee vertrek van de Radboud Universiteit is nu Uit het hart verschenen, een verzameling ‘opstellen over moderne Vlaamse literatuur’ die een staalkaart wil zijn van wat in de 21e eeuw tot en met 2023 aan Vlaams proza is verschenen. Collega’s, sprekers, oud-studenten en studenten hebben de bijdragen geleverd voor in totaal 24 beschouwingen, waarmee voor elk jaar uit de nieuwe eeuw een boek is besproken. Uit het hart is bedoeld als tastbaar eerbetoon voor Muijres’ tomeloze inzet. Het levert een gevarieerde bundel op voor geïnteresseerde Neerlandici en andere leesliefhebbers.

    In de inleiding geven Dera en Joosten aan dat de bundel ‘bijdragen met een uiteenlopend karakter’ bevat. Dat is zeker waar en bepaalt mee de waarde van de verzameling. Wat passeert is werk van mastodonten als onder andere Hemmerechts, Verhelst, Verhulst en Verbeke, Stefan Hertmans, Elvis Peeters, Stefan Brijs’ Engelenmaker tot en met Carmien Michels Vaders die rouwen, maar ook de young adultroman Allemaal willen we de hemel van Els Beerten en Mazzel tov van Margot Vanderstraeten, dat over het algemeen als non-fictieboek is besproken. Een grote gemeenschappelijke deler is dat het werk bijna zonder uitzondering grondig door de interpretatiemolen wordt gehaald volgens de heilige wet van het ‘close readen’.

    Staalkaart Vlaamse literatuur

    Muijres zegt in een interview in de Vox, het ‘onafhankelijk magazine van de Radboud Universiteit’ bij zijn afscheid: ‘[…] ik ben ook erg toe aan rust. Als letterkundige sta je voortdurend – in het weekend en in vakanties – onder druk: ik moet dit nog lezen, ik moet dat nog bestuderen. Ik verlang ernaar om van die druk af te zijn.’ Voor de lezer die nog niet van die rust kan genieten en die dus meer mist dan hij of zij kan bijhouden, is deze bundel de bedoelde en waardevolle staalkaart van gekende Vlaamse schrijvers en hun werk. De meeste opstellen beginnen met een heldere uiteenzetting van de inhoud van het besproken werk, handig voor wie het nog niet kent of een opfriscursus kan gebruiken, gevolgd door een specifieke vraag of interpretatie met betrekking tot de inhoud van de roman. Die specifieke invalshoeken zijn zo nu en dan wel erg specialistisch, maar leveren interessante, leerzame en inspirerende opstellen op en bijzondere interpretaties en waarnemingen, bijvoorbeeld over de ‘meerstemmigheid’ in Beertens jeugdroman, ‘de provocatie van de normaliteit’ in Petry’s De maagd Marino, het ‘onderzoeksmatige aspect’ van Kamer in Oostende van Koen Peeters.

    Muijres (1957) is een babyboomer die van een dubbeltje tóch een kwartje werd. Zijn sociale achtergrond heeft hem ‘nederig’ gemaakt, zegt hij in het eerdergenoemde afscheidsinterview, maar zeker en vast ook maatschappelijk geëngageerd. Sociale omstandigheden van personages in romans en de manier waarop die omstandigheden en de personages de lezer voorgeschoteld worden, hebben zijn bijzondere belangstelling. In de opstellen in de bundel is ook ruimschoots aandacht voor allerlei maatschappelijke thema’s en voor betrokkenheid. Het engagement van Verhulst in Problemski hotel krijgt ruimschoots aandacht, het rumoer rond Ruth Lasters’ stadsdichterschap van Antwerpen en haar vermeend ‘niet-verbindende’ gedicht passeert de revue in een opstel over haar roman Poolijs uit 2005, de ‘diversiteitshype’ en het al dan niet bestaan van ‘allochtonenliteratuur’ en ‘migrantenliteratuur’ wordt genoemd in de besprekingen van De lammeren van Mustafa Kör – naar eigen zeggen geen Vlaamse of Turkse schrijver maar ‘auteur’- en Vertel het iemand van Rachida Lamrabats. Bij het opstel over Wil van Jeroen Olyslaegers worden de noties ‘ethische subjectiviteit’ en ‘morele ambiguïteit’ besproken en tot tweemaal toe komt het frisse feministische Fixditcollectief langs, namelijk bij de Fixditschrijfsters Margot Vanderstraeten en Gaea Schoeters, de laatste bij de bespreking van haar Trofee.

    Breed publiek?

    Of de opstellen zoals de redacteuren in het inleidende hoofdstuk beweren ‘steevast toegankelijk geschreven’ zijn, daar valt over te twisten. Een niet-academisch geschoolde lezer zal de hersens stevig moeten laten kraken bij een zin als deze, ook als er geen fout in zou staan: ‘(Jeroen Dera en Jos Joosten wezen me op het feit dat deze functie, op zijn minst in de gedaante van ‘zelfrepresentatie’, centraal staat in modern letterkundig onderzoek – een onontgonnen manier waarop literatuurwetenschappelijke denken taalkundige theorievorming over de functie van taal zou kunnen beïnvloeden.)’ Dit citaat komt nota bene uit het hoofdstukje ‘Taal om te imponeren’ over Lanoyes Sprakeloos! Daarnaast wordt geregeld wetenschappelijk literair-theoretisch of taalkundig jargon gebruikt, wat de bundel niet per se ‘toegankelijk’ maakt voor een breed publiek.

    De naar de Rijksuniversiteit Groningen ‘overgelopen’ hoogleraar Mathijs Sanders schrijft over De maagd Marino van Yves Petry, de roman die in 2011 de Libris literatuurprijs won (en, onvermeld, in 2012 de Inktaapprijs). Die gruwelijke roman is gebaseerd op het waargebeurde voorval van een hoofdpersoon die zijn vriend na diens dood in de vriezer bewaart en stukje bij beetje opeet volgens een vooraf door hen beiden schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Protagonist Bruno doceert ‘Hoogtepunten uit de Literatuur van de Twintigste Eeuw’ aan de meest katholieke universiteit van het land. Buiten zijn werkwereld kan Bruno zich nauwelijks staande houden en zonder geloof in literatuur als iets heiligs blijft er voor hem niet veel over. Volgens Sanders laat de roman zelf juist zien dat er hoop is. ‘Nog altijd is de roman in staat lezers te betoveren en te verontrusten. Deze roman markeert niet het einde van de literatuur, maar viert haar triomf.’ Dit geldt voor veel van de in deze bundel besproken romans.

    Jos Muijres kan in 2023 nog niet zeggen wat hij na zijn pensionering gaat doen. Gelukkig is er nog meer dan genoeg te lezen. Om te beginnen dit liber amicorum dat voor de geïnteresseerde literatuurliefhebber een rijk overzicht van de 21e eeuwse Vlaamse literatuur biedt en voor hem ook een waardevol bewijs van vriendschap en waardering is, dat laat zien dat uit het oog zeker niet uit het hart betekent.

     

     

  • Oogst week 48 – 2023

    Oh the world Ah the world

    In 2021 overleed A.L. Snijders op de leeftijd van 83 jaar. Tijdens zijn leven werkte hij als leraar Nederlands en schreef columns in verschillende kranten. Hij bedacht het zkv, het Zeer Korte Verhaal, een ‘nieuw literair genre’. In 2006 verscheen de eerste zkv-bundel Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er volgden nog vele zkv’s, die hij ook op de radio voorlas. Dan klonk zijn donkere, sonore stem, met de wat aarzelende, trage manier van spreken die hij zich had eigen gemaakt en hem net zo bekend maakte als het genre dat hij had bedacht. Wie hem eenmaal had horen praten herkende zijn karakteristieke stemgeluid onmiddellijk.

    Even kenmerkend is zijn handschrift, te zien in Oh the world, ah the world, dat zijn laatste zkv’s en een keuze uit zijn brieven bevat. Vrijwel dagelijks schreef hij een brief, in rode en zwarte inkt. Hij maakte er ook tekeningen bij en kalligrafeerde het motto. Een daarvan was Oh the world Ah the world. Snijders vond brieven schrijven leuker dan stukjes te schrijven, omdat ‘een brief zomaar aan mijn hand ontsnapt’.

    Een van de 54 zkv’s in het boek, grotendeels uit 2021: ‘Ik schrijf een verhandeling over de liefde. Een jonge man vraagt de hand van zijn meisje aan haar vader. De man ziet er niets in. Hij is niet onvriendelijk, het is geen ploert. Hij is integer, hij doet niet alsof. Hij vindt zijn dochter niet passen bij de jongen, hij veinst niet. Hij legt uit dat hij geen toestemming geeft, maar hij voegt er nonchalant aan toe dat hij het jonge paar niets in de weg zal leggen.’
    En de lezer zal nieuwsgierig verder lezen.

     

    Oh the world Ah the world
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: Afdh Uitgevers

    We moeten praten

    ‘Langzaam draait hij zich om. Hij zet zijn tas naast zich op de vloer. Hij heeft de hele tijd naar de vloer gekeken en nu kijkt hij naar zijn klasgenootjes en kort naar mij, en zegt: “Ik ga echt mijn spreekbeurt houden.” (…) Hij zegt iets! Hij kan wel praten! (…) “Ik ga jullie alles vertellen (…) wat bij mij hoort, wat van mezelf is, en van mijn opa, waar ik woon, de spullen in mijn kamer (…) de muziek waar mijn papa naar luisterde, het verhaal van ons gezin.”‘ De klas en verteller juf luisteren verbijsterd want Koen, zoals de jongen heet, praatte nooit eerder in We moeten praten van Jan van Mersbergen.

    Toen Koen drie jaar was speelde hij eens met de mobiele telefoon van zijn vader en hoort plotseling zijn moeder aan de telefoon die denkt dat haar man aan de lijn is en zegt: ‘We moeten praten’. Het blijkt het einde van het huwelijk, Koen blijft met zijn vader achter. ‘Als dit is wat er van praten komt, denkt Koen, dan houd ik voortaan mijn mond.’ En dat doet hij, totdat hij in klas 7 zijn spreekbeurt moet houden. Op het digitale bord zet hij een afbeelding van het schilderij De Bedreigde Zwaan van Jan Asselijn.

    Jan van Mersbergen schrijft onder meer romans, novellen, korte verhalen en thrillers (onder pseudoniem), Hij schreef over mannenzaken en vaderschap, over zijn vader. Prijzen bekroonden zijn werk dat in negen talen is vertaald. Hij publiceert ook beschouwingen en interviews in diverse dagbladen en geeft workshops.

     

    We moeten praten
    Auteur: Jan van Mersbergen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Bedenktijd

    Meredith Greer (1988) zegt over haar debuut Bedenktijd in een interview: ‘Ik dacht: ik wil onthouden hoe het was en hoe het op dat moment was om mij te zijn.’ In coronatijd, tijdens de lockdown, onderging Greer een abortus, geheel alleen, zonder steun van een naaste. ‘Niemand kon mijn hand vasthouden in de wachtkamer.’ Daarna vroeg ze zich af wat verlies en verdriet doen met mensen als ze die het liefst willen vergeten en voor anderen verbergen. Maar dergelijke gevoelens laten zich niet verdringen. Greer geeft er schriftelijk aan toe. Zo schrijft ze over een wraakzuchtige fantasie over de man van wie ze zwanger raakte. ‘Het was heel bevredigend om zo’n wraakzuchtig spookverhaal op papier te zetten.’ In Bedenktijd haspelt ze verschillende genres door elkaar: proza, essayachtige stukken, poëzie en dagboekaantekeningen over haar gevoelens van rouw, verdriet en woede.

    Omdat ze geen boek over enkel een vrouwenonderwerp wilde schrijven bespiegelt ze ook andere rouw, bijvoorbeeld als mensen wegens de lockdown of omdat ze in de gevangenis zitten geen afscheid kunnen nemen van geliefden en niet bij de begrafenis kunnen zijn.

    Het boek is vormgegeven in zeer verschillende lettertypes ‘zodat het lezen ook een fysieke ervaring is’, zegt Greer. De schrijfster is een Amerikaans-Nederlandse journalist en schrijver. Ze werkte onder meer als eindredacteur voor de Volkskrant en als redacteur voor BNR-Nieuwsradio, en had een column in HP/De Tijd.

     

    Bedenktijd
    Auteur: Meredith Greer
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • De charme van het associatieve

    De charme van het  associatieve

    ‘Lijders heb je in soorten en maten. Er zijn er die hardnekkig lijder willen blijven, omdat die toestand hen tot Iemand stempelt, een mens dat aandacht verdient, zorg op zijn minst. Er wordt naar hen omgekeken, je bent geen Nobody. Ik hoor niet tot dat type, vandaar dit boek: een oprechte poging van Vrouwe Claustra te scheiden,’ zo valt te lezen in de essaybundel Hemelwortels, Avonturen van een lijder van Atte Jongstra (1956). Daarin gaat Jongstra op zoek naar de wortels van zijn claustrofobie. Angsten leiden bij hem tot lichamelijke reacties: ‘groot ongemak, fysiek. Huidverschijnselen (rillingen, jeuk), trillend rechteroog, onophoudelijk roken’. De oorzaak van zijn claustrofobie lijkt hij te vinden in een (opnieuw geactiveerde) herinnering aan een breed in de media uitgemeten mijnramp in Duitsland in 1963, Jongstra was toen zeven jaar. De schrijver, die in 2016 de Constantijn Huygens prijs ontving voor zijn oeuvre, gaat in deze bundel met eenenveertig korte essays de confrontatie met zijn angsten aan.

    De bundel opent met een stuk over het zogenoemde Wormergat dat aan het einde van de jaren vijftig verscheen in Wormer bij Zaandam. De herkomst van dit gat was onduidelijk en dat fascineerde de toen driejarige Jongstra in hoge mate. In wat volgt haalt de auteur veel overhoop: Don Quichote en de socioloog Gabriel Tarde passeren de revue en ook Shakespeare, E.T.A. Hoffmann en Hugo von Hoffmansthal. Het verband tussen al deze associatief bij elkaar geplaatste personen en personages is niet altijd duidelijk.

    Persoonlijk relaas

    In Hemelwortels, een pendant van zijn autobiografische roman Diepte! (2013), gaat Jongstra in op grotten en mijnen en de avonturen die speleologen en mijnwerkers er beleefden. In zijn breed uitwaaierende stukken put hij uit literatuur en journalistieke artikelen van soms obscure kranten. Hij diepte zijn materiaal veelal op uit het digitale krantenarchief Delpher van de Koninklijke Bibliotheek, dat geldt als een hoofdbron voor veel historici. Jongstra citeert uitvoerig uit de met het invoeren van trefwoorden gevonden krantenartikelen. Te uitvoerig soms: je had gehoopt dat hij meer zelf aan het woord zou zijn geweest. Meer zelfonderzoek, het diep graven in de eigen fascinatie en angst voor de afgesloten ruimte, zou interessant zijn geweest: wat zegt claustrofobie over iemands psyche? Sommige mensen lijden aan angst voor het oneindige, de kosmos, terwijl anderen niet zozeer de menselijke exploratie in de ruimtelijke omgeving vrezen, maar wat interne exploratie genoemd kan worden, het zoeken naar gegevens diep in de eigen geest, het nog grotendeels onontgonnen terrein van de hersenwetenschap, een terrein dat hopelijk nooit al zijn mysteries zal verliezen.

    Het was boeiend geweest als Jongstra meer had verteld over de relatie tussen aangeboren aanleg en omgevingsfactoren (datgene waar je veelal bij toeval tijdens je leven mee geconfronteerd wordt) bij het ontstaan van claustrofobie. Het bevindt zich op het raakvlak tussen de menselijke neiging om de leefomgeving (zowel onder de grond als diep onderzee) te onderzoeken en de angsten die dat kan oproepen aan de ene kant en aan de andere kant het graven in de psyche. Men graaft bij onderzoek naar claustrofobie zowel in de grond als in de eigen geest, zo lijkt het. De lezer leert in Hemelwortels uiteindelijk echter niet veel over de hem of haar misschien vreemde wereld van de claustrofobie en komt ook niet heel dichtbij de persoon van Atte Jongstra. Het had best wat persoonlijker gemogen, een inkijkje in de geest van een lijder aan claustrofobie. Nu is de bundel noch een heel persoonlijk relaas, noch een beargumenteerde studie.

    Charme van het associatieve

    Het gaat in de bundel nadrukkelijk niet om een wetenschappelijk vertoog, al is deze wel voorzien van eindnoten. De stijl van Jongstra is zonder meer goed, hij toont zich meer een zoeker dan een vinder, zoals voor veel literaire essayisten geldt. Het is waar dat met een meer gestructureerde aanpak een deel van de charme van het associatieve verloren zou zijn gegaan. Toch zullen sommige lezers vergeefs zoeken naar een strakkere betooglijn, een zorgvuldig opgebouwd relaas, of een beargumenteerd zelfonderzoek. Houvast in het schimmige rijk van de angst. Dat biedt Jongstra allemaal niet. In zekere zin blijft hij aan de oppervlakte. Wel wordt zijn fascinatie voor het onderwerp duidelijk, al komt de achter de fascinatie verborgen noodzaak om deze essays te schrijven niet heel helder naar voren. Je voelt niet met Jongstra hoe erg het is om aan claustrofobie te lijden, of het verschijnsel ontwrichtend is, of slechts enigszins belemmerend.

    Hemelwortels is rijk geïllustreerd – Jongstra deed zelf de beeldredactie – wat een deel van de bekoring van de stukken uitmaakt. De afbeeldingen nodigt de lezer uit zelf te fantaseren over het afdalen onder de grond, diep in de eigen psyche.

     

     

  • Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren

    Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren


    Wat betekent de neerlandistiek nog in dit land en heeft een bundel van een hoogleraar in deze vakdiscipline een meerwaarde voor het begrijpen van de moderne literatuur? Jos Joosten, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen waagt zich aan wat volgens hem een vrolijk boek is. Hij is van mening dat de neerlandistiek leeft als nooit tevoren. Is de bundel, Hoera! Een boek, reden om de vlag uit te steken?

    Laten we vrolijk beginnen. Joosten toont zich een goed stylist die in vlotte zinnen zijn verhaal vertelt waarbij hij zich richt tot een breed publiek waarbij hij onnodige vaktermen vermijdt. Hij besteedt aandacht aan de historische ontwikkeling van de studie Nederlands, levert zeventien besprekingen van romans en gedichtenbundels en buigt zich over actuele vakwetenschappelijke discussies. Dat is heel wat in een gering aantal pagina’s.
    Het merendeel van deze bundel is gevuld met besprekingen van romans en dichtbundels. Het betreft onder meer boeken die volgens hem ten onrechte onderbelicht zijn gebleven en andere die onverdiend en in overvloed die aandacht wél kregen. Hij ziet in deze besprekingen af van zijn rol als wetenschapper. Een criticus oordeelt en een wetenschapper analyseert. Joosten oordeelt hier te kust en te keur.

    Joosten is ongenadig in zijn afwijzing. Enkele veelvuldig bewierookte of onder publiciteit bedolven schrijvers sabelt hij met veel plezier neer. Met rake diskwalificaties omschrijft hij zijn afschuw van romancier Thierry Baudet: ‘James Last is de literatuur binnengemarcheerd’, maar ook gelauwerde auteurs als Jan Siebelink: ‘een drol met een strik erom’, Dimitri Verhulst: ‘sneue mix van zelfbeklag en puberbravoure’ en Saskia Noort, die hij – hoe dodelijk voor een literaire thrillerschrijver – ‘de totale-onwaarschijnlijkheidsbokaal’ uitreikt, moeten het ontgelden. Deze affakkelparade wekt sterk de lachlust op en geeft een vergelijkbaar genoegen als een tekst van Jeroen Brouwers over schrijvers in de jaren zeventig. 

    Aantrekkelijke broodjes om in te bijten

    Maar Joosten kan ook heel goed prijzen. Het werk van enkele door hem geprezen schrijvers schotelt hij voor als een erg aantrekkelijk broodje waarin je meteen wilt bijten. Schrijvers als Simone Atangana Bekono, Hannah van Binsbergen, Hanna Bervoets en ook (hoe onverwacht) Kluun krijgen van hem een positief oordeel. Zeer lovend is hij in het bijzonder voor het werk van de Tilburgse auteur en kunstenaar Nick J. Swarth. Joosten kan zijn enthousiasme voor Swarths roman De plasserparadox niet voor zich houden en smijt meteen al in de tweede alinea van zijn uitgebreide bespreking de conclusie op tafel: ‘(…) wat heeft Swart een tof boek geschreven!’

    Hij vindt de roman van Swarth schitterend. Waarom? Volgens hem voldoet Swarths roman in alle opzichten aan een aantal door hem geformuleerde criteria. De roman is volgens hem geschreven in een stijl die schittert en meesleept, het boek openbaart iets over aspecten van de hedendaagse wereld en Joostens eigen wereld ziet er na lezing anders uit dan voorheen. Hij is óók van deze roman gecharmeerd omdat hij zich erin herkent. De uitzichtloze wereld van een groep jongeren in Tilburg in 1980 die Swarth als onderwerp heeft gekozen, doet hem sterk denken aan zijn eigen studententijd in Nijmegen, waar hij betrokken was bij de oprichting van een afdeling van de PSP-jongeren.

    Gek genoeg noemt hij ‘herkenning’ van ondergeschikt belang bij de beoordeling van een roman. Is dat wel zo? Zou Joosten als hij een corpsstudent was geweest in Groningen de roman evenzeer hebben bejubeld? Is het niet juist vanwege de herkenning dat Joosten juist deze, door velen veronachtzaamde roman, de hemel in prijst? Hoe terecht zijn oordeel ook is, – Swarth schreef een interessante roman – het is wel een oordeel dat veel over Joosten zélf zegt. De wetenschapper en criticus Joosten kan bij het lezen zijn eigen persoonlijkheid niet uitvlakken. 

    Controversiële opvattingen

    In de bundel zijn drie artikelen opgenomen waarin hij vakwetenschappelijke discussies aanroert. Om maar meteen op zijn Joostens met de deur in huis te vallen: zijn opvattingen zijn controversieel en dagen uit tot een weerwoord. Joosten constateert dat ‘steeds vaker kwesties buiten de literaire tekst relevant en urgent worden.’ Het ‘Merlijnse dogma’ (= het werk, het werk en niets dan het werk) wordt niet langer algemeen beleden. Met name vragen omtrent de verhouding literaire werk en      persoonlijke leven van de schrijver worden tegenwoordig veelvuldiger gesteld. Een artikel gaat over de vraag wat het nut is van schrijversbiografieën.

    Dit thema wordt onder meer behandelt aan de hand van Vierspan: Over biografieën en het schrijven ervan, van schrijversbiograaf Jan van der Vegt. Joosten vindt deze studie ‘amusant’ maar heeft er verder geen goed woord voor over. Van der Vegt beweert dat biografen hun werk doen om aan de behoefte van de lezers te voldoen. Dat is natuurlijk een erg magere verantwoording voor het genre. Om nu op grond van zo’n zwakke verdediging het genre meteen naar de prullenbak van nutteloze zaken te verwijzen, zoals Joosten doet, is echter even dom als de medische wetenschap af te wijzen omdat Willem Engel onzin debiteert over Covid. 

    Joosten beweert dat een schrijversbiografie vrijwel niks toevoegt aan de strekking, inhoud of interpretatie van het werk van de schrijver. Ook hiervoor gebruikt hij voorbeelden die niet sterk zijn. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af wat de relevantie is van de dwangmatige onanie van Gerrit Achterberg voor de interpretatie van zijn werk en wat we leren over het werk van Adriaan Roland Holst, als we weten dat hij leed aan allerlei ‘private ongemakken’. Als de schrijversbiografie niet meer biedt dan deze petite histoire is deze inderdaad op zijn hoogst belangwekkend voor soapliefhebbers. Maar valt er dan niets méér over de waarde van een schrijversbiografie te zeggen? Heeft Joosten dan nooit een schrijversbiografie gelezen die de moeite waard is? Blijkbaar niet.

    Komt dat wellicht, omdat hij meer geïnteresseerd is – in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu – in de vraag wat op enig moment gezien wordt als literatuur en wie zich ermee bezighielden dan met de vraag wat de relatie is tussen de schrijver en het werk dat hij schreef. Ja, als je interesse niet ligt bij de schrijversbiografie, maar bij de vraag hoe men in een bepaalde periode over literatuur denkt, is dat vergelijkbaar met iemand die minder geïnteresseerd is in een krantenartikel over de spitspositie bij Ajax, omdat hij zelf keeper is.

    Een schrijversbiografie is hartstikke interessant als de biograaf een poging doet het werk te verbinden met de schrijver in zijn totale leefwereld. Uiteindelijk is het wel de persoon van de schrijver, gevormd door opvoeding, ervaringen en invloeden die dit werk geschreven heeft. Hij leeft in een eigen complexe historische biotoop die bestaat uit vele elementen. Het literaire werk is niet uitsluitend een product van die biotoop en wordt ook niet als een kant-en-klare boodschap door de schrijver ontvangen en doorgegeven, zoals Mozes overkwam op de Sinaï met de wetten voor het volk van Israël. Het is het resultaat van zijn omgang met de wereld, misschien is het schrijven van een roman wel een soort van overlevingsstrategie, om met de Engelse auteur Tim Parks te spreken. 

    Vermenging fictie en non-fictie

    Joosten laat in een ander artikel duidelijk merken dat hij grote moeite heeft met de vermenging van feiten en interpretatie, van fictie en non-fictie in de recente schrijfcultuur. Volgens hem is het literaire pact tussen schrijver en lezer in de laatste jaren verbroken. Dit pact houdt in dat de lezer van een fictioneel werk ervan uit mag gaan, dat de ik in het boek niet dezelfde is als de schrijver. Werkelijkheid en fictie zijn twee werelden, die niet ongestraft met elkaar vermengd mogen worden. Dat pact staat volgens Joosten op springen, doordat lezers opvattingen van personages in romans opvatten als de opvattingen van de schrijver zelf. Dat is echter niet alleen iets van de laatste jaren. Die fout maakte de criticus Aad Nuis al in de jaren tachtig in zijn bespreking van Mystiek Lichaam, het meesterwerk van Frans Kellendonk. Hij noemde de roman antisemitisch, omdat er een jood in voorkwam die niet bepaald een voorbeeldig leven leidde en geen sympathiek personage was.

    Volgens Joosten nemen schrijvers het zelf ook niet meer zo nauw met dat onderscheid. Zo verdedigde Philip Huff zijn roman onlangs door te zeggen dat het allemaal waar gebeurd is. Joosten laat zich kennen als een purist die wars is van allerlei hybride vormen in de huidige schrijfcultuur, waarin iedere willekeurige Nederlander tot schrijver wordt gebombardeerd, als zijn verhaal maar echt gebeurd is. En daar valt zeker wat voor te zeggen. Ook andersom geldt dat. Iemand die non-fictie schrijft mag van Joosten niet rommelen met de feiten.

    Hij neemt Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans, kwalijk dat hij het genre van de biografie vermengt met dat van de historische romancier. Wanneer Otterspeer door andere kenners van zijn onderwerp gewezen wordt op feitelijke onjuistheden in zijn biografie beroept hij zich erop dat hij een creatieve (literaire) schrijver is, met andere woorden: hij mag zelf bepalen wat hij als feiten ziet. Het door elkaar mixen van feiten en verbeelding in een biografie, dat ziet Joosten juist, moet vermeden worden. Een biograaf die fantaseert in een biografie schrijft in feite een historische roman.

    Afkeer van moderne trends

    Joosten heeft een interessante poging gedaan om de neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren. Zijn recensies zijn meesterlijk, maar zijn weergave van enkele discussies binnen de neerlandistiek is nog geen reden de vlag te hijsen. Joosten neemt standpunten in, signaleert trends en stelt overal vragen bij, maar is dat dan de bijdrage van een hoogleraar in de neerlandistiek aan de moderne letterkunde? Het resultaat van al die jaren intensieve omgang met de moderne Nederlandse letterkunde, van lezen, onderzoek, schrijven, uitwisseling met studenten en vakgenoten? 

    Het is zeer de vraag of Joosten met zijn afkeer van moderne trends wel diep genoeg graaft. Het lijkt wel of hij een helder standpunt inneemt, maar het is wel heel erg vreemd dat hij in de bundel niet ingaat op het begrip autofictie. Hij ziet blijkbaar niet in dat alle fictie in feite autofictie is. Hij gelooft niet in de waarde van schrijversbiografieën, terwijl hij, in navolging van de door hem hooggewaardeerde Bourdieu, nog wel beweert dat hedendaagse kunstenaars zich rekening dienen te geven van hun speciale positie als autonome kunstenaar van wie de vrijheid van expressie op het spel staat: ‘Met het opkomen voor hun individuele eigenheid, komen ze juist op voor de meest universele waarden.’ Van het bijzondere naar het algemene dus. Was het niet Connie Palmen die zoiets dergelijks zei, door de mond van Ted Hughes in Jij zegt het? Maar over Palmen spreekt Joosten niet in deze bundel. 

    Palmen maakte in de romans van haar eigen lot evenzovele plots die door honderdduizenden werden gelezen. Haar werd verweten dat zij haar eigen leven exploiteerde in haar boeken. Maar dat doet iedere schrijver toch, ook de meest autonome schrijver kan in zijn werk niet verder springen dan de polsstok van wat zijn persoonlijkheid aankan. Een literaire schrijver heeft de mogelijkheid om een eventueel betekenisloos en vormloos lot om te zetten in een betekenisvol plot. De echte kunstenaar maakt zijn eigen biotoop, zijn eigen wereld, gedachten, gevoelens, emoties en ervaringen tot een literair kunstwerk dat voor lezers herkenbaar is. Het zal bewondering en literair genoegen opwekken als dat kunstwerk aan het algemeen menselijke raakt en aan de meest universele waarden.

     


    Hoera! Een boek, over Nederlands en Nederlandse letterkunde van nu / Jos Joosten/224 blz. / AFdH uitgevers

     

     

  • Oogst week 38 – 2022

    Weerspiegeld in een waterglas

    Onlangs is bij uitgeverij Athenaeum een lijvige biografie verschenen over Maurice Gilliams (1900 – 1982) geschreven door Annette Portegies. Tegelijkertijd verscheen daar Een binnenplaats met gras, een bloemlezing uit Gilliams verhalend proza, poëzie en essays, samengesteld door schrijfster Leen Huet.

    Hoewel de Vlaamse Gilliams in 1969 de Constantijn Huygensprijs en in 1980 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving, en zijn roman Elias of het gevecht met de nachtegalen is opgenomen in de Vlaamse Canon van de Nederlandstalige Literatuur, is hij, in ieder geval bij de Nederlandse lezers, nog vrij onbekend.

    Daar komt met deze beide uitgaven, en een podcast in oktober van de VRT misschien verandering in.
    Er bestaat zelfs een website over Maurice Gilliams. Daar kan je lezen dat schrijver en biograaf Pierre H. Dubois  in 1983 in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het volgende schrijft: ‘Gilliams is een complexe figuur geweest. Wie het voorrecht had hem te kennen weet dat hij onder bepaalde omstandigheden zeer sociabel kon zijn, lachen kon als geen ander, verhalen vertellen, parodiëren, vlijmscherp uit de hoek komen en van een haast dodelijke ironie zijn. Er was een andere Gilliams, maar dezelfde, die mateloos melancholiek, zonder illusies, de vergeefsheid van alles en de opgeblazen ijdelheid van velen met spottende minachting doorzag. Er was een Gilliams die plotseling, door onrecht geprikkeld, een strijdbaarheid toonde, wonderlijk contrasterend met de stilte waarvan zijn werk getuigt. Er was, achter al deze verschijningsvormen, een raadselachtige Gilliams, de dichter, de denker, de mijmeraar die zich niet anders blootgaf dan in het spaarzame dat hij aan zijn handen, aan zijn hoofd, aan zijn hart, liet ontsnappen.’

    De podcast ‘Maurice Gilliams. Het wonderlijke leven van een schrijver uit Antwerpen’ gemaakt door Gudrun De Geyter, is vanaf 3 oktober op VRT Max te beluisteren.

    Weerspiegeld in een waterglas
    Auteur: Annette Portegies
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Uit Berlijn Machthebbers Krijgsgewoel

    In de jaren 80 van de vorige eeuw schreef beeldend kunstenaar, dichter, schrijver en acteur Armando (1929 – 2018) vooral vanuit Berlijn een wekelijks verslag voor de literatuurbijlage van NRC Handelsblad.
    In Uit Berlijn | Machthebbers | Krijgsgewoel zijn al deze columns gebundeld, aangevuld met twee langere verslagen uit China, inclusief bijbehorende illustraties.
    Het vormt het 20e deel in de serie Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland.
    Armando’s leven en werk werden voor een groot deel bepaald door de Tweede Wereldoorlog en Kamp Amersfoort. In zijn columns heeft hij het over de vele vormen en nuances die goed en kwaad kunnen aannemen. Soms blijft hij als commentator op de achtergrond, laat hij alleen de mensen aan het woord in de hoofdstukken ‘Flarden’.

    Het nawoord is geschreven door J. Heymans die in 1999 De boom, Over Armando uitbracht, een essay over het werk van de Nederlandse kunstenaar in de verschillende artistieke disciplines (de schilder, de schrijver, de beschouwer, de dichter, de beeldhouwer e.a.) en de onderlinge samenhang daarin.

    Uit Berlijn Machthebbers Krijgsgewoel
    Auteur: Armando
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2022)

    Neubach

    Erik Voermans is muzikant, componist, docent, columnist en schrijver.
    Jarenlang schreef hij – soms zeer kritische – columns over klassieke muziek voor het Parool. Deze zomer stopte hij daarmee.
    Van hem verschenen eerder Van Andriessen tot Zappa, een bundeling van interviews met componisten & andere verhalen, en Eerste Hulp Bij Klassieke Muziek, waarin hij voor mensen die kennis willen maken met klassieke muziek, maar niet weten waar te beginnen, als ‘reisleider’ fungeert.

    En nu is daar zijn eerste roman. Over een Russische componist, Vladimir Neubach, die in 1953 van Moskou via Berlijn naar Amsterdam vlucht. Daar groeit hij uit tot de succesvolste componist van zijn generatie. Op het hoogtepunt van zijn roem, als hij in opdracht van het Concertgebouworkest werkt aan een requiem en als de vrouwen in zijn leven zich van hem afkeren, gaat hij zijn onontkoombare ondergang tegemoet, geplaagd door schimmen uit het verleden.

    Uit Neubach:
    ‘Toen was het de beurt aan Neubachs Angels. Al bij de eerste episode met raadselachtig doorzichtige koperakkoorden, waarin de spanning tussen consonantie en dissonantie heel precies was afgewogen, ging er een golf van ontroering door de zaal. Toen het stuk na vijftien minuten was afgelopen, bleef het minstens tien seconden doodstil. Niemand durfde te applaudisseren. Een vrouw verbrak die stilte door luid ‘bis!’ te roepen, een verzoek dat als een veenbrand door de zaal ging, gevolgd door donderend geraas van klappende handen en stampende voeten.’

    Neubach
    Auteur: Erik Voermans
    Uitgeverij: AFdH
  • Van vervangkind naar zondagskind

    Van vervangkind naar zondagskind

    Het is januari 1900 als de Haarlemse Lodewijk zich meldt bij het conservatorium La Schola Cantorum in Parijs. Onderdak heeft hij gevonden in de Rue Lepic, waar toentertijd veel schilders, schrijvers en musici woonden. Daarmee begint Erik Harteveld zijn Het verloren kind, een novelle in brieven.

    Lodewijks hospita, Madame Perez, noemt hem monsieur Ludovic. ‘Dus heb ik tot mijn vreugde eindelijk een eigen naam!’ schrijft hij in zijn tweede brief aan een niet nader genoemde broer. Aan het conservatorium zal hij verder opgeleid worden tot componist, nadat hij in Nederland al een gedegen muzikale opleiding achter de rug had. ‘Er is voor mij niet veel te doen op La Schola,’ schrijft hij dan ook. ‘Ik heb alle taken af en alle voor dit jaar verplichte stof bestudeerd en meer dan dat.’ Intussen heeft hij kennis gemaakt met de hoornist Jürgen en diens broer de cellist Karl. Zij zijn telgen uit een rijke Duitse familie en worden Lodewijks beste vrienden. Samen met enkele andere studenten vormen ze een vriendenclub binnen en buiten het conservatorium.

    Met wijd open ogen op zijn paardje

    Al snel krijgt Lodewijk een pakje bezorgd. Hij verwacht dat het door zijn vader gestuurde bladmuziek bevat, maar het blijkt de foto van zijn overleden broertje, die Lodewijk bewust niet had meegenomen. In de begeleidende brief schrijft zijn vader dat zijn moeder diep in hem teleurgesteld is. ‘Vader vraagt zich af waarom ik lichtvaardig omspring met de gevoelens van anderen,’ schrijft hij in zijn brief aan zijn broer. Op de foto zit het broertje dood en wel met wijd open ogen op zijn paardje en Lodewijk, het vervangkind, het mindere kind, gruwt van dat beeld. Hij zet de foto op de piano achter bladmuziek om hem niet te hoeven zien. Hij kan de foto niet opbergen voor het geval zijn ook in Parijs woonachtige Tante Chantal op bezoek komt en aan zijn moeder doorgeeft dat de foto ontbrak. Zijn moeder, die na al die jaren nog steeds gebroken was van verdriet en niet naliet Lodewijk te vergelijken met zijn dode broer. Gefrustreerd hamert Lodewijk ‘zo hard op de Pleyel dat Madame Perez kwam kijken wat er aan de hand was.’ Mede om los te komen van ‘een gebeurtenis die hem al zijn leven lang achtervolgt’ verheugde Lodewijk zich op zijn leven in Parijs.

    De couleur locale is bij Harteveld behalve in de omgeving ook in de taal te vinden. Naast het Nederlands gebruikt hij Franse en Duitse woorden en zinnen. ‘Bonjour mon petit frère,’ ‘Beste broer,’ en ‘Gutentag Brüderlein,’ schrijft hij in zijn brieven en hij ondertekent met variaties op ‘Ton Frère, Ludwig’. Als Karl en Jürgen hem ophalen om naar de Wereldtentoonstelling te gaan die juist op dat moment in Parijs plaatsvindt, zien ze de foto van het broertje. ‘Karl vroeg of hij erkrankt war. Ik antwoordde dat hij ertrunken ist. Und warum guckt das Kind so komisch? Ik zei dat das Bild post mortem gemaakt is.’

    Rooskleurige weg

    Lodewijk heeft een lamento gecomponeerd met gedachten aan zijn dode broertje. De uitvoering van deze compositie wordt door iedereen toegejuicht, maar zijn ook aanwezige moeder reageert hysterisch. Als kort daarop zijn vader overweegt zijn toelage in te trekken omdat hij zijn moeder zoveel verdriet heeft gedaan, is daar, oh wonder, de volgende dag al een genereuze oplossing. Vervolgens krijgt hij van het conservatorium de opdracht het openingsconcert voor het volgende seizoen te componeren omdat de ouderejaars die deze opdracht eigenlijk zou vervullen is uitgevallen. Voor dit Une Journée à la Campagne laat hij zich inspireren door de vredige, harmonieuze plattelandsomgeving van de ouders van zijn vriendin Margaux. Lodewijks weg in Parijs gaat over rozen.

    De hoorn scheurt de lucht doormidden

    Hartevelds beschrijvingen van de muziek zijn magnifiek. Hier spreekt de muzikant Harteveld, die er wonderwel in slaagt met woorden over te brengen wat hij met de muziek bedoelt: ‘Daar hing het Tristan-accoord trillend in de lucht als een kille deken op het land. (…) Traag en bijna onmerkbaar klom het accoord omhoog, het werd langzaam lichter. De fagot steeg aarzelend, alsof de zon zijn plaats zocht aan de hemel. (…) Melodieën buitelden over elkaar heen tot alles samenkwam in een juichend hoog septiemaccoord. (…) Altviool en cello leggen laag een dreiging neer. Meer flitsen, luider zwart, roffels zwellen aan. (…) De hoorn scheurt de lucht doormidden, strijkers galopperen in het laag in ritmische cadans. (…) Alles kwam tot rust en zacht zette cello en fagot een melodie in, hun stemmen vlochten zich ineen, ondersteund door een bescheiden ondergrond van bas en hoorn en altviool, tot alleen de fagot nog een eenvoudig Gregoriaans motief speelde, zachter en zachter.’ Je zou wensen het muziekstuk in werkelijkheid te kunnen horen.

    Aan het einde van de novelle rest de conclusie dat ‘Ludovic’, ondanks dat hij voor zijn moeder slechts een vervangkind was, de bedroevende ervaringen uit zijn jeugd achter zich heeft gelaten en uiteindelijk een zondagskind blijkt te zijn. Hij kon naar Parijs gaan, heeft er welgestelde vrienden, verkeert in een bijzonder plezierige sociale omgeving, krijgt een lieve vriendin. Ook ontbreken diners niet en vloeien goede wijnen rijkelijk. De Gebrüder nodigen Lodewijk uit voor een ritje in een automobiel die een ‘snelheid kon bereiken van wel veertig kilometer per uur’. Mensen zwaaien naar hen, rennen achter hen aan. In een dorpje bij een herberg verzoekt Jürgen de waard om een tafeltje met een wit tafelkleed buiten te zetten.

    Bovenal heeft Lodewijk groot succes op het conservatorium. Met een toekomst waarin hij los van zijn vroegere leven behalve componeren ook een nieuwe hartstocht kan uitleven heeft hij het erg getroffen. ‘…ik wist alles al en moest alleen nog maar componeren om componist te worden. Mit dem Geld kannst du machen was du willst!’

    Alles past in elkaar

    Met de ontdekking van de vrienden dat in een kelder een noot van een bepaalde frequentie en rondzingend effect kan veroorzaken en dat een hoge noot een glas kan doen springen componeert Lodewijk La Résonance. De uitvoering daarvan in de concertzaal van La Schola zorgt voor een verrassing, door Harteveld uitmuntend beschreven. Ook het gebruik van Frans en Duits geven het boek een lichte sfeer mee. Lodewijks jeugdtrauma’s resoneren slechts op de achtergrond, pijn en verdriet zijn niet noemenswaardig aanwezig.

    In Het verloren kind overheerst de vreugde, van het maken van muziek, van het studentenleven van de artiesten, van de mogelijkheden en het succes. Lodewijks tijd in Parijs is zijn hergeboorte. Niet voor niets laat Harteveld dit verhaal zich afspelen in negen maanden tijd. Het is een mooi gecomponeerd boek, vol dwarsverbindingen en samenhang: verwijzingen naar de gebroeders Karamasow, Die Traumdeutung, de wijnhandeltjes, de wijnboerderij, het past allemaal naadloos in elkaar. En niet in de laatste plaats de muziek die gecomponeerd en uitgevoerd moet worden waarin alle leden van de vriendenclub hun rol hebben. Het verloren kind is één groot, vrolijk succesverhaal.

     

  • Eigengereide Lehmann mag niet in vergetelheid raken

    Eigengereide Lehmann mag niet in vergetelheid raken

    Nu is er dan toch een bloemlezing verschenen van de gedichten van Louis Lehmann (1920-2012) ondanks zijn uitdrukkelijke gebod ‘Gij zult niet bloemlezen!’ De samensteller ervan, Erik Bindervoet, heeft deze markante uitspraak zelfs als titel gekozen voor zijn keuze uit de poëzie van Lehmann. Hoewel hij hiermee lijnrecht tegen de wens van de dichter lijkt in te druisen, is het minder oneerbiedig dan het lijkt; Lehmann zelf wenste immers als dichter ook niet de gebaande paden te bewandelen en ging vaak dwars in tegen de heersende opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn. Wel is het vreemd dat een kleurenfoto van de samensteller op de binnenkant van de kaft te zien is, waar Lehmann zelf het met een zwart-wit foto op de achterflap moet doen. Andersom zou meer voor de hand hebben gelegen. Maar Lehmann hield er niet van om zichzelf op de voorgrond te plaatsen, dus is het bij nader inzien misschien bewust zo ingedeeld met het oog op de dichter.

    Bindervoet heeft de gedichten uit het oeuvre van Lehmann uitgekozen ‘als een gemiddeld onbevangen lezer’, zoals hij zegt in zijn verantwoording. Hij heeft zelf de illustraties verzorgd, gebaseerd op foto’s en tekeningen van Lehmann en een nawoord in dichtvorm geschreven, dat een ode aan Lehmann wijdt. De afdelingen in de bloemlezing zijn door Bindervoet gekozen uit onderwerpen die een rol gespeeld hebben in het leven van Lehmann, zoals bijvoorbeeld Steden, Varen en Reizen, (omdat Lehmann naast dichter ook scheepsarcheoloog was), Muziek, (omdat Lehmann ook vertaler en componist was), Paren en De Leeftijd en zo. De indeling is van Bindervoet, die naar eigen inzicht de gedichten onderbracht onder zijn zelfgekozen thema’s en daarmee de veelzijdigheid van Lehmann uitdrukte. 

    Wars van pretenties

    De eigengereidheid van Bindervoet als samensteller wordt overtroffen door die van Lehmann als dichter. De gedichten zijn beurtelings absurdistisch, surrealistisch, humoristisch, nonsensicaal, ironisch en romantisch. Ook de vormen waarin Lehmann zijn gedichten goot, laten een grote variëteit zien: er zijn sonnetten bij, aforismen, vrije verzen en klassieke. Door zijn geheel eigen stijl is het moeilijk om de dichter onder te brengen bij een bestaande stroming. In de tijd waarin de Vijftigers opgang maakten en het atonale gedicht de meeste aandacht kreeg, bleef Lehmann volstrekt zijn eigen gang gaan, wars van pretenties en zelfverheffing. 

    De gedichten zijn over het algemeen niet lang. Een uitzondering is het gedicht dat door Bindervoet in de afdeling Vroege jaren werd gezet, ‘Enfance’, waarvan Lehmann ooit gezegd heeft in een interview met Arjen Peters voor de Volkskrant dat hij nog steeds niet wist hoe hij een volwassene moest spelen:

    Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld.
    Wanneer wij ons vervelen,
    zegt men dat wij moeten spelen
    en wij weten niet wat spelen is.

    Als de padvindersfluit,
    waarvan gezegd is,
    dat hij echt is,
    die is beloofd en daarom gevraagd,
    eindelijk is gegeven,
    wordt hij afgenomen
    om het geluid.

    Wij weten ook wel dat het maar één toon is,
    zo hard, zo koud,
    door geen manier van blazen te vermurwen. 

    Maar wij zoeken muziek
    en blazen, hoewel het haast pijn doet.
    Wij wachten tegen beter weten
    op een melodie, die komen moet,
    zo maar vanzelf
    licht en zwevend.

    Een ontroerend en serieus gedicht, waarin kinderen centraal staan en er vanuit hun optiek gesproken wordt alsof de dichter nog steeds een van hen is. De laatste, prachtige strofe geldt overigens niet alleen voor kinderen. De beeldspraak is treffend, de metafoor is schijnbaar vanzelf ontstaan. Veel gedichten gaan over de dichter zelf, als kind maar ook later als volwassene. Zijn liefde voor muziek komt onder meer tot uiting in het korte gedichtje over vier componisten, wier werk hij met een enkel woord weet te karakteriseren:

    Repertoire

    Rinkepink Mozart
    woemwoem Wagner
    rrrrrrrrrrrrrr Liszt
    en elke dag J.S. Bach
    de trappenloper met tien benen.

    Wie de muziek van deze componisten kent, zal moeten beamen hoe goed Lehmann de kenmerken ervan heeft samengebald. Speels en spitsvondig zijn de adjectieven die bij Lehmann zelf horen. Ironie, zelfspot en understatement en een droge humor zijn in vrijwel alle gedichten terug te vinden. De nonsensgedichten zullen niet iedereen aanspreken, zoals bijvoorbeeld het ‘Volmaakt Sonnet’ waarin met allerlei zelfbedachte woorden streng de hand wordt gehouden aan de regels van het klassieke sonnet. Vestdijk deed dat kunstje ook met zijn ‘Marche funèbre’, net als Jan Hanlo met zijn ‘Oote oote boe’ en in elke bundel van nonsenspoëzie is er wel een voorbeeld van te vinden. Bewonderenswaardig is het zeker, maar toch niet meer dan een spel dat gauw vergeten wordt. 

    Veelzijdige bundel

    Door de enorme variëteit is er in deze bundel voor iedereen wat van zijn gading te vinden, zoals het ook hoort in een bloemlezing. Bindervoet heeft serieuze en luchtige, absurdistische gedichten dooreen bij elkaar gezet, zoals hij in zijn inleiding aangaf, en opgenomen wat hem trof. Het heeft een verrassende bundel opgeleverd waarin vooral de veelzijdigheid van Lehmann benadrukt wordt. 

    In de index heeft Bindervoet achter elk gedicht met hoofdletters de titel van de bundel afgekort waaruit het gedicht is gekozen. Omdat vroege en latere gedichten dooreen staan, wordt het moeilijk om een ontwikkeling of een verandering in het werk van Lehmann aan te wijzen. Een van de vroegere gedichten (uit Het Echolood, 1955) is het mooie ‘Attisch zwartfigurig’, waarin Lehmann zich als archeoloog laat zien:

    Wij kleine zwarte mannen met puntige paarse baarden,
    angstig rondom onze vazen lopend met knieën van brandhout,

    weten veel meer van Hellenendom
    dan een dromende Duitse drom

    uit de vijfentwintigste eeuw na onze geboorte.

    Wij weten dat alles gebeuren kan,
    al kunnen wij Gorgonen, mino- en centauren doden,
    tyran zijn en bang zijn.

    Dat doen wij: vloeiende verf gewekt tot star en hoekig leven,
    tot onze vazen breken.

    Bindervoet heeft met deze aantrekkelijke en goed verzorgde bloemlezing een eerbetoon gebracht aan een dichter die niet op de voorgrond wilde staan. Dat hij nu toch naar voren geschoven wordt, is misschien niet overeenkomstig zijn wens, maar het biedt wel de kans aan nieuwe lezers om kennis te maken met het werk van een dichter die niet in vergetelheid mag raken. Daar zijn de gedichten veel te goed voor. 

     

     

  • Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Voor de poëzie van L. Th. Lehmann (1920-2012) moet kennelijk telkens opnieuw reclame worden gemaakt. Zo hij al aanspraak kan maken op enige reputatie, dan geldt die niet een gedicht of regel of een boek, maar een in de letteren befaamd geworden ‘elfde gebod’: Gij zult niet bloemlezen! Aan het eind van het jaar 2021 verschenen twee boeken die leven en werk van Lehmann onder de aandacht brengen. Ten eerste de bloemlezing (!) uit zijn poëzie, samengesteld door Robbert-Jan Henkes, onder de sardonisch-toepasselijke titel Gij zult niet bloemlezen (!!). Ten tweede een biografie, geschreven door Jaap van der Bent, die alleen al door de prachtige gedaante veel indruk maakt. Het boek is solide uitgevoerd, ligt stevig in de hand, is fraai vormgegeven en prijkt met meer dan honderd illustraties, waaronder een aantal in kleur.    

    Zodra je begint te lezen besef je meteen hoe weinig je eigenlijk weet over Lehmann. Oké, hij was veelzijdig: danser, dichter, schrijver, vertaler, jurist, gepromoveerd archeoloog. Oké, hij had een hang naar het lichtvoetige, surrealistische, originele, vernieuwende – maar toch: wat weet je dan eigenlijk over iemand? Je komt bijvoorbeeld te weten dat Louis Lehmann als kind Loukie werd genoemd, dat hij geen broertjes of zusjes had en dat hij een zeer innige band had met zijn moeder, of liever: zijn moeder met hem. Zo hield zij hem thuis toen het tijd werd voor de kleuterschool. Zij bracht in die jaren Loukie zelf wel het nodige bij.   

    De jonge dichter

    Het ontvankelijke kind leerde vervolgens op de lagere school vriendjes kennen, en ontwikkelde zich voor het overige aanvankelijk ‘normaal’ – halverwege de jaren dertig dient zich een interesse aan voor jazz, een muziekvorm die toen in Nederland nog als origineel en avantgardistisch gold. Op de middelbare school begint hij als 17-jarige met het schrijven van gedichten die via een schoolvriend onder ogen komen van Adriaan van der Veen. Van der Veen was secretaris van Jan Greshoff, die vanuit Brussel de redactie bestierde van het tijdschrift Groot-Nederland. Een en ander leidde voor Lehmann tot een komeetachtige entree in de Nederlandse literatuur op zeer aanvallige leeftijd, wat hem de bijnaam ‘Rimbaud in de polder’ opleverde, evenals de kwalificatie ‘wonderkind’. Schijnbaar immer geneigd tot relativeren was Lehmanns eigen commentaar jaren later hierop laconiek: ‘Zeventien jaar is een heel gewone leeftijd om verzen te schrijven. Als je de literatuurgeschiedenis doorkijkt dan zijn er niet anders dan wonderkinderen geweest.’ 

    Lehmann ontwikkelde een enorme poëtische productie die voor de oorlog vooral geplaatst werd in het toen nieuwe literaire jongerentijdschrift Werk. In januari 1940 debuteerde Lehmann – 19 jaar oud – door een misverstand met twee bundels in één maand: Subjectieve reportage als deel van de serie ‘De vrije bladen’ en de bundel Dag- en nachtlawaai, bij uitgeverij Stols in Den Haag. Menno ter Braak was niet zuinig in zijn recensie in de krant: hij vond dat Lehmanns poëzie ‘verbijstert door originaliteit en veelvoudigheid’. Ondertussen was Louis Lehmann – mede door zijn interesse voor het surrealisme – in contact gekomen met de jonge cineast Emiel van Moerkerken en de dichter Chris van Geel. En zo ontrolt zich een bestaan. 

    Verhuizen in oorlogstijd 

    Gek genoeg is de aandacht in deze biografie voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het bombardement op Rotterdam relatief gering: wel verhuist Lehmann met zijn moeder naar Arnhem, en vandaar naar Utrecht, Amsterdam, Leiden; hij leert meer mensen kennen, vergroot daardoor zijn artistieke netwerk, vriendinnetjes dienen zich aan. In Leiden is ook voor het eerst sprake van werk. Waar hij daarvoor van leefde blijft onduidelijk. In de loop van 1942 worden de gevolgen van de oorlog voor Lehmann voelbaar. Hij moet zich melden als SS-vrijwilliger, er wordt hem gevraagd lid te worden van de Kultuurkamer, Joodse vriendinnen krijgen het steeds moeilijker (en overleven ten slotte de oorlog ook niet). In schril contrast daarmee is het leven dat Lehmann kennelijk tamelijk onbekommerd wist te leiden. Coördinatiepunten blijven poëzie, uitstapjes, contacten met vriendinnen en vrienden; Jaap van der Bent doet het allemaal degelijk uit de doeken. Lehmann rolt erdoor, schijnbaar door een ‘gebrek aan ernst’. Simpel voorbeeld: de oproep van de Wehrmacht maakt Lehmann wel bezorgd, maar ten slotte reageert hij er helemaal niet op – en hoort ook niets meer. Lehmann verkent de mogelijkheden van het prozaschrijven, wordt in Leiden bewonderd door jonge fanatieke poëzielezers en levert talrijke bijdragen aan het unieke tijdschrift-in-één-exemplaar ‘De schone zakdoek’; voor het contact met de makers reist Lehmann af en toe naar Utrecht. Maar in de loop van 1944 duikt hij onder om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Hij leed honger en verveelde zich – maar overleefde alles ongedeerd.  

    Lehmann is vierentwintig als de oorlog is afgelopen. Hij mag dan jong zijn gedebuteerd, voor het overige lijkt hij overal in zijn leven tamelijk laat aan te zijn begonnen. Na de oorlog gaat hij rechten studeren en leeft zich uit in Leiden. Hij maakt muziek, verkeert met vrienden en vriendinnen en is – zoals hij in 1964 liet optekenen – ‘bezig om niet meer te schrijven’. Wel publiceerde hij besprekingen; maar Lehmanns Verzamelde gedichten [sic] kwamen in 1947 uit zonder zijn bemoeienis, ‘omdat hij daar geen zin in had’. Lehmann was de dertig al ruimschoots gepasseerd toen hij in het voorjaar van 1952 zijn studie afrondde en mr. in de rechten werd.

    Eerste roman en werkloos leven

    Hij verwerkte zijn ervaringen als student in de roman Tussen Medemblik en Hippolytushoef (1963). Opmerkelijk is overigens dat hij – als afgestudeerd jurist, in het begin van de in Nederland zo brave en burgerlijke jaren ’50 – er niet in slaagde werk te vinden. Hij probeerde het wel, maar het mislukte telkens. Hij hield zich in leven met schamele en tijdelijke baantjes; voordeel voor Lehmann was dat hij zijn leven lang van weinig kon rondkomen. Voor het overige besteedde hij zijn tijd aan contact met (literaire) vrienden, een verblijf van een paar maanden in Parijs en aan het schrijven van tientallen bijdragen, jarenlang, voor het tijdschrift Litterair paspoort, soms zeer lange stukken, origineel en degelijk en voornamelijk voor het geld. De bundel gedichten en de roman die hij publiceerde leverden niets op. Bovendien was Lehmann begonnen aan een nieuwe studie: klassieke talen ditmaal, met het oog op inbedding van zijn archeologische belangstelling. Daaraan kon hij meer toegeven na het behalen van zijn kandidaatsexamen in 1957. Archeologie studeren betekende vanaf dat moment ook soms graven, ‘het echte werk’, aldus Lehmann. Opmerkelijk genoeg inspireerde het hem ook weer tot het maken van poëzie.

    Hij studeerde, reisde, had af en toe een vriendin, woonde in een klein en oncomfortabel kamertje  op de hoek van de Herengracht en de Amstel. Kortom voor een man van tegen de veertig hield hij het echte leven wel enigszins op afstand. Zonder ernst of diepgang was het overigens niet. In 1959 ging Lehmann in psychoanalyse, welke behandeling meer dan tien jaar zou duren – zonder veel effect, aldus de cliënt zelf achteraf. Een uitvloeisel daarvan was dat, als Lehmann niet meer wist wat hij zeggen moest, hij overstapte op het gebruik van niet bestaande woorden. Dit inspireerde hem vervolgens weer tot een lang verhaal dat jaren later, t.g.v. Lehmanns negentigste verjaardag werd gepubliceerd. Contacten met verschillende Engelse vriendinnen leidden in één geval bijna tot een huwelijk – maar op het laatste moment ging het niet door. In 1960 ontmoette Louis Lehmann Alida Beekhuis die ruim vijftig jaar zijn levensgezellin zou blijven, zij het met wisselende intensiteit en een zekere mate van afstand: wat hen vooral bond was nieuwsgierigheid naar heel verschillende dingen. In een ruime maar armelijke en primitieve etage aan een Amsterdamse gracht beleefden zij een onstuimige en romantische tijd. 

    Muziek en Live performance

    Aanvankelijk was Geert van Oorschot zijn uitgever, maar in die tijd brak Lehmann brak met hem en werden zijn nieuwe dichtbundels uitgegeven bij De Bezige Bij. Daar ontmoette hij veel vrienden en bekenden en deed er ook enig vertaalwerk op. Poëzie intussen, werd in samenspraak met andere dichters, uit binnen en buitenland, meer en meer vermengd met muziek (vooral jazz) en optredens: live performance, waarvan de beroemdste manifestatie een poëzieavond in Carré was. Lehmann was toen overigens de enige die zijn optreden zelf voorzag van een muzikale noot (mondharmonica). Wat niet wegneemt dat de maatschappelijke loopbaan van Lehmann maar niet van de grond wilde komen. Hij weet dat meer en meer aan ‘de poëzie’, en nam er dan ook afstand van. Af en toe publiceerde hij nog een los gedicht in een tijdschrift maar er verschijnen geen bundels meer en een interview over poëzie loopt uit op een mislukking. Tegelijkertijd probeert Lehmann – begin 1962 eindelijk afgestudeerd als archeoloog – binnen dit vakgebied werk te vinden in de vorm van losse betrekkingen bij projecten in onder andere Engeland en de V.S. Voor het overige lijkt Lehmann vooral een afzijdige passant te zijn. Tegelijkertijd blijft hij open staan voor- en genieten van actuele ontwikkelingen op cultureel en artistiek gebied. Met dichten is hij gestopt, dansen doet hij des te meer; niet professioneel, wel met grote ernst en toewijding en tot op hoge leeftijd.          

    Dat Lehmann er niet in slaagt ‘echt’ werk te vinden frustreert hem meer en meer, wat hem wrokkig maakt en afstand doet nemen van vrienden en bekenden die wat dat betreft meer succes hebben. De poëzie heeft hij kennelijk blijvend vaarwel gezegd; wel helpt hij buitenlandse vrienden bij een optreden voor Poetry International in Rotterdam, maar zelf richt hij zich vrijwel uitsluitend op de archeologie. Daarbij blijkt steeds nadrukkelijker zijn interesse voor en deskundigheid ten aanzien van scheepsarcheologie. Het mondt uit in enkele serieuze publicaties en een tijdelijk baantje. Dat laatste krijgt na afloop een verrassend vervolg, in de vorm van een heuse werkloosheidsuitkering. Per 1 december 1978 ontvangt Louis Lehmann voor het eerst van zijn leven een geregeld inkomen, dat in vergelijking met wat hij gewend was niet eens zo slecht was.   

    Lehman op de radio

    De uitgave in 1981 van een bloemlezing uit het befaamde tijdschrift-in-één-exemplaar De schone zakdoek, die ondanks het beruchte elfde gebod toch poëzie van Lehmann bevatte, betekende voor het eerst in vele jaren een mogelijk nieuw momentum voor de dichter Lehmann. Maar tot zijn opluchting werd daar betrekkelijk weinig aandacht aan besteed. Wel manifesteerde Lehmann zich onder begeleiding en aanmoediging van VPRO-radiomaker Wim Noordhoek meer en meer als liefhebber van alle mogelijke soorten van muziek. Deze samenwerking zou meer dan dertig jaar duren, allerlei stijlen en invloeden kwamen voorbij, evenals Lehmanns eigen composities. Intussen ontwikkelde zich ook zijn archeologische specialisme ten aanzien van de Griekse galeischepen, wat uitmondde in twee publicaties die serieus besproken werden.

    Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon: Lehmann raakte in de loop van de jaren tachtig opnieuw betrokken bij de poëzie, zij het niet die van zijn generatiegenoten maar meer in de punkscene. Uitgerekend in kringen van krakers bij hem in de buurt treedt hij weer eens op. Hij komt in contact met Diana Ozon, met wie hij bevriend raakt, en publiceert in een lokaal blaadje weer eens een gedicht, zonder dat het iemand opvalt overigens. En dat was eigenlijk maar goed ook, want wie hem dichter noemde kreeg het namelijk fors met hem aan de stok, zoals Anton de Goede bemerkte na publicatie van een artikeltje in de VPRO Gids waarin hij Lehmann weer eens typeerde als (voormalig) poëtisch wonderkind. Lehmann bleef het dichterschap beschouwen als iets dat anderen kennelijk steeds heel belangrijk vonden; zelf meende hij dat zijn poëzie hem in zijn maatschappelijke loopbaan alleen maar last had bezorgd. 

    Levensgezellin Alida Beekhuis

    Mede daarom zon hij op een manier om zijn archeologische inspanningen en publicaties te bekronen met een proefschrift. Aanvankelijk waren de vooruitzichten slecht, maar door zijn kennismaking met Fik Meijer, met wie Lehmann goed kon opschieten, kwam die mogelijkheid alsnog in beeld. Het proefschrift, getiteld The polyeric quest. Renaissance and Baroque theories about ancient men-of-war verscheen in 1995 en op zijn 75ste mocht Louis Lehmann zich doctor noemen. Zijn levensgezellin Alida Beekhuis begeleidde een en ander even pragmatisch als liefdevol. Het was vooral om praktische redenen dat Beekhuis en dr Lehmann in 2000 alsnog in het huwelijk traden, op de soberst denkbare wijze, met alleen de getuigen als aanwezigen. In datzelfde jaar verscheen ook een bundeling van Lehmanns verzamelde gedichten – een boek van bijna 700 pagina’s – waarin hij eindelijk had bewilligd, mede omdat hij goed aanvoelde dat Alida daar prijs op stelde. 

    Bewonderenswaardige hoeveelheid informatie

    Lehmann bleef artistiek actief op allerlei vlakken – onder andere optredens te Ruigoord – maar natuurlijk gingen de jaren tellen, met onvermijdelijke gezondheidsklachten van dien. Er bleef aandacht bestaan voor Lehmann van hen die het goed met hem meenden, en bij diverse evenementen en festiviteiten was hij aanwezig – maar geleidelijk aan ging meer en meer langs hem heen. De gevolgen van zijn gezondheidsproblemen leidden in november 2012 tot het einde.     

    In deze biografie is een bewonderenswaardige hoeveelheid informatie bijeengebracht. Op zichzelf is de speelse, originele en ongrijpbare figuur Lehmann merkwaardig en veelzijdig genoeg voor een boek van deze omvang. Al had het boek gewonnen bij iets meer speelsheid.  Het is nogal opsommerig en werkt gestaag Lehmanns leven af, van begin tot eind. Informatief, zeker, boeiend ook, maar tegelijkertijd braaf. De hamvraag van zijn kunstenaarschap: ‘Waarom stopt een schrijver op enig moment met schrijven en houdt dat vervolgens dertig jaar lang vol?’ wordt door de titel van de biografie niet helemaal beantwoord. Lehmann was niet zozeer een dichter ‘die het niet wilde zijn’. Hij was de dichter die hij was. Hij wilde niet een dichter zijn zoals die blijkbaar behoorde te zijn in de ogen van anderen. Aan dat beeld wilde hij niet voldoen: niet zozeer principieel of onverzettelijk… zelfs in dat standpunt was hij onzwaarwichtig lijkt het. Maar het lot van wie publiceert is nu eenmaal dat anderen zich over die publicaties uitlaten. En daar moest Lehmann mee dealen. Dat hij dat deed op eigen, uitzonderlijke wijze, neemt de lezer  voor de man in, als de dichter die hij tegen wil en dank was, als veelzijdig en toegewijde dilettant op tal van andere artistieke gebieden en als mens. 

     

     

  • Oogst week 14 – 2022

    Filter 29:1

    Filter, tijdschrift over vertalen, brengt elke editie verhalen die uit de ervaringspen van vertalers zelf komen. Vertalen is een kans je te verdiepen in een werk dat nog niet eerder door taalgenoten gelezen werd. Daar komen verhalen uit voort. In deze editie, met het thema ‘De geuren van het voorbije jaar’, wordt er teruggeblikt op vertaaljaar 2021. Schrijver Daniël Rovers doet in een column verslag van zijn eenmalige vertaalervaring. Hij waagde zich ooit samen met vertaler Iannis Goerlandt aan een vertaling van David Foster Wallace’s (nagelaten) roman The Pale King. Wat hij ontdekte was, dat vertalen niet is, er een toegankelijke tekst van te maken. Vertalen is een mentale krachttoer om ‘je over elk woord, elke zin van een compleet boek te willen buigen’, een werk dat nooit ophoudt. En ook, ‘een vertaler is net als de schrijver, nergens zonder een meedogenloze corrector.’

    Wat je eraan overhoudt is in het geval van Rovers naast een hernia ook een speciaal oog voor vertalingen gekregen. Want, concludeert hij, ‘het is een voorrecht als je een tekst in de oorspronkelijke versie kunt lezen, maar als ze niet in je moedertaal is geschreven (en heus, je Engels is minder uitgelezen dan je denkt) zie je talloze nuances over het hoofd.’ Ook kan hij nu oprecht genieten van een ‘vlekkeloze vertaling – dat zijn er verrassend veel, als je nagaat hoeveel moeite het kost om zelfs maar één pagina perfect te krijgen.’ Met bijdragen van Ton Naaikens, over onder meer het redden van woorden; Janne van Beek, met een ‘objectieve wetenschappelijke’ maar begeesterde analyse van de vertaling van Bluets. Bespiegelingen in blauw van Maggie Nelson door Nicolette Hoekmeijer. En meer, veel meer voor geïnteresseerde lezers die vertaalde literatuur willen lezen.

     

    Filter 29:1, De geuren van het voorbije jaar
    Koop hier: Bazarow ISBN 9789493183117

    Filter 29:1
    Auteur: Ton Naaikens, Michiel Krielaars, Miek Zwamborn e.a.
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Afscheid

    Van de novelle Afscheid, van de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994), luidt de eerste zin: ‘Ik zou willen dat ik van de man, de eerste keer dat hij de winkel binnenkwam, alleen zijn handen had gezien; traag, bedeesd en onbeholpen, bewegend zonder veel vertrouwen, lang en nog niet gebruind, verontschuldigden ze zich voor hun ongeïnteresseerde manier van doen.’
    Deze zin roept vragen op, maakt nieuwsgierig. Zo suggereert, ‘de eerste keer dat hij de winkel binnenkwam’, dat de man er vaker kwam. Degene die in de winkel was, zag zijn handen, maar vermoedelijk zag hij meer van deze man, dingen waarvan hij/zij later wenste ze niet gezien te hebben. Er spreekt spijt uit deze zin, maar waarvan? De beschrijving van die handen laten een hele persoonlijkheid zien, en waarom waren ze ‘nog niet gebruind’?

    Afscheid gaat over een succesvolle basketbalspeler die met tuberculose wordt opgenomen in een sanatorium. De aanwezige gasten vertrouwen hem niet, roddelen over hem. De verteller – de man van de eerste zin – brengt met verwondering en genegenheid het doen en laten van de sportman in herinnering. Er komen brieven voor hem, hij ontvangt bezoek van twee vrouwen (maar wie zijn dat?). Flarden van gesprekken, observaties en de herinneringen van de verteller creëren een mysterieus netwerk van onwaarschijnlijke relaties die spelen in het Argentinië van de jaren vijftig.

    Onetti werd geboren in Montevideo en stierf in ballingschap in Madrid. Ondanks dat hij een solitair schrijver was, behoort hij met García Márquez, Jorge Louis Borges en Mario Vargas Llosa tot de vier belangrijkste schrijvers van Latijns-Amerika. Mario Vargas Llosa was een bewonderaar van Onetti, noemde hem een groot meester van de moderne novelle. Volgens Vargas Llosa schreef hij een proza dat niemand beoefende en introduceerde Onetti als eerste Spaanstalige schrijver het modernisme in zijn verhalen.

    Met jaarlijks een uitgave van een van zijn zeven korte romans, wil Uitgeverij Kievenaar deze schrijver herintroduceren. Afscheid is de eerste van deze uitgaven.

    In een interview op Youtube spreekt Vargas Llosa (Spaanstalig) vol enthousiasme over het werk van Juan Carlos Onetti.

    Afscheid
    Auteur: Juan Carlos Onetti
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar

    Een onverwachte broederschap

    De roman Een onverwachte broederschap van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf, beschrijft een situatie waar we heden mee te maken hebben, ‘de schipbreuk van de beschaving’. Spelers in de roman zijn Alec, een perstekenaar met een uitstekende staat van dienst en een schrijfster van een cultboek die zich beiden, onafhankelijk van elkaar op een afgelegen eiland in de Atlantische Oceaan hebben afgezonderd. Ze hebben amper contact met elkaar, tot zich een groot elektriciteit-storing voordoet en communicatie met de rest van de wereld onmogelijk is. De wereld blijkt op de rand van een kernoorlog te staan. De schipbreuk der beschavingen lijkt een feit. Wie gaat de wereld redden?

    In deze roman komt de wereld tot stilstand en die resoneert met de wereld waarin we nu leven. In een interview in de NRC zei Malouf daarover: ‘We zijn op het moment beland dat we ons moeten afvragen wat voor wereld we willen. De wetenschap en de techniek hebben grote hoogten bereikt, maar er is geen wereldorde meer die die naam waardig is. De wereld kan niet meer functioneren met landen die politiek bedrijven vanuit identiteitsdenken; dat leidt tot de ondergang. We hebben al onze verbeeldingskracht nodig om ons voor te stellen hoe de wereld eruit moet gaan zien, hoe hij geleid moet worden. We móéten onze manier van met elkaar omgaan veranderen, anders gaan we ten onder.’ Een belangrijk boek!

    Een onverwachte broederschap
    Auteur: Amin Maalouf
    Uitgeverij: Uitgeverij Davidsfonds
  • Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    In november van dit jaar verscheen er een biografie van L.Th. Lehmann, die in 1920 werd geboren in Rotterdam en in 2012 in Amsterdam overleed. Het is een open deur om deze kunstenaar te kwalificeren  als ‘veelzijdig’, maar toch: Lehmann was dichter, danser, componist, romancier, vertaler en recensent. Hij tekende en maakte collages, en bovendien studeerde hij rechten en archeologie, welke laatste studie hij op 75-jarige leeftijd bekroonde met een proefschrift over Griekse galeischepen. Lehmanns biograaf Jaap van der Bent noemt hem ingevolge deze veelzijdigheid niet zozeer een homo universalis, wel een multitalent, maar bovenal: ‘de perfecte amateur’.  

    Dertig jaar geen poëzie

    Als dichter werd Lehmann onder meer bekend omdat hij tussen 1966 en 1996 juist in het geheel géén poëzie publiceerde (na tussen 1940 en 1966 minstens negen bundels te hebben gepubliceerd, waaronder zelfs – op 27-jarige leeftijd – een uitgave met de titel Verzamelde gedichten). En omdat Lehmann ook weigerde gedichten bij te dragen aan bloemlezingen (‘Gij zult niet bloemlezen’) dreigde zijn werk in de vergetelheid te geraken. In 2000 – het jaar dat de dichter tachtig werd – verscheen een verzamelbundel van bijna 700 pagina’s, die een bundeling behelsde van zijn werk uit de periode 1939-1998. Sindsdien verschenen nog tal van grotere en kleine publicaties – zelfs een kookboekje – mede gepubliceerd in eigen beheer door Lehmanns levensgezellin Alida Beekhuis, onder het imprint Gouden Reaal. 

    De biografie is een goede aanleiding om een bundel gedichten van Lehmann voor de dag te halen, een van zijn laatste ‘reguliere’ publicaties bij De Bezige Bij, Wat boven kwam. Meteen de opening van de bundel zet al de toon.

    ‘Van mij kan men zeggen
     dat ik mij verlies
     in kleinigheden.
     Maar ook
     dat ik mij erin vind.’

    Klankgedichten

    Wat volgt is een verzameling gedichten in allerlei vormen, soms vrij en kort, soms een rijmend sonnet. We komen verwijzingen tegen naar onder meer Nietzsche, Mozart, Bach, Albert en Jacob Cuyp, Rudy Kousbroek, Stendhal, Longfellow. Er zijn gedichten over vogels in de stad, en over enkele plaatsen, zoals Ruigoord, Brussel, Rio de Janeiro, Parijs (in 1953) en het zuiden van de V.S. Evident is ook Lehmanns liefde voor surrealisme, taalspel en speelsigheid in het algemeen, wat bijvoorbeeld blijkt uit een zuiver klankgedicht als, 

    ‘Pseudo-dada

     Rellebelère umta
     kroeboel
     uswoziwoe holar
     krepasruum
     jalspi
     uurnamuurnam jofi
     bralbam
     snilsko
     jupatfotla
     bidorwummis klarg
     iskato
     joebltka feerfo.’

    Wie mocht denken dat deze merkwaardige dichter alleen met opgewekte producten voor de dag komt kunnen we uit de droom helpen (zoals hij mogelijk zichzelf uit een droom hielp) met: 

    ‘Waar verhaal

     De toekomst is dit:
     dat vlees en botten
     ’t bewustzijn afdanken
     en dan gaan rotten.’

    Het kortste gedicht in de bundel telt drie regels, het langste drie bladzijden. Zoals de kunstenaar Lehmannn niet te vangen is, zo is het eveneens met zijn gedichten. Want hij sluit deze uitgave ook nog eens af met drie gedichten van de Zwitsers-Argentijnse dichteres Alfonsina Storni (1892-1938), die Lehmann uit het Spaans vertaalde. Kortom, een bundel als Wat boven kwam vormt een prima opmaat naar een (hernieuwde) kennismaking met deze onnederlands speelse, originele en veelzijdige dichter. En het mooie is dat tegelijk met de biografie er ook een keuze uit het dichtwerk van Lehmann verschenen is, getiteld, ‘Gij zult niet bloemlezen, samengesteld door Erik Bindervoet. 

     

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann / Jaap van der Bent / 512 blz. /AFdH-uitgevers.
    Gij zult niet bloemlezen, Een keuze uit de poezie van Louis Lehmann / samenstelling Erik Bindervoet / AFdH uitgevers.
    Luister hier naar een marathoninterview (1990) van de VPRO met Louis Lehmann.

     

  • Oogst week 46 – 2021

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden

    De titel Winteren van de Engelse schrijfster Katherine May (1977) is beeldspraak voor het omgaan met moeilijke, zware periodes in het leven, zoals ziekte, zorgen, te veel werk, verlies. May interviewde mensen daarover en tekende de gesprekken op, niet van plan om ook introspectie een plaats te geven in het boek dat speelt van de herfst tot eind maart. Maar ‘het persoonlijke deel bleef maar op de deur kloppen’, zegt ze in een interview, waarna ze ook haar eigen bespiegelingen en beschouwingen over problemen opnam. Want een plotselinge ziekte in haar familie had haar onzekerheid en afzondering gebracht. Uiteindelijk vond ze kracht in de veranderingen en overlevingsmechanismen van de natuur en in de ervaringen met ‘winteren’ van anderen. Winteractiviteiten hielpen haar erbij: ze ging ijszwemmen, baadde in IJslandse bronnen, nam deel aan een zonnewendeviering in Stonehenge en zocht het noorderlicht.

    Ook kinderboeken spelen een rol in Winteren omdat verdriet als feit in kinderliteratuur veel meer aanwezig is dan in volwassenenliteratuur. Net als in de natuur is de donkere periode van het leven een tijd om zich terug te trekken, stil te staan, te rusten en te herstellen. En daarin het proces herkennen, begrijpen, verzorgen, leren de kou lief te hebben en zien dat dit soort periodes net als de seizoenen komen en gaan, maakt May duidelijk. Winteren is wereldwijd een bestseller.

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden
    Auteur: Katherine May
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    Gij zult niet bloemlezen

    ‘Portret van een homo universalis’, staat er op de website van Louis Th. Lehmann. Hij was een Nederlandse dichter en behalve dat een internationaal bekende scheepsarcheoloog. Daarnaast was hij  onder meer vertaler, essayist, componist en muziekkenner en vooral een scherpzinnige vrijdenker. Dat deze veelzijdige man nog een website heeft lijkt in eerste instantie opmerkelijk want hij is al jaren geleden overleden (1920-2012). De website is dan ook in beheer bij De Bezige Bij en Alida Beekhuis, de weduwe van Lehmann.

    Erik Bindervoet (vertaler, schrijver, dichter en tekenaar) publiceert nu Gij zult niet bloemlezen, een bloemlezing uit de gedichten van Louis Lehmann. Hij illustreerde het boek ook. De frappante titel is ontleend aan een opvatting van Lehmann zelf, die in een interview in de Volkskrant (december 2000) zei: ‘Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen,’. Lehmann hoopte met zijn gebod een massabeweging op gang te brengen. Wat niet gebeurde. Ook Erik Bindervoet, die Lehmann persoonlijk kende en behalve een nawoord in een van diens boeken een autobiografisch gedicht over zijn eerste ontmoeting met hem schreef, trok zich niets van die uitspraak aan. Hij grasduinde met veel plezier in Lehmanns fantasierijke werk en koos voor zijn bundel ongeveer 200 gedichten die hij in thema’s als varen, reizen, muziek, jonge jaren en steden onderverdeelde. ‘Deze dichter,’ zegt Bindervoet, ‘is van zichzelf al een complete bloemlezing van de Nederlandse poëzie van de 20ste en de 21ste eeuw tot dusver.’

    Gij zult niet bloemlezen
    Auteur: Erik Bindervoet
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers 2021

    De goede dood

    De vader van de jonge arts Franz Czekalski was ooit een beroemde operazanger, maar ook een pionier van de vroege fascistische Broederbond. Nu is hij dementerend en verhuist hij met Franz naar het provinciestadje Houweningen, waar de fascisten de scepter zwaaien en waar zijn zoon heel gemakkelijk een baan vond als huisarts, als enige huisarts. Franz zorgt voor zijn vader, wat bij de inwoners van het stadje vragen oproept. Er zijn toch oplossingen voor een geval als zijn vader? Mensen boven de zeventig, andere onrendabelen en andersdenkenden of mensen die een klein vergrijp hebben gepleegd, worden in Houweningen geëuthanaseerd of in Kamp de Sluis gezet. Maar zijn vader een spuitje geven gaat Franz te ver.

    Jongens uit het kamp worden als dwangarbeiders te werk gesteld op de dijk, waaraan Franz en zijn vader in het laatste huis wonen. Franz krijgt al snel bedenkingen tegen het kamp. Ondertussen raakt hij verliefd op zijn buurvrouw Meeke, die een relatie heeft met de machtigste man van het stadje. De burgemeester vraagt Franz als voorzitter van een commissie die feestelijkheden voor een door de dwangarbeiders aangelegde dijk coördineert. Een van de dwangarbeiders is een zoon van de burgemeester en halfbroer van Meeke. Hij ontsnapt uit het kamp en vraagt Franz bij hem te mogen onderduiken. Behalve dat Franz in een machtsstrijd verwikkeld raakt, komt hij ook voor een morele keuze te staan.

    Klaas ten Holt is componist, gitarist, schrijver, columnist en dichter. De goede dood is zijn tweede roman.

    De goede dood
    Auteur: Klaas ten Holt
    Uitgeverij: Podium 2021
  • Oogst week 45 – 2021

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann

    Afgelopen zaterdag zijn er twee uitgaven over en van Louis Lehmann gepresenteerd . Allereerst is er een biografie door Jaap van der Bent onder de titel De dichter die het niet wilde zijn. De auteur zegt in een interview:  ‘Ik zou hem niet een homo universalis willen noemen, zoals sommigen doen. Hoewel hij natuurlijk wel heel veelzijdig was: hij schreef poëzie en proza, recenseerde literatuur en vertaalde, was jurist en archeoloog, componeerde en speelde muziek en was een goed danser. Ook maakte hij collages en tekende. Een multitalent was hij zeker. Ik zou hem de perfecte amateur willen noemen, althans in zijn beeldende werk’.

    Lehmann overleed in 2012 toen hij 92 was. Kort daarvoor kreeg hij een eigen website. Hoewel hij niet op publiciteit uit was schijnt hij er toch wel trots op te zijn geweest.
    Tegelijk met de biografie verscheen Gij zult niet bloemlezen!, een keuze uit de gedichten van Lehmann door Erik Bindervoet. Hij verzorgde ook een nawoord. Veel gedichten van Lehmann zijn licht van toon en gebaseerd op woordspelletjes. Zoals het bekende Gesprek tussen twee muizen:
    Piep. / Piep. / Piep? / Piep. / Piep. / Piep, piep! / …Piep? / Piep. / Piep, piep, piep. / Lievier tierks dien pieps / Jiep! Piep, piep, piep? Piep…

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann
    Auteur: Jaap van der Bent
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers

    de verschroeiden

    In de eerste zinnen van de verschroeiden (inderdaad zonder hoofdletters) van Antonio Ortuño wordt Gloria, een sociaal werkster in Santa Rita, vlakbij een migrantenopvangcentrum neergeschoten: ‘De politie had geen goede naam bij de inwoners van Santa Rita. Als iemand de moeite zou nemen een lijst op te maken van klachten over de plaatselijke agenten, zouden in geen geval ontbreken: afpersing (van winkeliers en prostituees), verkrachting (van prostituees en hier en daar een willekeurige passant), mishandeling (van de zwervers die in de buurt van het station bivakkeerden, en alweer, prostituees) en diefstal (de politie had de gewoonte cola te drinken bij de buurtwinkel en zonder te betalen te vertrekken)’.
    Geen wonder dat niemand onder de migranten die getuige zijn geweest van de schietpartij iets tegen de politie wil zeggen. Als er brand uitbreekt in het centrum trekt sociologe Irma op onderzoek uit. Ze raakt verstrikt in het web van geweld en corruptie.

    de verschroeiden
    Auteur: Antonio Ortuño
    Uitgeverij: Podium

    De verlossing van Jacob Smallegange

    Rinus Spruit is een laatbloeier in de literatuur. De in 1946 geboren Zeeuw baarde in 2009 opzien met zijn lovend gerecenseerde debuut De rietdekker. In 2013 volgde Een dag om aan de balk te spijkeren, in 2019 De wonderdokter (naar het dagboek van een Zeeuwse plattelandsarts) en nu is er De verlossing van Jacob Smallegange. Alle romans (en zijn korte verhalen) spelen in Zeeland. In de nieuwe roman doet Gerard Stroband onderzoek naar de hoge zuigelingen- en kindersterfte op de Bevelanden rond 1900. Hij verwerkt zijn bevindingen in een boek over vroedmeester (de mannelijke beroepsgenoot van de vroedvrouw) Jacob Smallegange die in Sabbingedijk werkt: Stroband ‘zag Smallegange lopen met over zijn schouder een juten tas met daarin de twee helften van de verlostang en nog wat andere apparatuur. Zoals alle vroedmeesters noemde Smallegange zijn verlostang ‘de ijzers’.
    Rinus Spruit is op 14 november te gast in het boekenprogramma Brommer op zee (NPO 2, 19:25)

    De verlossing van Jacob Smallegange
    Auteur: Rinus Spruit
    Uitgeverij: Cossee