• In memoriam Rob Molin (1947 – 2019)

    Geheel onverwacht is schrijver, essayist en recensent Rob Molin deze week overleden, zo meldde het Limburgs Dagblad. De in Maastricht wonende schrijver overleed in de Senegalese kustplaats Saly, waar hij een paar maanden per jaar woonde en werkte.

    Rob Molin studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1995 promoveerde hij op een proefschrift over de poëtica van Andriaan Morriën. Hij was een verwoed lezer van biografieën, essays en poëzie. Minder bekende of vergeten Nederlandse auteurs hadden zijn speciale aandacht. Dichters als Frans Budé en de essayist Huug Kaleis.

    Naast zijn werk als criticus en prozaschrijver, schreef Molin essays en kritieken voor de Poëziekrant, De Parelduiker – waarvoor hij over Adriaan Morriën, Fred Batten en Bertus Aafjes schreef – en De Gids. Van Morriën en Aafjes publiceerde hij eveneens biografieën. Ook recenseerde hij een tijd voor het Limburger Dagblad.
    Een selectie van zijn beschouwend werk werd in 2012 gebundeld in Terzijde van de vulkaan. Molin schreef twee romans en een verhalenbundel, In zijn tweede roman Najaarshof (2016) figureerden dichters, schrijvers en hun biograaf.
    Hij werkte nog aan een biografie van schrijver en dichter Roel Houwink, van wie hij vorig jaar een essaybundel samenstelde.

    Sinds 2016 recenseerde Molin non-fictie voor Literair Nederland. Hij vond het prettig dat deze recensies het woordenaantal dat gold voor recensies in dagbladen, mochten overschrijden. Elk jaar als hij naar Senegal vertrok, liet hij ons dat weten, dan stond het recenseren even op een laag pitje. Wanneer hij weer in het land was, liet hij ons dat weten. Nadat hij in januari van dit jaar zich had afgemeld, ontvingen we niet, zoals gebruikelijk, een mail dat hij weer in het land was en een boek wilde ontvangen ter bespreking. In oktober stuurden we hem nog een mail om te horen hoe het hem ging. Het bleef stil, tot gister bekend werd dat hij is overleden. Dat spijt ons zeer, we zullen een goed criticus en schrijver moeten missen.

    Rob Molin is 72 jaar geworden en zal in Senegal worden begraven. Dichteres Emma Crebolder, die veel met hem heeft samengewerkt, zal binnenkort een herdenkingsbijeenkomst houden voor hem, zo meldde het Limburger Dagblad.

    Recensies en andere bijdragen die Rob Molin de afgelopen drie jaar voor Literair Nederland schreef, zijn hier te lezen.

     

    Bibliografie

    Aardbeien in september. Verhalen (1988)
    Een dichte liguster. Roman (1992)
    Het heelal in de huiskamer. De poëticale opvattingen van Adriaan Morriën (1995)
    Lieve rebel. Biografie van Adriaan Morriën (2005)
    Over de brug (2005)
    Dat niets meer voorbijgaat. Over het werk van Frans Budé (2009)
    Terzijde van de vulkaan (2012)
    In de schaduw van de hemel. Biografie van Bertus Aafjes (2014)
    Najaarshof. Roman (2016)

    Bloemlezingensamengesteld, ingeleid en geannoteerd door Rob Molin

    Adriaan Morriën, Brood op de plank. Verzameld kritisch proza. 2 dln. Rob Molin (1999)
    Huug Kaleis, Gedreven door verwantschap. Essays over Willem Frederik Hermans. (2006)
    Roel Houwink, Mijn metgezellen. Over H. Marsman, J. Slauerhoff en Gerrit Achterberg. (2018)

  • Een overrompelende leeservaring

    Een overrompelende leeservaring

    Moussa of de dood van een Arabier raakt de lezer als een voltreffer. De winnaar van de Prix Goncourt 2015 doet je met een schok beseffen hoe we met westerse ogen kijken. Het boek zet vraagtekens bij De vreemdeling van Albert Camus en toont bovendien aan hoe weinig we van de geschiedenis leren.

    Om direct maar een misverstand te voorkomen, schrijver Kamel Daoud heeft groot respect voor Camus. Moussa is qua structuur en thema zelfs schatplichtig aan hem, maar tegelijk opent Daoud onze ogen voor wat Camus verzweeg.

    Eerst maar eens naar De vreemdeling van Camus. In die roman uit 1942 pleegt de Franse kantoorbediende Meursault op het strand van Algiers een moord op een Arabier die wraak zou willen nemen voor wat zijn zus was aangedaan. Voorafgaand aan die moord heeft Meursault zich onaangedaan getoond bij de begrafenis van zijn moeder. Hij wist niet eens precies hoe oud ze was bij haar dood. Hij rouwde niet, maar begon meteen erna een relatie met een zekere Marie, waarin hij evenmin blijk geeft van diepere gevoelens. Meursault wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld, niet vanwege de moord op de Arabier, maar omdat hij een maatschappelijke code schond: je hoort verdrietig te zijn om de dood van je moeder en het niet meteen daarna aan te leggen met een vriendin. Het zijn normen en waarden die door de maatschappij zijn opgelegd en waarvan Meursault de absurditeit aanvaardt, omdat hij leeft naar wat hem voor de voeten komt in het besef dat niets een hogere zin heeft en het leven tijdelijk is.

    Haroen
    Het vertrekpunt van Daoud is dat de Arabier die is vermoord in de roman van Camus, geen enkele rol speelt in de veroordeling van Meursault. Hoofdpersoon in Moussa is Haroen, de broer van de vermoorde, die in De vreemdeling 25 keer, zo heeft Haroen becijferd, als ‘de Arabier’ wordt aangeduid en niet één keer bij zijn naam wordt genoemd. Haroen is intussen ruim 80 jaar oud. In een bar vertelt hij een journalist hoe zijn moeder haar hele leven op zoek is geweest naar het lichaam van Moussa, haar meest geliefde zoon. Het lijk is nooit gevonden, en de moeder legde alle last van haar verdriet op Haroens schouders, voor haar de mindere zoon.

    Haroen was 7 jaar toen Moussa werd vermoord en hij begaat op zijn 27ste, in 1962, na de gevechten die zouden leiden tot de Onafhankelijkheid van Algerije, zelf ook een moord op de Fransman Joseph Larquais, in wiens huis hij na het vertrek van de Fransen met zijn moeder gaat wonen. Ook Haroen moet terechtstaan voor zijn misdaad. En ook in zijn geval speelt nauwelijks de moord op de Fransman een rol; wat hem verweten wordt is dat hij niet aan het Verzet heeft deelgenomen: hij had de Fransman moeten vermoorden vóór de Onafhankelijkheid.

    Haroen wordt niet veroordeeld, maar hij beseft dat zijn verhaal steeds meer samenvalt met dat van Meursault. Al veel eerder in de roman, als de lezer nog niet op de hoogte is van zijn daad, heeft Haroen al gezegd: ‘Voordat ik besefte in hoeverre hij en ik celgenoten waren (…)’.

    Ook in Haroens leven speelt een vriendin een rol met wie hij uiteindelijk niet de door hem gewenste relatie krijgt. Het is Meriem (vergelijk ‘Marie’ bij Meursault), een studente die hem heeft opgespoord omdat zij op zoek is gegaan naar ‘de Arabier’ uit De vreemdeling. Hij krijgt van haar het boek van Camus.

    Kolonie
    Moussa tilt het verhaal van Meursault in De vreemdeling daarmee uit boven een roman over de absurditeit van ons bestaan en stelt het tevens aan de kaak als een voorbeeld van de westerse verhouding tot de kolonies: ‘Over de moordenaar [van Moussa] wisten we niets. Hij was el-roemi, ‘de vreemdeling. (…) voor ons was hij de incarnatie van alle kolonisten, zwaar van alle gestolen oogsten’. En even verderop:  ‘Het was hier haast traditie geworden: als de kolonisten wegvluchten laten ze drie dingen voor ons achter: botten, wegen, en woorden – of moorden’.

    Is dat al een rijkdom die het bestaan van Daouds roman ten volle rechtvaardigt, de schrijver stelt bovendien de verlammende invloed van de islam op het moderne Algerije aan de orde. Staat en godsdienst dienen gescheiden te zijn. Religie is een privézaak voor Daoud. Of zoals hij Haroen in de roman laat zeggen: ‘Religie is voor mij openbaar vervoer waar ik geen gebruik van maak, ik hou ervan naar God te gaan, lopend als het nodig is, maar niet met een georganiseerde reis.’ Toen hij zich in een interview nog veel explicieter uitliet over de onwenselijke rol van het moslimfundentalisme, kwam hem dat op een fatwa van een salafistische imam te staan.

    Contra-expertise
    Deze aspecten in aanmerking nemend, is een vraagteken te plaatsen bij de vertaling van de titel van de roman in het Nederlands. In het Frans luidt die Meursault, contre-enquête. De Nederlandse vertaling Moussa of de dood van een Arabier legt de nadruk erg op het ontbreken van de naam van de vermoorde in Camus’ verhaal, terwijl de oorspronkelijke titel het hele proces van Meursault in ogenschouw neemt als een tegenonderzoek (in de roman zelf wordt contre-enquête vertaald als contra-expertise). In feite gaat de roman zelfs niet zozeer over de persoon Moussa als over hoe zijn dood bepalend is geweest voor het verdere leven van zijn moeder en zijn broer, maar ook over de omgang met zo’n daad en de geestesinstelling van de dader. Meursault zag Moussa als een wezen dat er niet toe deed. Dat brengt Haroen in de roman tot de uitspraak: ‘Wat me pijn doet, telkens als ik eraan denk, is dat hij hem heeft gedood door over hem heen te stappen, niet door hem neer te schieten.’

    De Nederlandse titel doet tevens tekort aan de manier waarop Haroen zijn eigen daad, de moord op de Fransman, spiegelt aan die van Meursault. Dat doet Daoud door in zijn roman Haroen een soortgelijk gesprek te laten voeren met een imam als Meursault dat in De vreemdeling heeft met een aalmoezenier.

    Intertekstualiteit
    Daarmee begeven we ons meteen ook in de literaire verknooptheid van Moussa met de roman van Camus door de grote intertekstualiteit. Daoud gebruikt tal van citaten en verwijzingen naar De vreemdeling.

    Meursault begint zijn relaas met de zin ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren. Ik weet het niet.’ Haroen zet in met ‘Vandaag is mijn moeder nog in leven.’ (Overigens weet Haroen evenmin als Meursault hoe oud zijn moeder is, maar anders dan bij die laatste is dat een gevolg van de administratie in de koloniale tijd, toen geboortedata van inlanders niet werden vastgelegd).

    En waar Meursault eindigt met ‘Om alles volmaakt te doen zijn, om me minder alleen te voelen, bleef mij nog slechts over te wensen dat er veel toeschouwers zouden zijn op de dag van mijn terechtstelling en dat ze mij met kreten van haat zouden begroeten’, is het Haroen die zijn toehoorder in de bar aan het slot van zijn relaas zegt: ‘Het is net de biografie van God. Ha, ha. Niemand heeft hem ooit ontmoet, zelfs Moussa niet, en niemand weet of zijn verhaal waar is of niet (…) Aan jou om die vraag te beantwoorden (…). Ik hoop ook dat er veel toeschouwers zijn, en dat hun haat groot is.’

    En zie de wending in het verhaal waarin Haroen de Fransman Joseph Larquais heeft gedood, waarin door een ontlening aan Camus wordt verwezen naar de moord door Meursault. De laatste doodde Moussa ’s middags om 2 uur in de brandende zon, Haroen pleegde zijn moord om 2 uur in de nachtelijke duisternis. Meursault, die eerst één keer en daarna nog viermaal op Moussa schoot, zegt daarover in De vreemdeling: ‘En het klonk als vier korte slagen waarmee ik op de deur van het ongeluk klopte’. Haroen loste twee schoten op Joseph en zegt daarvan: ‘Het klonk als twee korte slagen waarmee ik op de deur van de verlossing klopte’. Ketening tegenover bevrijding.

    Daoud grijpt ook in de constructie van zijn roman naar Camus.
    Haroen doet zijn verhaal op een barkruk in een lange monoloog tegen iemand die niets terugzegt, zoals de advocaat Clamence in De Val van Camus aan een zwijgende Amsterdamse cafégast vertelt hoe hij naliet een vrouw die zelfmoord pleegde daarvan af te houden.
    En de waarschuwing van Daoud tegen de (fundamentele) islam roept De pest, dat gaat over de menselijke reactie bij opkomend gevaar, in gedachten.

    Soms zit een verwijzing naar Camus in minieme details. Haroen vertelt bijvoorbeeld hoe hij klem zit tussen de dood van zijn broer en het verdriet daarover dat zijn moeder op hem overdraagt en beschrijft dat als ‘de absurde situatie waarin ik me bevond, namelijk dat ik een lijk naar de top van een berg moest duwen waarna het weer naar beneden tuimelde, en zo eindeloos door.’ Aldus verwijzend naar De mythe van Sisyphus van Camus.

    Opvallend, tot slot, zijn overigens ook de parallellen tussen Camus en Daoud zelf. Beiden werden geboren in Algerije, kwamen uit een arm, deels analfabetisch gezin, beiden begonnen als journalist en beiden schreven ze een verpletterende debuutroman, Camus De vreemdeling, Daoud Moussa of de dood van een Arabier.

    Samen vormen ze een overrompelende leeservaring.

     

    Opm: De gebruikte citaten uit De vreemdeling van Camus komen uit de vertaling door Adriaan Morriën.

  • Andorra brengt je in verlegenheid

    Andorra brengt je in verlegenheid

    Schrijver Max Frisch, Zwitser en gestorven in 1991, en schilder Marlène Dumas, geboren in 1953 in Kaapstad maar sinds 1976 wonend in Nederland, zouden het waarschijnlijk goed met elkaar hebben kunnen vinden als ze elkaar ooit hadden ontmoet.

    Een dergelijke ontmoeting tussen hen kan zich nu alsnog afspelen in het gemoed van de lezer/museumbezoeker die, net als ondergetekende, ongeveer tegelijkertijd het toneelstuk Andorra van Frisch leest en de overzichtstentoonstelling van Dumas in het Stedelijk in Amsterdam bezoekt. Van haar hangt daar onder andere The White Disease, geschilderd naar een portret van een patiënt met een huidziekte en een verwijzing naar de raszuiverheid die ideologieën als apartheid en het nazisme voorstonden. Veel van Dumas’ werk geeft je een ongemakkelijk gevoel omdat het knaagt aan de vooroordelen die we allemaal hebben op grond van beelden die zich in ons bewustzijn en onze manier van kijken hebben vastgezet.

    Het is een belangrijk thema in Andorra van Max Frisch: hoe we ons een oordeel vormen op basis van beelden die we geïntegreerd hebben en hoe die beeldvorming de identiteit van iemand bepaalt. En daarmee samenhangend: hoe we onze manier van kijken rechtvaardigen en te laf zijn om die los te laten.

    De centrale figuur in Andorra is Andri. Hij is door zijn biologische vader, een leraar uit Andorra, buitenechtelijk verwekt bij een señora uit het land der Zwarten. In dat land is zoiets een schande en om de señora die te besparen, keert de leraar met zijn kind terug naar zijn eigen land. Omdat hij ook daar niet voor zijn buitenechtelijke vaderschap durft uit te komen hangt hij het verhaal op dat het kind een joodse jongen is die hij gered heeft.
    De Zwarten staan bekend om hun Jodenhaat en de Witten uit Andorra zien zichzelf als een volk dat tolerantie en vrijheid hoog in het vaandel heeft. De vader trouwt in zijn eigen land en krijgt daar een dochter, Barblin. Andri groeit in dat gezin op.

    Later als Andri 20 is en Barblin 19 en de twee – niet wetend dat ze in werkelijkheid broer en zus zijn – verliefd worden op elkaar, vallen de Zwarten Andorra binnen. Om zijn zoon te redden vertelt de vader hem de waarheid, maar Andri gelooft hem dan niet meer. Zijn zelfbeeld is zo bepaald door hoe zijn omgeving steeds naar hem als een jood heeft gekeken, dat het zijn identiteit heeft gevormd. Hij beschouwt zich als jood en voelt zich lotgenoot van de joden over de hele wereld: ‘Heus, het is geen bijgeloof, het bestaat echt, mensen die vervloekt zijn en met wie je kunt doen wat je wilt. Ze hoeven je alleen maar aan te kijken en plotseling ben je wat ze van je zeggen’, stelt Andri al vroeg in het stuk.

    Frisch schreef Andorra in 1961. Het is verleidelijk het te zien als een afrekening met de Tweede Wereldoorlog en je de Zwarten voor te stellen als de nazi’s. Maar Frisch wierp die interpretatie verre van zich. Andorra is niet het dwergstaatje in de Pyreneeën, maar een model van een staat die zichzelf als rechtvaardig en gewetensvol beschouwt. Zo is ook het land van de Zwarten een model.
    In het stuk geeft Frisch tal van regieaanwijzingen die ervoor moeten zorgen dat de thema’s die hier aan de orde komen los worden gezien van één historische gebeurtenis of van aanwijsbare personen. Een sterk voorbeeld daarvan is dat de dramatis personae in de dialogen weliswaar met namen worden aangesproken, maar in de rolaanduiding types zijn: leraar, waard, meubelmaker, soldaat, pater enzovoort. Daardoor wordt het stuk geen terugblik op het nazisme en de Jodenvervolging, maar een actuele kritiek op discriminatie en rassenhaat. Wij, de toeschouwers bij een opvoering van het stuk, zijn behept met dezelfde stereotyperingen en vooroordelen die we voor onze ogen gepersonifieerd zien. Dat is dezelfde confrontatie die we ondergaan bij het kijken naar Osama Bin Laden of Mohammed B op de doeken van Dumas.

    Het achtste tafereel van Andorra is een prachtige illustratie van de mechanismen die onze beeldvorming ondersteunen. We zien daarin een groot deel van de bewoners van het witte Andorra op het stadsplein in gesprek met elkaar terwijl een inval van de Zwarten dreigt. De dokter vertelt dat hij uit vaderlandsliefde is teruggekeerd naar zijn land, maar eerder heeft hij in situaties waarin dat te pas kwam geventileerd dat hij in het buitenland niet is geslaagd omdat de joden zijn baan hadden ingepikt. De soldaat houdt vol dat hij zijn land tot de laatste snik zal verdedigen, maar na de inval zal hij de eerste zijn die overloopt naar de vijand.

    Als de Zwarten daadwerkelijk binnengevallen zijn wordt Andri tijdens een razzia als jood afgevoerd en Barblin voor jodenhoer uitgemaakt. Niemand neemt het voor hen op. Na bijna elk tafereel komt één van de typen op het voortoneel een verklaring afleggen, waarin alle bekende drogredenen om zichzelf schoon te wassen voorbijkomen: ‘Het is niet míjn schuld dat het allemaal zo gelopen is’ (de waard en de meubelmaker). In de verklaring van sommigen heeft Andri de slechte afloop ook wel een beetje aan zichzelf te wijten: ‘Ik wil niet beweren dat we hem goed behandeld hebben, maar dat lag toch ook aan hem, anders was het nooit zo gelopen’ (de gezel van de meubelmaker). Of ‘ik heb alleen gedaan wat ik als soldaat moest doen. Bevel is bevel’ (de soldaat). En: ‘Naderhand is het altijd erg gemakkelijk om te weten hoe je je had moeten gedragen (…) Maar we mogen niet vergeten dat het een overspannen tijd was’ (de dokter).

    Frisch kreeg in 1976 de Friedenspreis des Deutschens Buchandels. In zijn dankwoord zag hij het als taak voor de mensheid om ook in vredestijd vijandbeelden af te bouwen. Die onderneming is volgens hem niet minder dan revolutionair. Andorra maakt het duidelijk op een manier die je in verlegenheid brengt.

     

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Wee de dichter rond wie het angstvallig stil blijft na het verschijnen van diens verzameld werk. Zijn graf wordt blijkbaar weinig of niet bezocht. Het verschijnen van een kloek verzameld werk mag het leuk doen in de encyclopedie, het naleven van de dichter zelf is vaak meer gediend met een bloemlezing, bij voorkeur gekozen door een eigentijdse dichter. Rond Adriaan Morriën (1912 ? 2002) is het enige jaren stil geweest na diens overlijden. Hij verkeerde al die tijd in het voorgeborchte, maar nu, na 8 jaar, gloort er wat hoop met het verschijnen van deze bloemlezing Zoals een ster verstand heeft van het licht, gekozen en ingeleid door de dichteres Ester Naomi Perquin. Niet de eerste de beste en gelukkig ook niet iemand die je op het eerste gezicht met Morriën associeert. Deze bloemlezing van Van Oorschot staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een reeks bloemlezingen van dode dichters die na hun verzameld werk wel een steuntje in de rug konden gebruiken. Ze zijn alle samengesteld door eigentijdse, springlevende dichters, die hun best doen het veelal onder de last van het Verzameld Werk bijkans bezweken oeuvre te reanimeren. Voor het voortbestaan van dooie schrijvers komt het toch vooral op gelezen worden aan. Een bloemlezing kan daarom uitkomst bieden.

    Perquin voorziet haar selectie van Morriën van een prikkelende inleiding. Zij is van niet zins de dichter eeuwig gedoemd te laten wezen door zijn dirty-old-man-reputatie van liefhebber van het zwakke geslacht bij wie de dichtader al ging vloeien bij het in het vizier krijgen van vrouwelijk schoon. Want Morriën ‘is het waard om te worden losgeweekt van welke reputatie ook.’ Perquin heeft getracht haar voorkennis over Morriën uit te schakelen en zich afgevraagd ‘welke geest hij onder zijn reputatie verborgen hield’. Ze trof uiteindelijk in Morriën een dichter die alles in huis had wat zij zelf belangrijk acht voor een dichter: ‘eigenzinnigheid, humor, melancholie en bewapening’.

    Ik was benieuwd wat Morriëns gedichten, waarvan de vroegste van vóór de Tweede Wereldoorlog dateren, mij, anno 2010, nog konden bieden. Zijn verzameld werk stond bij mij immers ook al wat jaren te verpieteren op een achteraf plekje in mijn boekenkast. Wat meteen treft is de openhartige en zintuiglijke toon van zijn gedichten. ‘Jij hebt mij vrijgelaten uit het dier / dat ik toen was en dat een mens zijn wou,  / de aap met zijn verlangen naar een vrouw’. De poëtische beelden worden altijd helder verwoord en goed uitgewerkt. Maar je proeft toch dat het de zinnelijkheid betreft van een noorderling, die het heeft moeten veroveren op een tegenwerkend geloof waarvan misschien nooit echt volledig los te komen valt:  ‘Niets scheidt mij van het andere einde / achter het eerste, tiende, ’t eindeloze einde, / wanneer ’t heelal terugvalt in zijn holte / en volte wordt veranderd in een leegte / zo groot dat er geen plaats meer is voor God en tijd / of voor hun onbestaanbaarheid.’

    Morriën is, als introverte man,  trefzeker in zijn aarzeling. Opvallend is zijn tastzin, maar die is onlosmakelijk verbonden met zijn introspectieve geest. Morriëns zinnelijkheid is een toast op de schaarste, op de aardse kant van het sterven. Zijn toon is ernstig want niets ontziend en toch licht, want er wordt genoeg verwonderd, tijdens het op de tast gaan naar de dingen in het leven. De werkelijkheid wordt verkend door een man die niet van opgeven weet. En altijd is hij dichtbij. Soms komt dat wat klefferig over, als hij bijvoorbeeld een zekere ‘jij’ aanspreekt, zoals in het eerste gedicht van deze bloemlezing: Verklaring

    ‘Ik kan het onbegrijpelijke niet begrijpelijk maken.
    Ook niet als ik het andere namen geef.
    Ik kan slechts zeggen dat het onbegrijpelijk is
    en dat het al begint, hier bij jouw hand
    die vóór je op de tafel ligt,
    de nagels een herhaling van dezelfde vraag,
    en bij je oog dat groter dan de hemel is,
    met sterren even onontdekt gebleven
    als die wij niet zien maar vermoeden
    achter de nevels van de melkweg.
    Ik leef in raadsels en zie geen verschil
    tussen jouw wimpers en het licht.’

    Maar Morriën kent ook ander palet, zoals in Kain

    ‘De hand waarmee ik hem sloeg
    is mij dierbaarder geworden.

    Als ik mijn vrouw en kinderen streel
    besef ik dat ik ze kan doden
    en dat een toeval het steeds weer verhindert.

    Iedere liefkozing een begin van moord,
    elk woord van liefde een bedrieglijke verspreking.’

    De toon van dit gedicht neutraliseert de streling en de liefkozing. (woorden waar ik het soms wat benauwd van krijg).

    Vaak betoont Morriën zich in zijn gedichten een scherp observator met een ingehouden sentiment : ‘Laat haar maar struikelen. / Reken het haar niet aan. Ook de steen / waarover zij struikelt is nog van haar. / Zij heeft hem zelf gelegd met haar onzekere / handen. Misschien wilde zij vallen / en is haar dat nu ook weer niet gelukt. (…)’ Doet denken aan de droge humor van de vroege Beckett.

    De in zijn geheel opgenomen reeks Passie uit de bundel Moeders en Zonen uit 1962 is niet enkel van belang vanwege de afrekening van Morriën met het calvinistische geloof uit zijn jeugd. Het is juist in deze reeks van tien gedichten dat de dichter een staalkaart van zijn kunnen geeft. Hierin verrast hij het meest. In de meeste gedichten van de bundel hoor je zijn tedere maar ook temerige stem doorklinken, maar bij deze gedichtenreeks hoort een heel andere stem. Scherp en niets ontziend, maar toch betrokken bij het waarneembare, zoals in dit titelloze gedicht uit die reeks.

    ‘Bespaar mij de koolmonoxyde
    van kachels die te lang gesloten bleven
    uit zuinigheid die niet van uitverkiezing
    te onderscheiden viel,
    de stank van kleren die verschroeiden,
    de zolder zonder slaap, met wasgoed dat niet wilde drogen,
    de naaktheid van mijn moeder tussen kin en sleutelbeen,
    waarneer het naaktheid werd door een betovering,
    de grote tanden van mijn broer, de rode ellebogen
    van mijn zuster, de dooraderde grootmoedersogen
    die in een blinde toekomst zagen,
    waarvan gezegd werd dat zij door de dood
    groot en vol nieuwe ogen kwam te staan.

    Voortaan hing Jezus elke zondag aan het kruis.
    Zijn dood doortrok de smaak van kaas en margarine.
    De geur van koffie zweefde door de ondergang der wereld.
    Mijn vader zei ‘de hemel’ en ik dacht, in huis, aan thuis.’

    Of neem een ander titelloos gedicht uit dezelfde reeks:

    ‘Mijn vader rook naar teer,
    een zeegeur met gedachten aan het land,
    een geur die kruipen deed en zweven door mijn boeken,
    waarnaar ik groef met stompe nagels in het zand.

    Mijn moeder baarde stervend, wij vernielden haar te tere schoot:
    ’t hoofd van mijn oudste broer was haar te groot,
    mijn jongste broer zat in haar vastgestoeid,
    werd als een keizer uit haar losgesnoeid.

    Zij lachte na die laatste dood
    en zat in ’t licht, zelf bijna licht
    en stervensgroot.

    Ik rook de teergeur op mijn vaders wang.
    Ik rook teer aan zijn kleren, in zijn bed
    en als hij ’t huis verliet rook ik het in de gang.
    Naar teer rook ook zijn drek,
    naar teer en naar sigarenrook.

    En als hij niesde, niesde hij te lang.’

    In deze gedichten valt het meest te bewonderen.

    Maar ook op andere plaatsen trof ik mooie regels aan. In het enigszins aan Achterberg refererende gedicht Nachtwaak bijvoorbeeld:

    ‘Reeds bijna ingeslapen
    ontwaak ik met een schok
    omdat ik mij jouw dood herinner.

    IJlings keer ik terug
    uit werelden waarin ik het vergeten wilde
    tot deze ene wereld die bij nacht
    en ontij jouw afwezigheid
    herhaalt en in herinnering houdt.

    De vage dingen om mij heen, ’t scherpe besef
    dat van ons beiden ik het ben die achterbleef,
    en de bedrieglijkheid van dat besef,
    herstellen snel de afstand tussen ons.’

    Of in een gedicht als Broederschap

    ‘Soms overvalt mij, alleen,
    of in gezelschap, de angst
    die ons allen verbroedert,
    verbroedert en eenzaam, radeloos maakt.
    Ineens lijkt alles postuum:

    de boom, en de bladeren aan de boom,
    de verkleurende lucht, de geklede mensen
    en zelfs de verheven blankheid
    van je zo innig bewonderde hals.’

    Het plotse besef van vergankelijkheid dat eigen moet zijn aan wie zich met huid en haar aan het leven gehecht weet, verwordt bij Morriën nooit tot een klacht. Ook de verzen over het ouder worden, wat hem zwaar valt, hebben een onversaagde toon en zijn geen afrekening met die staat van leven. Het is aandoenlijk om zijn naakte ervaringen van het ouder worden te lezen. De laatste twee gedichten in de bundel zijn daarom ook waard geciteerd te worden.

    Onherbergzaamheid

    ‘Mijn hond let op heel andere dingen dan ik
    omdat hij snuffelt en bijna niet kijkt.

    Waarom heb je mijn brieven niet beantwoord?

    De zomer is voorbijgegaan: warm, kil,
    winderig, geregeld regenachtig.

    Van sommige dagen heb ik hartstochtelijk gehouden.
    Ik kon geen afscheid van ze nemen.
    Ik zag ze gaan zoals je een vrouw ziet vertrekken,
    haar naar de trein brengt, haar koffer voor haar draagt,
    een tijdschrift voor haar koopt, haar nawuift
    op een leegstromend perron, versteend door de tijd.

    In de lange donkere straat drie jonge negers
    die mij wel zien maar niet doodslaan.’

    Die rijpe toon van de levensavond staat hem goed, met nog wat sarcasme aan het slot.

    Ongeduld

    ‘Op straat, midden in het verkeer, hoor ik mijn naam roepen.

    Ik zie om mij heen of er iemand is die ik ken.
    Nergens een gezicht dat ik eerder heb gezien.
    Geen mond waarvan de glimlach mij vertrouwd is,
    geen oog dat blinkt van vriendschappelijk licht.
    Het is zomer, drie uur in de middag, heet.
    De lucht is blauw als de binnenkant van een mossel.
    De bomen staan doodstil in hun afgerasterd perk.
    Auto’s vliegen voorbij, mensen praten en lachen
    als in de pauze van een schouwburg of bij een brand.
    Wie roept mij? Welke dode toont ongeduld
    mij te ontmoeten, op een afgesproken plek
    in een onderaardse stad op een dag zonder einde?’

    Aan deze prachtige beelden valt weinig toe te voegen. Je ziet het voor je als betrof  het een visioen van een toekomstige herinnering.

    Perquin had de moed Morriëns reputatie weg te denken en de dichter van een nieuwe bijsluiter te voorzien, zodat zijn gedichten een andere uitwerking tegemoet konden gaan. Deze bloemlezing is in ieder geval een ‘Anschlusstreffer’ in de strijd tegen de vergetelheid. Er is nog hoop want de eeuwigheid is nog niet voorbij.

    Zoals een ster verstand heeft van het licht

    Auteur: Adriaan Morriën
    Gekozen en ingeleid door Ester Naomi Perquin
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Prijs:  € 12,50