• Hoe verhalen kunnen ontstaan

    Hoe verhalen kunnen ontstaan

    In De naaister en de wind (uit 1991 en nu vertaald) laat de Argentijnse auteur César Aira (1949) opnieuw zien waarom zijn werk moeilijk in traditionele literaire categorieën valt. In De schimmen (Los fantasmas, uit 1990), combineerde hij het realistische decor van een flatgebouw in aanbouw met geestachtige verschijningen die alleen door bepaalde personages werden waargenomen. Deze onverwachte vermenging van het alledaagse en het fantastische is ook in De naaister en de wind aanwezig. De roman begint in een café in Parijs, waar Aira zichzelf als verteller opvoert en probeert te bedenken hoe hij een verhaal moet beginnen waarvan alleen de titel al vaststaat. Dit zet de toon voor een associatieve tekst die zich zonder vast plan ontwikkelt en zich niets aantrekt van conventionele logica of structuur.

    De vertelling balanceert tussen autobiografie en fictie, tussen herinnering en vergeten, droom en werkelijkheid. Het traditionele verhaal met een duidelijke plot en karakterontwikkeling maakt hier plaats voor een experiment waarin het proces van schrijven zelf centraal staat. Aira wil iets vertellen, maar wil vooral laten zien hoe verhalen ontstaan en wat vertellen überhaupt betekent.

    Vergeten als vertrekpunt

    Het uitgangspunt van de roman is een vergeten droom. Vaag herinnert Aira zich een perfect verhaal dat hij ooit droomde, maar dat bij zijn ontwaken volledig verdwenen was. In plaats van dat verhaal terug te halen, besluit hij het vergeten zelf tot onderwerp te maken. Zo schept hij een verhaal dat niet voortkomt uit herinnering of inspiratie, maar juist uit het ontbreken daarvan.

    Het eerste concrete verhaal volgt Delia, een naaister uit Pringles die werkt aan een trouwjurk. Wanneer haar zoon Omar gaat spelen in de bestelauto van de buurman die plotseling wegrijdt, zet Delia zonder aarzeling een achtervolging in die naar Patagonië voert. Haar man Ramon gaat vervolgens achter haar aan, en al snel sluit zich ook een verliefde wind zich aan als een eigenzinnig personage. Dan verschijnt er een demonisch kind, en de trouwjurk begint op mysterieuze wijze te zweven, wat leidt tot een keten van bizarre, onverwachte gebeurtenissen.

    Aira’s logica hanteert is niet die van oorzaak en gevolg, maar een droomlogica waarin het ongeloofwaardige binnen het verhaal vanzelfsprekend wordt. Uitleg of verantwoording zijn niet nodig. Wat telt, is dat het verhaal blijft bewegen en veranderen.

    Schrijven als een voortdurend experiment

    Aira, die in één jaar wel vier titels kan publiceren, schrijft zonder revisies in één vloeiende beweging. Hierdoor vervagen traditionele literaire grenzen: personages veranderen of verdwijnen plotseling en het narratief rekt de conventionele logica op zonder die te breken. Dit resulteert in een boek dat eerder voelt als een momentopname van een creatieve beweging dan als een afgerond product. Het ontbreken van een duidelijke spanningsboog of voorspelbare plot kan voor sommige lezers bevrijdend zijn, omdat het de lezer uitnodigt mee te gaan in het onvoorspelbare. Anderen kunnen het gevoel van houvast missen.  

    Een opvallend aspect is het meta-niveau van deze roman. Regelmatig keert Aira terug naar het café in Parijs, laat zijn vertelstem verdwijnen en weer opduiken, en speelt met de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. Deze zelfreflectie over het schrijfproces zorgt voor een dynamiek die het verhaal levendig houdt.

    Toch is dit geen louter intellectueel spel, nog afgezien van de mogelijkheid dat de auteur verwijst naar verdwijningen die in Argentinië onder de dictatuur niet ongewoon waren – maar zo’n boodschap laat de auteur geheel voor rekening van de lezer. In doorlopend hoog tempo bevat dit boek juist veel humor, slapstick en absurdistische situaties die aan Monty Python doen denken. Deze speelse toon voorkomt elke zwaarte, ondanks de filosofische thema’s over geheugen, identiteit en de aard van verhalen. 

    Magisch realisme zonder symboliek

    Hoewel het verhaal bovennatuurlijke elementen bevat, zoals een verliefde wind en een zwevende trouwjurk, past Aira’s stijl niet echt in het genre van het magisch realisme. Waar bij auteurs als García Márquez of Isabel Allende het magische vaak symbool is voor diepere culturele of historische thema’s, is Aira’s magie ongrijpbaar en los van betekenis.

    De wonderlijke gebeurtenissen zijn niet geladen met metaforische lagen, maar functioneren als elementen die de droomachtige sfeer van het verhaal versterken. Zijn wereld volgt de principes van het surrealisme en het groteske: personages zijn minder psychologisch uitgewerkt dan dat ze beweging en verandering belichamen.

    Toch is er ruimte voor subtiele melancholie. De passages waarin Aira terugkeert naar zijn jeugd in Pringles roepen een verlangen op naar het ongrijpbare verleden, naar dromen en herinneringen die net buiten bereik blijven. Dit spanningsveld tussen absurditeit en existentiële reflectie geeft de roman een onverwachte diepte.

    Een verhaal zonder vaste bestemming

    De naaister en de wind biedt geen traditionele afronding, catharsis of eenduidige betekenis. Het verhaal laat zich lezen als een experiment, een improvisatie met een open structuur die desoriënterend kan zijn, maar het verhaal ook verrassend rijk en gelaagd maakt.

    Voor lezers die zich kunnen overgeven aan het onvoorspelbare en onbegrensde, biedt De naaister en de wind een uniek avontuur. Het spoort aan tot nadenken over de aard van herinnering, identiteit en de rol van de schrijver. Dit boek laat zien hoe verhalen kunnen ontstaan, niet uit wat er ís maar uit wat ontbreekt. Het toont de onvermoede opbrengst uit vergeten en verdwalen.

     

     

  • Oogst week 19 – 2025

    De naaister en de wind

    De ik uit De naaister en de wind van de Argentijnse schrijver César Aira (1949) is een jaar of negen en speelt met zijn vriendje Omar op straat, waarbij ze in de lege oplegger van een vrachtwagen klimmen. ‘We probeerden elkaar angst te jagen, wat vreemd was zo midden op de dag en ook hadden we geen maskers en vermommingen (…) de angst bleek effectiever dan verwacht. Bij de eerste poging was die al buitensporig. Omar begon. Ik ging op de vloer zitten, dicht bij de rand aan de achterkant, en hij ging tegen de wand aan de andere kant staan. Hij zei “nu” en kwam met zware, trage stappen en zonder bekken te trekken of gebaren te maken (dat was niet nodig) op me af. De angst die me beving was zo groot dat ik mijn ogen moet hebben dichtgedaan. Toen ik ze weer opende was Omar er niet meer.’

    Maar het is niet Omar die verdwenen is maar de ik, wiens moeder, de naaister, denkt dat haar zoon per ongeluk ontvoerd is in een vrachtwagen. In paniek gaat ze er met een taxi achteraan. De vader gaat haar weer achterna, in een rood vrachtwagentje, en in een blauw autootje volgt ook de zwangere klant van de naaister, wat een kolderieke achtervolging oplevert. De vader vergokt zijn vrachtauto, de zwangere vrouw baart een monster en de naaister wordt de liefde verklaard door de zuidenwind, een soort opperwezen van de pampa.

    Het klinkt als een komische avonturenroman, maar het boek, oorspronkelijk uit 1994, heeft ook horror- en filosofische elementen, vleugen Zuid-Amerikaans magisch realisme, dadaïsme en surrealisme. Aira weeft er meeslepende herinneringen aan zijn jeugd en geboorteplaats Coronel Pringles (provincie Buenos Aires) en andere overpeinzingen doorheen. Hij wordt gezien als een van de origineelste Zuid-Amerikaanse schrijvers en publiceerde meer dan honderd titels.

     

    De naaister en de wind
    Auteur: César Aira
    Uitgeverij: Koppernik 2025

    Overgave op commando

    Hoofdpersoon Schelvis uit Overgave op commando van Nadia de Vries (1991) droomt ervan een meester te zijn, maar is in plaats daarvan een dienaar. Man noch vrouw is die een ‘soort avatar’ zegt Nadia de Vries in een interview met de Noord-Hollandse Dagbladcombinatie. ‘Diens identiteit wordt steeds bepaald door de manier waarop anderen hen indelen op de klassenladder.’

    Schelvis woont in een dorp aan zee onder de rook van een staalfabriek, heeft een litteken op het gezicht en blauw haar. De meeste dorpelingen werken in de zwarte wolken gruis uitstotende fabriek. Het ‘bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kende. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren. Zelfs de communiejurken werden grijs na een middag aan de waslijn.’ (…) Net als de mensen in de fabriek zagen de orderpickers zelden zonlicht. Hun levens ontvouwden zich in afgesloten ruimten zonder ramen en zonder een klok aan de muur.’ Schelvis ziet een betere toekomst voor zich en besluit naar de stad te vertrekken, weg van diens lage sociale omgeving.

    De Vries kent de omstandigheden waarin ze Schelvis plaatst – haar ouders waren arbeiders – al werd zijzelf door een auto-immuunziekte aan huis gekluisterd. ‘Dit boek is voor mij een experiment,’ zegt ze in het interview. ‘Het onderzoekt de vraag wat er van mij geworden was als ik niet de jeugd had gekregen die ik heb gehad. En ook als ik niet de motivatie had gehad om ergens uit te breken.’ Schelvis is een optimistische personage omdat die ‘wel dingen probeert, maar het ook accepteert wanneer ze niet lukken. Ik denk dat dat een grote wijsheid en kracht laat zien.’ Ondanks dat Schelvis geen geld heeft en nog niet weet hoe de wereld in elkaar zit, ondanks tegenslag, weet die toch beetje bij beetje succes te bereiken.

     

    Overgave op commando
    Auteur: Nadia de Vries
    Uitgeverij: Pluim 2025

    Het verhaal over Mevrouw Berg

    Het verhaal over Mevrouw Berg is een bundel van vijf verhalen geschreven vanuit het perspectief van een kind. Voor kinderen en jongeren is de wereld vaak nog raadselachtig en magisch. In de verhalen uit Het verhaal over Mevrouw Berg ontmoet iemand de eerste liefde, komt een ander erachter dat ze erg op Janis Joplin lijkt, is helderziendheid een onderwerp en gaat een vertelling over glimwormen en kaarten.

    Mevrouw Berg uit de titel van het boek is een hamster waarvoor het kind een grote liefde heeft opgevat. ‘Maar toen ik het weekend daarna kwam, zag ik dat Mevrouw Berg geen eten had gekregen, want ze had aan haar molentje geknaagd. Ik zei tegen mama: “Je moet niet vergeten om haar elke dag eten te geven.” “Nee,” zei mama.”’ Ze stond bij de gootsteen. Maar ze waste niet af. Ze staarde naar de muur en beet alleen op haar lip. “Zal ik je helpen afwassen?” vroeg ik, en ik pakte de theedoek. We deden de afwas. Daarna rende ik naar mijn kamer en knuffelde heel lang met Mevrouw Berg. Die avond zaten haar wangen helemaal vol met zaad.’

    De Noorse schrijver en journalist Ingvild H. Rishøi (1978) heeft in haar boeken vaak het raadselachtige en beangstigende van relaties tussen mensen tot onderwerp, vaak in melancholische sfeer. Ze schreef drie kinderboeken, drie verhalenbundels en de novelle Stargate waarvan de film in oktober van dit jaar uitkomt. Met Stargate en de bundel Winterverhalen verwierf Rishøi grote bekendheid.

     

    Het verhaal over Mevrouw Berg
    Auteur: Ingvild H. Rishøi
    Uitgeverij: Koppernik 2025
  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Stokkermat

    Stokkermat

    Er zijn werkmannen in huis, jongens nog. Het huis een open veld waar de wind vrij spel heeft. Ze ontmantelen een rookkanaal dat vanaf de begaande vloer twee verdiepingen omhoog door het dak naar buiten gaat. Inloopkasten worden deels afgebroken en op zolder is door ontbrekende dakpannen een gat naar de hemel ontstaan. Ik trek me terug in het enige kamertje van het huis waar de werkmannen, jongens nog, niets te zoeken hebben. Ik hoor ze roffelend de trappen afgaan, wat klinkt alsof het huis op instorten staat en ze zich het vege lijf moeten redden. Ik hoor ze roepen vanaf het dak naar de straatkant, ‘Hee, heb je de stokkermat geladen?’ ‘Wat?’. Ik hoor een Arabische beat vanaf de bovenverdieping het huis instromen en duik in het proza van Clarice Lispector. Haar verzamelde verhalen wegen een kilo en honderd gram en moeten daarom wel in bed met opgetrokken knieën gelezen te worden.

    Een jonge vrouw adoreert een trieste man met destructieve neigingen. Ze ontmoeten elkaar in een café, de man voert een eenrichtingsgesprek waarbij hij zich over de zwarte haren strijkt alsof hij over ‘de warme vacht van een poesje streek’. De jonge vrouw is sprakeloos en betreurt het ‘geen gebaar achter de hand te hebben’, om aan het sprakeloze te ontsnappen. Alsof er een handel in bestaat, het verzamelen van gebaren die je in een gebarendoosje doet, wanneer nodig neem je er eentje uit, om dingen kracht bij te zetten of je een houding geven. Dit komt uit het verhaal, ‘Onderbroken verhaal’. Een goede titel. De jonge vrouw heeft zich in het hoofd gehaald dat ze om de man te redden wel met hem moet trouwen. Hoe vreselijk dit ook voor haar zou zijn, het moet gewoon. Dan schiet de trieste man zich door het hoofd. ‘En plotseling brak het verhaal af. Het had niet eens een mooi einde. Het eindigde met de abruptheid en het gebrek aan logica van een klap in het gezicht.’

    Is het arrogant geen deel te willen uitmaken van een groep, een actiegroep, het klimaat, een mening? Een verbond beheerst algauw het denken en ontneemt het zicht op het dagelijkse leven. Leven met aandacht, zorg voor en dank aan de omgeving. In ‘De koortsdroom’, voert Clarice Lispector de Aarde als een partij op. De Aarde geeft het op, verdwijnt. Is hier sprake van een winnaar? Een klein mannetje roept, ‘Ik kan vertellen wie gewonnen heeft.’ Iedereen wordt boos, roept om stilte. Het mannetje vat moed, roept: ‘Maar ik weet het! Ik weet: de overwinning is aan de Aarde. Het was haar wraak, het was wraak…’. Daar word ik stil van, alsof we het wisten en decennia lang niets deden. Clarice schreef dit verhaal zo’n zeventig jaar geleden. Haar verhalen zijn doordesemd van inzichten. Even lijkt het alsof op weg naar de globalisering van de wereld er niets veranderd is. Zo zijn haar verhalen, alsof ze vandaag geschreven zijn.

     

    Alle verhalen, Clarice Lispector, Samengesteld en inleiding door Benjamin Moser, vertaald door Adri Boon / De Arbeiderspers.


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV en leest dagelijks.

  • Een verwoest moedergezicht

    Een verwoest moedergezicht

    ‘Direct na de aanval zag Eligia er nog rozerood uit, met symmetrische trekken, maar per minuut verscherpten zich de lijnen van haar gezicht, dat tot dan toe tamelijk zacht was geweest, ondanks haar zevenenveertig jaar en een chirurgische ingreep in haar jeugd aan een wipneus. Die kleine correctie, waar ze zelf op had aangedrongen en die gedurende drie decennia haar koppigheid de schijn had verleend van onverschrokkenheid, werd steeds meer het symbool van verzet tegen de ernstige verminkingen als gevolg van het zuur.’

    Zo begint de enige en sterk autobiografisch getinte roman van Jorge Barón Biza (1942). Het boek werd in de jaren 90 van de vorige eeuw door uitgevers in Buenos Aires afgewezen, waarna de schrijver het uiteindelijk in eigen beheer publiceerde onder de titel El desierto y su semilla (letterlijk: De woestijn en zijn zaad). Degene die zuur in haar gezicht geworpen krijgt is zijn moeder, de aanslagpleger zijn vader. Daags na deze tactiek van de verschroeide aarde slaat laatstgenoemde de hand aan zichzelf.

    Italiaanse renaissance
    Aan ellende geen gebrek dus, in het leven van Jorge Barón Biza, noch in zijn roman. Nadat met huiveringwekkende precisie de teloorgang van huid en vlees zijn beschreven, volgt de lange zoektocht naar herstel. Hiervoor reizen moeder en zoon (in het boek Eligia en Mario geheten) naar Italië om door een plastisch chirurg met faam op dit terrein verder behandeld te worden. Mario zit vele maanden aan het bed van zijn moeder. In zijn vrije uren bedrinkt hij zich in een nabijgelegen kroeg en knoopt hij banden aan met een Milanese prostituee.

    Meer dan twee jaar duurt het verblijf in Italië. Mario heeft in deze periode ruim de gelegenheid om na te denken over zichzelf en zijn familie. Toen hij vier was ontvluchtte het gezin Argentinië omdat het politieke activisme van beide ouders onverenigbaar was met het regime van de populistische leider Juan Perón. In de geliefde echtgenote van de generaal, Evita Perón, ontdekt hij een tegenpool van Eligia. Nadat Evita stierf aan kanker werd haar lichaam gebalsemd en naar verluidt door langdurige, mysterieuze behandelingen zelfs verjongd, zodat ze in haar dood een engelachtige schoonheid verkreeg. Eligia daarentegen moet verder leven met een gruwelijk verminkt uiterlijk, de meer dan twintig chirurgische ingrepen ten spijt. Terwijl Evita door veel Argentijnen op handen gedragen wordt (bij haar graf zijn nog altijd verse bloemen te vinden), krijgt Eligia nooit erkenning voor haar inspanningen op het gebied van onderwijshervorming. Als kleine vorm van wraak vermeldt Jorge Barón Biza nergens in zijn roman de namen van Juan en Evita Perón .

    Drama en destructie
    Naast de ingetogen en consciëntieuze Eligia staat een vaderfiguur waar Mario in hoofdzaak afschuw voor voelt: Arón (in werkelijkheid Raúl Barón Biza geheten). Rijk, anarchistisch en gewelddadig, een man die welbewust de vrouw die al 30 jaar van hem wilde scheiden verminkte. Toch herkent de ik-persoon de trekken van zijn vader, net zo goed als die van zijn moeder, in zichzelf. Kan hij zich wel aan deze destructieve ouderlijke invloed onttrekken?

    Het levensverhaal van Jorge Barón Biza bevat, zoveel mag inmiddels duidelijk zijn, een overvloed aan dramatische gebeurtenissen. In De woestijn worden die voorvallen breed uitgemeten en er bovenop komen dan nog fictieve elementen. Met name de uitstapjes met de hoer Dina behoren vermoedelijk grotendeels tot deze laatste categorie. Het boek begint erg sterk maar naarmate het verhaal vordert en de groteske taferelen elkaar blijven opvolgen, treedt verzadiging op. Subtiliteit behoort niet tot het repertoire van de schrijver Barón Biza. Een begraafplaats met een ratjetoe aan grafmonumenten wordt ingezet als metafoor voor het geruïneerde gelaat van zijn moeder. Op een ander moment verschijnt er een priester die preekt over de verdorvenheid van ‘het vlees’, wat volgens deze kanselredenaar staat voor ‘een schepsel dat in de steek is gelaten door de hand van God’. In dergelijke scènes ligt het er allemaal te dik bovenop. Nog meer gekunsteld is de manier waarop het afloopt tussen hoofdpersoon Mario en Dina.
    Daarnaast laat Barón Biza sommige van zijn personages op gebrekkige wijze spreken in vreemde talen. Wellicht met de bedoeling om de geloofwaardigheid te vergroten, het effect is echter vooral hinderlijk.

    Andere keren pakt de extravagante vertelwijze beter uit. Het verhaal bijvoorbeeld dat Mario voorleest aan Eligia over een Argentijnse officier die in vroeger tijden gedurende gevechtshandelingen meerdere keren overloopt van partij, wordt niet veel later op Borgesiaanse wijze weerspiegeld in een ontmoeting tussen voetbalfans van Inter en AC Milan (waarbij overigens de clubkleuren consequent zijn verwisseld). Subtiel is het nog steeds niet maar het wordt wel met verve uitgevoerd. Zelfs tot en met de eetbare bonen die in beide vertellingen groeien op het graf van de doden, hoewel het bij de moderne versie wat langer duurt voordat dit detail naar voren komt.

    Spaanse cult
    De woestijn wordt inmiddels beschouwd als een cultboek uit de Spaanstalige literatuur. Waar uitgevers eind vorige eeuw nog huiverig waren voor publicatie van het verhaal van deze niet onbekende Argentijnse familie, strekt een autobiografische inslag, die inspeelt op de wijdverbreide neiging tot voyeurisme, tegenwoordig eerder tot aanbeveling. De levensloop van de Barón Biza’s is ook ongelofelijk, daar valt niks op af te dingen. Toch heeft het boek enkele duidelijke gebreken: de overdaad aan groteske taferelen en de gekunstelde samenhang die steeds terugleidt naar het verschroeide moedergezicht getuigen niet van literaire rijping. Verdere ervaring met het schrijven van romans zou Jorge niet opdoen. In 2001 stortte hij zich van de twaalfde verdieping van een appartement in zijn geboortestad. Hij droeg toen al niet meer dezelfde achternaam als zijn vader maar had de familienaam van zijn moeder aangenomen.

  • Een literaire betovering

    Een literaire betovering

    ‘Ik ben zo mysterieus dat ik mezelf niet begrijp,’ schrijft de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector (1920-1977) in 1969 in een van haar kronieken. En dat is geen koketterie, want iemand die in staat is de houdgreep van ego en superego te omzeilen en haar gedachten vanuit het onbewuste rechtstreeks op papier te krijgen, moet wel met verbazing kijken naar wat haar hoofd en pen hebben voortgebracht. Typerend is dan ook wat ze over een collega-schrijver noteert: ‘Hij citeerde uit zijn hoofd hele zinnen van mij en ik herkende er niet een van.’

    Lispector lijkt een verdeelde persoonlijkheid te zijn: ten eerste de schrijfster, en daarnaast al het andere wat ze als mens was. Schrijven deed ze vanuit één deel van haar wezen, een verborgen deel dat zich veelvuldig manifesteerde en haar dwong haar gedachten op papier te zetten. Die gedachten wekken de indruk zich vanuit een ander universum te vermengen met de dagelijkse realiteit. Dat lezers en critici haar werk als mysterieus en hermetisch betitelen is alleszins begrijpelijk.


    Treffende representatie
    Voor Lispector is schrijven haar leven, ze kan niet anders, ze moet schrijven wanneer de drang daartoe in haar opwelt. Daarbuiten heeft het geen zin om te gaan zitten en zichzelf op te dragen te schrijven. Maar die opwellingen zijn talrijk en omdat Lispector wil ‘weten’, het leven wil begrijpen, tekent ze op wat uit haar geest ontspruit. Ze schrijft: ‘Schrijven is proberen te begrijpen, is proberen te reproduceren wat niet reproduceerbaar is.’

    Het uur van de ster, het laatste boek voor haar overlijden, is een treffende representatie van zowel haar manier van schrijven als haar visie erop. En hoewel een ik-verteller, ook al is het een schrijver, nooit zomaar met de auteur vereenzelvigd mag worden, is daar – bij Lispector – geen ontkomen aan.

    De ik-verteller van Het uur van de ster is schrijver. ‘Het verhaal – bepaal ik met mijn zogenaamde vrije wil – zal zo’n zeven personages tellen en daarvan ben ik uiteraard een van de belangrijkste. Ik, Rodrigo S.M.’ Inderdaad neemt de ‘ik’ zeker de helft van het boek in beslag. Tijdens het vertellen van het verhaal bericht hij onophoudelijk over zijn schrijfproces. Hij moet moeite doen het verhaal een verhaal te laten zijn, waarbij hij zich al te zeer bewust is van de vele mogelijkheden die de fantasie biedt. Door de beschouwingen daarover wordt hij steeds teruggeworpen op zijn eigen persoonlijkheid. ‘Neem me niet kwalijk maar ik ga nog even door over mezelf omdat ik een vreemde voor mezelf ben en er tijdens het schrijven tot mijn verbazing achter ben gekomen dat ik een doel heb.’ Een vreemde voor zichzelf en anderen, dat is Lispector ten voeten uit.

    Afstandelijk
    Dat doel is het schrijven van een fictief verhaal over een ‘meisje uit het noordoosten’, terechtgekomen in het grote Rio de Janeiro, van wie Rodrigo (Lispector) nog geen idee heeft wat hij haar zal laten overkomen, een vrijheid waarmee hij nauwelijks raad lijkt te weten. Welke keuze zal zich uiteindelijk aandienen? Zal hij Macabéa gelukkig laten worden of jong laten sterven? Even afstandelijk als hij zichzelf gadeslaat, zet hij het personage Macabéa neer: als een object. De lezer moet doordrongen worden van haar zwakheid en nietigheid. We moeten weten dat het meisje, een typiste met een klein inkomen en dito onderkomen, niet veel voorstelt, alsof het er niet toe doet of dit onnozele schepsel leeft of niet. Zelf is zij zich niet van haar onbeduidendheid bewust, noch van haar gebrek aan ontwikkeling: ze kan geen lange zinnen uitspreken, haar denken is zuiver intuïtief.

    Toch voel je dat het de schrijver er niet om te doen is haar als slechts armzalig af te schilderen. Hij is wel degelijk begaan met haar lot, voelt mededogen. Zo objectief mogelijk probeert hij te laten zien dat er zoveel mensen zijn als zij, onbelangrijke mensen met kleine baantjes, die niet per definitie ongelukkig zijn. Maar het lukt hem niet een goede toekomst voor ‘Maca’ te bedenken. Ondanks de schrijvers’ twijfel over zichzelf en zijn summiere verhaal wordt Macabéa toch een meisje van vlees en bloed, dat te begrijpen is en met wie je kunt meeleven.

    Dertien titels
    Ondertussen raakt de lezer bijna net zo begaan met de worsteling van de schrijver aangaande zijn keuzes als met het leven van Macabéa. Daarbij is het onmogelijk de werkelijke auteur los te zien van de fictieve. Ieder gepeins over het meisje uit het noordoosten doet de schrijver onmiddellijk verzinken in zichzelf. ‘Zullen ze wel of niet trouwen? Dat weet ik nog niet, ik weet alleen dat ze in zekere zin onschuldig zijn en dat hun schaduw op de grond weinig te betekenen heeft. Nee, ik lieg, nu zie ik alles: hij was helemaal niet zo onschuldig, […]’.

    Ook de titelpagina van Het uur van de ster laat zien hoe moeilijk het voor de schrijver was om te kiezen: er zijn nog dertien titels opgenomen. Je zou ook kunnen zeggen: hoe gemakkelijk alternatieven zich bij Lispector aandienden.

    Overstromend bassin van denkbeelden
    De afgelopen twee jaar zijn ook De ontdekking van de wereld (met Lispectors kronieken die ze tussen 1967 en 1973 schreef voor Jornal do Brasil) en haar biografie door Benjamin Moser in het Nederlands verschenen. In beide boeken is haar verdeelde persoonlijkheid goed te herkennen. De kronieken maken duidelijk hoe Lispector haar overstromend bassin van spontaan opkomende, soms abstracte denkbeelden tracht te kanaliseren en verwoorden. De gedachten gaan hun eigen weg, een die Lispector met begrijpelijke woorden probeert te plaveien. Dat pakt niet altijd helder uit. In De ontdekking van de wereld staat het raadselachtige verhaal De actualiteit van de kip en het ei. De kip herkent het ei niet in haarzelf, het ei weet niet dat het een ei is en de schrijfster begrijpt het ei niet. Er komen ook vermomde agenten in voor. ‘Alle agenten krijgen veel voordelen opdat het ei gevormd kan worden. Daar hoeft niemand jaloers op te zijn, want sommige omstandigheden, die slechter zijn dan de andere, zijn slechts de ideale omstandigheden voor het ei.’ En toch, en toch… voor wie openstaat voor andere zienswijzen, zijn best doet Lispectors associaties en dissociaties te volgen, ontvouwt zich in haar pogingen om de wereld rechtstreeks vanuit de ziel te benaderen een ware literaire betovering.

    Zelfonderzoek
    Mooischrijverij en effectbejag zijn Clarice Lispector vreemd. Haar woorden zijn – alle cryptiek ten spijt – doeltreffend, haar observaties scherp. In het verhaal The Dog (uit Complete Stories) beschrijft ze hoe een man zijn schuldgevoel over zijn door hem in de steek gelaten hond probeert te verminderen door een dode hond te gaan begraven die hij op een straathoek heeft gevonden. En in The Dinner observeert ze pagina’s lang een moeizaam dinerende man in een restaurant en ondergaat daarbij zelf de emoties die ze hem toedicht. Ook in andere verhalen bespeurt Lispector in een flikkering in het oog, een draai van het hoofd of een plotselinge handbeweging de innerlijke beroering. De geschiedenis van Macabéa is een eenvoudig verhaal, maar dat is wel in rake bewoordingen verteld. Onderwijl schuilt in de overpeinzingen van Rodrigo een nooit aflatend zelfonderzoek, waarvan de sporen in al Lispectors geschriften zijn terug te vinden.

    De recente revival van het werk van deze boeiende, wonderlijke vrouw, voor wie het woord ‘origineel’ een understatement is, betekent een verrijking van de literatuur. In Brazilië schijnen haar boeken inmiddels zo populair te zijn dat lezers ze zelfs uit automaten kunnen halen.

     

     

  • Clarice – de Braziliaanse Kafka

    Clarice – de Braziliaanse Kafka

    De Braziliaanse schrijfster, journaliste en columniste Clarice Lispector (1920-1977) wordt in Mosers biografie op vele manieren getypeerd. Een kleine selectie: bijzonder intelligent, een mystiek genie, sensitief, gecompliceerd, vreemd, mysterieus, raadselachtig, ondefinieerbaar.

    Beeldvorming
    In de inleiding tot zijn biografie schrijft Moser dat haar raadselachtigheid iedereen die haar ontmoette fascineerde en verontrustte. Zij werd gezien als een mythische figuur, ‘de sfinx van Rio de Janeiro.’

    Een van de minst vleiende etiketten die zij kreeg, is monstre sacré – iemand die door genialiteit vermengd met excentriciteit buiten de samenleving staat. Lispector vond dat verschrikkelijk: ‘Een van de dingen die me diep ongelukkig maken is dat verhaal over het heilige monster: anderen zijn zonder reden bang voor me, en uiteindelijk word je bang voor jezelf. De waarheid is dat sommige mensen een mythe rondom mij hebben geschapen, wat me erg verontrust: het schrikt mensen af en ik blijf alleen achter. Maar jij weet dat ik heel benaderbaar ben, ook al is mijn ziel erg gecompliceerd.’

    Lispector probeerde de beeldvorming rondom haar wel te corrigeren. Ze wilde gezien worden als mens van vlees en bloed.  In een krantenartikel schreef ze: ‘Het heilige monster is gestorven; in zijn plaats is er een meisje geboren dat haar moeder verloor.’

    Een gelukkig jeugd
    Chaya Pinkhasovna Lispector werd geboren op 10 december 1920 in Tsjetsjelnik, een klein dorpje in de Oekraïne. Moser: ‘Kan een plaats zijn stempel drukken op iemand die er als klein kind uit vertrokken is? Ogenschijnlijk niet. Toch blijft het een feit dat een grote mystica werd geboren in een gebied dat bekendstaat vanwege zijn grote mystici.’ Het gezin Lispector  – vader, moeder en drie dochters – was op de vlucht voor oorlogsellende. Moser beschrijft uitgebreid de geschiedenis van de joodse gemeenschap in de Oekraïne, de pogroms – de gewelddadige uitbarsting van jodenhaat na 1917 – de gruwelen van de oorlog en de tyfusepidemie van 1918-1922.

    In 1922 kwam de familie Lispector na een reis met veel ontberingen aan in Maceió, een plaats in het noordoosten van Brazilië. De familie bestond uit Pinkhas en Mania Lispector en de dochters Leah, Tania en Chaya. Een nieuw begin in een nieuw land. De gezinsleden namen Braziliaanse namen aan. Vader Pinkhas werd Pedro, Moeder Mania werd Marieta, Leah werd Elisa en Chaya werd Clarice. Tania behield haar doopnaam.

    Clarice was een baby van nog geen anderhalf jaar toen ze in Brazilië aankwam. Later zou ze schrijven dat haar vaderland geen sporen in haar had achtergelaten, ‘behalve dan de erfenis van het bloed.’ Aan de ellendige tijd in de Oekraïne bewaarde ze geen herinneringen.

    Wat er bekend is over het leven van de familie in de Oekraïne komt voornamelijk uit gefictionaliseerde memoires en de roman In ballingschap van haar oudere zuster, Elisa Lispector. De roman vertelt het emigratieverhaal van de familie, de vlucht uit de Oekraïne, de ontberingen tijdens de lange bootreis naar Brazilië en de jaren in Maceió, Recife en Rio. Uit Elisa’s boek komt naar voren dat ook de beginjaren in Brazilië heel zwaar waren voor de familie: ‘Na het overleven van racisme, vervolging, burgeroorlog, verkrachting, ziekte en verbanning moesten ze nu het hoofd bieden aan de tirannie van bekrompen verwanten.’ Moser laat vervolgens ook zien dat de joodse gemeenschap in Brazilië, net als in de Oekraïne, geconfronteerd werd met haat. Het gezin heeft het financieel moeilijk; haar vader werkte als marskramer en haar moeder was zo verzwakt door syfilis dat ze overleed toen Clarice negen jaar oud was. Tegen deze achtergrond ontwikkelde zij zich van een kwetsbaar kind tot een beroemd schrijfster. Ze beleefde een gelukkige kindertijd waarin ze veel bezig was met verhaaltjes maken.

    Debuutroman
    Al op haar dertiende wist Clarice dat ze schrijfster wilde worden. Op haar drieëntwintigste maakte ze haar debuut met de roman Dicht bij het wilde hart. Moser gaat uitgebreid in op de reacties op dit boek. Recensenten wezen op de ‘vreemdheid van haar proza’ en op het on-Braziliaanse karakter. ‘Het hele boek is een wonder van evenwicht, perfect geconstrueerd.’ Haar boek werd vergeleken met het werk van o.a. Proust, Gide en Woolf. De lof voor het boek was groot. Het was ook het begin van de legende van Clarice Lispector, ook omdat ze zich niet veel liet zien in literaire kringen.
    Dicht bij het wilde hart werd onderscheiden met de Graça-Aranha-prijs voor het beste romandebuut van 1943.

    Diplomatenvrouw
    In hetzelfde jaar trouwde Clarice met de diplomaat Maury Gurgel Valente. Met haar man reisde ze de wereld over. Ze vond het moeilijk een rol voor zichzelf te vinden. Uit haar brieven uit die tijd blijkt dat ze zich als diplomatenvrouw eenzaam en depressief voelde. Ze miste haar zussen en haar vrienden: ‘Ik heb zo’n vreselijke heimwee naar huis en naar Brazilië. /…/ reizen zoals ik zal moeten doen is vreselijk: het is op verschillende plekken je straf uitzitten.’ Zwitserland spant wat dat betreft de kroon. Het is het ‘ultieme land van de artistieke dood.’ Ze schreef: ‘Dit Zwitserland is een begraafplaats van gevoelens.’ En: ‘Naarmate de tijd verstrijkt heb ik steeds meer het gevoel dat ik eigenlijk nergens woon, en dat geen enkele plaats ‘me wil’. Uiteindelijk hield het huwelijk geen stand.

    Journalistiek  werk
    Na haar scheiding legde Lispector zich toe op het schrijven van romans en journalistiek werk, waaronder columns. Van 1967 tot 1973 verschenen haar ‘crônicas’ in de zaterdageditie van Jornal do Brasil.  Ze heeft zich niet veel bemoeid met de politiek in Brazilië. In de jaren zestig en zeventig was Brazilië een militaire dictatuur. De krant waarvoor zij schreef was pro-joods, maar het land had hechte banden met de Arabische landen in verband met de afhankelijkheid van olie. Kranten werden gecensureerd. Alberto Dines, de hoofdredacteur van Jornal do Brasil werd ontslagen, zijn joodse medewerkers – waaronder Clarice – ontvingen kort daarop ook hun ontslagbrief. Dines later in een interview: ‘Op het laatst was de krant Judenrein.’ In haar columns schreef ze niet over de gespannen situatie in het land. Na haar ontslag hoorde ze bij de mensen die zich verzetten tegen de dictatuur. Dines: ‘Clarice hield niet van etiketten. Maar in die tijd spraken we een keer over de joodse motieven in haar werk en ze vroeg me of ze opvielen. Ik zei dat ze net als Kafka was, wiens literatuur erg joods is hoewel hij nooit het judaïsme als zodanig benoemt. Die vergelijking beviel haar.’ Postuum zijn haar columns gebundeld en verschenen in De ontdekking van de wereld (Privédomein 286, mei 2016).

    De laatste jaren van haar leven waren haar minst gelukkige. Ze leed aan twee verslavingen, sigaretten en slaappillen. Op een avond viel ze met een brandende sigaret in slaap met derdegraads verbrandingen als gevolg. Een dag voor haar 57ste verjaardag, op 9 december 1977, overleed Clarice. Op haar grafsteen staat, in het Hebreeuws, Chaya bat Pinkhas. Chaya, dochter van Pinkhas.

    Meer dan een biografie
    De biografie over Clarice Lispector is meer dan alleen het levensverhaal van Clarice. Eigenlijk bestaat deze levensbeschrijving uit meerdere boeken. Moser heeft zijn verhaal over Clarice ingebed in de geschiedenis van de Oekraïne na de Eerste Wereldoorlog. Bovendien schrijft hij gedetailleerd over de politieke achtergronden van Brazilië tussen 1920-1977. Hij geeft hierover zoveel informatie dat Clarice af en toe naar de achtergrond verdwijnt of zelfs geheel uit beeld is. Dit vereist veel doorzettingsvermogen van de lezer. Onverlet blijft dat hij van al dat materiaal op knappe wijze een geheel heeft gemaakt. En hij heeft bereikt dat de lezer nieuwsgierig is geworden naar het werk van Clarice én dat van haar zuster Elisa.

    Benjamin Moser (1976) studeerde geschiedenis in de Verenigde Staten (Brown University) en Nederland (Universiteit van Utrecht). Hij is o.a. columnist van The New York Times Book Review en redacteur (‘Series Editor) van de Engelse vertalingen van Lispectors werk.