• Van gruwelmode, drop en ondergang

    Van gruwelmode, drop en ondergang

    Wie nooit van Drogisterij Bokern en zijn voorgeschiedenis heeft gehoord bevindt zich in – tot voor kort – verrassend gezelschap: de nazaten van de exploitant van die keten zelf. Zo succesvol als die voorgeschiedenis een tijd lang was, zo dramatisch eindigde hij. Wat ‘de reden moet zijn voor het hardnekkig zwijgen van de Bokerns’ zelf: de huidige generatie wist niets van die geschiedenis; men had het er in elk geval nauwelijks over. Tot voor kort althans. Want journalist Frank Bokern dook wel de archieven en oude kranten in en voerde vele gesprekken. Het leverde een compleet verhaal op over opkomst en ondergang van de ondernemersactiviteiten van drie generaties vóór hem in Hoeden en petten en dameskorsetten. Opkomst en ondergang van een middenstandsfamilie.
    Het is een overzicht dat voor een breder publiek dan de familie zelf een boeiende inkijk biedt in de middenstandswereld vanaf ongeveer 1900 in Nederland, met het accent op mode en kleding.

    Etalages

    Kort voor de eeuwwisseling kwam een stroom Westfaalse ondernemers hier naar toe. Het waren veelal katholieken op de vlucht voor Bismarcks Kulturkampf tegen hen en zijn invoering van een driejarige dienstplicht. Bokern vermoedt dat de stamvader van de familie, Heinrich, om die redenen zijn biezen pakte en de weg ging die zijn oudere broer Bernard al eerder had afgelegd. Hij begon in Haarlem een winkel in manufacturen. Het was het begin van een verkoopketen van hoeden, petten en dameskorsetten, zoals het in het liedje over de winkel van Sinkel klinkt. Al dat soort zaken (ook die van Sinkel) waren in handen van families met een Westfaalse achtergrond: C&A, Brenninkmeijer, Peek & Cloppenburg, V&D, Hunkemöller, Kreijmborg enzovoort. Heinrich Bokern slaagde er in zich een respectabele plaats te verwerven tussen deze reuzen, vooral in Leiden.
    We kennen de genoemde ketens allemaal zo goed omdat ze de eerste middenstanders waren die hun familienaam op de gevel zetten in plaats van fantasiewoorden. Dat was echter niet de enige vernieuwing. Ze voerden ook vaste prijzen, maakten reclame, richten grote glazen etalages in om de beste waar van de straat af zichtbaar te maken en voerden nieuwe modes in uit het buitenland. Maar vooral revolutionair was dat ze hun zaken enige tijd later omvormden tot warenhuizen: winkels waar je een breed scala aan goederen kon krijgen. ‘De Westfaalse manufacturenhandelaren hebben in enkele decennia tijd het aanzien van de Nederlandse binnensteden compleet veranderd’, constateert de schrijver, die daarvoor dankbaar kon terugvallen op het boeiende De nieuwe mens van Auke van der Woud uit 2015 (die overigens de Bokernketen niet noemt).

    Drop

    Na een bloeiperiode gaat het mis met de winkels van Heinrich. Hij heeft geen opvolger. Zijn zoon Bernard, de opa van de auteur, wil het bedrijf niet overnemen. Toch komt deze Bernard na wat omzwervingen in dienst van anderen weer terecht in de winkelbranche: ‘hij begint een zaak in drop om te snoepen en pillen om te poepen’. Anders gezegd: hij wordt drogist. In Naaldwijk, waar hij in 1927 eigenlijk naar toe verhuist omdat de lucht daar beter is voor zijn aan rachitis (een botaandoening door een tekort aan vitamine D) lijdende dochtertje. Het wordt het begin van een kommervol bestaan. De drogist kan maar net het hoofd boven water houden – en zelfs dat is veel gezegd, want hij moet zich er steeds verder voor in de schulden steken. Het is een wonder dat hij de Tweede Wereldoorlog met zijn gezin met hangen en wurgen door komt. Een maand voor de bevrijding van Nederland blaast hij zijn laatste adem uit. Zijn winkel is dan ter ziele.

    Eén van de kinderen van Bernard was Ben, de vader van de auteur. Over hem gaat het nauwelijks. Frank Bokern zet een punt achter de geschiedenis met de dood van zijn opa, omdat daarmee ook het middenstandsverhaal is geëindigd. Dat wil niet zeggen dat de ellende daarmee over was. Het leven in armoede had zoon Ben levenslang zo getekend dat de crisis van de jaren 30 niet over was ‘met de inval van de Duitsers, maar pas op 24 oktober 2005, op de dag dat mijn vader is overleden’, zo sluit zoon Frank zijn relaas af.

    VvVvV

    Hoeden en petten en dameskorsetten is een boeiend verhaal, vooral zolang de auteur in zijn familiegeschiedenis ruim baan geeft aan de maatschappelijke achtergronden. Als het over de manufacturenzaak gaat krijgen we meteen een inkijkje in die hele sector en de beschrijving van de winkel in Leiden geeft een beeld van de stad in die tijd. En als Bernard zijn drogisterij in Naaldwijk exploiteert weet kleinzoon Frank en passant het bestaan van diens klandizie in het Westland te schetsen. Door zijn details is het ook vermakelijk, zoals wanneer er verzet komt van de Bond ter Bestrijding van de Gruwelmode (geïnitieerd door de dames waarover Elisabeth Leijnse in 2015 haar bekroonde Cécile en Elsa, strijdbare freules schreef) en de Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding (VvVvV) die op de barricaden ging voor onder andere vrouwenkiesrecht en geboortebeperking, maar ook tegen korsetten.

    Zo boeiend blijft het helaas niet tot het eind. De geschiedenis versmalt zich dan steeds meer tot de familiekring. Lief en leed binnen één gezin, gesjoemel met de boekhouding, een frauderend familielid, te hulp schietende bloedverwanten (paters in dit geval): je kunt meevoelen hoe triest de teloorgang van de drogist en het lot van zijn gezin is – zo levendig schrijft Bokern wel –  maar je voelt je als lezer meer een gluurder worden.

     

  • Zomerlezen – Herlezen

    Oorlogsenthousiasme

    Als ik drie boeken als tip voor de vakantie moet noemen denk ik het eerst aan Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Maar dat las iedereen natuurlijk al. Naast de hoofdthema’s migratie (van toeristen en vluchtelingen) en de identiteit van Europa zitten er ook aardige grapjes in. Toch even één voorbeeld: Ilja heeft in de auto van de vrouw van de Nederlandse ambassadeur in Noord-Macedonië een gesprek over het belang van je geworteld kunnen voelen: ‘Met bloedstollende nonchalance haalde ze via de buitenbocht een tractor in die een kar met bieten trok. “Wortels zijn belangrijk”, zei ze’.
    Wie deze roman niet las heeft wat in te halen.

    Nee. Laat ik enkele oudere boeken noemen waarnaar ik regelmatig nog eens grijp.
    Allereerst twee tegenvoeters: Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft en De duizelingwekkende jaren van Phillip Blom. Ze beschrijven beide de tijd vanaf ongeveer 1900 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar vanuit gezichtspunten die soms diametraal op elkaar lijken te staan. Kieft verhaalt bijzonder boeiend hoe allerlei bewegingen van kunstenaars en schrijvers oorlog verwelkomden als een revolutie waarin een vastgeroeste en verouderde wereld een wedergeboorte zou doormaken vol energie en levenslust. Daarnaast ontstond er een verheerlijking van het patriottisme. Een toenemend aantal mensen was bereid zich te offeren voor het vaderland.

    Oorlogsenthousiasme
    Auteur: Ewoud Kieft
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De duizelingwekkende jaren

    Dat zijn aspecten die in De duizelingwekkende jaren bijna niet voorkomen. Blom probeerde zich in te leven in de mensen in die vooroorlogse jaren, die nog geen enkele vermoeden hadden van wat wij weten over 1914 en daarna. Bij hem lezen we over optimisme in de vooruitgang in een wereld die steeds sneller werd (denk aan de opkomst van de auto en de consumptiemaatschappij). Een opwinding die echter gepaard ging met angst. Er was dan ook tevens een tendens om juist oude waarden te benadrukken.
    Met die paar zinnen doe ik de boeken geen recht, ook niet in relatie tot elkaar, maar het is erg boeiend om ze allebei te (her)lezen en te toetsen aan ons eigen beeld van het lange decennium vóór WO I.

    De duizelingwekkende jaren
    Auteur: Philipp Blom
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het leven een gebruiksaanwijzing

    Als er één schrijver is met wie ik een dag zou willen optrekken is het Georges Perec (1936-1982). Deze Franse schrijver gaf een bijzondere invulling aan het gezegde ‘In de beperking toont zich de meester’. Het bekendste voorbeeld is zijn roman’t Manco, geschreven zonder de letter E te gebruiken. Perecs Het leven een gebruiksaanwijzing is en grandioos boek gebouwd op vooraf bepaalde patronen. Plaats van handeling een appartementengebouw aan de rue Simon-Crabellier 11, van honderd ruimtes. Perec doorloopt die via de paardensprong uit het schaakspel, waarbij elk appartement één keer mag worden aangedaan. Zo spint hij een web van meer dan honderd verhalen die elkaar kruisen (de genre-aanduiding van het boek is ‘romans’). Hij stelde zich als taak dat in elk hoofdstuk een aantal zelfde elementen terugkeren (eten, drinken, een boek, muziek). De grote lijn wordt gevormd door een legpuzzel, annex schilderij. Het boek ontpopt zich net zo: als een legpuzzel vol woordspelletjes, intertekstuele grappen en raadselachtige gebeurtenissen. Bij tweede lezing zag ik dat er iets raars was met ‘de partituur van een beroemde Amerikaanse hit, Gertrude of Wyoming, van Arthur Stanley Jefferson’. Je leest er overheen, maar in alles zit een grap: het ‘lied’ is een gedicht van de Schot Thomas Campbell; het is nooit op muziek gezet, was nooit een hit en de genoemde componist was de echte naam van Stan Laurel. Op internet wemelt het van de sites waarop de structuur van het boek wordt beschreven en bediscussieerd en dit soort grappen worden ontrafeld.
    Het leven een gebruiksaanwijzing lezen gaat dan ook gepaard met veel gesnuffel op internet, resulterend in marges vol aantekeningen.

    Het leven een gebruiksaanwijzing
    Auteur: Georges Perec
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • De ziel is het vijfde wiel aan de wagen

    De ziel is het vijfde wiel aan de wagen

    Er was misschien sprake van een licht optimisme in Italië toen op 25 juli 1943 Mussolini werd afgezet en in september een bestand met de geallieerden werd gesloten. Maar met het vertrek van de duce verdwenen de fascisten niet. In hun ogen was 25 juli ‘de dag van het verraad’. Ze werden zo mogelijk nog fanatieker. Aan de andere kant trokken partizanen de bergen in om van daaruit de fascisten en de Duitsers te bestrijden. Het leidde tot harde repressies. Zoals in december 1943 in het stadje Borgosesia (regio Piëmont), de plaats waar in 1978 Giacomo Verri werd geboren. In zijn debuutroman uit 2012, Partizaan Winter, beschrijft hij gebeurtenissen in die decembermaand, uitmondend in de dood van tien inwoners door een vuurpeloton van het beruchte fascistische Tagliamentolegioen. Dat was een represaille voor de moord op twee leden van het legioen door de partizanen.

    Verri doet zijn verhaal door ons als lezer in het hoofd te laten kruipen van drie protagonisten, de gepensioneerde professor Italo Trabucco, de achttienjarige student Jacopo Preti en de tienjarige Umberto Dedali. Ze hebben alle drie een relatie met de partizanen. De student maakt er deel van uit, Trabucco is er niet actief bij betrokken, maar verdiept zich erg in de zin van het verzet (‘Het enige dat ik kan is observeren’, zegt hij ergens) en de kleine Umberto raakt steeds meer verstrikt in een romantisch beeld van de partizanen; in zijn ogen heldhaftige strijders met baarden, die op de berg Briasco met wolven praten.

    Natuur
    Partizaan Winter is geen boek dat snel wegleest. ‘Er is geduld voor nodig’, zegt Verri zelf in een documentaire (in het Nederlands ondertiteld). Vooral voor de Nederlandse lezer die waarschijnlijk niets weet van de gebeurtenissen in het Noord-Italiaanse provinciestadje in 1943, is niet altijd duidelijk wat Verri nu precies wil vertellen. Pas bij een tweede lezing valt alles op zijn plek. Complicerende factoren zijn dat Verri niet zozeer acties beschrijft als wel wat er in de hoofden van de betrokkenen omgaat aan idealen en morele oordelen. Die worden dan ook nog eens beschreven als een verhouding tot de natuur. Dat is een bewuste keuze van Verri die hij in een nawoord toelicht. Hij kan geen objectief verhaal vertellen; hij was er niet bij. ‘De mens van vandaag [kan] zich alleen vergelijken met dat verleden, als hij geplaatst wordt tegenover de dingen van de natuur (en niet van de geschiedenis), die al duizenden jaren dezelfde zijn’. Het leidt tot een poëtische verteltrant, waarin Trabucco bijvoorbeeld het best tot zijn recht komt als hij in gesprek kan zijn met zijn geliefde berg Fenera.

    Katalysator
    Een mooie vondst van Verri is om elk van zijn hoofdfiguren een vrouwelijke inspiratiebron toe te kennen, die werkt als een soort katalysator. Het gaat steeds om iemand voor wie één van de hoofdpersonen amoureuze gevoelens koestert zonder dat die worden gepraktiseerd. Ze verleiden de betrokkenen echter wel tot politieke keuzes of op zijn minst het nadenken daarover. Voor de oude Trabucco is dat Giulietta, een wat geheimzinnig vrouw die koerier voor de partizanen lijkt te zijn. Voor Jacopo is het Flora, bij wie hij een blauwtje loopt, maar voor wie hij daarom des te meer wil bewijzen dat hij partizanenbloed heeft. Voor Umberto tenslotte is het schoolgenote Maria, die contact heeft met de partizanen.Daarnaast zijn er twee mannelijke figuren die een soortgelijke rol spelen.

    Allereerst is dat Pietro, een vroegere arts en vriend van Trabucco, die hem wil betrekken bij het verzetswerk. Niet als actievoerder, maar als wijze beschouwer. Hij vraagt hem een toespraak te houden voor het verzetsdetachement Grasci dat vanuit de berg Briasco opereert.
    Een heel andere inbreng heeft Umberto’s schoolvriend Gabriele, wiens ouders fascisten zijn (net als de schoolmeester). Het leidt tot een steeds grotere verwijdering tussen de jongens, die uiteindelijk omslaat in haat.
    Jacopo Preti heeft niet zo’n vriend, maar hem is altijd een ontmoeting bijgebleven met een zeeman die een adagium had dat Jacopo overgenomen heeft: ‘De ziel is het vijfde wiel aan de wagen’. Een wat raadselachtig motto dat Jacopo later als volgt aan zijn medestrijders uitlegt: ‘Toen de heksen verbrandden, was die stank boven de brandstapels misschien wel de ziel die ten hemel steeg (…) Ze treedt vermengd met bloed uit als de fascisten je neerschieten en dan win jij omdat je ertussenuit piept. Kijk, dat is nou het vijfde wiel aan de wagen.’ Met andere woorden: de partizaan zegeviert altijd.

    Vuurpeloton
    Het is december; winter. Zowel Trabucco als Umberto is, ieder in eigen kring, bezig de kerststal op te bouwen. Dat is in de katholieke vallei waarin Borgosesia ligt, een langdurig ritueel dat begint op 1 december en eindigt op Kerstavond en in voltooide staat een heel landschap tevoorschijn tovert. Verri geeft zijn hoofdstukken als titel mee de data van de maand (met een verwijzing naar de kerkelijke traditie wordt 8 december afwijkend getiteld als ‘de onbevlekte ontvangenis’), beginnend op de eerste en eindigend op 23 december, de dag na het vuurpeloton.

    In de laatste dagen voor Kerstmis pakt het Tagliamentolegioen pakt min of meer willekeurig mensen op  als represaille. Die betrokken zouden zijn bij de moord op de fascisten. De belangrijkste is de burgemeester van Borgosesia, Giuseppe Osella, die bekend stond als fascist, maar in het geheim de helpende hand uitstak naar de partizanen. Hij wordt op een gruwelijke manier gemarteld. Onder de arrestanten zijn ook Pietro en Trabucco. Ze ondergaan de martelingen eveneens, maar ze behoren uiteindelijk niet tot de tien geselecteerden die voor de muur van de San’Antonio zullen worden geëxecuteerd. Ook Jacopo is er niet bij. De fascisten hebben hem niet te pakken gekregen.
    Wie ook niet onder de gearresteerden zit is de jonge Umberto. Hij mag elk jaar een wens doen aan Jezus in de kribbe. Dit jaar heeft hij een bijzondere wens. Bovendien heeft hij een briefje geschreven aan Cino, de leider van de partizanen, dat hij mee wil doen. Hij heeft, zoals alle partizanen schuilnamen hebben, voor zichzelf ‘Partizaan Winter’ gekozen. Wat moet hij nu, na het vuurpeloton?

    Instinct
    De dag voor Kerstmis vormt zowel het eerste als het laatste hoofdstuk van de roman. Daarin blikt Trabucco terug op de gebeurtenissen en de lessen die daaruit te trekken zijn. Zoals over het motto van Jacopo: ‘Misschien hechten de mensen aan oorlog, ondanks haar gruwelen, omdat alleen oorlog diegenen verenigt die niet kunnen liefhebben en niet kunnen streven naar de oneindige eenheid van de spirituele wereld. Het idee van het vijfde wil aan de wagen was een kwellende gedachte die Jacopo in leven hield, hem vooruitdreef en hem uitdaagde om te geloven dat dieren in vergelijking met de mens, in de stijgende weg naar volmaaktheid, een veel groter geschenk hadden ontvangen: het instinct.’

    Verri maakt met zijn verhaal de sfeer van wantrouwen, verbittering, haat, maar ook vriendschap zeer invoelbaar, zij het dat die pas echt bij herlezing aangrijpt. Dan stap je als lezer gemakkelijker over de soms wat te geconstrueerde teksten heen. Want een zekere onevenwichtigheid kan de taal van Partizaan Winter toch wel worden tegengeworpen. Er zijn mooie zinnen, zoals wanneer Umberto aan het sterfbed van zijn vader bedenkt ‘dat je dingen om aan een vriend te vertellen altijd voor later kunt bewaren. Aan een vader niet: of je doet het altijd, of het lukt nooit meer’. Maar daartegenover staan gezochte vergelijkingen als een straat ‘aan weerszijden omschouderd met overbevolkte huizen’.

     

  • Indringende vragen over goede bedoelingen

    Indringende vragen over goede bedoelingen

    Van Linda Polman verscheen al eerder De crisiskaravaan (2008). Als onderzoeksjournalist schreef Polman een boek dat heel wat heilige huisjes afbrak over de hulpverlening aan derde wereldlanden, vluchtelingenkampen en rampgebieden. Polman toonde de rauwe werkelijkheid van de ngo’s die niet in wervings-spotjes te zien zijn: organisaties die elkaar verdringen om in de gunst van sponsoren te komen, humanitaire middelen die in zakken van foute regimes verdwijnen en een woud van politieke belangen. De crisiskaravaan, non-fictie, was geen opwekkende kost. Evenmin vrolijk stemmend is het onlangs verschenen De Geesten, de nieuwste roman van Yves Petry. Hij gaat een stap verder en duikt in de drijfveren van de individuele hulpverlener met als kernvragen: waarom willen we zo graag goed doen en wat willen we daarmee aan onszelf of de ander bewijzen?

    Duisternis

    Petry schrikt er niet voor terug verontrustende thema’s aan te pakken. Het meest bekend waarschijnlijk, is zijn roman De maagd Marino waarvoor hij in 2011 de Libris Literatuurprijs kreeg. Die knoopte aan bij de beruchte zaak waarin de Duitser Armin Weimes zijn landgenoot Brandes, die zich daarvoor had aangeboden, vermoordde en opat. Maar meer dan een aanleiding tot het boek is die gruweldaad niet. In werkelijkheid gaat De maagd Marino over wat bewustzijn eigenlijk is: wie is degene die zichzelf ‘ik’ noemt?

    De Geesten is gesitueerd in een fictief West-Afrikaans land waarvan alleen de namen van de havenstad Port-au-Bout en het in het binnenland gelegen vluchtelingenkamp Bilonga genoemd worden. Het is een gebied waar twee stammen en religies elkaar naar het leven staan, de islamitische Hiromwe en de christelijke N’gali. De setting doet in zijn gruwelijkheden sterk denken aan de strijd tussen de Hutu’s en de Tutsi’s in Rwanda en Burundi in de jaren ’90 van de vorige eeuw, maar ook aan het Congo uit Heart of Darkness, waarin Joseph Conrad een pijnlijk beeld van de menselijke beschaafdheid schetste. Niet voor niets is de duisternis een decor dat prominent aanwezig is in de jongste roman van Petry. ‘Een botsing der duisternissen’ is dan ook de titel van het laatste hoofdstuk waarin de hoofdpersoon, de arts Mark Oostermans, dichtbij zijn, wat je zijn loutering zou kunnen noemen, komt na zijn mislukte liefdesleven en zijn werk in het kamp Bilonga. Daarover later.

    Artsen zonder Kleur

    We koesteren graag een idealistisch beeld van Artsen Zonder Grenzen (AZG), werkend met vrijwilligers in probleemgebieden en medische zorg verlenend aan elk slachtoffer. Ongeacht afkomst, politieke kleur of religieuze gezindheid en desnoods tegen de zin van de regering van het betreffende land. Op grond van De Geesten kan niet geconcludeerd worden dat Petry zijn reserves heeft bij dergelijke organisaties, maar het belet hem niet fundamentele menselijke en existentiële vragen over hulpverlening op zich op te werpen.

    Mark Oostermans, die we door de roman heen volgen, gaat vijf keer naar het vluchtelingenkamp Bilonga van Artsen Zonder Kleur om er goed werk te doen. De benaming van die organisatie is niet zomaar een woordspelige parafrase op AZG. Het zal misschien duiden op de neutraliteit van de organisatie, maar zeker ook op de persoonlijkheid van Oostermans. Die wordt in de roman herhaaldelijk te meegaand genoemd, kleurloos zou je kunnen zeggen. Tekenend is hoe de relatie met zijn vriendin Kristien is geëindigd. Mark is er volkomen van in de war:
    ‘ik probeerde haar een brief te schrijven. Die poging maakte vooral duidelijk hoe weinig fantasie ik inderdaad bezat. Het ontbrak me, denk ik, aan vechtlust in de liefde. Mijn inspiratie werd niet geprikkeld door de heilige wil om te winnen’.
    Het is de relatiebreuk die naar de stap leidt om naar Afrika te vertrekken. Het heeft er veel van dat hij Kristien zal bewijzen dat hij durft en een ruim hart heeft.

    Illusies

    Op dat moment is nog niet duidelijk welke betekenis Kristien heeft in de roman. De Geesten lijkt grotendeels een verhaal van een ik-verteller die zich tot de lezer richt. In het laatste hoofdstuk echter blijkt de hele roman een verslag te zijn van Mark aan Kristien. Hij heeft zich al die tijd tot haar gericht. Het is een tournure die werkt, want ineens worden wij in haar schoenen gezet: we zijn geen afstandelijke lezers meer, maar worden gedwongen met de vragen die Mark opwerpt aan de slag te gaan.

    In totaal gaat Mark Oostermans vijf keer naar Bilonga. Hij loopt daar op allerlei manieren tegen zichzelf aan in scènes in het kamp en in verwikkelingen tussen artsen. De belangrijkste onder hen zijn het hoofd Jeroen Ullings, de Belgische arts Margot en de Afrikaan Ibrahim. Opvallend is dat alle artsen (met uitzondering van Ibrahim) in het kamp terecht zijn gekomen na verwarrend verlopen liefdesrelaties die hen teruggeworpen hebben op de vraag naar hun diepere motieven om iets te betekenen in de wereld.
    Het meest cynisch daarover is Jeroen Ullings. Hij heeft een tijd lang de wereld achter zich willen laten door Jezuïet te worden. Die stap bracht hem vooral tot nadenken over dood en leven en de zin van hulpverlening. Hij maakt zich geen illusies; hij is voor zichzelf in Bilonga. Niets is dan ook zo ‘manifest hopeloos als dit eeuwig oplappen van mensen die nergens heen gaan en van zichzelf ook weten dat ze dat niet doen. Het is werk dat me verlost van mijn zelfzucht, maar dat betekent in de verste verte niet dat de wereld er beter van wordt.’
    De dialogen van Ullings maken door hun breedvoerigheid en rationele constructies overigens de roman niet altijd even sterk. Zoals Petry de gesprekken soms ook wat gekunsteld invoegt: het is niet altijd duidelijk waarom verschillende figuren hun bokkige zwijgen ineens doorbreken.

    Manipulaties en levens redden

    Enigszins duister zijn de manipulaties van de arts Margot die aan de stoelpoten van Ullings zaagt. We komen er als lezer niet achter of zij werkelijk een integriteitsprobleem aan de orde stelt of dat ze op eigen gewin uit is. Of is het de politiek, misschien wel de lafheid, van het hoofdkantoor van Artsen Zonder Kleur die hier te kijk wordt gezet. En wie is er schuldig als het een aanval op het kamp gruwelijk afloopt: het hoofdkantoor, de arts die onverantwoorde risico’s nam of degene die niet ingreep.
    Oostermans blijft in het kamp Bilonga in zekere zin de slappeling die hij in zijn liefdesrelaties was. Hij trekt in de machtsstrijd tussen Margot en Ullings geen partij en maakt geen duidelijke keuzes. Zo grijpt hij niet in als hij ontdekt dat Ibrahim een pistool bij zich draagt hoewel wapens in het kamp verboden zijn.

    Oostermans hoeft zich geen illusies te maken als hij onderhouden wordt door Jeroen Ullings: ‘Wat doen wij hier, Mark? Dag in, dag uit spannen wij ons in om levens te redden vanuit het idee dat deze mensen net zo goed als wij recht op leven hebben. Heel nobel van ons. Maar bekijk het ook eens van hun kant. Zij hebben niet het gevoel mensen te zijn als wij (…) In feite begrijpen ze hun belagers beter dan ze ons begrijpen. Onze motieven zijn hun duizend keer vreemder dan die van hun vijanden. We zien hen sterven, bij dozijnen, maar zien zij ons ooit sterven?’

    Wat in het licht van die laatste opmerking de rol van Ullings zelf bij het dramatische einde van de aanval op het kamp is, is een vraag voor de lezer. Die mag zich meteen ook de vraag stellen wat er met Oostermans is gebeurd na het lezen van deze roman. Want terug in België stopt Mark Oostermans zijn verslag bij Kristien in de bus. Het eindigt met ‘Laat dat voor nu het antwoord zijn op de vraag wat eigenlijk mijn probleem is. Later meer. Eerst moet jij dringend dit verhaal lezen, Kristien. Hooguit nog een uur of twee en dan sta ik bij jou voor de deur.’
    Zal Kristien open doen? Zouden wij, staande in de schoenen van Kristien, het doen?

     

  • Handreiking

    Onderzoeksnota’s zijn vaak geen vlot leesbare literatuur. Maar er zijn uitzonderingen. De Handreiking voor ondersteuning van Eritrese Nieuwkomers bij hun integratie is er een. Een nota van 67 pagina’s uit augustus van het Kennisplatform Integratie &Samenleving, een adviesorgaan voor overheden en hulporganisaties. Het bevat een plezierige hoeveelheid tips en ervaringen die in het hele land zijn opgedaan met vluchtelingen uit Eritrea. Maar de inleidende hoofdstukken zijn niet alleen interessant voor wie persoonlijk met Eritreeërs werkt. Ik las er onder andere in hoe belangrijk de plaats van het geloof is in het dagelijks leven (overheersend), hoe het onderwijs in elkaar steekt (pover) en hoe groot schaamte kan zijn en de geneigdheid tot toedekken van fouten. Maar wat kun je daarmee in de praktijk?

    Soms word ik er door in verlegenheid gebracht. De Eritreeërs die ik wat beter ken dan van een vluchtige groet, zijn op één hand te tellen. De meesten trekken zich terug in de eigen groep. En er is er maar één met wie ik regelmatig persoonlijk contact heb. Die appte mij kort geleden dat hij opnieuw was gezakt voor zijn inburgeringsexamen. Toen ik hem opzocht stond de tv op het NOS Journaal. Op de laptop lagen prints van taaloefeningen, vol gekliederd met invullingen en potloodstreepjes. IJver kan ik hem niet ontzeggen. Zijn lening van DUO was bijna op en hij had twee maanden om opnieuw examen te doen. Sinds ik een paar keer toetsen met hem heb doorgenomen, weet ik hoeveel moeite de lessen hem kosten. Hij is laaggeschoold en kan de examenvragen niet aan in de tijd die er voor staat. Nu komt daar nog de grotere druk van het geld bij. Hij vertelt dat hij wel eens lessen mist omdat de busreis ernaar toe te duur is. Ik kijk hem verwonderd aan omdat ik weet dat hij een ov-kaart heeft. ‘Ja’, zegt hij, ‘maar alleen voor het weekend’.

    Mijn verwondering groeit. Hij legt uit dat hij die keus heeft gemaakt om op zondag naar de diensten van zijn christelijk-orthodoxe kerk te kunnen. Die zijn in Eindhoven, een dik uur reizen heen en terug. Ik mompel iets over meerijden; over keuzes en zelfs dat hij de ov-kaart heeft om hier de weg gemakkelijker te vinden. Hij kijkt me glazig aan. Ik gun hem natuurlijk zijn geloof en weet intussen hoe die vieringen eruit zien en hoe belangrijk ze zijn voor hem en zijn landgenoten. Maar toch, is het nu niet even belangrijker om te zorgen dat je hier voet aan land krijgt? Hij is niet te vermurwen. Tegelijk kan ik niet boos op hem worden. Ik weet dat hij het Journaal niet expres heeft aangezet en die papieren niet met een bijbedoeling op zijn laptop heeft liggen. Niet omdat ik langs kom. Hij is echt gemotiveerd. Hij doet alles om Nederlands te leren. Maar wat moet ik ermee dat zijn geloofspraktijk zo’n hoge prioriteit heeft?

     


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • De lijst

    De lijst

    Ruim een week geleden bracht ik een bezoek aan museum De Fundatie in Zwolle waar vooral de Zomerexpo 2017 op de twee bovenste verdiepingen me verraste: een selectie van kunstenaars die hun associatie met het thema Water hadden vormgegeven en via een strenge jury een podium kregen in een van onze mooiste musea. Ik was onder de indruk van de enorme variëteit waarmee het thema is verbeeld: als dorstlesser, als middel van vermaak, als schoonwasser, als voortgaande beweging, als energiebron, als schoonheid op zich, en sommige kunstenaars zochten het juist in een gebrek aan water; de droogte.
    Na een rondgang door het museum ging ik even zitten op een bankje. Achter me op de vloer een opstelling van aluminium blokjes met zeiltjes of vlaggetjes, waarvan de betekenis me ontging: mijn ogen blijven in een museum vaker hangen aan slechts een deel van het geëxposeerde; ik kan niet alles binnen laten.

    Zonder veel aandacht pakte ik naast me een map op met vellen vol lijsten van incidenten met vluchtelingen. Op het losgeraakte voorblad zag ik in de gauwigheid een site vermeld staan: themigrantsfiles.com. Meer dan een argeloze vraag waarom dit hier lag en de impuls om thuis de site eens op te zoeken, vielen me echter niet in.
    De dag erna las ik in de NRC het indrukwekkende verhaal van correspondent Bram Vermeulen over 25 vluchtelingen uit Guinee, die door hun smokkelaars midden in de Sahara waren achtergelaten. Ze hadden te voet de acht dagen lange terugweg aanvaard met als enige leidraad de sporen van de Toyota Hilux die hen daar in het hete zand had gedumpt. Bijna allemaal stierven ze onderweg. Ik moest denken aan Dit zijn de namen van Tommy Wieringa. Maar vooral dacht ik aan dat mapje naast me op de bank in De Fundatie. Wat was dat eigenlijk voor lijst? En waarom lag die daar?

    Ik ging googelen. The Migrants Files blijkt een project te zijn van een collectief van onderzoekers uit vijftien landen. The human and financial cost of 15 years of Fortress Europe heet het overzicht. De conclusie was: Vluchtelingen en migranten geven meer dan een miljoen euro per jaar uit om Europa te bereiken. Evenveel als de Europese landen uitgeven om ze er buiten te houden. Elders  op de site, onder Events, een indrukwekkende lijst met mensen die Europa niet haalden; kolommen voor de doodsoorzaak, datum en tijd van het voorval, het aantal slachtoffers en een toelichting. De bestanden worden sinds 24 juni 2016 niet meer bijgehouden. Het geld was op.

    Nu pas realiseerde ik me dat de lijst op dat bankje in De Fundatie te maken had met die bevlagde blokjes die ik de rug had toegekeerd. Sea of Sorrow heet het, weet ik nu achteraf. Maker is Eric Hage. De lijst bracht hem tot zijn werk. Zijn werk bracht mij naar de lijst.

     

     

     

  • Geen volk kan zonder verhalen

    Geen volk kan zonder verhalen

    Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas begint de epiloog in zijn boek Mohammed en het ontstaan van de islam als volgt: ‘Godsdienststichters komen nooit ‘uit het niets’ tevoorschijn. Ze zijn het product van hun omgeving en van hun tijd. Maar hun blik reikt verder’.

    Het is inderdaad wat dit boek zoveel boeiender maakt dan een levensbeschrijving van iemand die ideeën had waar hij anderen voor wist te winnen. Hulspas laat zien hoe de opkomst van de islam alles te maken had met de bewustmaking van een Arabische identiteit. En hoe die identiteit zijn basis vond in een herkomstmythe en geloof in een lotsbestemming. over zijn oorsprong.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hulspas zijn biografie van Mohammed begint met de politieke constellatie van de regio. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was er eigenlijk nog geen sprake van een Arabisch volk. Eeuwenlang was het gebied ten prooi aan een machtsstrijd tussen Perzen en Byzantijnen, die beurtelings Arabische stammen inschakelden om voor hen te vechten. Het was in de ogen van de strijdende partijen een gevecht tussen Goed en Kwaad, een zienswijze die zijn basis vond in de verschillende religies, het christendom van Byzantium en het zoroastrisme van Perzië. Dwars door deze tweestrijd liep bovendien het Joodse volk, waarvan de leden verspreid over de hele regio woonden.

    Arabië, voor zover daarvan sprake was, was niet meer dan een schiereiland (met onder andere Saoedi-Arabië en Jemen). Het allegaartje van stammen dat daar woonde werd gedwongen onderlinge verschillen voor lief te nemen en zich te verenigen, toen de tweestrijd van de grootmachten beslecht leek te worden in het voordeel van de Perzen. Dat was een schrikbeeld voor die stammen die vanouds meer sympathie hadden voor het christendom.

    Maar wat moest die Arabische stammen binden? Daarin speelde Mohammed een essentiële rol door zijn woonplaats Mekka, die in het handelsverkeer nauwelijks van betekenis was, en de daar aanwezige Kaäba, te verbinden met een religieuze oorsprong. In zijn visie stamden de Arabieren af van Abraham, net als de Joden en christenen. Maar die waren afgedwaald van het geloof van deze aartsvader. Dat gold ook voor de Arabieren zelf, doordat ze het oudste heiligdom van het Abrahamistische geloof, de Kaäba, ernstig hadden verwaarloosd. En zo kon Mohammed de nieuwe Profeet worden die waarschuwde voor de komende Eindtijd als de Perzen zouden winnen. Alleen een terugkeer naar het zuivere geloof van Abraham kon redding bieden. In het begin verzamelde Mohammed nog slechts een aanhang in kleine kring, vooral omdat zijn aanhangers (de Hoems) wel de afstamming van Abraham aanvaardden, maar moeilijk de verering van ‘de drie dochters’, de vrouwelijke bemiddelaars tussen God en de mens, konden loslaten; een verering die door Mohammed, als voorstander van een volmaakt monotheïsme, werd afgewezen. Het zou na 12 jaar de reden worden voor een verhuizing van de Profeet naar Medina, de plaats waar hij in 632 zou sterven.

    Wie het leven van Mohammed wil beschrijven kan zich nauwelijks op vaststaande feiten beroepen. Ook Hulspas stonden slechts de Koran en de traditie, dat wil zeggen de overgeleverde verhalen en gebruiken, ten dienste. Die verhalen zijn lang van mond tot mond gegaan voor ze werden opgetekend. De oudste bewaard gebleven verzameling ervan die een gestructureerde biografie van de Profeet biedt, is die van Mohammed ibn Ishaak (de Nederlandse vertaling, Het leven van Mohammed, verscheen bij Bulaaq en is nog altijd verkrijgbaar). Hulspas leunt zwaar op deze biografie, maar gaat er bijzonder kritisch mee om. Even gedegen en doorwrocht is zijn exegese van de Koran. Hij ontleedt de verzen tot op het bot en elke bewering van eerdere biografieën wordt zo minutieus tegen het licht gehouden dat de lezer alleen maar diep ontzag kan hebben voor de mate waarin Hulspas zich zijn onderwerp heeft eigen gemaakt. Een enkele keer dreigt zijn verhaal wat breed uit te waaieren als hij nuance op nuance stapelt bij alle mogelijke interpretaties of bewerkingen van een Koranvers of het belang dat iemand kan hebben gehad om elementen in een verhaal weg te laten of toe te voegen. Er zullen best lezers zijn die, bijvoorbeeld in hoofdstuk 17 ‘De oorlog tegen Mekka en de Joden’, bezwijken onder de vele zinswendingen als  ‘gesteld dat’, ‘mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘als dit echt gebeurd is’, ‘suggereert dat’, om dan aan het slot te lezen: ‘Kortom, de latere verhalen zijn niet te vertrouwen’.

    Maar wie bereid is alle voorbehouden voor lief te nemen heeft met Hulspas’ boek een heldere biografie van Mohammed en een goede handleiding voor de benadering van de Koran in handen. De auteur maakt tevens duidelijk wat dit heilige boek nu werkelijk zegt over zaken die in onze dagelijkse actualiteit vaak worden opgedist als de belofte dat martelaren voor het geloof een paradijs met maagden wacht en hoe het gesteld is met de vrouw in de islam.

    Bovendien is de toon van Hulspas altijd licht en verstaat hij zijn vak om wetenschap aan leken over te brengen. Hij vertelt de verhalen op een smeuïge manier in verrassend frisse taal. Maar ook zijn bespiegelingen zijn zo ingeleefd dat je meegenomen wordt in de tijd. Af en toe roepen ze zelfs een glimlach bij je op: ‘Humor is zeldzaam in de Koran (…) Maar hier en daar klinkt in de openbaringen de invloed door van beroepsvertellers, die hun luisteraars graag vermaakten met grappige verhalen. Zo kregen ze wellicht de lachers op hun hand met het uitbeelden van Mozes toen deze plotseling, bij het naderen van een wonderlijk brandende braambos, de stem van God hoorde.’

    En als hij beschrijft hoe tolerant de islam zich opstelt tegenover de plicht tot het verrichten van de ‘heilzame werken’ (het bidden, het geven van aalmoezen, de ramadan enzovoort) noemt Hulspas God ‘geen scherpslijper’.

    Mohammed en het ontstaan van de islam geeft een verhelderend zicht op de basis van een religie die het Arabische volk een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat kan leiden tot meer begrip. Dat ieder er zijn eigen interpretaties op na houdt, van moslimfundamentalisten aan de ene en islamofoben aan de andere kant, daar kan Hulspas natuurlijk weinig aan veranderen.

     

     

  • De moedertaal als paradijs

    Hoe duidelijke wil je het als lezer hebben? De ondertitel Een autobiografische roman zet Ruben Jablonski meteen onontkoombaar neer als het alter ego van Edgar Hilsenrath. En wie de feiten uit het leven van de auteur in zijn achterhoofd heeft vraagt zich tijdens het lezen meerdere malen af waar het romaneske en de fictie dan wel in zit. Daarover straks meer. Maar zo ooit, dan is het nu wel van belang eerst de jeugdervaringen (tot ongeveer zijn 25ste) samen te vatten.

    Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een deceptie. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten. Momenteel woont Hilsenrath in Berlijn.

    De eerste roman van Hilsenrath, Nacht, is een beklemmende beschrijving van het leven in het getto van Mogilev-Podolski. Het boek verscheen in 1964 in Duitsland, maar werd daar nogal opzichtig tegengewerkt omdat hij in Joodse ogen een leugenachtig beeld schetste van de houding van de Joden zelf. Een jaar later sloeg het wel aan toen er een Amerikaanse vertaling kwam.

    De belevenissen van Ruben Jablonski uit 1997, dat onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen, is een verslag van zijn jeugd tot en met het schrijven van Nacht, het boek dat voor hem zelf als een verlossing kwam. De Ruben uit de titel is geobsedeerd door de drang dit boek te schrijven. We volgen hem in sneltreinvaart door zijn jonge jaren. We krijgen een indruk van de romantische omgeving die Sereth voor de jongen was en een sober overzicht van het getto waarin hij zich tot een ware overlever ontwikkelt. De grote lijnen in het boek worden gevormd door zijn alsmaar mislukkende pogingen om het gettoleven te beschrijven, zijn onrustige maatschappelijke bestaan (waarin hij het ene baantje na het andere, van bordenwasser tot ziekenhulp, aanpakt en vaak na een paar dagen alweer opgeeft), zijn zoektocht naar een samenleving waarin hij kan geloven en zijn verstoorde verhouding tot vrouwen. Hij kan ze alleen maar zien als seksobjecten en laat ze vallen als ze niet bereid zijn om op zijn commando te neuken.

    Als Ruben na zijn Palestijnse avontuur (de staat Israël wordt in 1948 uitgeroepen, maar juist op dat moment vertrekt hij) in Lyon in het gezin terugkeert frustreert zijn vader zijn verlangen om te schrijven en dwingt hem in de bontindustrie te gaan werken. Ruben vervalt in een diepe depressie, gepaard aan impotentie, waaruit niets hem lijkt te kunnen redden. Tot het beslissende moment waarop hij Arc de Triomphe van Erich Maria Remarque leest. Deze novelle gaat over statenloze vluchtelingen in Parijs vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog; Remarque schreef het tijdens zijn ballingschap in Amerika. Ruben Jablonski schrijft: ‘Voor het eerst had ik gezien hoe iemand in uiterst bondige taal een sfeer neerzette, goede karakters creëerde, razend spannend vertelde en vooral dialogen schreef zoals ik ze nog nooit had gelezen. Dat bracht me op het idee mijn gettoroman ook zo te schrijven.’ Aan boord van De Grasse, het schip dat hem naar de VS brengt, voltooit hij het boek.

    Intussen heeft de lezer in De belevenissen van Ruben Jablonski een amalgaan van politieke discussies geserveerd gekregen, die ook in andere romans van Hilsenrath zijn uitgewerkt: de verwikkelingen in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide (het onderwerp van zijn roman Het sprookje van de laatste gedachte) en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd.

    Maar er is ook iets merkwaardigs aan deze roman voor wie eerder werk van Hilsenrath heeft gelezen. We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de venijnige satire in De nazi en de kapper, het boek dat in Nederland voor zijn definitieve doorbraak zorgde. Deze Belevenissen lijken zonder de geringste literaire ambitie geschreven. Er zitten, vooral als het gaat over de historische achtergrond, bijna naïef te noemen dialogen in en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden afgeraffeld op de manier waarop je vertelt wat je in de supermarkt hebt gekocht.

    Toch zal een dergelijke kale, bijna fantasieloze, verteltrant een bewuste keuze van Hilsenrath zijn geweest, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. Wat past daar beter bij dan de platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven.

    Je krijgt wel de neiging te gaan psychologiseren over de banaliteit van zijn seksleven. Is het een weerslag van de ervaringen in het getto? Is het een voortdurende zucht zijn mannelijkheid te willen bewijzen omdat hij zichzelf eigenlijk een mislukkeling vindt? Is het een soort wraak op de wereld die geen liefde te bieden heeft (de Jodenvervolging, de Armeense genocide, de vernedering van de Palestijnen en de arrogantie van de zionisten)?

    Een mooie conclusie bieden in elk geval de laatste regels van het nawoord van Helmut Braun, een Duitse uitgever en pleitbezorger van Hilsenrath. Ruben Jablonski weet aan boord van De Grasse zeker dat hij zijn boek zal voltooien en zelfs bij welke uitgever het in Amerika zal verschijnen (daarin is deze autobiografie wél fictie, want in feite zal Hilsenrath het boek in Amerika pas afronden). Braun schrijft daarover: ‘En wat een moeizame weg (…) moest Edgar Hilsenrath gaan voor hij aankwam waar Ruben Jablonski overtuigd was te zijn. Heeft Hilsenrath later ooit zijn paradijs gevonden? Ja, alleen niet op een plek op deze aarde, maar in zijn moedertaal, die ook zijn literaire taal is, in het schrijven, in zijn boeken en de respons erop.’

     

     

     

  • De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    De ‘heks’ uit Kroatië heeft ons veel te zeggen

    In 1992 viel Joegoslavië uit elkaar in een landschap van onafhankelijke landen, die de jaren erna voortdurend bezig waren grenzen te trekken ten opzichte van elkaar en vooral te bewijzen dat ze een eigen staat waren met een eigen bestaansgrond. Het nationalisme vierde daarbij hoogtij. Eén van de staten was Kroatië, het land van de schrijfster Dubravka Ugrešić. Ook daar richtte het nationalisme zich op uitsluiting van anderen, ontkenning van het verleden in Joegoslavisch verband en verheerlijking van de nieuwe ‘eigenheid’. In tegenstelling tot het gros van de politici en intellectuelen wenste Ugrešić daar niet aan mee te doen. In haar ogen was het nieuwe Kroatië vergeven van de hypocrisie en geschiedvervalsing. Ze zei en schreef dat ook met als gevolg dat ze door haar landgenoten werd uitgekotst. Op de Universiteit van Zagreb, waar ze onderzoekster was, werd ze door collega’s genegeerd en in de pers werd ze (met enkele andere kritische vrouwen) uitgemaakt voor heks en ‘joegonostalgica’. Ugrešić verliet het land en vestigde zich eerst in Berlijn en later in Amsterdam.

    Vóór het uiteenvallen van Joegoslavië was Ugrešić een schrijfster en onderzoekster die nauwelijks aandacht had voor politiek. Na 1992 is die echter prominent aanwezig in haar boeken. Zo ook in het onlangs verschenen Europa in sepia, een verzameling essays die ze schreef in de periode 2010 tot 2013. De bundel bestaat uit tal van kortere stukken die samenhangend zijn gegroepeerd in vier delen. Vooral in het laatste daarvan, ‘Een bedreigde soort’, meet Ugrešić haar verhouding tot de gebeurtenissen in het begin van de jaren 90 breed uit. Het is het meest persoonlijke en felle deel. Persoonlijk is Ugrešić overigens in alles wat ze schrijft omdat het voortdurend waarnemingen in haar eigen kleine kring zijn die aanzetten tot diepere beschouwingen over ontwikkelingen in de maatschappij; Een ontmoeting met iemand in een winkel, een krantenberichtje, een opmerking van haar dochter, een bezoek aan een winkel, een YouTubefilmpje: alles kan aanleiding vormen tot een scherpe analyse van onze tijd.

    In dat laatste stuk, ‘Een bedreigde soort’, komt bij die persoonlijke ervaring ook nog eens een flinke dosis gif, die degenen die haar al langer volgen ook kennen uit eerdere boeken als Nationaliteit: geen en Cultuur van leugens. Ze herhaalt zich dan ook nogal eens, maar ze doet dat niet omdat de emmer nog altijd niet leeggegoten is. Nee, ze scherpt voortdurend aan en probeert nog dieper tot de kern door te dringen. Ze beschrijft bijvoorbeeld hoe ze in 2012 door krantenknipsels uit de jaren 90 bladert alsof het een onverschillige verzameling papier is die niets meer met haar te maken heeft, maar ‘dan valt mijn oog op de datering van die stukken, ja vooral op de datering, en wat ik destijds aanzag voor een spontane uitbarsting van krantenroddels over mijn persoon, wordt nu steeds meer een samenhangend verhaal. Het is alsof ik mijn hoofd tegen een muur stoot als ik me bewust word van een keiharde paradox: hoe meer samenhang het verhaal krijgt, hoe moeilijker het wordt om er iets tegenin te brengen.’ Die nieuwe schok vormt de aanleiding om te analyseren hoe geraffineerd campagnes om iemand buitenspel te zetten eigenlijk in elkaar zaten en hoe zinloos het is te proberen daartegen ten strijde te trekken.

    De status van Ugrešić in Kroatische ogen druppelt ook in de andere essays door. Dat begint al in het eerste deel dat dezelfde titel draagt als de bundel, ‘Europa in sepia’. Daarin legt ze uit wat precies met ‘joegonostalgia’ wordt bedoeld en hoe het mede haar kijk op de westerse wereld heeft gekleurd, zoals je naar oude foto’s in sepia kijkt. Als het over integratie gaat bijvoorbeeld of over de omgang van Nederland met Polen die hier komen werken, krijgt haar blik die kleur van de geschiedenis. Treffend beeld van hoe het met ons is gesteld, is een ervaring die ze opdoet in de hortus botanicus in Dublin waar 17.000 plantensoorten uit de wereld bijeen zijn gebracht. Bij sommige van die planten staan bordjes met de vraag ‘Why is it a problem in Ireland?’ Ze staan bij planten die een bedreiging vormen voor de inheemse Ierse vegetatie en die beter uit het land verbannen zouden kunnen worden. Met een schok lees je vervolgens de parallel die ze trekt met de omgang van West-Europese landen met immigranten: ‘Ja, Europa is net zo ingericht als de hortus botanicus van Dublin, iedereen draagt om zijn hals een bordje waarop al zijn gegevens staan: waar hij vandaan komt, hoe invasief hij is en in hoeverre hij voor de inheemse soorten een bedreiging vormt’.

    Terloops bewijst Ugrešić in dit essay overigens de Nederlandse literatuur eer als ze schrijft: ‘Nostalgie is als een onvoorspelbaar dier dat ons belaagt wanneer het wil, dat ons zonder onaangekondigd en zonder duidelijke reden besluipt en op een verkeerd moment en op een verkeerde plek vanuit een hinderlaag toeslaat’. Zou ze hier bewust Cees Nootebooms Rituelen (‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’) parafraseren? Hoogstwaarschijnlijk wel. Ze las hem in elk geval, want in Ministerie van pijn uit 2005 gaf ze enkele stukken al motto’s van Nooteboom mee.

    Het omvangrijkste deel van de bundel, het derde, is getiteld ‘De karaokecultuur’. Het is eigenlijk één essay in tien paragrafen, waarin de auteur een belangrijke ontwikkeling in de westerse cultuur van het laatste decennium signaleert. De meesten zullen bij karaoke denken aan de uit Japan overgekomen leukigheid om met een orkestband op de achtergrond en met de tekst op een autocue, een eigenwijze versie ten gehore te brengen van het origineel. Maar dat verschijnsel is voor Ugrešić veel breder: ‘Karaoke vertegenwoordigt niet alleen de democratische gedachte dat iedereen kan wat hij wil, maar is ook, en vooral, een bewijs van de democratische realiteit dat iedereen wil wat hij al kan.’ We apen alleen nog na en creativiteit buiten gebaande paden krijgt nauwelijks nog een kans, bedoelt zij. We leven in een ‘cultuur van het narcisme’ en van voldoen aan wat scoort. Daarom verschijnen er zoveel boeken met op het omslag kreten die verwijzen naar bestsellers van anderen, waarmee in feite wordt gezegd dat we met de zoveelste epigoon te maken hebben. En: ‘De media – kranten, televisie, de uitgeversindustrie en internet – bestaan bij de gratie van volkse en populaire popsterren en de populaire popsterren bestaan bij de gratie van de media, en zo scheppen ze samen een populaire cultuur die ze ook gezamenlijk beheersen.’
    Het is heel herkenbaar, maar tegelijk kun je je afvragen of het boekenaanbod inderdaad zo rampzalig is. Er duiken steeds weer schrijvers op die juist wel nieuwe vergezichten weten te openen. Ugrešić’ conclusie is er dan wel weer één om over na te denken: ‘Wat alle vormen van karaokecultuur met elkaar gemeen hebben is de narcistische, exhibitionistische en neurotische behoefte die eruit spreekt om als hulpeloos individu een teken van jezelf op deze onverschillige aarde achter te laten, en het maakt niet uit waarmee of hoe: in de schors van een boom, op je eigen lichaam, op internet, met een foto, met een daad van vandalisme, een moord of een kunstwerk. Aan deze cultuur ligt echter een serieus motief ten grondslag: de angst voor de dood.’

    Laat trouwens door het bovenstaande niet de indruk ontstaan dat Ugrešić louter sombert. Haar stukken zijn hier en daar juist erg humoristisch, bijvoorbeeld als ze schrijft over haar bezoek aan IKEA of over haar opstand tegen de minibar op hotelkamers.

    Europa in sepia

    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Vertaald door: Roel Schuyt
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2015)
    Aantal pagina’s: 376
    Prijs: € 24,95

  • Over het einde der wereld en queestende jongkerels

    Over het einde der wereld en queestende jongkerels

    In een interview zei Nico Dros het eens ongeveer zo: ‘Ik ben geworteld in Amsterdam, maar ik heb Texel nooit verlaten’. In zijn juist verschenen verhalenbundel Langzaam afbouwen op deze planeet staat een mooi voorbeeld van dat gevoel van verbonden zijn met twee plekken tegelijkertijd: Doorwaakte nacht. Omwille van zijn werk, maar ook door een ervaring een jaar eerder, blijft de ik-figuur in Amsterdam op de dag dat op Texel Ouwesunderklaas wordt gevierd. Na een merkwaardig verlopen avond en nacht staat hij om half vier op uit zijn Amsterdamse bed: ‘Zolang het feest op Texel nog voortduurde kon ik niet slapen’.

    Dros werd in 1956 geboren op het Waddeneiland en ging op zijn 18de in Amsterdam studeren. Daar bleef hij wonen, maar zijn hart bleef uitgaan naar zijn geboortestreek. Bijna al zijn boeken getuigen ervan. Zoals trouwens ook de geur van de Bijbel, zoals die op Texel werd gelezen, uit veel verhalen opstijgt. In deze bundel van acht verhalen geeft Dros bovendien een proeve van zijn veelzijdigheid als stilist. Hij wisselt even moeiteloos tussen luchtigheid en ernst als tussen documentair en bijna mythisch.

    Neem het titelverhaal, waarin het besluit van de terminaal zieke Max – hij heeft zelfs al het tijdstip voor zijn euthanasie bepaald – wordt ingebed in een explosieve situatie in het Midden-Oosten, die sommigen het einde van de wereld doet vrezen. De gesprekken met Max hebben in de verte iets Carmiggeltiaans. Zijn besluit om te sterven komt ineens in een ander licht staan nu de ondergang van de wereld zijn eigen persoonlijke plan dreigt in te halen. Ieder reageert op zijn eigen manier op de wereldcrisis. De een sluit zich af voor het nieuws, de ander vlucht de kerk in, zich vastklampend aan een plotselinge verschijning van Maria in een zakje koffiedrab, en anderen kruipen in de kroeg bijeen. Zelfs de herinneringen worden gekleurd door de angst voor de dood: Max begrijpt plotseling waarom zijn gesprekspartner vroeger altijd zijn tanden poetste en dure aftershave op deed als hij een uur ging rennen: ‘En opeens begreep ik het: jij rekende erop dat je met een fris gezicht en een schone mond eerder door een passant zou worden beademd, mocht je onder het lopen onwel zijn geworden en op het asfalt liggen.’

    Zo dreigend als in dit verhaal is het niet steeds, maar altijd is er wel iets onheilspellends dat voor een onverwachte wending in de loop van de gebeurtenissen zorgt. Soms vertelt Dros zo levensecht dat je gaat geloven dat er niets aan verzonnen is. In het eerste verhaal, Maagdenbloed, zet hij dat nog eens kracht bij door te beginnen met een citaat van Nabokov: ‘het Leven heeft meer talent dan wij. De intriges die het af en toe verzint! Hoe kunnen wij zo’n god naar de kroon steken? Zijn werk is onvertaalbaar, onbeschrijfelijk.’

    Venijnig is hij in De meisjes, een verhaal vol jaloezie, rivaliteit en kleineringen, waarin een literair criticus een romanauteur en vorige minnaar van zijn vrouw bij het vuilnis zet door in zijn recensie te concluderen: ‘Ties Weinacker lijkt me een kleinzoon van Simon Vestdijk, overigens een schrijver die om begrijpelijke redenen tegenwoordig nauwelijks wordt gelezen’.

    Bijzonder beeldend is Dros dan weer in het verhaal Going native  als hij het straatleven in Jakarta en de kampongs in de buurt ten tijde van Soeharto beschrijft. Dat doet hij letterlijk in geuren en kleuren: ‘Over de stad hing een walm, opstijgend uit open riolen die onder de tropenzon lagen te sudderen. Daarmee vermengde zich roet en rook van het altijd denderende verkeer (…) de Chiliwung, een rivier vol riekende zwadder (…) Maar er waren ook geuren in deze stad waaraan ik werkelijk verslingerd raakte: die van aanbrandende klapperolie (…) Onweerstaandbaar was de zoete nevel van inheemse tabak met kruidnagelen erin’. Bij het lezen van zulke beschrijvingen proef je de stad bijna op je tong.

    Een heel ander register spreekt Dros aan in het prachtige (en tragische) Twee dooilingen. Ook dit verhaal uit de tijd van de VOC speelt zich grotendeels op Texel af. Het is een wrange liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van een ziekte die de schapenpopulatie op het eiland decimeert, terwijl de ‘jongkerels’ zich gretig overgeven aan het queesten: een praktijk waarin zij ’s nachts door los staande ramen in de kamers van Tesselse maagden klimmen om ze te beslapen. Dominee Slaterus schreeuwt van de kansel zijn keel schor om de causaliteit tussen de onzedige nachtelijke klauterpartijen en de sterfte onder de schapen te bewijzen. Dros gebruikt in dit verhaal een exuberante taal, doorspekt met humor en ironie, zonder de magie ervan te kort te doen. In één zin vat hij de wanhoop van dominee Slaterus: ‘ Zijn baard werd nat van schuimend speeksel toen hij links en rechts uit de Schrift citeerde om zijn waarschuwing voor de straf van de eeuwige vermorzeling kracht bij te zetten.’

    En dan zijn we nog niet eens toe aan de aandoenlijke verwikkelingen tussen Jozef en Nanie, de protagonisten van deze geschiedenis. Met zo’n rijkdom neem je een enkel verhaal dat wat oppervlakkiger blijft, zoals Het weerzien, graag op de koop toe.
    Langzaam afbouwen op deze planeet

    Auteur: Nico Dros
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2015)
    Aantal pagina’s: 186
    Prijs: € 16,50

  • Aanvaarden dat het leven niet maakbaar is

    Aanvaarden dat het leven niet maakbaar is

    Toen de Airbus A 320 van Germanwings zich op 24 maart 2015 in de Alpen boorde, lag Filosoferen is makkelijker als je denkt van Coen Simon al drie weken in de boekwinkels (het verscheen op 19 februari). Toch staat er een stuk in dat één van de lessen beschrijft die uit de crash te trekken zijn. Het gaat om Toekomst. ‘Het akelige aan idealen’, zo schrijft Simon daar, is dat ze de neiging hebben om de werkelijkheid te minachten’. En even verder: ‘het [beoogde] toekomstig resultaat [kan] blind maken voor de verscheidenheid aan actuele mogelijkheden.’
    Natuurlijk is er angst voor het nieuwe. Ooit was bijna iedereen bang voor die enge stoommachine en de trein, maar zie wat die ons hebben gebracht. Vervang echter de stoommachine in die metafoor eens door asbest, zegt Simon, ‘en de toekomst ziet er ineens heel anders uit. Want ook asbest was een revolutionaire uitvinding. Een natuurlijk product met magische werking (…) Asbestos betekent onverwoestbaar. En dat hebben we inderdaad geweten.’
    Dachten we met die niet te openen cockpitdeur ook niet dat we voorgoed bestand zouden zijn tegen mensen die moedwillig een vliegtuig zouden willen laten crashen?

    Coen Simon zet je inderdaad op een prikkelende manier aan het denken. De in 1972 geboren filosoof won daarmee in 2012 zelfs de Socrates-wisselbeker, de jaarlijkse prijs voor het meest urgente, originele en vooral voor een breed publiek leesbare filosofieboek. Hij kreeg hem voor En toen wisten we alles. Al net zo’n pakkende titel als die van zijn nieuwste bundel met korte beschouwingen van 4 à 5 pagina’s, die eerder verschenen in Filosofie Magazine, NRC Handelsblad en NRC next en vooral in Trouw, waarin hij onder dezelfde woordspelige titel een column heeft. Aardig taalgrapje inderdaad, Filosoferen is makkelijker als je denkt, al zit er al wel wat sleet op. In 2009 verscheen al Rekenen is leuker dan als je denkt en er is ook een boekje Natuurkunde is leuker als je denkt. De ondertitel van Simons bundel is veelzeggender: Leren denken zonder dogma’s. Want dat is wat de auteur vooral doet met zijn stukken. Hij zet steeds vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid van wat we zeggen en laat zien dat die min of meer vaste formuleringen aannames verhullen waarvan we ons lang niet altijd bewust zijn.

    Het boek bevat 33 columns, die allemaal dezelfde structuur hebben. De schrijver begint met een simpele uitlating uit de actualiteit, gevolgd door een citaat van een filosoof waaraan die uitlating hem doet denken. Elke column sluit hij vervolgens weer af met een doordenkertje, aanbevolen literatuur en een verwijzing naar verwante columns in het boek. Zo is het startpunt van de column Durven een uitspraak van retaildeskundige Paul Moers die in 2013 over de sluiting van 5 warenhuizen van de Bijenkorf zei: ‘Je moet in deze crisis keuzes durven maken’. Daaronder volgt een citaat van Plato over angst en dapperheid. In zijn column toont Simon aan dat Moers met zijn uitspraak de waarheid claimt: ‘De stellende toon gaat ten onrechte door voor bewijskracht’. Maar een crisis dwingt vanzelf al tot handelen. Dat is geen kwestie van durf; je moet wel. Het is veel moeilijker om keuzes te maken als een dergelijke noodzaak er juist niet is. En iemand die ingrijpende maatregelen neemt hoeft zichzelf niet meteen een ereteken voor durf op te spelden. Bewust kiezen voor handhaving van een bestaande situatie als er ook veel andere mogelijkheden zijn kan evenzeer getuigen van durf. ‘Durven is weten wat je doet. Dat kan ook zijn: niets doen’.

    Aan zo’n column voegt Simon dan doordenkertjes toe voor de lezer. Zoals onder Durven: ‘Vaak wordt iemands eerlijkheid geprezen door hem moedig te noemen. Wat zegt dat over de eerlijkheid van degene die hem prijst?’ Voor verder lezen worden titels genoemd van Plato, Aristoteles en Cornelis Verhoeven.
    Dat procedé past hij toe bij alle 33 stukken.

    Coen Simon maakt niet de fout dogma’s onderuit te halen en daar zijn eigen absolute waarheid – een nieuw dogma als het ware – voor in de plaats te stellen. Hij stelt vooral vragen.
    De lezer mag het ook oneens zijn met zijn stellingname, als hij maar denkt. Er zijn dan ook columns die wringen. Daar is Breinwetenschap een goed voorbeeld van. Daarin haalt Simon een bewering van vakgenote Joke Hermsen onderuit. Zij zei in 2014 in een interview: ‘Door permanent online te zijn, raakt je brein overprikkeld’. Simon is het eens met haar pleidooi tegen het kritiekloos omarmen van nieuwe technologie, maar hij valt haar aan op onterecht autoriteitsdenken als ze zich beroept op neurologen: we weten nog zo weinig over het menselijke brein dat we geneigd zijn elke nieuwe ontdekking op dat punt als uitputtend te zien. Joke Hermsen neemt in haar uitspraak aan dat we ook een soort rustbrein hebben waarin we alle informatie selecteren. Om daar aan toe te komen moet de input even worden gestopt. ‘Hermsen vergeet’, schrijft Simon, ‘dat wat neurologen in het brein zien dan wel correspondeert met ons gedrag, maar het gedrag niet per se veroorzaakt. Ons gedrag en onze waardering van de prikkels worden ook ingegeven door de voorstellingen die we ervan maken.’ Wat wringt, is dat Simon de grondslag van de bewering van Hermsen onderuithaalt, maar het lijkt dat door deze redenering de aandacht wordt afgeleid van datgene waarvoor Joke Hermsen waarschuwt en dat geloofwaardig is. Misschien is Simon wel op zijn best als hij de lezer met dit soort effecten aan het denken kan zetten.

    Hoewel niet alle stukken een even sterk niveau hebben of echt iets nieuws verkondigen (de column Leiderschap bijvoorbeeld lijkt nogal obligaat), houden ze de lezer alert. De teksten zijn pregnant, maar toch luchtig. Ze blijven daarom een plezier om te lezen, mits met mate: de lezer beleeft er het meeste plezier aan door ze met tussenpozen en gedoseerd te savoureren. Dan dringt zich, ondanks de verscheidenheid aan onderwerpen, toch een soort grondtoon op. Dat is dat veel van wat we in korte soundbites (horen) verkondigen gebaseerd is op een veronderstelde maakbaarheid van het leven. Dat we ons niet kunnen verstoppen voor de realiteit zagen we al in het voorbeeld van het asbest, dat hierboven is doorgetrokken naar de crash van de Airbus A 320, maar mooie voorbeelden daarvan bieden ook de stukken met de titels Herdenken en Vieren. Ze draaien om de vraag of we zelf wel kunnen bepalen of we herdenken en wat het eigenlijke doel is van de viering van een verjaardag. Die verjaardag lijkt niet meer iets te zijn wat ons overkomt, maar wat we organiseren. Als de dag niet uitkomt, verplaatsen we hem gewoon uit behoefte om lastige omstandigheden uit de weg te gaan. ‘Maar bij een viering hoort ongemak’, schrijft Simon. ‘Het ongemak van de afwezigheid van juist je meest dierbare vriend (…) of van je moeder die vijf jaar geleden precies op je verjaardag overleed. Omstandigheden zijn deel van het feest. Je viert ondanks de omstandigheden.’

    Mooi.


    Filosoferen is makkelijker als je denkt. Leren denken zonder dogma’s

    Auteur: Coen Simon
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo/Anthos (2015)
    Aantal pagina’s: 159
    Prijs: € 18,99