• Licht voor een hoofd vol kennis

    Licht voor een hoofd vol kennis

    Op deze plek mag af en toe wel eens aan bijzondere boeken worden herinnerd die vóór de geboorte van Jong Literair Nederland al het licht zagen. Dergelijke bijzondere boeken zijn Kleuren en Wat is kunst? Begin een eiland…  van Ted van Lieshout. Het laatstgenoemde verscheen in 2020, werd genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2021 en beleefde snel daarna zijn derde druk. Terecht want Van Lieshout slaagt erin om kinderen op een onontkoombare manier te laten ontdekken wat kunst is, hoe kunst werkt en wat kunst onderscheidt van het alledaagse. Maar ook waarom het alledaagse zelfs soms kunst kan worden. Veel hangt af van wat kunst doet met onze manier van kijken naar en beleven van de wereld om ons heen. Het kunstplatenboek Kleurenpubliceerde Van Lieshout al in 2019. Het vormt met Wat is kunst? een perfecte twee-eenheid. Beide boeken hebben een vergelijkbare opzet en fysieke uitvoering en versterken elkaar.

    Lees verder op Jong Literair Nederland.

     

  • Gümüşay wil geen intellectuele poetsvrouw meer zijn

    Gümüşay wil geen intellectuele poetsvrouw meer zijn

    Stigmatisering, demonisering, uitsluiting, wokisme, sensitivity readers. De discussies over taalgebruik en waartoe dat kan leiden zijn niet van de lucht. Woorden doen er inderdaad toe. Ze hebben impact op persoonlijke levens en op identiteit van mensen. Of in de woorden van de in Duitsland werkzame Turkse denker en schrijver Kübra Gümüşay (1988): ‘Taal ontsluit de wereld voor ons en begrenst haar – en dat allebei tegelijk’ en ‘Taal beïnvloedt ook onze waarneming van het heden’. Kortom: ‘Taal heeft macht’, waar ze aan toevoegt: ‘En met macht komt verantwoordelijkheid’. In haar boek Spreken en zijn. Hoe taal ons beperkt en bevrijdt geeft Gümüşay tal van haar persoonlijke ervaringen in talkshows, forums en interviews en doet ze veel illustratieve grepen in de literatuur.

    Gümüşay begint haar betoog beeldend door onze communicatiewereld voor te stellen als een Museum van de Taal. Het is een ongelijkwaardig museum omdat een deel van de aanwezigen de labelaars is en een ander deel de gelabelden. De labelaars zien de anderen enkel vanuit hun eigen perspectief zonder dat ze beseffen dat ze dat doen. Anderzijds zijn de gelabelden voortdurend bezig uit te leggen dat het zicht op hen niet klopt. Ze worden in een defensieve rol gedwongen. In de ogen van de labelaars representeren ze een collectief; ze worden in dat beeld vastgezet, zodat ze zich alsmaar moeten verweren. Ze worden niet gezien als individu, maar als vertegenwoordiger van een groep: de moslims, de vrouwen, de Turken, de homo’s. Dat leidt tot ontmenselijking. Een belangrijk gevolg is dat ze vrijwel niet in staat zijn om hun eigen identiteit zichtbaar te maken.

    Simpelweg

    Daar is pas wat aan te doen als we door hebben hoe groot de invloed van de taal is op ons denken en onze levens: ‘Als we ons bewust zijn van onze grenzen, relativeert dat de dingen die we in onze onwetendheid veronderstellen. De dingen die we als universeel beschouwen – al definiëren ze alleen maar de grenzen van onze horizon’. Zowel de labelaars als de gelabelden hebben een verantwoordelijkheid om uit die valkuilen van de taal te breken. De labelaars moeten zich bewust worden van wat hun taal teweegbrengt en hoe die hun blik begrenst. De gelabelden moeten niet afwachten tot hen meer ruimte geboden wordt, maar die ruimte simpelweg pakken: ‘Het moeilijkste simpelweg dat ik ken’. Spreken en zijn is daarmee ook een activistisch boek.

    Gümüşay haalt halverwege haar boek een verdediging aan die labelaars veelvuldig gebruiken: ‘Je mag tegenwoordig ook niks meer zeggen’. Het doet meteen denken aan het boekje dat Onze Taal vorig jaar uitgaf onder de titel Dat mag je óók al niet meer zeggen’. Er zijn meer voorbeelden van boeken in het Nederlands die Gümüşay had kunnen noemen als zij ze gekend zou hebben. Zo geeft ze twee pagina’s met voorbeelden van opmerkingen zoals die van een leraar tegen een Turks meisje: ‘Je bent te gast in dit land. Dus gedraag je’. De Nederlandse Naeeda Aurangzeb vulde twee jaar geleden een heel boek met dergelijke uitspraken, 365 Dagen Nederlander. Menigeen zal ook de sketch van Van Kooten en Bie te binnen schieten van Mehmet Pamuk die in perfect Nederlands zijn groenteboer aanspreekt terwijl deze zijn toevlucht zoekt in krakkemikkige zinnen omdat hij voetstoots aanneemt dat iemand van Turkse afkomst de Nederlandse grammatica niet kent.

    Seriemoordenaars

    Daarmee wil maar gezegd zijn dat Spreken en zijn ook voor een Nederlands publiek een alleszins herkenbaar boek is. Het houdt ook ons – die onbewust net zo goed labelaars zijn – een spiegel voor. Gümüşay analyseert en formuleert scherp en ze heeft een zeer serieuze boodschap, maar haar boek is vaak toch luchtig. Over TV-programma’s bijvoorbeeld, waarin ze was uitgenodigd, werd ze te vaak gedwongen stigmatiserende discussies om te zetten in constructieve. Ze voelde zich dan ‘een intellectuele poetsvrouw’.
    En zij haalt een anekdote aan uit een toespraak van de ook in Nederland bekende Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Adichie, waaruit die onbewuste stereotypering spreekt: een Amerikaanse student zei, naar aanleiding van de bruutheid van een personage in één van haar romans, tegen haar dat hij het jammer vond dat Afrikaanse vaders zo gewelddadig zijn. Waarop Adichie repliceerde dat zij net American Psycho [van Bret Easton Ellis] had gelezen ‘en dat het zo jammer is dat jonge Amerikanen seriemoordenaars zijn’. Stereotypen zijn niet per se onwaar, maar wel onvolledig. Gümüşay schrijft: ‘Als één enkel verhaal de perceptie van een hele groep mensen domineert, bestaan die mensen niet meer als individuen’. Categoriseren is op zich niet zonder meer verkeerd, maar dat wordt het als één waarheid de enige waarheid wordt.

    Dat categoriseren gebeurt door middel van taal en dat heeft verstrekkende gevolgen. Als voorbeeld onder vele geeft Gümüşay de bekende benoeming van het coronavirus door Trump als het ‘China-virus’. Het leidde er toe dat wie die term overnam niet slechts geloofde in een causaal verband tussen het virus en het laboratorium in Wuhan, maar ook Chinezen ging uitsluiten.
    Je als gelabelde verzetten tegen je etiket helpt niet, zo bemoedigt Gümüşay haar lezers die voortdurend vechten tegen die ‘last van de representatie’: ‘Wij – de expositiestukken in het Museum van de Taal – moeten ermee stoppen te spreken om begrepen te worden, we moeten spreken om te zijn (…) als we niet meer door de ogen van anderen naar onszelf kijken, zijn we vrij’.

     

     

  • Basis van ons collectieve denken stamt al uit de 16e eeuw

    Basis van ons collectieve denken stamt al uit de 16e eeuw

    Met het begin van de oorlog in Oekraïne in februari 2022 kreeg Nederland plotseling weer te maken met een vluchtelingenstroom op een moment dat de acceptatie van asielzoekers in het algemeen een dieptepunt leek te bereiken. Populisten roepen al lang dat Nederland te vol is en het gevaar loopt zijn cultuur te verliezen; de politiek gaat al jaren over manieren om muren op te trekken voor vluchtelingen van buiten de EU omdat we zelf al te veel problemen zouden hebben. En toch stond Nederland vanaf dag één klaar om Oekraïners op te vangen en ze zelfs in huis te nemen. Het zojuist verschenen De vluchtelingenrepubliek zegt het in de inleiding zo: ‘Vastbesloten om aan de goede kant van de geschiedenis te staan, ontstaken grote delen van Nederland in een liefdadigheidseuforie’. Het maakte dat ‘sommige opiniemakers voorzichtig durfden te hopen op een cultuuromslag in onze omgang met vluchtelingen’. Zou Nederland dan misschien toch dat tolerante land zijn dat het in de geschiedenis heette te zijn geweest? Als De vluchtelingenrepubliek iets laat zien is het wel dat de werkelijkheid heel wat complexer is en dat op die historische tolerantie het een en ander valt af te dingen.

    Het is inderdaad zeer leerzaam om de loep die we op onze eigen dagen richten eens in te ruilen voor de verrekijker naar het verleden. Redacteuren David de Boer en Geert Janssen, respectievelijk docent en hoogleraar aan de UvA, bundelden voor dat doel bijdragen van dertien onderzoekers en historici over verschillende perioden uit de Nederlandse geschiedenis waarin ons land te maken had met vluchtelingen en voegden daar een terugblik van Leo Lucassen, hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis in Leiden, aan toe. Hoe complex die geschiedenis is blijkt al als we het woord vluchteling bezigen. In het spraakgebruik figureerde het toen de Hugenoten eind 17de eeuw Frankrijk ontvluchtten, maar in formele zin kreeg het begrip zijn status pas na de Tweede Wereldoorlog in het Vluchtelingenverdrag van Genève uit 1951.

    Diepe wortels

    In De vluchtelingenrepubliek worden dan ook verschillende begrippen door elkaar gebruikt, van immigrant (al vroeg) tot repatriant (uit Indië) en asielzoeker (in onze tijd). Het zijn benamingen die soms verhullend zijn. Veel mensen die na 1945 Indië verlieten waren wel degelijk op de vlucht, maar de regering noemde ze liever ‘repatrianten’ omdat dat hun komst acceptabeler zou maken in een land dat het al druk genoeg had met zijn eigen wederopbouw. En in de jaren negentig van de vorige eeuw werd de term ‘asielzoeker’ een stempel dat duidelijk moest maken dat niet iedereen zich zomaar vluchteling diende te noemen; hij moest eerst maar eens bewijzen dat hij dat was. Het is een ‘twijfelwoord dat niet toevallig lijkt op “gelukszoeker”’, schrijft Marlou Schrover (hoogleraar migratiegeschiedenis in Leiden) in haar bijdrage.

    In hun introductie schrijven de Boer en Janssen dat vluchtelingen in de huidige media als een typisch eigentijds ‘probleem’ worden gepresenteerd. ‘Dit boek gaat op zoek naar de sporen die deze vluchtelingen hebben achtergelaten in het Nederlandse landschap. Daarbij zullen we zien dat ook de angst voor vluchtelingen als een bedreiging voor onze veiligheid, welvaart en cultuur diepe wortels heeft’. Het overgrote deel van de huidige Nederlanders heeft volgens genetici, archeologen en historici zelfs een onvermoede migratieachtergrond.

    Fotogeniek

    In zijn slotbeschouwing geeft Lucassen een interessante verklaring voor het ontstaan van die hedendaagse kijk op vluchtelingen als een bedreiging. Hij legt uit dat met het Schengenverdrag dat in 1995 in werking trad de binnengrenzen in Europa vervielen; mensen van buiten de EU konden Europa alleen nog in met een visum. De gevolgen van dat verdrag voor honderdduizenden vluchtelingen uit Syrië, Irak, Afghanistan en Eritrea werden ineens schrijnend duidelijk toen zij massaal naar Europa wilden, maar door de situatie in hun respectievelijke landen eenvoudigweg geen visum konden aanvragen. Zomaar op een vliegtuig stappen kon ook niet omdat de luchtvaartmaatschappijen hen weigerden (ze zouden voor de kosten opdraaien als later bleek dat ze iemand met valse papieren hadden vervoerd). Daarom restte die vluchtelingen niets anders dan met mensensmokkelaars in zee te gaan en dagenlange trektochten over land te ondernemen. Zo werd de migratie ineens, zoals Lucassen het noemt, ‘fotogeniek’.  De vluchtelingen kwamen als een aanstormende horde alle huiskamers binnen en versterkten het beeld van een dreiging.

    Uit alle bijdragen blijkt dat Nederland vluchtelingen slechts in een paar uitzonderingsgevallen verwelkomde. Dat was bijvoorbeeld zo in 1956 toen Hongaren na de mislukte opstand tegen het stalinistische bewind hun land massaal verlieten. Nederland ontving ze met open armen. Aanvankelijk gebeurde dat ook met Belgen die in 1914 met één miljoen Nederland binnenkwamen, maar toen gingen al snel eigen belangen opspelen.
    De overheid legde vaak al snel restricties op uit angst voor economische nadelen, vrees voor ziektes en criminele elementen en uit beduchtheid voor aantasting van de eigen waarden en normen. In die gevallen was de inzet van maatschappelijke organisaties nodig om uitzetting van vluchtelingen te voorkomen of te bereiken dat ze Nederland überhaupt binnen mochten. Zo sloot Nederland, net als andere landen, in de late jaren dertig van de vorige eeuw de grenzen voor Duitse joden die aan het nazibewind wilden ontkomen. Ze gingen pas open onder grote druk van joodse organisaties in ons eigen land.

    Nieuw verhaal

    Een interessant aspect dat naar voren komt uit De vluchtelingenrepubliek is de herkomst van het beroep op het gevaar van aantasting van de Nederlandse identiteit. In zijn bijdrage toont Geert Janssen overtuigend aan dat de Nederlanden in de 16e eeuw zowel demografisch als economisch, politiek en religieus in belangrijke mate zijn gevormd door vluchtelingenstromen uit het zuiden uit onder meer Antwerpen (Marten Schoolmans, bekend van Rembrandts dubbelportret met zijn vrouw Oopjen Coppit, was de zoon van één van hen). In die tijd ontstond het collectieve denken over wat ‘Nederland’ eigenlijk is. De vluchtelingen waren ‘buitengewoon creatief in het bedenken van een nieuw “verhaal van Nederland” om op die manier ook hun eigen plaats in deze samenleving veilig te stellen. Onderdelen van deze ontstaansmythe – Nederland als protestantse natie, met een sterk ontwikkeld vrijheidsdenken en een bijzondere band met Oranje – zijn als propagandanarratief zo succesvol geweest, dat latere generaties er steeds opnieuw op terug zouden grijpen, tot op de dag van vandaag’.

    Deze en meer van dergelijke lessen zijn de grote verdiensten van De vluchtelingenrepubliek. Het is een boek dat iedereen die een mening over (opvang van) vluchtelingen wil roepen zou moeten lezen.

     

  • Oogst week 6 – 2023

    Victoriestad

    Salman Rushdie heeft juist deze week voor het eerst weer van zich laten horen sinds de aanslag op zijn leven augustus vorig jaar in een interview in de New Yorker. Veel over de aanslag en de aanslagpleger, een beetje over zijn nieuwste boek Victoriestad, dat voor de aanslag al geschreven was. Eigenlijk stond er een grote boektour gepland voor deze winter. Maar daar zal niks van komen. Zijn lichamelijke conditie is niet zo best. Hij is blind aan zijn rechteroog, zijn vingertoppen zijn gevoelloos. De grote vraag in het interview is of hij nog weer zal kunnen schrijven. Maar eerst is daar Victoriestad, een episch verhaal over een vrouw die een mythisch rijk tot leven ademt om er vervolgens in de loop der eeuwen door vernietigd te worden.

    In de nasleep van een veldslag tussen twee vergeten koninkrijken in het veertiende-eeuwse Zuid-India heeft een negenjarig meisje een goddelijke ontmoeting. Nadat haar moeder gedood is, wordt het negenjarige meisje Pampa Kampana een medium voor de godin die door de mond van het meisje begint te spreken. De godin verleent Pampa Kampana krachten die het begrip van het meisje te boven gaan en vertelt haar dat ze een rol zal spelen in de opkomst van een grote stad genaamd Bisnaga – letterlijk ‘victoriestad’ – het wereldwonder.

     

    Victoriestad
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Pluim

    Een mens valt uit Duitsland

    De in 1908 in Berlijn geboren Kurt Lehmann vluchtte in 1934 naar Nederland. Daar verscheen bij Querido, in die tijd uitgever van emigrantenliteratuur, zijn boek Ein Mensch fällt aus Deutschland. Dat het boek hier werd uitgegeven had hij te danken aan Menno ter Braak, die bleef aandringen toen Querido het manuscript in eerste instantie had afgewezen. Lehmann schreef het boek  onder het pseudoniem Konrad Merz, waardoor de Duitsers ook lang niet wisten dat hij de auteur was. Merz verklaarde de titel als volgt: ‘Mijn vader is voor Duitsland gevallen [hij kwam om in de Eerste Wereldoorlog], zijn zoon is uit Duitsland gevallen.’

    Menno Ter Braak recenseerde het boek in 1936 in Het Vaderland en vergeleek Merz daarin met Heinrich Heine om hun beider vermogen om culturen met elkaar te verbinden. Het met Berlijnse humor geschreven Ein Mensch fällt aus Deutschland was volgens hem geschreven op de grens van twee landen: ‘Dat is ook de reden waarom men deze lotgevallen van een Duitser, die naar Nederland moet vluchten, beschouwen kan als een werk van Europese betekenis’.
    Er kwamen al snel Nederlandse vertalingen, maar de bekendste daarvan is de latere Een mens valt uit Duitsland van Lore Coutinho uit 1979. Van deze is nu een herdruk verschenen.

    Een mens valt uit Duitsland
    Auteur: Konrad Merz
    Uitgeverij: Cossee

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf

    ‘Gisteren avond kreeg ik de mededeling dat mijn dochtertje, Raphaëla, overleden is. Het was haar geboortedag, want ze is op 3 januari 1947 ter wereld gekomen. Ik heb haar de naam gegeven van de schilder der idealen, van de zon en het licht, van de zoetste harmonie. Ze mocht niet lang bij haar moeder blijven, die geestesziek naar een gesticht voor zenuwlijders ging. Ik heb Raphaëla, dochter van mijn dromen, in een kinderkribbe moeten doen. Ze had haar eigen kleedjes niet meer. Ze werd een nummer en ze trok zo op mij, met haar grote, bange oogjes. En nu is ze gegaan, zonder een glimlach, zonder een glimpje liefde, gestorven in een vreemde wereld, verwelkt voor haar ontluiken. “Het is maar een wicht van drie maanden”, zegt men, “troost u dus”. Ik kan geen troost vinden, want met haar ging iets schoons en goeds van mezelf. De nacht heeft dit glimpje licht opgeslorpt, mij nu nog meer alleen latend.’

    Dit schreef Leopold Flam op 4 april 1947 in zijn dagboek. Flam (1912-1995) was een Belgische filosoof met een indrukwekkende bibliografie. Hij was kind van analfabetische joodse ouders en leerde zichzelf vanaf zijn achtste jaar in barre armoede in Antwerpen lezen. Hij overleefde Buchenwald en een werkkamp. Van 1925 tot 1957 schreef hij bijna obsessief brieven en dagboeken die zeer intiem zijn. Een selectie daaruit is door Kristien Hemmerechts en Guido van Wambeke uitgegeven in het lijvige Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Ze leveren ook toelichtingen op de tekst.

     

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf
    Auteur: Leopold Flam
    Uitgeverij: De Geus
  • Wat weten mensen nu van dieren af? Minder dan niks

    Wat weten mensen nu van dieren af? Minder dan niks

    Volgens diverse internetsites staan dieren hoog op de lijst van favoriete onderwerpen van kinderen die een spreekbeurt houden. Wie het over zijn of haar konijn of over de zeehond wil hebben, zal daar vooral met een mensenblik naar kijken. Dat standpunt houdt, al dan niet onbewust, in dat het dier ondergeschikt is aan de mens. Maar hoe zou een dier in een spreekbeurt vertellen over een ander dier? Bibi Dumon Tak probeert het uit in het pas verschenen Vandaag houd ik mijn spreekbeurt over de anaconda. De spreekbeurten in dit bijzonder aanstekelijke boek worden gehouden door dieren over andere dieren die soms onder de toehoorders aanwezig zijn.

    Lees verder op Jong Literair Nederland

  • Hij greep zijn pen en schreef verder

    Hij greep zijn pen en schreef verder

    Het is onder kenners van het werk van Joseph Roth een bekend dispuut tussen hem en zijn vriend Soma Morgenstern: wat mag je aan het werk van iemand anders ontlenen en gebruiken in een eigen roman zonder dat het plagiaat wordt? De ruzie daarover tussen de twee vrienden is terug te vinden in de herinneringen van Morgenstern die onlangs in vertaling verschenen, Vlucht en einde van Joseph Roth.

    Wat was het geval? Morgenstern had Roth het manuscript laten lezen van zijn eerste werk, Der Sohn des verlorenen Sohnes (de roman zou pas veel later verschijnen). Die vond hem geweldig. Twee jaar later las Morgenstern in het Pariser Tageblatt een hoofdstuk uit een nieuwe roman, Tarabas, van Roth, die als feuilleton in die krant verscheen. Tot zijn verbijstering kwam hij daarin de naam Janker Christjampoler tegen, de oude man uit Morgensterns eigen manuscript. Hij schreef meteen een woedende brief aan zijn vriend die hem daar niets over verteld had. In zijn reactie kwam Roth met allerlei uitvluchten, waarvan de laatste was dat het geen enkele lezer op zou vallen. Maar voor Morgenstern gold niet het What’s in a name van Shakespeare. Een personage in een roman had volgens hem altijd een naam die past als een handschoen. Roth had in zijn visie dus niet zomaar de naam gejat, maar ook het personage. De kwestie escaleerde toen Morgenstern er achter kwam dat Roth een keer in een soortgelijk geval aan een andere schrijver (Józef Wittlin) had geschreven dat die niet moest zeuren omdat ‘hij, Roth, als een rivier was die, zoals de natuur dat heeft geregeld, wordt gevoed door zijrivieren’. Morgenstern zegde de vriendschap met Roth op. Pas drie jaar later zou die door bemiddeling van Stefan Zweig hersteld worden.

    Acute dakloosheid

    Vlucht en einde van Josep Roth verscheen in Nederlandse vertaling in november 2022, dezelfde maand waarin ook Eindeloze vlucht. Het leven van Joseph Roth door Keiron Pim uitkwam, een biografie die veel gebruikmaakt van het boek van Morgenstern. Dat in beide titels het woord ‘vlucht’ voorkomt is niet toevallig.
    Roth (1894-1939) werd net geen 45 jaar. In dat korte leven was hij bijna altijd op de vlucht. Hij werd geboren in Brody in het huidige Oekraïne, maar vertrok al jong naar Wenen om er te studeren. Daar leerde hij Morgenstern kennen. Roth maakte zijn studie niet af, vocht in de Eerste Wereldoorlog aan het Oostfront en werd daarna journalist. Dat werk voerde hem onder andere naar Berlijn, maar de stad waar hij zich het meest thuis voelde werd Parijs. Roth ontvluchtte Wenen na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk naar Duitsland en daarna in 1933 dat land, toen Hitler aan de macht kwam. Hij vertrok naar Parijs.

    Roth leefde vooral in hotels en café’s. ‘Hij had ‘altijd last van acute dakloosheid’, lezen we. Zijn beste boeken schreef hij met stevige borrels op in horecagelegenheden. Morgenstern schrijft daarover: ‘Roths tafel in de bistro was de zoete inval. Mensen kwamen, gingen zitten en begonnen te praten. Hij legde zijn pen even neer, opende zijn verbaasde ogen en luisterde. Goede en slechte berichten. Op de goede zei hij: “Ongelooflijk!”. Hij greep zijn pen en schreef verder. Op slechte berichten reageerde hij met: “Maar dat is walgelijk!”

    Een roman schrijven in de kroeg met drank op en volk dat je steeds aanspreekt. Hoe is het mogelijk? Terugkijkend schrijft Morgenstern: dat kan ‘alleen door je daar steeds meer in jezelf terug te trekken. En daarvoor zorgde de alcohol’. ‘De alcohol spoelde zijn remmingen weg’. Maar ook de voortdurende dakloosheid past daarin: ‘Reizen was zijn tweede manier om zich te bedwelmen. Zo werd de vlucht zijn thuis’.

    Assimilatie of niet?

    Soma (eigenlijk heette hij Salomo) Morgenstern werd geboren in 1890. Hij was dus iets ouder dan zijn vriend. En hij overleefde hem een aanzienlijke tijd, tot 1976. Ook Morgenstern ontkwam niet aan de vlucht. Eerst uit Duitsland toen de nazi’s de macht grepen en in de Tweede Wereldoorlog toen hij uit een concentratiekamp in Frankrijk ontsnapte en uiteindelijk in Amerika terecht kwam.  Morgenstern en Roth waren beiden Joods opgevoed. Dat thema kwam vaak in hun gesprekken terug en dan met name de vraag of je moest kiezen voor het zionisme of voor assimilatie met het land waar je woont. Maar onderwerpen daarnaast betroffen ook vaak de politiek, vooral de Oostenrijkse na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk, en natuurlijk de literatuur en de muziek. Morgenstern schrijft liefdevol over zijn vriend en is vol begrip voor zijn uitspattingen. Uiteindelijk waardeerde hij hem enorm om wie hij was, ook al zoop hij zich te pletter (Morgenstern zelf dronk helemaal niet). Daarom lukte het Zweig ook de twee gebrouilleerden weer bij elkaar te brengen na de diefstal van het personage Christjampoler. Schrijnend is hoe op deze diepe vriendschap een aanslag werd gedaan doordat Morgenstern niet kon meemaken dat zijn vriend de laatste adem uitblies: een pater in het ziekenhuis waarin Roth was opgenomen claimde dat Roth zich had bekeerd tot het katholicisme (wat niet waar was).

    Schrijven in oorlogstijd

    Morgensterns herinneringen aan Roth zijn pas na zijn dood uitgegeven. Hij had het plan ooit zijn autobiografie te schrijven met daarin veel aandacht voor zijn vrienden, zoals Roth. Hij bleef dat echter maar voor zich uitschuiven. Tot hij rond zijn tachtigste er de kracht niet meer voor had. Hij sorteerde daarom alle fragmenten die hij ooit op papier had gezet en maakte er twee boeken met herinneringen van: één over zijn vriend de componist Alban Berg en één over Joseph Roth. Morgenstern was tot zijn dood echter vrijwel onbekend, schrijft Georg B. Deutsch in zijn nawoord bij de Nederlandse vertaling van

    Vlucht en einde van Joseph Roth. Pas in de jaren negentig van de vorige eeuw werd de verzameling ontdekt en werden zijn eigen romans vertaald. Het in de aanhef vermelde Der Sohn des verlorenen Sohnes kwam bijvoorbeeld in 2001 in Nederland uit.

    Vlucht en einde van Joseph Roth is een af en toe ontroerend verslag van een vérgaande vriendschap. De beschrijving daarvan is duidelijk de hoofdzaak. Wie verwacht ook veel te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis van Roths belangrijkste romans zal wellicht wat teleurgesteld zijn. Die komt slechts zeer zijdelings ter sprake. Dat wil niet zeggen dat er niet over literatuur wordt gedelibereerd. Het levert beschouwingen op waarop je als lezer wel even op blijft doorkauwen. Zoals deze – in 2022 ineens verrassend actueel geworden zinnen – : ‘Ik heb altijd bewondering gehad voor de zogenoemde scheppende kunstenaars die, ongeacht alle onrust van het moment, hun werk als het belangrijkste ter wereld beschouwden en zich niet lieten storen. Deze bewondering bleef niet helemaal onverdeeld. Als ik bedenk hoe zo’n romanschrijver zit te tobben over de vraag wanneer zijn held een sigaret of een sigaar moet opsteken terwijl in Oekraïne honderdduizenden mensen worden vermoord, mengt zich door mijn bewondering een vleugje minachting voor de scheppers en hun werk’.

    Hoe zou Roth, die – zo schrijft Morgenstern – ‘zelfs op zijn sterfbed de pen niet losliet’, daarover gedacht hebben?

     

     

  • Fotosynthese 29 – Studeren in gevangenschap

    Fotosynthese 29 – Studeren in gevangenschap

    Het zou een moment op een feestelijke bijeenkomst kunnen zijn, maar dat is het niet. Op de foto staan mannen in een vrijetijds-outfit van lichte overhemden en korte broeken. Er staan twee glazen op tafel en liefst twee obers zijn onderweg naar ze toe. Ze zijn, gezien hun kleding, deel van de groep. De mannen achter de bar staan in gelid voor de fotograaf. Aan tafel kijkt één man in de lens; de twee anderen staren naar iets onbestemds. Het is stil. Er wordt gezwegen tot het fototoestel heeft geklikt. De foto is duidelijk in scène gezet. 

    Ik stuitte er op toen ik op zoek ging naar de achtergronden van The Spark Papers, een keurig verzorgd boekje – hardcover, stofomslag – van nog geen veertig pagina’s, dat ik lang geleden op een boekenmarkt vond. Het bevat onder andere drie spreekbeurten van Nederlandse geleerden tijdens de Willem Spark-herdenking op 24 juni 1943. De teksten gaan over William Horace Lawrence Spark (1801-1843), een Nederlandse componist. De enigszins cabareteske formuleringen en de vermelding dat de Amsterdamse Willemsparkstraat naar hem is genoemd, maken duidelijk dat het om een grap gaat.

    Gegijzelden met veel vrijheid

    Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat sommigen op de foto toehoorders waren van die spreekbeurten. Ze waren gijzelaars in seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. De Duitse bezetter hield er vanaf 1942 prominente Nederlanders gevangen die het gevaar liepen te worden geëxecuteerd als elders in het land verzetsacties zouden worden gepleegd waarvan geen daders konden worden gevonden. Onder de prominenten waren hoogleraren, directeuren van bedrijven, Kamerleden enzovoort, zoals Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken, Johan Huizinga, Frits Philips, Jan De Quay en Wim Schermerhorn. Ze hadden ongewoon veel vrijheid zolang ze maar geen Duitsvijandige acties ondernamen.

    Er werd muziek gemaakt, film gekeken, geschilderd en gediscussieerd in de bar ‘De dorstige gijzelaar’ waar de foto is gemaakt. Maar vooral: er was door de gegijzelden een druk programma opgezet met tal van cursussen en lezingen, gegeven door deskundigen in hun vakgebied. Er was zelfs sprake van bijzondere tolerantie van de Duitsers. De filmcommissie mocht rolprenten laten zien die door de censuur kwamen, maar omgekeerd kwamen er geen represailles toen die commissie weigerde de Duitse aanbeveling op te volgen om Olympia van Leni van Riefensthal te programmeren.

    Er bestaan tal van voorbeelden van boeken die zijn geschreven in gevangenschap: Mein Kampf van Hitler, Pilgrim’s Progress van John Bunyan, Don Quichot van Cervantes en De Profundis van Oscar Wilde, De 120 dagen van Sodom van De Sade en vele meer. Hoe streng het regime ook kon zijn, er was ruimte om aan schrijfgerei te komen en er was vaak bezoek mogelijk. Geen van deze genoemde boeken zijn ontstaan in situaties waarin zoveel geesteskracht moest worden aangesproken als in krijgsgevangenschap, in een concentratiekamp of in Siberië. 

    Beekvliet was een behoorlijk humaan kamp. De gegijzelden beschikten over boeken en andere media, kregen pakketten toegestuurd en hadden erg veel bewegingsvrijheid binnen het terrein. Hitlers Herrengefängnis noemde de latere diplomaat Max Kohnstamm Beekvliet in het gelijknamige brievenboek over zijn verblijf daar. Toch was er de angst: zeven gijzelaars werden daadwerkelijk afgevoerd en geëxecuteerd.

    Activiteiten in communistisch gevangenschap

    Ik was echter verbaasd over de voorbeelden die ik uit mijn leesmemorie kon opgraven over studieactiviteiten in veel rigidere kampen. Mira Feticu bijvoorbeeld schrijft in haar Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal: ‘In de Roemeense politieke gevangenissen zaten veel schrijvers die het niet eens waren met de lijn van de enige Partij. Schrijvers, theologen, filosofen, hoogleraren. Er werden daar, in de communistische hel waar je zero vrijheid, zero eten, zero van alles had, taalcolleges gegeven. Gedetineerden onder elkaar, tussen de martelingen door onderwezen ze elkaar, er werden gedichten in hun geheugen geschreven, conferenties gehouden van een niveau dat de ‘“vrije” communistische academische wereld in Roemenië niet kende’.

    Vertaler (onder andere van Berlin Alexanderplatz) en verzetsman Nico Rost, die in Dachau terecht kwam wist daar een clandestiene leesclub te organiseren. Hij kon door zijn baantje in de ziekenbarak bij  de vele boeken, Duitse en Franse literatuur, die hij verslond en met anderen besprak. Wat hij daar las is allemaal te lezen in zijn Goethe in Dachau. Dagboek 1944-1945.
    De Franse filosoof Paul Ricoeur werd in 1939 opgroepen voor het Franse leger, maar zat al vanaf het begin van de oorlog als krijgsgevangene in Offlag II-D in Pommeren. Met enkele andere intellectuelen in dat kamp slaagde hij er in daar lezingen te organiseren en lessen te verzorgen. Hij begon er bovendien aan een vertaling van Ideeën van zijn Duitse vakgenoot Edmund Husserl.

    En dan vind ik in De verdwenen piano’s van Siberië van Sophy Roberts nog dit over de dekabristen, de opstandelingen tegen de autocratie van de tsaar in Rusland in 1825, waarvan de leiders werden opgehangen of naar Siberië verbannen: ze ‘stichtten gezamenlijk een kleine academie in ballingschap. Ze richtten werkplaatsen op om te timmeren, te smeden en boeken te binden. Ze gaven colleges (…). Ze begonnen een bibliotheek, die ze vulden met duizenden boeken die hun verwanten stuurden (…) De gevangen verzonnen verhalen over denkbeeldige landen en verre zeereizen’. In al die gevallen werd de dorst gelest door een bijna niet te vatten geesteskracht.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Alleen beschuitjes op het geborduurde kleedje

    Alleen beschuitjes op het geborduurde kleedje

    Op 16 december 1920 schrijft Rilke aan zijn geliefde ‘Merline’ dat hij flink bezig is geweest om zijn correspondentieachterstand weg te werken: ‘Denk je eens in (ik heb ze vanochtend geteld) ik heb 115 brieven geschreven (…) geen enkele van minder dan vier bladzijden, en veel van acht of zelfs twaalf kantjes, vrij klein geschreven. (Natuurlijk reken ik daarbij niet al wat naar jou is gestuurd, dat is geen schrijven, dat is ademen door middel van de pen)’.
    Hoewel Rilke geen tijdsbestek noemt waarbinnen die epistolaire activiteit zich afspeelde, is wel duidelijk dat hij vaak in de pen klom om relaties en vrienden brieven te sturen. Daar zijn er erg veel van bewaard gebleven. In 1939 was voor de (toen bekende) totale collectie al een Duitse uitgave in zeven delen nodig. De titel Verzamelde brieven van Rainer Maria Rilke die dit jaar in Nederlandse vertaling (369 pagina’s) uitkwam is dus op zijn zachts gezegd nogal pretentieus.

    Deze Verzamelde brieven zijn een bundeling van vijf eerder tussen 1929 en 1993 in Nederlandse vertaling verschenen edities van brieven aan steeds één geadresseerde. Maar Rilke schreef er veel meer. Bovendien bevat het hoofdstuk met brieven aan ‘Merline’, maar een selectie van wat hij haar stuurde.

    Kappus

    De vijf brievencollecties staan in chronologische volgorde in vijf hoofdstukken. Of die chronologie iets duidelijk maakt over de ontwikkeling van Rilke’s correspondentiestijl in de loop der tijd is moeilijk te zeggen. Het valt op dat in het eerste hoofdstuk de teksten van de brieven aan een jonge dichter (uit 1903 en 1904) afstandelijker zijn dan die aan ‘Merline’ (van 1919 tot 1922), maar dat zal waarschijnlijk ook te maken hebben met de geadresseerde. De jonge dichter uit het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld is Franz Kappus, een nu totaal vergeten man, die een bewonderaar van Rilke was en zijn eigen kansen op eeuwige roem wilde vergroten door steeds nieuwe verzen aan zijn grote voorbeeld ter beoordeling voor te leggen. Rilke had er geen hoge dunk van, maar draait er in zijn brieven aan Kappus eigenlijk steeds omheen. Hij wilde hem niet kwetsen en Kappus had goed tussen de regels door moeten lezen om door te krijgen dat Rilke geen dichterscarrière voor hem zag zitten. Dat besef lijkt bij de jonge dichter niet te zijn doorgedrongen.

    ‘Mijn tedere’

    Heel anders zijn de brieven in het laatste hoofdstuk aan ‘Merline’. Zo noemde Rilke zijn toenmalige liefde, de Duitse kunstschilder Baladine Klossowska; haar troetelnaam was de vrouwelijke vorm van de tovenaar Merlijn uit de Arthursagen. Die teksten zijn, hoewel soms wat gedragen, af en toe zelfs speels en laten meer van de persoon van Rilke en zijn dagelijkse leven zien. Begint hij zijn brieven aan haar in augustus 1919 nog met ‘Lieve Mevrouw’ en ‘Lieve Mevrouw en vriendin’, een jaar later is dat ‘Lieve, o lieve’ en nog later ‘Mijn lieve, mijn tedere’. Tussen troostende woorden aan haar als ze in slechte doen is, beschouwingen over het wonder van de natuur en filosofieën over het menselijke gedrag, staan de bijna puberaal-sentimentele teksten als (Rilke is dan al dik 40): ‘Ik heb steeds het zakdoekje dat doorweekt was van je tranen bij me; ik draag het mee als symbool dat je tranen altijd op mijn hart zullen opdrogen’ of de mededeling dat hij op het kleedje dat ze voor hem heeft geborduurd alleen beschuitjes legt; ‘brood zou te zwaar zijn voor je geborduurde blaadjes en je met bloemetjes versierde naam’.
    Zo kneuterig is natuurlijk niet alles wat hij ‘Merline’ schrijft. Intrigerender is dat het lijkt dat hij zijn Baladine het liefst maar de hele dag bij zich heeft, terwijl hij haar in werkelijkheid op afstand houdt, of zoals Jean Pierre Rawie in zijn Woord vooraf schrijft: ‘Het is dat je een groot dichter veel vergeeft, maar anders zou je toch oordelen dat hij haar aan het lijntje heeft gehouden’.

    Slap aftreksel

    In deze Verzamelde brieven staan meer ontboezemingen aan een vriendin. Het tweede hoofdstuk bestaat uit de brieven aan ‘Benvenuta’ – zoiets als de vrouwelijke vorm van het Italiaanse ‘Welkom’ – waarmee hij de concertpianiste Magda von Hattingberg aansprak. Omdat in dit hoofdstuk ook brieven van Magda zelf zijn opgenomen valt des te meer op dat Rilke het liever over zichzelf heeft dan echt op haar in te gaan.  ‘Opmerkelijk is hoe de twee langs elkaar heen praten’, stelt Rawie vast. De brieven die Rilke schrijft zijn nogal theatraal en pathetisch en in literair-historisch opzicht niet bijzonder interessant. Zo noemt hij Proust een ‘zonderlinge Franse schrijver’, maar licht hij die opvatting niet toe.

    Het meest interessant is de in het derde hoofdstuk opgenomen brief van een jonge arbeider aan een zekere V. Waarschijnlijk is het een gefingeerde brief (uit 1915) waarvan de schrijver en de geadresseerde dezelfde persoon zijn, namelijk Rilke zelf. In de brief rekent Rilke af met de manier waarop de kerk God en Christus heeft misbruikt: ‘Wat een waanzin toch om onze gedachten op een hiernamaals te richten terwijl de aarde toch boordevol  is met taken, verwachtingen en dingen die op ons op toekomen. Wat een bedrog om ons het zicht op de aardse verrukkingen te benemen, en ze dan achter onze rug aan de hemel te verkopen’. Rilke heeft het helemaal gehad met het ‘steeds slappere aftreksel van de kruidendrank die – naar men zegt – uit de eerste tere blaadjes van dat christendom bereid is’.

    Noten

    Rilke is hier duidelijk en stellig, veel meer dan in de andere brieven in deze verzameling. In dit stuk sleept hij de lezer mee terwijl die bij andere teksten nog wel eens verdwaald wil raken door Rilkes omzichtigheid en zelfs gedraai. Af en toe komt hetgeen hij schrijft nogal cryptisch en ongrijpbaar over: ‘Ik verbaas me slechts zo bot over de maan en verdenk hem van wanordelijkheid bij zijn hemels gedrag, – zo is een ieder van ons de wereld ongelijk ver toegenegen. Ik zou het niet door list en spionage aan de weet willen komen, nee, – alleen zo voortdurend uit aanschouwing en vreugde overal de wet binnengaan, want daar heeft men een lichte tred en bestaat geen vermoeienis’.

    Een punt van kritiek op Verzamelde brieven mag zijn dat de bundel enigszins gemakzuchtig is samengesteld. De bezorger/uitgever heeft volstaan met de letterlijke overheveling van de eerdere afzonderlijke uitgaven naar deze editie zonder daar eerst nog een kritisch oog overheen te laten gaan. Daardoor is een kans gemist om de hier en daar stroperige vertaling op te poetsen en iets te doen aan het notenapparaat. Die noten zijn er alleen bij de Brieven aan Benvenuta, maar omdat ze letterlijk zijn overgenomen uit de uitgave van 1993 zijn daarin verwijzingen naar de oorspronkelijke paginanummers en naar foto’s blijven staan die in deze bundeling niet zijn opgenomen. Daarentegen passeren in de Brieven aan ‘Merline’ namen en gebeurtenissen waar de lezer misschien ook wat annotaties van dienst hadden kunnen zijn, maar die ontbreken hier nu juist.

     

     

  • Verschil tussen gewone vuilnis en kunst

    Verschil tussen gewone vuilnis en kunst

    Een vriend van Onno Schilstra, net als hij beeldend kunstenaar, kon aan een tentoonstelling deelnemen door op een kunstbeurs een lege verkoopstand neer te zetten, een sokkel zonder beeld erop te plaatsen of een exact bepaalde ruimte tussen schilderijen wit te laten. Hij creëerde daarmee volgens Schilstra ‘betekenis-opwekkende stilte, leegte en afwezigheid’. Je zou die creaties volgens hem een visueel beletselteken kunnen noemen, zoals de drie puntjes waarmee een tekst op schrift wordt onderbroken of beëindigd. Iemand die dat in de literatuur betekenisvol toepaste is bijvoorbeeld Céline in Reis naar het einde van de nacht. Zo’n beletseltekening noemt Schilstra ook het veelvuldige ‘eh’ in gesproken zinnen van zijn vriend. Dat ‘eh’ staat niet voor twijfel, maar is een manier om de creatieve verbeelding van de luisteraar aan te spreken.

    Onno Schilstra (geboren in 1961 in Zierikzee) is beeldend kunstenaar en maakt muziek. En met Eh is hij nu ook schrijver. Hij ontleende de titel aan de manier van spreken van zijn vriend en kent er ook de betekenis aan toe die hij daaraan gaf: het aanspreken van de verbeelding van de lezer. Grafisch gebeurt dat in het boek door het vele gebruik van wit en de presentatie in een exact bepaald jasje: er zijn drie (!) soorten teksten die strikt van elkaar gescheiden zijn. Ze wisselen elkaar in strakke regelmaat af. Eerst is er een mini-essay waarbinnen de alinea’s zijn gescheiden door, jawel, drie puntjes, dan een korte, cursief gezette, tekst die vaak aforistisch is, en als derde een historische gebeurtenis of een persoonlijke herinnering die bij de auteur opkomt naar aanleiding van het besproken thema..Die trits herhaalt zich in Eh telkens weer, waarbij de pagina’s met essayistische teksten zijn genummerd, maar de andere twee niet. Zo volgt de vormgeving van het boek de inhoud en is het op zichzelf een voorbeeld van beeldende kunst.

    Doolhoven

    Eh is verschenen in de reeks Extase van uitgeverij In de Knipscheer, waarin talentvolle essayisten de kans krijgen te debuteren. Met die pretentie mag de vraag gesteld worden of Schilstra dat inderdaad is: een talentvol essayist. Voor we die vraag beantwoorden eerst iets over het karakter van de verschillende stukken.
    Schilstra schrijft sterk associatief. Beginnend met een beschrijving van driehonderd op de Bijbel geïnspireerde zandsculpturen die hij in 2019 bezocht in Elburg, – het was de eerste keer dat hij zo’n sculptuur van zo dichtbij zag, – filosofeert hij in de volgende tekstjes en teksten over zand en zandsculpturen in de geschiedenis, in de kunst en in films en dartelt tussendoor van gedachten over doolhoven en labyrinten naar zijn eigen leven met vaartochten, reizen en muziekoptredens, naar literatuur die hij gelezen heeft (zoals de Reis naar het einde van de nacht met zijn drie puntjes), langs liedteksten van vooral Bob Dylan en mijmert hij over opvattingen over moderne kunst, ‘hoge’ kunst en volkskunst, enzovoort. Die uiteenlopende paden kruisen elkaar in dat ‘eh’ van de titel: ze zijn bedoeld om de lezer verder te laten fantaseren op het punt waar hij ophoudt.

    Kunstenaarsstront

    Maar is Schilstra daarmee een talentvolle essayist? Afgezien van enkele teksten die zo particulier zijn (over de wederwaardigheden met zijn geliefde kotter bijvoorbeeld) dat ze lang niet alle lezers zullen interesseren, laat Schilstra zien dat hij wel kan schrijven. Onder de aforistische gecursiveerde tekstjes vinden we een paar kernachtige: ‘Doolhoven beloven ons dat blind dwalen op den duur toch tot een beloning zal leiden. Ze lijken vooral bedoeld om een schijn van structuur te geven aan de chaos waarin wij leven’.
    Het interessants zijn de paar keren dat Schilstra losgaat over moderne kunst en de ultrarijken der aarde die de prijs daarvan opdrijven door kunstobjecten te verhandelen waar niemand de zin van snapt. In die teksten zit ironie en humor. ‘De economie van de hedendaagse beeldende kunst’, schrijft hij, ‘rust nog altijd op het fundament van het kenners-principe. Moderne connaisseurs heten “curatoren”. Een curator is iemand die zich bezighoudt met het herkennen van kwalitatief hoogwaardige kunst, om daarmee tentoonstellingen samen te stellen. Curatoren kunnen het verschil zien tussen twee vuilnishopen: welke van de twee is hoge kunst en welke van de twee is gewoon vuilnis? In het tijdperk waarin hoge kunst zich graag vermomt als kunstenaarsstront, schrijven curatoren lange filosofische teksten waarin zij de diepzinnigheid van de drollendraaiers filosofisch analyseren, verklaren en bejubelen’.

    Maar zijn die wat langere stukken (overigens meestal niet langer dan één, twee of drie pagina’s, waarbinnen associatief van de hak op de tak gesprongen wordt) essays? In etymologische zin – het Franse ‘essai’ betekent oorspronkelijk probeersel – wel, maar in literaire of wetenschappelijke zin hebben ze toch te weinig om het lijf. Het zijn bij Schilstra bijna altijd stellingen, persoonlijke opvattingen of gedachtesprongen die nooit ingebed zijn in argumenten of een brede onderbouwing. Ze ontlokken de lezer hier en daar een glimlach of een frons, maar zijn te fragmentarisch om te blijven boeien.

     

  • Een basketballer aan de verliezende hand

    Een basketballer aan de verliezende hand

    Het is weinig gebruikelijk om de bespreking van een novelle of roman te beginnen met opmerkingen over de stoffelijke drager van het verhaal. Afscheid van Juan Carlos Onetti geeft daar door enkele opvallende details aanleiding toe. Zo valt op dat de ontwerper van de boekomslag en de maker van de afbeelding daarop in het colofon een verwijzing krijgen naar ander werk van hen, wat op een bijzondere manier recht doet aan de presentatie van het boek. Daarnaast valt op dat het papier een robuustheid heeft die je de pagina’s traag doet omslaan. Alsof je gedwongen wordt je eerst te realiseren wat de zojuist gelezen tekst te zeggen heeft voor je verder bladert in deze al uit 1954 stammende, maar niet eerder in het Nederlands vertaalde novelle.
    De jonge uitgeverij Kievenaar uit Heveadorp nodigt op haar site lezers uit haar boeken te ervaren als ‘moeilijk veroverbare geliefden’. Het werk van de Urugyaan Onetti is daar een fraai voorbeeld van. Na Afscheid verschijnt daar van hem ook nog De dood en het meisje. Wie Afscheid heeft geproefd wordt meteen benieuwd naar die volgende uitgave.

    Brieven

    Afscheid is inderdaad een novelle waarop je verliefd raakt zonder dat je direct kunt verklaren waarom. In elk geval dragen daar aan bij de mysterieuze sfeer en de ambigue stem van de verteller, de uitbater van een winkel, annex café en postkantoor. Hij woont al vijftien jaar in het dorp. Zijn verhaalstem suggereert dat er gaat gebeuren wat hij voorvoeld heeft, maar wat dat is blijft tot het eind duister. Dan claimt de winkelier enigszins verrassend zijn gelijk, maar is dat terecht? Bovendien incorporeert deze verteller in zijn verhaal opvattingen en beweringen van anderen, zoals een verpleger – de roddelaar in deze geschiedenis – en een kamermeisje, waarbij de lezer zich steeds afvraagt of hij ze wel correct weergeeft.

    De centrale figuur in Afscheid is een beroemde Argentijnse basketballer (de center van een internationaal team) die het dorp van de winkelier bezoekt omdat hij lijdt aan tuberculose en een opname in het sanatorium hem misschien kan redden. Hij verblijft er afwisselend in een hotel en een chalet van Portugese zussen op een berg, blinkt vooral uit in zwijgen en wekt bevreemding omdat zijn lievelingsplek de vuilnisbelt van het hotel is. Hij komt in de winkel om er een biertje te drinken terwijl hij naar de bergen kijkt, en om de post op te halen van twee vrouwen die hem regelmatig schrijven. De ene vrouw doet dat in blauw handschrift, de andere in getypte bruine enveloppen. De brievenstroom stopt als de twee vrouwen zelf vrijwel tegelijkertijd de basketballer bezoeken.

    Wie geloof je?

    Zowel de winkelier als de basketballer, de verpleger en de twee vrouwen krijgen in de novelle geen naam, terwijl de auteur kwistig met namen strooit van inwoners die er in veel mindere mate toe doen en soms zelfs maar een enkele keer figureren: een serveerster, de Portugese eigenaressen van het chalet, het kamermeisje of een postbode. Onetti is daarnaast behoorlijk precies in de beschrijving van hotels en het stratenplan van het dorp. Op die manier geeft hij de achtergrond van de personages een realistische gedaante terwijl het overige in raadselen en dromerigheid gehuld blijft.

    Het boeiende aan de manier waarop het verhaal verteld wordt is dat we als lezer aanvankelijk geneigd zijn de winkelier te geloven, maar daaraan beginnen te twijfelen als hij te nadrukkelijk de andere stemmen als roddelaars wegzet. Wat mogen we geloven? Onetti daagt de lezer uit zijn eigen verhaal samen te stellen. Om tot zijn verrassing aan het einde te merken dat hij (althans bovengetekende, maar waarschijnlijk vele anderen) er toch ingetuind is. Je voelt je na lezing gedwongen je af te vragen waardoor je je laat leiden, niet alleen in dit verhaal, maar ook in het verhaal dat je dagelijkse leven is en, ja, ook: de dagelijkse nieuwsvoorziening.

    Verleden

    Naast dit alles zijn er de door Onetti prachtig verwoorde observaties van de winkelier die allerlei psychologische betekenissen toekent aan gebaren en houdingen van personages en hun zwijgen: ‘Zonder vreugde, maar opgewonden, kon ik nu de breedte van zijn schouders verklaren en de overdreven nederigheid waarmee hij ze kromde, die opgekropte wrok in zijn ogen, die niet alleen voortkwam uit het verlies van zijn gezondheid, van een manier van leven, van een vrouw, maar vooral uit het verlies van een overtuiging, van het recht om trots te zijn’.
    Fraaie zinnen zijn het vaak, ook in de Nederlandse vertaling van Arie van der Wal, zoals deze: ‘Ik stelde me voor hoe de man na de omhelzing op een drafje naar het hotel liep, zich bewust van zijn postuur, van zijn vermoeidheid, van het feit dat het bestaan van het verleden afhangt van de hoeveelheid heden die we eraan geven’.

    Juan Carlos Onetti werd in 1909 in Montevideo (Uruguay) geboren, woonde een tijd lang in Buenos Aires (Argentinië) en stierf in 1994 in zelfgekozen ballingschap in Madrid. In de Latijns-Amerikaanse literatuur werd en wordt hij als een grootheid gewaardeerd door schrijvers als Vargos Llosa, Bolaño en Córtazar, maar in Europa is hij veel minder bekend dan die bewonderaars. Hij schijnt nauwelijks pretenties te hebben uitgestraald, zo lezen we in een uitvoerige Engelstalige biografische schets van J. Blitzer die op de site van uitgever Kievenaar te vinden is: ‘Woorden verschijnen bij Onetti in vreemde en onwaarschijnlijke combinaties, altijd op zoek naar mogelijkheden terwijl hij de zekerheid beperkt. Zijn ficties en correspondentie getuigen van zijn onoverkomelijke afstandelijkheid. In interviews was hij net zo: hij sprak langzaam, onderbrak zijn opmerkingen met lange pauzes, nam midden in een zin een eindeloze trek aan een sigaret en verviel in een verdwaasde monotone toon. Zoals de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina ooit zei [naar aanleiding van een interview met Onetti]: “Ik had nog nooit iemand met zo weinig nadruk over literatuur horen spreken.”’

     

     

  • Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    In 1989 schreef J.F. Vogelaar in een lang essay in De Gids: ‘Voor sommige boeken is het dodelijk wanneer met het signaleren van de auteur volstaan wordt, menig auteur leert men immers pas na meerdere boeken echt kennen. Dat geldt zeker ook voor Ingeborg Bachmann die, achteraf gezien, met haar gedichten, verhalen, hoorspelen, essays en romans aan één groot werk bezig is geweest’.
    Vorig jaar gaf Uitgeverij Koppernik Verzamelde verhalen van deze Ingeborg Bachmann (1926-1973) uit. Ze zijn vertaald door Paul Beers, die alles wat van Bachmann in Nederland te verkrijgen is op zijn naam heeft staan. In de inleiding van deze bundeling van alle verhalen bekent hij nog maar eens hoe zeer hij al sinds 1983 gefascineerd is door de Oostenrijkse auteur. Met Verzamelde verhalen krijgt de lezer een inzicht in de ontwikkeling van de ideeën van Bachmann gedurende haar werkzame leven. Het oudste verhaal dateert uit 1945, het laatste uit 1972.

    In deze uitgave zijn vierentwintig verhalen ondergebracht in vier delen. De cyclus van zeven verhalen waarin Bachmanns denken het meest geprononceerd is is vervat in het tweede deel, Het dertigste jaar. Opnieuw Vogelaar in De Gids: ‘De zeven verhalen drukken in allerlei variaties het verlangen naar én de onmogelijkheid van een niet door de taal ingevulde en ingedeelde wereld uit, wat een verzet inhoudt tegen de taal waarmee mensen tot eigenschappen, tot hanteerbare en manipuleerbare hoedanigheden worden gereduceerd (…) “Geen nieuwe wereld zonder nieuwe taal”’.

    Vrijheid verwerpen

    Het eerste van deze bedoelde zeven verhalen (Jeugd in een Oostenrijkse stad) vertelt hoe de herinnering aan de kindertijd in het stadje K. (Klagenfurt, waar Bachmann werd geboren) wordt bepaald door de oorlog. De jeugdjaren worden niet zozeer feitelijk beschreven maar meer als het effect dat ze hadden op de kinderziel. Als een madeleine van Proust zet het zonlicht op een boom in de stad de herinneringen in gang. De kinderen hebben als ze jong zijn hun fantasieën, maar verliezen die al snel op school. Ze ‘leggen oude woorden af en leren nieuwe aan’. In de bioscoop mogen ze de film Romanze in Moll niet zien: ‘De jeugd werd niet toegelaten, maar daarna [het is 1943] wel bij het grote sterven en moorden een paar dagen later en alle dagen erna’.
    Niet alle zeven verhalen uit dit deel zijn zo duidelijk als dit eerste. Het titelverhaal van deze cyclus is veel hermetischer. Daarin volgen we de beschouwingen van een naamloze man gedurende het jaar dat hij dertig wordt. Hij ontdekt als hij op een morgen wakker wordt ‘het vermogen zich te herinneren’ en gaat na wat er van hem geworden is. In dit verhaal zet hij twee levensopvattingen tegenover elkaar die ook nog eens in een metafoor van een reis naar Rome worden verbeeld. Hier duikt de figuur van de opportunist Moll op, die de lezer nog vaker zal tegenkomen. De tekst vraagt om geconcentreerd lezen en herlezen door de wisselingen van perspectief en stijl (verhalend, dan weer zinnen zonder hoofdletters en interpunctie, dan weer dagboekfragmenten). De conclusies zijn somber: ‘Ik hou van de vrijheid, die ik ook duizendmaal moet verraden. Deze onwaardige wereld is het resultaat van een ononderbroken verwerpen van de vrijheid’.

    Grimmig

    De hierop volgende verhalen in dit tweede deel maken het gemakkelijker je in concrete situaties te verplaatsen, al dwingt Bachmann je wel tot zorgvuldige lezing om echt contact te krijgen met de personages. De magie van haar taal maakt dat je die bereidheid opbrengt. De toon intussen blijft even grimmig. In Alles bijvoorbeeld lezen we zo over het schuldgevoel van de vader van Fipps die de ontwikkeling van zijn kind ziet verlopen langs de wegen van de taal waartegen hij hem juist had willen beschermen en in Onder moordenaars en gekken is het een groep nazi’s die kort na de oorlog in een kroeg herinneringen ophaalt en wordt geprovoceerd door een dertigjarige man die zich geroepen voelt te moorden, maar dat nog nooit deed. De ontmoeting kent een gruwelijke afloop. Ook in dit verhaal weer de scherpzinnige dialogen die in het hoofd van de lezer naijlen, zoals: ‘Ik denk dat we allemaal met elkaar moeten leven en niet met elkaar kunnen leven. In elk hoofd zit een wereld en een pretentie die elke andere wereld, elke andere pretentie uitsluit. Maar we hebben elkaar allemaal nodig, wil er ooit iets goed en gaaf worden’.

    Eerbetoon

    In bijna alle verhalen, ook die in de andere drie delen van de Verzamelde verhalen, treffen we personages die in een diepe crisis verkeren. Toch zijn er ook opvallende verschillen. In het derde deel, Simultaan, dat vijf verhalen bevat, zijn – na de mannen uit Het dertigste jaar – de prominente personages juist vrouwen. Maar vooral is hierin de toon wat luchtiger en af en toe humoristisch. De vrouwen die we tegenkomen zijn soms lastig te typeren. Aan dit deel is een zeer verhelderend essay toegevoegd van de Vlaamse Ingeborg Dusar; zij schreef in 1993 haar proefschrift over dit deel. In haar bijdrage noemt zij Simultaan een eerbetoon aan de vrouwen. Maar ook de mannen zijn in Simultaan niet meer de sadisten uit de vroegere verhalen ‘maar eerder zwakke figuren die even hulpeloos tegenover het leven staan als de vrouwen die op hun beurt geen willoze slachtoffers maar veelal overlevers zijn’.
    Dusar haalt tevens een uitspraak aan van Bachmann dat Simultaan overwegend gaat over het ‘kleine’ ongeluk dat exemplarisch is voor het ‘grote’ ongeluk van een tijdperk. Lezing van de verhalen uit de andere delen maakt echter duidelijk dat die karakteristiek opgaat voor bijna alles in deze Verzamelde verhalen, zij het wat minder in die uit het eerste deel, Het veer.

    De delen 2, 3 en 4 van deze uitgave verschenen in Nederland al eens eerder in afzonderlijke bundels. Het deel Het veer is voor Nederland nieuw. Daarin staan de vroegste verhalen van Bachmann die door hun beknoptheid en hun soms sprookjesachtige sfeer weer heel andere aspecten laten zien.
    Zo biedt Verzamelde Verhalen een compleet palet van de literaire gedaante van Ingeborg Bachmann tijdens haar hele leven: ze zijn zowel dramatisch als humoristisch, zowel ernstig-filosofisch als luchtig, zowel afstandelijk als empathisch. Ook in die zin kunnen we Vogelaar bijvallen dat Bachmann met alles wat ze schreef ‘aan één groot werk bezig is geweest’.

  • Hoop op vertaling: Perec, Mathews en Le Tellier.

    Hoop op vertaling: Perec, Mathews en Le Tellier.

    Ik denk eraan dat ik wel eens zou willen….

    Eén van de boeken die in 2021 het meeste indruk op me maakten, was Anomalie van Hervé Le Tellier. Een originele plot, veel humor, rijk aan literaire verwijzingen door citaten, pastiches en verschillende stijlen, maar ook een verdomd serieus thema als identiteit.
    Hervé Le Tellier is de huidige voorzitter van OuLiPo, de Franse werkplaats voor potentiële literatuur, waarvan ver vóór hem groten als Georges Perec, Italo Calvino en Raymond Queneau lid waren. Van Le Tellier is buiten Anomalie nog niets anders vertaald in het Nederlands. Wat mij betreft moet daar snel verandering in komen.

    Sommige titels van zijn boeken wekken onmiddellijk mijn nieuwsgierigheid. Neem Encyclopaedia inutilis, een ‘nutteloze encyclopedie’, die blijkt te bestaan uit verhalen over literaire en fictieve zonderlingen die gefascineerd waren door getallen en woorden.
    Tragikomisch is de briefwisseling (soms per ansichtkaart) die Le Tellier vanaf 10 september 1983 onderhield met de drie opeenvolgende presidenten François Mitterand, Jacques Chirac en François Hollande. Le Tellier schreef steeds over persoonlijke belevenissen, maar de antwoorden die hij kreeg waren (soms maanden later) steeds standaard: er werd bedankt voor de brief die uiteraard de volle aandacht zou krijgen en tot slot kreeg Le Tellier de beste wensen. Zelfs als hij zelf schreef dat hij het helaas te druk had om op het presidentiële antwoord te reageren kwam er dezelfde standaardbrief. Die hele correspondentie verzamelde Hervé Le Tellier in 2016, compleet met fotokopieën van de antwoordbrieven, in Moi et François Mitterand.

    Momenteel lees ik met tussenpozen La disparition de Perek. Dat boek verscheen al in 1997 en was lang alleen tweedehands verkrijgbaar tegen woekerprijzen. Gallimard kwam deze zomer gelukkig met een goedkope herdruk die in het zakje van mijn overhemd past. Grappige titel alleen al. Het is een thriller over de naspeuringen naar ene Philippe Perek (inderdaad met een k) die op gruwelijke wijze is vermoord. In de titel: La disparition (de verdwijning) van Georges Perec, de beroemde roman zonder de letter E (in het Nederlands verschenen als ’t Manco). In zijn voorwoord schrijft Le Tellier dat hij die titel gewoon grappig vond en dan maar op de koop toe neemt dat iemand met het gekochte boek thuisgekomen in woede ontsteekt omdat het, vanwege de vele E’s die erin voorkomen, barst van de fouten.

    Maar het meest zou ik willen pleiten voor een reeks vertalingen. En dan niet alleen van Le Tellier.
    Ik ga daarvoor eerst terug naar Perec. Die schreef in 1978 Je me souviens, een verzameling persoonlijke herinneringen die allemaal beginnen met ‘Ik herinner mij’. Hij deed zijn idee op bij de Amerikaan Joe Brainard die in 1970 volgens hetzelfde principe I remember schreef, waarin ook elke zin met ‘Ik herinner mij’ begint. Van Brainards boek verscheen begin dit jaar voor het eerst een Nederlandse vertaling (door Johannes Jonkers). Perec bleef tot nu toe onvertaald (de Arbeiderspers heeft er overigens wel plannen voor), maar in Nederland kwam in 1988 wel deel 151 uit in de serie Privé-domein waarin Nederlandse auteurs naar aanleiding van Perecs boek hun korte herinneringen publiceerden.
    Laat Je me souviens snel volgen.
    En voeg daar dan meteen twee andere soortgelijke boeken aan toe. Allereerst dat van Perecs Amerikaanse boezemvriend Harry Mathews, ook al lid van OuLiPo. Die schreef na de dood van zijn Franse vriend als eerbetoon The Orchard: A Remembrance of Georges Perec.

    Elke zin begint met ‘Ik herinner mij dat Georges Perec…’ De titel The Orchard (boomgaard) is ontleend aan de 123ste herinnering van Mathews, een ontroerend beeld van Perec, die in het laatste stadium van zijn longkanker verkeerde: ‘Uit het ziekenhuis, na een maand bij de familie van Catherine B. [Binet, zijn levensgezellin, AA] te zijn geweest, kwam hij bij ons in Lans-en-Vercors aan op 13 mei, net op het moment dat de boomgaard in bloei begon te staan. Hij zag er extreem bleek uit; ik kon maar moeilijk wennen aan zijn stekeltjeshaar en zijn verdwenen baard (hij legde die verschijning ondubbelzinnig uit als het begin van een nieuw leven); maar de berglucht deed hem snel goed, zijn gezicht kreeg weer kleur en zijn pas werd weer steviger’ (vert. AA).

    Ik moest aan die drie bijzondere memoires (Brainard, Perec en Mathews) terugdenken toen ik op nog een boek van Hervé Le Tellier stuitte: Les amnésiques n’ont rien vécu d’inoubliable (wie zijn geheugen verliest heeft niets onvergetelijks meegemaakt). Elke zin daarin begint met ‘Ik denk eraan…’ Ook in zijn zinnen, net als in die van zijn voorgangers, alledaagse herinneringen en mijmeringen. Natuurlijk komt Perec er in voor: ‘Ik denk eraan dat ik me niet meer precies herinner wanneer Georges Perec Je me souviens schreef. Was dat niet in 1978?’. En ik herken Le Telliers humor: ‘Ik denk eraan dat het maar gelukkig is dat alleen Orly en Le Bourget merknamen van panty’s zijn. Zie je jezelf al Charles de Gaulle dragen?’

    Wat zou ik ze graag op een rijtje naast Ik herinner me van Brainard in mijn boekenkast hebben staan, of op mijn nachtkastje hebben liggen: Ik herinner me van Perec, De boomgaard van Mathews en Wie zijn geheugen verliest heeft niets onvergetelijks meegemaakt van Le Tellier.

     

     


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.