• Ongefrankeerde brieven

    Ongefrankeerde brieven

    Als Max Niematz op 20 februari 2020 Anton Dautzenberg per mail benadert met het voorstel een correspondentie te starten in de vorm van Ongefrankeerde brieven met als oogmerk deze ‘in een volgend leven nog eens onder die noemer te publiceren’, reageert Dautzenberg enthousiast. Deze correspondentie krijgt uiteindelijk zijn weerslag in Zonder schrammen vaart niemand wel. Deze gepubliceerde briefwisseling zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een van de laatste in zijn soort in de Nederlandse literatuur. Wie schrijft er immers nog brieven?

    Max Niematz is een wat oudere schrijver van gedichten, verhalen en romans. Geboren in Tilburg is hij woonachtig in Oost-Groningen. Financieel redelijk onafhankelijk leeft hij voornamelijk voor het schrijven en is hij wars van veel publiciteit. Anton Dautzenberg is 25 jaar jonger. Hij publiceert regelmatig korte verhalen, romans, toneelstukken en publicaties over hard-rockmuziek alsmede geëngageerde pamfletten. Hij geniet een zekere bekendheid als voorvechter van het vrije woord, wat hem niet altijd door iedereen in dank wordt afgenomen. Beiden zijn geen ‘sellers’ zoals Dautzenberg opmerkt. Zij schrijven voor een klein publiek. Terwijl Niematz geen veelschrijver is en jaren over een boek kan doen, schrijft Dautzenberg veel sneller. Het werk van Niematz draagt een sterk dramatisch-psychologisch karakter en balanceert op het snijvlak van verbeelding en werkelijkheid. Dautzenberg experimenteert veel met vorm en inhoud. Gemeenschappelijk hebben ze hun relatie met Tilburg. Niematz is daar geboren en getogen. Hij heeft een nogal ambivalente haat/liefdeverhouding tot die stad. Dautzenberg woont daar al jaren en is zelfs ooit gekroond tot stadsdichter van Tilburg.

    Wie ben ik eigenlijk?

    In hun boek Zonder schrammen vaart niemand wel bewijzen Niematz en Dautzenberg hoe betreurenswaardig het verdwijnen van de briefwisseling is als medium om met elkaar van gedachten te wisselen. Grote thema’s waarvoor schrijvers zich gesteld zien passeren de revue.  Zij bestrijden de gedachte van Gerbrand Bakker dat de schrijver in zijn dagboek eerlijker is dan in zijn romans. Taal vervormt de gedachten sowieso en beiden zijn het erover eens dat het onderbewustzijn ‘eerlijker’ is dan het bewustzijn en dat daarom aan de verbeelding ontsproten verhalen te prefereren zijn boven realisme. Alleen gaat het Niematz niet zozeer om eerlijkheid tegenover de buitenwereld, maar om het  spel van avontuur en verleiding, de lezer in verwarring te brengen door meer vragen op te roepen dan te beantwoorden. Het gaat hem om eerlijkheid tegenover zichzelf. De focus van Niematz ligt veel meer op zichzelf dan die van Dautzenberg. In het klein wordt deze kwestie zichtbaar in de soms hoogoplopende discussie waarin Dautzenberg zich afvraagt waarom Niematz zichzelf ‘verbergt’ in een pseudoniem. Zijn ‘werkelijke naam’, aldus Dautzenberg, is toch Jan Hombergen? Niematz daarentegen wenst zijn eigen werkelijkheid te creëren en niet overgeleverd te zijn aan een toevallige naam die hij bij zijn geboorte heeft gekregen. Zo wordt een groot thema persoonlijk gemaakt en daardoor invoelbaar en leesbaar.

    Een evenwichtig duet

    De briefwisseling geeft ruimte aan het uiten van persoonlijke gevoelens over eenzaamheid, gezondheid, gram ten aanzien van uitgevers en recensenten, geldgebrek, maar ook aan bespiegelingen over gelukkige momenten van liefde, empathie ten aanzien van relaties, mooie boeken en wandelingen in de natuur. Het bijzondere van deze briefwisseling is dat je Niematz en Dautzenberg niet alleen leert kennen door hun eigen bril, maar ook door die van de ander. Dat geeft een absolute meerwaarde aan het genre. Zo lijkt Dautzenberg meer in de actualiteit van het moderne leven te staan, is zijn schrijfstijl korter, directer en soms vlijmscherp. Hij heeft de behoefte zijn vinger aan de polsslag van de tijd te houden. Dit maakt hem controversiëler. Dit zie je ook terug in deze briefwisseling. Zo verwijt Niematz hem te willen shockeren door te koketteren met het feit dat hij nog wekelijks de Donald Duck leest als een ‘opgestoken middelvinger naar het intellectualisme van de Oek de Jongen en Robert Ankers onder ons’. Dit leidt tot een felle woordenwisseling en een discussie over hoogcultuur en laagcultuur. Als in een evenwichtig duet dagen Niematz en Dautzenberg elkaar voortdurend uit door te provoceren en te reageren. Soms is het Dautzenberg die het voortouw neemt en dan weer Niematz. Niematz leeft veel meer teruggetrokken, schrijft breedvoeriger, maar zijn stilistische bekwaamheid geeft zijn argumentatie soms de kracht van schijnbare onontkoombaarheid. Het gevolg is een liefdevol gevecht in woorden. De briefwisseling heeft een prachtige spanningsboog, waarbij het wederzijds respect altijd zorgt voor een fijne inbedding. Natuurlijk is dit niet zomaar een mooie briefwisseling tussen twee mensen. Beiden zijn schrijver. Voortdurend zijn zij bezig elkaar en dus zichzelf te bevragen over hun verhouding tot hun schrijverschap. Waarom schrijven wij? Waarom schrijven wij zoals we schrijven? Voor Niematz gaat het om de relatie kunst-leven. Misschien is het leven alleen dragelijk door bezig te kunnen zijn met kunst. Hij ontleent zijn identiteit aan de kunst van het schrijverschap. Voor Dautzenberg is dit te benauwend, hij zou zich te veel een gevangene voelen van een constructie, verdwaald in een zelfontworpen literair labyrint. Dautzenberg ziet zijn schrijverschap veel meer in relatie tot de wereld.

    ‘Ik ben een gevoelsmens, Anton, het beetje verstand dat me is gegeven, zet ik in om niet te verzuipen in sentimenten.

    Zonder schrammen vaart niemand wel is een prachtig boek. De titel geeft al aan dat het gaat om een gesprek tussen twee mensen, die zich gesterkt voelen door wat ze hebben gezien in- en ervaren hebben aan het leven. Hoewel het een boek is, waarin de schrijvers niet schromen zich bloot te geven in persoonlijke ontboezemingen, overstijgt het ontegenzeglijk dit niveau. Het gaat over universele waarden waarmee iedereen op zijn eigen manier te maken krijgt, ook al ben je geen schrijver. Door zich kwetsbaar op te stellen krijgt het boek een innemend en soms zelfs ontroerend karakter. Het is een boek om zorgvuldig te lezen, lekker langzaam, en dan nog een keer te herlezen.

     

  • Zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes

    Zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes

    De tijd van de experimentele roman ligt al een tijdje achter ons. Studenten neerlandistiek moeten nog wel enkele klassiekers doorworstelen van Sybren Polet of Ivo Michiels, misschien zelfs Brakman. Aan het gewone lezerspubliek zijn diepgaande experimenten echter niet besteed. De grote romanciers van vandaag als Grunberg, Van der Heijden, Japin of Thomése schrijven verhalend en trachten via andere stijl- of vertel ingrepen de lezer te bekoren. Hier en daar is er nog wel een witte raaf die zich aan het totaal experiment waagt, zoals A.H.J. Dautzenberg. Hij heeft een patent op het experimentele, gezien zijn eerdere roman Geestman of zijn dichtbundel Niet het krassen van de kraai, beide uit 2019. Dautzenberg is een veelschrijver, in tien jaar tijd verschenen maar liefst achtentwintig werken van zijn hand in verschillende genres. Aslast is opnieuw een zuiver literair experiment.

    Verrassende herhaling

    Naar eigen zeggen weet de schrijver ook niet precies waarover het gaat en kijkt hij uit naar welke betekenis anderen in het werk vinden. De roman begint vrij klassiek met een omroepstem in de trein. Daarna volgt een beschrijving van hoofdpersonage P. die zijn veters strikt, een vuiltje uit zijn oog pulkt en om zich heen kijkt in de verder lege coupé. Hij ziet een Mondriaanachtige tekening op de achterwand, masseert zijn schedel, bekijkt het plafond en de handgreep van de noodrem. Ten slotte haalt hij een dichtbundel uit zijn zak en begint te lezen. Dit is te lezen over zes bladzijden. Daarna wordt dit nog eens drieeendertig maal herhaald. Verwarring en verrassing slaan toe bij de lezer na lezing van het tweede stukje: heeft hij nu net hetzelfde gelezen als daarvoor? Wat volgt is een zoektocht naar de verschillen… 

    Dautzenberg brengt telkens minimale, subtiele verschillen aan die een inzicht in de psyche van P. moeten bieden. Van meanderende figuren die uit de Mondriaantekening komen tot de dansende letters van het woord ‘noodrem’. Naast deze inhoudelijke variaties zijn er ook zeer opvallende typografische wijzigingen door het verhaal heen. De beschrijving van P. en zijn innerlijk staan in normaal gedrukte tekst. Alles wat zich buiten hem afspeelt, staat in het eerste stukje vet gedrukt en geleidelijk aan, hoofdstukje na hoofdstukje, vervaagt de tekst tot hij halverwege het boek niet meer zichtbaar is en langzaamaan vervangen wordt door blauwe vlakken, eerst heel licht, maar naar het einde toe zeer donkerblauw. 

    Spel met de lezer

    Dautzenberg speelt in Aslast met zijn publiek. Hij laat het aan de lezer over te ontdekken wat erachter het verhaal schuilt. Dat het werk door zijn experimentele vorm multi-interpreteerbaar is, staat buiten kijf. Het woord Aslast verwijst naar ‘het maximale gewicht op een as met twee wielen’. Moet de titel dan ook letterlijk geïnterpreteerd worden? Hebben we te maken met P. die een zware last met zich meedraagt en uitzoekt waar hij uiteindelijk aankomt? Verwijzen de vervagende teksten en de blauwe vlakken naar een steeds zwaarder wordende last om te dragen en voelt P. zich zodanig ‘blue’ dat hij er geen zin meer in heeft? De dichtbundel is op het einde van de roman vervangen door een Donald Duck en P.’s serieuze houding is een welluidende kinderlach geworden.  Maakt de lezer hier in drieëndertig hoofdstukjes de evolutie mee van een steeds depressiever wordende man die er de brui aan geeft? De lezer blijft achter met een hoop vragen en kan enkel zijn eigen invulling geven, maar wellicht is dat ook de bedoeling van de auteur.  

    In elk geval blijft Aslast een spel van zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes. In eerste instantie komt het wat bevreemdend over, uiteindelijk is het weinig beklijvend. Wat overblijft is de ‘Spielerei’ en verder  is het weinig hoogstaand. Als Dautzenberg hiermee de experimentele roman nieuw leven wil inblazen, dan is hij daarin niet geslaagd. Maar misschien is dat ook helemaal niet de bedoeling en wil hij eerder de lezer en de literatuur een hak zetten. Als het bedoeld is als een soort ironisch werk waarmee hij de klassieke literatuur op de korrel wil nemen, dan is het een verdienstelijke poging die echter te weinig als zodanig wordt geduid. Aslast roept immers geen blijvende herinnering op en lijkt eerder een eenvoudige manier om het literair experiment opnieuw op de kaart te zetten. 

     

     

  • Oogst week 43 – 2020

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken

    Thomas Heerma van Voss (1990) is niet alleen schrijver van romans als Stern en Condities, maar hij was ook actief als redacteur bij Babel & Voss, een uitgeverij die in 2009 werd opgericht door Reinjan Mulder. Deze uitgeverij was een frisse wind binnen het literaire veld, maar na een veelbelovend begin bleef het echte succes uit. In 2014 schreef Heerma van Voss daarom het afscheidsboekje Onzichtbare boeken. Ironisch genoeg werd juist dit werk een succes. De uitgeverij ging tóch door.

    Dit jaar viel het doek voor Babel & Voss definitief. Daarom schreef Heerma van Voss opnieuw een afscheidsboekje: Verdwenen boeken. Das Mag heeft Onzichtbare boeken en Verdwenen boeken gebundeld. In deze uitgave gaat het niet alleen over de pieken en dalen van een uitgeverij, maar ook over de band tussen Heerma van Voss en Mulder.

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken
    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Aslast

    In 2010 debuteerde A.H.J. Dautzenberg (1967) met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien publiceert hij onder meer romans, gedichten, essays, theaterteksten en korte verhalen. Tien jaar na zijn debuut verschijnt Aslast, een novelle over P., een man van middelbare leeftijd. Hij bevindt zich niet alleen in een trein, maar ook in een absurdistisch grensgebied tussen binnen- en buitenwereld. Zo is de wagon opgeleukt met een tekening in de stijl van Mondriaan en beginnen de gekleurde rechthoeken opeens te bewegen. Dautzenberg gebruikt muzikale taal, waardoor deze novelle over eenzaamheid, lotsbestemming en individualiteit veel wegheeft van een lang gedicht.

    Aslast
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

    Een bijzonder boek dat recent verscheen is Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson (1934-1984), een vertaling door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof, van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl dat tussen 1970 en 1983 in vier delen werd uitgebracht. Deze Nederlandstalige editie bevat ruim vijftienhonderd pagina’s en gaat over een jonge vrouw in New York die haar dochtertje vertelt over haar eigen jeugd in Duitsland. Niet alleen komen de nazi’s en het leven in de DDR uitgebreid aan bod, ook wordt de wereldpolitiek aan het einde van de jaren 60 belicht, zoals de oorlog in Vietnam, de Praagse lente en de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy.

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl
    Auteur: Uwe Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Waarschuwing van de auteur, het is geen autobiografie

    Waarschuwing van de auteur, het is geen autobiografie

    Schrijver A.H.J. Dautzenberg beoefent vele genres van de literatuur, korte verhalen, toneel, romans, poëzie, essays en autobiografisch werk. Met zijn nieuwste roman Geestman, doet hij een appèl op de verbeelding van de lezer. De roman heeft vijf verschillende verhaallijnen: een zoektocht, een zelfonderzoek, een raamvertelling, een allegorie en een sprookje. Het gaat over een man die een relatie zoekt en een vrouw bij hem thuis uitnodigt. Eenmaal bij hem thuis wil hij haar zo snel mogelijk weer weg hebben. Om aan haar te ontsnappen springt hij uit het raam en komt in een plas water terecht, vanaf dat moment vliegt het verhaal alle kanten op. Via die plas komt hij in een fantasiewereld terecht waarin vogels en mollen tegen hem praten en hem vragen stellen. Hij bevindt zich op een getekend eiland met uitgegumde lijnen, gaat met een mol onder de grond, eindigt naakt in een meertje en komt uiteindelijk weer in zijn eigen huis terecht. 

    Op reis Im Kopf

    Geestman kent verschillende stijlen en is vanuit verschillende perspectieven geschreven. Er komt beeldpoëzie in voor, de briefvorm en thrillerelementen. En dan stopt een verhaallijn opeens, of stapt de schrijver over op een andere vertelvorm en wordt er verwezen naar een huwelijk, een moord. Het geheel is erg knap en consequent gedaan, maar waartoe het leidt? De verteller van een van de verhaallijnen (alter ego van de schrijver?) geeft aan: ‘Ik moet op reis Im Kopf. Het onderbewuste zal daarbij mijn belangrijkste gids zijn.’ En even verder: ‘Nooit eerder heb ik het schrijven als reddingsboei ervaren. Ik vond dat aanstellerij van quasi getormenteerde schrijvers. Tot nu.’
    Dautzenberg geeft zelf de thema’s en motieven van deze roman aan: ‘Toeval. Serendipiteit.’ De vijf verhaallijnen worden hierdoor verbonden en geven ook een zeker houvast tijdens het lezen.

    Het in 2018 gepubliceerde dagboek, Ik bestaat uit twee letters, van Dautzenberg, is ook een taalexperiment. Daarin geeft hij zijn vakantie weer in de taal van de schrijver Dmitri Danilov die in zijn boek De horizontale stand  (2013) het leven beschrijft vanuit een relatieve metapositie, van een afstand naar zichzelf kijkt, wat zich vertaalt in het vermijden van het woord ‘ik’.
    In Geestman schrijft Dautzenberg nu, ‘Na de publicatie van het dagboek Ik bestaat uit twee letters besloot ik niet meer expliciet over mezelf te schrijven en dat meende ik oprecht, ik ben geen ik-schrijver, maar nood breekt wet. En het woord ‘nood’ is op dit moment een eufemisme.’

    Kritisch op alles

    Dautzenberg is nieuwsgierig, experimenteert met taal, vorm en thematiek. Hij stelt zich kwetsbaar op, zijn jeugd, zijn vrouw en zijn familie, alles wordt gebruikt. Daarbij uit hij veel zelfkritiek en lijkt erop uit te zijn zichzelf onderuit te halen. Hij twijfelt letterlijk aan alles wat hij doet, zet vraagtekens bij zijn gedrag, zijn reacties op mensen in zijn omgeving, vraagt zichzelf van alles af, maar vraagt ook veel van zijn omgeving.
    Alleen de herinnering is gebleven en de herinnering is niet genoeg, de herinnering is een groot verlangen’ citeert hij Marcel Möring in zijn dagboek. Dat verlangen naar herinnering is vooral het verlangen naar aandacht en begrip; vroeger van zijn ouders, nu van iedereen om hem heen. Dautzenberg is uit op aandacht, in het middelpunt staan en tegelijkertijd ook niet, zijn onzekerheid bestrijden, kortom, waar elk mens naar streeft: gezien worden.

    Dautzenberg is ook kritisch over allerlei ontwikkelingen en bewegingen in de maatschappij: tv-programma’s waarin iedereen maar een mening over van alles heeft, overheden, rechtspraak, rechtvaardigheid, etc. In Geestman krijgen al deze aspecten van de mens Dautzenberg een plek. De auteur waarschuwt de lezer: ‘Het is geen autobiografische roman, ik laat de verbeelding spreken, mijn obsessies.’ En in die zin zou Geestman ook als een autobiografische roman beschouwd kunnen worden, want de schrijver is nooit ver weg. 

    Geestman zou opgevat kunnen worden als een variant op Batman en Superman, de geest van de man die door Dautzenberg wordt neergezet wordt sterker gedurende de roman, hij maakt keuzes en neemt beslissingen. Bovendien, alles wat de lezer leest, is ontsproten aan de geest van de man. Door de verschillende taalexperimenten en verhaallijnen is het geen eenvoudig toegankelijk boek, maar maakt wel nieuwsgierig en prikkelt de fantasie.

     

     

  • Alle vogels kunnen maar niet de kraai of de specht

    Alle vogels kunnen maar niet de kraai of de specht

    A.H.J. Dautzenberg is sinds augustus van dit jaar de negende stadsdichter van Tilburg. Hij heeft zich tot taak gesteld om in die functie binnen twee jaar 24 gedichten te schrijven, een per maand. Kunstenaars die ook betrokken zijn bij Tilburg zullen deze gedichten omzetten naar andere disciplines in de kunst, bijvoorbeeld een lied, een film, een dansvoorstelling of een animatie. Hiermee geeft Dautzenberg al aan dat een gedicht niet op zichzelf staat, maar raakvlakken heeft met andere kunstuitingen. Op de website ‘De Tao van de T’ waarop al deze kunstvormen die zijn gedichten tot uitdrukking brengen, geplaatst zullen worden, heeft hij het motto van de experimentele dichter Antony Kok (1882-1969), medeoprichter van De Stijl, als leidraad genomen: ‘Het woord is machteloos. Wij willen met alle middelen die ons ten dienste staan: syntaxis, prosodie, typografie, arithmetica, orthografie, het woord een nieuwe betekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht geven.’

    Omgevingsgeluiden

    De bundel Niet het krassen van de kraai volgt dit motto: het zijn experimentele gedichten, bestaande uit een verzameling letters die klanken moeten verbeelden. Termen als typografische gedichten, concrete poëzie, beeldpoëzie en visuele poëzie dienen zich daarbij  aan. In een nawoord geeft de dichter uitleg: hij lijdt al enige jaren aan tinnitus, het waarnemen van een piep, brom, fluit, suis of ander geluid in het hoofd of in de oren zonder dat er een externe geluidsbron aanwezig is. Dit kan zulke vreselijke vormen aannemen, dat Dautzenberg spreekt van ‘auditieve kanker’. Met omgevingsgeluiden probeert hij de tinnitus te dempen, maar als dat niet meer lukt, probeert hij het lawaai in zijn hoofd te sturen door zich in te beelden dat een roodborstje zingt, in de hoop dat de tinnitus het ritme en de melodie oppakt. Een andere vogel is ook goed, maar niet de kraai of de specht, omdat de geluiden die zij maken te veel lijken op die van de tinnitus.

    Inspiratiebron Hanlo

    Als sleutelgedicht voor deze ‘tinnitusgedichten’ heeft Dautzenberg gekozen voor het bekende Turdus viscivorus van Jan Hanlo, waarin de dichter een lied fluit dat hij probeert te laten lijken op de zang van de grote lijster. Maar niet alleen dit gedicht van Hanlo is toepasselijk: ook Oote oote boe en vooral De mus lijken een inspiratiebron te hebben gevormd.

    De eerste afdeling van de bundel bestaat op de eerste bladzijde uit 15 regels alleen de letter u: op de daaropvolgende pagina’s schuift in de middelste regel de u steeds een aantal plaatsen naar rechts op, totdat zes verzen later de regel geheel verdwenen is, om dan tenslotte de opgeschoven u te laten uitwaaieren in een wolk van combinaties van letters.

    Uitlopende klanken

    De tweede afdeling toont in het eerste gedicht de letters e, j en i in een grillig patroon van stijgen en dalen, als een grafiek die aangeeft hoe de klanken verlopen. De sterkte zwelt aan en neemt af in een onregelmatig ritme. Het ziet er grappig uit en irritant tegelijk, maar geeft wel een idee van wat er zich afspeelt in het hoofd van de dichter. Als dit in klank wordt omgezet, zou het een mens tot waanzin drijven.

    De klanken en losse letters kronkelen over de rechterpagina ( de linker pagina is consequent leeg gelaten) en trekken een spoor zonder een aanwijsbaar voorgenomen plan.

    De tweede en derde afdeling van de bundel zien er speels uit: de dichter wisselt vormen en klanken af en rangschikt de geluiden op verschillende manieren, die een beschrijving ervan moeilijk maken.

    In de vierde afdeling is het alleen de lettercombinatie ng die hardnekkig aanwezig is in negen gedichten, maar die uiteindelijk toch vervaagt, net als de terugkerende u in de vijfde en laatste afdeling.

    Wie bepaalt wat poëzie is

    Het is gemakkelijk om deze bundel af te serveren als een grap. Maar er is veel aandacht besteed aan de uiterlijke vormgeving; de bundel is bovendien verschenen in een beperkte oplage van vijfhonderd exemplaren, genummerd en gesigneerd door de auteur. Als het alleen om een lachertje te doen was, zou dat al te veel eer zijn. Weliswaar is de dichter provocerend te werk gegaan, met bravoure en ironie, maar tegelijkertijd werpt hij opnieuw de aloude vraag op wat poëzie precies inhoudt en hoe een definitie vastgesteld zou moeten worden. En vooral: wie dat bepaalt.

    Invoelbaar en geloofwaardig

    Dautzenberg houdt zich in deze bundel strikt aan zijn eigen poëtica: hij toont in de gedichten de machteloosheid van het woord als het er om gaat om weer te geven hoe een lijder aan tinnitus zich voelt. Of hij daarin geslaagd is, valt moeilijk te beoordelen. Maar wie zich probeert voor te stellen hoe de gedichten zouden klinken en daarbij toonhoogte en volume stelselmatig afwisselt tijdens het hardop lezen, komt waarschijnlijk dichter bij de ervaring van lijders aan tinnitus dan op welke andere manier dan ook. De website Medisch Contact besteedde in ieder geval aandacht aan de bundel.

    Nog mooier zou het zijn als de dichter zelf een voordracht zou geven en zijn gedichten zou verklanken zoals hij ze hoort in zijn hoofd. Dan zou hij niet alleen beantwoorden aan de vermenging van kunsten, zoals hij die zelf voorstaat, maar bovendien krijgt de lezer dan een expressieve interpretatie van de gedichten uit de eerste hand, zoals hij die zelf nooit had kunnen bedenken.

     

  • Oogst week 37

    Flessenpost uit Reykjavik

    Drie Nederlandse auteurs in de oogst van deze week, een schelmenroman, een reflectie op een leven als immigrant in IJsland en een poëziebundel, ontstaan in de strijd tegen tinnitus.

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar met schrijven was ze er al vroeg bij. In de laatste jaren van haar VWO opleiding schreef ze een jeugdboek Zand erover (Lemniscaat 2002). In 2014 verhuisde ze met man en kind naar IJsland waar ze het schrijven weer oppakte. Flessenpost uit Reykjavik is haar vierde boek, een reflectie op haar immigrant zijn, haar drietalige huishouden, op het pendelen tussen fjord en stad – en op het achtergelaten Nederland, dat naarmate de tijd verstrijkt steeds meer op een verhaal gaat lijken en IJsland de enige realiteit is want, ‘Het lastigste van IJsland is dat je er niet meer weg wilt als je er eenmaal woont,’schrijft ze in haar boek. Binnenkort de recensie!

    Flessenpost uit Reykjavik
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido

    De heilige

    Twaalf jaar geleden was Martin Michael Driessen (1954) nog regisseur, dertig jaar werkte hij voor Duitse theaters en regisseerde vele toneel- en operavoorstellingen. Toen koos hij ervoor zich te settelen in Nederland, voor het isolement van Puttershoek om zich meer (in 1999 verscheen zijn eerste roman Gars al) op het schrijven te gaan richten. De heilige is zijn achtste roman en draagt als ondertitel Een schelmenroman.

    Over Donatien, geboren in het jaar van de Franse Revolutie en de verteller van deze roman. Hij leeft in de tijd van Victor Hugo, die hij ook ontmoet. Hij helpt bij het opstellen van de Schaal van Beaufort en rondt Kaap Hoorn tijdens een krankzinnige expeditie. Als struikrover maakt hij de Vogezen onveilig en wordt aanbeden door mannen en vrouwen
    Zijn persoonlijkheid is net zo veranderlijk als zijn moralistische instelling. Dan weer heet hij Donatien, dan weer Donatienne, en ten slotte Dieudonné. Uiteindelijk zal hij de geschiedenis ingaan als de heilige Dieudonné van Metz.

     

    De heilige
    Auteur: Martin Michael Driessen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Niet het krassen van de kraai

    A.H.J. Dautzenberg lijdt aan tinnitus en noemt dit zelf: auditieve kanker. Meestal kan hij het kabaal in zijn kop redelijk verdragen, maar soms wordt hij nagenoeg gek van de nucleaire ruisgeluiden. Het is een steeds weer zoeken naar een manier om hiermee om te kunnen gaan. Tijdens een snorkelvakantie op het stille eiland Gozo kreeg hij echter een lumineus idee. ‘Wanneer ik weer eens opgesloten zit in een knipperende tl-lamp, een slijpende tandartsboor of een piepende remschijf probeer ik het atonale lawaai enige lyriek en schwung mee te geven, een cantabile melodie.’
    Dautzenberg keerde van het eiland terug met een bundel tinnitusgedichten. Waarmee hij zijn binnenwereld een beetje bewoonbaar houdt. Een bespreking van deze bundel is binnenkort te verwachten.

     

    Niet het krassen van de kraai
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Achter glas

    Achter glas

    In het Franse vakantiehuis waar een deel van mijn volgende roman zich moet gaan afspelen, lees ik de helft van de correspondentie tussen Rudy Kousbroek en Gerard Reve. Van laatstgenoemde zijn de brieven niet in het boek opgenomen, iets met de rechten, onhandig maar helaas. Wat overblijft leest haast als een literaire ingreep: juist omdat Reves vragen en antwoorden ontbreken, is de lezer gedwongen om een en ander zelf in te vullen.
    Steeds is duidelijk, hoe intiem en openhartig Kousbroek ook lijkt, dat publicatie van deze brieven altijd al een doel op zich was. Daarom maakten beide schrijvers, we hebben het nu over de periode 1979-1989, steeds een doordruk van elkaars brieven. Alles voor het nalatenschap.
    En zodra je schrijft om gelezen te worden, om nog meer gelezen te worden dan alleen door diegene tot wie je je richt, schrijf je anders. Dan speel je een spel. Ook dat is een ingreep. Afstand wordt bewaard. Maar is dichterbij komen niet juist wat we willen, zodra we overgaan tot het lezen van brieven en dagboeken? 

    ‘Het lukt niet meer, ik zit vast als een muur (of, zoals me nu invalt: dat iemand met zijn hoofd naar beneden tussen twee Amsterdamse huizen in is gevallen – je weet wel, van die huizen in de binnenstad met 20 cm ruimte ertussen – en dan op de hoogte van de eerste etage klem is komen te zitten. ’t Is soms net of ik wat hoor, zegt de bewoonster ’s avonds tegen haar man) en het uiteindelijke resultaat is dat ik helemaal niets meer doe.’ Dit stukje, waarin Kousbroek aan Reve uitlegt waarom hij niet schrijft, laat het dubbele zien: het is blootgeven en bedekt houden tegelijk, je mag dichterbij komen, toe maar, maar je blijft wel achter het glas. Kousbroeks taal, zijn weloverwogen woordkeuze en de zorgvuldige uitwerking van zijn metafoor, is dat glas. 

    Tegelijkertijd lees ik in Ik bestaat uit twee letters, het ‘Privédomein’ van A.H.J. Dautzenberg. Nergens in het boek, al ben ik nog niet op de helft van de meer dan zeven honderd pagina’s, heb ik het idee dat het te intiem is wat ik lees, dat ik getuige wil zijn van iets waarin ik geen plaats heb. Met het bedoelde hertekenen van een jeugd en van een broer lijkt de materie behoorlijk persoonlijk en precair, maar ik word er niet door belemmerd – tot ik bij de brieven aan Gerbrand Bakker aankom. Pas hier, in de steekjes en de grapjes in de brieven die Dautzenberg stuurt, komt ongemak aangewaaid. Natuurlijk, ook hier is sprake van ingreep, van spel. Bakkers brieven zijn niet in het Privédomein opgenomen. En toch.
    Ben ik te dichtbij gekomen – is het glas door de een weggetrokken zonder dat de ander daar iets over te zeggen had? Waar is de wand die alle partijen beschermt? Dichterbij wil ik, in het lezen, altijd dichterbij – maar het hoeft nooit zo heet te worden dat ik me kan branden. Achter glas zie ik goed genoeg. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Oogst week 22 – 2018

    Gaven, giften en vergiften : brieven

    De correspondentie tussen Simon Vestdijk en Willem Brakman begint als Brakman Vestdijk zijn debuutroman toestuurt. ‘Beste Brakman’ en ‘Beste Vestdijk’ werd al heel snel ‘Beste Wim’ en ‘Beste Simon’. Dat zij elkaar niet alleen over literatuur en hun wederzijdse vriend Nol Gregoor schreven, blijkt uit Gaven, giften en vergiften, de door Nico Keuning verzamelde en ingeleide brieven uit de periode 1961-1969. Het gaat ook heel vaak over de gezondheid van beide literatoren, die allebei arts waren. Beiden hebben een aanleg voor zwaarmoedigheid en depressies. Vestdijk weet Brakman te vinden als hij advies en pillen nodig heeft. Uit het voorwoord van Nico Keuning blijkt hoe groot de invloed van zijn depressies op het werk van met name Simon Vestdijk was.

    Gaven, giften en vergiften : brieven
    Auteur: Willem Brakman en Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Ik bestaat uit twee letters

    In Privé-domein verscheen Ik bestaat uit twee letters, het dagboek dat A.H.J. Dautzenberg bijhield vanaf de dag dat hij 49 werd tot zijn vijftigste verjaardag. Het gaat hier niet om een alsnog publiek gemaakt dagboek, maar om speciaal voor deze reeks bijgehouden aantekeningen. Net als Ilja Leonard Pfeijffer is A.H.J. Dautzenberg iemand die in zijn werk speelt met het thema ‘werkelijkheid’. De vraag is of Dautzenberg van zijn verslag van zijn dagelijkse leven meer maakt dan alleen een literaire exercitie.
    De rode draad in Ik bestaat uit twee letters mag dan de relatie met tweelingbroer Hub zijn, aan wie hij al zijn hele leven vastzit, maar Dautzenberg doet ook uitgebreid verslag van wederwaardigheden in de literaire wereld. En dat kan interessant zijn, want in het vijftigste levensjaar was het onrustig bij zijn uitgeverij en ging Theo Sontrop dood.

    Ik bestaat uit twee letters
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2018)

    De melodie

    Na een succesvolle carrière lijkt chansonnier Alfred Busi verzekerd van een rustige oude dag. In zijn ouderlijk huis, een riante villa op een aantrekkelijke plek, zou hij tevreden terug hebben kunnen kijken op zijn leven, als in het dorp niet geplaagd werd door dieren die ’s nachts de vuilnisbakken plunderen; een projectontwikkelaar het niet op zijn villa voorzien had, een journalist niet om werk verlegen had gezeten en zijn vrouw Alicia niet was overleden.
    De melodie van Jim Crace wekt de indruk een realistische roman te zijn over actuele onderwerpen, maar er gebeuren teveel wonderlijke dingen om het symbolische over het hoofd te zien.

    De melodie
    Auteur: Jim Crace
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)

    Victorieverdriet

    Toen haar grote liefde haar tijdens een vakantie in New York verliet, kwam dat hard aan bij Elfie Tromp. Onmiddellijk daarna werd haar liefdesverdriet een onderwerp in haar werk. Haar eerste pijn schreef ze van zich af in haar columns, daarna maakte ze een theatervoorstelling. Ook haar poëziedebuut Victorieverdriet is een verslag van het rouwen en klagen dat hoort bij een dergelijk verlies. Victorieverdriet is een reis in drie etappes, die min of meer samenvallen met de stadia van verwerking. De gedichten zijn een vrij letterlijke verwoording van gevoelens.

    Victorieverdriet
    Auteur: Elfie Tromp
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)
  • Wintertuinfestival Nijmegen over Hoop!

    Wintertuinfestival Nijmegen over Hoop!

    ‘Hoe kun je optimistisch zijn in een tijd die niet gekenmerkt wordt door optimisme?’ twitterde de Amerikaanse schrijfster A.M. Homes in reactie op critici die verbaasd waren omdat ze haar roman een keihard happy-end had gegeven.

    Tijdens het Wintertuinfestival, dat over vier dagen en verschillende locaties in Nijmegen verspreid is, staat deze vraag centraal. Tientallen schrijvers, dichters, wetenschappers, muzikanten en kunstenaars gaan in op het thema Hoop. Hoe staat het met het engagement in de literatuur en kan de literatuur hoop bieden als antwoord op de cynische wereld waarin we leven? In vier dagen tijd zijn er op allerlei locaties in Nijmegen activiteiten te vinden: van een campusdag tot Autoloze zondag en van een bomvolle festivalavond in Doornroosje tot de presentatie van de vier nieuwe chapbooks. De line up liegt er niet om met onder meer Toon Tellegen, Dominee Gremdaat, Tommy Wieringa, Bas Heijne, Kader Abdolah, Simone van Saarloos, Saskia de Coster en talloze aanstormende talenten reizen het laatste weekend van november af naar Nijmegen.

    Het festival opent met een symposium en college op de campus van de Radboud Universiteit door A.H.J. Dautzenberg. Deze schrijver en oproerkraaier zal de hemelbestormers in de Nederlandstalige literatuur in een bomvol programma met opruiende schrijvers, muzikanten en theatermakers en hun bewonderaars bezingen. Als finale wordt de door hem samengestelde bloemlezing Vuur!, over bezieling en betrokkenheid in de Nederlandse letteren, gepresenteerd.
    Dominee Gremdaat wijst in een unieke gastcollege de luisteraar de weg met een speciaal voor dit festival geschreven rede. In de tweede helft van het college vindt er een nagesprek plaats met acteur, cabaretier en theatermaker Paul Haenen.

    Op de laatste dag van het festival, Autoloze zondag zullen schrijvers het achterste van hun tong laten zien in de frisse talkshow onder leiding van Hanneke Hendrix en Jaap Robben.

    Een special editie van Autoloze zondag zal geheel in het teken staan van de Amerikaanse schrijver John Fante. Vertoond wordt er de documentaire Against a perfect sky en de presentatoren (en grote fans van Fante) Hanneke Hendrix en Jaap Robben gaan met Jasper Henderson (een van de makers van de docu) en Fante-fan Henk van Straten in gesprek.

    Klik hier  voor meer informatie over het festival.

  • Zoutloze wansmaak

    Zoutloze wansmaak

    Er staan geen foto’s in het laatste boek van A.H.J. Dautzenberg En dan komen de foto’s. Wel plaatjes maar die illustreren de beschreven scènes en gebeurtenissen niet. Gelukkig niet, ben je geneigd te denken. Seksueel misbruik, het bereiden en opeten van kinderen, het openkrabben van een melanoom en nogal akelige tips voor het gebruik van scheermesjes zijn geen onderwerpen die een gemiddelde lezer graag in beeld ziet. Niet dat het in woorden plezierig wordt, maar zwarte humor laat zich nu eenmaal beter in woorden dan in fotografische beelden vangen. Bovendien is het Dautzenberg nu juist om het onaangename te doen en hij doet dat met merkbaar plezier.

    Op zijn best doen de absurde scènes in En dan komen de foto’s denken aan de zwarte humor van striptekenaar Franquin, die behalve Guust ook twee macabere deeltjes Zwartkijken maakte. Op zijn slechtst is Dautzenberg melig en gemakzuchtig. Maar echt ongemakkelijk wordt het tijdens het lezen van En dan komen de foto’s niet. Het is regelmatig naar of vies, maar tegelijkertijd ook flauw.

    Dautzenberg heeft behalve een harde ook een zachte kant. Wie in Nederland totaal verketterd wordt en aan de grond zit, heeft een goede kans de beschermende arm van A.H.J. Dautzenberg vroeg of laat om zijn schouder te voelen. Pedofielen, verenigd onder de naam Martijn en de ontslagen psycholoog Diederik Stapel, die heel wetenschappelijk Nederland over zich heen kreeg omdat hij wel eens een onderzoekje verzon, hebben dat al mogen ondervinden. Ook verscheen vorig jaar de Quiet 500, een glossy voor de allerarmsten van ons land, een initiatief van Dautzenberg in samenwerking met de SP.

    Hoe onbaatzuchtig de schrijver zijn kan, bleek ook uit het verslag van zijn vrijwillige nierdonatie, beschreven in de roman De Samaritaan. Het leverde hem onder meer een optreden bij Pauw & Witteman op. De aflevering is op YouTube nog te zien en maakte op een zekere Rikardo8a duidelijk een grote indruk. ‘Uiteindelijk heb ook ik een nier afgestaan. Bedankt voor de inspiratie!’ luidt zijn reactie. In een interview met zichzelf dat in En dan komen de foto’s is opgenomen, ‘onthult’ Dautzenberg dat hij het hele verhaal verzonnen heeft. En daarmee zijn we dan weer bij de harde kant van deze auteur aangekomen.

    Deze acties van Dautzenberg zijn niet alleen provocerend, ze pulken ook op een plekje waar je liever niet wilt dat er gepulkt wordt. En dat onaangename heeft alles te maken met onuitgesproken aannames wat betreft goed en fout, recht en onrecht, waarheid en onwaarheid. Juist dit diepere schuurwerk ontbreekt helaas in En dan komen de foto’s. Hier blijft de provocatie aan de oppervlakte en is Dautzenberg op zoek naar een gemakkelijk soort afkeer. Het enige dat hij bereikt is dat je tijdens het lezen je boterhammen even weglegt, maar na het dichtslaan van het boek eet je met evenveel smaak weer door.

    Veel verhalen verzanden in meligheid of vertonen tekenen die er op duiden dat de schrijver het ook niet meer wist. ‘Dit verhaal schrijft zichzelf’ lezen we zelfs een keer en je hoort Dautzenberg denken dat hij met deze zin een zwak verhaal weet op te poetsen.

    En dan komen de foto’s bevat vooral schetsen, aanzetten en nauwelijks verhalen die op eigen benen kunnen staan. Een ZKV (zeer kort verhaal) bestaat uit een citaat van een grondwetartikel, een ander bestaat uit een onzinnig diagram van een eerder verhaal, weer een ander begint met de woorden ‘Er was eens een’, gevolgd door een ingewikkeld lijkende wiskundige formule en wordt dan afgesloten met ‘en het leefde nog lang en gelukkig’. Ja, in het hoofd van Dautzenberg zijn wiskunde, wetenschap en wetten niet wezenlijk anders dan fictie, maar de vorm van deze stukjes proza is bijna te puberaal om bij stil te staan.

    Veel van de verhalen zijn gebaseerd op een shockeffect dat met zichtbaar plezier en droge humor wordt gebracht. Vervolgens lopen de meeste verhalen als een lek ballonnetje leeg, alsof Dautzenberg zijn interesse totaal verloren heeft. Bijvoorbeeld, een verhaal over een kookclubje dat kleine kinderen bereidt en verorbert, eindigt met een paragraaf brabbeltaal (poele-poele-poele). Een verslag van het verblijf in het Roland Holsthuis in Bergen begint als een griezelverhaal maar gaat vervolgens over in het uitgebreid citeren van het gastenboek. Dautzenberg zoekt, probeert en schetst, maar het wil op zijn best geestig maar nergens briljant worden.

    Eén van de betere stukken is het essay Porno als dialectisch proces, dat eerder verscheen in Tirade. Uitganspunt voor dit stuk is het nooit gerealiseerde voornemen van Rudy Kousbroek om de eerste drie minuten van een pornofilm te beschrijven. Dautzenberg begint ijzersterk. Kousbroek kon natuurlijk helemaal niet over porno schrijven, met zijn keurige ‘betavocabulaire’ was hij daar onmogelijk toe in staat. Nee, dan Dautzenberg. Die weet wel hoe hij het beestje bij de naam moet noemen. Meesterlijk zet hij Kousbroek aan de kant om zelf eens te laten zien hoe je zoiets aanpakt. Maar dan… dan zakt het essay als een pudding in elkaar en gaat over in een ietwat melige parodie op de wetenschappelijke verhandeling. Niets geen vuilspuiterij van de bovenste plank of grove hilariteit maar met citaten doorspekte, droge onzin die uitlezen nog een hele opgave maakt.

    Het tekent een beetje dit boek dat experimenteel van opzet is en nergens heen lijkt te gaan. Verder dan een verzameling ideetjes, opzetjes en onsmakelijkheden, met hier en daar een geestige boventoon, gaat het helaas niet. Aan het betere schuur- en jeukwerk komt Dautzenberg helaas niet toe.

    Maar misschien is het ook gewoon de bedoeling van een schrijver die zich afzet tegen de huidige ‘worstenbroodjescultuur’ en ‘Opschonend Realisme’ om niet aan de verwachtingen te voldoen. In het interview met zichzelf (één van de betere stukken) geeft hij ook aan mislukkingen interessanter te vinden dan successen. Het zou me dan ook niet verbazen als Dautzenberg eens wil zien met hoeveel gemakzucht hij na al die publiciteit weg kan komen. In elk geval is dit geen kant-en-klaar boek dat appelleert aan goede, of gangbare smaak. Maar over wansmaak hebben we het hier ook niet, daarvoor is het gewoon te zoutloos.

     

     

  • De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    Het Vlaamse literaire tijdschrift De Brakke Hond verschijnt sinds vorig jaar zomer als stevig en mooi uitgevoerd magazine. Opvallend is dat er meer ‘grotere’ namen aan het blad meewerken dan voorheen. Ex-journalist en boekhandelaar van De Zondvloed Johan Vandenbroucke heeft zich over het blad ontfermt als hoofdredacteur. Sindsdien zijn er vier nummers in de hernieuwde vormgeving verschenen. In plaats van driemaandelijks verschijnt De Brakke Hond tegenwoordig tweemaandelijks.

    In het voorlaatste nummer van De Brakke Hond wederom een aantal fraaie bijdragen: De kroniek Restletsels (2) van Jeroen Brouwers over woorden die je nooit meer hoort, zoals ‘Matsig’ in de betekenis van een drukkende, benauwde dag. Een dialectwoord uit Limburg of Brabant dat opeens weer bij hem bovenkomt  sinds hij het in zijn ‘prille jongentjesjaren’ voor het eerst hoorde. En over gemeenplaatsen als: ‘Er viel een stilte, zij was de schok nog niet te boven’ etcetra. Een type taal dat uitblinkt in saaiheid, Brouwers zou dit type het liefst een schop geven.

    In de  kroniek van Chretien Breukers De redding van de poezie legt Breukers op pamfletachtige toon uit hoe het uitgeven van poëziebundels kan worden gestimuleerd. Breukers stelt voor de uitgave van een dichtbundel te honoreren met een bedrag van 1500 euro. Aldus richt hij zich tot ministers en staatssecretarissen: ‘Mocht u komen met het argument dat er geen budget kan worden vrijgemaakt omdat het ‘crisis’ is, dan wil ik u toch even iets anders voorleggen. (…) bedenk ook, dat de poezie (of de taal) niet alleen ‘gansch het volk’ is, maar ook het geweten van ‘gansch het volk. 1500 euro voor elk brokje geweten is een koopje.’

    Een stuk van Ann Meskens over Dieren in de kunst: van de jacht op neushoorns tot hamsters als speelbal, waarin ze zich afvraagt wat er met ons en onze maatschappij aan de hand is dat we storm lopen voor een hamster of een varken. De antwoorden jagen haar bij voorbaat angst aan. En over kunstenares Tinkebell, die in januari van dit jaar werd vrijgsproken van het martelen van hamsters. Meskens weet het uiteindelijk wel. Als zij een varken was zou zij liever in handen vallen van kunstenaar Wim Delvoye (die graag een aantal varkens zou willen tatoeren) dan in handen van de voedselindustrie.

    Stevige gedichten van dichteres en kinderboekenschrijfster Reine De Pelseneer met titels als: Wrong, Kering, Zwier en Opvlucht. Voor de voetballiefhebbers: een twintig pagina lang – overigens prachtig relaas van een voetbalfan in hart en nieren – van sportjournalist Dirk Deferme, Raymond ‘zoals in Goethals’. Verder poezie van Anna De Bruyckere: Hackeschermarkt, Berlin en Bart Janssen met: Onderling. En een essay van Joris Note getiteld: Alle die talen, over teksten die nooit eenduidig zijn.

    Verder  een exclusieve vertaling van het verhaal ‘Huiswerk’ van Japans best bewaarde geheim Shotaro Yasuoka (1920), een door Haruki Murakami op handen gedragen schrijver. Een kortverhaal van pseudoloog A.H.J. Dautzenberg  en van de jonge talenten Y.M. Dangre en Anna De Bruyckere. Y.M. Dangre is onlangs genomineerd voor de C. Budding- prijs voor zijn dichtbundel Meisje dat ik nog moet. En verhalen van Christophe van Gerrewey De erfenis van Esther en Frank Adam schreef De bastaard van Brugge.