Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een Europeaan op oorlogspad

    Een Europeaan op oorlogspad

    Goethe op campagne in Frankrijk
    Freiherr Johann Wolfgang von Goethe was de veertig al gepasseerd en alom erkend als literair genie (ook door zichzelf) toen hij met een Pruisisch-Oostenrijks leger optrok tegen Frankrijk. Zijn oorlogsdagboek is nu vertaald en van toelichting voorzien: Campagne in Frankrijk 1792. Koelbloedig, goedgemutst en welbespraakt beschrijft de grote geest het genadeloze pak slaag dat zijn leger kreeg. Een nieuw tijdperk brak aan, en Goethe dacht er het zijne van.

    In 1792 was Johann Wolfgang von Goethe afgekickt van zijn status als literaire superster. Met Het leiden van de jonge Werther, over een wanhopige liefde die een hypergevoelige jongeman tot zelfmoord drijft, had hij in 1774 Europa op zijn kop gezet. In de steile pruikekoppen van die tijd wist het boek onvermoede sentimenten los te woelen. Er werd gedweept, gesmacht en gewanhoopt dat het een aard had. Jongelieden in heel West-Europa begonnen zich te kleden als Werther, schreven en stamelden gevoelige teksten bij maanlicht, koesterden onmogelijke liefdes en volgden Werther soms zelfs na in diens zelfgekozen dood, en de auteur kreeg idolate en hysterische mafkezen aan zijn deur. Decennia later was hij er nog confuus van. Hij werd aangevallen en vooral ook geparodieerd, bij voorbeeld door onze eigen Piet Paaltjens (alias Francois Haverschmidt) in diens Snikken en grimlachjes. De auteur werd later dominee en pleegde nog later zelfmoord als een ware Werther, maar dat geheel terzijde. Goethe werd wijzer. Zijn tweede verliefdheid, nu op hofdame Charlotte von Stein, was even onmogelijk als de eerste, maar nu maakte hij er geen literatuur van, maar ondernam een lange Italiaanse reis. Daar hervond hij zijn evenwicht in de aanschouwing van de klassieken, en toen hij terugkeerde naar Duitsland was hij klaar voor de grote wereld.

    Goethe trad in dienst van vorst Carl August, aan het hof van Weimar, als raadgever in privé- en staatszaken. Hij schreef voort aan een omvangrijk literair oeuvre (Weimarer Klassik gedoopt, werd in de adelstand verheven en hobbiede fanatiek en eigenzinnig in de wetenschap. Hij ontwierp een kleurenleer waarover de discussie nog steeds niet is verstomd, ontdekte een nieuw mineraal (dat hij heel bescheiden Goethiet doopte), bewerkte of herdichtte Perzische poëzie (zie zijn West-Östlicher Divan) , schreef zjin beroemde Faust-tragedies en wisselde 16.000 brieven. Om maar wat te noemen.

    Houwdegens tegen vrijwilligers
    In 1792 dus nam Goethe op verzoek van zijn adelijke broodheer Carl August deel aan een veldtocht tegen Frankrijk. Zijn verslag publiceerde hij 30 jaar later. Hij rangschikte het onder zijn autobiografische geschriften, samen met Wahrheit und Dichtung (over zijn jeugdjaren en ontwakend schrijverschap) en de Italienische Reise.

    Aanleiding noch verloop van de Campagne tegen Frankrijk waren erg verheffend. De Franse slapjanus koning Louis XVI was met zijn leeghoofdige vrouw Marie-Antoinette door het gepeupel zijn paleis uit gejaagd. Hij vluchtte de Duitse grens over, voorafgegaan en gevolgd door een meute hofadel: de émigrés. Die zochten en vonden steun voor het herstel van de oude orde bij Oostenrijk en Pruisen. Een leger van 40.000 professionele houwdegens vertrok richting Parijs om de Franse dienstplichtigen en vrijwilligers eens even onder de voet te lopen – en daarmee de democratisch-republikeinse spoken die door Europa begonnen te waren een halt toe te roepen. Dat ging mis. Het leger treuzelde, het seizoen vorderde, de regen begon te vallen en de dysenterie waarde rond. Door de blubber van een vroeg ingevallen herfst sjokten de troepen Frankrijk in, tot ze bij Valmy in de Champagne tot staan werden gebracht door een goed geplaatste Franse blokkade. De slag werd verloren en een moeizame en treurige terugtocht begon, waarbij de Franse legers de geallieerden achtervolgden tot diep in het Rijnland. Langs de weg steeds meer kadavers van paarden, gevild door de uitgehongerde bevolking, achtergelaten bepakking, kapotte karren. Opgepakte spionnen plegen zelfmoord, en krijgsgevangen worden bedreigd en mishandeld, tegen alle codes van krijgseer in. Na een pauze van een aantal maanden om de wonden te likken wordt een tweede tocht richting Frankrijk ondernomen, nu met de veel bescheidener doelstelling een aantal eigen steden, waaronder Frankfurt en Mainz, te heroveren. Dat lukt in juli 1793, en daarmee komt voor Goethe aan het krijgsgedruis een einde.

    Liever onrecht dan wanorde
    Campagne in Frankrijk verscheen 30 jaar na dato, in 1822. Onduidelijk is wat Goethe achteraf heeft gecensureerd of ‘opgeleukt’. Slechts af en toe vang je een glimp op van de smerigheid van de oorlog. Wél is duidelijk dat Goethe tussen de twee veldtochten in een lang intermezzo toevoegde, dat misschien wel het interessantste deel is van het boek. Maar eerst de dirty war. In welgevormde zinnen, die door vertaler Wilfred van Oranje virtuoos zijn overgezet in archaïserend Nederlands, leven we mee met het grote genie op oorlogspad. Het is zo vreemd dat het maar langzaam tot je doordringt. Opgewekt rijdt onze Freiherr het slagveld tegemoet in zijn koetsje met twee paarden, terzijde van de voortmodderende manschappen, met zijn huisbediende, zijn poedel, zijn boeken, en materiaal voor wetenschappelijk onderzoek (de kleurenleer is in volle ontwikkeling). Goethe vertelt hoe slim, handig en grootmoedig hij zich door de ongemakken van de strijd slaat. Hij ‘regelt’ een paar flessen wijn en deelt die met de lagere officieren. Hij geeft een deken in bewaring bij een soldaat en huurt die van hem als de nachten koud en nat zijn. En wat betreft zijn deelname aan de krijgshandelingen: hij maakt eens een verkenningstochtje hier en tekent een overzichtskaart daar, al dan niet op verzoek van de prins zelve. Hij weet door een strategisch geplaatste woede-bui een stel vluchtelingen met plunderwaar uit handen van wraakzuchtig volk te houden. Als iemand hem verwijt dat hij misschien wel een misdadiger heeft gered, zegt hij ‘dat het in zijn aard ligt liever onrecht te doen dan wanorde te dulden’… De daadwerkelijke schermutselingen aanschouwt hij van gepaste afstand, vol bewondering voor het spel van zonlicht op helmpluimen en bajonetten, en de pittoreske ligging van belegerde steden en dorpen. Veel woorden wijdt hij aan de verschillende onderkomens en hun bewoners, die zijn bediende voor hem regelt. Blijkbaar volkomen vanzelfsprekend begeeft een Freiherr zich niet onder het voetvolk, tenzij om zich te amuseren. Op 14 oktober 1792 betrekt Goethe een kamer met aangrenzend binnenplaatsje in Luxemburg-stad: ‘Mijn stille, tegen alle lawaai afgeschermde woning bood me als een kloostercel een ideale gelegenheid tot de kalmste bespiegelingen, terwijl ik me, zodra ik maar een voet buiten de deur zette, in het drukste krijgsgewoel bevond en naar hartelust door de wellicht wonderlijkst denkbare lokaliteit kon wandelen.’ Hij neemt de tijd om de map met aantekeningen en proef-verslagen over zijn kleurenleer in wording bij te werken.

    Heerlijke schapenbout
    Slechts af en toe dringt tot de tekst door dat Goethe optrekt en afdruipt met een leger dat in 3 maanden van 42.000 man wordt gedecimeerd tot 20.000, ten gevolge van honger, dysenterie en falende logistiek (nauwelijks door de vijandelijkheden zelf). Temidden van alle ellende en chaos maakt Goethe zich vrolijk over voetvolk dat opgetogen rondsjouwt met buitgemaakte juwelenkisten, en er pas na het openbreken achter komt dat ze gevuld zijn met kaartspellen. Hoe nijpend de honger is, dringt pas tot Goethes aantekeningen door, als hij beschrijft hoe hij zijn manschappen een moestuintje laat plunderen: ‘Bescheiden en zuinig namen we niet meer dan we nodig hadden.’ Liever wijdt Goethe uit over die momenten waarop hij zijn zaakjes uitnemend weet te regelen, waarbij het erop lijkt dat de ellende van anderen zijn eigen comfort vergroot: ‘Een goede maaltijd was voor ons klaargemaakt, vooral een heerlijke schapenbout was ons welkom. Het ontbrak niet aan goede wijn en brood en zo konden we ons, in de nabijheid van het grootste gewoel, heerlijk ontspannen, zoals men ook wel aan de voet van een vuurtoren, zittend op een stenen dam, de aanstormende zee, de woeste beweging van de golven gadeslaat en her en der een schip aan hun willekeur prijsgegeven ziet.’

    Temidden van alle ‘gewoel’ biedt ook de wetenschap ruimte om de geest te vertreden. Zo begeeft onze held zich op een heuvelhelling die onder zwaar vuur ligt om het verschijnsel kanonnenkoorts aan den lijve te observeren. ‘Het oog verliest niets van zijn sterkte en helderheid, maar het is toch of de wereld een rossig bruine tint heeft, die zowel de toestand als de voorwerpen nog zorgbarender maakt.’ Later vermeldt hij trots dat het verhaal nog steeds wordt rondverteld binnen de legerleiding.

    Vaardige pen
    Helemaal een onversneden dagboek is Campagne in Frankrijk niet. Goethe voegt een later geschreven intermezzo in om het gat tussen de twee krijgsrondes te vullen. Hij vertelt uitgebreid over de vrienden bij wie hij op bezoek gaat en de herinneringen aan betere tijden die dat oproept. Hij schetst de grote veranderingen in het geestelijk klimaat, waarin zowel Verlichting als Sturm und Drang uiteinden waren van de veel bredere beweging van de individualisering. De mens werd zijn eigen ding. Je kunt je bovendien afvragen of Goethe niet ook elders in de tekst dingen heeft gecensureerd en toegevoegd. Een van de verdachte passage is wat dat betreft veelzeggend. In een herberg te Trier grijpt een oude huzarenofficier Goethes hand en beklaagt diens lot. ‘Het was, zei hij, al onverantwoord dat men hen, wier beroep en plicht het bleef dergelijke toestanden te verduren en hun leven daarbij op het spel te zetten, in deze nood had gebracht als wellicht nooit eerder was vernomen. Maar dat ook ik […] dat alles had moeten doorstaan, daarmee wilde hij geen vrede hebben. […] Intussen had zich een burger bij ons gevoegd, die daarop antwoordde dat men mij dank was verschuldigd, dat ik van dat alles ooggetuige had willen zijn: van mijn vaardige pen kon men nu stellig een heldere beschrijving verwachten. De oude houwdegen wilde ook daarvan niets weten en riep: “Geloof het maar niet, hij is veel te wijs! Wat hij zou mogen schrijven, kan hij niet schrijven, en wat hij zou willen schrijven, zal hij niet schrijven!”’ Aannemelijk is dat Goethe hier fictie gebruikt om duidelijk te maken dat hij niet de hele waarheid kan schrijven, en tegelijk de lezer in te prenten hoe nobel hij wel niet was om zich in deze smerige oorlog te begeven. Want daar is hij niet zo van.

    Grote geesten versus carrière-diplomaat
    Theo Kramer vertelt in zijn informatieve nawoord dat Goethe ‘in zijn eigen […]scheppingen die hij […] aan de revolutie wijdde, altijd weer de oude, vredig feodale en lichtelijk patriarchale orde liet zegevieren.’ Maar tegelijk – lijkt het, en je mag hopen dat het waar is – vond Goethe iets anders veel belangrijker. Hij wilde vrede, omdat alleen dan het vrije verkeer der geesten en het productieve verschil van mening mogelijk was waar de mensheid baat bij zou kunnen hebben. Het eerste voorbeeld geeft hij al op de beginpagina’s van zijn boek. Daar vertelt hij hoe hij op weg naar het slagveld twee vrolijke avonden doorbrengt met oude en vaak hooggeleerde vrienden: ‘De vrijheid van een welgemeende grap, steunend op wetenschap en inzicht, zorgde voor een uitgelaten stemming. Over politiek werd niet gesproken, men voelde dat men elkaar over en weer moest ontzien, want terwijl zij republikeinse opvattingen niet geheel verloochenden, had ik – duidelijk voor iedereen – haast om met een leger op te trekken dat juist met die opvattingen en hun uitwerking korte metten moest maken.’ Veel uitgebreider herneemt hij dat thema in de bladzijden die hij wijdt aan zijn bezoeken aan oude vrienden en dan met name de kring rond vorstin Gallitzin. In haar kasteel Pempelfort ontmoetten denkers en schrijvers uit vele Europese landen elkaar. De Verlichtingsaanhanger Diderot, empiristen (waar Goethe op geheel eigen wijze bij hoorde), idealisten (de platonistische Hemsterhuis verschijnt in beeld), en dat doorsneden door katholieke, agnostische of protestantse geloofsovertuigingen van Franse of Duitse origine, terwijl de ideeën van Voltaire en Rousseau boven de tafel zweven. Het debat werd gevoerd met inzet van alle denkbare argumenten, maar steeds in de beste stemming. Zo doe je dat. Het heeft er alle schijn van dat Goethe het verslag van zijn bezoek aan oude vrienden benut om de Campagne tegen Frankrijk te bekritiseren. Niet de oude hofadel en ‘royalty’, maar de adel des geestes en het menselijk genie vertegenwoordigen het hoogste belang. Een oorlog is smerig of niet, maar nooit meer gerechtvaardigd dan uitmuntende mensen die elkaar met diepe en nobele gedachten bestrijden en tegelijk verheffen. Goethes Europese geest wint het via de omweg van de literatuur en de memoires van de carrièrediplomaat. Bravo.

    Campagne in Frankrijk 1792

    Auteur: Johann Wolfgang von Goethe
    Vertaald door: Wilfred van Oranje
    Van een nawoord voorzien door: Theo Kramer
    Verschenen bij: Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren (2013)
    Aantal pagina’s: 286
    Prijs: € 29,50

     

  • Empathie voor een nare jongen

    Empathie voor een nare jongen

    Roman met cocaïne van M. Agejev is een indringend verhaal over een onaangename jongen uit Moskou.  Deze Vadim is in het boek achtereenvolgens middelbare scholier en student. De auteur weet overtuigend een cynisch personage neer te zetten, een jongen die niets geeft om de gevoelens van anderen. Hij is koud en berekenend ten opzichte van de meisjes met wie hij vrijt. Vooral echter zijn houding tegenover zijn moeder is ontluisterend. Hij schaamt zich voor haar, omdat hij haar oud vindt en ziet haar alleen als iemand die hem geld kan geven.

    De cocaïne uit de titel speelt vooral in het tweede deel van het boek een rol als Vadim geconfronteerd wordt met het effect van zijn verslaving. Het is een hels beeld, dat potentiële cocaïnegebruikers effectief afschrikt. Vadim stelt het volgende vast: ´zodra die invloed vervlogen was, ontstond het afgrijzen: ik begon mezelf te zien zoals ik onder invloed van het verdovende middel was geweest. En dan kwamen de verschrikkelijke uren. Het lichaam viel zwaar terug in de razende wanhoop van een onuitsprekelijke neerslachtigheid.´ (p. 190)

    Het verhaal speelt aan de vooravond van de Russische revolutie, deels ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Vadim beschrijft hoe het nationalisme hem grijpt als hij het over de tegenstander, de Duitsers, heeft. ´Ik beledigde hen niet omdat ik ze haatte, maar alleen omdat mijn scheldwoorden en beledigingen dat aangename gevoel van diepe verbondenheid met de menigte om me heen slechts sterker benadrukten.´ (p. 51) De hersenloosheid van nationalisme komt in een dergelijke passage goed uit de verf.

    Toch is dit geen uitgesproken politiek boek. Het is vooral een geslaagde psychologische beschrijving van een jongen met te weinig gevoel, van wie je toch vermoedt dat er meer achter hem steekt. Het is dat vermoeden dat je door doet lezen. De auteur slaagt erin om empathie op te wekken voor de nare jongen die Vadim lijkt te zijn. Vooral het deel van het boek waarin hij echt valt voor een vrouw, de getrouwde Sonja, toont dat Vadim niet alleen slecht is en daadwerkelijk liefde voor een ander kan voelen. Toch vermoed je al wel dat het  geluk niet lang kan duren. Daar is het het boek niet naar.

    Roman met cocaïne gaat mede over idealisme dat Vadim niet kent, maar zijn begaafde klasgenoot Boerkevitz wel: ´Boerkevitz [hoorde] juist tot het soort mensen dat, vanwege hun ideaal, zowel humor als cynisme veroordeelt -de humor omdat ze er cynisme in zien – en het cynisme omdat ze er geen humor in vinden. ´ (p. 141) Later in het boek blijkt dat de idealistische Boerkevitz geen haar beter is dan de cynicus Vadim. Misschien is hij nog wel slechter, is een van de boodschappen die de auteur weet over te brengen.

    Dit boek heeft een opvallende route naar publicatie afgelegd. Het verscheen voor het eerst in het Russisch in 1934 en werd in de jaren tachtig in het Frans vertaald. De huidige vertaling naar het Nederlands van Louise Becht geschiedde uit het Frans. De stijl van de auteur is, ook na deze dubbele vertaalroute, sterk. Deze auteur, M. Agejev, is een mysterieuze figuur, die verder niets lijkt te hebben gepubliceerd. Zijn werkelijke naam was Mark Levi. Hij overleed in 1973 in wat nu Armenië is.

    Roman met cocaïne biedt, naast een mooie stijl en psychologische gelaagdheid, inzicht in het Russische schoolsysteem van weleer. In de klas van Vadim vormen de jongens met de hoogste cijfers de populaire voorhoede, wat afwijkt van een standaardklas van een lyceum in het hedendaagse Nederland. Wat echter vooral blijft hangen na het lezen van dit boek is de uitzichtloosheid van het bestaan van een tot waanzin vervallen verslaafde.


    Roman met cocaïne
    Auteur:
    M. Agejev,
    Vertaald door: Louise Becht
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Prijs: € 18,90

  • Dilemma’s, dilemma’s

    Dilemma’s, dilemma’s

    Dilemma’s, dilemma’s

    Jasmijn is een 23-jarige studente fotografie die voor een schoolproject naar een Noors eiland wordt gestuurd. Haar docent Van Asschen verwacht dat ze terug komt met ‘lustopwekkende landschapsfoto’s, soft-erotische rotsen en rivieren om bij klaar te komen.’ Als voormalig biologie studente zou het voor haar geen grote moeite moeten zijn om goede natuurfoto’s te maken. Maar zijn hoge verwachtingen ervaart ze als een grote druk, net als die van de mensen om haar heen. Is ze wel een succesvolle dochter, goede vriendin en loyale partner? Wat wil ze gaan doen in de toekomst en zijn haar verwachtingen realistisch?

    In Spitsbergen ontmoet ze haar vier jonge huisgenoten, met wie ze de avonturen en ongemakken van het barre klimaat deelt; zo leert ze snus te gebruiken en met een geweer op ijsberen te schieten. Ze krijgen een band met elkaar, waarbij Jasmijn vooral interesse toont in de breedgeschouderde geoloog Lars. Als haar vriendje haar opbelt om te vertellen dat hij overspel heeft gepleegd, gooit ze woedend haar mobieltje in de sneeuw en besluit ze ook niet meer te reageren op de e-mails van haar vriendinnen en ouders. Ze richt zich volledig op Lars. Na verloop van tijd trekt Jasmijn alleen de koude natuur in om haar talent als fotograaf te bewijzen en te ontvluchten aan alle emoties en problemen waar ze mee kampt. Tijdens deze tocht overdenkt ze haar leven. Ze vraagt zich af of ze wel de juiste keuzes heeft gemaakt in haar leven en maakt zich zorgen om de beslissingen die ze in de toekomst moet gaan nemen. Dit neemt haar zo in beslag dat ze nauwelijks meer fotografeert. Pas aan het einde van haar reis realiseert ze zich dat ze zonder goede foto’s misschien niet verder kan met haar studie. Als ze terug is in Nederland merkt ze dat er veel is veranderd: de liefde voor haar vriendje is bekoeld en ze lijkt vervreemd te zijn van haar vriendinnen.

    Venhuizen (1985) is wetenschapsjournaliste, schrijfster en fysisch geologe. Ze won een aantal Write Now! prijzen en schrijft in allerlei vormen: onder andere boekrecensies, reisreportages, columns en korte verhalen. Alle bessen kun je eten is haar romandebuut, een boek over een jonge vrouw met een quarterlife crisis. Dit is een verschijnsel waar massa’s studenten zich in zullen herkennen: als je alle vrijheid hebt, wat doe je dan? Jasmijn wikt en weegt, twijfelt, blundert en weet zich meestal geen raad met zichzelf. De ene beslissing sluit het andere weer uit – wat is dan de beste beslissing? Venhuizen brengt dit ‘luxe probleem’ goed in kaart, waardoor het voor de lezer gemakkelijk is om mee te leven. Haar schrijfstijl is prettig – eenvoudig, begrijpelijk, spreektaal en toch (soms pseudo-diepzinnig) poëtisch, en bovenal passend bij Jasmijn.

    Het boek heeft drie verhaallijnen. Het eerste richt zich op Jasmijns onzekere verliefde gevoelens voor haar huisgenoot Lars. Haar interesse in hem is overtuigend, maar de lezer krijgt te weinig details om haar verliefdheid echt te begrijpen. Hij heeft een tattoo, bruine baard en interesse in de biologische samenstelling van sneeuw; meer vertelt Venhuizen niet over Lars. De lezer moet Lars als een Ken-pop adoreren: knap, maar leeg. Gelukkig maken haar andere huisgenoten dit liefdesverhaal deels goed – de gevoelige christen Bjarki, opdringerige Inooraq en mooie snobistische Elena creëren een sfeervol plaatje. De vijf jonge reizigers skiën, worden dronken en spelen samen bordspelletjes. De huiselijke taferelen geven de lezer een warm gevoel.

    De tweede verhaallijn is Jasmijns solo trektocht door het gebied Dovrefjell. Gezien haar achtergrond had Venhuizen met haar speciale kennis van Alle bessen kun je eten een verhaal kunnen maken vol levendige details over de natuur van het hoge noorden. Dit heeft ze er gedeeltelijk ook van gemaakt, al zijn haar woorden beschrijvend in plaats van geografisch van aard. Gelukkig blijkt juist het beschrijven één van haar talenten: de details over de omgeving vermengt ze mooi met Jasmijns stemming.

    In Dovrefjell wordt het duidelijk dat Jasmijn niet veel geeft om fotograferen. Gedurende het verhaal maakt ze af en toe een foto, maar ze lijkt er geen passie voor te hebben. Beschrijvingen van artistieke details (bijvoorbeeld licht, schaduw of kleur) of technieken (zoals sluitertijd) worden slechts sporadisch gegeven. Misschien is dit een manier van Venhuizen om aan te tonen dat Jasmijn eigenlijk geen interesse heeft in fotografie.

    De derde lijn bestaat uit Jasmijns levendige jeugdherinneringen, die Venhuizen elke paar pagina’s weer naar voren laat komen. De focus ligt op haar stroeve sociale relaties, voornamelijk met haar ouders en vriendinnen. Waar iedereen in haar omgeving ondernemend en assertief is, is Jasmijn met haar passieve, puberale en onzekere houding een vreemde eend in de bijt. Dit stelt de lezer voor een raadsel. Want zou een studente die naar Noorwegen reist en dagenlang alleen door de natuur struint niet wat steviger in haar (sneeuw)schoenen moeten staan? Maar Jasmijn lijkt zich zelden volwassen op te stellen. Haar reacties op tegenslagen zijn regelmatig uit proportie – zo vernielt ze cd’s als ze gefrustreerd is –, of heel lomp. Een dieptepunt is haar eerste reactie als een jeugdvriendin laat zien dat haar borst is afgezet: ‘Met T-shirt zie je er niets van.’

    Moeten we ons Jasmijn inderdaad als een labiel, sociaal onhandig mens voorstellen? Of had Venhuizen Jasmijn wat jonger moeten maken, zodat ze de hormonen de schuld kon geven? Wat de reden ook is, het blijft onmogelijk voor de lezer zich te identificeren met de onvoorspelbare Jasmijn, waardoor ze al snel op de zenuwen gaat werken.

    Venhuizen gooit de drie verhaallijnen door elkaar, wat de aandacht  van de (geduldige) lezer blijft vasthouden. Bovendien is er op elk moment in het boek wel een onopgelost raadsel: hoe loopt het af met het gewonde rendier? Wat gebeurt er als ze bij haar ouders thuis komt? Dit houdt de spanning er goed in.

    Kortom, Alle bessen kun je eten heeft een mooi concept, waarbij de schrijfster bij het uitwerken ervan een paar steken heeft laten vallen, maar dat toch ook weet te boeien.

     

    Alle bessen kun je eten
    alleen sommige maar één keer

    Auteur: Gemma Venhuizen
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,50

     

  • Naar wens

    Naar wens

    Recensie door Ellen IJzerman

    Soms is het lastig om over een boek of dichtbundel iets te vertellen. Dat kan verschillende redenen hebben, maar de meest voorkomende daarvan is dat het simpelweg weinig of niets bij de lezer teweeg bracht. Dat is wij van Herman Leenders is zo’n dichtbundel; de gedichten zijn ‘best aardig’, maar nooit gedenkwaardig, ze blijven niet hangen.

    De bundel is opgedeeld in drie delen: Onchristelijke gedachten, Ora pro nobis en . Het laatste deel bevat voornamelijk gedichten die in opdracht zijn geschreven, zoals ‘Naar Remigius’, dat geschreven werd voor het woon- en zorgcentrum Remigius in Pittem.

    Vroeger waren het grootouders, groottantes
    Dan nonkels, moeders, vaders
    Nu wij: wees, weduwe, weduwnaar

    Altijd minder broers
    Altijd minder zussen
    Zodat wij slobberen in ons vel

    Wij waren bakker, wever, timmerman
    Landsman, stikster, duivenmelker
    Wij hadden macht, verstand, kloten, geld

    Rouwden en wrochten
    Naaiden, koersten, dronken
    Werden begeerd, omarmd, hadden lief

    Wij hebben de tijd gedood
    En de tijd die wij fêteerden
    Doodde ons

    Zoals later veraf lijkt
    Zo onvoorstelbaar
    Alsof het gisteren was

     

    Best een aardig gedicht, en de opdrachtgever is er vast blij mee. Dat geldt waarschijnlijk voor alle gedichten die in opdracht zijn geschreven, want het zijn veilige gedichten en daarom – zoals de naam van dit deel van de bundel aangeeft – dus vast ‘naar wens’.

    Dat brave, dat ‘naar wens zijn’ geldt eigenlijk voor alle gedichten in Dat is wij. Er staat vrijwel altijd wat je verwacht dat er staat. Neem bijvoorbeeld ‘Forens’ uit het tweede deel Ora pro nobis:

    Hij gaat naar het werk
    De mensen in de trein zien niets aan hem
    Ook de collega’s weten niet beter
    Hij antwoordt, verzendt, ontvangt
    Pompt koffie op
    Niemand merkt dat hij er (niet) is
    Terwijl hij telefoneert
    Vergaderingen bijwoont
    Handen schudt
    Zij weten niet wat handen doen
    Als ze geen handen schudden
    Of vingers wanneer ze niet typen
    Zij weten niet wat een mond doet
    Als hij niet drinkt of eet
    Of waaraan een hoofd denkt
    Terwijl het spreekt 

    Naar waarheid zullen zij zeggen:
    Op elke beerput ligt een deksel.

     

    Terwijl je het gedicht leest, knik je waarschijnlijk en denkt ‘ja, zo is het wel ongeveer’. En daar blijft het bij. Je kijkt de volgende dag niet met andere ogen naar de mensen in de trein, of de bestuurder in de auto naast je, of naar de mensen om je heen op het werk, omdat het gedicht niets meer doet dan vertellen wat je al wist. Best een aardig gedicht, maar niet meer dan dat.

    Natuurlijk staan er ook mooie zinnen in de bundel en stoot je je een enkele keer even aan een gedicht. Zo verrast ‘Moedertje’ even, maar dat komt slechts omdat de titel je in eerste instantie op het verkeerde been zet. Eigenlijk zegt Leenders het zelf nog het beste in het laatste gedicht van Onchristelijke gedachten:

    Als ik schrijf 

    Als ik schrijf weet ik wat jij zegt
    Wat je zegt vind ik helemaal terecht
    Het past bij wat ik denk en wie ik ben
    Botst nooit met wat ik zou zeggen

    Als ik schrijf doe jij
    Wat ik denk dat jij zou doen
    Tussen wat jij doet en wat ik denk
    Dat jij doet bestaat geen verschil

    Daarom dat ik ook schrijf
    Wat jij schrijft
    Het is beter dat jij niet schrijft
    Als we onder elkaar zijn 

    Kunnen we rustig zwijgen.

     

     

     

  • ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    Na achttien pagina’s hebben we bijna uitsluitend dialogen gelezen. Bedrieglijk naïeve dialogen. En toch is de essentie van Mens of niet al aangeroerd: de roman opent in poëtische sfeer met de herontmoeting van partizaan N-2 en Berta in een winter die de zachtste is sinds haar geboorte in 1908. En Selva, bewoonster van het huis waar N-2 en Berta elkaar treffen, heeft hem dan al één van de vragen gesteld waar het in deze roman om draait: ‘Jullie verbeelden je nogal wat. Jullie werken voor het geluk van de mensen, maar wat de mensen nodig hebben om gelukkig te zijn weet je niet. Kunnen jullie werken zonder zelf gelukkig te zijn?’. En verder in het gesprek: ‘Alles heeft alleen maar zin als de mensen er gelukkig door kunnen worden. Is dat niet de enige zin van de dingen?’
    Op pagina 78 is het weer Selva die het thema tegenover Berta aanroert. Sprekend over N-2 zegt ze: ‘Een man moet een vriendin hebben. En zeker als hij één van ons is. Hij moet gelukkig zijn. Hoe kan iemand weten wat de mensen nodig hebben als hij zelf niet gelukkig is? Daar vechten wij voor. Dat de mensen gelukkig zijn.’

    Het is 1944. N-2 is de tweede man van een partizaneneenheid genoemd naar de wijk Naviglio in Milaan. Zijn groep heeft juist een aanslag gepleegd die door de Duitsers en de in hun opdracht werkende fascistische brigade wordt vergolden.

    Elio Vittorini, de auteur van Mens of niet, schrijft uit eigen ervaring. Hij was aanvankelijk zelf fascist, maar toen hij zag wat er tijdens de Spaanse burgeroorlog gebeurde verliet hij die partij. In de oorlog zat hij korte tijd gevangen. Hij sloot zich aan bij de communisten en nam actief deel aan het Milanese verzet tegen de nazi’s en de volgelingen van Mussolini. Al vroeg in zijn leven had hij een grote literaire belangstelling, in het bijzonder voor moderne Amerikaanse schrijvers.
    Dat is te merken in Mens of niet. De lezer herkent elementen uit Vittorio’s eigen leven (de gevangenisstraf, de aanslagen, de stad Milaan), terwijl in de stijl en de filosofie van de roman echo’s zijn te vinden van vooral het werk van Hemingway.

    Allereerst die stijl. Die vergt van de lezer aanvankelijk overgave aan de staccato zinnen die als een repeterend geweervuur worden afgeschoten. Meer dan de helft van de roman bestaat uit kinderlijk ogende gesprekken vol herhalingen. Maar als je bereid bent er in op te gaan werken ze bedwelmend. Vittorini weet er een sfeer mee op te roepen waarin de filosofie die hij wil overbrengen de lezer des te meer aangrijpt.

    Daarbij komt de poëtische kracht van zijn verhaal, waarin hij op een magistrale manier vragen over liefde en de zin van verzet in elkaar vlecht. N-2 en Berta zijn tien jaar geleden verliefd geworden op elkaar, maar hij heeft steeds te belangrijke zaken aan zijn hoofd om zich eraan over te geven. Al die tien jaar lang hangt achter zijn kamerdeur een mantelpak van Berta, dat daar na de eerste ontmoeting is achtergebleven; het blijft hem spookachtig de vraag stellen wat hij eigenlijk met haar wil.

    En dan is er Milaan, de grotendeels in puin gegooide stad, met zijn dagelijkse aanslagen en vergeldingsacties. Niet voor niets gebruikt Vittorini zowel voor dit Milaan als voor de niet doorleefde liefde hetzelfde beeld. Herhaaldelijk noemt hij de stad een woestijn en als het spook van Berta’s mantel achter de deur hem aanstaart na een vrijpartij met een andere vrouw waarin het hem erom te doen was zijn mannelijkheid te bewijzen, lezen we: ‘Een man zonder vrouw, ík weet wat het betekent, in een vrouw geloven, een vrouw toebehoren, en haar toch niet hebben, jaren doorbrengen zelfs zonder dat je man bent bij een vrouw, en er dan een nemen die niet de jouwe is en ja, in een hotelkamer vind je dan, in plaats van de liefde, de woestijn van de liefde.’

    Vittorini stelt grote vragen over de zin van geweld, het verzet en menselijkheid. Hij kiest niet voor een feitelijke beschrijving van gruwelijkheden, maar maakt die voelbaar in de dialogen en de reacties van daders, slachtoffers en omstanders. De kilheid van de moordmachine dringt zich bijvoorbeeld op in een gesprek waarin een een SS-er aantoont dat de Duitsers altijd zullen winnen omdat ze elke vermoorde landgenoot vergelden door tien vijanden te doden: ‘Wij zijn met negentig miljoen Duitsers. Voor wij alle negentig miljoen dood zijn zouden we negenhonderd miljoen personen gedood moeten hebben. Zijn er negenhonderd miljoen personen op de wereld? Die zijn er niet. Duitsland kan niet sterven.’ Het helpt voor dat standpunt bovendien dat de SS ook voor elke moord op een Duitse hond een Italiaan vermoordt. Ook zo’n geval beschrijft Vittorini des te krachtiger door de pesterijen te beschrijven die voorafgaan aan de wraak op een oude man die een Duitse hond heeft neergestoken; hij wordt levend verscheurd door andere honden. Van die geweldsdaad zelf geeft Vittorini geen enkel detail, maar hij is o zo voelbaar.

    Ontroerend, beklemmend, diepzinnig en daardoor prachtig zijn de hoofdstukken volgend op een executie van Milanezen, waaronder kinderen, vrouwen en een oude man, als vergelding van de aanslag door de partizanen. Ook hier wordt niet de executie zelf beschreven, maar wat die doet met de overlevenden. Omstanders die van de plek waar de lijken liggen weglopen reageren op vragen van anderen met: ‘Ik heb niets bijzonders gezien’. Aan de partizanen dringt zich de vraag op waarom zij als plegers van de aanslag zijn blijven leven, terwijl hier onschuldige burgers liggen als vergelding. De kracht van de voortdurende herhaling maakt de waarom-vraag steeds urgenter, bijvoorbeeld als de partizanen naast een geëxecuteerd meisje de eveneens doodgeschoten verzetsman Foppa aantreffen:

    Hij was een vreedzaam man geweest, een eenvoudig man. Waarom was hij dood?

    Hij had ook níét kunnen gaan vechten: alleen van de film houden, en van de Chinezen. Maar hij had zich gedwongen gevoeld te gaan vechten, en hij was als het meisje dat van haar bed was gelicht en gefusilleerd. Hij was net zo. Niet minder onschuldig dan zij, en zijn dood was net als die van haar. Niet minder ongerechtvaardigd.

    (…) Alle doden zeiden dag. En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht.

    Niets in dat gezicht was nog open en goed; of standvastig en goed, scherpzinnig en goed, nadenkend en goed; zoals ook niets nog kinderlijk was of fout.

    Vittorini velt geen moreel oordeel. Er zijn geen goede en kwade mensen. Er is het kwaad. En dat kan in elk mens huizen:

    Ergens wordt er gekrenkt en dadelijk staan wij achter degene die gekrenkt wordt, en we zeggen dat hij de mens is. Bloed? Zie de mens. Tranen? Zie de mens.

    Maar hij die krenkte, wat is hij?

    Nooit overwegen we dat ook hij de mens zou zijn. Wat anders kan hij zijn? Werkelijk de wolf?

    Vandaag de dag zeggen we: het is het fascisme. Of het nazisme. Maar dat het het fascisme zou zijn, wat betekent dat dan? Ik zou het fascisme wel eens los van de mens willen zien. Wat zou dat dan zijn?  Wat zou het doen? Zou het kunnen doen wat het doet als de mogelijkheid het te doen niet bij de mens zou horen?

    Laat als lezer Mens of niet van Vittorini binnenkomen. Vouw het boek respectvol dicht. En laat de sporen ervan zijn werk doen.

    De roman werd in 1984 en in 1995 ook al in het Nederlands vertaald. Hij kreeg lovende kritieken, maar vond nauwelijks zijn weg onder lezers. Het is goed dat Uitgeverij Schokland de lezer nu een nieuwe kans geeft.

    Mens of niet moet gelezen worden.

     

    Mens of niet

    Auteur: Elio Vittorini
    Vertaald door: Anthonie Kee
    Aantal pagina’s: 196
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland (2013, 3e druk)
    Prijs: € 23,90

     

     

  • Een kleine aanvulling op de biografie van weleer

    Een kleine aanvulling op de biografie van weleer

    In 2000 verscheen bij uitgeverij De Prom, een biografie over A.Roland Holst (1888-1976) van Jan van der Vegt. Deze biografie werd door sommigen gezien als een ‘biographie scandaleuse’ over de ‘Prins der dichters.’
    Van der Vegt schetste een aantal erotische avonturen en doordat hij ze nu eens op een rij zette leek het alsof Holst weinig anders deed dan rokkenjagen. Aan de andere kant was de biografie zeer onderhoudend over veel andere zaken. Maar dat merkten de recensenten nauwelijks.

    In de Prominent-reeks van uitgeverij Tiem verschijnt nu een kleine aanvulling van dezelfde Jan van der Vegt op de biografie van weleer. Hij levert een kleine biografische schets af maar wat veel interessanter is:
    Dit maal zet hij Holsts gedachtegoed neer en dat is geen sinecure. Holst, die zich aanvankelijk opstelde als een dandy à la Oscar Wilde,  later zelfs als een mysticus op zoek naar verloren landen, waar de oude barden en skaldenzangers verwijlden om plotseling te landen in de 20e eeuw als een depressieve pessimist. Hij begeleidde Slauerhoff op het sterfbed, ook een reiziger in twee werelden.

    Blijft een mens aan zichzelf trouw? Wat zijn de dimensies van het bestaan en op welke scheidslijnen bevindt een persoon zich? Het waren levensvragen waar Holst zich mee bezig hield. En die hij probeerde te verwoorden in zijn gedichtencyclus Een winter aan zee. De zee, sowieso een bondgenoot in het werk van Holst, maar ook een fenomeen dat geeft en neemt. Dat, met andere woorden de vergankelijkheid symboliseert. Toen Holst optrad op 28 februari 1966 tijdens de memorabele manifestatie ‘Poëzie in Carré’ georganiseerd door Simon Vinkenoog, was hij eigenlijk al een buitenstaander. Met zijn 78 jaren was Holst de oudste dichter, die acte de présence gaf. Hij opende met te zeggen: ‘Ik ben niet alleen hopeloos ouderwets, maar ook nog eens hees!’ Om vervolgens het meesterwerk Eens voor te lezen:

    Eens

    Eens zullen allen die
    tussen ons kwamen,
    zijn weggevallen-wie
    weet nog hun namen…

    Eens zal de vete zijn
    bijgelegd
    en zal vergeten zijn
    ons bitter tweegevecht.

    Eens zal het weer regenen
    stil, zoals toen aan zee-
    Kom mij dan tegen
    en ga met me mee.

    Hiermee oogstte hij een daverend applaus. Hijzelf beschouwde zijn dichtwerk als ouderwets, maar de wereld, in het gewricht van de Vijftigers gedoopt, was hem niet vergeten. Een dichter op de scheidslijn. Van der Vegt schetst ook in beheerste woorden de depressies die Holst af en toe had. Toen de wildernis om zijn huisje in Bergen werd gekortwiekt raakte hij zelfs in paniek. Het licht in zijn huisje was niet meer hetzelfde! In het bejaardentehuis nam zijn gezondheid af. Hij flirtte nog met oude dames, die hij zijn ‘burinnen’ noemde, ontving jonge dames en er werd een school naar hem vernoemd. De drank werd zijn onafscheidelijke metgezel en een latere foto toonde hem met zijn rug naar de zee alsof hij ook van deze vriend en bondgenoot al afscheid had genomen. Bij Van Oorschot (door Holst: Voorschot, genoemd) zou de bundel Voorlopig verschijnen. Toen Geert van Oorschot vroeg waarom deze bundel zo zou moeten gaan heten antwoordde Holst: ‘Omdat het voorlopig mijn laatste bundel is.’ Op 2 augustus 1976 noteert hij op een envelop zijn laatste versregel: ‘Klaarwakker lag hij te wachten op de dood’. Vier dagen later is hij gestorven. Aan zijn graf werd het gedicht De kleine waterplek voorgelezen.

    De kleine waterplek

    Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
    -omdat zij sterk verschijnt- wel mijn heel leven
    de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
    ik hier de wereld kan weerstreven
    bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
    het wezen van den grote dood ontdek
    bij de kleine waterplek,
    die zo stil de wilde avondval weerkaatste.
    Een mooi deel in de Prominent-reeks. Vaardig geschreven door Jan van der Vegt, fraai gecomplementeerd met veel gedichten. Van der Vegt  onderscheidde zich eerder al door fraai biografiewerk over Andreus, Hendrik de Vries en Jan G.Elburg. Bovendien bezorgde hij  de gedichten van Holst.

    Men leze!

     

    A.Roland Holst, een dichter aan zee

    Auteur: Jan van der Vegt
    Verschenen bij: uitgeverij Tiem
    Aantal pagina’s: 116
    Prijs: € 14,95

     

     

  • Een politiek pamflet is geen roman 

    Een politiek pamflet is geen roman 

    Recensie door Aarti Rampadarath 

    Nadine Gordimer (Zuid-Afrika, 1923) won de Nobelprijs voor de Literatuur in 1991. Zij is de auteur van een omvangrijk oeuvre. Een tijd als nooit tevoren is haar meest recente roman.

    Steve Reed is een blanke, halfjoodse man. Jabulile (Jabu) Gemede is een zwarte vrouw, een Zoeloe. Hun relatie begint als verboden liefde en ze moeten naar een buurland om te kunnen trouwen. Na de afschaffing van de Apartheid is van alles mogelijk wat eerst niet kon: het is een tijd als nooit tevoren. Toch blijkt er een gapend gat tussen droom en daad.

    Het dagelijkse leven in het huidige Zuid-Afrika blijft een mijnenveld en iedereen moet constant politieke standpunten herijken. Tegen deze achtergrond wordt het huwelijk van een veelbelovend jong stel beschreven. Hun twee kinderen, een dochter (Sindiswa) en een zoon (Gary Elias), zijn de generatie van de toekomst. Maar zowel voor het ‘droompaar’ als hun kinderen is de werkelijkheid weerbarstiger dan het ideaal. Zo voelt zoon Gary zich prettiger in de zwarte wereld, bij ‘echte’ Afrikanen.

    De laatste roman van Gordimer is een lijvig werk dat op actuele wijze het Zuid-Afrika van vandaag aan ons laat zien. Wat politieke observaties betreft, is het boek feilloos up-to-date. En dat is dan ook alles. Het boek is onleesbaar als het gaat om een goed verhaal. De personages komen niet tot leven, het lijken karikaturen, of nog erger, figuren van bordkarton. Dat is ondanks de treffende observaties die de verteller doet: Jabu en Steve (zwart en blank) zijn voor deze verteller beiden even bekend. Die weet alles over hun werelden. Maar toch blijken zij niet meer dan een kapstok voor alle gedachten van de auteur, die helaas te aanwezig is.

    De altwetende verteller bestookt de lezer tot vervelens toe met een overvloed aan meningen en het verhaal zelf heeft geen schijn van kans. Het enige moment dat een echt verhaal het lijkt over te nemen, is als Steve uit zijn rol valt en een keer niet de held is. Ook het blinde vertrouwen van Jabu in haar vader (Elias Siphiwe Gumede) getuigt van weinig mensenkennis. Het pleit voor de roman dat Steve en Jabu pieken en dalen kennen in hun huwelijk; dat Steve de idealen van het verzet en zijn kameraden van vroeger verraadt als hij toch emigratie overweegt en zodoende Afrika in de steek laat. Maar hij kan niet anders. Het nieuwe Zuid-Afrika is volgens hem en iedereen om hem heen velen malen erger dan het oude.

    Steve en Jabu zijn maar mensen en hebben hun fouten. Alleen worden zijzelf vrijwel nergens levensecht. Ze blijven even vlak als de bijfiguren. Jammer, het had wat aansprekender mogen zijn. Het is een opgave om deze honderden bladzijden aan overdaad te lezen.

     

    Een tijd als nooit tevoren

    Auteur: Nadine Gordimer
    Vertaald door: Eugène Dabekaussen en Tilly Maters
    Verschenen bij: De Geus / Oxfam Novib (2013)
    Aantal pagina’s: 473
    Prijs: € 22,95 (hardcover)

  • Nieuwsgierige mecenas in het land van de wajang

    Nieuwsgierige mecenas in het land van de wajang

    Recensie door Rein Swart

    De omslag van Schaduw van schijn licht een tipje van de sluier op over de inhoud van het boek. Het gaat om de nauwe band van de schrijver Barney Agerbeek met Rotterdam en Jakarta, dat in de koloniale tijd Batavia heette. Barney werd in Nederlands-Indië geboren.  Het gezin kwam na de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd naar Nederland. Terwijl anderen de wijk namen naar warmere oorden als Californië of Zuid-Afrika, bleef het gezin Agerbeek in een armoedige Rotterdamse wijk hangen. Barney zegt zelf dat hij niet naar de Verenigde Staten wilde omdat hij akelige berichten had gehoord over de elektrische stoel die daar in gebruik was.

    Barney was de oudste van de drie kinderen en had moeite te wennen in de Nederlandse samenleving. Hij was niet bang, maar sloeg van zich af, net als zijn vader die een keer op school kwam en de onderwijzer bedreigde omdat hij zijn zoon mishandeld had. Over de verdere ontwikkeling van Barney horen we niet, maar uit de verhalen valt op te maken dat hij opklom tot bankdirecteur en in die hoedanigheid contacten legde met de Suharto-clan in Jakarta. Hij woonde met zijn eigen gezin vier jaar als expat in Jogjakarta, waar hij opgroeide.

    Veel van de autobiografische verhalen spelen zich tijdens die periode af, maar Agerbeek begint met De wormen krijgen mij niet, misschien wel het mooiste verhaal. Het gaat over ene Vaandrager uit Rotterdam, die bij de bank aanklopt voor een lening omdat hij een hotel wil beginnen. De selfmade man die alles met eigen handen kan, wordt op de eerste pagina fraai getypeerd:

    ‘De man was lang en pezig, zag er voor zijn dertig jaar wat ouwelijk uit en keek ernstig. Zijn bovenlichaam helde iets naar voren, waardoor het leek of hij voortdurend iets onder handen ging nemen. Hij wilde een lening en vertolkte uit voorzorg de zelfgekozen rol van daadkrachtige en bedachtzame ondernemer, zoals hij zich althans zo’n karakter voorstelde. Zijn toneelstukje steunde op vormelijk taalgebruik en afstandelijke beleefdheid, maar was niet erg overtuigend, omdat hij stadsidioom sprak en iets overdreef.’

    Agerbeek verstrekt de lening maar met Vaandrager loopt het slecht af. Hij krijgt kanker en gaat dood. Hetgeen leidt tot de volgende verzuchting van de verteller aan het eind van het verhaal: ‘Had ik maar met de vuist op tafel geslagen om hem te dwingen naar het ziekenhuis te gaan. (…) En ik had hem duidelijk moeten maken dat je kankercellen niet even tussendoor met ‘eigen handen’ kunt verslaan. De wormen zouden zich kapot lachen.’

    Het volgende verhaal Uiterlijk bewogen is de langste uit de bundel en gaat over een bezoek aan een nonnenklooster in Wallonië. Daar vindt de schrijver de rust om zijn vader, zijn moeder en zijn katholieke jeugd in de jaren vijftig in Nederland te portretteren. Het vormt een mooie achtergrond voor de overige verhalen, die anekdotes bevatten over de tijd dat de schrijver in Indonesië woonde. Erotiek boeit hem. Hij werd op een zakenreis eens bijna verleid en heeft het graag over collega’s die het met de zeden niet zo nauw namen. Agerbeek is een nieuwsgierig mens. Hij krabt als het ware aan de korst van de samenleving om van alles te weten komen over de culturele veranderingen in de loop der jaren. Dat valt nog niet mee, omdat Indonesiërs een gesloten karakter hebben. Men moet tussen de regels doorlezen om hun bedoelingen aan de weet te komen. ‘Dit is het land van de wajang, van het schimmenspel.’ De titel van het boek zinspeelt daar ook op.

    Agerbeek speelt graag de mecenas in de kunstenwereld. In het laatste verhaal Scratching the surface reist hij samen met een bevriende kunstenaar uit Utrecht naar diens vrouw Ninik en hun dochters. De man woont niet met hen samen maar bezoekt hen af en toe in Jogjakarta. Op het strand praat Agerbeek met Ninik over haar vrijgevochten dochters en vraagt haar of ze geen andere man wil. Als hij een beeldschone jonge vrouw langs de branding ziet lopen die zeewier verzamelt, stapt hij samen met Ninik op haar af. Hij zou wel meer willen dan een interview en geeft haar tenslotte een fooi, maar niet zo groot dat haar man verdenking kan krijgen. Als hij weer naast Ninik op de rotsen ligt, vraagt hij zich af wat hij haar voor Ninik voelt: vertrouwelijkheid, genegenheid of verwantschap. Hij weet niet wat zij wil of wat hij wil.

    Misschien had Agerbeek, dieper op zijn twijfel  kunnen ingaan. De verhalen zijn onderhoudend, de toon is openhartig maar de zelfontleding had scherper gekund. Door te krabben aan zijn eigen korst had Agerbeek meer van zijn innerlijk, en daarmee wellicht ook de schaduw van schijn blootgelegd.


    Schaduw van schijn

    Auteur: Barney Agerbeek
    Verschenen bij : Uitgeverij In de Knipscheer
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 19,50

  • ‘Brilletje op de neus, herfst in de ziel’

    ‘Brilletje op de neus, herfst in de ziel’

    ‘Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’ Of: ‘Er leefde eens een boerenvrouw en zij heette Ksenija. Ze had zware borsten, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n soort vrouw was het. Die zou iets voor ons zijn!’ Wie de eerste zin de beste vindt, zal gerechtigheid zien in het feit dat voor het eerst alle verhalen van Babel door Froukje Slofstra zijn vertaald. Zij heeft dit  met behoud van de knispering van het origineel gedaan. Froukje Slofstra is de vertaalster van de eerste zin – de tweede was van wijlen Charles B. Timmer – en is o.a. winnares van de Aleida Schot-prijs voor vertalingen 2007. Onder de titel De Rode ruiterij zijn de verhalen van Babel in dundruk verschenen in de Russische Bibliotheek bij uitgeverij Van Oorschot.

    Toen De Rode ruiterij in 1926 verscheen, was Isaak Babel (1894-1940) op slag beroemd zowel binnen als buiten Rusland. De formalisten droegen hem op handen met literatuurcriticus Viktor Sjklovski voorop. Die wist namelijk wat er ontbrak aan de literatuur van zijn land: ‘De Russische literatuur is grijs als een sijsje, ze heeft een frambozenrode rijbroek nodig en hemelsblauwe leren laarzen’. Welnu, Babel leverde die frambozenrode rijbroek met bijpassende hemelsblauwe leren laarzen op maat! Met zijn zuidelijke temperament en zijn bravoure vloeide er weer warm bloed door de letteren. Zijn bondige, vitale stijl, zijn laconieke toon met verholen ironie en zijn exuberante metaforen lieten de zon weer schijnen. Stilistisch dan, want de inhoud van zijn verhalen over de verschrikkingen van de oorlog loog er niet om.

    De Rode ruiterij gaat over het verkrachten, moorden en brandstichten door het rode leger als betrof het een volledig uit de hand gelopen studentenfeest. Wraak en sadisme vieren hoogtij. Zo ziet een oud-landarbeider, nu de rollen zijn omgedraaid, zijn kans schoon zijn vroegere heer genadeloos af te rossen: ‘Ik schopte hem een uur lang, of langer nog, en in die tijd heb ik het leven ten volle leren kennen. Met een schot, zeg ik zo, ontdoe je je alleen maar van een mens, een schot is genade voor hem, en een grove nalatigheid ten opzichte van jezelf, met een schot kom je niet bij de ziel, waar die is bij een mens en hoe hij eruitziet. Maar er zijn gevallen, dat ik mezelf niet ontzie, dat ik een vijand een uur lang schop, of langer nog; ik wil het leven leren kennen, het leven zoals het is…’

    In de verhalen duikt vaak een alter ego van Babel op: het bebrilde type dat als buitenstaander getuige moet zijn van de gruwelijkheden. De ik-verteller kent daarnaast ook zijn eigen tragiek: de jood die geaccepteerd wil worden door zijn onbehouwen, viriele wapenbroeders. Zo’n intellectueeltje moest op z’n tellen passen, omdat hij ‘een brilletje op de neus heeft en de herfst in zijn ziel draagt’.

    In het verhaal Mijn eerste gans wordt hij met zijn regiment kozakken ergens ingekwartierd in afwachting van verdere bevelen van de commandant, wiens aanblik de schriele ik-verteller jaloers maakt ‘op zijn stalen, bloeiende jeugd’ en ‘de schoonheid van zijn gigantische lichaam (…). Hij rook naar parfum en de weeë koelte van zeep. Zijn lange benen leken op meisjes, tot hun schouders in glimmende rijlaarzen geklonken.’ Vanzelfsprekend ondertekent zo’n commandant zijn bevelen met een zwierige krul. Wanneer de commandant hem vraagt of hij kan lezen en schrijven, luidt het antwoord bevestigend, meer nog: hij is promovendus in de rechten aan de universiteit van Sint-Petersburg. Haha, hoon is zijn deel! ‘’Moederskindje’, riep [de commandant] lachend uit, ‘met een bril op zijn neus. Wat een minkukel! Ze sturen jullie ongevraagd, maar met zo’n bril ga je eraan hier.’’ Eenmaal ingekwartierd krijgt de verteller te horen: ‘Altijd gedoe over brillen bij ons, niet te stuiten. Een hoogstaand man wordt afgemaakt hier. Maar rand je een dame aan, de meest smetteloze dame, dan ben je de held bij de soldaten.’

    Babel mag dan een zekere fascinatie voor wreedheden aan de dag leggen (reeds in het allereerste verhaal uit 1913 knoopt een oude man zich op), zijn mededogen ligt onmiskenbaar bij de kleine man, die de wrede en chaotische buitenwereld het liefst daar had gehouden waar die hoort, namelijk buiten de deur. Maar ja, het publiek maken van zoveel geweld en terreur begaan door de legers die de heilsleer van de klasseloze maatschappij moesten brengen, was tegen het zere been van de Sovjetautoriteiten.

    Zijn focus op geweld van de rode garde in zijn oorlogsverhalen en het ontbreken van een socialistische strekking werden hem niet in dank afgenomen. Er werd een lastercampagne gestart waarin hij werd afgeschilderd als een ‘Hebreeuswe erotomaan’ die de revolutie zou hebben besmeurd. Maxim Gorki, de wegbereider van het sociaal-realisme hield Babel de hand boven het hoofd, maar hij moest wel beterschap beloven en verhalen over de landbouwcollectivisatie gaan schrijven. Maar daar bracht hij, gelukkig voor ons, weinig van terecht. De tragiek van het menselijke lot tot uitdrukking komend in het streven eraan te ontkomen, lag hem nader aan het hart dan de partijpolitieke agenda van de revolutie. Daarbij nam hij de literatuur te serieus om er de politieke zaak mee te dienen.

    Zijn oeuvre is niet omvangrijk maar na De rode ruiterij laten de verhalen steeds de grote stilist in Babel zien. Maarten ’t Hart heeft ooit over Babel beweerd: ‘Telkens moet je de tanden op elkaar klemmen, want datgene wat Babel met zijn ongeëvenaarde beheersing van het métier ons voor ogen tovert, is zo verschrikkelijk, juist omdat het allemaal laconiek wordt verteld als gold het het verslag van een bijeenkomst van duivenmelkers.’

    Los van het feit dat de oorlogsverhalen niet van subtiele humor zijn gespeend, toont Babel zich wat dat betreft een waardig opvolger van Gogol. De Verhalen uit Odessa toonden al een neiging tot het groteske in de tekening van de maffiakoningen uit de getto’s. Babels gevoel voor het komische gaat helemaal los in In het souterrain. Dat inzet met: ‘Ik was een leugenachtige jongen. Dat kwam van het lezen.’ Al dat lezen hield de jongen van het echte leven weg. Dan komt Mark Borgman, beste leerling van de klas en zoon van een bankdirecteur, in het vizier, omdat hij gebogen zit over een boek van Spinoza waarover hij zijn klasgenoten onderhoudt. De twee sluiten vriendschap en de verteller is helemaal beduusd als hij bij de rijke familie over de vloer komt: ‘Mijn  twaalfjarige hart zwol van de vreugde en de lichtheid van andermans rijkdom. (…) Ik had niets om tegenover die eindeloze weelde te stellen.’

    Hoe de verteller met zijn steeds luider gedeclameerde Shakespearezinnen het kabaal en de dronkenmanspraat van zijn oom en diens metgezel tracht te overstemmen en zijn eigen onrust te overschreeuwen, is onvergetelijk. Het gevloek en getier zijn niet van de lucht. ‘Mijn eigen doodsnood versmolt met de reeds voltrokken dood van Ceasar.’ De regie van het gebeuren ontglipt hem. ‘De kleine Borgman stond op van zijn stoel. Hij keek bleek om zich heen. De finesses van de Jiddische godslasteringen ontgingen hem, maar de Russische vloeken, die [de oom] evenmin schuwde, kende hij. De bankierszoon verfrommelde zijn pet in zijn hand.’ Als de weggestuurde opa ook nog op dit lawaai afkomt is de chaos compleet en maakt Mark zich uit de voeten. ‘’Niets aan de hand’, mompelde hij, terwijl hij de vrijheid tegemoet vloog, ‘echt, niks aan de hand…’ Zijn schooluniform en zijn pet met de opstaande rand flitsten over de binnenplaats’. Dat de wereld van de verteller daarmee is ingestort behoeft geen betoog.

    Dat de wereld van de schrijver Babel zelf op instorten stond, stond toen al in de sterren geschreven. Na 1926 ging de officiële kritiek zich van hem distantiëren. Zijn vele reizen naar het buitenbeeld waar zijn eerste en tweede vrouw zich ophielden, zijn falen te voldoen aan de sociale opdracht die schrijvers was opgelegd en zijn kritiek op de mores van het Stalinistische regime werden hem hard aangerekend. Babel kreeg het moeilijk. Er brak een periode van zwijgen aan. In 1934 betitelde hij zichzelf ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’. Zo Babel de kracht van zijn eigen talent heeft voorvoeld in een verhaal uit 1916: ‘Als je erover nadenkt, valt dan niet op dat er in de Russische literatuur nog geen echte, vreugdevolle, heldere beschrijving van de zon voorkomt? (…) Mensen voelen dat het tijd is voor nieuw bloed.

    Ze krijgen het benauwd. De literaire Messias, op wie ze al zo lang en vergeefs wachten, zal daarvandaan komen: uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee’, zo zou men kunnen menen dat hij zijn eigen tragische levenseinde peilde in het slot van het verhaal Guy de Maupassant. Nadat hij gelezen heeft onder welke miserabele omstandigheden deze Franse auteur op tweeënveertigjarige leeftijd in een gekkenhuis is gestorven, staat er: ‘De mist reikte nu tot aan mijn raam en verborg het universum. Mijn hart kromp samen. Een voorbode van de waarheid beroerde me.’ In mei 1939 werd Babel gearresteerd door de geheime politie. Zijn manuscripten werden in beslag genomen. Na ondervragingen en folteringen werd hij in de nacht van vrijdag op zaterdag 27 januari 1940 geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf gedumpt. Als het niet zo godgeklaagd oneerbiedig klonk, zou men kunnen zeggen: gelukkig hebben we zijn verhalen nog.

     

  • Literair tijdschrift Nynade vernieuwd

    Nynade bestaat sinds 2007 en verschijnt drie keer per jaar. Opmerkelijk is de verandering van vorm en inhoud bij deze 20ste editie. Wat je voorheen van Nynade bijbleef was vooral de kleurrijke omslag. De inhoud echter gaf vaak de indruk dat de redactie alles plaatste dat er binnenkwam, zonder kwaliteit te onderscheiden. Waar het onderschrift van Nynade eerder Kunst & Letteren was, is het nu Letteren & Kunst. Een niet onbelangrijke omkering van het aandachtspunt. Nynade bewoog zich langs de randen van de kunst en literatuur, nu is het meer de literatuur die de boventoon voert. In deze editie het Schrijverschap als onderwerp. Een voor de hand liggend thema maar het resultaat levert mooie bijdragen op van auteurs die hun persoonlijk schrijverschap of dat van een collega auteur beschouwen.

    Een van die bijdragen is van Marte Kaan. Het uitermate boeiend en vlot geschreven essay Een leven lang sterven brengt je via de beschrijving dat haar dochtertje van twee haar bijna deed stikken in haar slaap door haar handje op haar mond en neus te leggen, naar het gemoed van de Griekse dichteres Kiki Dimoula wat tot mooie uitspraken leidt: ‘Fictie schrijven betekent ruimte zoeken tussen de schaamte’. En eindigt met een klassieker uit de literatuur over Gestalttherapie van Arnold Beisser die tot de conclusie leidt dat schrijven een middelpuntvliedende kracht is en er aan de dood niet te ontkomen is. Een essay over hoe te schrijven over tegenstellende emoties zoals ‘doodsangst en liefde’.

    De auteurs Ingmar Heytze, Nelleke Zandwijk, Janneke Hokwerda en Thomas Verbogt geven ieder in een bijdrage weer wat debuteren voor hen betekend heeft. Voor de een was het een toetreden tot de wereld van de literatuur (Verbogt) voor de ander een last want het tweede boek wil maar niet komen en dan maar liever die debutant blijven van dat ene boek (Holwerda). Een debuut kan later ook als een ‘jeugdzonde’ worden beschouwd (Heytze) of het debuteren wordt je van verschillende kanten toegeschoven (Zandwijk).

    Mieke Opstaele schreef met kennis van zaken over het Schrijverschap in de romans van Atte Jongstra. Door verschillende werken van Jongstra te bespreken toont zij aan dat hij bij uitstek een schrijver is die volledig opgaat in zijn werk. Wie zijn oeuvre kent weet wat hiermee wordt bedoeld. Leest als een goed onderbouwd ‘open boekje’ over Jongstra.

    Meer bijdragen van onder andere Ezra de Haan, Barney Agerbeek, Pim Verhulst en Emily Kocken (op punt van debuteren). Gedichten van Maarten van der Graaff, Arjen Duiker, Ingmar Heytze, Peter Smink, Brigitte Spiegeler en in vertaling van Anneli Meijer Liefdesgedichten voor Marie Angevine van Pierre de Ronsard (1524-1585).

    Nynade wil ‘nieuwe geluiden laten klinken’ en kiest ervoor ook die geluiden te laten horen die ‘hakkelend of vals’ zijn. Waarmee de lading, dat niet alle stukken even goed zijn, gedekt is. Maar het is een nieuw begin, deze 20ste editie die met verschillende bijdragen tot verder lezen uitnodigt. Merkbaar is echter dat Nynade onder een steviger redactie vaart  dan voorheen. Al zijn dan niet alle bijdragen van eenzelfde kwaliteit; Nynade kan zich met recht een ‘literair tijdschrift’ noemen waarbij het uiterlijk ondergeschikt is aan de inhoud. Overigens misstaat het een literair blad niet enige informatie over zijn auteurs te verstrekken dat tegelijk tot aanbeveling van die auteurs kan leiden.

     

    Nynade
    Blz.: 99

    3 nummers per jaar
    Prijs: 26 euro per jaargang
    Losse nummers: 10 euro
    Te bestellen via de site van Nynade.

  • Inleiding tot de duurste orgie uit de geschiedenis

    Inleiding tot de duurste orgie uit de geschiedenis

    The Jazz Age worden ze genoemd, de jaren die volgden op de Eerste Wereldoorlog en die duurden tot 1929. Toen brak met de beurskrach van 24 oktober de grootste economische crisis van de moderne geschiedenis uit. Twee jaar daarna blikte Scott Fitzgerald in een prachtig essay terug op die jaren. Echo’s van de Jazz Age heet het. Het is samen met zijn eerste novelle Een dag in mei en een ander essay, Mijn verdwenen stad uit 1932, opgenomen in een Nederlandse vertaling die vorige maand uitkwam in de serie Moderne Klassiekers van Uitgeverij Karaat.
    De novelle verschijnt net nu in de bioscopen een nieuwe verfilming van The Great Gatsby draait, naar dé succesroman van Fitzgerald. Ook die speelt in de troebele jaren kort na de Eerste Wereldoorlog met de veteraan Gatsby in de hoofdrol.

    ‘Veel mensen beginnen spontaan te kokhalzen’ als ze aan die jaren terugdenken, tekent Fitzgerald in 1931 in zijn Echo’s op, ‘maar schrijver dezes kijkt er al met nostalgie op terug’. De Jazz Age viel dan ook samen met het succes van zijn schrijversschap. In 1917 had hij dienst genomen in het leger toen de VS troepen naar Europa stuurden om daar in te grijpen in de Eerste Wereldoorlog. Maar voor het Fitzgeralds beurt was, was de vrede getekend. Hij hoefde niet meer in actie te komen en zag zijn voormalige maten die wel uitgezonden waren terugkeren met onder andere de vraag voor welke vrijheid ze eigenlijk gevochten hadden. Tegelijk keken ze met een begerig oog naar de welvaart die in Amerika mogelijk was en die tot nu toe buiten hun bereik was gebleven. Met hen groeide een generatie op die totaal niet in politiek was geïnteresseerd. ‘We waren het machtigste land. Wie kon ons nog vertellen wat modieus en wat amusement was?’, poneert Fitzgerald in Echo’s. Alles veranderde in snel tempo en in het kielzog van de jongeren gaven de ouderen zich over aan de vrijheid om te genieten van dans en jazz, seks en drank. Dat laatste illegaal, want in Amerika gold de Drooglegging, een verbod op alcohol. Het leven was ‘als de wedstrijd in Alice in Wonderland, er was een prijs voor iedereen’. Maar toen kwam de krach van 1929: ‘Iemand had het verknald en de duurste orgie uit de geschiedenis was voorbij (…) omdat zijn voornaamste kenmerk, het grenzeloze vertrouwen, een enorme klap kreeg toegedeeld’.

    Het was ook een klap voor Fitzgeralds schrijversschap. Dat was zozeer verbonden met de Jazz Age, dat ook dat zo goed als eindigde. Hij schreef alleen nog commerciële verhalen, filmscripts en een enkel essay.

    Een dag in mei ontstond aan het begin van de Jazz Age, in 1920. De auteur van het zeer informatieve nawoord, Luc de Rooy, noemt de novelle ‘venijniger, sarcastischer, tragischer’ dan zijn latere werk. En dat kan de lezer alleen maar beamen.
    We volgen in kort bestek (de novelle telt amper 90 pagina’s) de woelige gebeurtenissen in New York op 1 mei 1919, de eerste keer sinds de oorlog dat er weer een Dag van de Arbeid werd gevierd. Er breken rellen uit, die de opmaat zouden worden voor de ‘roaring twenties’.
    Voor die rellen baseerde de auteur zich op een werkelijke gebeurtenis, de ‘May Day Riots’ die op die dag plaats vonden in Cleveland. Daarin raakten soldaten en studenten slaags en trad de politie hard op. Fitzgerald zag ze als de ontlading van de oorlogstijd, die een uitweg zocht in onbegrensd feesten.

    In Een dag in mei volgen we zeven jongeren, studenten en soldaten, die met elkaar op de vuist gaan rond een campusfeest, het Gamma Psi-bal. Fitzgerald beschrijft de confrontatie door de ogen van die zeven personages die er ieder op een of andere manier in verzeild raken. Ze staan symbool voor de tegenstellingen in het sociale leven. De volgzame tegenover de losbandige, de arrivé tegenover de man in de goot en de socialist tegenover de patriot. In kernachtige karakteriseringen rijzen ze scherp voor je geestesoog op. Daaraan draagt bij dat het perspectief in de elf hoofdstukken van de novelle voortdurend verandert, waardoor we een al beschreven gebeurtenis even later vanuit heel andere ogen zien. De personages tuimelen lallend, zichzelf vergooiend, maar ogenschijnlijk genietend door het verhaal. ‘Ogenschijnlijk genietend’, want de tragiek en de leegte in hun leven zijn steeds voelbaar. Dat is de kracht van de novelle. Die wordt niet alleen bereikt door de compositie van het verhaal, maar ook door het taalgebruik en de compacte stijl. De absurditeit wordt ten top gevoerd als de personages Peter Himmel en Philip Dean de deurbordjes IN en OUT van restaurant Delmonico’s rukken en die voor hun borst hangen om zo de stad in te gaan. Om vervolgens in het Biltmore Hotel enkele van de andere personages elkaar te zien aanvliegen:

    Maar voor meneer In en meneer Out was deze gebeurtenis niet meer dan een bont, regenboogkleurig onderdeeltje van een gonzende, doordraaiende wereld.
    Ze hoorden luide stemmen; ze zagen de zwaarlijvige man springen; het beeld vervaagde plotseling.
    Toen waren ze in een lift die omhoogging.
    ‘Welke verdieping wenst u?’ zei de liftbediende.
    ‘Maakt niet uit’, zei meneer In.
    ‘De bovenste verdieping’, zei meneer Out.
    ‘Dit is de bovenste verdieping’, zei de liftbediende.
    ‘Dan moet je er nog een verdieping op laten zetten’, zei meneer Out.
    ‘Hoger’, zei meneer In.
    ‘De hemel’, zei meneer Out.

     

    Tien jaar na de uitbraak van de roes donderde Amerika in elkaar.

     

    Een dag in mei

    Auteur: F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Charles Bors en Mon Faber
    Verschenen bij: Uitgeverij Karaat (2013)
    Prijs: € 16,90

  • Het woord in steen

    Het woord in steen

    De Nederlandse auteur Bernlef (1937-2012) was geïntrigeerd door Albert Speer (1905-1981). Speer was vooral bekend als de architect van Adolf Hitler, maar naast architect was hij ook minister van Bewapening in Nazi-Duitsland. Deze ogenschijnlijk zo beschaafde man leek in niets op de nazi’s met wie hij omging. In 1980 publiceerde Bernlef De ruïnebouwer, dat hij omschreef als een poging om ‘het raadsel Speer’ op te lossen. Een jaar later stierf Speer en diverse boeken verschenen, gebaseerd op tot dan toe onbekende bronnen die een heel ander licht wierpen op de persoon achter de architect. Bernlef las deze boeken en paste zijn beeld van Speer aan. Hij besloot zijn roman te herzien. Deze uitgave, Albert Speer, de ruïnebouwer, verscheen postuum in 2013.

    Albert Speer, de ruïnebouwer bestaat uit 3 delen. In het eerste deel volgt de auteur samen met vriend S. het spoor van Albert Speer. Zij bezoeken onder andere Dachau. Het voormalige kamp bestaat alleen nog maar uit steen. Toepasselijk, aangezien Hitler zijn architect omschreef als ‘het woord in steen’. Bernlef wordt getroffen door de krankzinnigheid die Speers bouwwerken uitstralen. ‘De echte krankzinnigheid, met de daarbij passende methodiek, die ieder waansysteem eigen is, valt op één punt in het gebouw aan te wijzen. Een lasnaad, een breuk.’ Maar nog steeds is moeilijk vat te krijgen op de architect. ‘Wanneer je wilt begrijpen hoe een machine werkt, zul je die uit elkaar moeten halen.’  Dus dat is wat Bernlef besluit te doen, het systematisch ontleden van Albert Speer. Jarenlang blijft hij op zoek naar Speer en steeds weer bezoekt hij Duitsland. En ondertussen verkent hij de grenzen tussen journalistiek en schrijverschap.

    Het tweede deel van het boek is een aangepaste versie van de roman uit 1981. Het is een schouwspel, een toneelbeeld met scènes uit het veel bewogen leven van de architect. Centraal staat de vraag of Speer, die zich als mens zo gunstig onderscheidt van de andere nazi-misdadigers niet net zo schuldig of misschien nog wel schuldiger is dan de anderen. Immers, met zijn intellect moest hij de omvang van zijn daden kunnen overzien. Bernlef probeert de passies en gedachten van Speer te doorgronden. Kenmerkend voor Speer is dat hij altijd oog had voor de ‘ruïnewaarde’ van zijn bouwwerken. Hij ergerde zich eraan dat moderne gebouwen die in verval raken geen ruïnewaarde hebben. Ze verworden enkel tot puin. Daarom vond hij dat bij de bouw rekening gehouden moest worden met hoe de gebouwen er in de verre toekomst bij zouden staan.
    Mooi in dit deel is de discussie die Speer voert met Leni Riefenstahl, Hitlers fotografe en cineaste. Ook de vraag of hij nu wel of niet van de vernietigingskampen wist komt aan de orde, net als zijn belang voor Hitler-Duitsland. Door zijn organisatorische kwaliteiten wist hij een enorme efficiency te bereiken met zijn ministerie van Bewapening. Dit was een van de redenen dat de oorlog zo lang kon duren.

    Het derde deel van de roman heeft eigenlijk de vorm van twee essay’s. Bernlef blikt terug en noemt het tweede deel een ‘denkmodel: een manier om greep te krijgen op de mij steeds opnieuw ontglippende persoonlijkheid van Hitlers architect’. Hij vraagt zich af waarom hij Speer zelfs na zijn boek van ’81 niet kon vergeten en hij analyseert de nieuwe archiefbronnen die een nieuw licht werpen op Speer. Hij stelt zijn beeld bij en poneert dat Speer gedreven werd door een tomeloze ambitie.

    Of het Bernlef gelukt is een raak beeld van Speer te schetsen? Die vraag is niet te beantwoorden, maar zijn eigen conclusie luidt : ‘de waarheid heeft Albert Speer achterhaald’. Albert Speer, de ruÏnebouwer is een intrigerende roman over een intrigerende persoon.

     

    Albert Speer, de ruïnebouwer

    Auteur: Bernlef
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 18,95