Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Momenten van wraak, woede en (voorbije) liefde

    Momenten van wraak, woede en (voorbije) liefde

    Joan-Marc Miró-Puig, hoofdpersoon in Echtscheiding in de lucht, is een wat zware veertigjarige man van goede komaf. Zijn tweede vrouw heeft hem onlangs verlaten, hij zit in een financiële crisis en heeft net van de dokter te horen gekregen dat hij zich moet onthouden van allerlei koolhydraat-rijke producten die zijn leven nog iets draaglijk maakten. Joan-Marc probeert zijn problemen te boven te komen door op Facebook op zoek te gaan naar oude klasgenoten om de goede oude tijd te kunnen herbeleven. Pedro Maria, de enige die hem wil helpen, blijkt echter net zo’n hopeloos geval te zijn als hijzelf is en Joan-Marc gaat op zoek naar een andere manier om uit zijn depressie te komen.

    In plaats van naar een psychiater te gaan besluit Joan-Marc zijn lief en leed op papier te delen met nota bene zijn tweede vrouw. Vanuit zijn kleine appartement in Barcelona bekijkt hij de situatie waarin hij verkeert, en vertelt vol zelfmedelijden over de erbarmelijke staat waarin zij hem heeft achtergelaten. Eigenlijk is het niet eens haar schuld dat zijn leven zo slecht is. Hij wijt zijn geestelijke, lichamelijke en financiële achteruitgang aan zijn eerste vrouw.

    Zijn eerste vrouw, Helen, was een Amerikaanse die met een sportbeurs naar Spanje was gekomen. Ze leerden elkaar kennen op een feestje en hij nam haar mee naar een hotel. De seks was goed, haar beurs liep af en hij vroeg haar ten huwelijk. Niet snel daarna komt hij achter de ware aard van haar karakter. Ze is veeleisend, onrustig en raakt snel verveeld. Bovendien laat ze zich inpalmen door zijn zus, waardoor zij hem dwingt een huis te zoeken in Barcelona. Haar zoektocht naar een baan loopt op niets uit en ze stort zich op de alcohol. Tot overmaat van ramp trekt ze haar zelfwaarde omlaag door herinneringen op te halen aan haar vader, die nooit van haar heeft gehouden. Haar neerslachtigheid maakt Joan-Marc radeloos en hij stuurt haar het huis uit. Met het ticket dat hij voor haar gekocht heeft gaat ze echter niet naar Amerika zoals hij gehoopt had. Op een feestje brengt een gemeenschappelijke vriend hen weer samen om het bij te leggen. Maar een opmerking van Joan Marc valt totaal verkeerd bij Helen en wanneer hij haar de rug toekeert, steekt zij hem met een mes. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis, komt Helen langs en vraagt hem om een laatste kans. In een staat van verwarring gaat hij in op haar aanbod om naar een kuuroord te gaan en het uit te praten. Daar aangekomen begaat Joan- Marc al snel een enorme fout, waardoor zijn eerste huwelijk definitief mislukt.

    Echtscheiding in de lucht bespreekt het eerste huwelijk van Joan-Marc van begin tot eind en geeft bovendien aan wat de impact op een leven kan zijn wanneer een huwelijk slecht afloopt. Het is vooral de bitterheid en de verwarring waar Joan- Marc mee achterblijft. Hij spuugt zijn donkere gedachtes, pijnlijke herinneringen en rauwe gevoelens uit. Een gedachte over een bepaalde episode in zijn leven doet hem terugdenken aan een ander moment en zo wordt zijn verhaal een aaneenschakeling van sprongen door heden en verleden. Een verhaal zonder adempauzes, zonder hoofdstukken. Ellenlange alinea’s zonder komma’s of punten, die het lastig maken dit werk te lezen, maar des te meer bijdragen aan het effect van verwarring, radeloosheid, pijn, verdriet en woede. Joan-Marc is zich wel degelijk bewust van dit hink-stap-sprong verhaal en legt uit: En dus is dit niet een verslag van het heden, het is alleen een geschiedenis: mijn geschiedenis met Helen, mijn geschiedenis zonder jou’.

    Niets en niemand laat hij heel, hij is extreem openhartig en kent schaamte noch schande wanneer hij praat over de mensen die deel uitmaakten van zijn leven. Over Helen doet hij graag een boekje open: ‘Dat hele met siliconen volgestopte lijf (betaald door wie?) dat de hysterische en paranoïde stem van Helen omhulde, en mijn landschap van pillen, aangevreten sokken, siësta’s, sjaals en onvaste scheerbeurten beheerste’. Maar ook zijn zus wordt door de mangel gehaald: ‘Onder een bepaald soort licht kon je haar verwarren met een mens, dat geef ik toe, maar dat was een optisch effect, een trompe-l’oeil’.

    Al lijkt Echtscheiding in de lucht vanwege de thematiek een bittere pil, de Catalaanse auteur Gonzalo Torné weet de huwelijksproblematiek een zekere luchtige toon te geven. De manier waarop Torné Joan-Marc neerzet is fantastisch. Joan-Marc is een prachtig, vol karakter die door zijn acties en gedachten als een pathetisch persoon overkomt. De schuld voor zijn mislukte huwelijken legt hij bij anderen en hij ziet zichzelf vol medelijden als onschuldig. Hij geeft spottend commentaar op alles en iedereen, zelfs degenen die hem proberen te helpen, zoals Pedro María. Hoewel Joan-Marc zijn jeugdvriend ziet als een mislukkeling, is hij zelf niet veel meer. Dit zal hij echter nooit erkennen, want daar is Joan-Marc simpelweg nog te zelfvoldaan en te egocentrisch voor.

    Betiteld in Spanje als één van de beste boeken in 2013 is Echtscheiding in de lucht een werk om eens goed voor te gaan zitten. Wanneer je gewend bent aan de stijl en de structuur kun je genieten van mooie, diepe psychologische observaties aangevuld met interessante beschrijvingen over de werking van het lichaam en heerlijke momenten van wraak, woede maar ook van liefde.

     

    Echtscheiding in de lucht

    Auteur: Gonzalo Torné
    Vertaald door: Arie van der Wal
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas/Contact
    Aantal pagina’s:  384 pagina’s
    Prijs: € 24,99

  • Compilatie van eerder gepubliceerd werk

    Compilatie van eerder gepubliceerd werk

    ‘In Klein-Rome werd ons vanuit de biechtstoel krachtig aangeraden vooral veel te zwemmen en veel te fietsen, liefst zo vroeg mogelijk in de ochtend en overdag als de onkuise beelden en verlangens kwamen. Daardoor werd het wielrennen een bij uitstek katholieke sport.’

    Vlak voor de Tour de France van de zomer van 2015 komt bij uitgeverij Voetbal International in de serie Sportklassieker het boek Heldenlevens van Martin Ros uit. Het is een compilatie van eerder gepubliceerd werk van zijn hand uit 1987, nu in het voorwoord voorzien van een warme aanbeveling door de burgemeester van Utrecht in wiens stad dit jaar de Tour van start is gegaan. Marketingtechnisch dus niets aan de hand. Storend is wel het feit dat de uitgeverij kennelijk niet de moeite heeft genomen er nog even in corrigerende zin naar te kijken. Het boek wemelt van de slordigheden zoals: “Doorslag tot zijn uiteindelijke sympathie voor Koblet, door wiens tragische dood hij zich zeer geschokt zal worden, ……’ en: ‘Maar een beenbreuk,’ zegt Kübler, is mij meer waard dan de in zo’n stompzinnige tunnel.” Dit soort slordigheden getuigt van weinig liefde voor het boek en is een affront voor de lezer.

    Het boek is gebaseerd op twee pijlers; allerlei wetenswaardigheden omtrent toonaangevende wielrenners uit het verleden zoals de zesdaagse koning Gerrit Schulte en tourlegendes als Gino Bartali en Fausto Coppi, en de Roomse achtergrond van Martin Ros zelf. Alles beschreven in de geëxalteerde stijl, bekend van de radiopraatjes van Martin Ros en waarvan de titel Heldenlevens ons al een zeker vermoeden geeft. Bovengenoemd citaat geeft dit goed weer. Deze verwevenheid kan het boek ook een literaire dimensie geven op grond waarvan het de aandacht in deze rubriek verdient. Welnu, Martin Ros is zeker een vaardig verteller en hij weet de lezer bij tijd en wijle dan ook goed mee te nemen en als het ware te laten ruiken aan het benauwende ultramontaanse, verzuilde katholieke wereldje van Onze-Lieve-Vrouwe, paters en seminaries in de wijk Klein-Rome achter de Vituskerk in Hilversum. Hij slaagt er ook in zijn eigen Roomse verhaal in te bedden in die van zijn helden. Dit is zonder meer knap te noemen en maakt het boek ook alleszins lezenswaardig. Toch schuilt juist hierin ook de beperking. De geëxalteerde beschrijving van de heldendaden van zijn helden, maakt een echte inleving in zijn eigen verhaal moeilijk. Er blijft altijd een geromantiseerd scherm staan tussen de gevoelens van de echte Martin Ros, waarop hij de lezer wel een blik wil gunnen, gezien het gekozen thema van het boek, en de breedsprakige, weliswaar erudiete, maar veel te emotionele Martin Ros. Het boek mist juist drama omdat Martin Ros alles in veel te dramatische bewoordingen beschrijft.

    Toch vangt Ros in zijn boek wel iets van een tijdbeeld van vooral de jaren 50 en 60, de tijd waarin de radio nog een prominente rol speelde in de beeldvorming door de media en de doorbraak van de televisie, de tijd van het verzuilde Nederland en de hoogtijdagen van de Koude Oorlog waarin pater Henri de Greve in zijn wekelijks radiopraatje ‘Het Lichtbaken’ de communistische regering in Moskou kwalificeerde als het Vierde Beest. Voor wielerliefhebbers met een hang naar nostalgie en verheerlijking van het verleden biedt het boek volop leesplezier. Met literatuur heeft het echter weinig te maken.


     

  • Geen volk kan zonder verhalen

    Geen volk kan zonder verhalen

    Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas begint de epiloog in zijn boek Mohammed en het ontstaan van de islam als volgt: ‘Godsdienststichters komen nooit ‘uit het niets’ tevoorschijn. Ze zijn het product van hun omgeving en van hun tijd. Maar hun blik reikt verder’.

    Het is inderdaad wat dit boek zoveel boeiender maakt dan een levensbeschrijving van iemand die ideeën had waar hij anderen voor wist te winnen. Hulspas laat zien hoe de opkomst van de islam alles te maken had met de bewustmaking van een Arabische identiteit. En hoe die identiteit zijn basis vond in een herkomstmythe en geloof in een lotsbestemming. over zijn oorsprong.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hulspas zijn biografie van Mohammed begint met de politieke constellatie van de regio. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was er eigenlijk nog geen sprake van een Arabisch volk. Eeuwenlang was het gebied ten prooi aan een machtsstrijd tussen Perzen en Byzantijnen, die beurtelings Arabische stammen inschakelden om voor hen te vechten. Het was in de ogen van de strijdende partijen een gevecht tussen Goed en Kwaad, een zienswijze die zijn basis vond in de verschillende religies, het christendom van Byzantium en het zoroastrisme van Perzië. Dwars door deze tweestrijd liep bovendien het Joodse volk, waarvan de leden verspreid over de hele regio woonden.

    Arabië, voor zover daarvan sprake was, was niet meer dan een schiereiland (met onder andere Saoedi-Arabië en Jemen). Het allegaartje van stammen dat daar woonde werd gedwongen onderlinge verschillen voor lief te nemen en zich te verenigen, toen de tweestrijd van de grootmachten beslecht leek te worden in het voordeel van de Perzen. Dat was een schrikbeeld voor die stammen die vanouds meer sympathie hadden voor het christendom.

    Maar wat moest die Arabische stammen binden? Daarin speelde Mohammed een essentiële rol door zijn woonplaats Mekka, die in het handelsverkeer nauwelijks van betekenis was, en de daar aanwezige Kaäba, te verbinden met een religieuze oorsprong. In zijn visie stamden de Arabieren af van Abraham, net als de Joden en christenen. Maar die waren afgedwaald van het geloof van deze aartsvader. Dat gold ook voor de Arabieren zelf, doordat ze het oudste heiligdom van het Abrahamistische geloof, de Kaäba, ernstig hadden verwaarloosd. En zo kon Mohammed de nieuwe Profeet worden die waarschuwde voor de komende Eindtijd als de Perzen zouden winnen. Alleen een terugkeer naar het zuivere geloof van Abraham kon redding bieden. In het begin verzamelde Mohammed nog slechts een aanhang in kleine kring, vooral omdat zijn aanhangers (de Hoems) wel de afstamming van Abraham aanvaardden, maar moeilijk de verering van ‘de drie dochters’, de vrouwelijke bemiddelaars tussen God en de mens, konden loslaten; een verering die door Mohammed, als voorstander van een volmaakt monotheïsme, werd afgewezen. Het zou na 12 jaar de reden worden voor een verhuizing van de Profeet naar Medina, de plaats waar hij in 632 zou sterven.

    Wie het leven van Mohammed wil beschrijven kan zich nauwelijks op vaststaande feiten beroepen. Ook Hulspas stonden slechts de Koran en de traditie, dat wil zeggen de overgeleverde verhalen en gebruiken, ten dienste. Die verhalen zijn lang van mond tot mond gegaan voor ze werden opgetekend. De oudste bewaard gebleven verzameling ervan die een gestructureerde biografie van de Profeet biedt, is die van Mohammed ibn Ishaak (de Nederlandse vertaling, Het leven van Mohammed, verscheen bij Bulaaq en is nog altijd verkrijgbaar). Hulspas leunt zwaar op deze biografie, maar gaat er bijzonder kritisch mee om. Even gedegen en doorwrocht is zijn exegese van de Koran. Hij ontleedt de verzen tot op het bot en elke bewering van eerdere biografieën wordt zo minutieus tegen het licht gehouden dat de lezer alleen maar diep ontzag kan hebben voor de mate waarin Hulspas zich zijn onderwerp heeft eigen gemaakt. Een enkele keer dreigt zijn verhaal wat breed uit te waaieren als hij nuance op nuance stapelt bij alle mogelijke interpretaties of bewerkingen van een Koranvers of het belang dat iemand kan hebben gehad om elementen in een verhaal weg te laten of toe te voegen. Er zullen best lezers zijn die, bijvoorbeeld in hoofdstuk 17 ‘De oorlog tegen Mekka en de Joden’, bezwijken onder de vele zinswendingen als  ‘gesteld dat’, ‘mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘als dit echt gebeurd is’, ‘suggereert dat’, om dan aan het slot te lezen: ‘Kortom, de latere verhalen zijn niet te vertrouwen’.

    Maar wie bereid is alle voorbehouden voor lief te nemen heeft met Hulspas’ boek een heldere biografie van Mohammed en een goede handleiding voor de benadering van de Koran in handen. De auteur maakt tevens duidelijk wat dit heilige boek nu werkelijk zegt over zaken die in onze dagelijkse actualiteit vaak worden opgedist als de belofte dat martelaren voor het geloof een paradijs met maagden wacht en hoe het gesteld is met de vrouw in de islam.

    Bovendien is de toon van Hulspas altijd licht en verstaat hij zijn vak om wetenschap aan leken over te brengen. Hij vertelt de verhalen op een smeuïge manier in verrassend frisse taal. Maar ook zijn bespiegelingen zijn zo ingeleefd dat je meegenomen wordt in de tijd. Af en toe roepen ze zelfs een glimlach bij je op: ‘Humor is zeldzaam in de Koran (…) Maar hier en daar klinkt in de openbaringen de invloed door van beroepsvertellers, die hun luisteraars graag vermaakten met grappige verhalen. Zo kregen ze wellicht de lachers op hun hand met het uitbeelden van Mozes toen deze plotseling, bij het naderen van een wonderlijk brandende braambos, de stem van God hoorde.’

    En als hij beschrijft hoe tolerant de islam zich opstelt tegenover de plicht tot het verrichten van de ‘heilzame werken’ (het bidden, het geven van aalmoezen, de ramadan enzovoort) noemt Hulspas God ‘geen scherpslijper’.

    Mohammed en het ontstaan van de islam geeft een verhelderend zicht op de basis van een religie die het Arabische volk een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat kan leiden tot meer begrip. Dat ieder er zijn eigen interpretaties op na houdt, van moslimfundamentalisten aan de ene en islamofoben aan de andere kant, daar kan Hulspas natuurlijk weinig aan veranderen.

     

     

  • Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Je zal toch per ongeluk in een afgelegen hotel belanden, waar internet en een netwerk voor je mobiele telefoon ontbreken. Een ware nachtmerrie voor de moderne mens. Het overkomt Ariel Panek, de hoofdpersoon in DBC Pierre’s nieuwe roman Ontbijt met de Borgias. Hij raakt in het hotel aan de kust verzeild nadat zijn vlucht van Boston naar Amsterdam, vanwege dikke mist, in Londen is gestrand. Dezelfde dikke mist die het hotel omgordt als een nekkraag de hals van een automobilist die een whiplash heeft overgehouden aan een kettingbotsing.

    U stoort zich wellicht aan de potsierlijke beeldspraak in de vorige zin, maar dan bent u tenminste voorbereid. In Ontbijt met de Borgias zaait DBC Pierre groteske beeldspraken zoals een zwartepiet snoepgoed strooit in een kindercrèche. ‘Het hotel rook vaag naar lavendel op dode kool.’ Die geur is met enige moeite misschien nog voor te stellen. Misschien lukt het u ook nog bij het volgende beeld: ‘Een man als een broeierige valk onder de capuchon van zijn houtje-touwtjesjas.’ Maar voor ‘haar ogen fonkelden als gelei uit kraters van groen, omhoog speurend in een rookpluim’ zult u toch diep moeten gaan.

    ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ dichtte Martinus Nijhoff ooit en de lezer die deze roman ter hand neemt, doet er goed aan die aansporing ter harte te nemen. Neem de potsierlijkheid van zijn taal voor lief en grijp de uitgestoken hand van DBC Pierre. Laat u door hem leiden, door de mist en door de krochten van een gedateerd hotel waar vreemde kostgangers op u loeren. Als u het leesavontuur overleeft, wordt uiteindelijk wel duidelijk waarom de schrijver zich van die bijzondere taal heeft bediend. Of niet natuurlijk. Maar dan heeft u in ieder geval een spannende roman gelezen.

    Pierre heeft zijn boek geschreven voor de Hammer List, een literaire serie die horrorfilmproducent Hammer uitgeeft. Is het ook een griezelverhaal geworden? Nee. De roman bevat veel ingrediënten van enge films: de afgelegen locatie, verbroken verbindingen, mist, een naïeve hoofdpersoon en een aantal opmerkelijke typetjes. Je ziet Humphrey Bogart in Key Largo of Nicole Kidman in The Others. Het zijn elementen waarmee DBC Pierre zeker spanning weet op te roepen. Maar griezelen doe je niet, nagelbijten is er niet bij.

    Twee spanningsbogen bouwt Pierre in zijn roman. De eerste concentreert zich rondom de vraag of Ariel contact zal krijgen met zijn liefje Zeva. Die wacht in Amsterdam op hem en wordt met de minuut radelozer omdat hij niet opduikt. Hij probeert op allerlei manieren contact met haar te krijgen, maar zonder succes. Hoewel Zeva via de telefoon van een andere hotelgast wel sms’jes krijgt, tekstberichtjes die er de schijn van hebben dat Ariel de afzender is. De tweede intrige in de roman speelt zich in het hotel af. Er logeert een merkwaardige familie. Al snel vraagt de lezer zich af wat die zonderlingen daar te zoeken hebben. Maar echt intrigerend is de vraag of Ariel uit het web weet te blijven dat die familie om hem heen spint. Waarvan de kleverigste draad de beschuldiging is dat Ariel zich vergrepen heeft aan een minderjarig meisje dat halfnaakt op zijn kamer is aangetroffen. En wat doen die bloedsporen daar?

    Er staat niet wat er staat en herhaaldelijk zet DBC Pierre niet alleen zijn protagonist, maar ook de lezer op het verkeerde been. Dat houd je alert en geeft het verhaal reliëf. De ontknoping is verrassend en verheldert veel, maar lang niet alles. Jammer van die losse eindjes. Blijft over een spannend, vermakelijk en vlot geschreven verhaal, ondanks de potsierlijke beeldspraak.


    Ontbijt met de Borgias

    Auteur: DBC Pierre
    Vertaald door: Karina van Santen en Martine Vosmaer
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 187
    Prijs: € 18,50

  • Rijke, ambitieuze roman

    Rijke, ambitieuze roman

    Grootheden die van hun voetstuk vallen, spreken tot de verbeelding. Alexander Laszlo, een van de twee hoofdpersonen van Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Een honger, verwerft bekendheid als ontwikkelingswerker, maar valt in ongenade als hij door een van zijn Ethiopische adoptiekinderen wordt beschuldigd van seksueel misbruik. In een poging tot eerherstel vraagt hij zijn ex-vriendin Aurélie een boek over zijn leven en ideeën te schrijven.
    Dit gegeven vormt de basis van een complexe, gelaagde roman, waarin heen- en weer wordt geschakeld tussen de relatie van Alexander en Aurélie, hun ontmoeting in Ethiopië en het onvermijdelijke weerzien van de twee, tien jaar later. De energieke, onvermoeibare Laszlo blijkt te zijn veranderd in een gedesillusioneerde, oude man, die zijn hoop heeft gevestigd op de memoires waarmee hij zijn goede naam wil terugkrijgen. Met zijn pleidooi voor ‘een bepaalde mate van pedofilie’ in de samenleving stelt hij niet alleen de hysterische angst voor pedofielen aan de kaak, maar pleit hij ook voor een vrijzinnige, libertaire omgang met de seksualiteit van kinderen en seksualiteit in het algemeen. Hoewel er op Laszlo’s betoog veel valt aan te merken, getuigt het van lef dat Ouariachi dit gevoelige onderwerp durft aan te snijden.

    Interessanter dan de aandacht voor pedofilie in Een honger zijn de hoofdstukken waarin studente en journaliste Aurélie centraal staat. Wanneer zij als student psychologie in 2003 de charismatische ontwikkelingswerker Laszlo in Ethiopië leert kennen, is haar verliefdheid zo groot, dat ze alleen met ontzag naar hem kan opkijken. Tien jaar later, wanneer Aurélie een burgerlijk bestaan heeft opgebouwd met kind, vriend en redactiewerk, kijkt met ze met nuchtere ogen naar de man die zij als studente zo had geïdealiseerd. Met de beschrijving van de hectiek van haar bestaan, de twijfels, de irritaties, de verwachtingen en teleurstellingen, het schakelen tussen het echte leven en de sociale media, geeft Ouariachi een treffend beeld van de tijdsgeest. Aurélie worstelt met haar verschillende, vaak tegenstrijdige rollen: die van de verzorgende ouder, de liefhebbende partner, de presterende werknemer en het naar zelfontplooiing verlangende individu. Zo heeft ze aanvankelijk geen zin om aan een boek mee te werken waarin haar ex-vriend zijn controversiële ideeën over pedofilie uit de doeken wil doen, maar stemt ze toch in uit ambitie en nieuwsgierigheid. De combinatie van een sterk psychologisch inzicht en een ontvankelijke, kritische houding tegenover de maatschappelijke realiteit maakt Ouariachi tot een relevante auteur.

    Maar Een honger is meer dan een romance tussen een naïeve studente en een oudere, charmante ontwikkelingswerker, die elkaar tien jaar later treffen in een ongemakkelijke situatie. Ouariachi speelt met woorden en stijlen, wisselt voortdurend van vertelperspectief, levert commentaar op bekende boeken en schrijvers (Hemingway, Palmen) en schetst een gedetailleerd en overtuigend beeld van de hongersnood in het Ethiopië van de jaren tachtig.
    Deze rijkdom heeft echter een nadeel: een gebrek aan eenheid. Ouariachi heeft veel materiaal in deze roman willen verwerken, dat allemaal vrij uitvoerig wordt behandeld. Daardoor is het moeilijk om als lezer de belangrijkste verhaallijn in het oog te houden. Bovendien geven de vele filosofische en literaire uitweidingen het boek een tamelijk cerebraal karakter, wat de emotionele zeggingskracht soms in de weg staat. Niettemin heeft Jamal Ouariachi met Een honger een rijke, ambitieuze roman geschreven, die ondanks zijn soms hoogdravende karakter een aanwinst is voor de Nederlandse literatuur.

     

    Een honger 

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 592
    Prijs: € 19,99

  • De kunst van een eenling

    De kunst van een eenling

    De hoofdpersoon in de roman De speler van Dostojewski omschrijft een Duitse familie: een fatsoenlijke Vater die ’s avonds samen met zijn gezin zit te lezen, terwijl ‘boven het huisje de olmen en kastanjes ruisen. De zon gaat onder, de eiber zit op ’t dak.’ Zulke beschrijvingen kom je in de recent verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Johann Wolfgang von Goethe door filosoof en historicus Rüdiger Safranski niet tegen; Safranski beschouwt soortgelijke omschrijvingen als ‘weinig vleiend’ (p. 369). Sterker nog, het lijkt bijna alsof Goethe qua familie in het luchtledige hangt. Het zou zomaar kunnen, dat Safranski daarmee wil benadrukken dat Goethe ‘de kunst verstond een eenling te blijven’ (p. 17). Zoals de auteur dingen niet zonder reden weglaat, schrijft hij ook niet zomaar iets zonder bedoeling op.

    Zelfs de veelvuldig voorkomende gedachtestreepjes lijken weggelopen uit het werk van Goethe zelf. Evenals de tussenbeschouwingen die doen denken aan de eerste versie van Wilhelm Meister Wanderjahre van de meester zelf. Voorts zijn citaten zó raak gekozen, dat ze bevestigen wat Safranski over Goethe schrijft: ‘Hij ensceneert zijn liefdesperikelen in zijn brieven, verlengt en intensiveert ze en creëert in het schrijven een imaginair toneel’ (p. 53). Dit citaat ligt in het verlengde van de rode draad die Safranski door zijn biografie weeft: Goethes ‘verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf’ (p. 96). Het schrijverschap is bij Goethe volgens Safranski ondergeschikt aan zijn leven (p. 220). Waarbij het eerste hem gemakkelijker afging dan het tweede. Safranski benadrukt het eerste, terwijl de moeizame wordingsgeschiedenis van Faust ook iets anders laat zien.

    Safranksi heeft Goethes werk, zijn primaire bron, gelezen vanuit dat uitgangspunt, het leven. Werther is bijvoorbeeld een jongeman ‘bij wie de gevoelens meer uit zijn lectuur dan uit het leven zelf stammen’ (p. 252). En passant haalt Safranski overigens de opvatting onderuit dat deze roman tot nabootsende zelfmoorden zou hebben geleid. Hoewel Goethes zelfmoordneigingen uit zijn vroege jaren en de zelfdoding van één van de dochters van kolonel Von Lassberg verderop in het boek wel met Werther in verband worden gebracht …

    Eén van de andere primaire bronnen naast Goethes eigen werk zijn brieven. Onder meer van Karoline Herder. Volgens hem had ook zij het met soortgelijke observaties over leven en werk als hijzelf maakte, het bij het rechte eind. Zij schreef aan haar man, als dichter, filosoof en theoloog de geestelijke tegenpool van Goethe: ‘Hij leeft nu eenmaal zoals de dichter met het geheel of het geheel in hem’ (p. 364). Hetzelfde geldt ook voor de kunsten die Goethe liefhad, en op zijn reizen in Italië leerde waarderen, en de natuurkunde, die hij een even warm hart toedroeg. Ook deze zuilen krijgen, net als Goethes werkzaamheden als criticus, jurist en politicus relatief veel aandacht. Safranski trekt uit deze veelzijdigheid de conclusie, dat Goethe voor alles een grenzeloos nieuwsgierig mens was, vol van het ‘machtige gevoel alles te kunnen assimileren wat hem de moeite waard leek’ (p. 431). Een beetje zelfzuchtig dus, maar zo ver gaat de bewonderende biograaf niet. Wel hield Goethe het daarbij klein, meent hij; Goethe hing, in tegenstelling tot Schiller, die ‘aan de mensheid dacht’, aan zijn ‘kleine kring van kunstvrienden’ (p. 465). Over Schiller schreef Safranski overigens eerder enkele in de pers goed ontvangen studies, evenals over Nietzsche, Heidegger, Schopenhauer en E.T.A. Hoffmann.

    Concluderend schreef Safranski met Goethe een meesterlijke biografie over één van de grootste meesters uit de wereldliteratuur. Hij baseerde zich op het werk van Goethe zelf en werkt consistent en evenwichtig het slechts in een enkel geval als een mal werkende idee uit dat Goethe een leven leidde volgens die literatuur. Daarbij wijst hij telkens momenten in zijn leven en werk aan die er een bepaalde wending aan gaven. Momenten die in een kroniek achter in het boek nog eens op een rijtje zijn gezet. Safranski weet die momenten, het leven en werk van Goethe op grond van primaire bronnen binnen de context van zijn tijd te plaatsen. Dit geeft het grootse boek dat – zoals het cliché zegt – leest als een roman meerwaarde en tilt het uit boven de zoveelste biografie over Goethe. Daarbij komt dat de studie ook nog eens mooi is vertaald door Mark Wildschut, die eerder boeken van Safranksi vertaalde.

     

    Goethe. Kunstwerk van het leven
    Biografie

    Auteur: Rüdiger Safranski
    Vertaald door: Mark Wildschut
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 704
    Prijs: € 44,99

  • Mooie vertaling in lijn met het origineel

    Mooie vertaling in lijn met het origineel

    De abdij van Northanger is niet het bekendste boek van Jane Austen (1775-1817), dat is ongetwijfeld Trots en vooroordeel. Het eerstgenoemde verhaal, dat nu opnieuw is vertaald door Bas Peeters, gaat over de naïeve jonge vrouw Catherine Morland die een tijd in het kuuroord Bath verblijft en daar verliefd raakt op een rijke jongeman, Henry Tilney, en tevens vriendschappen aangaat met andere jonge mensen. Uiteindelijk komt Catherine terecht op het landgoed van de vader van haar vlam, waar de omgebouwde abdij van Northanger zich bevindt, waarin het moederloze gezin Tilney woont.

    Historische romans geven vaak een beeld van de mentaliteit van een tijdperk. Dit geldt extra sterk voor boeken die niet als historische romans geschreven zijn, maar die een impressie geven van hoe het in de tijd waarin ze verschenen eraan toe ging, in dit geval de periode rond 1800. Dergelijke boeken zijn voor mentaliteitshistorici een vruchtbare bron. De abdij van Northanger is vooral daarom een boeiend boek. De lezer krijgt een beeld van het leven van de beter gesitueerden en inzicht in hoe partnerkeuze op basis van welgesteldheid geschiedde.
    Het thema van jonge ontluikende liefde en de onzekerheden die daarbij horen, is universeel, maar tegelijkertijd is er sprake van een duidelijke historische gesitueerdheid van de gebeurtenissen. Opvallend in het boek is vooral dat het dienstdoend personeel nauwelijks een rol speelt, dat wordt blijkbaar niet interessant geacht. Hiermee verschilt het in benadering van een televisieserie als Downton Abbey, die een eeuw later speelt, en waarin het personeel wel van belang is. Dat laatste is meer een weerspiegeling van de mening uit het heden, waaruit deze serie stamt, dan dat de destijds heersende mentaliteit eruit naar voren komt.

    Het gegeven dat de personages in De abdij van Northanger romans lezen, een genre dat destijds niet bij iedereen hoog aangeschreven stond, zegt iets over de verandering in leescultuur in de beschreven periode. Henry voelt Catherines fascinatie voor lezen aan en betoont zich een ontwikkelde man die ook haar aandacht vestigt op het pittoreske in het landschap. In de tijd waarin Austen haar boek schreef was er een ‘picturesque cult‘ in opkomst in Europa, waarmee weer duidelijk wordt dat fictie de mentaliteit van een tijdperk inzichtelijk kan maken.

    De abdij van Northanger biedt een inkijkje in man/vrouw verhoudingen uit het verleden. Jonge vrouwen uit de bovenklassen waren vooral bezig met het zoeken van een geschikte man met een vermogen om mee te trouwen. Geërfde bezittingen, meer dan persoonlijke verdiensten, waren aantrekkelijk in een man. Toch is Catherines fascinatie voor Henry Tilney ook voor hedendaagse lezers voldoende invoelbaar. Henry wordt als ‘geheimzinnig’ omschreven: ‘Dat soort geheimzinnigheid, dat altijd zo aantrekkelijk is in een held, gaf in Catherines fantasie nieuwe charme aan zijn persoon en optreden, en vergrootte haar verlangen om meer van hem te weten.’ (33) Het thema van de mysterieuze man komt nog altijd veel voor in romantische fictie. Dit type man is niet lief en onschadelijk, maar diens karakter heeft een scherp kantje dat hem aantrekkelijk zou maken. Zo zegt Henry op gegeven moment tegen zijn zus en Catherine: ‘Ik vind het onverdraaglijk dat sommigen van mijn seksegenoten zich niet verwaardigen om soms af te dalen tot jullie denkniveau. Misschien is het denken van vrouwen wel niet zo logisch of scherp- niet zo krachtig of indringend. Misschien missen ze wel opmerkingsgave, onderscheidingsvermogen, oordeel, vuur, genialiteit en esprit.’ (119)

    Ook uit de andere dialogen komt Austens visie op de relatie tussen mannen en vrouwen pregnant naar voren. Zo lezen we de volgende passage:

    Mijn hart, werkelijk! Wat kan mijn hart u nou schelen? Jullie mannen hebben geen van allen een hart.’
    ‘Als we dan geen hart hebben, we hebben wel ogen, en die kwellen ons al genoeg.’
    ‘Doen ze dat? Dat spijt me; het spijt me dat ze zoiets onaangenaams in me ontdekken. Ik zal een andere kant opkijken. Ik hoop dat u zo tevreden bent,’ (hem de rug toekerend) ‘ik hoop dat uw ogen nu niet meer gekweld worden.’
    ‘Meer dan ooit, want de rand van een blozende wang is nog te zien- tegelijk te veel en te weinig.’ (152-153)

    Jane Austen schrijft fijntjes ironisch en vestigt de aandacht op het gegeven dat zij de vertelster is van fictie, waarmee ze de lezers soms uit de fictionele droom laat ontwaken. De achterflap van het boek belooft: ‘een pastiche op de gothic novel.’ Die pastiche biedt dit boek echter niet of nauwelijks. Er wordt in enkele passages spanning gesuggereerd, maar de hedendaagse verwende fictievolger heeft misschien meer behoefte aan wat actie en geweld. Een ‘gothic novel’, of een parodie daarop, is dit boek niet, daarvoor gebeurt er te weinig en zijn de ironische ‘gothic’ passages te spaarzaam. In die zin doet het boek denken aan de Kuifjestrip De juwelen van Bianca Castafiore waarin wel spanning gesuggereerd wordt, maar waarin goed beschouwd niet veel aan de hand is.

    Bas Peeters’ vertaling leest vlot. Het begin van hoofdstuk 6, waarin Catherines ontluikende vriendschap met Isabella Thorpe wordt beschreven, luidt in zijn vertaling zo: ‘De volgende conversatie, die op een ochtend in de Pump Room plaatsvond tussen de twee vriendinnen, toen ze elkaar acht of negen dagen kenden, dient als voorbeeld van hun zeer warme vriendschap, en van de fijngevoeligheid, tact, oorspronkelijke gedachten en literaire smaak die de redelijkheid van die vriendschap kenmerkten. Ze hadden afgesproken, en omdat Isabella bijna vijf minuten na haar vriendin arriveerde begon ze vanzelfsprekend met: ‘Mijn liefste schat, wat heeft je toch zo opgehouden? Ik wacht al een eeuw op je.’ (37)
    Een eerdere vertaling uit de jaren vijftig van het boek door Jean H.P. Jacobs luidt heel anders: ‘Op een morgen, ongeveer een dag of acht na hun kennismaking, hadden Catherine en Isabelle afgesproken elkander te ontmoeten in het Kurhotel. Isabelle was er vijf minuten eerder dan haar vriendin en zij begroette haar met de volgende woorden: ‘Waar heb jij uitgehangen? Ik zit hier al een eeuw op je te wachten.’ (‘Heldin op hol’, 27)
    Een blik op het origineel leert dat Peeters’ vertaling die van Austen veel dichter benadert. Juist in de passage waarin de conversatie tussen de twee vriendinnen wordt geschetst ‘as specimen of their warm attachment, and of the delicacy, discretion, originality of thought, and literary taste which marked the reasonableness of that attachment’ toont Austen haar literaire benadering en het is daarom essentieel dat een dergelijke passage niet geschrapt wordt, wat Jacobs heeft gemeend te moeten doen.

    De abdij van Northanger is een boek dat wel en niet bij de huidige tijdgeest past. Voor de liefhebber van thrillers of actiefilms is deze roman saai. Maar juist in de huidige jachtige tijd gaan veel mensen in fictie op zoek naar uitingen die een ander levensritme ademen. Men is dan op zoek naar escapisme of compensatie voor het trauma dat het leven in het heden voor veel mensen is.


    De abdij van Northanger

    Auteur: Jane Austen,
    Vertaald door: Bas Peeters
    Aantal pagina’s: 272
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep
    Prijs: € 19,99

  • ‘Je stelt de verkeerde vragen’

    ‘Je stelt de verkeerde vragen’

    Recensie door Laura Schans

    Het is absurd om in het weekend waarin Griekenland op de rand van de afgrond bungelde voordat de Eurogroep en premier Tsipras een akkoord bereikten over steun en afbetaling, Het voorjaar van de barbaren van Jonas Lüscher te lezen. De voorpagina’s stonden vol met berichten over lege pinautomaten, het inhouden van medicijnen om tekorten te voorkomen, de dreiging van humanitaire rampsituaties en protesten die uitmondden in rellen. Het voorjaar van de barbaren, uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink, blijkt een boeiende parabel te zijn over staatsbankroet, het ontduiken van verantwoordelijkheid en de barbarij waar mensen in vervallen zodra het luchtkasteel van maatschappelijke zekerheden uiteenspat.

    In deze parabel gaat het over de elitekant van de financiële crisis. De Duitse zakenman Preising bezoekt een relatie in Tunesië, een bezoek dat hem is opgedragen door Prodanovic, zijn partner die zakelijk gezien alle touwtjes in handen heeft maar vanwege zijn achternaam bij chique aangelegenheden liever Preising naar voren schuift. Preising ondergaat de reis met een mengeling van gelatenheid en geamuseerdheid: hij geniet van de exotische locaties en lekkernijen en vertelt smakelijk over de gebeurtenissen die zich tijdens zijn reis aaneenrijgen, de een nog gekker en schokkender dan de ander. Maar uit de manier waarop hij observeert, blijkt dat hij zichzelf niet ziet als deelnemer.

    De eigenlijke verteller van het verhaal blijft anoniem. Hij of zij is opgenomen in hetzelfde instituut als Preising, ná de gebeurtenissen in Tunesië waar het in de roman om gaat. Tijdens gezamenlijke wandelingen langs een gele muur die het terrein van het instituut omringt, vindt Preising in hem of haar een gelaten luisterend oor. Op een van de sporadische momenten dat de verteller het woord neemt, zegt deze: ‘In ons onvermogen om onszelf als handelende personen te zien leken we op elkaar, Preising en ik. Hij slaagde erin dat klaarblijkelijke gebrek te zien als een deugd.’

    Onderweg naar het resort in een Tunesische oase, waar Preising van de gastvrijheid van zijn zakenrelatie zal genieten, raakt hij verzeild bij een bruiloft. Een groep schaamteloos rijke, jonge, gebruinde Engelsen viert het huwelijk van Mark en Kelly, werkzaam bij dezelfde bank in de Londense City. Ondertussen druppelen alarmerende berichten over een dreigend Engels staatsfaillissement binnen, die door alle aanwezigen argeloos worden genegeerd, ook door de ouders van de bruidegom. Vanaf een verhoging boven het zwembad kijken zij met lichte afkeuring neer op de entourage van hun zoon en aanstaande schoondochter, een scene die ze stilletjes verantwoordelijk houden voor het ineenstorten van de Engelse economie. Een oordeel spreken ze daarover echter niet uit: moeder Pippa verstopt zich in een boek van een beroemde Tunesische schrijver, vader Sanford verschuilt zich achter zijn sociologische theorieën.

    Preising wordt door Pippa en Sanford uitgenodigd voor het grote feest, een aanbod waar hij gretig gebruik van maakt. Levendig vertelt hij over dit feest ‘waar geld geen enkele rol speelt, of juist de allergrootste’. Als Engeland in de nacht na de huwelijksvoltrekking dan daadwerkelijk failliet wordt verklaard, mogen de Engelse gasten in het resort geen ontbijt meer nuttigen omdat de rekening niet meer zal kunnen worden betaald, zijn hun creditcards geblokkeerd en alle vluchten met Engelse luchtvaartmaatschappijen geannuleerd. Vol scherpe humor en in precieze zinnen wordt de daaropvolgende barbarij uit de doeken gedaan waarin een en ander op passend absurde wijze sneuvelt.

    Preising vertelt met smaak hoe de dramatische gebeurtenissen zich voltrekken. Hij gedraagt zich als grote bemoeial, die zichzelf tegelijk voortdurend neerzet als een toevallige getuige die nergens iets mee te maken heeft. Ondertussen schotelt hij zijn wandelmaatje in het instituut filosofische uiteenzettingen voor, over de relatie tussen geld en waarheid en de moraal die in verhalen te vinden moet zijn. Deze slimme gedachten kunnen niet verbloemen dat juist Preising een belichaming is van het probleem dat vol symboliek wordt uitgewerkt in deze korte roman, een probleem dat ook vertegenwoordigd wordt door de rijke Engelsen die feestvierden ‘alsof het een bijzaak betrof’. Iederéén in deze roman deelt in het onvermogen zichzelf als handelend persoon te zien.

    Het ontduiken van verantwoordelijkheid dat in elk personage te herkennen is, maakt dat deze korte roman leest als een parabel: in de openingsscènes verkondigt Preising zelf dat het in elk goed verhaal gaat om de moraal. Maar om welke dan, in dit geval? Als Preising is aangekomen bij zijn ontsnapping uit de chaos van Tunesië, wil zijn wandelmaatje eindelijk zelf iets weten. ‘Je stelt de verkeerde vraag’, is het enige dat Preising antwoordt op een vraag die de lezer niet te weten komt. Niemand maakt zijn handen vuil, en wij blijven met lege handen achter. Ondertussen staan er nog steeds lange rijen voor de Griekse pinautomaten.

     

    Het voorjaar van de barbaren

    Auteur:  Jonas Lüscher
    Vertaald door Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 160 pagina’s
    Prijs: € 17,95

     

  • Het leven vliedt gelijk het vloot

    Het leven vliedt gelijk het vloot

    De laatste jaren heeft A.L. Snijders een reputatie opgebouwd als schrijver van wat hij zelf ‘Zeer Korte Verhalen’ (ZKV) noemt. Hij publiceert veel en treedt overal in het land op. Hij leest voor op de radio.

    Hoe kort is ‘zeer kort’? Korter dan Carmiggelt, nog korter zelfs dan Herman Pieter de Boer? In De libelleman, het hier te bespreken boek, staat een enkel stukje van twee bladzijden en af en toe eentje van amper een halve pagina. ‘Stukje’, want zoveel is wel duidelijk: het zijn geen verhalen. Een verhaal immers heeft een kop en een staart en een plot; er zit een touwtje om dat het geheel bijeen houdt en het biedt vaak een verrassing aan het eind. En dat alles kun je met geen mogelijkheid zeggen van Snijders ZKV’s, die zich in de meeste gevallen juist onderscheiden door het ontbreken van alle verhaaltechnische hulpmiddelen.

    Wat zijn het dan wel? ZKV’s zijn: waarnemingen, gedachtesprongen, overwegingen, citaten, herinneringen, wederwaardigheden. Lang geleden, toen de columnistenvloed ons nog niet had overspoeld, heetten dit soort stukjes cursiefjes.
    De libelleman is een staalkaart van wat er in het hoofd van de schrijver omgaat. Wát zich ook voordoet, het is kennelijk waard er even bij stil te staan. Niet om het te analyseren, maar domweg om het vast te leggen. ‘Alles heeft zijn verhaal’, zegt de schrijver.
    Of het nu gaat om zijn vele optredens, zijn ontmoetingen met onbekenden, zijn kleinkinderen, de dieren die hij houdt, watersport, literatuur, zijn levensloop, doe-het-zelven, autorijden, motoronderhoud, wonen in het oosten van het land, elk onderwerp zet hij in het licht van zijn scepsis, verbazing en onverstoorbaarheid. Nergens doet hij lollig, nooit is hij weemoedig en aan psychologiseren doet hij niet.

    Het Japanse begrip ‘Ukiyo-e’, een term die de vluchtigheid van het bestaan aanduidt en die in verband met de Japanse prentkunst wel wordt vertaald met ‘taferelen van het vlietende leven’, valt een paar maal. Snijders ZKV’s zijn precies dát: registraties van waarnemingen, zowel van de uiterlijke als van de innerlijke wereld, zonder gemoraliseer op papier gezet.
    ‘Registraties’, maar wel altijd gekleurd door zijn persoonlijkheid – of door het enigszins laconieke personage dat hij al schrijvend van zichzelf maakt – en door zijn woordkeus, zijn eruditie en niet te vergeten zijn leeftijd, want deze ZKV’s zijn onmiskenbaar het werk van een man die een lang leven achter zich heeft, een man die doet denken aan die twee kerels in een beroemd ZKV van Nescio: ‘Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. “Het leven heeft me veel geleerd”, zegt de oude sok’. Snijders heeft iets van beiden.

    Een voorbeeld:

    Ik bezocht de bijeenkomst. Voor de pauze legde een knappe milieudeskundige uit hoe we er voorstaan en wat er moet gebeuren. Na de pauze zou ik mijn steentje bijdragen. Mij was gevraagd naar stukjes die over de huidige crisis gaan, maar na een wanhopige zoektocht bleek dat ik nooit over zulke dingen schrijf, ik ben niet bepaald een geëngageerde schrijver.
    Maar een kwartier voor mijn vertrek naar de protestbijeenkomst vond ik iets in mijn computer waar het woord graaien in voorkomt.

    FAZANT

    Ik hoor de fazant vaker dan dat ik hem zie. Zijn schreeuw bestaat uit scherven, glas in een omvallende kast. Er gaan verhalen over de fazant, het zou geen echte, wilde vogel meer zijn, hij zou gekweekt zijn, vetgemest en losgelaten. Hij zou zijn vluchtinstinct verloren hebben en een kermisprooi zijn voor heren als Rijkman Groenink, die na het graaien van de bonus de weerloze fazant in het vizier hebben. Ik weet niet of dat waar is, de fazant die ik vaak hoor en soms zie, is behoorlijk schuw.

    Ooit werd hem gevraagd of er een overkoepelend thema in zijn werk was. Nee, was zijn antwoord, ‘de verhalen (…) ontstaan in een baaierd van toeval en willekeur’. Later formuleert hij toch een thema: ‘Alles verandert, niets blijft op zijn plaats’ en hij verwijst naar Herakleitos. Wat die ermee te maken heeft moet de lezer overigens wel zelf bedenken (‘Panta rhei‘), want Snijders houdt niet van uitleggen. Zo noemt hij ergens ‘mystiek uit het Zoniënwoud’ zonder te vertellen dat dat op Ruusbroec slaat, laat staan dat hij uitlegt wat die veertiende-eeuwer in het stukje te zoeken heeft. Hij heeft kennelijk het leraarschap achter zich gelaten en hoeft niet steeds te worden begrepen. Dat past bij de ietwat ongenaakbare houding die hij af en toe ten toon spreidt.

    Hij was ooit leraar op een politieschool. Zou hij daar dat karakteristieke gebruik van de komma hebben opgepikt, toen hij zijn leerlingen bijbracht hoe ze een proces-verbaal konden schrijven? (‘Beperk je tot de feiten, jongens! Niet interpreteren!’) Heel vaak vinden we namelijk komma’s waar andere auteurs voegwoorden zouden gebruiken of een punt zouden zetten om een nieuwe zin te beginnen.

    Een citaat ter illustratie (een overpeinzing over vertrokken kampeerders): De rest van het jaar fiets ik ‘s morgens langs met een verweesd gevoel, ik denk aan ze, ik weet niet waar ze wonen, ik ken hun particuliere eigenaardigheden niet, maar ik weet dat ze samen de ruggengraat van onze samenleving vormen, de onontbeerlijke middenklasse, ik vertrouw op ze, alles komt goed. Eén keer ‘maar’; verder staat alles nevengeschikt in een opsomming zonder rangorde. Het versterkt de indruk van een gedachtestroom: een oude heer mompelt wat voor zich uit. Daar is op zichzelf niets tegen.
    De samenstelling van het boek is vergelijkbaar: de volledige productie van 2013 en 2014 is chronologisch afgedrukt, alles is kennelijk even belangrijk.

    Is alles ook even geslaagd? Was een selectie niet beter geweest?
    In veel van deze stukjes beleven we de spanning tussen enerzijds het niet-buitengewone onderwerp en anderzijds de formulering die dat gegeven dient op te heffen tot een buitengewone leeservaring. Snijders slaagt vaak.
    Sommige stukjes bestaan uit niet meer dan een citaat plus bronvermelding, andere bestaan uit een inleiding op een citaat uit eigen werk. Soms is dat citaat weer een compleet ZKV, zoals dit bijzonder mooie en piepkleine, overigens a-typische, stukje: De oude kok (93) zit met betraande ogen aan de keukentafel. Hij huilt omdat hij beseft dat hij het woord “zwezerik” voor altijd vergeten is. Hij begrijpt dat je het gerecht niet meer kunt klaarmaken als je het woord vergeten bent.
    Eerst verdwijnt het woord, daarna het gerecht.
    Hier komen we in de buurt van de ZKV’s uit de zeventiende eeuw: de teksten van de emblemata.

    Al met al is dit een boek en een genre voor de liefhebber, de fijnproever, je kunt er kriegelig van worden, je kunt er door aangestoken worden je eigen gedachten te gaan observeren, het bevat stukjes die je kunt herkauwen alsof je een brevier leest, je kunt met komma’s gaan strooien, drie maal daags een ZKV lijkt de juiste dosis.

    De uitgave tenslotte is zeldzaam goed verzorgd: ingenaaid, mooi papier, elegant formaat, ‘ballongooijenrood’ als steunkleur. En het bevat ook nog eens plaatjes – die geen illustraties zijn maar misschien wel voorbeelden van de ‘outsider-kunst’ waar de schrijver van zegt te houden. Heel mooi is die op bladzijde 169: een foto van een stapel hoog opgetaste bakstenen in vele schakeringen groen en roze, een beeld waar Mondriaan rond 1913 nog naar op zoek was.

     

  • Dood aan de Universiteit!

    Dood aan de Universiteit!

    Wijnberg heeft een absurdistische roman geschreven over de universitaire gemeenschap. Hoofdpersoon is een student van de ‘Janprofessor’, met een Ex, en een Fanclub met vriendinnen van de Janprofessor. Die Fanclub heeft hij van zijn professor aangeboden gekregen en hij mag zelf bedenken wat hij met de Fanclub wil doen. Dat lijkt de Janprofessor  beter dan dat hij alleen maar zou studeren, hij stelt hem zelfs vrij van de studie en geeft hem voldoendes voor tentamens die hij helemaal niet aflegt. De student krijgt van de Janprofessor het voorstel ‘te proberen de doden door hem te laten spreken’, hoewel de ik-verteller geen idee heeft hoe hij dat moet doen. Wel doet hij met die vriendinnen uit de Fanclub apart dingen, zoals de Italiaanse taal leren of goochelen. Soms komen ze bij elkaar en spreken over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals ‘het klaarkomen’.

    Op de eerste bladzijde van het boek krijgt de absurditeit al direct vorm.
    Zo is er een Coca-Cola professor in marketing die drie mensen heeft doodgeschoten. Hij had een aanstelling in de VS en daarnaast een kleine aanstelling aan de VU. ‘VRIJE UNIVERSITEIT ONTSLAAT MOORDENDE PROFESSOR, koppen de Nederlandse kranten. Er is ook tenminste één Pepsico-professor in marketing. Die komt uit Nederland maar werkt in Dallas en Houston, al heeft hij ook nog een gastaanstelling in Tilburg  of Groningen of allebei.’ Daarnaast passeren de Persoonlijkheidstestprofessor, Grote Wanja, UHD Weltevree en UD Willem Twee de revue.

    Wat volgt zijn diverse bizarre voorvallen en gebeurtenissen die symbool staan voor het verval van de academische gemeenschap. Het zijn incidenten die weinig met elkaar te maken hebben, er zit geen lijn in. Soms hilarisch om te lezen, maar vaker niet. De realiteit is veelal zo ver te zoeken dat de ironie en het sarcasme hun doel voorbij schieten. Je kunt de absurditeit ook te ver doorvoeren en dan wordt het lastig om de aandacht van de lezer 200 bladzijden lang vast te houden.

    Het boek eindigt met een huilende Janprofessor, die ‘in de afgelopen week iets heeft opgeschreven over lang geleden, over wat ik me herinner van wat er vijfentwintig jaar geleden in Rotterdam is gebeurd, toen ik daar mijn proefschrift schreef en in de jaren daarna’. Dan volgt een heldere reconstructie van een conflict in een benoemingscommissie van de Erasmus Universiteit van Rotterdam waar de promotor van de nu Janprofessor een hoofdrol in speelde en slachtoffer van werd. Een reconstructie die herkenbaar is en model staat voor benoemingsconflicten ook op andere universiteiten.  Maar ook niet nieuw, want W.F. Hermans schreef er al in 1975 over (Onder Professoren) en wie de biografie van Otterspeer over hem heeft gelezen, ziet veel gelijkenis met de gang van zaken ten tijde van Hermans’ lectoraat aan de Universiteit van Groningen.

    Het is een te serieus einde van een lichtvoetig boek dat vooral een ironisch en sarcastisch portret schetst van de moderne academische gemeenschap.


    Alle collega’s dood

    Auteur: Nachoem Wijnberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 203
    Prijs: €18,90

  • Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    De poëzie van een land ontwikkelt zich vaak dankzij impulsen van buitenaf. Zonder de Italianen had het sonnet waarschijnlijk niet bestaan, met als verdere consequentie dat de Nederlandse canon bijvoorbeeld ‘De moeder de vrouw’ armer was geweest. Ook de Franse poëzie is een internationale aangelenheid, blijkens Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton.

    De in deze bloemlezing opgenomen dichters hebben vaak meer met Pound dan met Mallarmé. Samensteller en vertaler Jan H. Mysjkin laat in zijn inleiding, waarin de situatie van de Franse poëzie op dat moment wordt geschetst, zien hoe de Franse en Amerikaanse poëzie naar elkaar toe zijn gekropen. Franse dichters vertaalden hun Amerikaanse broeders als John Ashbery en Michael Palmer, die op hun beurt weer Franse poëzie vertaalden. (Of zoals Wallace Stevens ooit schreef: ‘French and English constitute a single language’; een bewering die gretig door Paul Auster aangehaald werd in zijn inleiding voor The Random House Book of 20th Century French Poetry.) De poëzie van Frankrijk, die een sterk hermetische traditie kent, (Geboorten van het vers. Levende Franse poëzie 1940-1960 bijvoorbeeld) stond sterk in het teken van het omgaan met de erfenis van het surrealisme), blijkt opener te zijn geworden, maar vaak niet minder moeilijk.

    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton is net zo opgezet als de eveneens door Mysjkin verzorgde twee eerdere delen Levende Franse poëzie: een lange inleiding en vervolgens een selectie van verscheidene dichters. Van elk van hen is meestal of een reeks of een afdeling gedichten gekozen, of een keuze uit één bundel. Bovendien wordt elke dichter voorgesteld met een tekst die ergens tussen een inleiding en een kort essay inzit. De vertaling is zoals we die van Mysjkin gewend zijn: ze lezen zo vloeiend als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Dat doet er evenwel niets aan af dat het toch jammer is dat ook deze uitgave niet tweetalig is.

    Zoals eigenlijk met de meeste bloemlezingen het geval is, smaakt de ene dichter beter dan de ander. Uw recensent is bijvoorbeeld niet zo gecharmeerd van de warrige Jean-Paul Auxeméry, of het flauwe, geforceerde taalgebruik van Katalin Molnár (‘alsJijWillenMakenGedicht / inTaalDieJijNietKennen / jijDenkenEerst / datDatZijnOnmogelijk’; overigens geen eenmalig experiment, want Molnárs hele bijdrage is op deze manier geschreven). Daar staan heel wat interessantere dichters tegenover, zoals Leslie Kaplan. De van haar opgenomen gedichten zijn consequent in de men-vorm geschreven en gaan over het werk in een fabriekshal. De alles beheersende sfeer daar wordt duidelijk neergezet met regels als ‘De fabriek, men gaat erheen. Alles is er. Men gaat erheen. / Het exces – de fabriek.’ of ‘Men kan niets doen. // Men monteert een versnellingsbak.’

    Wie op zoek gaat naar opvallende tendensen in deze bloemlezing, ontdekt wellicht de interesse in en flirts met het banale of niet-literaire taalgebruik (en daar hebben we het postmodernisme weer). Denk daarbij aan Kaplans harde, kale stijl, maar ook aan het opgenomen werk van Olivier Cadiot. Zijn prozagedichten zijn montages van passages uit lesboeken. Dat levert werk op dat enerzijds van een Barbarber-achtige lichtvoetigheid is, en anderzijds een vertonrustende ondertoon heeft: ‘Ik begrijpen (o.v.t.) dat deze gebeurtenis in tranen drenken (v.v.t.) en ik zwijgen (o.v.t.). De vrouw nemen (o.v.t.) haar zoon van de takken van de boom en zij geven (o.v.t.) hem haar echtgenoot te dragen’.

    Een andere ontdekking is Véronique Pittolo. Van haar is een selectie vertaald uit Héros (Helden; 1998), een boek dat het midden houdt tussen een conceptuele gedichtenbundel en een filmscenario. Pittolo’s prozaïsche, vaak bijna onnadrukkelijk geformuleerde regels roepen vaak direct filmbeelden op: ‘De weg die MURIEL aflegt kan men volgen door het galmen / van haar hakken op het asfalt.’ Zulke beschrijvende passages worden afgewisseld met korte bespiegelingen als ‘Lange tijd dacht men dat helden zich tot een vast kader beperkten.’ De fragmenten overtuigen op zichzelf, én samen maken ze erg benieuwd naar (een vertaling van) de gehele bundel, en dat is wellicht het grootste compliment dat je een bloemlezer kunt maken.

    Hoewel niet elke vertegenwoordigde dichter even interessant is, is Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton een prima bloemlezing geworden. Deze uitgave is een geschikt startpunt voor avontuurlijke lezers die nieuwe ontdekkingstochtjes willen maken.


    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000

    Redacteur en samensteller: Jan H. Mysjkin
    240 blz.
    Prijs: € 22,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum

  • De lezer als de man in de grot van Plato

    De lezer als de man in de grot van Plato

    Volgens de Brits-Amerikaanse filosoof A.N. Whitehead is de Westerse filosofie niets anders dan ‘een serie voetnoten bij Plato.’ Iets soortgelijks kun je evengoed zeggen van veel kunstwerken. Zo refereren zowel werk als uitlatingen van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge aan Plato’s allegorie van de grot: iemand zit met zijn rug naar het licht, naar wat zich buiten de grot allemaal afspeelt. Op de wand van de grot ziet hij de schaduwen van die wereld waardoor hij van de werkelijke wereld alleen maar een idee krijgt.

    Ook ten aanzien van de wat filosofisch ingestelde literatuur kun je soms zeggen dat het een voetnoot bij Plato is. Een voorbeeld is de beschrijving die Michel Houellebecq in zijn roman Elementaire deeltjes geeft: ‘Hij had zijn beeld geïsoleerd beschouwd, als een mentale vorm die onafhankelijk van hemzelf bestond en met anderen kon worden gedeeld.’ Identificatie met zijn eigen beeld werd opgeheven, in de ruimte werden twee sferen van elkaar gescheiden: in de ene die van het zijn, in de tweede die van het niet-zijn ‘en de opheffing van het individu.’

    Neem vervolgens het debuut van schrijver Jori Stam (1987) ter hand. De rode lijn in de meeste van de tien verhalen die samen de bundel Een volstrekt nutteloos mens vormen, is de werkelijke, eenzame wereld tegenover de, in zijn geval, virtuele wereld die met anderen wordt gedeeld.

    Het begint al in het eerste verhaal, waarin de literaire thrillers van schrijver Harm een slechte pers krijgen, terwijl er 128.548 bezoekers afkomen op het videokanaal van zijn buurman, ‘een nietsnut met overgewicht.’ Beide families gaan samen met vakantie. De mannen maken een wandeling door een diepe kloof. De buurman heet terug te zijn gegaan, omdat hij de zware tocht niet kan volhouden, maar een foto op Facebook lijkt iets anders te bewijzen. De kloof tussen schijn en werkelijkheid is veranderd in een afgrond.

    In het tweede verhaal zet het ‘liken’ van een foto op Facebook de gezonde verhouding tussen een man en een vrouwelijke collega onder druk. Ook in het vierde verhaal speelt sociale media een rol: de ik-persoon creëert  op een datingsite een eigen identiteit, onafhankelijk van de werkelijkheid. De identiteit van een onzekere man, die op die manier de macht in handen legt van eenzame vrouwen. Maar ondertussen …. In nog geen vier pagina’s neemt dit verhaal een morbide wending.

    Ook in het vijfde verhaal draait het om twee werelden. In dit geval om die van mensen en dieren. Het verhaal speelt zich af in een Turkse kebabzaak, waar aluminium bakjes worden gevuld met friet, vlees, sla, dressing en gesmolten kaas. Hetzelfde soort bakjes waarmee de ik-persoon muizen vangt. ‘Toen zij uiteindelijk bedaarde, schreef ik met een zwarte markeerstift MUIZENGEVANGENIS op het bakje.’ Het blijft niet bij de overeenkomst tussen de bakjes. Er bestaat ook een overeenkomst tussen de knijpfles met gif en die met saus ….

    In het negende verhaal gaat Antoon, klein van stuk met een buikje en ‘veel erger nog borstjes en uitstulpende tepels’, helemaal op in zijn paarden, ‘zijn vrienden, kennissen en familie ineen.’ Hij wil een nieuw veulen kopen, wat iedereen in de omgeving bevreemd, ‘na wat er met het vorige veulen is gebeurd.’ Antoon maakt kennis met de vriendin van zijn neefje, Toet, ‘een enorme gestalte zonder borsten maar met een pony en een paardenstaart. Ze kan ook briesen door haar grote lippen.’ Hier wordt de nadruk gelegd op de overeenkomst tussen in dit geval een pony en een enorm grote vrouw.

    Het tegenover elkaar plaatsen van twee mensen, de twee mannen in het eerste verhaal, de collegae in het tweede, of twee werelden, de echte en de virtuele, en die van mensen en dieren, doet ook denken aan de eerder genoemde roman Elementaire deeltjes van Houellebecq, waarin hetzelfde gebeurt. Net als de titel van de verhalenbundel van Stam, die herinneringen oproept aan Bruno, één van de twee hoofdpersonen uit Houellebecqs roman. Bruno omschrijft zijn leven als ‘vrijwel nutteloos’, ‘leeg’ en liefdeloos. Of, als het niet leeg is, in ieder geval vol angsten en diepten, ‘kortsluitingen’ zoals bij Vincent, de hoofdpersoon in het derde verhaal uit Stams bundel.

    Vincent neemt wraak op de minister van Volksgezondheid. Deze pleit in een televisieprogramma van de EO in een gesprek met Vincents huisarts, die zijn moeder hielp sterven, tegen versoepeling van de euthanasiewet voor minderjarigen en psychische patiënten. Vincent vecht met zijn positieve en negatieve gevoelens, zoals de andere personages ook doen. Met de rug naar het licht vechten met het echte leven en zich verlaten op het virtuele leven. Met alle, vaak absurde gevolgen van dien.

    Het mooie aan dit veelbelovende debuut is, dat de auteur daarbij veel open laat. Alsof de lezer de man in de grot van Plato is, die zelf op ideeën komt en de plot (die er vaak niet echt is, of alleen wordt aangeduid)  kan invullen.

     

    Een volstrekt nutteloos mens

    Auteur: Jori Stam
    176 blz.
    Prijs: € 19,99
    Uitgeverij Atlas Contact