• Grotesk Rusland

    Door Anky Mulders

    Rusland spreekt voor velen nog altijd tot de verbeelding. Romantiek en ellende gingen bij Dostojevski en Tolstoj al hand in hand, en door Boris Pasternak, Aleksandr Solzjenitsin en Anatoli Rybakov weet iedereen dat het er na het tsarentijdperk niet beter op is geworden. Hedendaagse westerse auteurs als Pieter Waterdrinker, Peter Pomerantsev en Bill Browder kennen de Russische samenleving van binnenuit en berichten daarover met fascinerende boeken.

    Rusland bij Pieter Waterdrinker
    Lenins balsem
    Wie wel eens wil weten hoe het leven vandaag de dag in Rusland eruitziet maar geen zin heeft in droge kost kan bij de fictie van Ruslandcorrespondent en –kenner Pieter Waterdrinker terecht. Waterdrinker heeft al heel wat romans geschreven die de lezer laten delen in het bestaan van de Russische burger. Met kennis van zaken plaatst hij fictieve personages in het huidige Rusland, veelal in Moskou waar de nieuwe rijkdom het walhalla is. Dat levert adembenemende literatuur op. In Lenins balsem (2013) bijvoorbeeld, gesitueerd in de laatste dagen van de Sovjet-Unie als de illegale handel welig tiert. Daarin komt een prachtige scène voor waarin Russen in een stampvol, rammelend vliegtuig zoveel als ze kunnen vanuit Turkije meeslepen voor een handeltje in eigen land: van sieraden en schoenveters tot magnetrons en televisies, van cosmetica tot computers. Politieke onstabiliteit en een even onstabiel dagelijks leven komen samen in deze spannende roman.

    Poubelle
    Poubelle
    Dezelfde duizelingwekkende ervaring ondergaat de lezer in zijn nieuwste boek Poubelle (2016). Hoofdpersoon Wessel Stols, ruim in de financiële middelen door verkoop van zijn aandeel in een reclamebureau, wil schrijver worden. Die ambitie mislukt, maar voert hem wel via Frankrijk naar Rusland en Oekraïne en naar de clandestiene kunsthandel. Later komt hij in de politiek en via het Europarlement opnieuw in Oekraïne, tijdens gebeurtenissen die de lezer bekend voorkomen uit het nieuws. Vanaf het begin is duidelijk dat Stols zijn ondergang tegemoet gaat. Het hoe en waarom beschrijft Waterdrinker tot in detail binnen een zinderende couleur locale, wat het lezen tot een verslavende ervaring maakt. En passant krijgt de EU in Poubelle een flinke veeg uit de pan over de exorbitante salarissen en vergoedingen die Europarlementariërs opstrijken en het onvermogen om problemen effectief aan te pakken, bevindingen die aansluiten bij de hedendaagse anti-Europasentimenten. Vaste ingrediënten bij Waterdrinker zijn de jacht op geld en luxe, macht, leugens en corruptie.

    Rusland bij Peter Pomerantsev
    Niets is waar en alles is mogelijk
    De verbijstering die je in Waterdrinkers boeken al bevangt neemt bij Peter Pomerantsev nog eens flink toe. In Niets is waar en alles is mogelijk komt een ware optocht aan onthutsende  gebeurtenissen voorbij. Pomerantsev, zoon van gevluchte Sovjetdissidenten, groeide op in Londen en werkte tien jaar als regisseur en programmamaker in de Russische televisie- en filmindustrie. Daardoor had hij toegang tot alle lagen van de maatschappij, van de onderwereld tot de elite, niet zelden met elkaar verweven. Het Russische succesvolle leven is buitenkant, één groot toneelstuk van de rijken en de machtigen om de onwetende televisiekijker een open maatschappij voor te spiegelen die niet voor de westerse onderdoet. Zo beschrijft Pomerantsev een opdracht die hij kreeg om een serie realityshows te maken over de bij jonge vrouwen populaire cursus van een goeroe, bedoeld om een sterkere persoonlijkheid te worden. Maar als manipulatie en zelfmoorden komen bovendrijven, wordt de serie gestopt. Wat op televisie komt moet wel positief blijven, de kijkers hebben zelf al genoeg problemen. Pomerantsev verhaalt over beroepsmoordenaars met goede bedoelingen, een cursus voor meisjes om rijke mannen aan de haak te slaan, televisiepresentatoren als spreekbuis van het Kremlin en oligarchen met revolutionaire sympathieën. Ook Poetins spindoctor krijgt een plaats in zijn relaas.

    Rusland bij Bill Browder
    Vijand van de Russische staat
    Evenmin droge kost is het verslag van het waargebeurde verhaal van Bill Browder in Vijand van de Russische staat. Het boek leest als een detective. Browder ontdekt dat er na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aldaar veel geld te verdienen is en vestigt zich als (Amerikaans) investeerder in Rusland. Met vooruitziende blik koopt hij goedkope aandelen van Russische bedrijven, waardoor zijn vermogen in enkele jaren tot miljarden stijgt. Dat is de machthebbers een doorn in het oog. De politie doet een inval in zijn hoofdkantoor en neemt eigendomscertificaten mee, waarmee zijn bedrijven hem afhandig worden gemaakt. Zelf mag hij (wonend in Londen) Rusland niet meer in. Met behulp van advocaten gaat hij op zoek en vindt zijn bedrijven uiteindelijk terug in het bezit Russische oligarchen. De corruptie begint bij de lagere ambtenaren en iedere hogere verdient vervolgens telkens een beetje meer aan de illegale overheveling van andermans eigendom. Browder krijgt een immense belastingschuld in zijn schoenen geschoven – iets wat de Nederlander Derek Sauer recentelijk ook overkwam. Bij de ontrafeling van de ingewikkeld opgezette constructie wordt een van Browders advocaten, Sergej Magnitsky, opgepakt en in de gevangenis gezet. Daar wordt hij na een klein jaar doodgeslagen, nadat hem noodzakelijke medische zorg is onthouden. Dit is door Browder internationaal aan de kaak gesteld.

    In alle drie de boeken…
    komt de hele schizofrene poppenkast van een maatschappij die democratie en rechtssysteem alleen als woorden kent, uitvergroot voorbij. Alles is dubbel en alles draait om geld in een samenleving die alle kanten uitschiet omdat niemand weet hoe het anders moet. Rusland is vanaf de val van de Sovjet Unie een prooi van zulke snelle ontwikkelingen dat niemand ze kan bijhouden, laat staan beheersen. Het land zit vol bizarre tegenstellingen, zoals een door de overheid georganiseerd protest tegen de eigen regels, gepaard aan straffen voor deelnemers aan datzelfde protest. Is een wet niet voorhanden of niet naar de zin van de machthebbers, dan wordt hij gewoon gemaakt of creatief aangepast.

    De indruk die na het lezen van dit soort tijdsdocumenten achterblijft, is die van een land dat wel een democratische, rechtvaardige (gezien door onze westerse ogen) en open samenleving nastreeft, maar alle ervaring ontbeert hoe dat voor elkaar te krijgen. Bovendien zijn veel Russen nationalistisch en trots genoeg om een overmaat aan westerse en andere buitenlandse  invloeden buiten de deur te willen houden. De toekomst zal uitwijzen waar dat toe leidt.

  • Lijstjes maken

    Ik hou van lijstjes. En tegelijk zijn ze me een grote ergernis. Rond de decemberdagen noemen recensenten in hun krant de toppers van het jaar. En altijd zijn er bij die ik wantrouw omdat ik het gevoel krijg dat een boek gepusht moet worden. Maar ook altijd mis ik boeken op zo’n lijst.

    Een aparte vorm van lijstenmakerij is die waarin je zelf wordt gevraagd om de Top zoveel samen te stellen. Of om je op z’n minst het gevoel te geven dat je iets in te brengen hebt. Daarvan vielen me er de afgelopen maanden twee op, één die me blij maakte en één waarbij ik weer aan het mopperen sloeg. Kanttekeningen bij Hitler

    Ik begin met de laatste, zodat ik de lezer hopelijk aan het slot toch een goede nasmaak kan laten overhouden.

    Al eens de lijst voor boeken bekeken die voor de websitebezoeker van het VARA-programma De Meesterwerken is voorgekookt? Die lijdt aan het manco waardoor erg veel publieksprogramma’s smakeloos worden. In een oeverloze zucht om iedereen te behagen en vooral niet elitair over te komen wordt van alles in de grabbelton gegooid dat niet meteen in de ramsj is beland. Mij lijkt dat iedereen daarbij het gevoel moet krijgen dat het totaal de middelmaat is. Wie iedereen te vriend wil houden heeft het immers bij niemand meer echt warm.

    Het onderdeel Boeken is te vinden op http://programma.vara.nl/demeesterwerken/boeken. Ik geef toe dat er meesterwerken op de lijst staan, maar het is natuurlijk al vreemd dat 10 van de 25 voorgeselecteerde boeken van Nederlandse auteurs zijn. En dan niet eens van Multatuli. Of van Couperus.

    Ook al vind ik de meeste van die Nederlandse vertegenwoordigers op zichzelf de moeite waard, ik heb er toch moeite mee om in de strijd tussen Erik de Noorman en De gebroeders Karamazov om de hoogste eer een serieuze competitie te zien. En dan verzwijg ik nog maar dat Don Quichote niet eens aan de competitie mee mag doen. Net als Shakespeare.

    De tijd van verwonderingMaar genoeg ergernis. Soms gebeurt er ook iets moois. Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan zette het Historisch Nieuwsblad 250 geschiedenisboeken op zijn site (https://www.historischnieuwsblad.nl/beste-geschiedenisboeken/index.html) waaruit het publiek een Top 10 kan samenstellen. Het zijn er natuurlijk honderd keer meer dan bij De Meesterwerken en bovendien hebben die 250 ook nog eens een Bloedlandenverwantschap (de geschiedenis) die er voor zorgt dat je niet met een mand vol appels en peren zit, maar wat mij er vooral aan bevalt is dat het een ware speeltuin is. De lijst is allereerst niet bekrompen neerlandocentrisch, al kan ik wel een enkel boek aanwijzen dat ik, afgezet tegen de mondiale geschiedenis, wel wat licht van gewicht vind (Provo!), maar ook: ik herken een groot aantal boeken die ik niet snel zal vergeten. Kanttekeningen bij Hitler vond ik verbluffend, Doodgewone mannen bleef me (ook na herlezing) verbazen, Bloedlanden blies me van de sokken. En Tijd van verwondering: zelden een mooier boek over wetenschapsgeschiedenis gelezen.

    Maar misschien wel het mooiste van de lijst van 250: er staat zoveel op dat ik nog moet inhalen. Dat onrustwekkende gevoel ken ik mijn hele leven al wel, maar hier staan zoveel prachtboeken op een rij, dat ik er bijna blindelings op kan vertrouwen dat er mensen achter de lijst zitten die niet probeerden iedereen te vriend te houden, maar die werkelijk opkomen voor een overtuiging: ‘dit moet je lezen!’ Ik heb mijn stem op mijn tien voorkeuren uitgebracht. Dat zal ik bij De Meesterwerken niet doen.

  • Vanonder de koperen ploert

    HET gesprek van de dag in 1900 was een boek met de onschuldige titel Het leven in Nederlandsch-Indië, geschreven door Bas Veth. In 1860 geboren in Amsterdam, was hij vanaf zijn 19e tot zijn 31ste jaar handelaar in ongeregeld goed geweest in de kolonie en had een bloedhekel aan dat land gekregen.

    BasVeth

    Toen hij in 1891 eindelijk het land kon verlaten en terugkeren naar zijn geliefde Nederland gaf hij – naar eigen zeggen – een schop tegen de havenkant vanwaar het schip vertrok. Dankzij de in de tropen vergaarde rijkdom kon hij zich in Nederland een aangenaam bestaan permitteren tot zijn overlijden in 1922, op 62-jarige leeftijd.

    Maar zijn wrok tegen de kolonie die hem gedurende 12 jaar van zijn leven ongelukkig had gemaakt verdween niet.

    Omslag Bas Veth

    En negen jaar later, in 1900 barstte zijn vulcaan van haat open en vulde hij 255 pagina’s met woede en vervloeking. Niets deugde in de kolonie. De natuur was lelijk en dankzij het ontbreken van wind vooral roerloos. Het voedsel was smurrie. De hitte niet te verdragen. De Indische vrouwen oppervlakkig en berekenend. De koloniale blanke Indischman een patser en een ordinaire schuinsmarcheerder.

    Het boek sloeg in als een bom en beleefde liefst 4 drukken.

    Zowel in Nederland als in de Oost was men gewend dat de kolonie met waardering beschreven werd: een paradijs bijna. Natuurlijk, de tropenzon werd niet voor niets de Koperen Ploert genoemd, en je kon van de ene dag op de andere kassie wijlen zijn bij een cholera-epidemie of andere tropenziekte.

    Maar je kon er goed leven en voor je pensioen een mooi plekje zoeken in de bergen, of met een gevulde geldbuidel terugkeren naar het vaderland.

    Bedorven maaltijd
    En nu kwam Bas Veth met de boodschap dat er niets deugde in de Oost. Het ergste was dat hij goed kon schrijven in de stijl van de toen populaire tachtigers, met veel emotie.

    Een citaat:

    ‘De rijsttafel werd geboren uit den drang der omstandigheden. Rijst is er plenty in Indie.
    En ook lombok en ook verregaand bedorven visch: trassi geheten.
    En er is kip, o! zooveel kip, magere, taaie kip, en er zijn kippeneieren en eendeneieren, gezouten, anders bederven ze, zoals alles in Indie bederft.
    En er is kerri, vuil-groenkleurige kerri, niet te verwarren met de geurige, bruine kerri van Voor-Indie.
    En er is zoo iets als witte kool. Maar dat alles op zichzelf smaakt beroerd.
    Wacht, dachten de soldaten en de matrozen, die ’t eerst in Indie kwamen, gooit dat alles door elkaar.
    Laat de peper den smaak bedriegen van al dat ordinaire eten; laat de rijst — rein en onbedorven van smaak — het hoofdgerecht zijn en laat een kerri-saus, met witte kool er in, de hutspot besproeien en wij leveren u de hoofd-ingredienten voor een kost, waarin ge alles, wat even eetbaar is, kunt mengen.

    En het verlengstuk van de ratjetoes en de hutspots werd de rijsttafel.
    Dank aan deze hoofd-ingredienten, kan je in de rijsttafel alles gooien.
    Roode vischjes, uitjes, chutney, gebraden, gekookte, gebakken, gestoofde kip, gebakken visch, gekookte visch, sajor-an bij de vleet — gekruid of niet gekruid —, komkommers, frikkadel.
    En dan nog een ontzettend aantal indische schoteltjes, waarvan ik gelukkig de namen niet ken.
    En nu begint ge dat allegaartje door elkaar te roeren op een diep bord. Hier en daar doet ge wat op de schoteltjes naast uw bord.
    Wanneer nu alles goed is door elkaar geroerd en overgoten met wat stinksausjes, dan is uw rijsttafel klaar. Eet nu maar raak.
    Zorg voor een beetje ,,bedis” — fijngehakte roode lombok — apart op den rand van uw bord en wat rot-riekende trassi en ge zijt au grand complet.
    Met volle happen gaat al dat saamgefrommelde eten naar binnen.

    Kijk, als je dat leest wil je even geen rijsttafel. Zeker niet als je op een andere pagina leest hoe Bas Veth de eetgewoonten van de koloniale Indischman beschrijft: 
    ‘Borden vol rijst met vieze poespas verdwijnen achter zijn kaken, totdat hij etenszat zijn bedtent opzoekt waar hij als een boa-constrictor ligt te dirigeren tot vijf uur ’s middags.’ 

    Boos proza
    Studenten die in opleiding waren voor handels- en ambtenaren-functies in Nederlands-Indië waren onder de indruk van zijn betoog en vroegen zich af of ze er verstandig aan deden naar dat naargeestige en geestdodende oord te vertrekken.
    En dáár schrok men in Nederlands-Indië weer van, want de koloniale maatschappij was gediend met een voortdurende toestroom van jonge krachten.
    Er verschenen wel drie boeken en talloze artikelen waarin het betoog van Veth punt voor punt werd tegengesproken en nog tot in de jaren twintig van de vorige eeuw stond het woord ‘basvetterij’ voor ‘schimpen op de kolonie’.

    Ook een adverteerder haakte in op zijn bekendheid:

    ddd_010283518_mpeg21_p010_image

     

     

     

     

     

     

    Maar uiteindelijk raakten Bas Veth en zijn boek vergeten, al verscheen er in 1978 nog wel een (bekorte) herdruk. En wie dat boze proza heden ten dage leest raakt toch opnieuw onder de indruk van wat haat kan losmaken in een schrijver. Het verdient een plaats in iedere boekengalerij.

    Bas Veth – Het leven in Nederlandsch-Indië uitg. P.N. Van Kampen & Zoon (1900)

     

  • Kipling

    Als Daniel Dravot tot Koning van Kafiristan is gekroond, gaat hij op zoek naar een vrouw. Ik wil een Koningin voor de wintermaanden, zegt hij tegen zijn strijdmakker Peachey Carnehan. Die wil er niet van weten: de Bijbel zegt dat Koningen hun krachten niet mogen verspillen aan vrouwen, vooral niet als ze een nieuw Koninkrijk op poten moeten zetten. Dravot drijft zijn zin toch door. Als hij de gedoodverfde Koningin op de huwelijksdag ontmoet, is hij tevreden–ze kan ermee door, zegt hij. Hij wenkt haar naderbij: je hoeft niet bang te zijn, Moppie, kom hier en geef me een pakkerd. Hij slaat zijn arm om haar heen, zij verberThe men who would be king - boekgt haar gezicht in zijn rode baard. Dan gebeurt het. Die sloerie heeft me gebeten, schreeuwt Dravot en hij voelt dat hij hevig bloedt. De omstanders kijken verbijsterd toe. Het besef dringt door dat Dravot geen God is en ook geen Duivel, maar een gewoon mens van vlees en bloed. Paniek breekt uit, er wordt geschoten. Godallemachtig, roept Dravot, wat heeft dit te betekenen. Iemand buldert: Kom op! Wegwezen! Dit wordt opstand en vernietiging, we moeten maken dat we wegkomen!

    Het tafereel komt uit The Man Who Would Be King, een van de Indian Tales van Rudyard Kipling, voor het eerste verschenen in de verhalenbundel The Phantom Rickshaw and Other Tales, 1888. Het verhaal werd verfilmd door de Amerikaanse regisseur John Huston in 1975–genomineerd voor Oscars, Golden Globes en door BAFTA en de Writers’ Guild–met Michael The men who would be king - film Caine en Sean Connery in de (onvergetelijke) hoofdrollen. Huston schreef een rolletje voor Kipling zelf in de film, de journalist-verteller die de avonturen van Dravot en Carnehan optekent, vertolkt door Christopher Plummer. Met diens acteerprestaties is niets mis, hij is alleen te oud. Hij lijkt vijftig, terwijl Kipling net in de twintig was toen hij het verhaal schreef.

    Dravot en Carnehan zijn, naar eigen zeggen, alles geweest: soldaat, zeeman, zetter, fotograaf, eindredacteur, straatpredikant en correspondent van de Backwoodsman als we dachten dat de krant er een kon gebruiken. We hebben heel India doorkruist, meestal te voet. We waren gasfitters, machinisten, aannemers, wat al niet, en we hebben besloten dat India te klein is voor mensen zoals wij. Zo stellen ze zich voor aan de verteller-journalist. Ze komen bij hem informeren naar hun bestemming, Kafiristan, en vragen hem als getuige van het contrack dat ze voor elkaar hebben opgesteld. This Contract between me and you persuing witnesseth in the name of God–Amen and so forth. That me and you will settle this matter together: i.e. to be the Kings of Kafiristan. Ze zullen geen drank of vrouwen aanraken, zich waardig gedragen en voor elkaar opkomen. Hun plan voor de verovering van Kafiristan is simpel maar doeltreffend. In het land is nog nooit iemand geweest, er zou flink gevochten worden. Wie weet hoe hij soldaten moet africhten, kan daar zomaar koning worden. We shall go to those parts and say to any King we find–‘D’you want to vanquish your foes?’ and we will show him how to drill men. Then we will subvert that King and seize his Throne and establish a Dynasty. 

    Jungle bookKipling staat in de belangstelling; zojuist is de (derde) verfilming van zijn Jungle Book aangekondigd en de oude oordelen over de schrijver komen weer van stal, zijn reputatie als fel verdediger van het Britse imperialisme, reactionair, racist. Jungle Book zou een nauw verholen verheerlijking zijn van het blanke ras dat zich veel moeite moet getroosten om de primitieve ‘zwartjes’ (in het boek de dieren van het bos) op te heffen–The White Man’s Burden, zoals de titel luidt van een van Kiplings meest omstreden gedichten. Op internet werd Kipling onlangs gekarakteriseerd als een racist fuck en zijn werk als imperialist garbage. In dat licht zou je The Man Who Would Be King bijna beschouwen als een handleiding voor het imperialisme: landjepik door een strategie van verdeel en heers. Maar is India door de Britten echt op die manier gekoloniseerd?

    Dravot en Carnehan weten binnen de kortste keren heer en meester te worden van het woeste land ten noorden van Afghanistan, maar ze komen van een koude kermis thuis. Zodra voor de inboorlingen duidelijk is dat hun nieuwe Koningen gewone stervelingen zijn, zoals iedereen, wordt de rekening gepresenteerd: Dravot wordt in een ravijn gesmeten en Carnehan gekruisigd–als hij na een etmaal nog leeft, laten Kafiristanen hem gaan. Met zijn allerlaatste krachten weet hij de journalist-verteller te bereiken om hem over het dwaze avontuur te verhalen. Een paar dagen later is hij dood.

    In The Man Who Would Be King is geen koude imperialist aan het woord, maar een geestige, romantische jonge schrijver die Plain Tales from the Hillsde hoogmoed van wereldveroveraars laat zien. Dravot en Carnehan zijn loafers, ‘zwervers’, buitenstaanders in het Britse koloniale stelsel. Kipling bekijkt hen met spot, maar ook met sympathie. In zijn Indiase periode (1882 tot 1889) was hij zelf een outsider: afgekeurd als militair vanwege zijn slechte ogen en afkomstig uit een semi-artistiek milieu. Zijn vlijmscherpe schetsen van het koloniale leven, Plain Tales from the Hills (1888), maakten hem populair in Engeland, maar gehaat in de Anglo-Indiase gemeenschap. Uit zijn vroege verhalen, maar ook uit een boek als Kim (1901), valt een innige liefde voor het gewone Indiase volk af te leiden. Kipling sprak uitstekend Urdu en was verslingerd aan het rauwe, bonte leven dat hij leerde kennen in de inheemse buurten van Lahore, waar geen blanke zich durfde te vertonen. Hij trok op met handelaren, kunstenmakers, bandieten, priesters, fakirs, hoeren, tovenaars, slangenbezweerders en voelde zich aan die zelfkant aanzienlijk beter op zijn plaats dan in de chique herensociëteiten van de Britse koloniale elite.

    Het door Dravot en Carnehan veroverde gebied heeft vooral een symbolische betekenis. Kafiristan betekent het ‘land van de ongelovigen’ of het ‘land van de schurken’. De beide vrijbuiters hadden zich voorgenomen om dat land te veroveren en te beschaven, maar de missie werd hun ondergang. Misschien is het tijd om het vroege werk van Kipling, met name zijn Indiase verhalen, nog eens te herlezen.

  • En de boer, hij ploegde voort

    Een vriend kwam langs met een boek dat hij had meegenomen uit zo’n kastje waarin boeken te vondeling worden gelegd. Een vooroorlogse linnen band met ouderdomsvlekken en een plaatje op het voorplat van een boer die, gadegeslagen door de zon en Gods alziend oog, zaaiend over de akker gaat. BoerenpsalmBoerenpsalm heet het en het is van Felix Timmermans. Mijn vriend was enthousiast. Ik had er nog nooit van gehoord.

    Wat een ontdekking! De taal is van een dusdanige barokke, Vlaamse pracht dat je om de zin wel een onbekend woord tegenkomt. Maar ik hou van het Afrikaans van Elisabeth Eybers en het West-Vlaams van Guido Gezelle en het zeventiende-eeuws van Focquenbroch en ook hier smaakte de taal me uitstekend.

    Wat me voor het boek won, waren de vorm en de moraal.
    Het hele boek door is de hoofdpersoon, de boer Wortel, aan het woord en hij richt zich daarbij tot niemand minder dan God. Zijn verhaal is biecht en gebed tegelijk.
    Niet dat de roman kwezelig en halfzacht is. Het verhaal is doortrokken van een ‘primitieve’ vroomheid en die is aards en weerbarstig en allesbehalve zoetsappig (‘vroom’ betekende vroeger ook ‘flink’ en zelfs ‘dapper’).

    Het verhaal is eenvoudig. Een man vertelt van zijn volwassen leven en de strijd om een zeer armoedig bestaan. Hij heeft een koe, een paard, een varken voor de slacht en een lapje grond. Hij trouwt en krijgt kinderen. Later is er een tweede vrouw. Nooit is het werk gedaan, behalve in de winter. Dan gaat hij stropen en snijdt hij aan een houten Christusbeeld, jaar in jaar uit. De oogst valt soms mee en soms tegen. De adellijke dame op het landgoed strijkt een flink deel van de opbrengsten op. Kinderen groeien op of sterven. Sommigen van hen verdwijnen naar een verhoopt beter leven, anderen blijven in het dorp. Er zijn de verleidingen des vlezes en de botsingen met de wet. Er zijn de kerk en de pastoor en er is de povere troost van het (bij)geloof. Hij wordt ouder en nog armer en dan doet hij een ontdekking: voor geen goud had hij een ander leven gehad willen hebben. Hij dankt God.

    Het boek begint als volgt: ‘Ik ben maar een arme boer en al heb ik veel miserie gehad, toch is het boerenleven het schoonste leven dat er bestaat. Ik wil nog met geenen koning verwisselen. God, ik dank U dat gij van mij een boer hebt gemaakt!’

    En zo eindigt het: ‘Ik dank U met mijn heel en hevig hart! Uit heel de volheid van mijn ziel! En laat Uwen Wortel als tegendank nog vele jaren op Uw veld (dat spijtig, ook van ’t kasteel is) in het zweet zijns aanschijns mogen werken! Dank op voorhand!’

    Tussen opening en slot voltrekt zich het leven van een man die bijkans vermorzeld wordt door het bestaan en aan het eind amper nog te onderscheiden is van de grond die hij bewerkt.
    Het boek is ook een lofzang op de arbeid, de arbeid die én vrucht draagt én uitput.

     

    Krijg je met een verhaal als dit de handen nog op elkaar? Het is wars van ‘volg je passie’, ‘ontdek je identiteit’ en ‘neem de regie over je eigen leven’. Die Wortel, dat is toch zeker een uit de klei getrokken halve wilde, een boerenkinkel?
    Wat het boek zo indrukwekkend maakt, is dat in dit verhaal, dat in zijn uiterlijkheden, en voor een moderne lezer, eigenlijk uit louter achterlijkheid lijkt te bestaan, een grote wijsheid wordt beleden: aanvaard je bestaan.
    Dat wordt gedemonstreerd aan een leven dat tegen het eind van het boek bijna voorbij is, of beter gezegd: voltooid. Wortel heeft zijn levensinzicht veroverd op het bestaan en op zichzelf. Hij is een held, klaar voor het einde zoals dat wordt bezongen in ‘The Long Day Closes‘ van Arthur Sullivan:

    Go to the dreamless bed
    Where grief reposes;
    Thy book of toil is read,
    The long day closes.

    Dit is een christelijk boek, maar allesbehalve wereldvreemd (christelijke lezers zullen zeggen: ‘en dús niet wereldvreemd’). Het toont de ‘condition humaine’ die u, ik, wij allemaal te verduren hebben. En het toont een moeilijke en superieure levensinstelling: Amor Fati. Zeg maar ‘ja’ tegen het leven.

    Bloed en rozen
    Ik ben eens op zoek gegaan. Het toeval wil dat in het magistrale Bloed en rozen, Jacqueline Bel’s onlangs verschenen turf over de Nederlandse literatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw, Boerenpsalm uitgebreid wordt besproken. Het was bij verschijnen in 1935 meteen een groot succes; Timmermans had de folklore en de ‘leut’ achter zich gelaten, aldus de kritiek; Ter Braak was er over te spreken; het is een blijvertje in de Vlaamse literatuur (de twintigste druk is van 2010). Het is vertaald in vele talen; in 1989 is het verfilmd; u vindt het integraal op www.dbnl.org.

    Lezer, laten we er niet omheen draaien. U, ik, wij allemaal zijn net als Wortel halve wilden. Of we zijn heroïek zullen evenaren valt te bezien, en ook of we ons leven ooit als voltooid mogen beschouwen en niet slechts als ‘voorbij, voorbij, oh, en voorgoed voorbij’.

  • Zwerfboek

    Al eerder schreef ik in een blog: je hoeft niet te reizen om op reis te zijn. Een goed boek is genoeg.

    Maar soms maakt zo’n boek ook een flinke reis. Al een paar jaar recenseer ik boeken voor Literair Nederland. Meestal zo’n 8 per jaar. Ik kreeg het boek ‘Afscheid van Odessa’ toegestuurd om te recenseren. Ik was een beetje druk dus ik nam het boek mee op mijn reis naar de Dominicaanse Republiek. Op het vliegveld, tijdens de lange vluchten en de boot had ik vast tijd om te lezen, dacht ik.

    De vluchten gingen verrassend snel en de tijd op het vliegveld van New York had ik hard nodig om door de immigratie te komen. Ook op de boot vloog de tijd voorbij. Overal zag ik walvissen, mijn boek sloeg ik niet eens open. Op de terugweg had ik enorme vertraging. Dus las ik ‘Odessa’ op het vliegveld van New York. En in het vliegtuig; ik zat tenslotte 4 uur in een stilstaand vliegtuig.  Er wasAfscheid van Odessa een sneeuwstorm, dus we konden niet weg. We stonden zo lang stil dat sneeuwschuivers de banen eerst vrij moeten maken. Daarna lag er te veel sneeuw achter de vliegtuigwielen en moesten er weer sneeuwschuivers aan te pas komen. Toen moesten ze de banen weer vrijmaken en vervolgens moest het vliegtuig ge-de-iced worden, zoals de piloot zei. Dit kostte zoveel tijd er weer sneeuwschuivers moesten aanrukken om de taxibaan vrij te maken.

    Genoeg tijd om in de wereld van Russische Joden te duiken en boven de oceaan las ik het boek uit. Weer thuis had ik een harde landing. Mijn vader bleek ernstig ziek. Mijn oude hond moest worden geopereerd. De bergen met werk waren niet te overzien. De recensie schrijven kwam er niet van. Het boek bleef liggen en ging nog even mee naar Vlieland. Ik liep hard, fotografeerde, werkte aan mijn nieuw reisblog, maar van recenseren kwam niets terecht.

    Terugkeer naar Odessa
    In juni realiseerde ik me dat ik het boek nogmaals zou moeten lezen om de recensie te kunnen schrijven. Letterlijk een ‘Terugkeer naar Odessa’ dus. Dus ging het boek weer mee op reis; naar Egypte ditmaal. Het boek kwam slechts één keer uit mijn koffer. Ik was te druk. Met duiken, met dolfijnen, met kitesurfen, met vrienden die op bezoek kwamen. Ik zat aan het strand en wilde net mijn boek openslaan toen één van de duikers riep dat er dolfijnen in het huisrif waren. Dus ik gooide mijn boek in het zand en sprong in het water. Weer aan de kant was mijn duikbuddy er en dook ik vervolgens weer diep onder water. Kortom, verder dan het openslaan van het boek kwam ik niet.

    Weer thuis kwam ik om in het werk. Mijn vader lag nog steeds in het ziekenhuis. De hond moest weer geopereerd worden. Ik werkte hard aan een Eerste Wereldoorlog-expositie voor een nieuw te openen museum. Ik schreef een voorwoord voor een boek over verzetsheldin Hannie Schaft. Mijn reisblog ging online. En het succes van mijn reisblog zorgde er voor dat ik al maanden niet aan mijn gewone blogsjes toe kwam. Laat staan aan het herlezen van ‘Odessa’. Allemaal projecten naast mijn drukke baan. Toch liet Odessa me niet los. Het is een mooi boek. Het verdient het om gerecenseerd te worden. Dus in oktober ging het weer mee op reis. Naar Jordanië dit keer. Ik had al mijn twijfels of het me zou lukken om het te lezen. Mijn programma was vol: 2 dagen duiken in Aqaba, dobberen in de Dode Zee (met boek misschien?), een urenlange trail door de Wadi Mujib, 2 dagen om Petra te verkennen en ter afsluiting de Wadi Rum in. Toch las ik het boek. En zo komt het dat ik op het vliegveld van Istanboel, wachtend op mijn vlucht naar Amsterdam alvast mijn gedachten liet gaan over hoe de recensie van ‘Odessa’ moet worden. Wat een reizen maakte dit boek!

  • Droomtijd

    Zes is altijd een mooi getal geweest: zes concerti grossi van Händel, zes Brandenburgse concerten van Bach. En zes boekjes in een serie over ‘Religie en zingeving in literatuur en kunst’, naar de leeropdracht die Johan Goud van 1999-2015 vervulde aan de Universiteit Utrecht. Hij is ook de redacteur van deze serie.

    Al eerder verschenen bij een andere uitgever enkele soortgelijke boekjes als zogenaamde Uytenbogaertpublicaties, zoals Een vermoede God, over vijf mystieke denkers, en Een verbeelde God, over dertien literaire onderwerpen. De namen van enkele auteurs komen terug in het laatste van de zes deeltjes dat recent bij Klement verscheen. Maar het gaat me hier primair om het gedachtengoed van hoogleraar en redacteur Goud zelf.

    Oratie
    In 2010 sprak hij zijn oratie uit, die werd gepubliceerd in Het leven volgens Arnon Grunberg: de wereld als poppenkast. Goud stelde zich daarin de vraag wat lezen eigenlijk is en hoe het uitwerkt. Aan de hand van – inderdaad – onder meer de boeken van Het leven volgens Arnon GrunbergGrunberg die hem ‘in verwarring achter’ lieten. Wanneer hij zo’n beetje op de helft van zijn oratie over ‘levensbeschouwelijk lezen’ komt te spreken, onderscheidt hij vijf aandachtspunten binnen het wetenschappelijk onderzoek daarnaar:

    1. Narratief onderzoek als ‘een combinatie van emperie, theorie, morele en levensbeschouwelijke intuïties’ naar ‘kleine verhalen’
    2. De zingevende functie van literatuur in het verlengde van een artikel van Paul Ricoeur: Du texte à l’action
    3. Literatuur en kunst ‘als bronnen van wereldbeschouwing’
    4. Lezen en kijken als vormen van moreel besef en morele reflectie
    5. Een effectieve uitoefening van publieke taken als academicus.

    Dat laatste heb ik een keer meegemaakt tijdens een interessante studiedag in Utrecht naar aanleiding van één van de boekjes. Wat ik in deze opsomming echter wel mis, zijn formele aandachtspunten met betrekking tot literaire bronnen. Maar dat is eigenlijk een beetje inherent aan het onderzoek van veel theologen en filosofen die zich met literatuur bezighouden.

    Afscheidscollege
    Gouds afscheidscollege is opgenomen in het laatste van de hiervoor genoemde serie van zes boekjes:Door woorden gekust Door woorden gekust. Talen van de liefde. Door deze tekst na de oratie te lezen, kunnen we kijken waar Goud gaandeweg zijn leeropdracht op uit is gekomen. En die uitkomst is ontroerend: het college gaat primair ‘over de liefde voor het lezen van fictie en poëzie en het liefhebben dat lezen als zodanig is.’ Lezen is niet langer vooral of louter verbijsterd achterblijven, zoals Goud overkwam na het lezen van Grunberg, maar het voegt ‘droomtijd’ toe: het lezen dat ons, volgens de filosoof Emmanuel Levinas, ‘uittilt boven de zorg om onszelf, boven het realisme en de politiek.’

    Goud neemt als voorbeeld een gedicht van Paul Celan: Kenotaph (Cenotaaf). Een gedicht dat volgens hem ‘verslag doet van de vreemde ontmoeting tussen de dichter en zijn lezer, tussen de afwezige en de vreemdeling.’ Het gedicht voert hem terug naar – en dat kan niet missen – Arnon Grunberg, die zoekt naar lezers die hem ‘de grondtoon, de basis, de aarde waaraan wij hopen iets vruchtbaars te onttrekken’ geven. Ook de schrijvers over wie de andere deeltjes in deze serie gaan, worden genoemd: Rutger Kopland, Willem Jan Otten en Oek de Jong.
    Goud sluit af met een gedicht van Leo Vroman: ‘Voor wie dit leest’ en komt tot de slotsom dat het aankomt op het bewandelen van omwegen. Droomtijd is zo’n omweg. Al mogen de vijf taken die hij in zijn oratie noemde er wat mij betreft best op één of andere manier in mee-resoneren. En mag ook gezegd zijn dat je daarnaast, of soms primair, volop kunt genieten van de taal van poëzie en de vormgeving ervan op zich.

     

    Door woorden gekust. Talen van de liefde
    Redactie: Johan Goud
    Verschenen bij: Uitgeverij Klement
    ISBN: 978 90 8687 166 7
    Prijs: € 19,95