• Gedichten van een rijkgevulde dis

    Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

    Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

    Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

    Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

    In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
    Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

    Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
    In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

    Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 13, nr. 1, april 2014
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-
    Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
    Van Gennep /Amsterdam

     

     

  • De Parelduiker 2015/1

    Aandacht voor Hans Keilsons eerste jaren in Nederland als Duits vluchteling en hoe hij zijn brood verdiende als tekstschrijver voor een reclamebureau. Ook aandacht  voor de Italiaanse jaren van Arthur van Schendel en zijn dochter Corinna (Kennie in de dagboeken van Frida Vogels). Wam de Moor wordt herdacht in de rubriek De laatste pagina. En wat te denken van een foto waarop de Duitse acteur Heinz Rühmann staat, samen met de Nederlandse acteur Jan Teuling. En een nieuwe serie, Groningse schrijvers. Dit alles weer geïllustreerd met prachtig beeldmateriaal.

    Onlangs In de ban van de tegenstander van Hans Keilson (1909-2011) gelezen. Verstilde literatuur, welke in eerste instantie door een uitgever werd geweigerd. Dat het een blijver van grote betekenis voor de wereldliteratuur zou worden, had deze er toen niet aan afgezien. Later kwam het wel goed met dat boek, maar pas in 2010, nadat een recensent van de New York Times de schrijver een genie noemde, ging de wereld als een gek (virtueel) met de toen 100 jarige Keilson op de loop.
    Keilson was in eerste instantie medicus en daarna pas schrijver. Hij schreef omdat hij als medicus oprecht geïnteresseerd was in de wereld van de ander, vriend of vijand. Het mooie is dat mensen als Keilson hun sporen nalaten gaandeweg hun zoektocht door het leven.
    Cultuurhistoricus Sjoerd van Faassen deed onderzoek naar de schrijver achter het pseudoniem Benjamin Cooper. Cooper werkte tussen 1938 en 1939 in opdracht voor het Amsterdamse reclamebureau Co-op 2. Deze produceerde een aantal gelegenheidsboekjes waarin teksten van verschillende schrijvers werden samengebracht door deze Benjamin Cooper.

    Hans Keilson bleek één van de schrijvers achter dit pseudoniem. De andere schrijver was Gerd Klaass, eveneens uit Duitsland gevlucht. Klaass en Keilson woonden in hetzelfde pension aan de Anna Vondelstraat in Amsterdam. Het gaat om zes publicaties waarvan één op volledige verantwoording berust van Klaass en één op Klaass en Keilson samen. Voor de overige vier was Keilson verantwoordelijk. De onderwerpen waren even uiteenlopend als illuster, zoals: Hendrik Colijn, Erasmus, Comenius en de vrede (met teksten van de paus, Krishnamurti, Mahatma Gandhi en Henriette Roland Holst). Volgens Van Faassen geen Exil-literatuur maar wel met een licht ideologische lading gepresenteerd. Naast een compleet beeld van de zes uitgaven, schetst Van Faassen een biografisch beeld van Keilson, Klaass, reclamebureau Co-op 2, eigenaar Paul Guermonprez en zijn illustratoren.

    In Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas (1) opent Herman Sandman de serie Groningse schrijvers, met een beschrijving van de provincie (veen- klei- en zandgrond) en het literaire verleden en de toekomst: een poëtisch leeg landschap dat (volgens Sandman) juist door die leegte inspireert en iets met je doet. Zo was hij ooit bij dichter Rutger Kopland op bezoek en begreep welk een invloed het uitzicht van Koplands schrijfkamertje, op zijn werk had. Veertig jaar had de dichter met uitzicht op hetzelfde stukje grond vanuit zijn raam, zitten schrijven. ‘Dit uitzicht was mede verantwoordelijk voor veertien bundels (…). Dat uitzicht, daar zat bijna copyright op.’

    Het is een prachtig spectrum aan schrijvers die naar Groningen trokken of er juist van weg gingen (Max Dendermonde, J.B. Charles en Bert Schierbeek, Belcampo, W.F. Hermans) en schrijvers die boeken, geïnspireerd op de Groningse cultuur schreven (Tessa de Loo’s Meander (1986) en De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom). En wellicht had de Franse schrijver Georges Simenon zijn Maigret in Delfzijl bedacht. En daarbij dan die foto waarop de Europese vertolkers van Maigret te zien zijn bij de onthulling van het standbeeld van Maigret in 1966. Waaronder Heinz Rühmann (1902-1994) en Jan Teuling. Rühmann, waarvan de naam waarschijnlijk per abuis als Ruehman gespeld is, was het prototype van de ontwapende ‘kleine man’, in al zijn rollen. Mooi deze ‘kleine man’ hier te zien opduiken. Groningse schrijvers, een mooie kroniek waarvan nog twee delen zullen volgen.

    Dina Aristodemo, Italiaans letterkundige en publicist brengt de jaren dat Arthur van Schendel, met vrouw en dochter in Italië verbleef, op een speciale manier onder de aandacht. Het blijkt dat na de dood van Van Schendel er twee Italiaanse romans verschenen waarin episodes van zijn verblijf in Italië (en van zijn dochter) zijn vastgelegd. Het bestaan van deze boeken was tot nu toe onbekend in Nederland. Aristodemo onderzocht de overeenkomsten tussen de bekende biografische gegevens van de Van Schendels, en de beide romans en haar bevinding is: ‘dat we deze romans in de beeldvorming over de Van Schendels niet zonder meer ter zijde kunnen schuiven.’
    Lees en ervaar deze verrijking voor de literair hongerige geest.

    Met dank aan ‘Parelduikers‘ Sjoerd van Faassen, Herman Sandman, Frank Okker, Dina Aristodemo, Hans Olink, Jan Paul Hinrichs en Paul Arnoldussen.

     

  • Twee literaire tijdschriften

    Tirade 455, met nieuw werk van acht prozaschrijvers en vijf dichters viel al een tijdje geleden op de deurmat. De verhalen zijn van een kaliber zoals je ze graag wilt hebben. Sterke personages en beeldende ontwikkelingen die, zoals hierboven al geschetst, de onversneden werkelijkheid tot iets verhevens maakt. Want wat te denken van het verhaal Oom (vertaling Gilles van der Loo) van David Woodrell (1953), de country noir schrijver uit Missouri. Opent met: “In een wieg past mijn baby niet. Mijn baby weegt tweehonderd kilo met zijn rolstoel erbij)…)”. Een oudere man neemt jonge meisjes te grazen en sleept ze mee naar een oude hooischuur waar hij ze misbruikt. Ook zijn (inwonend) nichtje moet er aan geloven. Tot zij hem de hersens in slaat. Vanaf dat moment zorgt zij voor hem zoals een kind voor een babypop. En gooit de ‘pop’ van zich af wanneer ze er genoeg van heeft. Zoals dat gaat bij kinderen. Een pracht verhaal, een echt ‘histoire noir’.

    Walter van den Berg gaat in zijn verhaal Een eiland, vanuit het water bekeken, verder in (denk aan zijn prachtige roman Van dode mannen win je niet) op het effect van een (slechte) stiefvader op het verdere leven van een kind. Van James Salter is Nog zo, het enige (proza)gedicht dat hij ooit schreef, opgenomen. Opmerkelijk zijn de uit het Italiaans vertaalde gedichten door Marko van der Wal van Ilja Leonard Pfeiffer. Wat is er te zeggen over een Nederlandse dichter die in het Italiaans dicht en die vervolgens vertaald worden naar het Nederlands?  In Nawoord bij de Italiaanse gedichten, licht Pfeiffer toe wat het effect is van in welke taal je schrijft.

    Wytske van der Steeg schreef Overgave. Versteegs schijnbaar gevoelloze personages leveren een mooi verhaal op van meebewegen met de krachten die tegen je zijn. Dan zal je niets gebeuren. Verder onder meer proza van Arjaan van Nimwegen, Roos van Rijswijk, Valeria Luiselli. Poëzie van Amarantha Groen, Wim Brands en Eva Gerlach. In De Ambassadeur brengt schrijversduo Bindervoet & Henkes hun vroege liefde voor het werk van striptekenaar Aart Clerckx (1945) onder de aandacht. Kroniek van de roman door Carel Peeters (over De consequenties van Niña Weijers). De tirade van… is van Carolina Trujillo. Illustraties zijn van de hand van Floris Felix van Velsen. Een zeer rijkelijk en mooi gevuld nummer deze Tirade. Gewoon kopen is het advies.

     

    Tirade
    Verschijnt vijf keer per jaar
    Jaarabonnement € 50,00 – studenten € 35,00
    Uitgegeven door Van Oorschot
    Kijk ook op Tirade.nu


    10513416_10154379986980335_2473944956020619951_nKluger Hans is een Vlaams literair tijdschrift dat vrij jong, in 2013 in zijn vijfde jaargang ter ziele ging. Maar maakte begin 2014 met een vernieuwde redactie een doorstart. Kluger Hans #22 ( zomereditie, maar literaire tijdschriften zijn niet gauw gedateerd), is een op het Oosten  gerichte editie. In Het Oog vertelt  redactie lid Daan Oostveen dat Kluger Hans begin dit jaar werd vereerd  met een bezoek van twee Chinese monniken. Zij kwamen met een missie: leren mediteren bij een Nederlandse meester in de meditatie. Op zich is daar al wat voor te zeggen, maar wat ze op de burelen van Kluger Hans zochten, wordt niet duidelijk. Oostveen stelt voor zijn inleidend essay als leesadvies te gebruiken. Dit licht verwarrende advies vat hij als volgt samen: (…): lees de bijdragen in het nummer niet als ontvanger van de uitdrukking van een schrijver, maar als de actieve partner van de ontvangende geesten. Wij menen dat onze schrijvers liever niets hadden uitgedrukt, maar omdat het schrijvers zijn toch iets moeten uitdrukken. Misschien moet hierover gemediteerd worden om de boodschap over te laten komen.

    Op de site is te lezen wat KH wil zijn en waar ze voor staan. Het komt nogal bestdoenerig over, zodat je denkt: ‘show, don’t tell’. Het gaat om de bijdragen die het blad zullen moeten dragen. In deze editie werk van de Chinese schrijver Yu Jian met drie korte prozastukken (vertaling Audrey Heijns). Annet Bremen schreef tien jaar na 9/11, en gebaseerd op haar puberdagboeken, het gedicht 9.11.
    Mooie verhaal, qua stijl en inhoud is van de Vlaamse schrijver Davy Reggers. Eigenlijk zijn het twee fragmenten uit zijn ‘roman in wording’, getiteld 288Waarin de vlucht wordt beschreven van een elfjarig Chinees jongetje met zijn oom en moeder naar een oude theeplantage in de bergen. Het verhaal is gebaseerd op het 228 Incident door de Kwomintang: een opstand tegen de regering in Taiwan die begon op 27 februari 1947 en werd onderdrukt door de Republiek China. Goed geschreven en met kennis van land en gebruiken.

    Een essay van Wim Michiel over  wat literatuur zoal bewerkstelligt, of juist niet: Who’s afraid of Bertold Brecht? Over Brecht, China en de utopie. Hij richt zich op dat deel van het werk van Brecht, waarbij Brecht zich liet inspireren door de Chinese cultuur. Interessant Werk van de Canadees/Nederlandse schrijfster Willow Verkerk, The Same Face, is in het Engels opgenomen. Hierin maakt literatuur verschil, of beter, taal maakt het verschil. Mooi en intrigerend werk van de gezusters Clara en Lisa Spilliaert, Hotel Red Shoes. Op de naar binnen gevouwen achterflap van het tijdschrift een kleine biografie over deze beide dames en hun werk door Stefaan Willems. Een leuke verzameling van proza, poëzie en essay maar de gerichtheid van een thema kan als hinderlijk worden ervaren. Het neemt de wind uit de zeilen, daar waar de lezer zijn eigen richting wil zoeken. Maar ook Kluger Hans zou ik gewoon kopen.

    Kluger Hans verschijnt vier keer per jaar
    Prijs losse nummers: € 7,00
    Abonnementen: € 25,00 (B) – € 29,00 (NL)
    Uitgegeven door: redactie Kluger Hans

     

     

  • Nagelaten werk Tip Marugg en de andere kant van cult-schrijver Nanne Tepper

    Een schrijver die vermeld wordt in De Parelduiker is óf een overleden óf een in de vergetelheid geraakte schrijver waarvan het grote publiek veelal geen weet heeft. De Parelduiker brengt daar verandering in door steeds iets uit de diepe literaire wateren op te duiken waar geen mens naar zocht maar dat je, wanneer je het in handen (onder ogen) hebt, als een waardevol gegeven koestert.

    De samenstellers Aart G. Broek en Wim Rutgers van Verzameld werk (1945 – 1995) van Tip Marugg (1923-2006),  gingen ervan uit dat al het werk van Marugg tussen deze tijdspanne bekend was en door hen ingezien. Maar er werden dozen vol krantenknipsels gevonden waarvan ze het bestaan niet kenden. Daarover in De Parelduiker 3 van dit jaar.
    In de laatste Parelduiker van 2013 een stuk over Nanne Tepper (1962 – 2012). Die in zijn tijd van debuteren net zo veelbelovend was als Arnon Grunberg. Depressies hielden hem weg van zijn ‘grote’ werk. Hij schreef enkel nog columns en muziekrecensies. De betekenis van ‘veelbelovend’ niet waarmakend maakte hij op vijftig jarige leeftijd een einde aan zijn leven.

    Aart Broek beschrijft in hoeverre een verzameld werk compleet, of liever incompleet is. Er kan altijd nog iets boven water komen waarvan de samenstellers geen weet hadden. Zo ook het geval met het werk van Marugg. Broek en Rutgers hadden toegang tot al het werk van Marugg dat in omloop was. De familie evenwel is er van overtuigd dat het werk dat hij in portefeuille hield, niet zonder meer gepubliceerd mag worden. Marugg heeft aangegeven dat wat niet voor derden bestemd is, hij bij zijn leven verbrand zou hebben. Hier liggen dus nog enkele stukken die op de openbaarheid wachten. Wat er ook buiten beschouwing gebleven is waren dozen vol krantenknipsels, veelal recensies van theaterstukken en tentoonstellingen verzameld door een particulier. Tien jaar nadat deze dozen geschonken waren aan de openbare bibliotheek kwamen deze stukken boven water. Te laat om opgenomen te worden in het verzameld werk. Broek pleit dan ook voor een ‘krachtdadig handelen in archieven en bibliotheken ten aanzien van het verkrijgen en vervolgens toegankelijk maken’ van materiaal van belangrijke schrijvers. Mooi is het dat De Parelduiker er is en ruimte biedt aan nieuwe vondsten en wetenswaardigheden over vergeten- of schrijvers van lang her. Aldus een aanvulling op het verzameld werk van Tip Marugg, geïllustreerd met foto’s van een jonge Marugg, een afbeelding van een handgeschreven briefje (1985), opgedragen aan de vrouw van Boeli van Leeuwen, het typoscript van een enkel krantenartikel en een prachtige afbeelding van een ets van de kop van Marugg  (2013) door de Leidse beeldende kunstenaar Bert Kienjet.

    Verder in deze 3e editie van dit jaar een interessant stuk van Jaap Cohen over de literaire wereld midden jaren vijftig vorige eeuw. Boekverkoper en literair koppelaar Karel van Boeschoten hield residentie in de Huidenstraat 13 te Amsterdam, alwaar hij in 1958 de toen 25-jarige rechtenstudent Hans Ulrich (kortweg Ulli) Jessurun d’Oliveira ontving. Het jaar dat W.F. Hermans De donkere kamer van Damokles publiceerde. d’Oliveira schreef daarover een diepgravende recensie voor het blad Propria Cures waarmee hij de aandacht trok van Jaap Oversteegen die kind aan huis was bij de boekwinkel Van Boeschoten. Interessant is dat deze Oversteegen als Paul Dehoes geportretteerd werd door Voskuil in Bij nader inzien. Kijk, dat zijn mooie ontboezemingen die de liefhebber van goede literatuur graag wil weten. Oversteegen speelde een grote rol in de literaire ontwikkeling van d’Oliveira. Evenals Geert van Oorschot en Gerard van het Reve (toentertijd redactielid Tirade). Het was de tijd dat de beschouwingen van literatuur meer en meer op de persoon van de auteur werden gespeeld. Dit ook weer met mooie afbeeldingen geïllustreerd. Een Tiradecover uit 1958 met een tekening van Nico Wijnberg geeft een mooi tijdsbeeld.

    In de rubriek Laag water schrijft Nick Ter Wal over het pianospel van Ida Simons (1911-1960), de auteur van Een dwaze maagd die op de lijst van ‘opnieuw ontdekte’ auteurs van deze tijd staat. Zij was dus ook een begaafd pianiste.

    publication-567Dit mag niet onvermeld blijven: in het laatste nummer van De Parelduiker 2013 staat een mooi stuk van Jack van der Weide over de opkomst en ondergang van de Groningse schrijver Nanne Tepper. Vanaf midden jaren negentig gold Tepper als een cult-schrijver. Hij debuteerde met De eeuwige jachtvelden (1995) waarvoor hij de Anton Wachterprijs ontving en dat vier jaar later vertaald werd als The Happy Hunting Hours. In 1999 kwam zijn tweede roman De vaders van de gedachte uit, waarmee hij op de shortlist van de Libris Literatuurprijs kwam. In vier jaar tijd schreef hij vier prozawerken en een flinke hoeveelheid verhalen, essays, columns en recensies. Er werd veel van hem verwacht maar hij verdween van het literaire toneel. Hij kampte met zware depressies. In een fictief zelfportret schrijft Tepper over zichzelf: ‘Eerlijk gezegd valt de oogst me op geen enkele wijze mee, nu ik, dertig jaar oud en op het gebied van crises omtrent de eigen identiteit behoorlijk uitgeluld, mijzelf gedwongen zie een adempauze in te lassen, daar mijn gejammer nu zelfs mijn muze met stomheid heeft geslagen en mijn laatste lezer een straatje om heeft doen gaan.’ Nanne Tepper een schrijver die zichzelf van het literaire podium verwijderde. Lees ook deze Parelduiker en verrijk je met literaire berichten vanuit de coulissen geschreven.

     

    De Parelduiker is verkrijgbaar in deze boekhandels
    Kijk hier voor een  abonnement
    De Parelduiker op Facebook.

     

  • Het Liegend Konijn – Alle malen zal ik wenen

    Het Liegend Konijn, waarvan elke editie tot nu toe, in wisselende kleur uitgave en standaard ontwerp verscheen, draagt voor het eerst in de twaalf jaar dat het onder het bezielende redacteurschap van Jozef Deleu verschijnt, een thema. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat op 28 juli 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Voor Deleu aanleiding om het themanummer ‘Oorlog’ samen te stellen met de titel, Alle malen zal ik wenen, een citaat uit Leo Vromans (1915-2014) meest geciteerde gedicht Vrede.

    Zal dit nummer dan uitsluitend ‘niet eerder gepubliceerd werk’, van dichters bevatten die ‘het’ nog hebben meegemaakt (of op zijn minst in naoorlogse jaren zijn geboren) en waarvan nu de nagebleven gedichten boven water zijn gekomen?  Want wat zouden hedendaagse dichters over dit thema te melden hebben? Oorlog is, voor wie op Nederlandstalig grondgebied leeft, een ‘ver van mijn bed show’. Vluchten, om het vege lijf te redden is er niet meer bij. We leven, zoals Arno Van Vlierberghe stelt (met Lieke Marsman jongste dichters in deze editie) het leven van nu, waarin ‘niet doodgaan’ als hoogste doel wordt gesteld. Maar ook deze editie bevat uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, gemaakt op verzoek van Deleu .

    Het was enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog dat de filosoof en kunstcriticus Theodor Adorno (1903-1969) stelde dat het barbaars was om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven. Niet dat hij hiermee beweerde dat er nooit meer poëzie bedreven kon worden. Hij doelde vooral op het feit dat naoorlogse dichters geen lichtzinnige maar vooral geen onschuldige poëzie meer kunnen schrijven.

    Dat was ook wat er te voelen was in het pakket dat door de post bezorgt werd, de zwaarte van een onvergankelijk thema dat schuld en boete in zich draagt. Het paste niet door de brievenbus en de postbode overhandigde het, als was het een flinke homp (desem)brood. Honderdentwaalf dichters schreven samen 383 gedichten, geïnspireerd op de Groote oorlog.  De opdracht is met een  zeer groot inlevingsvermogen uitgevoerd en toont een grijs palet aan aangrijpend leed, berekenende overlevingskunst en een  ondergaan van het lot. Laten we maar gelijk met de deur in huis vallen met de drieluik Geen ding, van Eva Gerlach (1948). Waarin het leven tot op het bot is terug gebracht, ontdaan van emoties en de mens verworden tot een ‘ding’. Waarin het enige dierbare een wapen is, gekoesterd als een geliefde.

    ‘Geen ding / 1//Toen iedereen dood was begon ik voor mezelf / met mijn AK 47 mijn broertje van staal, //niemand komt me hier wassen en kammen en ik hoef voor niemand / meer hout te halen, alles komt van de soldaten // die van me houden omdat ik geluk breng en goed / kan mikken met de granaten // Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont / en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken, // (…) // Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast / op mijn schouder waar hij kan slapen (…)

    2 // Iemand vraagt om water, ik heb geen water./ Iemand heeft het koud ook al heeft ze het warm. / Ze lag naast me dood te gaan maar ze leeft nog, ik wilde/ maar dat ze dood was. (…) ze wil het gordijn dicht / maar er is geen gordijn. Ze doet haar ogen dicht voor / de zon die niet schijnt, ze telt alle vogels / die er niet zijn, ze doet hun geluid na, ik hoor het / ik hoor hun lippen trillen in de nacht.

    3 // In de kelder hield ik mijn zusje op schoot. Ze was / pas vier. Ik legde mijn handen over haar oren / zodat ze de harde klappen niet zou horen / (…) Toen we buiten kwamen en alles kapot was en overal armen en benen / huilde ze niet ze zei niets ze verstopte zich / (…) toen kwamen de mannen toen werd het / zo dat de dingen ons niet meer kenden. Geen ding. / (…)’

    Divers zijn de invalshoeken. Zelfmoordaanslagen als deel van een oorlog die nogal eenzijdig gestreden wordt. Bernard Wesseling (1978) dichtte daarover: ‘Dus dit is zijn optrekje, hier helemaal boven. Gezellig is anders. / En kijk, pamfletten boven zijn bed. Goed , bands, maar toch. (…) Wat stopt hij nou in zijn jas? En waarom gaat hij nu zitten? / Hand omhoog als je denkt aan een afscheidsbrief!’ En dan zijn er de games, waarbij men van het doden niet genoeg kan krijgen en Astrid Lampe inspireerde tot de volgend strofe: ‘(…) Nog wordt hier zwartnacht / de muur van papier / en speelt de gameverslaafde / mijnenvegertje’.

    En soms is de geschiedenis zichzelf al genoeg zoals voor Frans Budé, die schreef over het verwonde hoofd van Guillaume Apollinaire (1880-1918). De scherven uit het been van Ernes Hemingway, de afgehakte arm van Blaise Cendrars, de laatste seconden van Alain-Fournier en de dood van Wilfred Owen op 4 november in 1918.

    Saillant detail is dat de Groote oorlog, na honderd jaar nog steeds zijn sporen nalaat en slachtoffers maakt. Dit jaar werd in Ieper een depot met duizenden granaten ontdekt en op 19 maart ontplofte, bij de aanbouw van een fabriek, een granaat waarbij twee mensen om het leven kwamen. Dit bracht de dodelijk getroffen slachtoffers van na 1918 op driehonderdvijftig. Oorlog houdt zich schuil in alle kieren en uithoeken van deze aardkloot en na het lezen van vele van deze gedichten komt het besef, dat de hele mensheid doortrokken is van oorlogsleed. Of zoals Ellen Deckwitz dit veelbetekenend verwoordde in haar gedicht 1948, Siboga / ‘(…) de doden groeien met je mee. En we noemen / het pas afgesloten als we er niet meer bij kunnen.’ Prachtig! Een editie tegen het vergeten van dat, wat niet vergeten mag worden.
    Verder bijdragen van onder meer Mischa Andriessen, Benno Barnard, Chretien Breukers, Paul Demets, Anna Enquist, Lies van Gasse, Piet Gerbrandy, Annemieke Gerrist, Jo Govaerts, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Ingmar Heytze, Philip Hoorne, Sasja Jansen, Hilde Keteleer, Wiel Kuster, Liesbeth Lagemaat, Jan Lauwereyns, Myrte Leffring, Erik Lindner, Sylvie Marie, K. Michel, Martijn van Ouden, Ester Naomi Perquin, Hagar Peeters, Delphine Lecompte, Xavier Roelens, Victor Schiferli, F. Starik, Peter Theunynck, David Troch, Reinoud Verbeke, Leo Vroman, Henk van de Waal en Ad Zuiderent.


    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 12, nr. 1, april 2014
    Van Halewijck / Leuven
    Van Gennep /Amsterdam.
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-

     

  • Literaire tijdschriften – Slang#8 en Tirade een jaargang

    Literaire tijdschriften

    Titaantjes en verknipte schuursponsjes

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    Een literair tijdschrift brengt literair nieuws in de vorm van een kort verhaal, een polemiek, een literaire kritiek en is hèt podium voor nieuw literair talent. De bijdragen zijn van een gehalte dat tot denken aanzet. Wenselijk daarbij is dat het korte metten maakt met aannames, en (licht) ontwrichtend werkt. Onmisbaar voor wie in de letteren geïnteresseerd is. Maar dient vooral gelezen te worden door jong en oud die de literatuur wil leren kennen en wellicht zelf aspiraties heeft het schrijversvak te beoefenen. Want wie wil debuteren, begint met publiceren in een literair tijdschrift. Dit wetende slaat de gretigheid toe wanneer de bladen door de brievenbus geschoven worden.

    De eerste honger stillend, als een tapas bij een borrel in de namiddag, kan een bijdrage uit een literair tijdschrift een voorproefje zijn van een omvangrijker literair werk. Dus, wordt er bij binnenkomst snel doorheen gebladerd en de in het oog springende bijdragen het eerst gelezen, schrokkerig. Gevolgd door het aandachtig lezen van A tot Z, daar kan een week of paar dagen mee heen gaan. Waarna de doorgaans handzame en met zorg uitgegeven edities zich met bedrieglijk gemak terzijde laten leggen. Maar deze gestapelde literaire podia blijven je bij en verdienen het onder de aandacht te worden gebracht.

    Slang#8
    De experimentele vormgeving van Slang is verrassend gedurfd; een blanco bladzijde vormt geen bezwaar. Deze editie is geïnspireerd op Titaantjes. In 2012 werd  Nescio in de reeks  Classics-imprint van de New York Review Books  uitgegeven. Recensent en blogger Evi Hoste interviewde uitgever Edwin Frank en vroeg zich af hoe de typisch Hollandse verhalen van Nescio in Amerika bekendheid kregen. Onderlinge contacten speelden daarbij een grote rol: Tommy Wieringa sprak met vertaler Damion Searls tijdens een verblijf in het vertalershuis te Amsterdam over Nescio. Vervolgens stuurde het Letterenfonds de uitgever een Franse uitgave van Nescio en zo geschiedde. Een non-conformisme wat betreft ‘onlinebereikbaarheid’, lijkt een verborgen rode draad in deze editie. Zoals de dichter Maarten F. van het gedicht, Katharsis, waarin besluiteloosheid over gelukkig zijn of ongelukkig zich toont in mooie strofen, is niet als zodanig te googlen. “‘Rustig maar, rustig maar’, / Zei de kunst tegen de kunstenaar,” is een strofe van Daniel Keesvesting waarvan zelfs de redactie niet weet wie daar achter schuilt. Ook over Erik-Jan Hummelman is niets bekend maar zijn prozagedicht Fascineren, is een detaillistische vertelling waar doorheen de schrijver zichtbaar wordt. En dat is mooi, en genoeg. Sterre Koekebakker leidt elke bijdrage in met een korte column, vaak langer dan de tekst zelf waarvoor ze geschreven zijn, waardoor ze een enkele tekst overspoelen en licht verdringen. Opmerkelijk is de bijdrage van de Vlaming Vincent Merckx. Over een man die alleen maar rechtdoor kan lopen, als zou hij geen heupen hebben die hem het wenden mogelijk maken. Er wordt zelfs in allerijl een brug voor hem aangelegd en een stationshal opgeblazen om hem doorgang te verlenen. De hele stad in de ban van de tocht van deze man. Prachtig gestileerd verhaal, weergegeven als camera verslag voor een of andere nieuwsshow.

    Tirade, een jaargang (2013, editie 447 t/m 451)
    Met een nieuwe redactie, ongesubsidieerd en bloeiend onder een groeiend ledental gaat het Tirade zogezegd voor de wind. Als de lezer geen aandacht schenkt aan de euforisch ingezette toon van de (gedeeltelijk) nieuwe redactie, blijft er genoeg aan waardevolle en down to earth bijdragen over. De eerste editie van 2013 opent met een opwekkend citaat uit Zes memo’s voor het volgende millennium van Italo Calvino (1923-1985); ‘De Literatuur is het Beloofde Land waar de taal haar bestemming vindt’.

    Een mooie weerslag van Joost van Oostijmuiden in De dialogendialoog van een gesprek met dialoogschrijver bij uitstek, Detlev van Heest, die zijn eigenzinnigheid nog eens fijn onderstreept. Een heerlijk lichtvoetig stuk (en literatuur moet licht zijn zoals Calvino schreef, want lichtheid schept afstand, en afstand geeft ruimte om de voorgestelde dingen in je op te nemen), met humor geschreven. Van Heest werkt aan de memoires van zijn kat Kootje, of beter gezegd de kat werkt aan zijn autobiografie maar heeft last van een muisarm. Dus dicteert de kat zijn tekst aan Van Heest. Het boek zal de titel Het leven meekrijgen, met als ondertitel De miaumwoires van Kootje.
    Van JanWim Derks een stuk over de heruitgave in 2012 van de omstreden pamfletten van Céline (1894-1961). Volgens Derks is de heruitgave van Écrits polémiques in zoverre van belang dat iedereen zich, zo dit gewenst is, nu een mening kan vormen over Céline en zijn smaadschriften (1937 – 1957).
    Deze jaargang brengt tevens een nieuwe rubriek, De Ambassadeur, waarin een schrijver zijn meest geliefde titel uit de literatuurgeschiedenis onder handen neemt. Voor Renate Dorrestein is dat Slaughterhouse-Five van Kurt Vonnegut. Geen andere roman die haar zo diep raakte en waarbij ze tegelijkertijd ‘zo vaak en zo onstuitbaar in de lach schoot’. In nr. 449 doorgrondt Joost Zwagerman On the road van Jack Kerouac, waarin hij verrassende onthullingen doet over het icoon Kerouac. De Ambassadeur in editie 451 is Detlev van Heest. Het boek dat hem het liefst was, is Hoe Bert een flinke jongen werd van Anke Wentink. Al heeft hij het niet zelf gelezen, zijn moeder las het hem ooit voor.

    In deze editie ook drie gedichten van Leo Vroman. Over het einde der dagen en die, zoals veel van zijn gedichten, de indruk wekken dat hij ze zonder meer in één keer op papier zette. Editie 450 is een jubileumnummer met 45 tirades van 450 woorden van onder meer; Minke Douwesz, Marita Mathijsen, Henk Broekhuis, Arjen van Lith, Geerten Meijsing, Franca Treur, Frits Abrahams, Gilles van der Loo, Sanneke van Hassel, Maria Barnas, Sasja Janssen, Vincent Merckx en Adriaan van Raab van Canstein. Joop Goudsblom (1932) memoreert als een van de laatste, nog in leven zijnde oprichters van Tirade, over de keuze van de naam van het tijdschrift. Hij weet eigenlijk niet meer wat nu de doorslag gaf om deze naam, uit vele anderen, goed te keuren. Wel weet hij dat hij iets heel anders voor ogen had bij de naam dan deze in feite voorstond. Tirade, als afleiding van het werkwoord tirer, deed Goudsblom denken aan ‘puntig en doeltreffend polemisch proza’, waarmee holle frasen aan flarden zouden worden geschoten. Dat was toch wel wat anders dan de betekenis in Van Dale, waarin een tirade wordt uitgelegd als  ‘holle frasen’ die op theatrale en retorische wijze uitgesproken worden. Van holle frasen kan Tirade niet beticht worden, wel van puntige doeltreffendheid.
    In de laatste editie van 2013 wordt de onlangs overleden schrijfster D. Hooier (1939-2013) herdacht met mooie en intieme bijdragen van haar uitgever, Wouter van Oorschot, en haar buurtgenoten Harrie Geelen en Detlev van Heest. Alsook het nagelaten verhaal Anne Meiboom van D. Hooier zelf.

    Het slotstuk van Tirade 451 is De tirade van… Charlotte Mutsaers. Een kostelijk stukje waarin zij tekeer gaat tegen de renovatiedrift van  miljoenen landgenoten. ‘(…) vrouwen zien onmiddellijk dat de keuken en de badkamer niet deugen. Yep, kraait de man, dat flikker ik er allemaal uit, die ouwe meuk!’ Mutsaers pleit voor klemmende deuren en vochtige muren. Een rubriek om erin te houden.
    In De kroniek van de roman bespreekt Carel Peeters in deze Tirade jaargang Naar Merelbeke (1994) van Stefan Hertmans, Vertedering van Jamal Quariachi, Euforie van Christiaan Weijts en De dode arm van Allard Schröder. Verder vertaalde (o.m. door Lieke Marsman en Harrie Geelen) en Nederlandstalige poëzie en proza.

    Wat bijblijft uit deze jaargang is onder meer het korte verhaal Zondag van Renske van Enckevort. Een prozastukje over een ogenschijnlijk onschuldig tafereel in een huiskamer. Buren op de bank, vader in de stoel en moeder legt een puzzel op het tapijt. Vader bromt wat onzeker om zich heen en de buren stappen uit ongemak over de aanwezigheid van de moeder maar eens op.  Want, moeder had vader en dochter toch verlaten? Maar daar zit ze weer, alsof ze niet is weggeweest. De vader bromt iets als ‘het zal wel goed zijn’. Maar dochter wantrouwt de aanwezigheid van haar moeder. Dan een zin, die aankomt als een lichte tik maar het effect heeft van een flinke oplawaai: ’Dat er ineens weer biologische kaas in de koelkast ligt en doorgeknipte schuursponsjes op het aanrecht.’  Doorgeknipte schuursponsjes! Dan weet je dat deze, wat labiel lijkende moeder, die met een gat in haar sok (waar doorheen haar grote teen in het tapijt priemt) op de grond aan het legpuzzelen  is, een nietsontziende potentaat is. Haar vreselijke wil is wet! Door biologische kaas in de koelkast te leggen en sponsjes door midden te knippen tot handzaam formaat, neemt ze haar plaats weer in. En dat was onverwacht. Een op het oog rustig kabbelend, nergens heengaand verhaaltje en dan: ‘doorgeknipte schuursponsjes’… wat een vondst.

     

    SLANG
    Uitgegeven door:
    Stichting SLANG
    verschijnt vier keer per jaar
    Prijs losse nummers: € 5,-
    Abonnementen: € 20,-

    Tirade
    Uitgegeven door Van Oorschot
    Verschijnt vijf keer per jaar
    Jaarabonnement € 50,00
    studenten € 35,00
    abonnees in het buitenland € 60,00 (binnen Europa), € 65,00 (buiten Europa).
    Kijk ook op Tirade.nu

     

    ,
  • De laatste Parelduiker uit 2013 – Nanne Tepper en Boeli van Leeuwen

    Literaire tijdschriften

    De nieuwe Parelduiker verscheen een paar weken geleden. Hieronder een beschrijving van de uitgever over dit nummer.

    Over Nanne Tepper (1962-2012), opkomst en neergang van een gevierd talent
    Zijn debuut, De eeuwige jachtvelden, verraste de literaire wereld in 1995. En ook zijn tweede roman, De vaders van de gedachte, waarmee hij bijna de Librisprijs won, oogstte veel bewondering. Maar daarna verscheen er niet zo veel meer van Nanne Tepper. Wat was er de oorzaak van dat de inlossing van de grote belofte uitbleef? Jack van der Weide schetst de aanloop naar het debuut en de neergang van de literaire carrière van Nanne Tepper. In 2015 verschijnt een bloemlezing uit zijn correspondentie bij uitgeverij Contact.

    Verder in dit nummer:
    Ongepubliceerd werk uit de nalatenschap van Boeli van Leeuwen. Bezorgers Aart G. Broek en Klaas de Groot stelden een bloemlezing uit Van Leeuwens krantenstukken samen. Over de taak, de plicht en de liefde van de schrijver, over de Curaçaoënaars, de verhouding tot Nederland en de paspoortkwestie (ook toen al). Joke Linders buigt zich over de verrassend moderne poëtica van W.G. van de Hulst en Annie M.G. Schmidts schatplichtigheid daaraan. Mario Molegraaf beschrijft aan de hand van hun correspondentie de vriendschap tussen Gerrit Komrij en Hans Warren (‘Ik heb Gerrit, mijn beste, liefste vriend, niet verraden’). Verder: over de transseksuele Nederlandse zangeres en voormalige vriendin van David Bowie, Romy Haag. Hans Keller over Seamus Heaney. En de ongepubliceerde verhalen van Ian McEwan.

    In december 2013 is de literaire nalatenschap Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum in Den Haag overhandigd.

    Foto omslag: Rineke Dijkstra

    Zie: www.parelduiker.nl.

  • Liter 72 is uit!

    Literaire tijdschriften

    In 2013 is Marcel Möring gastschrijver van Liter. Volgend jaar verschijnt zijn nieuwe roman, het vervolg op Dis en Louteringsberg. Liter-lezers worden in het nieuwe nummer getrakteerd op een voorpublicatie uit het boek getiteld, Eden.

    In deze Liter onder meer het dagboek dat Liesbeth Goedbloed bijhield terwijl ze Louteringsberg las. Fotografe Hilde Peters pelgrimeerde naar Santiago de Compostela en fotografeerde – letterlijk – haar voetstappen. Waarvan een kleine expositie van dit bijzondere egodocument werd samengesteld.
    Flannery O’Connor overleed bijna 50 jaar geleden, maar haar werk is nog springlevend. Astrid Staartjes vertaalde het verhaal De kalkoen en een essay over ‘het wezen van fictie’. Janneke van der Veer beschouwt daarnaast O’Connors literaire erfenis.
    Gerda van de Haar en Mart van der Hiele in gesprek met dichteres Hester Knibbe, van wie ook nieuwe gedichten gepubliceerd in deze editie. Willem Jan Otten (die onlangs de P.C. Hooftprijs 2014 kreeg toegekend) vertaalde voor Liter ‘gerichte gedichten’ en presenteert opnieuw werk van Denise Levertov. En Broeder Frans Berkelmans kijkt terug op Ottens bundel Eindaugustuswind.

    Verder: Stevo Akkerman, Broeder Dieleman, Johan Goud, Vonne van der Meer en Marilynne Robinson.

    Volg Liter ook op internet:
    Website:
    http://www.leesliter.nl

     

     

  • Terras 04 – Berlijn

    Het gaat goed met Duitsland. Praten we in Nederland over weinig anders meer dan crisis, bezuinigingen en werkloosheid, in Duitsland lijkt het alleen maar goed te gaan. U gelooft me niet? Neem dan eens een willekeurig literair tijdschrift en bespreek het zonder de woorden ‘bezuinigingen’, ‘voortbestaan’ en ‘subsidie’ te gebruiken. Als het u lukt neem ik mijn spreekwoordelijke hoed voor u af.

    Het vierde nummer van het literaire tijdschrift Terras is gewijd aan de Duitse hoofdstad Berlijn. En misschien is het daarom dat men bij de bespreking ervan niet de minste behoefte voelt woorden als ‘bezuiniging’ of ‘crisis’ te gebruiken. Misschien komt het omdat Terras herrezen is uit de as van het tijdschrift Raster dat in 2008 ophield te bestaan. Wie de dood heeft overleeft is nergens meer bang voor. Terras ademt in elk geval leven en rijkdom, kwaliteit en behaaglijke uitbundigheid.

    Berlijn wordt door Terras gepresenteerd als een centrum van een mondiale poëtische kracht. Oost, West, binnen- en buitenland, oud en nieuw worden hier moeiteloos verenigd. Dit nummer bevat meer dan 200 bladzijden vol met voornamelijk poëzie, maar ook proza en essays, al moet gezegd worden dat zowel proza en essays erg poëtisch aandoen. De opgenomen schrijvers komen uit Oost en West, heden en verleden, en binnen- en buitenland. Alle schrijvers wonen of woonden in Berlijn. Dit nummer bevat behalve veel uit het Duits vertaalde teksten ook gedichten van de Canadees Ken Babstock, de Amerikaan Peter Gizzi en de Française Michèle Métail.

    Het nummer is prachtig verzorgd en leest als een bloemlezing moderne poëzie. Aan geruststellende inleidingen ontbreekt het niet want bijna iedere dichter wordt voorgesteld met een wervend stuk van de vertaler. Geruststellen is hier en daar wel op zijn plaats want Terras heeft een duidelijke voorkeur voor het experiment.

    ‘Experimenteel’ impliceert voor sommigen wellicht ontoegankelijkheid als het om poëzie gaat, maar ontoegankelijkheid ontstaat pas na de soms bijna onverwoestbare aanname dat een gedicht geanalyseerd en begrepen moet worden. Wie moeite heeft deze aanname los te laten doet er goed aan om Ilja Leonard Pfeiffers essay De mythe van de verstaanbaarheid (2000) eens te lezen.

    ‘Je moet afleren je zorgen te maken over de oplossing van het cryptogram. (…) Je moet je analytische hoofd, dat wil snappen hoe het zit, afschroeven.’

    Deze woorden van Pfeiffer lijken hier goed op zijn plaats. De Berlijnse dichteres Monica Rinck lijkt Pfeiffers poëtica te delen als ze zegt ‘Ik wil ook niet alles begrijpen. Dit gaat zover dat ik bijvoorbeeld in sommige gedichten van Ezra Pound woorden die ik niet begrijp opzettelijk niet opzoek…’

    Vertaalster Miek Zwamborn die Rincks poëzie hier inleidt, geeft ook toe dat ze er in eerste instantie ‘geen touw aan vast kon knopen.’ Ze vergelijkt Rincks teksten met de nesten van prieelvogels waarin allerlei kleurige objecten verzameld zijn. Dat is een aardige vergelijking waarbij aangetekend moet worden dat ook in tweede en derde instantie wij nog weinig aanknopingspunten voor een touw kunnen vinden. Maar mooi is het wel:

    Horen jullie dat? Zo honen honingprotocollen, roodgouden, fraai, pasteus:
    kleverigheden. Pluis. Wat de honing bindt: protocollen.
    Bevlokte unies op grijs- tot grijsblauwe tricotstof. Mensen.
    Zullen. Hangen. Blijven. Net als zaden en pollen. Zoetheid van de lucht.

    De opvallendste dichter in dit nummer, is Ulf Stolterfoht. ‘Nederland kan een injectie Stolterfoht goed gebruiken,’ meent Terras-samensteller Erik Lindler en inderdaad onderga je deze poëzie als het effect van het onderhuids inspuiten van het één of ander. Maar wat is het in vredesnaam dat in de bloedbaan terecht komt? Na het lezen van zijn gedichten heb ik geen enkel idee maar de woorden ‘roezeboom en sijsjesheid’ nemen ze me niet meer af.

    Stolterfoht gebruikt zogenaamde Fachsprache als basis van zijn poëzie. Vaktaal, jargon ergens opgepikt en opgeknipt, verdraaid en verwrongen. Een klein voorbeeld uit het gedicht ‘para-vel beziet de huid’ waarin Stolterfohts omgang met leerlooiers is verwerkt.

    ten geleide: toen ik ongeveer twintig jaar geleden in ’t instituut
    de analyse overnam stond men semantisch tegen de muur. dit beslist
    ook als bedoeld in: niets betekende meer iets. grotendeels
    lusteloos villen. dat dachten we althans. de laatste
    oorlog deed de rest. volledig in ’t lab doorgebracht. afgestapt.

    Terras’ goed verzorgde website biedt zelfs een voorlezende Stolterfoht in beeld en geluid.

    Een andere interessante bijdrage in dit nummer is een poëtisch essay van nobel- prijswinnaar Herta Müller. ‘Altijd dezelfde sneeuw en altijd dezelfde oom’ gaat heel toepasselijk over wat anderen al gauw de ontoereikendheid van de taal zouden noemen. Maar die kort-door-de-bocht formulering is Müller duidelijk te makkelijk. Zij geeft aan de taal niet te vertrouwen en worstelt met formuleringen van belangrijke ervaringen. ‘Wanneer je precies wilt zijn in je beschrijving, dan moet je in de zin iets vinden dat heel anders is, pas dan kun je precies zijn.’

    Het is een prachtig essay dat juist hier tussen alle poëzie goed op zijn plaats is. De boodschap is glashelder en legt precies de vinger op de poëtisch gevoelige plek. Alleen voor dit essay zou je dit nummer al aanschaffen.

    Er is veel te beleven in dit nummer, teveel om hier uitvoerig te beschrijven. Wie kritisch wil zijn kan opmerken dat het wel erg serieus is allemaal. Al kun je om Rinck heel af en toe wel lachen en ook Stolterfoht probeert met lichte toetsen zijn materie wat minder zwaar te maken maar de algehele indruk is toch die van poëzie met een hoog soortelijk gewicht. De kwaliteit van veel van deze gedichten laat zich dan ook bijna in grammen uitdrukken. Stolterfoht weegt daarbij het zwaarst, gevolgd door Rink.

    Een welkome uitzondering tussen de zwaargewichten is Tilman Rammstedt die vrolijk drie pagina’s vol schrijft met een fantasie over een te houden feest. Twee van de drie pagina’s zijn erg goed en het voorlezen waard. Dit zijn de openingszinnen:

    Nu is het zover. Nu moet het gevierd worden. Het moet nu eindelijk gevierd worden. Nu moet je haar goed zitten. Nu moeten de gasten komen. Nu moet de muziek inzetten. Het buffet is geopend.

    Het moet nu eindelijk gevierd worden. Er is een aanleiding. Neem buitenspullen mee. Neem zwemspullen mee. Je wordt thuis gebracht. Dat spreekt vanzelf.

    En voort gaat het in een al feest vierende opsomming van plezier, maar helaas weet Rammstedt de vreugde net niet tot het einde toe door te zetten. Het feest gaat als een dovend peertje uit.

    Echt zwaar, maar dan in negatieve zin, wordt het tijdens het lezen van ‘Sociale Poëtica’ van Guido Graf, gevuld met beschouwingen over Erb, Rinck, Popp en Stolterfoht (die, op Popp na, allen in dit nummer vertegenwoordigd zijn). Graf produceert zinnen als ‘Voorzetselprefixen schrappen in samenstellingen is een daad tegen de tijd, tegen de duur die het gebruik van een woord, van een zin, van een wending in beslag neemt.’ Ben je in het begin nog geneigd dit essay als een voortzetting van het poëtisch experiment op te vatten, na anderhalve bladzijde wordt het tijd om door te bladeren. Maar, zoals gezegd, er is veel te beleven in dit nummer en het essay van Graf is dan ook gauw vergeten.

    Dit nummer van Terras is in meerdere opzichten geslaagd. De afzonderlijke teksten vormen een sterk geheel en veel auteurs zullen voor Nederlandse lezers onbekend zijn. De redactie van Terras rantsoeneert de pagina’s bepaald niet; auteurs krijgen flink de ruimte. Zo krijgt dichteres Marion Poschmann elf bladzijden voor haar gedichten. Collega Lutz Seiler mag het met maar liefst veertien doen. Op deze manier leer je tenminste nieuwe dichters kennen.

     

  • Literair tijdschrift Nynade vernieuwd

    Nynade bestaat sinds 2007 en verschijnt drie keer per jaar. Opmerkelijk is de verandering van vorm en inhoud bij deze 20ste editie. Wat je voorheen van Nynade bijbleef was vooral de kleurrijke omslag. De inhoud echter gaf vaak de indruk dat de redactie alles plaatste dat er binnenkwam, zonder kwaliteit te onderscheiden. Waar het onderschrift van Nynade eerder Kunst & Letteren was, is het nu Letteren & Kunst. Een niet onbelangrijke omkering van het aandachtspunt. Nynade bewoog zich langs de randen van de kunst en literatuur, nu is het meer de literatuur die de boventoon voert. In deze editie het Schrijverschap als onderwerp. Een voor de hand liggend thema maar het resultaat levert mooie bijdragen op van auteurs die hun persoonlijk schrijverschap of dat van een collega auteur beschouwen.

    Een van die bijdragen is van Marte Kaan. Het uitermate boeiend en vlot geschreven essay Een leven lang sterven brengt je via de beschrijving dat haar dochtertje van twee haar bijna deed stikken in haar slaap door haar handje op haar mond en neus te leggen, naar het gemoed van de Griekse dichteres Kiki Dimoula wat tot mooie uitspraken leidt: ‘Fictie schrijven betekent ruimte zoeken tussen de schaamte’. En eindigt met een klassieker uit de literatuur over Gestalttherapie van Arnold Beisser die tot de conclusie leidt dat schrijven een middelpuntvliedende kracht is en er aan de dood niet te ontkomen is. Een essay over hoe te schrijven over tegenstellende emoties zoals ‘doodsangst en liefde’.

    De auteurs Ingmar Heytze, Nelleke Zandwijk, Janneke Hokwerda en Thomas Verbogt geven ieder in een bijdrage weer wat debuteren voor hen betekend heeft. Voor de een was het een toetreden tot de wereld van de literatuur (Verbogt) voor de ander een last want het tweede boek wil maar niet komen en dan maar liever die debutant blijven van dat ene boek (Holwerda). Een debuut kan later ook als een ‘jeugdzonde’ worden beschouwd (Heytze) of het debuteren wordt je van verschillende kanten toegeschoven (Zandwijk).

    Mieke Opstaele schreef met kennis van zaken over het Schrijverschap in de romans van Atte Jongstra. Door verschillende werken van Jongstra te bespreken toont zij aan dat hij bij uitstek een schrijver is die volledig opgaat in zijn werk. Wie zijn oeuvre kent weet wat hiermee wordt bedoeld. Leest als een goed onderbouwd ‘open boekje’ over Jongstra.

    Meer bijdragen van onder andere Ezra de Haan, Barney Agerbeek, Pim Verhulst en Emily Kocken (op punt van debuteren). Gedichten van Maarten van der Graaff, Arjen Duiker, Ingmar Heytze, Peter Smink, Brigitte Spiegeler en in vertaling van Anneli Meijer Liefdesgedichten voor Marie Angevine van Pierre de Ronsard (1524-1585).

    Nynade wil ‘nieuwe geluiden laten klinken’ en kiest ervoor ook die geluiden te laten horen die ‘hakkelend of vals’ zijn. Waarmee de lading, dat niet alle stukken even goed zijn, gedekt is. Maar het is een nieuw begin, deze 20ste editie die met verschillende bijdragen tot verder lezen uitnodigt. Merkbaar is echter dat Nynade onder een steviger redactie vaart  dan voorheen. Al zijn dan niet alle bijdragen van eenzelfde kwaliteit; Nynade kan zich met recht een ‘literair tijdschrift’ noemen waarbij het uiterlijk ondergeschikt is aan de inhoud. Overigens misstaat het een literair blad niet enige informatie over zijn auteurs te verstrekken dat tegelijk tot aanbeveling van die auteurs kan leiden.

     

    Nynade
    Blz.: 99

    3 nummers per jaar
    Prijs: 26 euro per jaargang
    Losse nummers: 10 euro
    Te bestellen via de site van Nynade.

  • De wegen van Couperus in Pulchri te Den Haag

    Agenda

    Op 10 juni 2013 is het honderdvijftig jaar geleden dat Louis Couperus (1863-1923) in Den Haag werd geboren. Het literaire tijdschrift Extaze, dat is vernoemd naar een van zijn romans, laat dit jubileum vanzelfsprekend niet aan zich voorbij gaan.

    De nieuwe editie van Extaze zal zoals gewoonlijk gepresenteerd worden in Pulchri Studio en staat deze keer geheel in het teken van leven en werk van Couperus. Het is een extra dik thema nummer (128 p.) waarvan alle bijdragen, van proza tot poëzie en de artikelen in het teken staan van De wegen van Couperus. Over de reizen in de tijd (in zijn historische romans), de reizen in de ruimte (zijn eigen reizen), de plaatsen in zijn Haagse romans, de plaatsen waar hij zelf heeft gewoond, de wegen die zijn literaire motieven inslaan, zijn ways of life.

    Het programma bevat onder meer:
    Gedichten van Couperus op muziek gezet door Jankobus Seunnega (gitaar en zang)
    Column van Jan Paul Bresser,John Sillevis over de dandy Louis Couperus, korte lezing door Hans Franse over Couperus’ Italiaanse reizen en enkele scenes uit de toneelbewerking van Couperus’ Extaze door Manon Barthels.

    Presentatie is in handen van Cor Gout.

     

    18 april
    Pulchri Studio
    Lange Voorhout 15
    Den Haag
    Aanvang 20.00 uur
    Entree € 2,-

     

     

  • Ontdekkingen uit een literair verleden (De Parelduiker over het jaar 2012)

    De Parelduiker speurt onophoudelijk naar gekende, maar vaker ongekende feiten uit het leven van belangrijke schrijvers en brengt dit met inhoudelijk goed geschreven stukken onder de aandacht. Hieronder een terugblik over het jaar 2012 waarbij elke editie van De Parelduiker je het gevoel geeft iets ontdekt te hebben waarvan je niet het idee had er naar op zoek te zijn maar na lezing ervan overtuigd bent geraakt dat je dit niet had willen missen.

    In de laatste editie van 2012 brengt Lucas Ligtenberg in Een leven doormidden gesneden  schrijfster Dola de Jong (1911-2003) onder de aandacht. De Jong liet haar eigen familie in 1940 in Europa achter en week uit naar Amerika, waarmee haar gespleten leven begon. Ze zag haar familie nooit meer terug. In 1945 schreef ze En de akker is de wereld, dat zijn laatste herdruk in 1964 beleefde maar volgens Ligtenberg een plaats in de literaire canon verdient. Een roman waarin kinderen voor het oorlogsgeweld op de vlucht slaan en ontheemd raken. ‘De laatste oorlog heeft mijn leven doormidden gesneden’, schreef Dola in 1954 aan toenmalig toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing.

    Kunsthistoricus Jaap Versteegh schreef een uitgebreid artikel over kunstenaar Richard Roland Holst (1868-1938), (echtgenoot van de bekende dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk) en zijn (geheime) vriendin, de grafica Debora G. Duyvis (1886-1974). Debora Duyvis was zelfstandige kunstenares die veel op reis ging. Aan de hand van de correspondentie tussen Roland Holst en Duyvis is deze geheime liefdesrelatie enigszins te volgen. Er zijn weinig brieven bewaard gebleven maar allen zijn van een hartverwarmende kwaliteit waaruit een stille liefde spreekt. Alles mooi geïllustreerd met werk van beide kunstenaars.

    In de rubriek Laagwater doet Sylvia Willink-Quiel, weduwe van Carel Willink, verslag van de vriendschap met W.F. Hermans en zijn vrouw en de wordingsgeschiedenis van de in brons uitgevoerde kop die Sylvia maakte van Hermans in 1981. Een afgietsel van deze kop staat in de portretten galerij van het Letterkundig Museum te Den Haag. Ook de voorstudie in foto’s en aantekeningen over afmetingen van het gelaat zijn in bezit van het museum. Een insidersverslag over de ontmoeting tussen twee grootheden in de kunsten.

    De zomereditie (nr. 4) stond in het teken van de op- en ondergang van literair tijdschrift Bijster. Een onderneming op persoonlijke titel van uitgever bij De Bezige Bij, Geert Lubberhuizen, die samen met Remco Campert de redactie vormde. Het stuk gaat vooral ook over het ego van Geert Lubberhuizen. Zes nummers zijn er van het tijdschrift verschenen en toen hield het op. Volgens de schrijver van het stuk Marsha Keja, rouleren steeds dezelfde nummers op internet voor prijzen tussen de 25 en 35 euro.
    Leo Frijda leverde een stuk over Hans Fallada en zijn vertaler Nico Rost. En Mieke Koenen, die aan een biografie werkt over Ida Gerhard schreef over ‘Zelfdoding in bekende en onbekende teksten van Ida Gerhard’. Met niet eerder gepubliceerde foto’s van Ida Gerhard en haar vriendinnetje Marietje van der Zeyde, die in Gerhards latere leven haar levenspartner werd.

    In de derde editie schrijft Nico Keuning, publicist van schrijversbiografieën in Het Stockholm van Tomas Transströmer over de dichter en diens werk. Tomas Transströmer wordt op 59 jarige leeftijd getroffen door een hersenbloeding waardoor hij rechtszijdig verlamd raakt en zijn spraakvermogen verliest. Vanaf die tijd treedt zijn vrouw Monica op als communicator met de buitenwereld. Daarbij vier gedichten uit het vroege werk van Transströmer, in vertaling van Bernlef.

    Sterk tot de verbeelding spreekt de zoektocht in de tweede editie, naar het door raadselen omgeven leven van schrijver B. Traven door Martin Smit in Utopie in de jungle. Pas na zijn dood in 1969 kon met zekerheid gezegd worden dat B. Traven de voormalig anarchist Ret Marut was die in 1922 op de vlucht sloeg net voordat hij wegens hoogverraad standrechtelijk geëxecuteerd zou worden. Via Nederland, België en Engeland bereikte Marut in 1924 Mexico waar hij tot zijn dood verbleef. Tijdens zijn leven is het niemand gelukt de ware identiteit van B. Traven te onthullen. Traven was auteur van indringende literatuur over de onderdrukte bevolking van Mexico. Slavenhandel, uitbuiting en de oorspronkelijke bevolking van Mexico hadden zijn interesse. Met Utopie in de jungle beschreef Martin Smit een uiterst gecompliceerde levensloop van een schrijver op de vlucht, die leest als een detective. Waarbij de grote vraag komt bovendrijven: ‘Wie was Ret Marut?’ Het levert interessante feiten op en maakt het herlezen van Travens werk opeens weer urgent. Saillant detail is dat in De Parelduiker nr 3, Louis Houet in de rubriek Laagwater schrijft over een ontmoeting met de weduwe van Traven in 1977. Waarbij hij haar vraagt naar de identiteit van haar man en zij, tot zijn verbazing zegt die niet te kennen. Waarmee het raadsel Ret Marut de oplossing bij lange niet nabij is.

    De eerste editie is voor een groot deel gewijd aan Slauerhoff. Wim Hazeu schreef ‘Alleen aan jou voel ik me verwant onder de levenden’ Slauerhoffs laatste brief aan A. Roland Holst en ‘Dat avontuur zit heus niet alleen op een schip’ Herinneringen van Jacoba, Jetty en Johannes Tielrooy. Hein Aalders schreef over Slauerhoffs bedevaartstocht naar het graf van de Bretonse dichter Tristan Corbière in 1923.

    In De Parelduiker duiken met enige regelmaat rubrieken op als De laatste pagina, Laagwater en Seinpost, maar komen niet consequent in elke editie voor. In de twee eerste nummers wordt in De laatste pagina een in memoriam gewijd aan polemisch schrijver Christopher Hitchens (1949-2011) door Marco Daane en aan kunsthistoricus (met een voorliefde voor de politieke spotprent) Hans IJsselstein Mulder (1945-2012) door Ariane de Ranitz.

    In de rubriek Seinpost (tweede editie) ging Ronald Bos naar Algerije om gevolg te geven aan het door Camus ingegeven verlangen naar ‘het licht en de zon (…), als contrapunt bij de tegenslagen en depressies’. In Op zoek naar het verloren licht trekt hij verschillende literaire sporen na en komt onder meer tot de ontdekking dat Camus, vijftig jaar na zijn dood, nog steeds ‘leeft’ in zijn eigen land. Het literaire klimaat in Algerije is niet welwillend. Bos ontmoet een uitgeefster die het liefst anoniem blijft. Zij vertelt dat Boualem Sansal de belangrijkste auteur van dit moment is. Hij leeft in Algerije maar geeft zijn werk uit in Frankrijk; het lot van de meeste auteurs die in het Frans schrijven. Bos schreef eerder over Hans Lodeizen en Paul Celan in De Parelduiker en toont zich een ware Camus-kenner.

    In deze jaargang ook twee bijdragen van Mario Molegraaf, de vroegere partner van dagboekschrijver Hans Warren. In de 3e editie over de vriendschap tussen Warren en natuurtekenaar Jac. P. Thijsse. In de 2e editie een diepgaand artikel van Molegraaf over de dichtende zus van Vincent van Gogh, Lies van Gogh (1859-1936). Molegraaf schrijft vaker over vergeten dichters.

    Dit is slechts een kleine greep uit het rijke aanbod van een jaargang De Parelduiker. Elke editie is meer dan de moeite waard om zelf aan te schaffen. De nummers van deze jaargang zijn nog te verkrijgen via de site van De Parelduiker.

     

    De Parelduiker ontvangt geen subsidie meer en heeft om die reden de Stichting Vrienden van De Parelduiker in het leven geroepen. Klik hier voor meer informatie over hoe u vriend kunt worden.