• Een veelzijdig tijdschrift met rijk verbeeldende bijdragen – Kluger Hans #39

    Het twee jaarlijkse literaire tijdschrift Kluger Hans, dat zichzelf omschrijft als literair boorplatform voor opkomend en onbekend talent, gaat met zijn vormgeving de interactie met de lezer aan. Een vormgeving die immer verrassend is. Er was al eens een editie doorboord met kleine ronde gaten door de bladzijden, en een editie waarvan de cover opengescheurd moest worden om toegang tot het blad te verkrijgen. Langs de geperforeerde lijnen weliswaar, toch leverde dat voor een enkele ongeduldige lezer een gescheurde cover op. Deze editie heeft als thema algoritmes, gevaren en mogelijkheden daarvan voor de literatuur en haar lezers, worden onderzocht.

    Algoritmes zijn ‘de reflectie van jouw handelen, de sporen die je op de wereld  achterlaat: rauw en ongebundeld.’, schrijft Leonieke Baerwaldt in het verhaal ‘Atlantis’. Over hoe de data die we achterlaten, over ons denkt. Hoe het water ons aan de lippen komt, er dijken van karton geprint worden en ‘het oeverloos gepraat over wat belangrijk is en wat niet’ ons een gevoel van belangrijkheid geeft, maar de nietszeggendheid zich opdringt. Mooie tekst over een wereld waarin ‘we verdrinken’. Ze beschrijft mensen die doen alsof er niets aan de hand is, die selfies maken met het Centraal station als achtergrond’ (waar veel data van is). Baerwaldt brengt het idee dat een stad kan spreken tot leven. Luister, stelt ze voor, ‘Als je je oren spitst in de richting van het Westen dan hoor je haar zachte stem:’ “De boeken die zijn achtergelaten dobberen door mijn biblio- / theken. Ik probeer ze uit: de woorden en de zinnen. laat ze in / mijn lege ruimte zingen. Ik zeg dingen als: ‘er was eens’ en /  ‘lang geleden.’ Het klinkt hol als in een zwembad.” Bij het verhaal staat een QR-Code, middels welke het verhaal online te beluisteren is. Alsof je vanuit de bladzijden de wereld van het verhaal betreedt, het werkt betoverend.

    Lees-algoritme stickeren

    Ook zit er een stickervel in waarmee de lezer zijn eigen lees-algoritme kan bepalen door na het lezen van een tekst de bijbehorende woorden van het vel te halen en die op de cover van het tijdschrift te plakken. Daar ontstaat dan een eigen leven in de tijdlijn van de lezer, het algoritme. Na de vormgeving onderzocht te hebben – teksten zijn afgedrukt alsof ze nog in een werkdocument staan – de uitdaging een papieren algoritme samen te stellen te hebben vervuld, zijn er de woorden. De geschreven bijdragen, een verhaal, gedachte, een gedicht, zoals de bijdrage van Willemijn Kranendonk. Waar je volledig door geobsedeerd kunt raken. Zij schreef een ‘Objectief wiskundig model’,  waarin de regel ‘[[Het enige wat wij doen is het voorspellen van voorspelbaar gedrag]]’, genoeg zegt.

    Het is een spiegel die men voorgehouden krijgt, zoals uit de bijdrage van Pieter van de Walle, Sara Eelen en Sarabot blijkt. Waarvan de laatste, Sarabot, algoritmes zijn die de menselijke dichtkunst overbodig zou kunnen maken. Sarabot dicht: ‘rekken we elk punt van een kom / vormden en log zich wel / moest je delen van dagenlang / in waarde worden gedrukt / in schril contrast / met veel/ (…)’

    Verbinding tussen woord en beeld

    Joost Vormeer schreef het verhaal ‘Führerstandsmitfahrt’, dat aldus begint: ‘Stel je voor: op een ochtend in de zomer van ’95 komt Mark Henderson thuis na een lange nacht hakken in de Energiehal.’ Dit stel je je voor ,en het verhaal ontrolt zich als een trein. En een ‘Führerstandsmitfahrt’ is een treinreis met in de cabine een camera die eindeloze treinreizen opneemt, die afgespeeld wordt in de lege uren op tv. Tijdens het kijken naar zo’n treinreis ziet Mark zichzelf op een perron van een klein station in een bosrijk omgeving staan. Hoewel hij nog nooit in Duitsland is geweest, een geweldig verhaal. Jezelf tegenkomen in een wereld die uit algoritmes bestaat.

    Elk nummer worden gelinkt aan een peter en een meter die het nummer ‘onder hun vleugels’ nemen, wat een bijzonder en vertrouwenswaardig gevoel geeft, een tijdschrift onder je hoede nemen, het koesteren, behoeden en vooruit helpen. Voor deze editie zijn dat de wiskundige en filosoof Jean Paul Van Bendegem en Spoken Word kunstenaar Hind Eljadid.
    Kluger Hans vraagt van de lezer een actieve inzet, een onderzoekende geest en een combinatie van beiden, om de verbinding te maken tussen woord en beeld, tussen voor- en achterkant. Als een online-magazine maar dan op papier, een blad waar je niet zomaar doorheen bent, en dat is een heerlijkheid.

    Verder bijdragen van Ella Bronder, Lotte Loncin, Leen Pil, Lieselot Mariën, Babeth Fonchie, Kate Dejonckheere, Andrea Koll, Levi Jacobs, Arno Boey, Esther De Someer en Ramy El-Dardiry. De kunstbijdragen zijn van Karel Koplimets en Sandrine Morgante, Yasmin Van ’tVeld schreef een begeleidend stuk over hun werk .

     

    Kijk voor een abonnement en meer info op Kluger Hans

     

  • Elke editie meer dan de moeite waard

    Literair tijdschrift Tirade verschijnt dit jaar in een hogere versnelling. Waar in voorgaande jaren steeds vier edities verschenen, lijkt het blad dit jaar met vijf edities te zullen afsluiten, gezien de tweemaandelijkse plof op de mat. Het wordt er wel levendiger van, alsof er een vitaliserende druk achter zit. De dommelende lezer, die dacht nog wel even te hebben voor er een nieuw nummer verschijnt, moet zijn instelling veranderen. Dit jaar verscheen er een maart- /mei- en augustusnummer, en het oktobernummer is in aantocht. Elk nummer een feest aan verhalen, gedichten, essays, worden auteurs gememoreerd. Met hier en daar een nieuw geluid, een debuterend of in Nederland nog onbekend schrijver.

    Floyd-effect in de literatuur

    Tirade 480 opent met een redactioneel stuk waarin Julien Ignacio opmerkt dat na de gewelddadige dood van George Floyd, zwarte schrijvers in de spotlights zijn komen te staan, er een zogezegd Floyd-effect is ontstaan. Het eerste korte verhaal ‘Een doodgewone vrijdagochtend’, is dan ook van de vrij onbekende Afro-Amerikaanse dichter en schrijver Langston Hughes (1901-1967). Na het lezen van zijn verhaal, wil je gelijk meer van deze auteur lezen. Het verhaal, over het zwarte meisje Nancy Lee die op een witte openbare school meedoet aan een kunstwedstrijd, is schrijnend. Met haar werk wint ze een kunststudiebeurs. Dan komt de commissie erachter dat Nancy zwart is, krijgt ze de beurs toch niet. Hughes zoekt niet de scherpe randen van het goed en kwaad op,( wat voor de hand zou liggen), maar kiest geen partij.
    De leerkracht van Nancy, Miss O’Shay leert haar, nadat ze Nancy het slechte nieuws heeft moeten vertellen, dat, ‘Amerika alleen [is] wat wij ervan maken. Ik ben Ierse. Dit weet jij misschien niet Nancy Lee, maar jaren geleden werden we de smerige Ieren genoemd, en werden we door hordes in de grote steden aangevallen, en werden we verzocht om terug te gaan naar waar we vandaan kwamen. Maar we gingen niet. En we gaven niet op, omdat we geloofden in de Amerikaanse droom, (…) Degenen die jou deze studiebeurs ontzeggen, weten niet wat die sterren [in de vlag] betekenen, maar het is aan ons om het ze te vertellen.’ En Nancy tilde haar hoofd op, glimlachte. ‘Er komen wel andere prijzen, dacht Nancy Lee. Er zijn scholen in andere steden. Dit houdt me niet tegen.’ Caspar Wijers vertaalde dit verhaal van Hughes, en je hoopt dat er eens een heel boek van deze schrijver vertaald zal gaan worden.

    Nog met het verhaal van Hughes in het hoofd door naar de ‘Kwatrijnen’ van Tonnus Oosterhoff. Alsof ze daar en nergens anders geplaatst konden worden. ‘Er wordt ritmisch aan ons getrokken. / Door Wie? In welke richting? / We weten dat we waardevol zijn / omdat er aan ons gerukt wordt.’

    Honden in de literatuur

    Sander Kollaard over de roman Onderdak van Elisabeth van Nimwegen. Over hoe bijzonder deze roman is, met uitgelichte thema’s als de druk van de samenleving, moederschap, vrouw zijn en de wens helemaal te willen verdwijnen. Mooi is dat Kollaard hierin een vergelijking trekt met Bor de Wolf uit de Fabeltjeskrant, die voorafgaand aan elke zin eerst een huil (Hu!) liet horen. Bor wil met niks en niemand iets te maken hebben, het Enge bos is voor hem de ultieme plek om zich terug te trekken, net als Andrea uit Onderdak, die zich in een bergruimte op zolder heeft teruggetrokken, wil ook met niks en niemand meer iets te maken hebben. Verdraaid goede roman, Kollaard schreef er een fijn stuk over. 

    Guido van Hengel schreef over de hond in de literatuur, ‘Meelezen met de honden’. De hond in het werk van Virginia Woolf, Tsjechov en Kafka. En natuurlijk Sander Kollaard met zijn Uit het leven van een hond,en Ik wil geen hond zijn van Alma Mathijsen. ‘Waarom verschijnen er zoveel boeken over honden?’
    Poëzie van Maria Barnas, gebeeldhouwde woorden, regels als de tandjes van een rits, die in elkaar schuiven, sluitend zijn. Getiteld ‘Ha-ha’ naar de Ha-ha Wall: een droge gracht waarin een muur verborgen wordt als omheining.

    Eerdere edities 

    Uit de eerste editie van dit jaar, Tirade 478 is een verhaal van Julien Ignacio, geïnspireerd op de roman Alleen de bergen zijn mijn vrienden van  Behrouz Boochani, zeer vermeldenswaardig. Ignacio laat een cyborg een vriendschapsverzoek naar Behrouz sturen. Waarna ze gaan chatten, waardoor het leven van Behrouz dichtbij komt, dichterbij kun je haast niet komen, bij een mens, verslagen als vluchteling. Dan een bizar verhaal van Maria Kager, ‘Een unieke ervaring’, waarin de prijs van een schrijfwedstrijd een ontmoeting met Etgar Keret in Tel Aviv inhoudt. Van Marjolein van de Gender een gestileerd verhaal over verlaten zijn. En Yentl van Stokkum, die gefascineerd is door Emily Brontë, schreef daar prachtige gedichten over. 

    In Tirade 479 een bijdrage van Wouter van Oorschot, herinneringen aan de dit jaar overleden schrijver Carl Friedman, een mooi in memoriam. Lodewijk Verduin over het werk van H.A. Gomperts, ‘Maar wat is er dan gebeurd met H.A. Gomperts? Hij wordt zelden genoemd, zijn boeken worden niet driftig gezocht.’ Daar zou deze bijdrage wel eens verandering in kunnen brengen. Lees, lees, lees!
    Last but not least een prachtig verhaal, Ritueel, van beeldhouwer en schrijver Mohana van den Kroonenberg. In 2010 debuteerde ze met de verhalenbundel Moorddiner, sindsdien werd er op literair gebied weinig van haar vernomen. Goed te horen dat er wordt gewerkt aan een tweede verhalenbundel, Overlevingsstrategieën

    Elke editie is meer dan de moeite waard om aan te schaffen, door te snuffelen, te lezen, van voor naar achter en weer terug, verhalen houden nooit op.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    De eerste editie van De Parelduiker (2020) is gewijd aan de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979). Een blik op leven, werk en omgeving van een illustere schrijver waarbij de vraag rijst: wie kent hem nog, wie leest De Kapellekensbaan en Zomer te Ter- Muren (ook wel anarchisten Bijbel genoemd) of de schelmenromans van De bende van Jan de Lichte nog? Doet Louis Paul Boon, schrijver van duizenden cursiefjes, de zogenaamde ‘Boontjes’, de romancier die tijdens zijn leven de belofte van een Nobelprijswinnaar in zich droeg, nog ergens een bel rinkelen? Die Nobelprijs had hij naar verluidt bijna gekregen, maar voor het bekend werd gemaakt, overleed hij. 

     Oud-journalist Bert Ummelen bracht een bezoek aan Aalst, de geboortestad van de schrijver. Hij wandelde door de stad, op zoek naar herkenning uit de boeken en het leven van Boon. Langs verschillende standbeelden van romanfiguren en de schrijver zelf. Alleen een standbeeld van de bandiet Jan de Lichte ontbreekt, dat werd in 1979 onder druk van de Christelijke Volkspartij zo’n 65 km verderop naar Antwerpen verbannen, waar het een toepasselijke plek kreeg voor het justitiegebouw. 
    Van de drie Boon-routes die in Aalst zijn uitgezet, voor wandelaar en fietser, zijn er twee in de aanbieding vermeldt Ummelen, ‘Ze moeten uit een kast worden opgediept, dus veel vraag zal er niet naar zijn.’
    In het westelijk deel van de stad vindt Ummelen nog het geboortehuis van Boon, aan de Dendermondsesteenweg, nr. 38, alsook de latere hoekwoning waarnaar het gezin verhuisde aan de Sinte-Annalaan er nog staat. Het station van Aalst toont zich nog hetzelfde, waar Boon op het stationsplein na vijftien jaar de huishoudelijke hulp van zijn vrouw tegenkwam, toen een meisje waar hij hopeloos verliefd op werd. In zijn novelle Menuet (1955) komt ze voor als Lolita. Men krijgt voorwaar zin de stad Aalst te bezoeken.

    Boon en zijn vriendschapsbanden

    De schrijver en de betekenis van vriendschappen in zijn leven, wordt beschreven door letterkundigen Jos Muijres en Kris Humbeeck. Ieder op zich deed onderzoek naar een belangrijke vriendschap in het leven van Boon. Muijres schrijft over jeugdvriend Karel Colson, en Humbeeck -die ook aan een biografie van Boon werkt- over diens beste vriend, Maurice Roggeman. Muijres schrijft, ‘De jonge Boon was een eenzaat met een (getormenteerde) romantische inborst en een hunanitair-exprssionistische uitingsdrang.’ Fascinerend is om in het verloop van de vriendschappen -veelal getoond aan de hand van briefwisselingen- te zien hoe gedreven en gemotiveerd Boon was om zijn eigen weg te gaan. Vriendschap moest een zeker nut hebben. Waarbij Boon van hen gebruik maakte en ze in zijn romans een plaatsje gaf. Zo is het karakter Morris, uit Boons debuut De voorstad groeit, en Tippetotje, een schilderes in De Kapellekensbaan ontleend aan de schilder Maurice Roggeman.

    Erik van Veen sprak met vertaalster Zweeds, Ingrid Wikén Bonde. Zij vertaalde meer dan twintig boeken uit het Nederlands van verschillende schrijvers. Het eerste boek dat ze van Boon vertaalde was De Kapellekensbaan, uitgegeven bij Forum. Saillant detail: nadat Boon in 1979 was overleden, de kans op de Nobelprijs verkeken was, stopte de Zweedse uitgever met het uitgeven van Boons werk. 

    Jo Boon (1939), de zoon van Boon, komt in een stuk van Kris Humbeeck aan het woord over de band met zijn vader. Daar kan hij kort over zijn, Op de vraag of het niet moeilijk was in de schaduw van zo’n groot schrijver op te groeien, zegt hij, ‘Louis deed zijn ding en ik deed het mijn.’ En, ‘Dat zijn vader altijd maar schreef en schreef, en andere vaders dat niet deden, besefte Jo in die jaren wel, maar dat Louis toen al een auteur met aanzien was, realiseerde hij zich natuurlijk niet. Louis was er gewoon en schreef.’
    Zijn eigen zoon, David (1969) en kleinzoon van Boon, kreeg meer aandacht van zijn vader dan hij ooit van hem had gekregen. Maar last heeft Jo daar nooit van gehad. De enige keer dat de zoon zich met het leven van zijn vader bemoeide was toen een drinkgelag van zijn vader uit de hand dreigde te lopen, toen heeft hij hem het glas afgenomen. Zoals bij alle artikelen, is ook dit artikel geïllustreerd met foto’s, mooi beeld daarbij van een ontspannen Boon die met zijn vierjarige kleinzoon in de tuin zit en ze zich vrolijk onderhouden met elkaar. 

    Langverwachte biografie komt eraan

    In de rubriek ‘Laagwater’ een bijdrage van Martine Cuyt waarin ze een overzicht geeft van werk van Boon dat opnieuw wordt uitgeven (Verzameld werk), of waaraan gewerkt wordt dit uit te geven, zoals de biografie waaraan gewerkt wordt door Kris Humbeeck. Deze zal onder de titel Gelijk de vis zwemt, moet ik schrijven, op Boons 110e geboortedag, 15 maart 2022 verschijnen.
    Cuyt verklaart ook waarom de biografie tot een ‘langverwachte’ biografie benoemd werd, maar lees daarvoor De Parelduiker zelf.

    Dat Louis Paul Boon in het literaire geheugen leeft, getuige in ieder geval een lezersreactie in dagblad Trouw enkele weken terug. Een reactie op een artikel over ‘hufters en graaiers’ die de corona crisis aangrijpen om er hun voordeel mee te doen. Deze lezer herinnerde zich de gevleugelde woorden waarmee Boon het boek De kleine oorlog afsloot, ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Hij schrijft ook dat Boon dit in latere drukken veranderde in, ‘Wat heeft het alles voor zin?’, en deze verandering desgevraagd verklaarde met, ‘Ook al schop je 99 mensen een geweten, er blijft dan nog één smeerlap over en die wordt president. En als je naar die durft te schoppen, vlieg je de gevangenis in.’
    Als er iets gelezen wordt dat de wereld beroerd, er dan een boek uit het geheugen opduikt, een schrijver herinnerd wordt, dan leeft die schrijver nog. En dat (blijkt maar weer), is de opgaaf die De Parelduiker zich gesteld heeft, het tot leven wekken van schrijvers door ze in herinnering te brengen en nieuw materiaal dat boven water komt te publiceren. En hoe fijn het dan is om een auteur vanuit verschillende gezichtspunten opnieuw belicht te zien.

    Vaste rubrieken

    In ‘Schoon & Haaks’ waarin Jan Paul Hinrichs marginale uitgevers en drukkers bespreekt, aandacht voor onder meer de uitgave van literair tijdschrift Terras nr. 17, en de speciale uitgave Natan, geschreven portretten door Mirjam Rotenstreich van haar vader, met acht portrettekeningen van Sam Drukker. Voor de drukliefhebber kunnen deze mooie gegevens niet onvermeld blijven, ‘Jaap Schipper van de Satenhofpers liet het toepasselijk zetten in de elegante Elisabeth (1938) van de Joodse ontwerpster Elisabeth Friedlander (1903-1984).
    ‘De laatste pagina’ is bewaard voor Rob Molin (1947-2019), een in memoriam door Ben van Melick, die tegen hem opkeek toen hij in de jaren tachtig zijn buurman was, omdat Molin er voor koos helemaal voor de literatuur te gaan. Hoe Molin dagen in de tuin zat te lezen in Het verdriet van België. Hij belicht de vele literaire interesses van Molin, die een oprecht literaire duizendpoot bleek.

     

     

  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    In de inmiddels vijfde editie van vertaaltijdschrift Pluk is werk van tien buitenlandse schrijvers in vertaling opgenomen, waaronder een vergeten Engelse schrijfster. Een vertaler moet naast taalbeheersing, ook een goede neus hebben om literair waardevol werk naar voren te halen.
    De Engelse schrijfster Barbara Pym (1913-1980) ging de geschiedenis in als de meest onderschatte schrijfster van de vorige eeuw. Ze werd gevonden door vertaalster Engels, Anda Schippers.

    Volgens de New York Times, die in 2017 een artikel aan haar wijdde, is Barbara Pym ’forever being forgotten, and forever revived.’ In 1977 was haar eerste revival en zes jaar later opnieuw, maar echt doorbreken deed ze nooit. Haar boek Excellent Women (1952), is volgens de NYT haar meest perfecte en beroemde roman. In 1980 door Djuke Houweling vertaald als Geweldige vrouwen. Nog twee romans werden van haar vertaald maar ook in Nederland brak ze niet door.
    Daar komt wellicht verandering in nu Anda Schippers een fragment uit Pyms eerste roman Some tame Gazelle, heeft vertaald. Het fragment geeft een typisch Engelse setting weer van het dorpsleven rond een parochie en waarin twee zussen die op het platteland wonen, de hoofdrol spelen. Een roman die om een vertaling vraagt.

    Van de Frans/ Portugese schrijver Valério Romão (1974) is een kort verhaal in vertaling van Anne Lopes Michielsen opgenomen. Het verhaal ’Om je maar niet te zien’ ((uit de verhalenbundel Da família) zou je een typisch Portugees verhaal – voor wie de romans van António Lobo Antunes kent – kunnen noemen. Een zin van achttien regels is niet ongewoon. Interpuncties zijn schaars waardoor je het verhaal wordt ingezogen en er niet eerder van loskomt als de laatste punt gelezen is. Precies, net als bij Lobo Antunes. Het verhaal, waarin een man zijn kinderen bij zijn vrouw weghoudt om duistere redenen, zit onwrikbaar in elkaar.

    Dat er meerdere vertalingen mogelijk zijn van een en dezelfde tekst, laten de vertalers Pieter Scherpenberg en Jorrit Bosma zien. Beiden maakten ze een vertaling van een verhaal van de Amerikaanse kortverhaal schrijver Robert Coover. Deze dubbelvertaling ontstond tijdens een vertaal-slam, waarbij meerdere vertalers zich over een brontekst bogen. Daaruit bleek maar eens dat elke vertaler anders te werk gaat. Dit laat tevens zien dat vertalen zo eenvoudig nog niet is. Beide vertalers lichten hun vertaalkeuze toe waardoor de tekst aan betekenis wint, en soms verliest. Om de vertalers te kunnen volgen is het originele verhaal ook opgenomen: ‘Going for a beer’ dat door de een vertaald is als: ‘Een pilsje pakken’ en door de ander: ‘Even een biertje drinken’.

    Vertaalster Heleen Evenhuis vertaalde drie gedichten van de Chinees/Amerikaanse dichteres Wendy Chen vanuit het Engels. Geklonken poëzie, zoals water door een bedding gaat, een gevoel teweeg brengend van een helder stromen en tegelijk een onvermijdelijke donkere diepte laat zien. Hierbij twee strofen uit: 2 (1967): ‘De velden bolden als een bontdikke vacht / onder de middagzon. Mannen en vrouwen / Sloofden in zijn diepe plooien. // Ma was van streek; het verdriet / straalde van haar gezicht als vloeibaar / over de aarde gegoten maanlicht.’
    De vertaalster schrijft in haar inleiding op de poëzie van Chen, dat ze een dichter is ‘van wie we meer gaan horen’. Wat doet vermoeden dat haar bundel (Unearthing) vertaald zal gaan worden.

    Elke bijdrage in Pluk is als een schot in de roos voor de verwachtingsvolle lezer die geraakt, verrast en meegesleept wil worden. En al lezende komt het besef dat er nog veel moois te ontdekken valt in de onzichtbare boekenkasten van de wereldliteratuur. De vertalers staan in ieder geval klaar, nu de uitgevers nog. Denk overigens niet dat dit vertaaltijdschrift enkel voor vertalers is, bovenal is het voor de lezer die in Pluk zijn eigen literaire vondsten kan doen.

    Aan deze editie werkten nog de volgende  vertalers mee: Lies Lavrijsen, Lore Aertsen, Heleen Oomen, Ymke van de Staay, Myrthe van den Bogaert en het samenwerkingsverband In Triplo. Aan elke vertaling gaat een inleidend stukje vooraf met een kleine biografie van de auteur en een toelichting op het werk. Met grappige illustraties van Jelko Arts.

     

    PLUK verschijnt twee keer per jaar.
    Losse nummers 15 euro
    Voor een abonnement klik hier.

  • Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    De eerste editie van het tweejaarlijkse tijdschrift Het Liegend Konijn, bevat werk van vierendertig dichters, waaronder Gilles Boeuf, Fleur Bourgonje, Fred Papenhove, Vicky Francken, Anne Büdgen, Luuk Gruwez, Bernke Klein Zandvoort, Mustafa Stitou, Delphine Lecompte, Florence Tonk en Arno Van Vlierberghe. Samen zijn ze goed voor 173 gedichten. Altijd weer een plezier door dit boekwerk (256 p.) met pril materiaal te bladeren. De verscheidenheid doet de aandacht niet verslappen, wat bij een bundel van een dichter nog wel eens kan gebeuren. Niet omdat het werk zou vervelen maar meer omdat er een soort van overdaad kan optreden die eerst verteerd moet worden om weer verder te kunnen lezen. Bij een bloemlezing als HLK, wordt de lezer steeds opnieuw geprikkeld door een andere dichter, andere stijl en thematiek.

    Er is poëzie die direct aanspreekt en er is poëzie die je steeds opnieuw moet lezen om te begrijpen wat er staat, om dan te ontdekken dat er bij iedere lezing weer iets anders staat. Er is poëzie die zich niet laat lezen, die je moet ondergaan, zoals de gedichtencyclus over een man en een huis en een – waarschijnlijk – vrouwelijke ‘ik’, ‘In de nacht’ van Eva Gerlach (1948).
    Zeven gedichten met de volgende titels: ‘droom over U (1), een nacht – Thies – soms – adem –  ga! – dag – droom over U (2)’. Wil je de woorden, de opeenvolging van de woorden die Gerlach heeft gebruikt tot een verhaal maken, dan lukt dit niet. Zelfs als je voor een moment denkt te begrijpen wat er staat, krijg je het niet te pakken, kun je het niet navertellen. Maar mooi is het wel. Zoals in Ga!:

    Ik smeet de kortste zijn van boven tegen
    het dak, het huis brak overlangs
    open tot op zijn ijzers. Iemand hield zich
    schuil in de fundamenten, knieën hoog
    tegen de borst, armen kruiselings. Klein, erg
    klein, het kind dat we niet kregen.

    Direct aansprekende poëzie is de tien-luik in prozagedichten, ‘Duivelskermis’ van Lucas Hirsch (1975). Beeldend taalgebruik in proza-achtige fragmenten, de een langer dan de ander. Over verlies, afscheid en vooral afstand nemen van de dingen om de ‘ik’ heen. Een vader sterft en de relatie van de zoon loopt ten einde. In tien genummerde gedichten wordt een heel leven weergegeven. Waarvan hier nummer 8 van de tien-luik:

    Na het laatste nummer aangehoord te hebben was het aan ma / een laatste klap te geven op het leven van pa. Zuinig was de mond / die openging. Karig de woorden die gekozen werden hem tot zin te maken / We prevelden een gebed en volgden vader naar het graf dat een ritje verder / op hem lag te wachten in het waterkoude weer van dienst / Ik dacht er mijn huwelijk in te herkennen en kromp ineen.

    Op de dag dat dichter Nachoem Wijnberg de P.C. Hooft Prijs kreeg uitgereikt (23 mei), liet hij in een interview (Trouw) weten dat poëzie niet moeilijk is. ‘Moeilijk? Als je maar niet zoekt naar een gesloten wereldbeeld of een redenering met een uitkomst. Er staat wat er staat.’ Laten we lezen zoals Nachoem Wijnberg voorstelt: Lezen wat er staat en laat de rest zijn werk doen.

    Deze poëziebloemlezing leent zich daar goed voor, te lezen wat er staat en te kijken wat er gebeurt. Te beginnen met een cyclus van vijf gedichten door Obe Alkema (1993). Alkema loodst de lezer door de tijd waarin hij zowel Simone Weil , Netflix als Wim Kok opvoert op een wijze als was hij ermee opgegroeid. Indrukwekkend ook hoe hij zichzelf in dat tijdsbeeld registreert, alsook voorbije tijdsbeelden naar zich toetrekt. ‘Dat ik niet in staat ben / aflevering na aflevering Black Mirror te bingen / heeft niets te maken met eventueel verzet tegen de manipulatie van Netflix / maar met mijn empatisch hart, mijn liberale emoties / die me na 45 60 90 minuten dystopie verlammen. Mijn flanken staan open.’ Getuigenis van zelfkennis ook: ‘Laat ik me dan nu ook kwetsbaar opstellen en het niet meteen weer deleten.’ Alkema publiceerde nog geen bundel maar dat zal, naar vermoed, niet lang op zich laten wachten.

    Paul Desmets (1966) schreef onder het begrip ‘Taxonomis’ (ordening en naamgeving in het planten- en dierenrijk) vijf gedichten, bestaande uit drie kwatrijnen afsluitend met een concluderende, enkele regel. Met titels als ‘Zwaluwen’, ‘Wolf, ‘Eik’, ‘Motten’ en ‘Grondeling’.  Desmets roept werelden van heden en verleden op met ‘Wie haalt nu neer, hanteert de bijl? Dit huis kruipt in mijn botten. / De stoel die ooit weer boom zou worden schilfert. / Zijn mond zakt open als hij slaapt. De kamer bewaart / ons zwijgen. Traag groeien de wijzers terug naar elkaar.’

    Zoals Jozef Deleu in zijn inleiding – waarin hij de stand van de poëzie, aan de hand van het essay ‘Waarom we poëzie haten’ van Ben Lerner, opnieuw peilt – laat weten dat poëzie ‘perspectief en diepgang’ aan onze ervaringen en inzichten verleent. Alleen daarom al zou er poëzie gelezen moeten worden. Lezen zonder het te willen begrijpen, is een voorwaarde. Het mooie van dit poëzietijdschrift van formaat is dan ook dat het zich uitstekend leent om op vakantie me te nemen in rugzak of koffer. Zodat niet alleen de geografische blik verbreed wordt maar ook de blik op de poëzie. Dan kan er zomaar uit deze prachtige bloemlezing een favoriete dichter naar voren komen, wiens werk je anders niet onder ogen zou krijgen.

    Het Liegend Konijn.be

     

     

  • Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Niets dan proza en poëzie in de eerste editie van dit jaar van het halfjaarlijks tijdschrift Revisor. Eenvoudiger kan het niet en volgens het introducerende redactioneel door Daan Stoffelsen, wordt er eens niet met thema’s gewerkt of anderszins gekaderd. Zo blijft er voor de lezer ruimte om zelf zijn thema’s te ontdekken. Stoffelsen sluit af met: ‘(…), Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang.‘ Zie de cover met het leeggeschudde doosje afgebrande lucifers op mediterraan blauw; of die nog ooit zullen ontvlammen is de vraag.

    Het leven van een groepje outcasts in het verhaal ‘Leven’ van de Amerikaanse schrijver David Ray Pollock (zoek die naam op) (vertaling Luc de Rooy) is een kwijnende toestand. Een verhaal met een hooggespannen verhaallijn over outcasts die niets meer te eten en te roken hebben (voornaamste levensbehoeften). Bij de eerste twee regels weet je al dat vanuit niets een vuur kan ontvlammen: ‘Randy was alweer door zijn peuken heen, en hij trok het niet langer. Godverdomme niet een van hen had nog een baan; en nu was in het voorjaar ook nog moeder overleden en zat hij, de oudste, met verantwoordelijkheden opgezadeld die te hoog voor hem gegrepen waren, tering ja.
    Schrijnend en rauw, daar schijnt Pollock een patent op te hebben. Hij beschrijft de levens van mislukte zielen. Met trefzekere en krachtige stijl werpt hij het de lezer voor de voeten. Prachtig!

    De personages van Sanneke van Hassel, nu we het toch over patent hebben, hebben een uitzonderlijke voorkeur ‘voor dingen die niet gebeuren’. In het verhaal ‘Nederzettingen’ waarin een schrijfster met een archeoloog samenwerkt aan een boek, houdt de schrijfster bij alles wat ze doet rekening met de archeoloog, zonder echt deel uit te maken van zijn leven. Op elke moment van de dag maakt zij zich een voorstelling van wat hij aan het doen is. In de slotzinnen van het verhaal wordt de betekenis van deze non-relatie duidelijk: ‘We bestonden in wat we achterlieten. We bestonden in wat we verkozen niet te doen. We konden vrienden worden.’ Maar dat werden ze niet. En dat niet worden; dat wordt gekoesterd in het verhaal. Betoverend proza.

    ‘Ik ben de hond’ van Jente Posthuma, gaat over een kunstenares, die bezoek krijgt van de volwassen dochter van een overleden vriendin. De oude kunstenares heeft een weekend daarvoor open atelier gehouden; ze had tien cakes ingeslagen. Er waren tweehonderd mensen langs geweest, de cake bleef onaangeroerd. ‘Iedereen had het over het uitzicht, zei ze. Niemand zei iets over mijn aquarellen.’ Een verhaal met ongelukkige handelingen en verkeerd geplaatste opmerkingen, als waren ze zo uit de werkelijkheid van het dagelijkse leven opgetekend.

    ‘Wafelbakker’ is een bijdrage van Merijn de Boer die tegenwoordig vanuit New York zijn verhalen de wereld instuurt.
    Over Ole, die op een begrafenis van een oud collega is genodigd maar niet begrijpt waarom. De man in kwestie negeerde hem altijd en heeft hij in drie jaar niet meer gezien. Waarom werd hij uitgenodigd en mag hij ook nog in het huis van de overledene wonen? Een verhaal waarin personages op knappe wijze gespiegeld worden en langzaamaan elkaars gedaante aannemen, waardoor een verrassende apotheose volgt (in traditie van klassiekers in de wereldliteratuur). Zeer Boeriaans kunnen we zeggen.

    Vincent Merjenberg schreef het weergaloze verhaal ‘Het water’. Over een relatie waarin een groot verdriet gedeeld wordt om het verlies van een kind, en een bosmeer dat ontstaan is door een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. Merjenberg verstaat de kunst een verhaal te vertellen door juist niet alles te beschrijven. Met zinnen als, ‘Ik wist, kortom, van niets en zag alle veranderingen aan voor aarzelend terugkerend geluk.’ Een stevig verhaal waar je van moet bekomen als van een stevig maal.

    Verder verhalen van Jan van Mersbergen, Klaas Knooihuizen en Robin Kramer. Poëzie van Luca Hirsch, Runa Svetlikova, Simone Atangana Bekono en Marwin Vos.

    Mooie verhalen en gedichten van auteurs die eerdere publicaties op hun naam hebben staan. In die zin geen ‘echte’ debutant te bespeuren. Een tijdschrift die het niet om nieuwe oogst gaat, maar de verhouding tussen schrijver en lezer gaande houd terwijl de eerste werkt aan een nieuw boek en even van de radar is. Revisor houdt met niet eerder gepubliceerd werk de lezer en schrijver bij de les, opdat ze elkaar niet uit het oog verliezen.’

     

     

  • Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Ook de komende twee jaar krijgt literair tijdschrift Extaze subsidie van het Letterenfonds. Maar pas nadat protest aangetekend werd tegen de afwijzing van het subsidieverzoek. Dat betekent dat het Letterenfonds uiteindelijk toch vindt dat Extaze aan zekere kwaliteitseisen voldoet, waarbij talentontwikkeling een belangrijke rol speelt: ‘Kwalitatief hoogwaardige literaire tijdschriften dragen bij aan talentontwikkeling in de letterensector. Ze zijn een vrijplaats waar talent, nieuwkomers en gevestigde auteurs, de kans krijgt zich te ontwikkelen en redacteuren zich kunnen bekwamen in redactionele vaardigheden en zich kunnen presenteren aan publiek en vakgenoten.’

    De lijst langslopend van degenen die een bijdrage leverden aan het meest recente van Extaze dan klopt het wel zo ongeveer. Niemand in de line-up van nummer 24 is heel groen en nog nat achter de oren, maar het tableau de la troupe laat een grote diversiteit zien. Niet iedereen is al op papier gedebuteerd, maar allemaal hebben ze al literaire sporen verdiend. Een aantal van hen behoort tot de vaste kern van het tijdschrift of uitgevershuis In de Knipscheer – samen met stichting Tresspassers W verantwoordelijk voor het verschijnen van het tijdschrift – van anderen verscheen het werk verspreid.

    Thema van het nummer waarmee Extaze de zesde jaargang besluit is fotografie. Het nummer opent met drie essays die voor wat ze willen betogen eigenlijk iets te krap bemeten zijn. Daan Rutten moet het in De chaos en het beeld: over Willem Frederik Hermans als fotograaf ook nog eens zonder beeldmateriaal doen. Daardoor blijft wat hij beweert – dat er een zekere discrepantie zit tussen het wereldbeeld van de schrijver Hermans en zijn opvattingen over objectiviteit versus subjectiviteit als het om de fotografie in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder – een beetje in de lucht hangen.
    Van de drie essays is dat van beeldend kunstenaar Onno Schilstra het meest origineel. Hij reflecteert vanuit eigen ervaringen op de opvattingen van Walter Benjamin over de mate waarin reproduceerbaarheid invloed heeft op het beklijven van beelden.
    Het derde essay van Ine Boermans gaat over het werk van Nan Goldin en Richard Billingham.

    Overigens is niet altijd even duidelijk wat een stuk in essentie is, de grenzen tussen de genres zijn rekbaar. Dat komt door de foto’s die nu eens herinneringen en historie oproepen en dan weer aanzetten tot fabuleren. In Twee keer een foto smeedt Hans Muiderman bijvoorbeeld twee verhalen aan elkaar – dat van het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder en de geschiedenis van de Van Kerkhovens, die bekendheid verwierven dankzij De heren van de thee van Hella Haasse. Zijn korte verhaal had ook het begin van een essay of een blog kunnen zijn. Eigenlijk is het nog niet af, maar wel afgeronder dan De foto en de dood van Wim Noordhoek, die in twee pagina’s veel aansnijdt over de rol die de fotografie na haar uitvinding ging vervullen en de betekenis die de mogelijkheid om momenten vast te leggen in individuele levens speelt.

    Het verhaal De Galvanistraters van Mischa van den Brandhof is een sfeervol geschreven familiealbum. De lezer ziet foto’s voor zich, waarbij het sepia overvloeit in zwart-wit en daarna kleur krijgt. Een heel mooi voorbeeld van ‘show, don’t tell’, hoewel dat principe niet zo zaligmakend is als vaak verondersteld wordt. In ‘Hoort ge dat?’ van Michel Ramaker waarin MacBeth opgevoerd wordt, rollen ongelijk verdeeld zijn en jaloezie opspeelt, broeit het. Maar zo sterk en suggestief als deze verhalen zijn niet alle bijdragen.
    Zo snijdt Jan Wijnen in Do not pass the line weliswaar een heikele kwestie aan – homoseksueel en leerkracht zijn op een christelijke school – en vindt daar ook een vorm voor die recht doet aan de dilemma’s van zijn hoofdpersoon, maar het verhaal heeft ook iets voorspelbaars.

    In een themanummer over fotografie horen beelden. Eric de Vries maakte verstilde portretten en spannend gekadreerde stillevende landschappen die los staan van de verhalen. De twee foto’s die voorafgaan aan Lynne en David van Dieuwke van Turenhout geven dat verhaal – over ouders die kritisch kijken naar hoe een ander stel hun kind opvoedt, zo kritisch dat je voelt dat er iets ergs gebeurd moet zijn – bedoeld of onbedoeld, een extra lading.

    Net als de verhalen zijn ook de gedichten divers van vorm en intensiteit. Waar Fred de Vries terloops lijkt op te schrijven wat hem op het moment zelf bezighoudt of overkomt, kiest Marcel de Roos zijn woorden zo dat zij gewichtig klinken. Meliza de Vries zit daar met haar stellige gedichten tussenin.

    Pim Wiersinga levert met zijn bijdrage Schrijven, de gooi naar het onbereikbare. Een conversatie een bijdrage aan de discussie over hoe literatuur gelezen moet worden in het licht van het leven van een schrijver. Hij voert  Tim Parks – die met De roman als overlevingsstrategie een knuppel in het hoenderhok gooide, de al in 1919 overleden Victor Segalen en zichzelf op als dramatis personae. Zijn aanpak is meer dan interessant, de vraag is echter of de discussie in deze vorm niet over de hoofden van de lezers gevoerd wordt.

    De definitie van het Letterenfonds nog eens in ogenschouw nemen, dient een literair tijdschrift een vrijplaats te zijn. Die omschrijving gaat voor Extaze, afgemeten aan de diversiteit van vorm, inhoud en statuur van de schrijvers op. In hoeverre het publiceren in het tijdschrift bijdraagt aan de ontwikkeling van een auteur kan op basis van een enkel nummer niet vastgesteld worden. Net zomin als duidelijk is in hoeverre redacteuren zich er verder kunnen bekwamen in hun vak. Als zij dat al willen, want de vraag is of de gemiddelde redacteur van een literair tijdschrift de ambitie heeft beter te worden in het repareren van teksten en coachen van auteurs. De meesten willen gewoon een goed tijdschrift maken. Misschien wel het liefst een spraakmakend tijdschrift waarin schrijvers van naam graag aan bijdragen, wat vervolgens vooral het tijdschrift ten goede komt. Zo’n tijdschrift is Extaze niet en zou het ook niet moeten willen worden (dat past ook niet in de functie die het fonds literaire tijdschriften toedicht). Maar nog een beetje uitgesprokener mag het wel.

     

    Extaze verschijnt vier keer per jaar.

  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Liter, ook zonder het c-woord geïnspireerd

    Toen Liter een paar nummers geleden besloot het woord ‘christelijk’ uit de naam te schrappen en voortaan als Liter. Literair tijdschrift door het leven te gaan, leidde dat tot reacties van verontruste lezers. De grootste vrees was dat het tijdschrift met het veranderen van de naam wezenlijk van karakter zou veranderen en het levensbeschouwelijke definitief tot het verleden zou behoren. De redactie voelde zich geroepen haar besluit toe te lichten en de lezers gerust te stellen. Zij was niet van plan overtuigingen overboord te gooien. Ze sprak de hoop uit dat Liter zonder het woord ‘christelijk’ in de titel potentiële lezers welwillender tegemoet kan treden. Minder veroordelend zal zijn. Dat recht gedaan wordt aan een breder levensbeschouwelijk perspectief dan alleen het protestants-christelijke.
    Eerst zien en dan geloven, zal een deel van die lezers gedacht hebben. Inmiddels hebben die lezers hun conclusies kunnen trekken.

    Dat de redactie van plan is woord te houden, bleek uit het themanummer waarmee het twintigjarig bestaan van het tijdschrift gevierd wordt. Een nummer geheel gewijd aan G’d, met de gedichtencyclus Quarantaine van Malachi Black als bonus. Een cyclus waarin de getijden leidend zijn; gedichten gebeden lijken en zelfinzicht tot stand komt in gesprek met iemand die het meer dan een mens voor het zeggen lijkt te hebben.
    Een gevarieerd nummer – proza, poëzie en beschouwende stukken – waarin geloof, religie en godsdienst nog net zo letterlijk en figuurlijk aanwezig zijn als voorheen.
    Het nummer opent met 95 Stellingen, een bonte verzameling beweringen over God opgetekend uit de monden van voor de hand liggende en verrassende ‘volgers’.
    De signatuur van het tijdschrift komt ook duidelijk tot uitdrukking in het gesprek met Joost Baars over zijn bundel Binnenplaats, de analyse die Frans Berkelmans maakt van het gedicht Johannes 1:14 van Jorge Luis Borges en de papieren tweespraak tussen Malachi Black en Ruben Hofstra. Speels verwijzend naar de vorm en inhoud van de Bijbel is het gedicht Kohelet of Adviesgroep van Pauliene Kruithof, en ook Koos Geerds geeft een hedendaagse draai aan een Bijbels verhaal, in dit geval dat van Noach. Het minst door religie aangeraakt lijken de bijdragen van gastschrijver Tommy Wieringa. Hij mag dan geen uitgesproken door een geloof geleid schrijver zijn, zijn werk getuigt van een levensinstelling die verre van vrijblijvend is.

    In het ‘kerstnummer’ – nummer 88, eind december verschenen – treedt het levensbeschouwelijke minder nadrukkelijk op de voorgrond, al begint het met een kerstverhaal van Len Borgdorff en een interview met Mieke van Zonneveld voor wie woorden in eerste instantie nog steeds een Bijbelse connotatie hebben.
    In zijn analyse van drie gedichten van Martinus Nijhoff – Soldatenkerstmis, Zingende soldaten en De soldaat die Jezus kruisigde – schrijft Mark de Haan toe naar de Bijbelse werkelijkheid waar de dichter aan refereert. De vraag is alleen of het close readen van De Haan zoveel toevoegt aan de gedichten dat het de ruim zes pagina’s rechtvaardigt die het stuk beslaat, terwijl de gedichten zelf niet zijn afgedrukt.

    Actueel is deze Liter als het gaat om de poëzie van Pierre Boskma. Van hem is een fragment opgenomen van een nog te verschijnen langer gedicht. De gedichten van Hester Knibbe hebben niet alleen iets tijdloos, maar laten zich ook vanuit verschillende invalshoeken lezen. Dat geldt ook voor Man, hond.

    Veel aandacht in dit nummer voor de scheidende gastschrijver Tommy Wieringa. Christely van Mourik herleest Joe Speedboot en Els Meeuse leest De heilige Rita. Deze roman neemt ook een belangrijke plaats in, in het dagboek van Tommy Wieringa.
    Het gedicht De haas van Benno Barnard en een stuk over een haas uit De heilige Rita van Wieringa sluiten wonderlijk mooi op elkaar aan. Het fragment laat bovendien zien hoe zintuiglijk het schrijven van Wieringa is. En hoeveel daarvan verloren gaan als er in recensies in algemene zin over een roman gesproken wordt. Zijn gastrol zit er definitief op na het laatste deel van het vakinhoudelijke edoch baldadige gesprek met Marcel Möring, net als Benno Barnard ook een voormalig gastschrijver.

    Vergeleken met het themanummer over God lijken de bijdragen in het 88e nummer van Liter. Literair tijdschrift een minder grote noodzaak te hebben. Willekeuriger gekozen te zijn. Dat is vanzelfsprekend als er geen thema is dat bijdragen bindt, maar op een of andere manier ontbreekt er een evenwicht. Hoe inhoudelijk en lezenswaardig de afzonderlijke bijdragen ook zijn, Liter is niet meer dan de som van de afzonderlijke delen. Waar hem dat precies in zit, laat zich na het lezen van de laatste drie nummers niet zo eenvoudig vaststellen. Misschien speelt het feit dat zowel een redactie als de gastschrijver een stem hebben in het samenstellen van de nummers die samen een jaargang vormen een rol. Misschien is de diversiteit te groot en wreekt een aantal vaste rubrieken zich louter en alleen door de plaats die ze in het tijdschrift innemen. Maar misschien heeft het ook te maken met de verwachting dat een papieren tijdschrift coherenter is dan een digitale verzameling stukken die onder één noemer verschijnt. Het ligt vooralsnog niet aan het het schrappen van dat ene woord uit de ondertitel.

    Het jubileumjaar van Liter. Literair tijdschrift is voorbij. Volgend jaar is Abdelkader Benali gastschrijver.

    De papieren versie van Liter. Literair tijdschrift verschijnt vier keer per jaar.
    Een abonnement kost € 40,00.

    Liter heeft ook een digitale divisie, die de papieren editie aanvult.

  • Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.