• Levensecht en eigentijds

    Sally Rooney is inmiddels een naam die niet meer weg te denken is uit de internationale literatuur. Sinds haar debuut Conversations with Friends en het megasucces van Normal People wordt ze overal ter wereld gelezen, besproken en soms ook verguisd. Ze wordt de stem van haar generatie genoemd, een auteur die de twijfels en verlangens van jonge volwassenen weet te vangen in glashelder proza. Maar met haar vierde roman, Intermezzo, gooit Rooney het over een andere boeg. Het boek voelt ambitieuzer, donkerder en stilistisch uitdagender dan wat we van haar gewend zijn.

    Rouwverwerking

    De roman draait rond twee broers in Dublin. Peter, 32, is een briljante, maar zelfdestructieve advocaat die mensenrechtenzaken pleit, maar intussen zijn eigen leven nauwelijks op de rails krijgt. Zijn tien jaar jongere broer Ivan is een voormalig schaaktalent dat zich opnieuw op het spel stort, terwijl hij een geheime relatie aangaat met Margaret, een vrouw van zesendertig uit Leitrim. Ook Peter worstelt met ingewikkelde liefdes. Enerzijds blijft hij emotioneel verstrikt in zijn ex Sylvia, die na een zwaar ongeluk een seksuele relatie niet meer ziet zitten. Anderzijds begint hij tegelijk iets met Naomi, een veel jongere studente die geld verdient met expliciete foto’s online. Over al deze relaties hangt de schaduw van het verlies van hun vader, dat de broers ieder op hun eigen manier proberen te verwerken.

    Geslaagd vertelexperiment

    Rooney kiest voor een opvallend vertelexperiment. In plaats van haar kenmerkende sobere stijl en strakke dialogen, krijgen we drie heel verschillende stemmen. Peters passages zijn fragmentarisch, soms haast staccato: korte, afgebroken zinnen die de chaos in zijn hoofd perfect weerspiegelen, een soort van stream-of-consciousness. Ivan klinkt luchtiger, met droge humor en een zekere lichtheid die past bij een jonger iemand die nog zoekend is. En dan is er nog Margaret, die traag en bedachtzaam spreekt, als een soort tegengewicht voor de onrust van de broers. Bovendien gebruikt Rooney geen  aanhalingstekens, waardoor dialogen en gedachten in elkaar overlopen. Dat maakt het lezen intens, maar soms ook moeilijker en verwarrend. Het is geen roman die je zomaar even gedachteloos kunt weglezen; hij vraagt concentratie en geduld. Toch is die vorm geen spielerei, maar inhoudelijk doordacht. Peters fragmentarische stijl laat voelen hoe hij de controle over zijn leven verliest. Ivan, jonger en nog kneedbaar, klinkt toegankelijker, bijna uitnodigend. Margaret brengt dan weer balans en reflectie. Zo wordt Intermezzo niet alleen een verhaal over rouw en liefde, maar ook een oefening in perspectief: wie kijkt, wie spreekt, en hoe kleurt taal onze beleving van verdriet?

    Kleinmenselijke thema’s

    De thematiek is herkenbaar voor wie eerder werk van Rooney las: relaties, macht, intimiteit, onzekerheid. Maar in Intermezzo komt daar een duidelijke laag van rouw en familiebanden bij. Hoe gaan twee heel verschillende mensen om met hetzelfde verlies? Hoe houd je elkaar vast als broers, wanneer je elk je eigen copingmechanisme hebt? Rooney schrijft daarover zonder pathetiek, maar met een melancholische scherpte die ontroert. De broers lijken elkaar soms te verliezen in hun verdriet, maar er is altijd dat onderhuidse besef van verbondenheid. Ook de liefdesverhalen zijn typisch Rooney: ongemakkelijk, gelaagd, vol spanning. Het leeftijdsverschil tussen Ivan en Margaret roept vragen op over macht en wederkerigheid. Peter laveert tussen de volwassen Sylvia en de jonge Naomi, en juist die driehoek legt bloot hoe verlangen vaak ook met controle en kwetsbaarheid te maken heeft. Rooney veroordeelt niet, maar legt bloot. Ze schrijft over mensen zoals ze zijn: tegenstrijdig, soms egoïstisch, vaak onzeker, altijd zoekend. Dat is ook meteen de kracht van de roman. Rooney maakt haar personages geloofwaardig door hun tekortkomingen. Peter kan briljant pleiten in de rechtszaal, maar faalt in zijn privéleven. Ivan is charmant en intelligent, maar ook onzettend naïef. Margaret is tegelijk liefdevol en afstandelijk. Die ambiguïteit maakt dat je als lezer voortdurend heen en weer geslingerd wordt: je begrijpt hun keuzes, maar je fronst er ook de wenkbrauwen bij.

    Valkuilen

    Waar sterktes zijn, zijn ook valkuilen. Niet iedereen zal gecharmeerd zijn van de experimentele stijl. De fragmenten van Peter kunnen vermoeiend worden, en het ontbreken van duidelijke dialoogmarkeringen leidt soms tot frustratie. Ook de keuze om vooral vanuit mannelijke perspectieven te schrijven, waarbij vrouwen soms vooral dienen als spiegels of katalysatoren, is een punt van kritiek dat al vaker naar voren kwam. Bovendien klinkt het bredere maatschappelijke engagement dat haar eerdere werk typeerde hier minder luid. Rooney’s personages lijken zich vooral in hun eigen universum te bewegen, ver weg van de grote politieke vraagstukken.

    Toch is Intermezzo in veel opzichten Rooney’s meest geslaagde roman tot nu toe. Ze durft meer risico’s te nemen, zowel stilistisch als thematisch. Het resultaat is een boek dat niet iedereen zal bevallen, maar dat wel blijft hangen. Het is literatuur die traag binnendringt, die je dwingt stil te staan bij hoe mensen omgaan met verlies en liefde, bij hoe broers elkaar kunnen kwijtraken en terugvinden, bij hoe intieme relaties altijd balanceren tussen macht en overgave.

    Wie op zoek is naar een lichtvoetige pageturner, zal teleurgesteld zijn. Intermezzo vraagt inspanning en aandacht. Maar wie zich eraan overgeeft, ontdekt een rijk, gelaagd verhaal dat je niet zomaar loslaat. Rooney toont zich hier niet alleen als de chroniqueur van een generatie, maar als een auteur die blijft groeien, die durft te experimenteren en die diep onder de huid van haar personages kruipt.

     

     

  • Idylle en beklemming in een tijdloos landschap

    Het werk van de Italiaanse schrijfster Donatella Di Pietrantonio is diep verankerd in het Italië van de periferie, ver weg van de grote steden, in gemeenschappen waar de tijd niet rechtlijnig verloopt, maar rondcirkelt langs oude gewoonten, rituelen en trauma’s die generaties elkaar doorgeven. Sinds ze debuteerde in 2011 onderscheidt Di Pietrantonio zich door familiegeschiedenissen te verweven met het sociale weefsel van kleine dorpen. Haar nieuwe roman De kwetsbare tijd heeft als decor haar geboortegrond, de Abruzzen, een regio van ruige schoonheid en hardnekkige stilstand.

    Het landschap fungeert als personage op zichzelf. De heuvels zijn ruw en soms onherbergzaam, de valleien breed en stil, de dorpen gesloten en compact. Di Pietrantonio vangt ze in beelden die zowel idyllisch als beklemmend zijn. Het verleden is geen statisch decor maar een levende aanwezigheid, onophoudelijk voelbaar in het heden. Tegen deze achtergrond ontvouwt zich een verhaal over kwetsbaarheid in vele gedaanten: die van ouderdom, jeugd, van herinneringen, liefde, en van het onvermogen uit te spreken wat gezegd zou moeten worden.

    Twee ontwikkelingen in één verhaal

    Hoofdpersoon Lucia is een fysiotherapeute van middelbare leeftijd die haar leven in het dorp, met zijn beperkingen maar ook zijn rust, grotendeels heeft aanvaard. Dochter Amanda studeert in Milaan, een keuze die symbool staat voor ontsnapping en vernieuwing. Wanneer Amanda onverwacht terugkeert, gebeurt dat in een staat van stilzwijgen en apathie. De oorzaak van deze ommekeer wordt door moeder noch dochter benoemd, waardoor er vanaf het begin een sluier over het verhaal hangt.

    Ook op een ander front wordt Lucia’s leven opgeschud: haar vader, met wie zij een complexe relatie heeft, wil de familiecamping verkopen. Wat op het eerste gezicht slechts grond met toeristische waarde lijkt, draagt de last van een tragedie die diepe sporen heeft nagelaten in de familie en de gemeenschap. De terugkeer naar dit beladen verleden vormt een tweede verhaallijn, die samenloopt met Amanda’s komst. Het kruispunt van deze twee ontwikkelingen schept een subtiel spanningsveld.

    Variatie in stijl en toon

    Di Pietrantonio hanteert verschillende stijlen: de minimale, terughoudende passages laten stilte en spanning spreken, terwijl de poëtische beschrijvingen van landschap en omgeving een rijke, zintuiglijke ervaring bieden. Deze variatie verleent de roman meerstemmigheid en zorgt ervoor dat personages en emoties tot leven komen. Tegelijkertijd blijft veel emotie impliciet. De lezer wordt uitgenodigd tussen de regels te lezen en zelf verbanden te leggen.

    De uitwerking van de personages is genuanceerd. Lucia is vooral gelaagd in de passages over haar jeugd: kwetsbaar, innemend en overtuigend. In het heden blijven haar emoties vaker impliciet, zeker in relatie tot Amanda en de dreigende verkoop van de camping. Amanda zelf blijft grotendeels gesloten. Haar innerlijke wereld blijft ontoegankelijk, en haar aanwezigheid krijgt vooral gewicht door handelingen en gebaren. Een scherp constrast vormt Lucia’s vader: hij leeft in het verleden, past zich niet aan en weerspiegelt zo de hardnekkige stilstand die het dorp en de familie kenmerken. 

    Het gewicht van verleden en gemeenschap

    De roman overtuigt volledig in de beschrijving van de oudere generatie en de nasleep van de tragedie rond de familiecamping. Eén gebeurtenis, zo laat Di Pietrantonio zien, tekent de direct betrokkenen maar nestelt zich ook in het collectieve geheugen van de gemeenschap. Met enkele scènes maakt ze de emotionele impact voelbaar, en dan niet door spectaculaire details maar een stilte die zwaarder weegt dan woorden.

    In haar landschapsbeschrijvingen wekt Di Pietrantino met zintuiglijke precisie en zonder clichés de Abruzzen tot leven: de zon die traag over de valleien glijdt, de geur van vers gemaaid gras, wind die door de bomen ruist. Poëtische momenten contrasteren met de strakke toon van de vader-dochterrelatie, en versterken zo de spanning tussen uiterlijke schoonheid en innerlijke complexiteit.

    Gebaren en onuitgesproken woorden

    De relatie tussen Lucia en Amanda bereikt bij vlagen een indringende scherpte, vooral in scènes waarin gebaren alles zeggen. Wanneer Lucia haar dochter observeert terwijl die haar kamer ordent, voel je afstand en onbegrip naast een stille verwachting. Zulke momenten tonen Di Pietrantonio’s inzicht in familiebanden: liefde en afstandelijkheid hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar kunnen vlak naast elkaar bestaan.

    De titel van de roman, het centrale idee van de kwetsbare tijd – dat ieder mens blootstaat aan risico’s en emotionele breekbaarheid -, is krachtig en universeel. Het zou als motto kunnen dienen van het oeuvre van deze auteur, waarin kwetsbaarheid nooit louter zwakte is, maar een verbindende menselijke conditie.
    De kwetsbare tijd is een subtiel spel van stijlen, van terughoudende passages bij innerlijke spanning, poëtische landschapsbeschrijvingen die emotionele diepte en sfeer brengen. Met zulke tegenstellingen kan Di Pietrantonio de complexiteit van familie, herinnering en kwetsbaarheid verbeelden. Wat het meest blijft hangen, is niet alleen het tijdloze landschap van de Abruzzen, maar ook het besef dat menselijke breekbaarheid en stiltes even waardevol kunnen zijn als woorden en actie.

     

  • Geen helden, maar gewone mensen

    Het debuut Zwarte zomer van Tea Tupajić verscheen onlangs in juli, dertig jaar na de verschrikkingen in Srebrenica in 1995. Het Nederlandse vredesbataljon ‘Dutchbat III’, werd daar door de VN gestationeerd om de moslimenclave en de door de VN toegewezen veilige zone te beschermen tijdens de Bosnische burgeroorlog. Maar dat liep mis.

    Op 11 juli vonden hevige gevechten plaats tussen de Bosnische Moslims en de Bosnische Serviërs. De moslimenclave viel en na de overgave overtuigde kolonel-generaal Mladić de Dutchbat leiding dat de overdracht van de inwoners noodzakelijk was voor hun veiligheid. Het bleek een valstrik. In de dagen die volgden werden bijna 8400 Bosnische moslimmannen en -jongens gedood door de Bosnisch-Servische troepen.

    Tea Tupajić (1984, Sarajevo) is film- en theaterregisseur. Zij reisde door heel Nederland en sprak met meer dan honderd veteranen. Zwarte zomer is gebaseerd op het theaterstuk Dark Numbers dat ze in 2018 maakteover en met Dutchbat-veteranen. In het boek verweeft Tupajić de herinneringen van zes slachtoffers, waardoor het een dwarsdoorsnede van ervaringen wordt. Al is het aanvankelijk gissen wie er aan het woord is.

    Deze mensen, mannen en vrouwen, jong en onervaren of ouder met meer ervaring, waren tijdens de bloedhete zomer van 1995 getuige van de verschrikkingen. Nog steeds leven ze met de trauma’s en nabeelden ervan op hun netvlies. Soms zijn het slechts een paar zinnen op een bladzijde, wat indringend overkomt, omdat er ook veel wordt weggelaten. De getuigen hebben hun ervaringen heel verschillend beleefd. Soms zijn die rauw en benemen je de adem, dan weer zijn ze afstandelijk, relativerend.

    Dwarsdoorsnede van ervaringen
    Twee jonge vrouwen die de ernst van hun missie aanvankelijk niet zo duidelijk in de gaten hadden, worden in één keer volwassen als ze oog in oog met de vijand staan. ‘Ik sta bij de poort. Ik zie vijfentwintigduizend vluchtelingen die allemaal de compound in willen. We hebben plek voor vijfduizend. We moeten een selectie maken.’ Na een halve bladspiegel witregels eindigt het stukje. ‘Alleen vrouwen en kinderen.’

    Een legerarts staat voor moeilijke keuzes en een onwerkbare situatie. Een man moet na de oorlog in het reine komen met PTTS. Een ander wilde graag net zo heldhaftig worden als zijn grootvaders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zaten. Het zijn de mooie, en gruwelijke herinneringen, grappige anekdotes en morbide grappen die een eerlijke inkijk geven in wat er destijds gebeurd is. In het laatste hoofdstuk presenteert de auteur zich, en horen we bij monde van een van de slachtoffers meer over haar motief om dit boekje te maken.

    Dark numbers en zwarte zomer
    Zwarte zomer is mooi opgebouwd, gaandeweg weet je (toch) wie er aan het woord is en dringt de pijn en onzekerheid van de slachtoffers steeds dieper tot je door. Zoals de twijfel als je moet kiezen tussen menselijkheid en militair handelen. ‘Ik handelde overeenkomstig de opdracht. Maar was de opdracht goed? Had ik de opdracht moeten negeren.’ En later als de confrontatie met het thuisfront komt, waar de beste stuurlui aan wal stonden, overheerste de twijfel. ‘Ben ik een goede soldaat geweest of een lafaard?’ Dat dealen met het onbegrip van de buitenstaanders wat er bij dergelijke traumatische ervaringen altijd is, bleek voor iedereen moeilijk en ingewikkeld.

    Enkele veteranen die in het boek voorkomen speelden ook mee in het theaterstuk Dark numbers. In een interview met Herien Wensink in De Morgen in 2019 zegt Tupajić:

    ‘Het wordt hen verweten dat ze zich niet als helden hebben gedragen daar. Maar het zijn geen helden, het zijn gewone mensen, mensen die worstelen en fouten maken. Hoe houden zij zich staande in zo’n situatie? En erna? Goed, ze leven nog. Maar als ik naar ze kijk, vraag ik me af of ze het zo goed hebben doorstaan. Hebben ze het wel overleefd? Of zijn ze alleen maar lichamelijk ongeschonden teruggekomen?’

    Zwarte zomer is een aangrijpend relaas van de verschrikkingen van een oorlog, een genocide, gezien door de ogen van gewone mensen. Het is een eyeopener voor gewone mensen die er niet bij waren en die geen idee hebben wat zich daar heeft afgespeeld. Kortom, een belangwekkend boek over een geschiedenis die niet in de vergetelheid mag raken.

  • Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    De bekende linkse econoom Joseph Stiglitz, Nobelprijswinnaar economie in 2009, schreef een boos boek. Boos over de in zijn ogen grote schade die mens en samenleving, nationaal en internationaal, wordt aangedaan door het neoliberalisme als overheersende economische en politieke theorie en praktijk. Stiglitz, met een lange loopbaan als academicus en beleidsadviseur voor President Clinton en topeconoom bij de Wereldbank, pleit hartstochtelijk voor een alternatief voor het neoliberalisme, het progressieve kapitalisme c.q.een ‘opgefriste sociaaldemocratie’. Die staan immers pas garant voor een werkelijke politieke en economische vrijheid. Zo niet, – ondanks de pretentie van het tegendeel -, het neoliberalisme dat leidt tot machtsongelijkheid en onvrijheid. Vrije markten zijn niet werkelijk vrij, en lossen geen enkel maatschappelijk probleem op, integendeel. We hebben niet, zoals veel politici beweren, minder, maar juist meer overheid nodig. Meer overheid en meer regelgeving, niet minder. Een in een tijd van een vooral conservatief of zo u wilt rechts narratief, opmerkelijk betoog.

    Verbroken beloften

    Dat is in een paar woorden de samenvatting van dit lijvige boek. Stiglitz heeft er, zonder de noten, ruim 300 bladzijden voor nodig, inclusief de nodige historische uitweidingen, bijvoorbeeld over het tijdperk van Reagan en Thatcher in de jaren 80. ‘We hebben nu veertig jaar van dit neoliberale experiment achter de rug, dat begon onder Reagan en Thatcher. De rooskleurige beloften van snellere groei en hogere levensstandaarden voor een brede kring zijn niet uitgekomen. De groei is vertraagd, kansen zijn afgenomen en de vruchten van wat er aan groei is geweest zijn voor het overgrote deel naar de mensen aan de top gegaan’. Dit is nog een beheerst geformuleerde kritiek, elders is Stiglitz venijniger. De ‘Grote Leugen van Hitler’ komt langs als het gaat om de ‘roep om terugkeer van het liberalisme met de nieuwe naam van neoliberalisme halverwege de vorige eeuw’. Die leugen slaat op de stelling dat markten uit zichzelf efficiënt en stabiel zijn, maar ook als niet-econoom kan je je afvragen of Nazi-Duitsland als oorlogseconomie nu een schoolvoorbeeld van juist die leugen kan worden beschouwd. Een serieuzere en forse kritiek op het neoliberalisme verwoordt Stiglitz als volgt, stellend dat ongebreideld kapitalisme uit de tijd van Reagan en Thatcher ons op weg brengt naar eenentwintigste-eeuws fascisme. Maar is dat empirisch onweerlegbaar aangetoond? Ook hier kan je bescheiden opperen dat soms in rechtse dictaturen de rol van de staat sterk is.

    Conculega’s

    De echte vijanden voor Stiglitz zijn niet zozeer Reagan en Thatcher of zelfs Trump, maar zijn vakgenoten Friedrich Hayek en ook Milton Friedman, ooit collega en concurrent bij de Universiteit van Chicago. Dit boek, De weg naar vrijheid, is ook een duidelijk antwoord op de befaamde neoliberale Bijbel, The Road to Serfdom van Hayek uit 1947. Stiglitz verzet zich met hand en tand tegen de gevaren van het neoliberale denken. Daarentegen koketteerde Thatcher met Hayek door in haar kabinet te voorspellen dat controle van de regering over de economie zou leiden tot tirannie. Friedman is beroemd geworden met zijn stelling dat als een federale regering de baas zou zijn van de Sahara daar binnen vijf jaar een tekort aan zand zou zijn ontstaan (….).

    De animositeit van Stiglitz tegen beide economen gaat diep. Hij beschuldigt hen van het aanhangen van een ‘fundamentalistische religie’. Daarbij een ‘bekeringsdrang via media en hoger onderwijs’. En hij ontziet hen niet door te stellen dat de ‘kennis van Friedman en Hayek over de aard van de economie en de relatie tussen economie en samenleving ernstige gebreken vertoont’. De verschillen in inzicht gaan overigens dieper dan alleen over de economie. ‘Friedman en Hayek hebben, net als veel andere conservatieven, een onwankelbaar naargeestige kijk op de menselijke aard’. Met als uitsmijter dat ‘hun extreme kijk op individuele zelfzucht misschien wel voorkomt uit diepe introspectie’. Pats, die zit, in bokstermen.

    Hoe dan wel?

    De vraag is hoe geloofwaardig Stiglitz’ alternatief is. Voor hem is allereerst helder dat er geen toekomst is voor het neoliberalisme. ‘Het neoliberalisme houdt zichzelf niet in stand. Het doet zichzelf teniet. Het heeft onze samenleving en de mensen daarin misvormd. De materialistische, extreme zelfzucht die het heeft gekweekt, heeft de democratie, de sociale cohesie en het vertrouwen ondermijnd, en daardoor zelfs het functioneren van de economie verzwakt’. Nou, die zit ook, en je zou denken dat als we maar voldoende geduld opbrengen, het neoliberalisme door zijn hoeven zakt en het wenkend perspectief van het progressieve, sociaaldemocratische kapitalisme de overhand krijgt. De argumenten maar vooral ook de instrumenten die Stiglitz daartoe aanreikt overtuigen niet direct. Hij noemt vrij onderwijs, wetten en regels om concentratie van economische macht te voorkomen, het bestrijden van angst en propaganda, het bestrijden van economische tweedeling, het tegengaan van (extreem) nationalisme, het onderstrepen van democratische waarden, inclusief een werkelijk vrije (en geen monopolie-) pers, het goed regelen van verantwoording, burgerparticipatie en een herwaardering van de rol van de overheid. Geen onzinnige reeks en deels wel een bruikbaar keuzemenu, maar verre van een direct en makkelijk toepasbaar concreet pakket op weg naar dat progressieve kapitalisme. Daar zijn politieke keuzes en is politieke strijd voor noodzakelijk, en zijn ‘succesvolle’ verkiezingen en goede regeerprestaties daarna van sociaaldemocratische en vergelijkbare regeringen een essentiële voorwaarde. Stiglitz’ alternatief voor het neoliberalisme, hoe moreel en retorisch krachtig ook, blijft abstract en weinig uitgewerkt.

    Terugblik

    Stiglitz gaat met reuzenstappen door de recente geschiedenis vanaf Adam Smith in de late 18e eeuw tot de huidige neoliberale dominantie op wereldschaal. Hij geeft ook een eindeloze reeks voorbeelden hoe burgers vaak in hun rol als consument dom worden gehouden en gemanipuleerd door financiële belangen bij bedrijven zoals verzekeringsmaatschappijen, banken en soms zelfs overheden. En dat niet alleen in de VS en in Europa want de ‘Washington consensus’ van kapitaalmarkt- en financiële marktliberalisering bij de grote internationale financiële instellingen zoals IMF en Wereldbank liet, aldus Stiglitz met name in Afrika en Latijns-Amerika zijn verwoestende sporen na. Geen groei, maar toename van ongelijkheid. En volgens hem was dat ook  het geval in het voormalige Oost-Europa na de val van de Muur: de-industrialisering en een machtsmonopolie door oligarchen.

    Vintage Stiglitz. Met fikse uitspraken een vernietigend oordeel vellen over het wanbeleid, in zijn ogen, bij groepen landen. Nu is daarvan best veel waar, maar zijn Jeltsin, Poetin en de oligarchen nu het gevolg van de Washington consensus? Of van het neoliberalisme?

    Wolven en schapen

    De Britse krant The Guardian oordeelt over Stiglitz’ boek: too little, too late. Te weinig overtuigende en dwingende bewijzen en beleidsadviezen om een werkelijk egalitaire, eerlijke samenleving dichterbij te brengen, en te laat om een klimaatramp af te wenden. Dit onderwerp stipt Stiglitz wel aan, maar hij graaft hier niet diep. Hetzelfde geldt voor actuele kwesties in de wereldhandel en de ongelijk verdeelde beschikbaarheid van grondstoffen. Het boek is vooral een gepassioneerde afrekening, na decennia van intellectuele en professionele vete, met Hayek en Friedman en hun naoorlogse gezelschap, de Mont Pélerin Society, dat hen verbond en inspireerde. Het ongeclausuleerde geloof in vrije markten en vrijheid als panacee voor alle kwaden en als garantie voor een goede samenleving bestrijdt hij met veel argumenten maar vooral ook wel met heel erg veel woorden. Dan deed Isaiah Berlin het ooit wat korter met zijn fraaie citaat dat vrijheid voor de wolven vaak dood voor de schapen betekende. Of een eigen voorbeeld van Stiglitz: het verkeerslicht. Beperkt vrijheid maar als het er niet zou zijn was de onvrijheid vele malen groter.

    Wat is het alternatief?

    Maar goed, de intentie van dit boek is nobel; een betere wereld, en vooral een rechtvaardigere en eerlijkere wereld voor iedereen. Dat zal dan gaan middels een kluts van progressief kapitalisme en ‘een 21e-eeuwse versie van sociaaldemocratie of van de Scandinavische welvaartsstaat’. Bij het vormgeven van dat alternatief is Stiglitz niet op zijn sterkst. Misschien niet zo verwonderlijk omdat voor bijna elke Amerikaan, ook van progressieve snit, het woord socialisme bijna gelijk staat aan communisme De derde weg tussen kapitalisme en socialisme (Clinton, Blair) was al heel bijzonder en vooruitstrevend. En over Scandinavië is de laatste jaren wel meer te zeggen dan louter over hun status als welvaartsstaat.

    Grote kans dat Kamala Harris in haar campagne vorig jaar op zijn minst een samenvatting van dit boek heeft gelezen. Ze deed een verdienstelijke poging het woord vrijheid dat door de rechts en de Republikeinen was gekaapt, terug te winnen. De diefstal van vrijheid door rechts moet door links worden ontmaskerd en ongedaan gemaakt. In deze traditie van grote woorden en fraaie retorica past het boek van Stiglitz zeer goed. En er staan beslist behartenswaardige noties in het boek zoals het belang van het koesteren van menselijk kapitaal als je spreekt over progressief kapitalisme of de verbreding van het Bruto Nationaal Product met welzijn en geluk. Of het boek dit najaar in de binnenzak past van Frans Timmermans en Rob Jetten is sterk de vraag. Daarvoor is het niet alleen te dik maar ook net wat te veel een Amerikaanse Bijbel, maar dan wél een van de betere soort dan die van de behoudende christenen die in de VS het debat lijken te overheersen.

     

     

     

     

  • ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ‘t verkeer’

    Een verdwaalde bioloog, verstrikt in cultuur en verloren in het leven, hervindt zichzelf in gesprekken en diepe vriendschappen met bomen. Dat is de korte samenvatting van De vriendschap van bomen. Heropvoeding van een bioloog van Arjen Mulder. Maar die samenvatting is te kort door de bocht en miskent de dwalingen die je als lezer krijgt te verstouwen en die je geregeld zullen doen afvragen wat zin en wat onzin is, en of je het boek het beste terzijde kunt leggen of toch maar moet verder lezen.

    Mulders zoektocht naar een betere band met zichzelf ontrolt zich ogenschijnlijk natuurlijk. Als hij zich tot bomen wendt en met ze begint te praten reageren ze meteen. Ze vertellen hem hoe ze heten (Perel, De Amsterdammer, Filibert) en adviseren hem welke stappen hij zou kunnen zetten. Vaker en vaker trekt hij er alleen op uit. Weg van zijn vrouw. Weg van de samenleving. Naar het bos om zichzelf te vinden.

    Wat bomen vermogen

    De bomen helpen hem zijn innerlijke onrust te verdrijven. ‘Wat de bomen met me uithaalden en wat ik ze liet doen, zonder me daar erg bewust van te zijn, was het kanaal zuiveren waardoor ik met hen en mijzelf contact kon maken. Ze schrobden mijn ziel schoon, al kostte het maanden voordat ik begreep welk vul ze op welk moment hadden weggespoeld.’

    Mulder ontmoet een druïde, een ‘bomendeskundige’, die hem wegwijs maakt in de leefwereld van bomen. Hij bemachtigt een ‘krachthoutje’, een takje van een zomereik, waarmee hij zijn contact met bomen verder verdiept, zodat hij zich nog vollediger en op haast sektarische wijze kan overgeven aan de kracht van bomen. ‘Alles wat onecht en negatief aan me was heeft het krachthoutje uitgedreven. […] Jarenlang was ik verdwaasd en verdwaald. Nu hoor ik weer bij degenen die het weten. Ik zal het nooit meer vergeten.’ 

    Over zin en onzin

    Is Mulders relaas over zijn groeiende vriendschap met bomen een getuigenis van hoe de auteur zichzelf hervindt of van hoe hij de weg kwijtraakt? Dat is de vraag die aan de orde komt in een duo-interview bij Vroege Vogels (BNN Vara, 18 augustus 2024), waarbij Mulder en zijn bomenlerares en druïde Maja Kooistra worden bevraagd over de zin en onzin van het communiceren met bomen. ‘Als bioloog’, zo zegt Mulder, ‘heb je een biologische manier van denken. Je maakt iets mee en daar probeer je dan een verklaring voor te vinden. In het begin heb ik de beslissing genomen om geen verklaringen te zoeken, maar het gewoon mee te maken.’ Een meemaken dat je, zo stelt Kooistra, dichter bij de kern van het leven brengt, waardoor je zelf ook meer gaat leven.

    In het interview wordt ook bosecoloog Jan den Ouden van de Universiteit Wageningen aangehaald. Volgens hem hoeft de subjectieve (niet wetenschappelijke) aanpak die Mulder en Kooistra volgen geen probleem te zijn. Zolang de communicatie met bomen maar niet verder gaat dan hoe iemand zich persoonlijk tot bomen verhoudt, en bijvoorbeeld niet leidt tot ander bosbeheer. Want dat baseert hij liever op wetenschappelijk bewijs dan op subjectieve waarneming. En wetenschappelijk bewijs voor wat Mulder en Kooistra beweren heeft Den Ouden niet gezien.

    Wereldbeeld van de verteller

    Geen wetenschappelijk bewijs. Is dat een probleem als je een boek leest? Als dat boek non-fictie is? Nee natuurlijk. Non-fictie hoeft niet wetenschappelijk verantwoord te zijn. Wel ‘subjectief verantwoord’, dat wil zeggen dat het vertelde consistent is met het wereldbeeld van de verteller. Want anders zou het alsnog fictie worden. 

    En subjectief verantwoord is Vriendschap van bomen zeker. Maar het verslag van hoe Mulders communicatie met bomen groeit en zich verdiept is integer. Ook al zullen veel lezers misschien moeite hebben alles te geloven wat hij boekstaaft. Hij had het zeker beknopter kunnen doen. In puntiger taal. Mulder is de eerste om toe te geven dat woorden hier misschien altijd te kort zullen schieten. ‘Ik weet dat ik nooit zal kunnen beschrijven wat hier gebeurde. Mensentaal is niet geschikt om boomgevoelens te verwoorden.’

    Hij weet dat bomen en mensen zich – ondanks de communicatie tussen hen – in een andere dimensie bewegen. Wat uiteindelijk het sterkst naar voren komt uit dat overbekende lied, waaruit Mulder tot tweemaal toe een zin citeert. Dat lied over doodgewone mensen, die aan de Amsterdamse grachten hun leven leiden ver van de natuur. Dat lied met die ene zin die volgens Mulder de kern van het lied is. En van het leven. ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ’t verkeer.’

     

     

  • Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Ismail Kadare, de bekendste schrijver uit Albanië, is geboren in 1936 en vorig jaar op 88-jarige leeftijd overleden. Eind jaren zeventig van de twintigste eeuw publiceerde hij zijn roman Uta me tri harque, in 1985 door Henne van der Kooy uit de geautoriseerde Franse vertaling in het Nederlands overgezet: De brug met drie bogen. Dit jaar is het boek opnieuw uitgebracht.

    Brug over de Oejane

    Kadare laat het verhaal over de brug over de rivier Oejane (gelegen in Albanië) vertellen door Gjon de Monnik. Jarenlang heeft de organisatie met de toepasselijke naam ‘Ponten en Veren’ mensen en vee per boot de rivier overgezet. Tot tevredenheid van Graaf Stres die een deel van de winst opstrijkt. In 1377 krijgt een ziener bij de pont een epileptische aanval waarna hij verklaart dat dit een teken van de Almachtige is: er moet op deze plek een brug gebouwd worden. Een handelsgezelschap, luisterend naar de eveneens toepasselijke naam ‘Wegen en Bruggen’, krijgt vervolgens toestemming van de graaf een stenen brug te bouwen.

    Moet de aanwijzing van de Almachtige gevolgd worden of is de brug de rug van de duivel en wordt iedereen die er overheen zal durven gaan, vervloekt? Het bijgeloof vergroot de angst. Het verzet tegen het bouwen van de brug symboliseert fraai de weerstand tegen vooruitgang en het willen vasthouden aan oude gewoonten. De toekomst is echter niet tegen te houden en men begint met de bouw van de brug.

    Strijd tussen krokodil en tijger

    Dat de brug er niet zonder slag of stoot zal komen wordt aan het begin van het verhaal al duidelijk wanneer een Hollandse (!) monnik aan Gjon vertelt over de strijd op leven en dood tussen een krokodil en een tijger, niet voor niets een water- en een landdier. De twee dieren storten zich op elkaar zonder dat ze erin slagen elkaar te bijten of te slaan: ‘Het leek erop of er aan het gevecht nooit een eind zou komen.’ Blijkbaar is Kadare deze opmerking snel vergeten, want vier pagina’s verder heeft de tijger (het landroofdier) de strijd toch gewonnen en rent hij, met bebloede muil, de savanne in.

    ’s Nachts wordt de brug beschadigd en dat brengt ‘een storm van geruchten en bange voorgevoelens teweeg’: de brug vraagt om een offer. Murrasj Zenebisje voldoet aan de wens van de brug en laat zich onder de eerste boog van de brug inmetselen. Gjon vermoedt dat het om dezelfde man gaat die eerder de brug beschadigd heeft. Is hij een martelaar of is hij het slachtoffer van een vloek? Zijn familie krijgt weliswaar een schadeloosstelling, maar over de verdeling ervan breekt in de familie een enorme ruzie uit.

    Vertaling

    Het verhaal wordt met veel vaart verteld in korte hoofdstukken (ruim zestig hoofdstukken in nog geen 150 pagina’s). De vertaling wordt niet toegelicht en dat laat een aantal vragen open. Waarom is de tekst vertaald uit het Frans en niet direct uit het Albanees? Roel Schuyt vertaalt immers direct uit die taal (ook werk van Kadare). Is de vertaling uit 1985 afgestoft of gaat het om een ongewijzigde herdruk? Komt de soms wat archaïsche taal (die natuurlijk goed past in een verhaal dat in de veertiende eeuw speelt) in de oorspronkelijke taal voor of is deze afkomstig uit de Franse of Nederlandse vertaling?

    Beklemmende sfeer

    De roman van Kadare heeft een beklemmende sfeer, mede door de dreiging van oorlog en de angst voor de komst van vreemde overheersers (de Turken) die een onheilspellende achtergrond bieden tegen spanningen die ontstaan tijdens de bouw van de brug. Door de dreigende achtergrond van oorlog en geweld is het een roman die perfect in de huidige tijdgeest past. En voelen veel mensen heden ten dage niet eveneens angst voor vooruitgang? Welke bruggen zijn er nodig op de elektronische snelweg en wie zal worden geofferd om de bouw van de bruggen dáár mogelijk te maken?

  • Opnieuw beginnen

    Op de eerste pagina’s van De Keizer van Gladness staat Hai op de rand van een brug, klaar om zichzelf van het leven te beroven. Later in de roman leren we waarom: een heftige pillenverslaving die hij maar niet onder controle krijgt, een mislukte studie en de dood van zijn vriend Noah die een abrupt einde maakte aan hun liefde. Maar bovenal, de eindeloze leugens tegen zijn moeder, die als Vietnamese migrant vooral wil dat haar zoon slaagt in de harde Amerikaanse maatschappij anno 2009. Maar dan hoort Hai het geroep van een vrouw aan de overkant van het water. Die vrouw, Grazina, overtuigt hem om niet te springen en zo begint Hai’s tweede kans in het leven.

    In plaats van terug te gaan naar huis, begint Hai na dat moment een parallel leven. Hij gaat bij de demente Grazina in huis wonen en verzorgt haar. Zijn moeder belt hij nog af en toe en dan liegt hij dat hij een doktersopleiding doet. Er ontstaat een diepe band tussen Grazina en Hai, die steun bij elkaar vinden. Grazina’s onconventionele manieren om verdriet te bestrijden (op broodjes stampen in de regen) lijken te werken voor Hai. Al vult Hai dat regelmatig aan met een greep uit de pillen van Grazina. Ook vindt Hai troost in de boeken van Grazina’s overleden partner: De gebroeders Karamazov en Kurt Vonnegut’s Slaughterhouse-Five. Dat is een belangrijk deel van Grazina’s achtergrond, niet voor niets was Grazina’s partner Vonnegut aan het vertalen want ook zij waren slachtoffers van nazibombardementen en vluchtte voor het geweld naar Amerika.

    Om wat extra’s te verdienen voor Grazina, gaat Hai op zoek naar werk. Via zijn neef Sony (vernoemd naar het merk van de TV), komt hij terecht bij HomeMarket, een franchiserestaurant met matig eten. HomeMarket belooft dat het voor de klanten elke dag Thanksgiving is, maar in de realiteit wordt vrijwel alles ingevroren en opgewarmd, behalve de legendarische maïsbroodjes. Bij HomeMarket krijgt Hai een nieuwe familie van misfits, die allemaal diep door het leven getekend zijn. Hai’s nieuwe leven bestaat uit werken en Grazina’s dementie met verhalen en pillen onder controle proberen te houden. Het is een fragiele situatie, maar Hai’s nieuwe leven begint meer en meer te bloeien tegen de intens treurige achtergrond van East-Gladness.

    Gladness in verval

    Vuong’s romandebuut Op aarde schitteren we even (On Earth We’re Briefly Gorgeous) uit 2019 is in vergelijking met De keizer van Gladness persoonlijker en poëtischer (en ook bijna de helft korter). Er zijn enkele elementen die herkenbaar zijn uit Vuong’s romandebuut: de pillenverslaafde Hai, de moeder die in de nagelsalon werkt en tragische dood van vriend Noah. Maar in De keizer van Gladness heeft Vuong meer ruimte genomen en zijn de thema’s meer in balans: Grazina, Sony, manager BJ en alle andere medewerkers komen echt tot leven. Vuong slaagt erin een bijzonder goed persoonlijk verhaal over trauma, migratie en verslaving te vertellen en tegelijkertijd de schrijnende maatschappelijke ontwikkelingen in East-Gladness en daarmee heel Amerika vast te leggen. Van Sony wiens ‘neurodiversiteit’ domweg wordt opgelost met pillen tot Grazina die bij gebrek aan een goed werkend zorgsysteem tussen wal en schip geraakt. De hartverscheurende scènes waarbij Grazina’s zoon Lucas zijn moeder in een verzorgingstehuis probeert te krijgen, gaan door merg en been. Ze leggen echter ook een dieper probleem bloot. Zonder geld en status, ben je veroordeeld tot plekken zoals Gladness.

    Rond de HomeMarket en Grazina’s huis ontstaat een heel ecosysteem, waar Hai met vallen en opstaan zijn eigen plek in weet te vinden. Elke medewerker van HomeMarket vertegenwoordigt een facet van het falende Amerikaanse systeem. Ondanks de intense Amerikaanse treurigheid van East-Gladness, weet Vuong de avonturen van Hai met humor te vertellen. Soms neigt dat wel naar Amerikaanse slapstick: de junk die in de wc van HomeMarket een overdosis heeft, krijgt per ongeluk ook nog eens een bak warme kaassaus over zich heen, wat de reanimatie niet makkelijker maakt. Vooral Sony’s rol in het verhaal nijgt soms naar clownesk, maar tegelijkertijd weet Vuong heel goed zijn kinderlijke denkwijze vast te leggen. Sony’s bijzondere fascinatie voor de Burgeroorlog en vooral voor de Confederatie, zorgt voor enkele humoristische scènes die tegelijkertijd het onderliggende Amerikaanse racisme blootleggen.

    Great American Novel

    Met die brede maatschappelijke kijk op Amerika en ook de focus op Amerika’s geschiedenis door Sony’s fascinatie voor de Burgeroorlog, is dit een roman die duidelijk geplaatst wil worden in de traditie van de Great American Novel. De keizer van Gladness speelt grotendeels in 2009 en 2010, de jaren dat Barack Obama aan de macht was en het land eindelijk uit de vrije val raakte na de Great Recession. In onze herinnering zijn het de jaren van herstel, maar Vuong laat zien dat dat economische herstel niet voor iedereen toegankelijk was of überhaupt op tijd kwam. De keizer van Gladness is een roman waarin Amerika centraal staat; de American dream en de diepe teleurstellingen die daar vrijwel altijd aan verbonden zijn. Waarschijnlijk zullen we De keizer van Gladness ooit lezen zoals we nu Great American Novel zoals John Steinbeck’s The Grapes of Wrath lezen; onszelf steeds afvragend hoe het ooit zover heeft kunnen komen.

  • Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Nachtwoud is geen toegankelijk boek. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt, maar ook de vertaler niet, zoals vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet in het begin van zijn ‘nachtwoord’ (dus geen ‘nawoord’) stelt. Een beetje zelfingenomen wel die constatering, en tikje valse bescheidenheid maar geloofwaardig is het ook.

    Nachtwoud van de Amerikaanse bohémien journaliste en auteur Djuna Barnes (1892-1982) is een boek dat je enerzijds niet loslaat maar anderzijds ook moeilijk te volgen is. Het vertelt het verhaal van een aantal zoekende, ontwortelde mensen in het kosmopolitische Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw tijdens hun vooral nachtelijke belevenissen en ontmoetingen. De kern van het boek, de hoofdthese, is de mythe van de romantische liefde. In het boek ‘de vleesgeworden leugen van ons tijdsgewricht’ genoemd, ‘de liefste leugen van ons allemaal’. Het dichtstbij komt nog de liefde tussen vrouwen, maar ook die schiet in de ogen van Barnes uiteindelijk tekort.

    ‘De liefde, dat erge ding!’

    Uit een – uiteraard nachtelijke –  scène in een rijtuig van drie personen, hoofdpersoon Robin, een vrouw die zoekt naar liefde maar ook gezocht wordt, met Jenny en de (mannelijke) dokter; ‘Ach zei hij, de liefde, dat erge ding!’. Ze (Jenny) begon op de kussens in te beuken met haar dubbele vuist. ‘Wat weet jij daar nou van? Mannen weten er nooit iets van, waarom zouden ze ook? Maar een vrouw moet er wel van weten – zij zijn fijngevoeliger, heiliger, mijn liefde is heilig en mijn liefde is groots!’. Maar hoofdpersoon Robin maakt er korte metten mee: ’Hou je mond, zei Robin en legde haar hand op haar knie. ‘Hou je mond, je weet niet waar je het over hebt. Je praat de hele tijd en je weet nooit iets. Dat is zo’n afschuwelijke zwakte van je. Jezelf identificeren met God, hou ermee op!’. De scène eindigt in een gevecht tussen de twee vrouwen, waarna Robin uit het rijtuig springt, kort daarna gevolgd – toch – door Jenny. De twee vrouwen vertrekken daarna per boot naar Amerika. Hun relatie, een groot woord voor een ingewikkelde omgang met elkaar, eindigt met een hysterische Jenny. Robin trekt nu weer naar een van de andere vrouwelijke hoofdpersonen, Nora, maar ook dat loopt niet goed af. Een gewelddadige nachtelijke scène in en bij een kapel buiten New York waarbij èn Nora èn een hond het leven laten is het einde van het boek.

    Op zoek naar de liefde

    Nachtwoud
    laat zich niet of nauwelijks lineair navertellen, je moet je erin onderdompelen zonder dat je je voortdurend afvraagt wat er gebeurt, wie waarom handelt en wat de preciese uitkomst is van de nachtelijke voorvallen. Het verhaal meandert rond een handjevol hoofdpersonen die allen nogal bijzonder zijn. Wat hen bindt is een gevecht rond hun identiteit, ze zijn uitgestoten, en proberen via de ander zichzelf beter te leren kennen. Dat lukt steeds niet en dan is de enige remedie daartegen gewoon maar verder leven en zonodig een verleden ‘stelen’.  Een ‘wandelende Jood’ Felix Volkbein, de echtgenoot (op afstand) van Robin, dokter Matthew O’Connor, en de al genoemde vrouwen, hoofdpersoon Robin, en Nora en Jenny; ze zwerven door de nacht, op zoek naar elkaar, maar de echte liefde is onbereikbaar. Ze zoeken allen vooral naar de liefde van Robin, de meest identiteitsloze in het boek. Maar bij dat zoeken naar de liefde van Robin, zoeken en dienen ze vooral zichzelf. Nora: ‘Mijn God, wat is liefde? De mens op zoek naar zijn eigen hoofd?’

    Proza

    Intussen geniet je wel van het uiterst knappe en beeldende proza van Barnes. Zoals over het huis van Jenny, ‘volgepropt met tweedehands transacties met het leven’. Ze draagt de trouwring van een ander om haar vinger, vult haar bibliotheek met door anderen gekozen boeken en haar woorden ‘leken haar te zijn uitgeleend’. Nog een voorbeeld, ook over Jenny. De verteller (in het tweede deel van het boek de dokter, in het eerste deel is er een soort voice-over) zegt over haar: ‘Zij heeft de kracht van een onvolledig ongeluk – je wacht de hele tijd op de rest, op de laatste vuiligheid om het geheel af te maken; ze werd geboren op het randje van de dood, maar helaas zal ze niet bejaard worden als jongere – wat een ernstige vergissing van de natuur is’. Nog een voorbeeld, exemplarisch voor het hele boek. Felix (Volkbein) is in gesprek met de dokter. ‘Bent u bekend met Wenen informeerde Felix. “Wenen,” zei de dokter, “het bed waar het gewone volk in klimt, tam van de arbeid, en waar de adel zich uitgooit, wild van waardigheid”’. Niet echt makkelijk leesbaar, zeer barok, maar beeldend en ook wel unheimisch. De plaatsen waar de hoofdpersonen elkaar ontmoeten zijn ook bijzonder, een circus en een groot bed, beide dus weer nachtelijke plekken. Het circus wordt beeldend beschreven, maar ook nogal abstract. Felix komt er regelmatig. ‘De emotionele spiraal van het circus, ontsprongen aan de gigantische ontluistering van het publiek, afgeketst van zijn onbegrensbare hoop, bracht in Felix verlangen en onrust teweeg. Het circus was een geliefd object dat hij nooit kon aanraken, derhalve nooit kon kennen’.

    Djuna Barnes

    Deze zoektocht naar de ander en naar de liefde is misschien wel exemplarisch voor het leven van de schrijfster, Djuna Barnes. Zij groeide tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw op in upstate New York in een onsamenhangend gezin (voorwoord Xandra Schute: ‘een kakelbont gezin’). In 1912 vestigde zij zich als journaliste in de stad New York, met in haar vak en haar leven een fascinatie voor het ontuchtige, vreemde en bizarre. Daaronder het circus. Ze was een, zeker voor die tijd, onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw met een toen nieuwe stijl van schrijven, die van de participerende journalistiek. Het leven in Parijs in de jaren twintig, de stad van Hemingway, Gertrud Stein en vele andere Amerikaanse bohémiens/kunstenaars paste haar. Daar stopte ze met de opdracht journalistiek voor bladen als McCalls en ging schrijven, poëzie, korte verhalen, toneelstukken, een lesbische sleutel-almanak, en uiteindelijk in 1936, en inmiddels verhuisd naar Engeland, Nachtwoud. Daarbij geholpen door T.S. Eliot, eindredacteur bij uitgeverij Faber & Faber, die veel zag in dit boek. Hij suggereerde een andere, ook wel passende, titel: Bow down, the Anatomy of Night. Vertaler Erik Bindervoet tekent nog aan dat de uiteindelijke titel Nightwood wel eens zou kunnen slaan op de grote liefde van Djuna Barnes, Thelma Wood: ’Nigh T Wood’, bijna T. Wood. Barnes ontkende dit en sprak van ‘night-shade, poison and night and forest. Nachtschaduw, vergif en nachtelijk woud. Bijzonder om nog te vermelden is dat zij het boek schreef in het Engelse landhuis van de toen jonge beroemde Amerikaanse kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. In 1940 ontvluchtte ze het brandende Europa, terug naar de VS, waar ze tot 1982 een kluizenaarsbestaan leidde, vaak ziek en veelal verslaafd aan de alcohol. Bijna niemand liet ze nog toe in haar leven.

    Als poëzie

    Het is mooi dat dit cultboek over nachtelijke dromen drinken in het artistieke Parijs van de jaren twintig in een nieuwe, sprankelende vertaling is verschenen. De vorige dateert uit 1963, herzien in 1979. Bindervoet heeft als vertaler zijn sporen verdiend tot en met de Beatles. Aan Nachtwoud wordt nu, anno 2025, wel de term ‘Queerklassieker’ gehangen. Dat is het ook wel met die nadruk op de homoseksuele liefde, maar het is vooral een boek dat over je heen golft en dat je het beste als poëzie kunt ondergaan. Advies: lees het in één keer uit, en raadpleeg daarna vooral het nawoord van Xandra Schutte en het nachtwoord van vertaler Erik Bindervoet. Dat helpt enorm om het boek op de juiste waarde te schatten. Die waarde is groot, zeker als je het moment van verschijnen in 1936 in ogenschouw neemt. Nederland moest lang op een vertaling wachten, maar heeft nu een schitterende herkansing.

     

     

  • Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Mijn vaderland is de titel van de nieuwe bundel van Johannes van der Sluis, dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Dat vaderland blijkt in de gedichten echter niet Nederland te zijn, zoals je zou verwachten. Niet voor niets is de titel van de bundel dezelfde als die Bedřich Smetana koos voor zijn cyclus van zes symfonische gedichten, Má Vlast, waarvoor hij tussen 1874 en 1878 de muziek componeerde. Het lijkt erop dat Tsjechië voor Van der Sluis eveneens het land is waar hij zich thuis voelt: zijn ‘Ersatz-Heimat’, noemt hij het zelf. Waar Smetana op zijn muzikale reis van zes gedichten uitgaat, koos Van der Sluis voor vijf afdelingen van gedichten en brieven. 

    De eerste brief is gericht aan zijn vader aan wie hij de bundel heeft opgedragen. Deze brief is honderd jaar later geschreven dan de brief die Kafka in 1919 aan diens vader richtte, en heeft dezelfde teneur van een jeugd waarin de vader weliswaar aanwezig was, maar op afstand bleef. Gelukkig weet Van der Sluis zich met zijn vader te verzoenen voordat deze in 2023 overlijdt. Ze maken samen een bedevaart naar Praag, ‘omdat we daar vroeger vaak waren geweest’. De dichter reist Kafka achterna en bezoekt de vroegere woningen van ‘al die fantastische/ schrijvers en dichters’. 

    ‘binnen is niemand te zien
     met de lift naar de vijfde verdieping
     de verdieping waarvan hij in de ban was
     Rilkes Malte Laurids Brigge in Parijs
     die van de vijfde verdieping wilde springen
     net als Kafka
     die op de vijfde had gewoond
     Konstantin Biebl
     die daadwerkelijk is gesprongen
     en hij woonde zelf op de vijfde verdieping
     waar we aan toevoegen
     Jan Arends
     de vijfde verdieping
     ook niemand hier’ 

    Buitengewoon droge humor

    De autobiografische elementen van de dichter en zijn ouders worden afgewisseld met veel citaten uit het werk van diezelfde schrijvers en dichters en met zeer gedetailleerde informatie over het verloop van de reis. Die informatie lijkt af en toe behoorlijk langdradig en overbodig, maar wordt dan plotseling doorbroken door de buitengewoon droge humor van Van der Sluis, die de draak lijkt te steken met zijn eigen vertelwijze: ‘we liepen langs de muur van Lennon/ War Is Over!/ stond er geschreven/ je zag het niet/ je bent van de Stones’. 

    De reis met vader en moeder voert verder naar Beieren, naar Neuschwanstein waar koning Ludwig II zich in de Starnberger See verdronken heeft. Het gedicht dat hierover gaat is een fantastische vervlechting van de banale werkelijkheid met de verering voor de sprookjeswereld van koning Ludwig, doorspekt met citaten van Johnny Cash, Joseph Roth en Apollinaire, en alles overgoten met een ironisch sausje. 

    Liefde blijft onbereikbaar

    Het reisverslag dat ook een dagboek is, wordt onderbroken door een brief aan zijn moeder en het afscheid van zijn stervende vader.

    ‘heeft papa me niet op wat zijn sterfbed leek
     opgedragen om mijn eigen weg te gaan?
     of gold dat alleen voor mijn poëzie?’

    De derde afdeling brengt de dichter buiten de grenzen van Europa: hij is verliefd geworden op een grillige Marokkaanse jongedame van twintig jaar, die niet al te toeschietelijk is en met wie hij in het Italiaans moet communiceren. Ze neemt een chaperonne mee naar de afspraakjes en haar familie maakt bezwaar tegen de relatie. Pas als de dichter zich bekeerd heeft tot de islam mag hij hoop koesteren, maar tot een bruiloft komt het niet. Vanuit Catania schrijft hij ook brieven aan zijn geliefde, maar die bezorgen hem niet het gewenste resultaat.

    ‘maar gisterochtend schreef ik
     ik kon het niet laten
     dat ze nu rustig kon slapen
     ik ben dood
     je hebt me vermoord
     met de Arabische vertaling erbij
     in die hoop dat zo’n vertaalprogramma het niet
     vertaalt met
     ik heb in het zwembad geplast’

    Grote namen en een ontgoocheld man

    Ondertussen vallen er grote namen als van Kierkegaard, Simenon, Pirandello, Czesław Miłosz, Robert Walser en vele, vele anderen. Van der Sluis citeert volop om zijn betoog kracht bij te zetten, daardoor wordt het wel eens vermoeiend om zijn verhaal te blijven volgen.
    De prozagedichten zijn in twee kolommen op de pagina’s gezet en wijken wat inhoud betreft niet veel af van de inhoud van de brieven, alleen de vorm is anders. Er wordt geen gebruik gemaakt van leestekens, op het vraagteken na, en alleen eigennamen en het eerste woord van een titel krijgen hoofdletters. Hij springt van de hak op de tak, verwijst terug naar elementen uit eerdere gedichten, maar het is allemaal veel van hetzelfde: een gezapig voortkabbelen van een verslag van persoonlijke teleurstellingen. Zelfs zijn droge humor kan niet voorkomen dat de aandacht verslapt.

    De dichter zet zichzelf neer als een ontgoocheld man, een verdrietige Pierrot, een ridder van de droevige figuur die net als Don Quichot zich vergeefs te weer stelt tegen de slagen van het noodlot en troost vindt in levens en werken van beroemde schrijvers. In zijn minutieus bijgehouden dagboek waarin hij zich ook tot anderen richt, probeert hij grip te krijgen op de omstandigheden, maar het blijft vechten tegen de bierkaai. 

    ‘zoals Duitsland papa’s moederland is
     is liefde mijn moederland
     een bloedige geschiedenis
     maar ik zing graag
     vooral op papier
     laat mijn lied voor jou
     alle woningen wijden

     Liefs,
     Johannes’

    Het vaderland, waarvan sprake is in de titel, is niet aan te wijzen op de wereldkaart. Het is de wereldliteratuur waarin de dichter zich thuis voelt.

     

     

  • Hoe verhalen kunnen ontstaan

    In De naaister en de wind (uit 1991 en nu vertaald) laat de Argentijnse auteur César Aira (1949) opnieuw zien waarom zijn werk moeilijk in traditionele literaire categorieën valt. In De schimmen (Los fantasmas, uit 1990), combineerde hij het realistische decor van een flatgebouw in aanbouw met geestachtige verschijningen die alleen door bepaalde personages werden waargenomen. Deze onverwachte vermenging van het alledaagse en het fantastische is ook in De naaister en de wind aanwezig. De roman begint in een café in Parijs, waar Aira zichzelf als verteller opvoert en probeert te bedenken hoe hij een verhaal moet beginnen waarvan alleen de titel al vaststaat. Dit zet de toon voor een associatieve tekst die zich zonder vast plan ontwikkelt en zich niets aantrekt van conventionele logica of structuur.

    De vertelling balanceert tussen autobiografie en fictie, tussen herinnering en vergeten, droom en werkelijkheid. Het traditionele verhaal met een duidelijke plot en karakterontwikkeling maakt hier plaats voor een experiment waarin het proces van schrijven zelf centraal staat. Aira wil iets vertellen, maar wil vooral laten zien hoe verhalen ontstaan en wat vertellen überhaupt betekent.

    Vergeten als vertrekpunt

    Het uitgangspunt van de roman is een vergeten droom. Vaag herinnert Aira zich een perfect verhaal dat hij ooit droomde, maar dat bij zijn ontwaken volledig verdwenen was. In plaats van dat verhaal terug te halen, besluit hij het vergeten zelf tot onderwerp te maken. Zo schept hij een verhaal dat niet voortkomt uit herinnering of inspiratie, maar juist uit het ontbreken daarvan.

    Het eerste concrete verhaal volgt Delia, een naaister uit Pringles die werkt aan een trouwjurk. Wanneer haar zoon Omar gaat spelen in de bestelauto van de buurman die plotseling wegrijdt, zet Delia zonder aarzeling een achtervolging in die naar Patagonië voert. Haar man Ramon gaat vervolgens achter haar aan, en al snel sluit zich ook een verliefde wind zich aan als een eigenzinnig personage. Dan verschijnt er een demonisch kind, en de trouwjurk begint op mysterieuze wijze te zweven, wat leidt tot een keten van bizarre, onverwachte gebeurtenissen.

    Aira’s logica hanteert is niet die van oorzaak en gevolg, maar een droomlogica waarin het ongeloofwaardige binnen het verhaal vanzelfsprekend wordt. Uitleg of verantwoording zijn niet nodig. Wat telt, is dat het verhaal blijft bewegen en veranderen.

    Schrijven als een voortdurend experiment

    Aira, die in één jaar wel vier titels kan publiceren, schrijft zonder revisies in één vloeiende beweging. Hierdoor vervagen traditionele literaire grenzen: personages veranderen of verdwijnen plotseling en het narratief rekt de conventionele logica op zonder die te breken. Dit resulteert in een boek dat eerder voelt als een momentopname van een creatieve beweging dan als een afgerond product. Het ontbreken van een duidelijke spanningsboog of voorspelbare plot kan voor sommige lezers bevrijdend zijn, omdat het de lezer uitnodigt mee te gaan in het onvoorspelbare. Anderen kunnen het gevoel van houvast missen.  

    Een opvallend aspect is het meta-niveau van deze roman. Regelmatig keert Aira terug naar het café in Parijs, laat zijn vertelstem verdwijnen en weer opduiken, en speelt met de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. Deze zelfreflectie over het schrijfproces zorgt voor een dynamiek die het verhaal levendig houdt.

    Toch is dit geen louter intellectueel spel, nog afgezien van de mogelijkheid dat de auteur verwijst naar verdwijningen die in Argentinië onder de dictatuur niet ongewoon waren – maar zo’n boodschap laat de auteur geheel voor rekening van de lezer. In doorlopend hoog tempo bevat dit boek juist veel humor, slapstick en absurdistische situaties die aan Monty Python doen denken. Deze speelse toon voorkomt elke zwaarte, ondanks de filosofische thema’s over geheugen, identiteit en de aard van verhalen. 

    Magisch realisme zonder symboliek

    Hoewel het verhaal bovennatuurlijke elementen bevat, zoals een verliefde wind en een zwevende trouwjurk, past Aira’s stijl niet echt in het genre van het magisch realisme. Waar bij auteurs als García Márquez of Isabel Allende het magische vaak symbool is voor diepere culturele of historische thema’s, is Aira’s magie ongrijpbaar en los van betekenis.

    De wonderlijke gebeurtenissen zijn niet geladen met metaforische lagen, maar functioneren als elementen die de droomachtige sfeer van het verhaal versterken. Zijn wereld volgt de principes van het surrealisme en het groteske: personages zijn minder psychologisch uitgewerkt dan dat ze beweging en verandering belichamen.

    Toch is er ruimte voor subtiele melancholie. De passages waarin Aira terugkeert naar zijn jeugd in Pringles roepen een verlangen op naar het ongrijpbare verleden, naar dromen en herinneringen die net buiten bereik blijven. Dit spanningsveld tussen absurditeit en existentiële reflectie geeft de roman een onverwachte diepte.

    Een verhaal zonder vaste bestemming

    De naaister en de wind biedt geen traditionele afronding, catharsis of eenduidige betekenis. Het verhaal laat zich lezen als een experiment, een improvisatie met een open structuur die desoriënterend kan zijn, maar het verhaal ook verrassend rijk en gelaagd maakt.

    Voor lezers die zich kunnen overgeven aan het onvoorspelbare en onbegrensde, biedt De naaister en de wind een uniek avontuur. Het spoort aan tot nadenken over de aard van herinnering, identiteit en de rol van de schrijver. Dit boek laat zien hoe verhalen kunnen ontstaan, niet uit wat er ís maar uit wat ontbreekt. Het toont de onvermoede opbrengst uit vergeten en verdwalen.

     

     

  • Ingenieuze historische schelmen- en ideeënroman in één

    In 1782 verscheen in Frankrijk Le Chirurgien Dentiste van de toen 50-jarige tandarts Pierre Fauchard. Het was een belangrijk boek omdat het uitging van medische behandeling van defecten aan gebitten. Tot dan toe moest je met rotte tanden naar de barbier, die zonder veel compassie het kwaad met wortel en tand weghaalde. Of je teisterde zelf je kaken om van de pijn af te komen. Fauchard hield het niet bij trekken maar maakte serieus werk van reparatie en zelfs transplantatie van tanden.

    Een van de motto’s in de jongste roman van Auke Hulst, Tandenjager, komt uit die gebittenbijbel: ‘De tanden in hun natuurlijke staat zijn de meest gepolijste en hardste botten van het menselijk lichaam; tegelijk zijn ze het bevattelijkst voor kwalen die acute pijn veroorzaken en soms zeer gevaarlijk kunnen zijn.’ Dat lijkt bij eerste lezing een nuchtere constatering, maar wie deze sprankelende roman ten volle heeft verteerd en het motto herleest beseft dat er een metafoor in zit voor de samenleving.

    Tanden van jong gesneuvelde soldaten

    Auke Hulst neemt de lezer mee naar het begin van de negentiende eeuw. Fauchard had met zijn behandelingen school gemaakt. Wie het kon betalen (nog altijd een kleine minderheid van rijkeren) kon zijn gebit laten renoveren of implantaten laten plaatsen. Daarmee kon je je tenminste weer vertonen zonder je lippen stijf op elkaar te houden. Maar de praktijkhoudende tandartsen moesten wel aan vervangende tanden zien te komen. Die waren volop voorradig bij jonge gesneuvelde soldaten op slagvelden.

    Daarmee begint Tandenjager. Eerst in een prelude met de doodsstrijd van soldaat Amadeo d’Isenbardt nabij Quatre Bras en daarna met de introductie van een sluwe Nederlander, die zich naargelang hem het beste uitkomt Vos Jacobsz en Jacobi Fox noemt. Zijn echte patroniem gebruikt hij nooit en dat heeft een reden. Hij is de buitenechtelijke zoon van een baron. Zijn moeder die bij de baron in dienst was, is om voor de buitenwereld het geheim te verbloemen getrouwd met een hork van een – streng gelovige – (stief)vader. De moeder is gestorven tijdens de vroeggeboorte van een dood broertje dat Vos uit schuldgevoel over haar dood in de roman kwellend blijft achtervolgen als zijn ‘gebroerte’.
    De moeder heeft Vos gevoed met liefde voor literatuur en ingewijd in het Verlichtingsdenken: hij is atheïst geworden. Het armoedige milieu waaruit hij komt (de baron erkent hem niet als zijn zoon) en zijn slechte gebit bieden hem weinig toekomst.

    Puntgaaf gebit uithakken

    Daar wil hij verandering in brengen. Hij gaat tanden roven van gevallenen op het slagveld en die verkopen aan artsen. Als hij het lijk van Amadeo vindt, ontdekt hij dat die een puntgaaf gebit heeft. Hulst beschrijft heel precies hoe Vos dat eruit hakt (ja, hij weet hoe hij gruwelijke taferelen moet presenteren) om het vervolgens door zijn afnemer, een Londense tandarts, in zijn eigen mond te laten plaatsen.
    Maar hij ontdekt meer op het lijk van Amadeo: bizarre liefdesbrieven van een gravin, Margaux, die in Nederland een landgoed en in Suriname plantages bezit. Hij ziet dé kans om zich voorgoed uit zijn armoede te verheffen door te proberen het aan te leggen met Margaux.

    Hulst sleept de lezer vervolgens mee in een avontuur dat heel lang raadselachtig blijft totdat uiteindelijk alles op zijn plek valt. Margaux is geen gewoon wezen. Ze is een ‘vleermens’, een vampier. Ze heeft mannen nodig voor haar bestaan, zoals een vampier bloed zuigt. Haar grootste angst is zich aan een man uit te leveren. Het lukt Vos echter om haar in te palmen en dat wordt een probleem als Margaux en hij echt verliefd op elkaar raken. Dat kan zij zichzelf niet toestaan. Copulatie, vooral als die een zwangerschap tot gevolg heeft, is in haar geesteswereld fataal.

    Vooravond Slag bij Waterloo

    Tandenjager is een razend knappe verknoping van een historische, schelmen- en ideeënroman in één. De schelm vertoont zich in de jonge Vos die, in armoede opgegroeid, zich met list en bedrog een weg baant in de wereld. Maar hij komt ook tot inzichten door de confrontatie met conflicterende ideeën: de Verlichting tegenover het godsgeloof en de Bijbel als levenssnoer, de machtswellust van de mens tegenover de natuur en tegenover medemensen, lijden en onsterfelijkheid, liefde en racisme. Tijd en plaats van handeling zijn niet alleen belangrijk door de ontwikkeling van de wetenschap, maar ook door de laatste Napoleontische oorlog en de afschaffing van de handel in slaven. Daarbinnen is wat er tussen Margaux en Vos gebeurt de motor van het verhaal.

    Hulst beschrijft de wereld van toen in levendige en smeuïge bewoordingen. Neem hoe hij zicht biedt op het leven aan de vooravond van de slag bij Waterloo: ‘Dezer dagen puilde de stad uit (…) Vos was te voet gekomen. Hij had overnacht in een mistroostig gat dat wegzonk in het moeras, was met de pont de Donge overgestoken, en had Tilburg bereikt, waar geroddeld werd over de sodomie van de Prins van Oranje. Voorbij Antwerpen waar hij zijn vermomming had bemachtigd, had hij in het open veld in een bivak rondgehangen, handelend in sterke drank en worst, doof voor de toespelingen van de soldaten. Het bataljon was door desertie al enkele opportunisten kwijt geraakt die voor het schamele handgeld in dienst waren getreden; minder verstandige lieden hunkerden naar het veld van eer.’ Op een dergelijke manier reis je in Tandenjager hotsend en botsend mee in reiskoetsen en voel je de insectenbeten en de modder aan je voeten als Vos door het oerwoud trekt.

    Lievelingsboek is Don Quichot

    De roman staat verder bol van de intertekstuele verwijzingen naar literatuur die in het begin van de 19de eeuw veel gelezen werd of actueel was (het is op zich al een groot genoegen zoveel mogelijk schrijvers te ontdekken): Shakespeare, Shelley, Keats, Blake, Dante, Kant, noem maar op. Tandenjager doet ook in dat opzicht nergens geconstrueerd of gezocht aan. De citaten zijn er allerminst met de haren bij gesleept en passen organisch in de wereld van Vos en Margaux. Zo is het lievelingsboek van Vos niet voor niets Don Quichot. Het is zo ongeveer het laatste dat hij kwijtraakt als hij zich een vluchtweg ploetert vanaf een plantage in Suriname. Zijn liefde voor de onbereikbare Margaux is hetzelfde lot beschoren als die van Quichot voor zijn Dulcinea. Wie niet wordt geciteerd is Bram Stoker, maar naar diens roman lijkt Tandenjager vooral in zijn vorm te verwijzen. Net als Dracula is Hulsts roman voor een groot deel opgebouwd uit dagboeken en brieven.

    Tenslotte is er de prachtige compositorische opzet van Tandenjager. Het verhaal springt heen en weer in de tijd, maar wordt bij elkaar gehouden door enkele hoofdstukken over bepalende jaren en plaatsen die als scharnieren fungeren en naast een topografische kaart als titel een muzikale beweging hebben: ‘prelude scherzo ostinato nocturne’. Tandenjager is een intense leeservaring. Je hebt een paar dagen nodig om ervan bij te komen.

     

     

  • Schrijven vanuit weloverwogenheid en compassie

    Vanaf 2022 verschenen er drie titels uit het oeuvre van de Italiaanse schrijver Erri De Luca (1950) in vertaling van Annemart Pilon bij uitgeverij HetMoet. Als eerste werd De Luca’s novelle De dag voor het geluk kwam uitgegeven. Over een weesjongen die opgroeit in het Napels van na de tweede Wereldoorlog. De conciërge Don Gaetano van het appartementencomplex waar de jongen woont, ontfermt zich over hem. Don Gaetano vertelt hem over de oorlog, over de Jood die bij hem ondergedoken zat en over de laatste oorlogsdagen toen de bewoners van de stad verhongerden. ‘De Duitsers hielden een schijnvertoning: ze braken een winkel open en vervolgens droegen ze de mensen op om de winkel leeg te halen. Ze schoten op alle mensen die de spullen gingen pakken en filmden de hele scéne. Dat gebruikten ze als propaganda: Duitse soldaten grijpen in om plundering te voorkomen.’

    Hierin is een tactiek van oorlog voeren te herkennen. Het opmerkelijke van zulke notities is dat De Luca ogenschijnlijk eenduidige verhalen vertelt, maar de lezer nekt met feiten die een omgekeerd déjà vu veroorzaken.

    Zijn debuut (1989) Niet nu niet hier verscheen in 2023. Het voorwoord dat De Lucca in 2009 voor deze vierentwintigste druk schreef, leest als een kleine biografie. In zijn jonge jaren was De Luca lid van de communistische beweging ‘Lotta Continua’. Hij begon te schrijven nadat hij de partij had verlaten en als bouwvakker ging werken. Niet nu niet hier  is een lange brief aan zijn moeder over zijn vormende kinderjaren. Zijn moeder sprak met hem als kind over de slechte dingen die er op de wereld gebeurden. ‘Je maakte me deelgenoot van jouw verachting van al het leed dat mensen aanrichtten en werd aangedaan.’ Hij was haar favoriete gesprekspartner omdat hij stotterde en daarom liever zweeg. Het is een indringend boek in de zin van vergeving, liefde en de dingen in de juiste verhoudingen zien.

    Kat en muis spel

    In Onmogelijk dat dit jaar verscheen, wordt een bergbeklimmer in de Italiaanse Dolomieten aangehouden op verdenking van moord. Hij wordt in een isoleercel geplaatst en een week lang dagelijks door een jonge onderzoeksrechter verhoord. Deze is er van overtuigd dat de bergbeklimmer, gezien de voorgeschiedenis van de verongelukte en de verdachte, verantwoordelijk is voor zijn dood. Veertig jaar geleden waren de verdachte en de omgekomen bergbeklimmer lid van dezelfde radicaal-linkse beweging. Tot de man – die verongelukte -, uit de beweging stapte en zijn kameraden als staatsgevaarlijk aangaf en als verrader werd gezien. De verdachte en zijn kameraden belandden daardoor voor vele jaren in de gevangenis.

    Puur op basis van deze informatie verdenkt de onderzoeksrechter hem ervan uit wraak te hebben gehandeld. Dat hij hem geduwd heeft. De verdachte omzeilt moeiteloos en met doordachte antwoorden de valkuilen die de onderzoeksrechter voor hem opstelt. Een kat en muis spel waarbij de verdachte steeds correct weergeeft wat hij gedaan heeft en wie hij is, (‘Ik ga de bergen in om alleen te zijn’). Het verhaal, met naamloze personages, is geschreven als een dialoog. De onderzoeksrechter wordt aangeduid als  ‘V.’ en ‘A.’ als verdachte die ook de verteller is.

    ‘V. Wij hebben een bevestiging nodig die losstaat van wat u zelf vertelt. Wist u dat u die man volgde?

    A. Ik wist dat er iemand voor me liep.

    V. In werkelijkheid volgde u hem.

    A. In werkelijkheid volgde ik hem niet, in werkelijkheid was er iemand die voor me uit liep op een deel van de berg waar iedereen overheen moet.’

    Brieven aan zijn liefste

    Tussen de weergave van de verhoren zijn er de brieven aan zijn vriendin. Waarin hij haar schrijft over het verhoor, ‘Het gesprek met de jonge onderzoeksrechter gaat goed. Hij wil met een drone naar bewijs zoeken, hij speelt met dat idee, net als met zijn hypothese, waar hij bewijzen voor zoekt. Ik ben zijn tegenpartij.’
    In de een na laatste brief schrijft hij, ‘ Mijn liefste, ik moet nog één keer met de onderzoeksrechter praten en dan is het voorbij, op wat voor manier dan ook.’ Of hij schuldig of onschuldig bevonden zal worden, lijkt hem niet uit te maken. Wanneer het punt bereikt wordt waarop de onderzoeksrechter hem moet laten gaan bij gebrek aan bewijs, volgen er nog allerlei ontwikkelingen (de verdachte en de onderzoeksrechter gaan samen uit eten). Er ontstaan vluchtige gedachten, er is een gebaar waarin het ‘onmogelijk’ tot mogelijk zou kunnen verworden. En zou het kunnen dat die brieven evengoed aan een verzonnen geliefde geschreven zijn? De lijn tussen werkelijkheid en gecreëerde werkelijkheid is dun in deze ingenieuze geconstrueerde novelle. Er wordt aftastend en vanuit hypotheses gecommuniceerd waarbij de geest van beide personages voelbaar alert blijft op wat er níet gezegd wordt.

    De Luca werkte jarenlang als bouwvakker en schreef zijn eerste boek in een schrift (dat op zijn knieën lag). ‘Mijn schriften waren de lichte bagage die ik altijd meenam als ik van de ene naar de andere klus ging.’ Hij noemt schrijven nadrukkelijk geen werken, maar momenten van ontspanning waarin hij alles opschrijft wat tijdens het werken in zijn gedachten ontstond. Dat is wat er spreekt uit de novelle’s van De Luca, een vanzelfsprekende toon van weloverwogenheid en compassie. Zijn personage zijn dan ook volstrekt authentiek, evenals de schrijver zelf. De grondtoon van zijn verhalen komt voort uit de politieke keuzes die men maakt en wat daaruit voortvloeit

    In een nawoord schrijft vertaler Annemart Pilon, die een goede neus heeft voor belangwekkende literatuur, dat ze ten tijde van de vertaling van De dag voor het geluk kwam in Napels woonde. Door de steegjes liep in de buurt waar De Luca opgroeide en waar de roman zich afspeelt. Ze vertaalde het boek in haar vrije tijd in de hoop dat een uitgever er iets in zou zien. Een krasse proeve van weten wat goed is, vertaald moet worden. Met dank.