• Op drift geraakt

    Dichter, componist en dirigent Micha Hamel wordt in 2009 met een psychose in een psychiatrische kliniek opgenomen. Als het dagelijkse vreemd wordt en tekens en symbolen betekenis verliezen wordt zijn omgeving tot een zone. Een neutrale plek waar vrijelijk geassocieerd kan worden in alle richtingen. Dit levert bijna mythologische beelden op van leeuwen, makrelen en paarden terwijl Hamel zijn geest weer terug moet vinden. De neerslag hiervan lezen we in zijn nieuwste bundel is daar iemand.

    Het verwoorden van waanzin gebeurt niet vaak vanuit degene die de psychose meemaakt omdat er iets onvertaalbaars in die ervaring zit. Wouter Kusters deed een poging in Pure waanzin en Myrthe van der Meer beschreef het leven van een psychiatrische patiënt in Paaz en Up. Maar meestal gebeurt dat met de klinische blik van de psychiatrie die daar dan gelijk een etiket op plakt.

    De poëzie leent zich goed voor het conventieloze taalspel. Hamel verwoordt de topografie van angst en de ontregeling die ontstaat als je op drift raakt, door bijvoorbeeld alle woorden uit de eerste zes gedichten alfabetisch te ordenen. De verspringende regels representeren de eerste en derde persoon die chaotisch door elkaar praten. Uit het belanden in een andere zijnstoestand resulteert een storm van beelden. De interne structuur van dit magische denken reflecteert zijn psychische gesteldheid en leidt tot diepgaande observaties. Daardoor ontstaat een elastisch oprekken van begrippen waar de zieke ziel tussen patiënten dwaalt, vazen kleit en wandelingen maakt.

    Dit resulteert soms in absurde beelden die het verblijf in de inrichting beschrijven: ‘zijn mond beweert in isolaat voorzeker dit / is de laatste keer dat ik leef en de eerste / keer dat ik met mijn bazuin onder de arm ga / auditeren voor de blaaspoep der hemelingen’. De fase van controleverlies verloopt als een afrafelen en uiteenvallen van grenzen en plaatsen. Op het ene moment uit Hamel zich in vrij vormelijke gestileerde gedichten en gaat dan in alledaagse taal verder over belevenissen met medepatiënten. Opmerkelijk is ook dat niemand in de inrichting namen heeft in het begin van de bundel maar daarna iedereen bij naam wordt genoemd.

    Koortsdroom

    In koortsachtige zelfgesprekken lijkt het ik van Hamel telkens te verspringen. De typografie reflecteert de gespletenheid van het ego. Door dit heen en weer springen lijkt het soms of het verhaal net als de werkelijkheid van Hamel op losse schroeven staat. Zonder conventies wordt de identiteit onzeker. De dokters of het personeel bieden een onderzoekende en keurende blik van buiten: ‘ijverige wetenschappers / kijken mijn geraamte uit’. Zo ontstaat er een polyfone keur aan stemmen, van binnen en buiten. Hamel moet zijn geest weer bij elkaar grabbelen en dit geeft soms aanleiding tot momenten van diepe wanhoop, maar ook een vorm van extase en inzicht.

    In het neutrale middenveld van de zone zoekt hij naar zingeving. God moet ook in therapie, en de verlosser is zijn sandalen kwijt. Alles vervloeit in deze open speelruimte. De feitelijke taal die diagnoses constateert en oordelen uitspreekt over vooruitgang werkt vervreemdend. ‘wordt vervolgd is de diagnose.’ Voor anderen ben je in zo’n omgeving een geval om te bespreken, of aanleiding tot gegniffel om een dossier. Ironisch genoeg is er ook een vorm van muziektherapie waar de dirigent wordt gedegradeerd tot de rol van xylofoon. Het perspectief op de toekomst vervaagt en beter worden wordt een opdracht. Er zit ook veel ironie en zelfspot in de bundel: ‘we werken hier / op basis van vrijwilligheid / tot aan het moment van gewetenloze onderwerping / aan meerkeuzevragen’.

    Makrelen

    Iedere van de 101 ongenummerde pagina’s heeft een los gedicht, waarin de dichter soms met spreektaal en soms met abstracte metaforen zijn innerlijke reis beschrijft. De taal en logica doen soms denken aan de wereld van de droom. ‘merrie merrie merrie merrie / het leven is maar een droom’ Er wordt ook veel van vorm gewisseld in wat meer experimentele uitingen waar geknipt en geplakt wordt met de tekst zoals in het gedicht: ‘TAK-de peer knalt op zwart het hoofd / springt de donkere kamer in’. Waarna een zwart vierkant de regel afsluit. Of wanneer woorden uitgestrooid worden over de pagina zoals hier: ‘afscheur helwit / huichelende moker / gekarteld alarm / doodskop / koorzang’. De regel verspringt telkens een beetje naar voren of achteren, wat een soort Droste-effect oplevert.

    Er zit een zekere urgentie in de tekst, de diepte van de crisis die Hamel doormaakte klinkt erin door. Soms wijkt de lyriek wat meer af van het thema en geraakt in een soort tussenruimte waar paarden helend zijn en makrelen in holsters zitten. De makreel keert vaker terug en lijkt een metafoor te zijn voor de lege vissenogen die de dichter vaak ziet. Dit soort symboliek is typerend voor de droomlogica. Het buitenissige karakter van deze warrige beelden werkt als een soort taalroes ook lichtelijk bevreemdend op de lezer.

    Als het dan eindelijk wat beter gaat is er een grote opluchting te bekennen. ‘eindelijk klaar met klotevazen kleien / eindelijk in dat xylofoontje opgestegen / volgt mijn eerbiedige hymne uit het hart’ De weg naar huis wordt weer zichtbaar, wat een ontroerende scène oplevert. De dichter wordt tenslotte thuisgebracht op het einde van de bundel. ‘als een gekruisigde / brengen ze me thuis’ Na deze apotheose biedt het thuisland waar vrouw en kinderen wachten weer een veilige haven. Er lijkt zelfs sprake te zijn van een soort tweede geboorte. Op de grens tussen gek en normaal gidst Hamel ons op geheel eigen wijze het domein van zijn verbeelding in. Het levert een zeer persoonlijke bundel op met een heel eigen geluid.

     

     

  • De kracht van de traditie

    De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella is het vervolg op een eerder in 2018 verschenen boek van Michiel van Diggelen getiteld De exodus van Hendrik Peter Scholte. Van Diggelen is duidelijk gegrepen door de figuur van dominee Hendrik Peter Scholte. Hij heeft een diepgaande studie van hem gemaakt op basis van jarenlang onderzoek. Van Diggelen heeft er niet voor gekozen zich te beperken tot een zakelijke biografie. Hij heeft geprobeerd Scholte te portretteren als een man van vlees en bloed en zich de vrijheid gepermitteerd invulling te geven aan gevoelens en gedachten van Scholte en zijn vrouw, die hij niet aanwijsbaar in de bronnen heeft kunnen terugvinden, maar die hij wel meent te kunnen afleiden uit de bronnen. Het gevolg is dat Van Diggelen in zijn roman een menselijk monument voor Hendrik Peter Scholte heeft opgericht, zodanig dat diens nabestaanden hem daarmee hebben gecomplimenteerd. Zij leefden in de waan dat Scholte een wat kille, stijle figuur is geweest. Hoewel ook Van Diggelen Scholte tekent als een zeer principiële, weinig plooibare man, ziet hij ook de oprecht warme, zelfs romantische kant van de man.

    Mozes

    Gaat Van Diggelen in zijn eerste boek vooral in op Hendrik Peter Scholte als een van de leidende figuren in de Afscheiding van de Nederlands Hervormde Kerk in 1834, in De exodus van Hendrik Peter Scholte naar Pella gaat hij in op de rol van Scholte als leider van de landverhuizers naar Amerika. Na het overlijden van zijn vrouw in 1844 is Scholte hertrouwd. Hij besluit in 1847 een nieuwe start te maken door met zijn gezin te emigreren naar Amerika waar hij, bevrijd van de knellende banden van kerk en staat in Nederland, een nieuwe geloofsgemeenschap hoopt te stichten volgens zijn eigen denkbeelden. Hij weet zijn jonge echtgenote over te halen mee te gaan door haar een groot huis te beloven en de vrijheid om met vriendinnen te musiceren. Ook mag haar zus en hartsvriendin mee. Van Diggelen schetst haar als een weerbare, creatieve vrouw met een eigen mening, maar wel opgegroeid in het besef van gehoorzaamheid aan haar man. Scholte voelt zich geroepen als een ware Mozes zijn ongeveer 800 volgelingen de Atlantische Oceaan over te leiden. Eenmaal aangekomen in het Beloofde Land vestigen zij zich in de net nieuw gevormde, voormalige Indianenstaat Iowa. Daar stichten zij een Christelijke kolonie. Scholte geeft het de naam Pella, naar het toevluchtsoord van de door de Romeinen in het jaar 70 n.C. uit Jeruzalem verdreven Joden.

    Bevlogen, principieel en open-minded

    Zijn vrouw en kinderen functioneren als contrapunten in de roman. Zijn vrouw als het gaat om kwesties die hun persoonlijk leven betreffen. Zijn kinderen als het gaat om algemene vraagstukken die in die tijd spelen in Amerika. De kolonisten gingen zich immers vestigen in een gebied dat tot voor kort nog van de Indianen was. Bovendien moesten de blanke inwoners van Iowa nog kiezen of zij slavernij wilden toestaan in hun pas gevormde staat of niet. Iowa bevindt zich in de frontlinie van de discussie die een paar jaar later zal leiden tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Interessant is te zien dat de Democratische Partij, in tegenstelling tot tegenwoordig, als conservatief te boek stond en de belangen behartigde van de Zuidelijke slavenhouders, terwijl de Republikeinse Partij progressief was en de belangen behartigde van de Noordelijke industriëlen en zich juist scherp keerde tegen de slavernij. Aanvankelijk kiest Scholte voor de Democraten, hoewel hij eigenlijk de slavernij principieel afkeurt.

    Uiteindelijk schaart hij zich toch achter Lincoln en de Republikeinen. Zoals hijzelf in 1830 ten strijde is getrokken tegen de Belgische scheurmakers tijdens de opstand tegen koning Willem I, zo roept hij nu de jongemannen van Pella op zich te melden voor de strijd tegen de Zuidelijke scheurmakers. De opstand is immers gericht tegen het door God gestelde gezag van de Unie. Scholte is politiek actief en betoont zich geen gevangene van het verleden zoals veel van zijn volgelingen en in zekere zin ook zijn vrouw. Hij heeft gekozen voor Amerika en gaat daarvoor. Hij zoekt toenadering tot andere emigranten, past zich aan aan de Amerikaanse gewoonten en gebruiken en stimuleert het aanleren van de Engelse taal. Als een echte pionier ziet hij kansen en gebruikt die ook. Zo richt hij een krant op en opent hij een eigen bank voor de gemeenschap.

    Een ontroerend moment voor hem persoonlijk en voor de hele gemeenschap is het afleggen van de eed op de Amerikaanse grondwet waardoor de pioniers echt Amerikaanse staatsburgers zijn geworden. Toch heeft Scholte het niet altijd gemakkelijk. Zijn volgelingen blijken, net als Scholte zelf trouwens, karaktervolle mensen, eigenzinnig en soms ronduit wantrouwig. Dat zit natuurlijk in de aard van hun beweegredenen om te breken met de hervormde kerk en daarvoor zelfs te emigreren. Ook Scholte zelf wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen zijn gevoel een geroepene door de Heer te zijn en zijn overtuiging dat zijn leiderschap gebaseerd moet zijn op de eigen verantwoordelijkheid van de leden van de gemeente. Zo komt Scholte ook in Pella, net als in Nederland, in botsing met de kerkenraad. Zijn denkbeelden stroken niet altijd met de opvattingen van de landverhuizers, zeker niet als hun eigenbelang op het spel staat.

    Liefdevol

    Van Diggelen heeft een mooi, liefdevol boek geschreven. Hij steekt zijn bewondering en sympathie voor Hendrik Peter Scholte niet onder stoelen of banken, zonder overigens in een vorm van hagiografie te vervallen. Het is veeleer gebaseerd op de kracht van de traditie waarin ook Michiel van Diggelen geworteld is. Door zijn portret van Scholte geeft hij niet alleen kleur aan de protestantse pioniersgemeenschap van Iowa, maar ook aan het pioniersbestaan in een van de meest cruciale perioden in de wordingsgeschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika.

     

  • Het is niet altijd leuk om een prins te zijn

    Prins zoekt prins is een modern sprookje van Tiny Fisscher, met illustraties van Coen Hamelink. Prins Thijn is zijn prinselijke leventje meer dan zat. Hij heeft genoeg van praatjes houden, handen schudden, vriendelijk knikken en doen alsof. Dus zegt hij tegen de lakei dat hij ziek is en gaat hij op zoek naar een invalprins, tijdelijk, dus niet voor altijd. Er wordt een advertentie in de krant gezet met verzoek om referenties. De sollicitanten vallen een beetje tegen, maar uiteindelijk kiest prins Thijn de laatste uit, prins V.

    Lees verder op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Openhartig egodocument

    Met Mijn Nazi opa schreef documentairemaakster Sunny Bergman een egodocument waarin ze universele thema’s zoals intergenerationele traumaoverdracht, parentificatie, epigenetica en familiesystemen onderzoekt. Het begint allemaal met de mantelzorg rond haar invalide vader, Richard. Hij is deels verlamd en misschien ook wat depressief. Sunny besluit, nu het nog kan, samen met hem zijn roots te onderzoeken. Richard is een originele man zonder schaamte, en een Marxist. Hij lijkt zelfs op Marx, vindt Sunny. Hij is ook een oude hippie, die graag vergetelheid zoekt in het roken van een joint.

    Sunny Bergman is bekend van haar documentaires over racisme, complotdenken en seksualiteit. Ze is activiste en schrijfster, Mijn Nazi opa is na Sletvrees en Wit is ook een kleur haar derde boek. In Mijn Nazi opa gaat Bergman op zoek naar de herkomst van haar vaders jeugdtrauma. Ze vraagt zich af of zijn trauma’s ook doorwerken in haar. Waar komt haar eeuwige schuldgevoel ten aanzien van haar vader en het welbevinden van anderen vandaan? Ze praat met experts over intergenerationele traumaoverdracht. Maurits de Bruijn vertelt over zijn Joodse moeder, die tijdens razzia’s in een kast werd opgesloten. Vervolgens is ook hij zijn leven lang bang voor insluipers. De term parentificatie wordt genoemd, waarbij kinderen voor hun getraumatiseerde ouders zorgen. Bergman herkent het allemaal bij zichzelf en ze vraagt een gesprek aan met hoogleraar Bart Rutten, die haar een stoomcursus epigenetica geeft, wat volgens zijn zeggen een nog jonge wetenschap is die steeds meer terrein wint. ‘De overtuiging dat ons genetisch materiaal een in steen gebeiteld gegeven is, dat we onveranderd doorgeven aan ons nageslacht is dus een achterhaald idee.’ Met andere woorden, trauma’s van ouders hebben wel degelijk invloed op het DNA van hun kinderen. Zoals na onderzoek bij de kinderen van Holocaustoverlevenden bleek.

    Foute opa

    Sunny’s familie bestaat uit een kleurrijke lappendeken van personages, die ze met humor en empathie ten tonele voert. De Engelse achtergrond van haar moeder, het hippieverleden van haar ouders die op een woonboot woonden, de nieuwe partners van haar ouders, haar eigen partner en twee zoons, maar ook veel vrienden krijgen kort en bondig aandacht. Ze constateert dat ze een outcast is en outcast vrienden kiest. De hoofdverhaallijn in Mijn nazi opa is de zoektocht naar Heinrich Stender, de Duitse Nazi-vader van haar vader Richard. Hij was burgemeester en een veel oudere weduwnaar, die Richards moeder verkrachtte toen zij tijdens de oorlog zijn dienstmeisje was. Zij raakte zwanger en liet Richard na de oorlog achter bij haar ouders in Twente, om met een andere man nog een stel kinderen te krijgen. Richard kreeg zijn leerschool en liefde voor Marx mee van zijn CPN aanhangende opa van moederskant. Richard leed aan verlatingsangst en voelde zich afgewezen door zijn ouders. David, de partner van Sunny en vader van haar twee zoons, is in zijn jeugd ook door zijn moeder verlaten. Sunny’s moeder had een zeer verstoorde relatie met haar vader. Voilà, dat zijn herkenbare patronen, waarmee Mijn Nazi opa vooral een zoektocht naar Sunny zelf wordt, haar eigen ongemak en schuldgevoelens. Waarom loopt haar relatie met David stuk? Waarom leeft ze in chaos, met schuldgevoelens en zorg om anderen? En waarom zoekt ook zij telkens weer vergetelheid in die eeuwige joint.

    Verfrissend zelfhulpboek

    Ze gaat naast haar zoektocht naar de achtergrond van haar foute opa vooral op zoek naar een therapievorm die bij haar past, zowel in het wetenschappelijke als meer spirituele veld. Ze onderzoekt winti, een Surinaamse spirituele levensvisie en verdiept zich in het voorouderlijk helingsritueel. Ze doet mee aan een reality-tv-programma en komt tot weer nieuwe inzichten over superieur gedrag en kwetsbaarheid. Ze schrijft zich in voor een ceremonie met san pedro, geen drug, maar een plantmedicijn dat hallucinaties opwekt. Haar kracht is dat ze zichzelf en de therapievorm blijft bevragen. ‘Een week later bevind ik mezelf op de eerste verdieping van een industriegebouw, in een ruimte vol groene kussens, kaarsen, pauwenveren en nepplanten. Aan de muur hangen bordjes met ingelijste spirituele spreuken. Het geheel zou ik als kitscherig kunnen omschrijven, ware het niet dat ik mijn ironie en mijn oordelende brein achterwege wil laten tijdens deze ceremonie. Is ironie niet een verhulde vorm van superioriteit?’ Na de ceremonie voelt ze zich een stuk vrijer, omdat, dankzij de san pedro, haar gevoel sterk is aangesproken en ze onbedaarlijke huilbuien krijgt.

    Wijzer geworden na al haar therapeutische ervaringen weet Sunny beter wat eraan schort, waar haar eigen verdriet en trauma’s vandaan komen. (Overigens wordt het begrip ‘trauma’ tegenwoordig wel misbruikt, lezen we. Een ‘tekort hebben gehad’, zou in veel gevallen een betere duiding zijn.) Ze durft los te laten, zoals ze illustreert in een ontroerende laatste scène met een van papier gevouwen bootje dat ze met een waxinelichtje het water opstuurt. Ze is er vol ingegaan, heeft zich kwetsbaar en eerlijk opgesteld zonder zichzelf te sparen. Gelukkig is ze ook haar objectiviteit en zelfspot niet verloren, waarmee Mijn Nazi opa een verfrissend zelfhulpboek is, waarin het nodige te herkennen valt en waar veel mensen wel eens wat aan zouden kunnen hebben.

     

     

  • M’n hoofd wil een geheel maar alles is in stukken

    De man die blauw werd van Erik Jan Harmens wekt meteen al de interesse vanwege de titel. Grappig, speels, origineel. Tot blijkt dat het gaat om werkelijk blauw aanlopen, letterlijk stikken. Of nee, toch niet letterlijk, zo blijkt bij nadere lezing. Door de dichter wordt het echter wel zo ervaren. Zo voelt blijkbaar het leven als je behept bent met autisme. Het woord ‘lijden’ is hier niet op z’n plaats; uiteindelijk komt het alleen de persoon in kwestie zelf toe te bepalen of er sprake is van lijden, en zo ja, hoe dan. Of niet. Harmens zelf heeft het niet over lijden, al valt het leven lang niet altijd mee met een aandoening als de zijne. Maar welk leven valt eigenlijk wel mee als het er op aankomt? Elk huisje heeft zijn kruisje en clichés zijn meestal waar.

    Over dit specifieke kruisje gaat het in deze bundel die is opgedeeld in drie blokken: I – ‘stik volledig vredig’, II – ‘het gaat en dóórgaat’, III – ‘wat ik niet begrijp wil ik vernietigen’. Binnen die drie delen gaat het aan een stuk door, als een ‘stream of consciousness’, zonder hoofdletters, nagenoeg zonder interpunctie. En soms zelfs zonder klinkers, als om de ademnood te suggereren die de auteur voelt en die niet anders dan rauw, en zo direct op de lezer kan worden overgebracht. Voel maar hoe ik stik, voel maar wat ik voel.

    ‘z vk
     krg k
     gn lcht

     kn k
     nt mr
     dmn

     k prbr
     ht’

    Iedere speldenprik een mokerslag

    Dat voelen is een dingetje in ‘het spectrum’ zoals dat tegenwoordig heet en waarin alle aandoeningen van klassiek autisme tot PDD-NOS zijn ondergebracht. Lange tijd is de medische wetenschap van mening geweest – en tante Jet van hierachter is dat nog – dat mensen met autisme niet voelen, niet kúnnen voelen, of in ieder geval te weinig om bij de ‘normale’ mensen te mogen horen.

    Inmiddels wordt steeds meer duidelijk dat er wel degelijk gevoeld wordt, maar dat er vooral iets hapert in de verwerking van datgene wat er binnenkomt, de gevoelens die dat oproept en ook hoe daaraan vervolgens uiting wordt gegeven. Ontwapenend direct gebeurt dat, want bij mensen met ASS is het meestal alles of niets, hollen of stilstaan; niet het midden weten te houden tussen grenzeloos en begrensd, tussen naakt en kwetsbaar als een slak zonder huisje in de wereld staan en aan de andere kant een afgesloten zijn dat nooit over gaat. En bij dat alles ook niet zeker weten of je dat wel zou willen, als je wat te kiezen had. Willen meedoen, niet willen meedoen. Het afgezonderd zijn is veilig en eenzaam tegelijk. En bij elke wens die je koestert, weet je dat het er nooit van zal komen. Niet voor jou, niet in dit leven.

    Die strijd, van hoe de interactie met die buitenwereld wordt ervaren in de binnenwereld, laat Harmens op een meer dan adequate wijze zien in zijn gedichten. En ook de uitputting die onvermijdelijk op de loer ligt, van iets te willen – en willen kunnen – wat buiten je vermogen ligt, en er toch naar verlangen. Afgewisseld met de telkens terugkerende moedeloosheid van ‘ach, laat ook maar’.

    In delen

    Wanneer raakt eigenheid zo verstrikt in zichzelf dat het isolement wordt? Wat voor een monnik, een kluizenaar een keuze is, is dat niet voor iemand met autisme. Daarom wordt er zo veel gewild, gewenst. Verlangen is immers zo vaak omgekeerd evenredig aan wat mogelijk is. Hoe meer iets niet kan, hoe meer we het willen. ‘raak // me niet aan // of wel // maar zachtjes // of hard // maar niet ineens // stap // voor stap // als in delen // bovenkomende mensen // op een roltrap’

    Wij zijn zelden zo heel, zo eenduidig samenhangend als we zouden willen zijn. Voor iemand met een filterprobleem is het nog tig keer moeilijker het zelf als enigermate coherent te ervaren; ofwel voelt het als een monolithisch blok waar niets in of uit kan, ofwel is er geen grens, geen muur, en voelt men de eigen delen rondzwalken als klodders vla die een ruimtevaarder in de gewichtloosheid van zijn ruimtecapsule naar binnen probeert te lepelen. En in beide gevallen is het gevoel van ‘zo ben ik, dit ben ik; hier heb ik het maar mee te doen’ onontkoombaar. Al levert het prachtige zinnen op. Dat dan weer wel.

    ‘beschoten met lood en kruit // kogel op kogel die op m’n huid af fluit // steeds weer meer geperforeerd // tot je me als pulled
    pork met een vork uit elkaar kunt harken’

    Kloenk – boing – opdofferwoorden

    De frustratie van niet verstaan, niet begrepen worden, kennen we allemaal. De driejarige die dreint over iets waarvoor hij het woord nog niet kent; de veertienjarige die oprecht spijt heeft, maar er in zijn puberale onhandigheid niet het juiste gezicht bij weet op te zetten en dus niet geloofd wordt; de volwassene die zich bij een instantie meldt met een probleem dat niet valt onder toets 1, toets 2, toets 3. Voor sommigen is álles complex en onduidelijk, elke dag opnieuw, zelfs iets simpels als het kopen van een pak melk; laat staan als het taalveld van echt belangrijke zaken wordt betreden, eenzaamheid, angst, verlies, dood, en uiteraard de liefde.

    Dan wordt taal opgeëist om vanuit de binnenwereld toch maar zoveel mogelijk te kunnen uitdrukken naar de buitenwereld. Daarom – en niet omwille van haar poëtische schoonheid – wordt taal gekaapt, om haar te laten zwoegen en doen waarvoor ze in beginsel is bedoeld: communiceren. Zangerig zijn de gedichten van Harmens dan ook allerminst, muziekaal daarentegen wel degelijk; ritmisch, met een dwingend staccato. Indien nodig worden woorden tien keer herhaald: fak fak fak fak fak. Indien nodig worden nieuwe woorden gemaakt, om te zeggen wat gezegd moet worden en waar tot dan toe niemand een woord voor heeft bedacht. Heeft werkelijk niemand die noodzaak gevoeld? Lees dan! Dan snap je het misschien.

    ‘als ik met m’n koptelefoon op // door de supermarkt loop // denk dan niet // dat ik me voor je wil afsluiten // niet voor jou // alleen voor de geluiden // de altijd op de voorgrond achtergrondmuziek // het prijszeikconsumentengemiep // het helse
    handscangebliep // en al het overige brandende // waarvoor ze m’n hoofd niet meer kunnen behandelen // zoals het terugzetten:
    kloenk // van het ene kutkarretje in het andere’

    Streel het steen

    Zo blijft de dichter duwen, boksen, vloeken, schoppen, drammen tegen een muur waarvan hij weet dat die niet weggaat. Hij heeft die immers zelf gemetseld. Omdat zijn ziel die muur in dit leven nodig heeft. Niettemin wil hij – met muur en al, wie is hij anders? – worden liefgehad, en is ook daarin ontwapenend rechtstreeks.
    Allengs daalt echter wel het besef dat deze hermetische geslotenheid meer is dan een literaire vorm, maar een gegevenheid die duurt van wieg tot graf. De muur is echt. En het is maar de vraag of de lezer wel zo kan liefhebben, wel die stenen borst wil strelen.

    ‘florence is beroemd om z’n fresco’s
     en ik vanwege m’n muur

     die ik om me heen metselde
     (bij oplevering: tromgeroffel)
     met een trapeziumvormige troffel

     de muur praat nooit terug
     dat wordt pas een probleem
     als je iets tegen ‘m zegt

     als je in plaats daarvan
     zwijgend je hebben en houwen
     tegen ‘m aan legt

     is hij vol liefde
     en die liefde is echt

     al is de muur een metafoor
     je komt er niet door

     maar met wie samenvalt met wat om mij heen
     word ik één

     heb me lief
     heb m’n borst lief
     streel het steen’

     

     

  • Een spannend verhaal over klimaatactivisme

    Het is niet makkelijk een activistische boodschap zo over te brengen dat het ook een goed jeugdboek oplevert, maar in Winnen van de wereld krijgt Mark Boode juist dat voor elkaar. Zijn boek laat zien hoe jongeren actief kunnen worden binnen de klimaatbeweging en waarom dit belangrijk is, maar leest ook als een avontuur. De actieoproep van de jonge Nederlandse klimaatactiviste Jesse van Schaik aan het eind, is perfect gedoseerd. Van Schaik geeft aan wat haar motivatie is om actie te voeren op de manier waarop ze dat doet, maar ook dat er andere manieren zijn. De tips van actievoerders en de lijst van organisaties maken het geheel af.

    […]

    Winnen van de wereld is een pakkend en activistisch boek. Leuk om te lezen én om van te leren.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland

  • Blijven dromen

    Wanneer illustraties de tekst van het verhaal aanvullen, kun je spreken van een geslaagd prentenboek. In De droom van schildpad met tekst van Tiny Fisscher en illustraties van Barbara de Wolf is dat zeker het geval.
    […]
    Schildpad droomt van dingen die niet kunnen, maar wel leuk zijn om te fantaseren. Hij is een filosoof die nadenkt over levensvragen. Zaken die jonge kinderen zich ook zullen afvragen.

    Verwondering
    Tiny Fisscher ontving een Zilveren Griffel voor haar eerder verschenen Het geluk van schildpad, waarin eveneens een aanzet wordt gegeven tot een gesprek met jonge kinderen. Ook in De droom van schildpad wordt de verwondering gestimuleerd mede dankzij de levendige afbeeldingen vol beweging. De paginavullende prenten zijn een mooie combinatie van collage en tekentechnieken in pastelkleuren.

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland

     

     

  • Schrikkeljaar: een longlistwaardig debuut

    Schrikkeljaar, het literaire debuut van de Nederlandse Anka Hashin (pseudoniem van Anya Saxby, 1980, Sovjetunie), is een verhalenbundel die indruk maakt. De zevenendertig korte verhalen van soms vier en nooit meer dan tien pagina’s elk beschrijven in een mooie schrijfstijl mistroostigheid, schoonheid, hogere machten, moord, doodslag, hoop, liefde en nostalgie. Wodka en een winterse sfeer zijn de vaste elementen.

    Rusland, de Russen en de Russische volksaard vormen het decor van bijna alle verhalen. Deze zijn gesitueerd op bekende en minder bekende maar overduidelijk Russische locaties zoals Jekaterinenburg of Viatichi, op plekken die in de Kaukasus of Oezbekistan blijken te liggen of in het uiterste noorden van Rusland, maar ook in naamloze plaatsen en dorpjes. De in 2000 verongelukte onderzeeboot Koersk wordt genoemd. En keizerlijk, tsaristisch Rusland is voor sommige personages iets om naar terug te verlangen. De protagonisten in de verhalen zijn in alles Russisch: er wordt eindeloos en eindeloos veel wodka gedronken en er is gelatenheid over leven en vriendschap: ‘Het is klatergoud al dat mensenvriendengedoe’. Voor de kenners van de Russische literatuur zijn in Schrikkeljaar kenmerken van stijl en thematiek van enkele grote Russische schrijvers herkenbaar, zoals Tjechovs minimalisme en zijn mooie natuurbeschrijvingen, Platonovs existentialisme en het absurdisme en de personificaties van Gogol.

    Menselijk

    Niets menselijks is de verhalen vreemd. In het titelverhaal Schrikkeljaar treurt Nikolai om zijn vier jaar eerder overleden vrouw Zinaida. Hij ziet haar voor zich, hoort haar stem in zijn hoofd, mist haar, denkt aan haar zoals ze werkte in de moestuin. ‘Nu was er alleen maar zout dat uit zijn ogen druppelde.’ Hij schenkt zich thuis nog een laatste slokje wodka in voor hij naar zijn kameraad Mishin gaat met wie hij een klusje voor een Moskoviet zal gaan opknappen in ruil voor een fles wodka. ‘Eerst geven ze je een fles wodka en daarna denken ze dat je aan de slag gaat.’ Het regent en onweert. Bij de wodka eten de mannen ‘wonderkomkommers’ uit Zinaida’s moestuin, die ondanks haar afwezigheid toch weer gegroeid zijn dit jaar.

    Deze melancholische sfeer met verrassende wendingen en de humor in de verhalen zijn sterke, terugkerende elementen. De eenzame arts Lev Petrovitsj ziet te laat in dat hij de vrouw van zijn dromen twintig jaar geleden misgelopen is uit angst voor verlies van vrijheid. Zijn verlate zoektocht naar een huwelijkskandidaat is even hilarisch als hopeloos en toch vindt hij Nadia weer. De vraag is dan of het niet te laat is.

    Meer nog dan melancholie tekent een diepere laag van absurdisme, angst, hallucinaties en verbeeldingskracht de verhalen. In Bokkenbende wordt een soort van rijdenderechterzaak behandeld met pratende bokken; in De allerslimste waart in het bos de rusteloze ziel van de daar omgekomen Fedka rond; de dienstplichtige Slavik uit het verhaal Dienstplichtige, die naar het gesticht gaat om de dienstplicht te ontlopen, wordt daar bevangen door waanzin; de rijke Nogai uit het verhaal In de bergen heeft zich na het verlies van zijn geliefde van een berg gestort en is een berggeest geworden. In het angstige en zoekende zijn, spelen soms gewetensvragen op zoals in De stem van het geweten waarin Scar, vers ontslagen uit de gevangenis, weer op dievenpad wordt gedwongen door zijn zwager die hij uiteindelijk weerstaat. Dimon uit het verhaal Judas heeft een vergelijkbaar probleem met zijn vriendengroep, een probleem dat hij vrolijk tackelt waarna de hele wereld aan zijn voeten ligt.

    Verlangen

    En dan is er het verlangen dat in veel verhalen vorm krijgt. ‘Je had zo’n vonkje in je ogen. Een zacht, helder licht, zoals van een vuurtoren, die het schip door de bruisende zee veilig naar de haven brengt.’ In Het Vonkje heeft de hond een niet-Russische naam en zijn de personages de naamloze ‘broer’ en ‘zus’. Zus komt acht jaar na haar emigratie weer eens bij haar broer langs ‘in het land van de oranje zonsondergangen’. Dat bezoek roept vele vragen bij haar op. ‘Waarom veroorzaakte die [emigratie] op het ene moment nostalgie, dan weer verlangen en op een ander moment zelfs het gevoel dat ze in een kooi zat?’ Als ze na de visite alweer een jaar thuis is, over het strand loopt en haar blik op de oude vuurtoren valt, doorklieft een felle lichtbundel het water. ‘Het vonkje, zus, gierde de wind.’ Ze pakt haar spullen en vertrekt.

    Ook de harpist uit het gelijknamige verhaal maakt zo’n soort keuze. Zijn familie heeft hem een mooie vrouw gevonden met wie hij oprecht blij en gelukkig is, maar toch verlaat hij na een jaar huis en haard. ‘Alleen de bergen en de wind waren getuige van de wedergeboorte van een gevoel waarvan de kracht door geen enkel aards tijdverdrijf kon worden overschaduwd.’ Vader Philip zegt in het verhaal Echo van geluk tegen zijn zoon Victor: ‘Volg je hart jongen. Het hart alleen luistert naar de echo […] van het ongrijpbare geluk.’ De keuzes lopen niet altijd goed af, zoals bij de kleine Ivan uit het verhaal De kapitein. Hij gaat eerst welwillend met zijn vader en diens nieuwe vrouw mee op de boot, maar stapt ’s nachts als ‘kapitein van zijn wil’ stiekem van boord om terug te gaan naar zijn moeder aan wal. Met een rugzak op gaat hij te water om naar huis te zwemmen. ‘Voor de zon opkwam was hij thuis’, meent hij.

    Intertekstualiteit en stijl

    Wat het lezen van de verhalen onder andere tot een feest maakt is de rijke variatie in vorm, de intertekstualiteit en de poëtische schrijfstijl. Er zijn verhalen geschreven als een sprookje of een parabel, in andere verhalen spelen elementen uit de klassieke mythologie, zoals de sirenen en muzen en Pegasus een rol, er zijn Bijbelse verwijzingen, Roman en Julka is een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde. In De kapitein zette de kleine Ivan ‘zijn hand boven zijn ogen en tuurde attent naar voren, zoals alle kapiteins doen’, zoals in ieder geval de kleine kapitein uit Biegels gelijknamige klassieker doet. De schrijfstijl is per verhaal enigszins aangepast aan inhoud en vorm, maar overal poëtisch met bewuste of onbewuste verwijzingen naar klassiekers als ‘geen rozen zonder doornen’ en ‘de zon als een koperen ploert’ en originele beeldspraak bijvoorbeeld in ‘zijn rossige lokken [hingen] als verlepte wortels langs zijn oren.’ Sneeuw is in dit boek ‘kleffe smeltsneeuw’, ‘grauwe sneeuw’, ‘vage smeltende sneeuw’. De fraai verzorgde stijl vraagt om vertraagd lezen, wat ook geldt voor de niet-chronologische opbouw of irreële gebeurtenissen in sommige verhalen. Maar dat is bepaald geen straf.

    Overtuigende verhaalwerkelijkheid

    ‘Natalka was niet per se een schoonheid, maar ook geen lelijk wijf. Over haar soort zeiden de mannen hier: ‘Met een fles wodka lukt dat wel.’ Hoewel enkele hoofdpersonages als meisjes in een suikerwerkfabriek het lot rigoureus in eigen hand nemen, zoals Rita uit Tsjoerayeen en Yagaylo uit Torso van David, wordt er in deze bundel regelmatig denigrerend én seksistisch én stereotype over vrouwen gesproken en geschreven. Gelukkig heeft de sensibiliteitscommissie van de uitgever hierover geen oekaze uitgesproken. Dergelijke passages en uitspraken zijn overduidelijk niet provocerend of gewaagd noch verwerpelijk want beledigend, maar tonen een overtuigende verhaalwerkelijkheid. Ditzelfde geldt voor enkele verhalen waarin de man de sukkel is die zich als in een middeleeuwse klucht laat ringeloren door z’n vrouw, zoals in het verhaal Liefdespriesteressen.

    ‘Een vogel kun je niet bevelen. Een vogel is vrij om te vliegen naar waar die maar wil’ realiseert Gittinevyt, de moeder van Oetek zich. Haar enige zoon zal vanuit hun plekje op de toendra naar ‘de Grote Zembla’ vertrekken om daar naar kostschool te gaan. Ze is er erg verdrietig over, maar ook vervuld van grote hoop op zijn terugkeer. Zo eindigen meer verhalen hoopvol in droefenis. De realiteit poëtisch beschreven in verhalen die soms surreëel zijn, grimlachjes veroorzaken en van de lezer bij tijden een zoekende ziel maken: dit alles levert een debuutbundel op waarvoor alvast een plekje op de literaire longlists kan worden gereserveerd.

     

     

  • Net niet

    De Vlaamse dichteres Ruth Lasters (1979) werd bij het grote publiek, ook in Nederland, bekend door haar pamfletachtige, ritmische en retorisch sterke gedicht Losgeld. Ze schreef het, samen met enkele studenten van de Spectrumschool in Deurne, als stadsdichter van Antwerpen. Het werd echter (om formele redenen? om inhoudelijke redenen?) door het stadsbestuur geweigerd. Nu is het opgenomen in haar bundel Tijgerbrood, zodat we het nog eens kunnen nalezen of – als de lezer de commotie heeft gemist – er kennis mee kunnen maken. Inclusief een toelichting achterin (zie ook http://ruthlasters.com). Eigenlijk is die toelichting niet eens nodig. In de eerste plaats omdat we de discussie over hoog- en laagopgeleiden (of liever: praktisch en theoretisch geschoolden) ook in Nederland kennen. In de tweede plaats omdat het gedicht sterk genoeg is om op zichzelf te staan.

    Het gedicht maakt deel uit van de afdeling Omerta die – zoals meer van de zeven afdelingen – wordt voorafgegaan door een motto. In dit geval van Iris Murdoch, over taal: ‘Really a machine for making falsehoods’. Want als je écht de waarheid wilt spreken, dan zijn woorden ontoereikend. Óf je moet nieuwe woorden verzinnen, zoals ‘navendel’ voor de geur die lavendel achterlaat. Óf je moet gewoon je mond houden.
    Het is een thema dat we ook uit de debuutroman, Poolijs, van Lasters kennen, de eerste van de inmiddels vier romans die zij schreef. Daarin is het Yves, een van de hoofdpersonen, die veelvuldig over zijn adamsappel strijkt. Daarin is het het zwijgen van mensen dat letterlijk en figuurlijk rust geeft. Ze zwijgen omdat ze willen zwijgen of omdat ze om wat voor reden dan ook niet kunnen spreken.

    Kunstgedichten en kerngedachte

    Er is nog een ander thema uit Poolijs dat ook in Tijgerbrood terugkomt: kunst. Het woord ‘navendel’ komen we tegen in een gedicht over het schilderij Le déjeuner sur l’herbe van Édouard Manet. Hierin spreekt de dichteres over ‘pre-picknick’. De titel van het schilderij is volgens haar een toonbeeld van ‘verbale vaagheid’. Het gaat ofwel om vóór ofwel ná de lunch op het gras.
    Eigenlijk is dit idee van voor of na een kerngedachte in Lasters’ gedichten. Het is altijd net iets voor of net iets na iets, al dan niet in combinatie met kunst en taal:

    ‘Vlak voor ik nies wordt alles even pointillistisch in mijn hoofd.
    Als het acuut gaat kriebelen in mijn sinussen, lijkt taal bereid
    om haar totale nederlaag toe te geven’

    schrijft ze in het gedicht Appelboom.

    Geluid, beeld en associaties

    Geluiden, of het ontbreken daarvan gaan ook in andere gedichten in mooi gekozen beelden samen: lachritmes van de lichtsignalen van vuurtorens, die een back-up hebben in misthoorntonen. Maar dat niet alleen. Lasters is ook de dichteres van associaties. Bij ‘appel’ denkt ze bijvoorbeeld aan de Bijbelse Eva en Wilhelm Tell, bij een kromme lepel uit de oorlog aan een

    ‘… gruwel die niet zonder breken terug te buigen valt
    niet omringd dient door bestek’

    Bij kaasprikkers denkt ze ook aan tandenstokers, bij de plastic holtes van een strip pillen (dé pil in dit geval) aan de kralen van een rozenkrans. Bij meel dat rijst voor een volkoren-, spelt- of het tijgerbrood uit de titel van de dichtbundel gaan haar gedachten naar een kind dat niet in de buik groeit van de ik-persoon uit het gedicht. Het is een grote stap, maar als je er een klein beetje moeite voor doet zijn deze en ook andere grote stappen meestal te volgen.

    Filosofisch

    Op deze manier zit er een filosofische laag in veel gedichten. Gedichten die in eerdere versies zijn verschenen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant, De Revisor, Terras en Apache.
    In het gedicht Venter vraagt Lasters zich bijvoorbeeld af wanneer een bril nog voldoet aan het zelf. Met krassen? Zonder schroefjes, neussteuntjes of een poot (been, zegt Lasters antropomorf)? Het doet denken aan Jean-Paul Sartre, die stelde dat een mens ook zonder armen of benen nog steeds een mens is. Alleen een torso en een hoofd maken dat je altijd nog kunt reflecteren over dit gegeven en kiezen hoe je ermee om zult gaan. Een mens is niet zo bedoeld, maar het is zoals het is. Net zoals ‘ballenrapers, die weergaloze vangers van / het onbedoelde’ een mooi beeld is voor tennisballen die er niet voor bedoeld zijn om op de grond te vallen en opgeraapt te worden, maar om terug te worden geslagen richting tegenstander.

    In andere gedichten gaat het over ander onheil, zoals een scheepsramp, raketinslag of tsunami die ons niet troffen, net niet troffen, net zomin als een metastase en foltering vanwege huidskleur of geaardheid. Of neem een route die je ‘door een gruwelaanslag niet kreeg afgelegd’, zoals de jongeren op het Noorse eiland Utøya.
    En dan, als iets er bijna is, gaat de tijd niet vooruit maar terug, zoals 1945-1940. Dit doet denken aan een essay van de dichteres Maria de Groot: eerst Bevrijdingsdag vieren, dan herdenken.

    Filosoferen is verwonderd in het leven staan. Je erover verwonderen, zoals Lasters doet, dat je uit papieren bekers kunt drinken, terwijl die afkomstig zijn uit pulp van een boom die ook eens water dronk. Het is zoeken naar een geëngageerd verband tussen al dan niet antropomorf aangeduide dingen, tussen mensen en met de natuur. Naar

    ‘heelheid, naar iets
    uit één stuk ondeelbaar, een überverzoening
    van wonder en toeval.’

    De kracht van Lasters’ poëzie zit in haar woordgebruik met een neologisme als ‘navendel’, haar beeldend woordgebruik met beelden als lachtritmes voor de lichtsignalen van vuurtorens, in de associaties bij een enkel woord (appel, lepel) en in de extra, filosofische en geëngageerde lagen die er vaak mee gepaard gaan. Kortom: een mooie, derde bundel na Vouwplannen en Lichtmeters.

     

     

  • Thema en variaties

    Muziek is de rode draad in Hotel Goldberg, de tweede roman van Ewa Maria Wagner. ‘Goldberg’ in de titel verwijst naar de Goldbergvariaties van Bach, de compositie waarmee Wagners protagoniste, de Nederlands-Poolse pianiste Marie is opgegroeid. Als docente aan het conservatorium van Amsterdam brengt ze al sinds jaar en dag haar liefde voor Bach over aan de volgende generatie pianisten. En toch. Er wringt iets in het muzikale leven van Marie. ‘Muziek leek slechts door mijn leven te kabbelen, in plaats van echt te stromen,’ merkt zij op.

    Marie voelt zich steeds erger verstrikt in het web van verwachtingen van anderen. Haar vriendin doet beroep op haar hulp in het restaurant dat ze samen runnen, op het conservatorium verwacht een student dat ze meewerkt aan een project en haar bejaarde vader wil dat ze hem vergezelt naar Polen, waar Marie’s tante net is overleden. Onderkoeld en precies registreert Marie wat er om haar heen gaande is. Zelf blijft ze aanvankelijk een meewerkende toeschouwer, die lijkt niemand helemaal tevreden te kunnen stellen, en zichzelf allerminst.

    Een hotel in Silezië

    Pas in Polen wordt ze gesteld voor een keuze, waarvoor ze niet kan weglopen. Ze blijkt de enige erfgenaam van haar tante, haar moeders zus Christa, en daarmee wordt ze opeens de eigenaar van een hotel in Silezië. Marie is niet goed bekend met Silezië, een gebied dat honderden jaren tot Duitsland behoorde en na de Tweede Wereldoorlog Pools werd, en toch voelt ze dat ook dat een deel van haar herkomst is.

    Wagner weet waar ze het over heeft als ze de strijdigheid tussen Marie’s Duitse grootvader en Poolse grootmoeder beschrijft. Zelf groeide ze ook op in Silezië, in een gezin vol oorlogstrauma’s. Daarover schreef zij haar sterk autobiografische eerste roman, Het Tristan-akkoord. In de nieuwe roman verbreedt ze haar radius van de familiegeschiedenis naar de geschiedenis van de plaats, de stad Pless, die even goed staat voor de gespannen verhoudingen in elk door de oorlog verscheurd oord. Wagner voert de verschillende lagen van het verhaal aan als variaties op een thema, ook letterlijk: het boek bestaat uit 42 variaties of hoofdstukken, tien meer dan in Bachs Goldbergvariaties, die ongetwijfeld ten grondslag liggen van de structuur van de roman. Toch doet het verhaal niet gekunsteld aan, eerder gecomponeerd, zoals het een schrijvende musicus betaamt; van huis uit is Wagner altvioliste.

    Ook in tante Christa’s hotel werd Bach gespeeld, en van Christa heeft Marie als kind haar liefde voor muziek gekregen. Die innerlijke band met haar tante hoopt ze te hervinden in het hotel, maar ze stuit op iets heel anders: de nagelaten schriften van haar grootvader, waarin hij verslag doet van zijn leven aan het oorlogsfront. Met de schriften krijgt het hoofdthema van het boek én van Marie – kiezen voor jezelf of leven zoals anderen van je verwachten – een nieuwe variatie erbij.

    Verantwoordelijkheid

    ‘Pas op voor geheimen,’ waarschuwt Marie’s vader, voordat hij terugreist naar Nederland. Marie blijft achter met een hotel en alle intriges die gekoppeld zijn aan Christa en haar nalatenschap. Opa’s geschriften bieden Marie een uitvlucht uit die lastige situatie, en met elke pagina raakt ze meer gebiologeerd door een geschiedenis die ze niet kende. Tot ze het punt van schok en afschuw bereikt. Grootvader heeft namelijk vooral niet gekozen: hij werd een SS’er omdat hij Duitser was, en als SS’er heeft hij, zoals zovelen, gedaan wat hem opgedragen werd, niet uit overtuiging, maar uit plichtsbesef. In haar verantwoording legt Wagner uit dat ze het personage van de grootvader losjes gebaseerd heeft op een historische figuur: de oorlogsmisdadiger en SS’er Willi Kulla, die, net zoals Marie’s grootvader, afkomstig was uit Pless en tegen het einde van de oorlog gestationeerd was in Baarn.

    Naar Baarn voert uiteindelijk ook het spoor van Marie’s erfenis. Tegen beter weten in heeft zij niet opgepast voor geheimen. Nu moet ze de verantwoordelijkheid dragen voor wat ze weet en haar uiteindelijke keuze maken: Amsterdam of Pless. Het is jammer dat Wagner aan het einde de verhaallijnen zo sluitend aan elkaar knoopt. Alle vragen worden beantwoord, er blijft weinig ruimte over voor ambivalentie en twijfel. Mooi is dat Wagner de muziek niet uit het oog verliest, maar de Goldbergvariaties steeds op een andere manier laat terugkomen – ook dat is al een variatie op zich.

    In een interview met het radioprogramma Nooit meer slapen legt Wagner uit hoe het komt dat ze pas begon met Nederlands leren, toen ze al een geruime tijd in het land woonde. In de internationale wereld van musici – ze speelt in het Radio Filharmonisch Orkest – worden vele talen door elkaar gesproken, met de muziek als de gemeenschappelijke taal. Die ervaring laat Wagner ook in Hotel Goldberg terugkomen, als ze de woordloze relatie tussen Marie en haar pas ontdekte, meervoudig gehandicapte halfbroer beschrijft. Dat levert gelijk de meest aangrijpende en geloofwaardige passages van het boek op.

     

  • Wat zijn gedachten?

    Gedachten denken van auteur Annelies Beck en illustrator Hanneke Siemensma is onlangs uitgeroepen tot het Beste Filosofische Kinderboek 2022. Deze prijs is een initiatief van de Week van de Kinderfilosofie en werd in april 2023 voor het eerst uitgereikt.

    Tonneke van Roosmalen besprak dit boek op Jong Literair Nederland:

    Al op de titelpagina van het boek Gedachten denken van Annelies Beck zien we Noor staan. Een klein meisje met donkere haartjes in een rood jurkje. Ze kijkt omhoog, naar de titel misschien, of naar de vogels boven haar hoofd? Daar begint het verhaal, of eigenlijk de gedachtegang van Noor. Zij vraagt zich af wat gedachten eigenlijk zijn. Wat je doet in je hoofd, en hoe dan.’
    […]
    ‘De zachte, tere illustraties in Gedachten denken zijn van Hanneke Siemensma. Soms licht en doorzichtig, soms donker en zwaar, precies zoals gedachten kunnen zijn. Samen met de tekst dagen ze de lezer uit tot nadenken. Er is ook een pagina zonder tekst, want als je zwemt, rent, voetbalt of zingt heb je vaak helemaal geen gedachten.’

    Lees hier de hele recensie over Gedachten denken.

     

     

  • Een ongrijpbaar, prachtig boek

    Bij lezing van de nieuwe roman van de Pool Jakub Małecki, getiteld Saturnin, dringt zich bij tijd en wijle de indruk op dat er iets nét niet in de haak is, alsof een schilderijtje scheef hangt dat je maar niet recht kan krijgen. Dat unheimische gevoel wordt concreet als de verteller een buskaartje beschrijft dat heen (7 km) de reis korter voorstelt dan terug (9 km). Zo is het precies met dit boek, je weet dat er iets niet helemaal klopt, maar wat dat is, blijft lang onhelder. Toch slaagt Małecki er heel goed in de lezer mee te zuigen in een poging van de verteller(s) hun familieverleden te begrijpen. Saturnin is Małecki’s tweede in het Nederlands vertaalde boek, na het zeer positief ontvangen Roest.

    De plot van de roman is niet in een paar zinnen samen te vatten. De sfeer wel: die is voor een groot deel droomachtig. Dromen worden daadwerkelijk beschreven, maar andere delen lijken op verkenningen van de schrijver. De schrijver tast alternatieve werkelijkheden af in fantasievolle (dag)dromen; wat als een situatie anders was gelopen? Er is niet één waarheid, zo lijkt Małecki te stellen, zonder dat die vaststelling cliché aanvoelt. En door middel van zijn nawoord zet hij zijn eigen roman in wezen ook weer op z’n kop. Waardoor dat komt, moet maar even in het ongewisse blijven, om spoilers te voorkomen.

    Zijn ‘idiote naam’

    Małecki schrijft geestig en toegankelijk, waardoor het boek gemakkelijk leest. Toch is het dat niet; het snijdt heftige thematiek aan die de lezer niet onberoerd laat. Hoofdpersoon Saturnin, oud-gewichtheffer, wordt namelijk min of meer gedwongen zich in de, voor hem onbekende, heftige geschiedenis van zijn grootvader te verdiepen. Saturnin woont inmiddels in de grote stad en één van de grote vragen waar hij mee worstelt is waarom hij nou in vredesnaam zo’n ‘idiote naam’ heeft.

    Zijn opa, Tadeusz, een stugge man wiens verleden als militair in de Tweede Wereldoorlog voor Saturnin een raadsel is, blijkt opeens verdwenen. Halsoverkop rijdt hij naar Kwilno op het Poolse platteland, ten westen van Warschau, waar hij is opgegroeid. Daar woont zijn grootvader met zijn dochter, Saturnins moeder. Samen met zijn moeder gaat hij zijn opa zoeken. Hij blijkt vernoemd naar een dienstmaat van zijn grootvader, wat het startschot betekent voor een duik in het verleden.

    Małecki doet een reuzenstap terug in de tijd als het verleden van Tadeusz aan bod komt wanneer hij de (ogenschijnlijk gedroomde) avonturen van Tadeusz als militair in het Poolse leger tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het is dat onderdeel van het boek dat het meeste indruk maakt.

    Poppen

    De auteur laat zien hoe een oorlog voor een militair een onduidelijk en onbegrijpelijk fenomeen is. Ook Tadeusz lijkt zich te realiseren dat er iets niet klopt: ‘ik weet niet of dit zo hoort, of oorlog neerkomt op om iemand heen lopen, maar ik zeg niks, want ik hier geef ik de voorkeur aan, ik geef er de voorkeur aan om iemand heen te lopen dan dat ik ga vechten, dus zet ik zwijgend de ene stap na de andere, wel vind ik het een beetje stom: in uniform, en toch een lafaard. Dat is precies wat ik ben. (…) De hele tijd had ik schijnbaar gehoopt dat we zo zouden blijven marcheren en kruipen tot de oorlog voorbij was en we veilig naar huis konden terugkeren. (…) Overal soldaten, half bewusteloos, onder het bloed en de modder. Ze liggen als poppen verspreid over het gras en het mos. Ze slapen of kijken voor zich uit, alsof er niets meer is.’

    In die chaos komt Tadeusz terecht, raakt hij gewond en keert hij na zijn herstel terug de oorlog in. Zijn zus Irka bezweert dat hij niet zal sterven, maar dat, mocht het toch gebeuren, ze elkaar bij een vijver in de buurt zullen ontmoeten. Helaas blijft dat laatste bij een droom.

    Verzetsstrijder

    Daarna verwordt Saturnin tot een lappendeken van realiteit en fantasie. Tadeusz sneuvelt, maar hij vertelt verder: ‘Een paar boeren uit een naburig dorp begraven me tegelijk met anderen die aan de Bzura zijn gesneuveld, het graf is drie bij vijf meter, tamelijk ondiep en er passen veertien lichamen in. (…) Ik zal dus op mijn zij liggen en helemaal verdraaid, met mijn rechterarm onder mij (…) Mijn hoofd drukt in de rug van een magere Duitse soldaat. (…) Mijn ouders zullen mijn lichaam nooit te zien krijgen.’

    Daar blijft het niet bij. Hij staat plots weer op en verandert in een gevierd verzetsstrijder die menig Duitser ombrengt. Hij glijdt als een slang door de bossen richting zijn volgende slachtoffers en ziet zijn vriend Saturnin, die wat aan de corpulente kant is, bosjes Duitsers in één keer verzwelgen. Tadeusz wordt met andere woorden een held. Maar is hij het ook werkelijk? Zodoende verklaart Małecki langzaam maar zeker waarom Tadeusz op zijn oude dag verdwijnt.

    Al met al is Saturnin al een prachtig geschreven boek. Het droomachtige gevoel dat het bij de lezer oproept maakt dat wat er gebeurt ongrijpbaar – maar zijn dromen zelf dat niet per definitie? De roman maakt de lezer op haast pijnlijke wijze deelgenoot van het verdriet dat een oorlog aanricht binnen een familie. Een boodschap die nu, na 14 maanden oorlog in Oekraïne, alleen nog maar heviger resoneert.