• Een held op sokken?

    Elke Viking is drengr, althans behoort drengr te zijn. Stoer, sterk, manmoedig en voor de duvel niet bang. Dat is Einar, de zoon van jarl Eirik, het stamhoofd van Lilleby en dat gaan Ivar en Magnilde zeker ook worden. Alleen Sigi niet. Sigi is niet drengr en lijkt ook nooit drengr te worden. Sigi is argr: een lafaard en schijtebroek.

    Tijdens een vergadering in het langhuis van de jarl wordt besloten dat Sigi nog één kans krijgt om te bewijzen dat hij wel degelijk drengr is.

    Illustratie: Aron Dijkstra

    Aron Dijkstra heeft niet alleen een klein meesterwerkje in woorden afgeleverd, maar ook in beelden. Elk hoofdstuk wordt ingeleid door een getekende runensteen waarop kort de inhoud van dat hoofdstuk staat vermeld. Als de lezer dit eenmaal heeft ontdekt, gaat hij vanzelf de stenen trachten te lezen met behulp van het bijgevoegde register.

     

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Boeken bieden soelaas in Japanse verhalenbundel

    De 21-jarige Tomoka Fujiki uit de verhalenbundel De bibliotheek van geheime dromen van Michiko Aoyama werkt in de dameskledingwinkel Eden in een hypermarkt in Tokyo. Zij is ontevreden met haar bestaan en baantje. Is ze hiervoor als achttienjarige student-in-spé vanuit de plattelandsgemeente waar ze is opgegroeid naar Tokyo getrokken? Ze heeft indertijd alles op alles gezet om toegelaten te worden tot een hogeschool in de grote stad, toen dat lukte werd ze de trots van haar omgeving, maar nu overmant haar de stille angst ‘zonder doel en droom oud [te] worden.’ Door een leestip van een markante medewerkster van de bibliotheek in het Community House bij haar in de buurt komt ze tot andere inzichten. Ze krijgt de Japanse kinderklassieker Guri en Gura mee. Het blijkt dat iedereen met wie ze over dit boekje spreekt er een andere herinnering aan heeft of elementen anders interpreteert. Er zijn dus meerdere waarheden, leert ze. Ook ziet ze in dat je mensen, situaties en jezelf verkeerd in kunt schatten. Dat datgene wat zij doet niks voorstelt is háár invulling. Bovendien leert ze dat het tijd en ervaring kost om je iets eigen te maken en ergens beter in te worden. Dat geldt voor het bakken van de castellacake uit het kinderboekje maar natuurlijk ook voor haar leven. ‘Al doende leert men.’ Met Tomoka komt alles goed. Ze heeft vertrouwen in haar toekomst.

    Dit leren en vertrouwen hebben is de blauwdruk voor alle vijf de verhalen. De protagonisten worstelen met zichzelf, komen toevallig in steeds dezelfde bibliotheek bij steeds dezelfde bijzondere bibliothecaresse terecht en krijgen van haar naast de gevraagde boeken steeds een verrassend andere leestip. Deze tip is de sleutel tot nieuwe inzichten en tot nieuw gedrag en er volgt een afgerond gelukkig eind. De bijzondere bibliothecaresse is Sayuri Komachi. Haar verschijning is opvallend: ze wordt achtereenvolgens beschreven als ‘een buitensporig grote vrouw’ […] ‘met een romp die op knappen lijkt te staan’ en een ‘hoofd zonder kin’, ‘een witte beer in winterslaap’, een vrouw ‘die op [een] panda […] lijkt’, op een ‘reusachtige rijstbal’ of een ‘Boeddhabeeld’. Haar stem daarentegen is ‘wonderbaarlijk’, ‘boven verwachting vriendelijk’; wellicht symbolisch voor het luisterende oor dat zij iedereen biedt. In haar infohokje achter haar computer zit ze voortdurend te vilten met schapenwol. Ze maakt allerlei kleine beestjes en objecten en geeft iedere klant een symbolisch vilten cadeautje mee. Zo krijgt Tomoka een koekenpannetje, dat symbool blijkt te staan voor het leren maken van de cake, maar er wordt ook een kat, een vliegtuigje een aardbolletje en een krab uitgedeeld. Voor de bibliothecaresse is het vilten therapeutisch. ‘Als je de hele tijd met een naald in een wolletje prikt wordt je geest leeg.’ Het bezoek aan haar is een rode draad door het boek die alle verhalen verbindt en de personages leert prikken in hun eigen leven.

    Hoe meer boeken hoe beter

    Natsumi uit het derde verhaal is een veertigjarige tijdschriftredactrice. Ze werkt al dertien jaar voor het vrouwentijdschrift Mila en wil heel graag bij een literaire uitgever gaan werken. Ze heeft een schrijfster binnengehaald die eerst feuilletons voor het tijdschrift is gaan schrijven en van wier werk later een roman is gepubliceerd. Het tijdschrift kreeg stijgende verkoopcijfers en de roman werd bekroond met een grote literaire prijs. Natsumi is ambitieus maar ook zwanger en daar komt de kink in de kabel. Na de bevalling wordt ze op haar werk overgeplaatst naar de afdeling Archief en Documentatie en het moederschap valt haar zwaar. Ze vertoont verschijnselen van een spijtmoeder: het is als ‘Winnie de Pooh schattig vinden en in werkelijkheid met een beer samenleven.’ Wat niet meehelpt is dat haar man Shuji ondanks beloftes vooraf altijd aan het werk is en weinig beschikbaar voor de zorg voor het kindje. Matsumi leert van mevrouw Komachi dat ze haar grootste hobbel in het leven al genomen heeft, namelijk het baren van een kind. ‘Aangezien we iets dergelijks hebben doorstaan, kunnen we alles te boven komen.’ Via en dankzij het boek van de gekende Japanse schrijfster Yukari Ishii dat zij ongevraagd meegekregen heeft leert ze nog meer wijsheden. Het gaat om ratio en intuïtie beide, om acceptatie van de wereld om ons heen en om de waarde van literatuur. Vervolgens vindt ze via-via een nieuwe baan bij een kinderboekenuitgeverij, nota bene de uitgever van het kinderboek dat zij ongevraagd meekreeg van de bibliothecaresse. Deze uitgeverij is niet alleen kindvriendelijk maar blijkt als werkgever ook moedervriendelijk. De relatie met partner Suhji en zijn inzet voor de zorg van het kind verbetert. Matsumi houdt natuurlijk toch heel veel van haar kindje en ze kan weer geïnspireerd aan het werk. ‘Hoe meer leuke boeken in de wereld, hoe beter.’

    Draadjes

    En zo gaat het in elk verhaal. De 35-jarige Makoto Urase krijgt van mevrouw Komachi een kat mee en een boek over poezen. Hij werkt als hoofd financiën bij een meubelfabrikant, maar droomt al sinds zijn tienertijd over een eigen bric-á-bracwinkeltje. Het winkeltje in de buurt waar hij als tiener graag kwam en waar hij deze inspiratie heeft opgedaan is al lang failliet en hij weet dat er geen bestaansrecht voor dit soort winkels is. Door een hobbyistische kattenboekwinkeluitbater die hij ontmoet ziet hij plotseling mogelijkheden voor een parallelle carrière. Hij leert dat je ‘van wat je niet hebt […] je doel [moet] maken’ en realiseert zich dat mentale voldoening ook vervullend kan zijn. De conflicten op zijn werk en met zijn vriendin worden opgelost en het ‘ooit’ van zijn winkeldroom wordt ‘morgen’.

    En dan de dertigjarige Hiroya. Hij is een zelfverklaarde NEET (not in education, employement or training) en brengt zijn dagen in ledigheid door, niet in het minst tot grote ontevredenheid van zichzelf. Hij wordt wakker gekust uit zijn lethargie door een boek over Darwin waardoor hij zich realiseert dat hij zelf zijn omgeving kan veranderen. Hij betuigt spijt tegenover zijn moeder, komt in de bibliotheek te werken en vormt daar de overgang naar het vijfde en laatste verhaal met als hoofdpersoon de pas gepensioneerde Masao. In dit verhaal komen de draadjes van de vier voorgaande verhalen samen.

    J-lit

    De Vlaamse vertaler prof. dr. Luk Van Haute legt in een artikel in De Gids (De jacht op de nieuwe Murakami: omtrent Japanse en on-Japanse literatuur 2009, jaargang 172) uit dat er in Japan traditioneel een strikt onderscheid bestond tussen ‘pure literatuur’ en ‘massaliteratuur’, een onderscheid dat sinds Murakami’s Norwegian Wood uit 1987 waziger is geworden. ‘J-lit’, Japanse literatuur, werd een nieuwe algemene benaming voor alle literatuur. Een ander opvallend verschijnsel in het Japanse boekenlandschap is het feit dat er de laatste decennia vele nieuwe onderscheidingen voor boeken in het leven zijn geroepen. Al deze onderscheidingen zijn publieksprijzen, waarbij dus geen beroepslezers in de jury zitten. Vooral jonge, vrouwelijke schrijvers winnen deze prijzen. ‘Jibun sagashi’, zoeken naar jezelf, is sinds de jaren negentig een leidmotief in die literatuur van vrouwelijke auteurs.

    Schrijfster Michiko Aoyama en De bibliotheek van geheime dromen passen in dit plaatje. De personages in de verhalenbundel zoeken naar zichzelf. De schrijfster ontving voor haar werk meerdere literaire prijzen en voor deze roman behaalde ze de tweede plaats van een Japanse boekhandelsprijs.

    De roman is toegankelijk geschreven in prozaïsche, ondubbelzinnige taal. Op gebruik van veel beeldspraak is de schrijfster in dit boek niet te betrappen. De verhalen zijn daardoor beslist zeer makkelijk te lezen, maar ook door de voortreffelijke taal van vertaler Elbrich Fennema. Voor de West-Europese lezer zijn er genoeg interessante typisch Japanse elementen in de roman aanwezig zoals manga, culinaire eigenheden, kersenbomen in bloei en Japanse boeken, schrijvers en dichters. Van alle tijden en alle culturen zijn de levensvragen die langskomen plus de bijbehorende zoektochten naar houvast en naar een weg in het leven.

     

     

  • Verloren in virtuele escapades

    Heb jij er altijd al van gedroomd hoe het zou zijn om Vladimir Lenin te spreken? Misschien zou je wel een koffietje willen drinken met de Griekse dichter Sappho of wellicht vind je het interessanter om met Marilyn Monroe tussen de coulissen te praten over haar favoriete show. In de VR-wereld van het Elysium-portaal in De lokroep van Elysium van Ilmar Taska kan het allemaal. Dankzij de nieuwste AI-ontwikkelingen, die steeds beter op de behoefte van de gebruiker inspelen, is het mogelijk om overleden artiesten of historische figuren digitaal tot leven te wekken. Voor slechts een klein bedrag kun je deelnemen aan dit spectaculaire avontuur waardoor je voor heel even uit de dystopische realiteit van het alledaagse kunt ontsnappen.

    Ilmar Taska (1953) is een Estse schrijver en filmmaker. Hij is onder andere bekend als co-schrijver en producer van de film Back in the USSR (1992). Zijn boek Pobeda 1946 was een groot succes in Estland en is net als zijn nieuwste boek De lokroep van Elysium, naar het Nederlands vertaald door Frans van Nes.

    De roman speelt zich af in de nabije toekomst waar technologische vooruitgangen in onder andere artificiële intelligentie, overheden en oligarchen machtiger dan ooit hebben gemaakt. Zo worden de emoties van inwoners door speciale camera’s met gezichtsherkenning bijgehouden en opgeslagen in verschillende databases, waardoor de gewone burger op een 1984-achtige manier continu door de overheid en bedrijven in de gaten gehouden wordt. Tegelijkertijd biedt de VR-wereld van Elysium een uitweg uit deze grimmige realiteit.

    Praten met computers

    De beroemde en populaire acteur Robert Rand wordt via zijn manager Daniel gekoppeld aan het Elysium-portaal, waar hij als eerste nog levende artiest een VR-versie van zichzelf zal krijgen. Zijn zoon, Tom Rand, vindt het zowel cool als ongemakkelijk dat zijn klasgenoten met een digitale versie van zijn vader in de VR-wereld kunnen praten. De lerares van Tom, Ester, merkt dat hij moeite heeft met de roem van zijn vader. Wanneer de digitale versie van Robert Rand steeds meer dingen tegen Elysium-gebruikers begint te vertellen die de echte Robert Rand nooit zou zeggen, raken Robert, Tom en Ester achterdochtig. Is het Elysium-bedrijf wel zo neutraal als het zichzelf voorstelt of zijn de macht en invloed van Elysium groter dan ze denken?

    Vrijwel ieder personage in De Lokroep van Elysium spreekt met een digitale versie van een overleden beroemdheid of historisch figuur. Zo ziet lerares Ester regelmatig John F. Kennedy, heeft manager Daniel een aparte relatie met Marlene Dietrich en zoekt Tom Rand toeverlaat bij Marilyn Monroe en zijn digitale vader. Zodoende openen de personages zichzelf en hun onzekerheden bij hun digitale ‘vrienden’. Het verhaal is in korte paragrafen geschreven, waarbij we steeds per paar bladzijdes het perspectief van een van de personages volgen. Hierdoor lijkt het alsof je een filmscenario leest dat in de loop van de tijd is omgevormd tot roman.

    Technologische dystopie

    De wereld in De lokroep van Elysium schuurt tegen de realiteit aan en wekt de interesse van de lezer doordat Taska de implicaties van al deze technologische vooruitgangen laat zien als een plausibele toekomst. Het gros van de ontwikkelingen die hij in zijn boek behandelt, bestaat al of wordt inmiddels, vaak op kleine schaal, geïmplementeerd in de echte wereld. In de wereld die Taska probeert te schetsen gebeurt het toepassen van deze technologische ontwikkelingen veelvuldig, maar de schrijver werkt dit matig uit.

    De technische snufjes worden plausibel weergegeven, maar komen niet realistisch over in de door Taska beschreven praktijk, zoals bij de implicaties van gentechnologie: ‘Met behulp van gentechnologie kon je heel snel heel veel in iemands persoonlijkheid veranderen.’ Er worden vaak termen gebruikt die weinig zeggen zonder context, bijvoorbeeld: ‘Metadata collection tools’, en er zijn talloze statements die doen denken aan de opmerkingen van een stereotype hacker uit een B-actiefilm: ‘We voeren met behulp van statistiek en metadata ook steeds strengere controle uit op het wereldbeschouwelijke materiaal.’ De zinnen impliceren dat er iets spannend op de achtergrond gebeurt, maar de gevolgen op de voorgrond zijn amper voelbaar.

    Show don’t tell

    De personages en het plot zijn enigszins voorspelbaar. Bijna elke stap in de ontwikkeling van het plot wordt haarfijn en bijna robotachtig door een personage uitgelegd, waardoor het voelt alsof je een voorgekauwd verhaal aan het lezen bent en er weinig ruimte is voor verrassingen. Aan het begin van de roman zegt Ester het volgende tegen Robert: ‘”(..) en ik heb de indruk dat het niet alleen maar om een simulatiefout door de kunstmatige intelligentie gaat. Ik heb het idee dat uw VR-personage doelbewust wordt gemanipuleerd of gekaapt is.’’ Ester vroeg zich af of haar woorden wel gezag uitstraalden.’

    Deze overbodige uitleg wordt nog storender wanneer de karakterontwikkelingen van verschillende hoofdpersonen op een zilveren blaadje worden gepresenteerd, zoals bij de karakterontwikkeling van Tom: ‘Tom is slim en hij werkt hard, al is hij een beetje in zichzelf gekeerd. Zou hij een probleem hebben waar hij over wil praten? Als kind van een beroemdheid heeft hij allerlei gedrag van anderen ervaren.’ En: ‘Hij luisterde gewoon naar zijn lerares. Met grote ogen. Misschien hoort hij elke vrouw wel eerbiedig aan. Zou hij zijn moeder missen?’ Er is wel erg weinig vertrouwen in het denkend vermogen van de lezer als je zelfs de meest duidelijke ontwikkelingen meerdere keren herhaalt. Zo slaagt Taska erin om de synopsis van elk personage in één alinea te omschrijven en laat hij weinig aan de verbeelding over. Het begrip “show don’t tell” is voor een boek dat zo filmisch geschreven is, volledig uit het raam uitgegooid.

    Stereotypes

    Bijna alle personages praten min of meer op dezelfde toon en hun karaktereigenschappen bestaan uit een kleine reeks van stereotypes. Zo zijn er in De Lokroep van Elysium ongeveer drie typen vrouwen, namelijk dat van de femme fatale, dat van de zorgzame moeder of een combinatie van deze twee. Het stereotype van de zorgzame moeder wordt onder andere uitgedragen door Ester, die zich over de vader van Tom afvraagt: ‘Waarom is hij eigenlijk niet op zoek gegaan naar een nieuwe moeder voor zijn kind? Misschien heeft hij geen tijd voor een privéleven, met zijn drukke, veeleisende werk… (…) De jongen zou baat hebben bij de energie van een moeder, een tweede zorgzaam paar armen.’ Het is een saai en storend cliché dat de belangrijkste drijfveer van een vrouw het moederschap zou zijn. De femme fatale personages in dit verhaal zijn echter nog vele malen slechter af. Zo wordt de kwaadaardige dokter S. op een bizarre manier geseksualiseerd door oligarch Kim: ‘Ik ben benieuwd, dacht Kim, of ze zich tijdens de seks voorstelt hoe de vreemde schimmels en bacteriën in haar vulva naar binnen dringen, of dat ze nog ergens anders van kan genieten.’ Misschien is het de bedoeling dat de lezer moet walgen van Kims gedachten, maar omdat alle hoofdpersonen inwisselbaar qua toon zijn, voelt het vooral onrealistisch en onnodig ranzig.

    Naast het gebruik van stereotype karaktereigenschappen staat er ook een reeks opvattingen en observaties in het boek die compleet uit het niets getrokken lijken te zijn omdat er geen context bij gegeven wordt. Deze citaten bevatten een dubieuze en soms racistische toon: ‘Om die te vinden, moest je naar Borneo gaan, als je tenminste niet bang was om op het menu van kannibalen te belanden.’ Het idee dat er kannibalen op Borneo zouden leven is een racistisch en hardnekkig stereotype.* En: ‘De vogels fladderden met hun vleugels, die nooit eerder geziene kleuren hadden. Zelfs de Japanners kunnen die kleuren, die prachtige halfschakeringen, vast niet benoemen, dacht Daniel.’ Ook deze zin doet zonder context de wenkbrauwen fronsen. De ambigue aannames voelen vooral fout aan om te lezen, en het is onduidelijk wat ze aan het boek toevoegen.

    Grr…RRR!

    De lokroep van Elysium probeert de gevaren van de hedendaagse technologie verhalenderwijs in kaart te brengen, maar weet hieruit niks interessants of vernieuwends te creëren. Zonder een geloofwaardige wereld, interessante personages of fijne dialogen boeit het boek nauwelijks tot niet. Soms staan er staan leuke zinnen in die grappig zijn door de beelden die ze oproepen. Een van deze zinnen beschrijft goed welke emotie het verhaal voornamelijk teweegbrengt: ‘“Grr… RRR!” brulde Robert Daniel toe, en hij spreidde zijn vingers om leeuwenklauwen na te bootsen.’ Het boek is wellicht interessant voor mensen die helemaal niet op de hoogte zijn van hedendaagse technologische ontwikkelingen, maar misschien kunnen zij beter een goede documentaire over AI bekijken of een knap uitgewerkte dystopie als 1984 lezen, of het meer hedendaagse Frankusstein van Jeanette Winterson.

     

    * Adrienne Smith beschrijft in British and Dutch Perceptions of Cannibalism in Borneo, 1882-1964 hoe het stereotype van kannibalisme bij inheemse volken in Borneo tot stand kwam en continu door Westerse media werd gestigmatiseerd. Een interessante toevoeging is het artikel Thinking About Cannibalism van Shirley Lindenbaum, waar het discours over kannibalisme gelinkt wordt aan het vormen van de Westerse identiteit ten opzichte van niet-Westerse landen. Het vooringenomen onderscheid tussen barbaars en civiel was een groot onderdeel in het vormen van het Westerse zelf en het Westerse idee van kennis.

     

  • Sms-taal relativeert zelfmedelijden

    Nederlandse literatuur wil wel eens wat zwaar op de hand zijn. Vaak ligt dat aan de ik-ben-zielig-toon die de auteur hanteert. In het debuut Uitzicht van dichtbij valt het ook op, ware het niet dat Megan van Kessel haar zelfmedelijden relativeert met een droge onderkoelde stijl. Het is een beetje als sms-taal, zegt ze tegen Annemieke Bosman in een radio-interview van Opium. De zinnen zijn kort en staccato.

    Een jong stel met een baby gaat in een verbouwde pistachegroene kerk onder de rook van de stad op het platteland wonen. Vanuit het ene raam hebben ze uitzicht op de witte pastorie met rozen en lavendel, waar de keurige buren wonen die ze de Lords noemen. Het andere raam biedt uitzicht op Mireille, een verzuurde alleenstaande dame met geel haar en grote borsten. Zij beheert het terrein met dictatoriale hand. Het buitenleven gaat het stel moeizaam af. Ze voelen vijandigheid en investeren niet echt in hun buren. Buurvrouw Mireille wordt afgeschilderd als een bitch. Ze plaatst overal verboden-toegangborden en spreekt het stel erop aan als ze de regels schenden. Ze komt enigszins ongeloofwaardig over omdat ze niet echt wordt uitgediept. Hetzelfde geldt voor de Lords, waar Maggie’s moeder een pakje boter leent. Ook zij komen niet echt tot leven.

    Fleur uit Almere

    Het terrein waarop ze wonen wordt als een Ü verbeeld. ‘De kerk en de pastorie zijn de puntjes, het midden van de U is het verboden terrein. Het kommetje is de camping met het meer. Boven de puntjes is de drukke weg. Aan de overkant van die weg wonen de perfecte buren. Zij zijn bevriend met de Lords. De perfecte buren hebben perfect gras.’

    Ik-persoon Maggie probeert een tuintje te maken op een plek waar eerst stoeptegels lagen en is teleurgesteld dat niets groeit en de planten bruin worden. Iedere sukkel weet dat je geen planten in straatzand zet en er dan de potgrond over uitstrooit. Het zal humoristisch bedoeld zijn, maar mist de pointe een beetje. Met vijandige buren, de mislukkende tuin, de lawaaierige pick-uptrucks die langsrijden en de vermoeidheid rond het pasgeboren zoontje, lukt het Maggie niet om gelukkig te zijn. ‘Ik voel me een Fleur uit Almere. Niks mis met Fleur, of Almere, maar ik moet er gewoon even aan wennen dat ik dat nu ben.’

    Het verhaal gaat over Maggie’s afwezige vader. Het vreet aan haar dat ze niets van hem hoort na de geboorte van haar zoontje. En dat brengt haar terug naar gebeurtenissen uit haar jeugd. ‘Waar is dat meisje dat niet bang was? […] Het meisje dat deed alsof ze niks voelde en zich in slaap huilde omdat ze zoveel voelde.’ Maggie was stoer, een durfal en een buitenbeentje en deed heel erg haar best om haar vader te bereiken. Ze verlangde naar zijn aandacht, terwijl hij een kinderlijke en hoogst egocentrische man was, die dacht dat hij overal mee weg kwam en ze nam aan dat voor haar hetzelfde gold. Maar zij verloor haar stoere zelfverzekerdheid door een verontrustende gebeurtenis die haar nog steeds achtervolgt.

    Vakantie aan zee

    Het verhaal meandert van het heden, het wonen op een dorp met baby en partner Alfons, naar haar jeugdherinneringen. Vooral een vakantie op een camping aan zee met haar vader en stiefmoeder, oudere zus en stiefzusje Karin beleeft ze opnieuw. De overgangen naar vroeger gaan vloeiend en hangen steeds aan de kapstok van de oorzaak waarom haar vader niets van zich laat horen. Haar ouders gingen uit elkaar toen ze vier was. Ook haar vader en stiefmoeder zijn uit elkaar en Maggie heeft het contact met haar verloren. Langzaam wordt het drama van haar jeugd duidelijk en is het begrijpelijk waarmee Maggie worstelt.

    Als er dan toch contact met de vader is, komt er een kentering in het verhaal. Zijn verhaal moet verteld worden en de dorpsbeslommeringen raken op de achtergrond. De onderkoelde toon verdwijnt ook enigszins. Maggie zoekt naar genoegdoening, haar vader heeft haar in de steek gelaten. Tegelijkertijd voelt ze zich schuldig, want haar vader verwijt haar en haar zus hetzelfde. Zij hebben hem in de steek gelaten. Haar bezorgdheid neemt de overhand over de gezondheid van haar vader, die hard achteruit gaat. Hij moet opgenomen worden in een verpleeginstelling.
    In het laatste hoofdstuk zijn we terug in het dorp. Na maanden wordt het pakje boter bij de Lords teruggebracht en heeft Maggie nog een onderonsje met Mireille, maar echt overtuigend is het einde niet van dit dunne, maar zeker niet magere debuut dat deels autobiografisch is.

    Megan van Kessel studeerde af aan de Gerrit Rietveld academie,  is moeder van twee zoontjes en schrijft onder andere voor Het Parool. Zelf ervaarde ze een afwezige vader en een verbroken relatie met haar stiefmoeder. Van Kessel stelt zich kwetsbaar op, met de nodige zelfspot waar het gaat om de aanleg van de tuin en soms is ze onhandig en gewoon lui. Dat haar relatie met Alfons warm is en ze samen liefdevolle ouders zijn vormt een mooie tegenstelling met Maggie’s kille jeugd.

     

  • Jonge activisten bieden hoop

    Wie mocht denken dat Greta Thunberg de enige jongere is die voortdurend op de trom roffelt om aandacht voor het klimaat te vragen, weet na lezing van De toekomst is van ons wel beter.

    […]

    De Belgische – in Amsterdam wonende – journalist Samuel Hanegreefs beschrijft tientallen voorbeelden van jongeren die zich druk maken om de toekomst van de aarde en ons leven bij een alsmaar opwarmend klimaat. Dat maakt De toekomst is van ons inderdaad tot een hoopvol boek, ondanks alle ellende en frustraties waar de beschreven jongeren tegenaan lopen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland

     

     

  • Voorspelbaar, maar toch boeiend

    De in 1963 geboren Britse schrijfster Esther Freud (achterkleindochter van de beroemde psychoanalyticus) debuteerde in 1991 met een autobiografisch getinte roman getiteld Hideous Kinky. Dit boek werd verfilmd. Haar werk is in vijftien talen vertaald. Haar nieuwste roman I Couldn’t Love You More werd uit het Engels vertaald door Ineke Lenting en kreeg de zoete titel Hoeveel ik van je hou. Op het omslag prijkt een wat zedig naar beneden kijkende vrouw met een kleurige doek om haar haar en wordt het boek aangeprezen als ‘een liefdesbrief aan drie generaties Engelse en Ierse vrouwen’.

    De associatie met een feelgood-roman ligt op grond van die eerste indruk voor de hand en ook inhoudelijk lijkt het boek in die richting te gaan, want het gaat in het begin veel over verliefd zijn, trouwen en eerste kussen. Vervolgens wordt ook duidelijk dat zich onder de wat zoete oppervlakte gelukkig meer bevindt, maar het boek zal uiteindelijk toch niet echt de diepte ingaan.

    Drie verhaallijnen

    De hoofdrollen in Hoeveel ik van je hou worden gespeeld door de vrouwen waarop gezinspeeld wordt op de kaft. De verhaallijnen van Aoife, Rosaleen en Kate wisselen zich in een redelijk willekeurige volgorde af. De geschiedenis van de Ierse Aoife begint in 1939, wanneer ze verliefd wordt op Cashel Kelly, met hem trouwt en kinderen krijgt. Het kersverse stel gaat een pub runnen en verhuist later naar het platteland van Engeland. Voor dochter Rosaleen is de grootste verhaallijn gereserveerd. Haar verhaal begint in de zomer van 1959. Als kind heeft ze op een nonnenschool gezeten, maar nu is ze in het bruisende Londen, ver van haar ouders en ontmoet ze een kunstenaar, van wie ze weet dat hij ‘gevaarlijk’ is. De verhaallijn van Kate start in de proloog in 1991. Ze is in een klooster op zoek naar haar werkelijke afkomst, maar die zoektocht lijkt vruchteloos. De relatie van Kate met de twee andere vrouwen is aanvankelijk wat schimmig, alhoewel er al snel een vermoeden ontstaat. Kate is kunstenares, heeft een wiebelige relatie en een dochter.

    Het echte hoofdpersonage in het boek is dus Rosaleen. Ze is knap, heeft het verschrikkelijk slecht naar haar zin gehad op een strenge nonnenschool en wilde zo snel mogelijk haar ouderlijk huis verlaten omdat ze een slechte relatie met haar autoritaire vader heeft. Wanneer de ouders van Rosaleen hun pub inruilen voor een huis op het platteland, grijpt Rosaleen haar kans en gaat naar Londen. Ze maakt haar ouders wijs dat ze een belangrijke baan bij de krant heeft, terwijl ze in werkelijkheid werkzaam is in de postkamer. Na een paar maanden blijkt ze ongehuwd zwanger te zijn van een getrouwde man en verliest ze om die reden haar baan. Ze vertrekt bij de tante bij wie ze inwoonde en uit schaamte voor haar toestand durft ze geen hulp te vragen aan haar ouders.

    Interessant personage

    Tot dusverre is Hoeveel ik van je hou een redelijk standaard verhaal over een ongewenste zwangerschap en de gevolgen daarvan en dat blijft eigenlijk ook zo. Als lezer heb je vaak de indruk dat je een dergelijk verhaal al eerder eens gelezen hebt en het is om die reden vrij eenvoudig te voorspellen hoe het Rosaleen zal vergaan, zeker ook omdat de verhaallijn van Kate vervlochten is met die van haar moeder en haar oma en je daaruit kunt opmaken hoe de zaken zijn gelopen. Verrassingen zijn er dus nauwelijks. Daar staat tegenover dat het personage van Rosaleen interessant is en goed uitgewerkt. Van een wat dwars kind verandert ze in een uitbundige jonge vrouw die van alles durft, tot ze zich realiseert dat ze volledig op zichzelf is aangewezen. De wanhoop, de vertwijfeling en de eenzaamheid waaraan ze ten prooi valt, zijn mooi en zeer geloofwaardig beschreven. Met name de beschrijving van het laatste deel van haar zwangerschap en de bevalling zelf zorgen ervoor dat het boek de lezer in zijn greep houdt. Daarnaast is er ook veel aandacht voor de nagalm van het buitenechtelijke kind in het verdere leven van Rosaleen.

    Het personage van Kate is minder boeiend. Zij heeft in haar tienerjaren van haar ouders gehoord dat ze ooit geadopteerd is. Schrijnend is het spelletje dat ze met zichzelf speelt wanneer ze zich afvraagt of iemand haar biologische moeder zou kunnen zijn: ‘Ik kijk in haar opmerkzame ogen en zoals altijd op zoek naar mijn moeder, probeer ik haar leeftijd te schatten, tel ik de jaren terug en concludeer dat het onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk is en dat ze er misschien haar redenen voor heeft gehad om een kind af te staan. Een liefdesbaby. Is ze ooit getrouwd? Of misschien zou een baby haar carrière hebben gehinderd.’

    Platte karakters

    Ook de overige personages komen er in het boek wat bekaaid vanaf. Ze hebben weinig diepgang in hun karakter en spelen meestal een negatieve rol. Moeder en oma Aoife is een grijze muis, die niet op durft te staan tegen haar echtgenoot Cashel Kelly, een hardvochtige man die zijn zin doordrijft en ook regelmatig klappen uitdeelt aan zijn kinderen. De mannen die bij Rosaleen in de buurt zijn, zijn alleen geïnteresseerd in haar lijf en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun daden. De vriend van Kate is alcoholverslaafd en er kunnen met hem geen afspraken gemaakt worden. De nonnen in het klooster zijn stuk voor stuk nors en onbehulpzaam.

    Boeiend

    Toch weet Hoeveel ik van je hou de lezer te boeien. De spanning in het boek wordt vanwege de afwisseling van de verhaallijnen goed opgebouwd en er zijn voldoende terug- en vooruitwijzingen die de aandacht vasthouden. Esther Freud heeft een mooi beeld geschreven van hoe gebeurtenissen uit de jaren zestig tientallen jaren later hun weerslag nog vinden in de levens van vrouwen. Naarmate het boek vordert, neemt de spanning alleen maar toe en levert – alhoewel ook het slot voorspelbaar is – Hoeveel ik van je hou al met al een mooie leeservaring op.

     

  • Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    In verschillende interviews die Hella Haasse (1918-2011) op latere leeftijd gaf, zei ze dat ze geen biografie wilde. Het feit dat ze desondanks haar agenda’s bewaarde omdat ‘zulke bronnen voor iemand anders ook van waarde zouden kunnen zijn’, toont al aan dat ze in deze wens niet heel standvastig was. Daarnaast was er het ‘zwarte schrift’, waarin ze haar meest persoonlijke gedachten en herinneringen bewaarde. Naarmate het einde naderde werd het dan ook steeds duidelijker dat die biografie er na haar dood zeker zou komen. Dat Aleid Truijens voor deze dankbare taak werd benaderd was een logische keuze gezien haar grote staat van dienst in de bestudering van en het schrijven over het oeuvre van Hella Haasse.

    Familie

    Natuurlijk begint Truijens met de geboorte van Haasse in wat toen nog Nederlands Indië heette. Haar jeugd aldaar zou haar hele schrijversleven als een rode draad door haar werk blijven lopen – met Oeroeg (1948) en Heren van de Thee (1993) als de grote publiekslievelingen. In 1925 kreeg haar moeder tbc. Ze moest naar een kuuroord en Hella werd naar haar grootouders van moederskant gestuurd in Baarn. In 1928 keerde ze terug naar Indië. Afgezien van een half jaar met het hele gezin in Nederland (1935) waren de jaren daarna een gelukkige tijd voor haar, tot haar ouders haar in 1938 opnieuw naar Nederland stuurden om te studeren. Mede door de oorlog zou ze haar ouders acht jaar niet meer zien. De band met haar ouders bestond uitsluitend uit intellectuele intimiteit. Voor haar emotie zocht ze toevlucht in haar fantasie. ‘Ik heb de fantasie altijd nodig gehad om te kunnen leven’, zo zei ze in een interview. Voor Hella Haasse was de schrijver per definitie een waarnemer, geen deelnemer. Het werd haar tweede natuur om zich als buitenstaander op te stellen.

    Met haar vader was de relatie ook afstandelijk. Die afstand tot de ouders zou haar parten blijven spelen, en later zou dit patroon zich herhalen in haar band met haar dochters. Het opvallende is dat haar kinderen wél een goede band hadden met hun grootouders, net zoals Hella later een hechte band zou ontwikkelen met haar kleindochters. Haar broer Wim vertrok al op jonge leeftijd naar Australië. Een poging zich met zijn Australische vrouw in Nederland te vestigen liep op een mislukking uit omdat zijn vrouw hier niet kon aarden. De spaarzame bezoeken van Hella en echtgenoot Jan aan Australië worden gekenmerkt door afstandelijkheid; aan warme band zou het nooit worden.

    Huwelijk

    In 1939 ontmoette Hella Jan van Lelyveld. Ze werd verliefd, maar ondanks haar eigen woorden die het tegendeel beweerden, zou het huwelijk altijd problematisch blijven. Hella en Jan trouwden in 1944 en in datzelfde jaar werd dochter Chrisje geboren. April 1947 overleed Chrisje aan difterie. Hella zou haar hele leven schuldgevoelens houden; ze verweet zichzelf dat zij en Jan te laat hulp in het ziekenhuis hadden gezocht. Dit schuldgevoel speelde zeker ook een rol in haar latere verstandhouding met dochters Ellen en Marijn. Het is tevens een van de redenen dat het huwelijk tussen Hella en Jan stand hield want zij droegen samen dit verdriet.

    Er was geen intimiteit in het huwelijk, waardoor Hella verbitterd raakte. Compensatie zocht ze in het schrijven. Dochter Ellen van Lelyveld zei daarover: ‘Ik denk wel eens: mijn moeder had dat drama nodig. Ze had sterk de behoefte om slachtoffer te zijn, en dan een slachtoffer dat haar ellende met opgeheven hoofd droeg.’ Aleid Truijens: ‘Pas toen ze volwassen waren, doorzagen ze het patroon: een mengeling van superioriteit en zichzelf vernederen was een belangrijke karaktertrek van hun moeder. Naarmate Hella meer de smekende rol op zich nam werd hun vader afstandelijker, wat weer reden tot klachten gaf. Zo nam de kilte tussen hen toe.’ Echtgenoot en dochters hadden er moeite mee zichzelf te herkennen in de verhalen van Hella, ook al begrepen ze heel goed dat Hella soms eigenschappen van hen leende omdat ze pasten in het verhaal. Voor vrijwel al haar werk haalde Hella Haasse inspiratie uit haar eigen leven. ‘Wat ik ook schreef, het ging over mezelf’, zo zei ze ooit.

    De Grote Vier

    Een biografie van Hella Haasse ontkomt niet aan de clichés die we door de jaren heen zo vaak gehoord hebben. Als vrouwelijke auteur zou zij niet de waardering hebben gekregen die haar mannelijke collega’s ten deel vielen, er hing altijd een zweem van braafheid om haar heen. ‘Wat moet ik in godsnaam doen om van dat imago af te komen? […] Iemand die mij maar een beetje kent, zal nooit en te nimmer zeggen dat ik braaf ben’.  Tegelijkertijd werd ze ‘De Grande Dame van de Nederlandse Literatuur’ genoemd en werd ze niet zelden tot ‘De Grote Vier’ gerekend. Toch voelde Hella Haase zich altijd de mindere van de grote drie, Reve, Hermans en Mulisch. Toen haar in 1983 de P.C. Hooftprijs werd toegekend, nam zij deze dankbaar in ontvangst, maar ergens wrong toch ook de late toekenning.

    Haasse had grote waardering voor Hermans, Wolkers en Reve. Met Hermans ontstond er zelfs een vriendschap, al werd tijdens hun gezamenlijke etentjes vrijwel nooit over hun werk gesproken. Voor Reve had ze een zwak, al vond ze hem ‘een beetje getikt’. De vriendschap met Yvonne Keuls liep regelmatig deuken op, niet in het minst omdat het nogal eens botste als ze aan een gezamenlijk project werkten. Alleen met Harry Mulisch boterde het totaal niet. De laatste decennia woonden Hella en Jan in Byzantium, aan het begin van het Vondelpark. Mulisch woonde letterlijk aan de overkant. Als Annie Kroon, een van haar twee vaste Franse vertalers, op bezoek was, meden ze voor hun gezamenlijke lunches liever Hotel Americain omdat ze bang was Mulisch daar te treffen. En elk jaar dronken ze samen een glas van haar favoriete wijn Morgon om te vieren dat Mulisch opnieuw de Nobelprijs níet had gewonnen.

    Tegelijkertijd overvleugelde ze haar mannelijke collega’s in haar tweede thuisland Frankrijk, waar ze jaren woonde met Jan. Mede dankzij haar heldere, zeer vertaalbare stijl waren de Franse vertalingen van Haasse’s werk zeer succesvol. Het leverde haar zelfs een plaats op in het programma Bouillon de Culture van Bernard Pivot. Opvallend is het verhaal achter de Amerikaanse vertaling van haar vroege roman Het woud der verwachting. Ene Lewis Kaplan raakte in 1949 geïntrigeerd door het onderwerp en leerde speciaal hiervoor Nederlands. Hij maakte een vertaling die na zijn dood in 1957 jaren in de kast bleef liggen, tot zijn zoon het weer oppikte in de jaren tachtig. Met behulp van professionele vertalers verscheen er in 1989 een vertaling die naast lovende recensies een oplage haalde van 50.000 exemplaren.

    Monumentaal en invoelbaar

    Misschien wel de gootste verdienste die Aleid Truijens met dit monnikenwerk – het schrijven van deze biografie nam acht jaar in beslag – heeft geleverd is de wijze waarop je als lezer zoveel zaken vooral aanvoelt, hetzij voor, hetzij nadat deze zijn benoemd. Het moeizame huwelijk met Jan, diens autisme, tegelijkerijd de wederzijdse waardering voor de persoon, vooral gebaseerd op hun intellectuele band, de moeizame relatie met haar ouders en haar dochters, het gemak in de verstandhouding met haar kleindochters. En vooral, dat er zoveel meer schuilt achter die op het oog inderdaad misschien wat brave dame. Je kunt het als biograaf natuurlijk vertellen, maar het werkt zoveel beter als de lezer het ook werkelijk voelt.

    Aleid Truijens is zeer zorgvuldig te werk gegaan in het leveren van de context bij de vele romans van Hella Haasse, waarbij het knappe is dat het werk zelf centraal blijft staan en nooit ondergesneeuwd raakt door al die informatie. Het is en blijft altijd ‘in dienst van’, en daarmee heeft ze een zeer waardevolle biografie van deze ‘grande dame’ van de Nederlandse literatuur geschreven.

     

     

  • De gorgel van de smeerlap briezelen

    Vertaler Robbert-Jan Henkes vraagt zich in zijn nawoord bij de bundeling van vier romans van Sergej Dovlatov af of je bij een levensschets van deze auteur moet beginnen met zijn leven of zijn werk: ‘Want zijn leven was zijn werk. En zijn werk was zijn leven’. Henkes noemt zijn nawoord dan ook ‘Dovlatovs autobiografictie’. En wij als lezers mogen daarom de woorden van het hoofdpersonage, ook Sergej Dovlatov genaamd, wel toepassen op de auteur: ‘Ik was zoals dat heet “alles bij elkaar opgeteld” op de keien gezet (…) In de journalistiek is het iedereen toegestaan één ding te doen. In één iets de principes van de socialistische moraal met voeten te treden. Dat wil zeggen, de een is het toegestaan te drinken. De ander herrie te schoppen. De derde politieke moppen te vertellen. De vierde jood te zijn, de vijfde geen partijlid. De zesde een amoreel leven te leiden (…) Je kan niet tegelijkertijd jood en dronkenlap zijn. Herrie schoppen en partijloos zijn… En ik was rampzalig universeel’.

    Deze terugblik op hoe hij op straat werd gezet is te vinden in de eerste van de vier romans, Compromis uit 1981. Die roman bestaat uit twaalf hoofdstukken die genummerd zijn als ‘Compromis’ (gevolgd door een nummer) en een voorbeeld beschrijven van een reportage die Dovlatov moest maken, de omstandigheden waaronder dat gebeurde – vooral gelardeerd met flink veel drank en gelal – en de greep van de Partij op het eindresultaat. In ‘Compromis 5’ is dat bijvoorbeeld het hilarische verhaal dat hij in 1975 moest schrijven voor de krant Sovjet Estland over de geboorte van de 400.00ste inwoner van Tallinn. Wie het ook zou worden, de 400.000ste moest in het artikel geboren zijn aan de vooravond van Bevrijdingsdag en gepresenteerd worden als een gelukkig mens. En: ‘Geen gebreken, niks treurigs, Geen keizersneden. Geen alleenstaande moeders. Complete set ouders. Een gezond, sociaal volwaardig jongetje’.
    De reportages die Dovlatov maakt leiden om uiteenlopende redenen tot gefoeter van zijn chef Toeronok: Vader een chocoladebruine Ethiopiër? Kan niet. Jood? Afgekeurd. Kind heet Volodja? Dwing de ouders dat te veranderen in Lembit, want dat is in elk geval folkloristisch.

    Zetfout

    In de tweede roman, Die van ons, de kortste in deze bundeling, beschrijft Dovlatov de wederwaardigheden van zijn familie vanaf zijn overgrootvader tot aan zijn dochter – en zelfs die van zijn hond. Bijna altijd zijn het verhalen van twaalf ambachten, dertien ongelukken, niet vanwege de onbekwaamheid van de betreffende personen, maar omdat het communistische regiem altijd wel een stok vond om te slaan als het daar zin in had. Met als gevolg ontslag maar soms ook gevangenis of werkkamp. Tussen die lotgevallen door loopt Dovlatovs persoonlijke geschiedenis. Hij vindt zichzelf maar een kluns, niet alleen in zijn schrijverij, maar ook in de verhouding tot zijn vrouw of in de opvoeding van zijn dochter. Zijn stijlregister is breed. Hij schetst op een kolderieke manier het leven van zijn grootvader Isaak en laat dat dan ineens weer volgen door een liefdevol portret van zijn tante Mara.
    Verschillende leden van de familie (onder andere Mara en Dovlatovs moeder) waren een tijd corrector bij een uitgeverij. Een gevaarlijk beroep. Elke zetfout (bijvoorbeeld een d in plaats van een w in het tweede woord van Bolsjewistische verworvenheden) kon je een gevangenisstraf opleveren.
    In Die van ons etaleert Dovlatov zijn enorme veelzijdigheid: humor, cynisme, ironie, grof taalgebruik, maar ook vertedering zoals in zijn beschrijving van zijn dochter Katja. Van haar jeugd staat hem weinig meer bij, waarna subtiele zinnen volgen als: ‘Ik herinner me de naar binnen gedrukte achterlip van haar piepkleine schoentje’ en ‘Ik herinner me het gevoel van een bewegende kleine handpalm. Zelfs door de want heen voelde je de gloed’.

    Marionetten

    De derde roman, Ambacht, bestaat uit het twee delen, Het onzichtbare boek en De onzichtbare krant. In het eerste deel is een heel feitelijke illustratie te vinden van wat vertaler Henkes bedoelt met autobiografictie. Dovlatov schrijft daar dat hij op 4 oktober 1941 is geboren. Dat was echter 3 september. In verschillende verhalen krijgt de tweede vrouw van Dovlatov minstens twee verschillende namen (Elena en Tatjana) en de schrijver geeft op drie verschillende plaatsen liefst drie verschillende manieren waarop ze elkaar hebben leren kennen.
    Het eerste deel van Ambacht beschrijft ‘de avonturen van mijn manuscripten’. Dovlatov verhaalt – zoals hij het zelf formuleert – ‘wanordelijk, breedvoerig en mompelend’ over zijn ervaringen met uitgevers en de geheime dienst. Hoe de ingrepen van die organisaties werkten valt het meest uitvoerig te lezen in het gedoe over zijn manuscript van Zone, dat gaat over zijn tijd als (gedwongen) kampbewaker. Hij probeerde te achterhalen hoe het ooit in handen van de KGB was beland en waarom iedereen die hij sprak ervan bleek te weten behalve hij zelf. Op zijn vragen draaide iedereen om de brij heen. Niemand was verantwoordelijk: er opereerden louter ‘marionetten, spoken, schaduwen…’. Collega-schrijver Maramzin vatte de absurditeit sarcastisch samen als volgt: ‘Als je je manuscript aan Brezjnev geeft, leest die het en zal zeggen: “Persoonlijk bevalt het me. Maar wat denken ze hogerop?!”’

    Luilekkerland

    In deel twee woont Dovlatov in Amerika. Daar probeert hij met enkele andere dissidenten een tweede Russische krant van de grond te krijgen die ‘De Spiegel’ wordt genoemd (in werkelijkheid heette die krant overigens ‘De nieuwe Amerikaan’). Het leidt tot een hoog oplopende ruzie met de al bestaande Russische krant, want ze zijn voor hun levensvatbaarheid afhankelijk van dezelfde lezers. Maar naast de financiële kwesties zijn er de ideologische discussies. Henkes karakteriseert dit tweede deel als inzicht gevend in ‘het wezen van hoop, verwachtingen en daarop volgende teleurstellingen’. De Russische emigranten hadden zich van Amerika een Luilekkerland voorgesteld. Dat beeld bleek al snel niet te kloppen. Dovlatov zelf: ‘Jullie moeten weten dat Amerika niet het paradijs is. Hier is, zo blijkt, alles – slecht en goed. Omdat vrijheid geen ideologie heeft. Vrijheid is in gelijke mate bevorderlijk voor het goede en het slechte. Vrijheid is als de maan, die onverschillig het pad verlicht voor roofdier en prooi…’
    De krant gaat na een brand (aangestoken door de concurrent? De KGB? Iemand anders?) ter ziele, maar Dovlatov zelf boekt wel literaire successen als er twee verhalen in de ‘New Yorker’ verschijnen en hij zijn eerste boekcontract krijgt.

    Brandy’s

    Filiaal is de titel van de vierde en laatste roman. Ook die speelt zich, net als Ambacht, af in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Amerika en weeft twee verhaallijnen door elkaar. De eerste gaat over het warrige verloop van een symposium over ‘Nieuw Rusland’ en de tweede over het weerzien van Dovlatov met zijn allereerste Russische vriendin Tasia. Zowel het symposium als dit weerzien staan bol van de absurdistische gesprekken. Maar zoals Dovlatov een keer verzucht (juist op het moment dat hij op zijn hotelkamer overdenkt dat hij al vijfenveertig is en normale mensen zich allang hebben doodgeschoten of zich aan lager wal hebben gezopen, belt  de barman dat hij vier – niet door Dovlatov bestelde – vier brandy’s komt brengen): ‘In elke situatie moet een flinter absurdisme zitten’.
    Zijn eerste romans zijn in Amerika verschenen, maar de herinneringen, en zelfs herbeleving, van zijn mislukte relatie met Tasia overheersen in deze vierde roman.

    Kwistenbiebel

    Het is een genot om Dovlatovs belevenissen te lezen in al hun absurditeiten, associatieve afdwalingen, prachtige anekdotes en talloze literaire verwijzingen. Daar moet meteen aan worden toegevoegd dat vertaler Henkes daar groots aan bijdraagt. Dovlatov dwaalt soms ongeremd af als hem weer eens iets te binnen schiet. Hij legde zichzelf ter verhoging van zijn concentratie daarom de beperking op dat geen twee woorden in één zin met dezelfde letter mochten beginnen. Henkes verklaart dat het een hels karwei is om dat ook in het Nederlands te doen. Neem alleen al de lidwoorden ‘de’ en ‘een’ in onze taal waar het Russisch geen lidwoorden heeft en maar weinig voorzetsels in tegenstelling tot het Nederlands. Toch heeft Henkes dit ‘non-alliteratieverdrag’ zoveel mogelijk proberen na te volgen (Het doet misschien wel daarom des te komischer aan dat één van de eerste zinnetjes in Compromis is: ‘Ha. Hoe is het?’).
    Daarnaast is Henkes een taalvirtuoos zoals hij samen met Erik Bindervoet bijvoorbeeld onnavolgbaar bewees in Finnigans Wake van James Joyce. In zijn vertaling van Dovlatov grijpt hij naar Bargoense woorden als een ‘jatteneur’, ‘kwistenbiebel’ en ‘miesgasser’. Maar de mooiste is toch wel: ‘Ik briezel die smeerlap z’n gorgel!’.

     

     

  • Zoektocht naar waarheid

    In september 2022 overleed de Spaanse schrijver Javier Marías Franco op eenenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van Covid-19. Op mijn e-reader stond al een poosje zijn A heart so white. Ik was erin begonnen en weer gestopt na de heftige openingspassage en wilde het eigenlijk liever in het originele Spaans, Corazón tan blanco lezen, dat al in 1992 was gepubliceerd. Het boek werd in 1995 in het Nederlands vertaald door Aline Glastra van Loon met als titel Een hart zo blank. In 2013 gaf Meulenhoff het opnieuw uit.
    Het Spaanse nieuws besteedde veel aandacht aan Marías’ dood. Net als ze dat deden met de in 2020 overleden Carlos Ruiz Zafón, de auteur van het veel commerciëlere De schaduw van de wind. En Almudena Grandes die, ook veel te jong, in 2021 overleed. Drie grote hedendaagse auteurs in het Spaanse taalgebied allemaal kort na elkaar overleden, waarbij Javier Marías zelfs een kanshebber voor de Nobelprijs was.

    De titel Een hart zo blank is evenals eerdere boektitels van Marías ontleend aan Shakespeare. My hands are of your colour. But I shame to wear a heart so white,’ zegt Lady Macbeth. Met andere woorden, ze erkent haar schuld aan de moord op Duncan, maar ze voelt niet dezelfde schuld of angst als Macbeth en ze spreekt schande over zijn lafheid na de moord. Dit is het hoofdthema van Een hart zo blank. In hoeverre ben je medeplichtig aan iemands moord als je van de ‘daad’ op de hoogte bent. Kan je ooit écht je geliefde, ouders en andere familieleden, of vrienden doorgronden en begrijpen? Herinneringen en gesprekken worden zo vaak verschillend geïnterpreteerd, en is hetgeen niet uitgesproken wordt niet belangrijker dan wat wel gezegd wordt? Marías beschrijft de gedachtestroom van zijn protagonist in lange zinnen en neemt vaak een afslag bij een associatie die schijnbaar zijdelings met het onderwerp te maken heeft. Marías vond zichzelf een heel gewoon iemand en schreef graag over dingen die veel mensen bezighouden. ‘Wie heeft er geen geheimen? Wie heeft zich niet ooit door een geliefde verraden gevoeld of heeft iemand anders verraden.’

    Geheimen van gewone mensen

    De plot van Een hart zo blank is vrij eenvoudig. In de openingsalinea pleegt een jonge vrouw zelfmoord tijdens een etentje in het huis van haar vader. Ze is onlangs getrouwd met Ranz en ze zijn net terug van hun huwelijksreis. Het drama van haar zelfmoord wordt gedetailleerd beschreven door de ogen van Juan, die toentertijd nog niet eens geboren was. ‘Ik wilde het niet weten, maar ik ben te weten gekomen dat een van de meisjes, toen ze geen kind meer was en kort nadat ze was teruggekeerd van haar huwelijksreis, naar de badkamer ging, zich voor de spiegel posteerde, haar blouse losknoopte, haar beha afdeed en haar hart zocht met de loop van het pistool.’ Vervolgens trouwt Ranz na de dood van zijn vrouw met haar jongere zuster en met haar krijgt hij één zoon, Juan.

    In de volgende scène is Juan met zijn vrouw Luisa op huwelijksreis in Cuba. Ooit woonde zijn vader daar ook, toen hij nog getrouwd was met weer een andere vrouw dan zijn moeder en zijn tante. Iets wat Juan op dat moment allemaal nog niet weet. Vanaf het balkon van hun hotelkamer heeft hij een vaag contact met een vrouw beneden op straat, die hem voor iemand anders aanziet. Ze blijkt in de kamer naast hen een minnaar te hebben. Vervolgens luisteren Juan en Luisa, die ziek is, onafhankelijk van elkaar naar het gesprek in de kamer naast hen over het vermoorden van de vrouw van de man. Door het hele boek heen blijft dit verontrustende gesprek Juan bij en steeds grijpt hij terug naar herinneringen: het bh-bandje dat in Luisa’s huid sneed, andere mensen die op straat wachtten en naar zijn hotelkamer gluurden, de echtelieden die samen een hoofdkussen deelden. Of gesprekken afluisteren en het gehoorde op eigen manier interpreteren. Luisa heeft de gebeurtenis in de hotelkamer destijds heel anders onthouden, bovendien had ze toen koorts. Hoever reiken geheimen, hoeveel onthoud je en hoezeer gaan details een eigen leven leiden? Juan durft Luisa bijvoorbeeld niet over zijn jeugdliefde te vertellen. Dat geheim blijft van hem. Maar wat is de waarde er nog van, zoveel jaar later?

    Wat is waarheid, wat leugen

    Op zijn huwelijksdag neemt zijn vader Juan apart en zegt tegen hem: ‘Deel je geheimen nooit met je vrouw, of wees in ieder geval voorzichtig met wat je prijsgeeft.’ Het is een vreemd gesprek dat Juan, die juist zoekt naar zekerheid en een duidelijk gevoel over de juistheid van zijn huwelijk, uit het lood slaat. Hij begint te twijfelen aan zijn huwelijk en zijn vertrouwen in Luisa.

    Na de huwelijksreis in Cuba, komt Juans werk als tolk-vertaler aan bod bij de VN en de Europese Unie. Zo leerde hij Luisa kennen, die ook vertaler is. Ook dit is een verwijzing naar het thema. Juan voelt de macht om hetgeen hij hoort en moet vertalen te manipuleren. Het zijn interessante stukken als Marías dieper ingaat op de niet-alledaagse wereld van de tolk-vertaler. Of als hij ingaat op kunst.
    Ranz, Juans vader, was tijdens zijn werkzame leven conservator in Het Prado in Madrid. Hij kent kunstenaars, kunsthandelaren, kopiisten en heeft meer dan eens gesjoemeld met de waarheid. Wat is eerlijkheid, wat is waarheid? Wat voor de een waarheid is, is voor de ander een leugen, zoals de anekdote illustreert als Ranz een kopie van een schilderij van Ingres aan een rijke bankier in Buenos Aires wil verkopen. De bankier blijft volhouden dat dit het origineel is. Ranz verzekert hem ervan dat het om een kopie gaat, maar laat de man, als hij niet te overtuigen is, het volle pond betalen. Nog nooit is er zoveel geld voor een kopie neergeteld.

    Wanneer Juan bij een vriendin in New York logeert, omdat hij acht weken als tolk voor de VN moet werken, wordt hij medeplichtig gemaakt aan haar geheim. Zij is geobsedeerd door seksuele ontmoetingen met vreemde mannen, aanvankelijk sturen de ‘dates’ elkaar video’s en vertellen ze hun verhaal. In hoeverre is dat verhaal waar? Voor Juan is het een aanleiding om terug te grijpen naar zijn eigen herinneringen en zijn eigen waarheid te reconstrueren.

    Essentie

    Uiteindelijk wil Luisa aan Ranz, haar schoonvader, het geheim ontfutselen over de oorzaak van de zelfmoord van zijn vrouw. Juan zit er niet echt op te wachten, het is immers zijn vaders geheim. Hij  mag dat bij zich houden en het is lang geleden, wellicht is de waarheid vervluchtigd. Het boek eindigt met Ranz’ verhaal en dat maakt het verhaal af en rond en geeft het boek haast een detectiveachtige allure. Toch is het Marías daar niet om te doen. De essentie van een roman zit voor hem in scènes waarbij de lezer kan denken: daar heb ik nooit over nagedacht, waarbij hij een zin ziet die hij wil onderstrepen omdat er iets staat wat hij wist en tegelijk níet wist, of niet onder woorden kon brengen. Iets wat hij herkent als een waarheid.
    Soms leeft de neiging een paar bladzijdes over te slaan. De herhaling van zinnen en gebeurtenissen in Marías’ werk wordt wel vergeleken met een muziekstuk. Het op veel manieren hetzelfde zeggen, maar steeds net weer een beetje anders intrigeert en irriteert. Toch achtervolgen de beelden, de details en rijkheid van zinnen. Ze blijven nazinderen en vragen om meer Javier Marías.

     

     

  • ‘Proberen om iets te veranderen, daar ging het om’

    De Israëlische schrijver David Grossman (Jeruzalem 1954) is een veelbekroond auteur. In 2017 won hij als eerste Israëlische schrijver de Man Booker International Prize voor Komt een paard de kroeg binnen en in 2018 de Israel Prize for Literature. Vorig jaar kreeg hij de Erasmusprijs 2022 voor zijn gehele oeuvre, uitgereikt door koning Willem-Alexander in het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Het thema van dat jaar was ‘Verbinders in een verdeelde wereld.’ Van de website Stichting Praemium Erasmianum: ‘Grossman voldoet als geen ander aan deze typering. In zijn werk wil hij de mens van binnenuit begrijpen, en de ander liefdevol bezien over grenzen van oorlog en geschiedenis heen. Het werk van Grossman verandert de lezer: de vergevende blik waarmee hij zijn personages beziet straalt ook op ons af.’ *

    De Erasmusprijs was voor uitgeverij Cossée de aanleiding Grossmans debuutroman uit 1983 De glimlach van het lam opnieuw uit te geven. Shulamit Bamberger vertaalde de roman al in 1994 uit het Hebreeuws; nu is er een gereviseerde versie. Waaruit de revisies bestaan is niet duidelijk en ook niet wie die heeft gedaan. Shulamit Bamberger overleed op 8 mei 2018.

    De glimlach van het lam vertelt het verhaal van vier hoofdpersonen, de Israëlische soldaat Uri, zijn meerdere, militair gouverneur Katzman, Sjosj, de vriendin van Uri en de oude Palestijn Hilmi.

    De ezelsdagen

    In Djoeni, een Arabisch dorpje in bezet gebied, wordt er met stenen gegooid naar een Israëlische legerpatrouille. Een reservist wordt geraakt en de militairen schieten op de stenengooier. Die ontsnapt, maar een ezel wordt dodelijk getroffen. Katzman verbiedt de bewoners het kadaver weg te halen zolang ze niet vertellen wie de steen heeft gegooid. Uri gaat steeds kijken bij het kadaver. De stank is niet te harden, maar de bewoners wennen eraan. Vrouwen met baby’s lopen er langs en er gaat zelfs iemand naast zitten om meel te zeven. Uri: ‘En ik stond te kijken, want ik had me voorgenomen om daar te blijven totdat ik het begreep.’

    Idealist

    De situatie met de ezel maakt dat Uri en Katzman tegenover elkaar komen te staan. Katzman is de militair met een afstandelijke kijk op mensen. Hij komt het gouvernementsgebouw niet uit, de bevolking van Djoeni kent hem nauwelijks. En Uri is de idealist die het beste met de mensen in het dorp voor heeft, hij droomt van het aanleggen van asfaltwegen en bloeiende tuinen. Hij ziet zich al over de nieuwe wegen rijden en rozen plukken: ‘Op zijn gezicht lang die naïeve, onnozele glimlach die Sjosj geïrriteerd de glimlach van een lam noemde.’

    Uiteindelijk verbiedt Katzman Uri contact te onderhouden met de mensen uit het dorp en dus ook met Hilmi. Maar Uri negeert dat en blijft de oude man in zijn grot bezoeken om te discussiëren over de bezetting en om naar zijn sprookjesachtige verhalen te luisteren. Hilmi: ‘Hij zei dingen die je niet in het openbaar mag zeggen, bijvoorbeeld dat de bezetting het leven van beide volkeren vergiftigt /… / en iedereen was ervan overtuigd dat hij gewoon een nieuw soort spion was, en dat ik hem een schuilplaats verschafte.’ Uri: ‘Je bent een idioot als je vecht, je bent een idioot als je iets probeert te veranderen, maar ja, Hilmi, ik kan niet anders.’

    Met Katzman praat Uri ook over de bezetting: ‘De mensen in Andal zeggen dat Hilmi een idioot is. Misschien is hij dat wel, en misschien ben ik het ook omdat ik met hem in discussie ga. Die discussies hebben geen enkele zin, ze zijn precies als mijn discussies met Katzman. Net twee wurmen die elkaar op een vallende steen opvreten. En als ik met Katzman in discussie ga over de bezetting, dan antwoord ik met Hilmi, en tegenover Hilmi stel ik de juiste argumenten van Katzman. En zelf vlucht ik zo’n beetje tussen die twee soorten van gelijk.’

    Katzman wil liever geen bezetter zijn. Maar een zelfstandige Palestijnse staat met als enige brandstof de haat tegen Israël boezemt hem angst in. ‘Algauw kwam hij tot de wanhopig makende conclusie dat er geen uitweg was uit de huidige situatie waarin de twee volken met elkaar verstrengeld zijn.’
    Maar Uri weigert dit te accepteren. ‘Proberen iets te veranderen, daar ging het om.’ Volgens Uri is onrecht als het ware een rad. ‘Dat kun je alleen begrijpen aan de wonden die dat rad veroorzaakt /…/ zodra je iemand onrecht doet word je zelf door het rad meegesleurd /…/.’  Zo voert Uri zijn eigen oorlog om de situatie van de bevolking te verbeteren. Dat betekent ‘veel wrijving met het rad, en veel wonden. Maar ik voelde me goed, want ik vocht.’

    Kaan-ja-ma-kaan

    Het boeiendste personage is Hilmi, een oude zo goed als blinde Arabier. Hij vertelt hoe hij kinderen heeft opgevangen van ongetrouwde moeders. Voor zijn laatste bastaardkind Jazdi heeft hij 12 jaar gezorgd. In de gelaatstrekken van Uri herkent hij iets van de jongen: ‘Hij was zo zacht als de jongen die me ontstolen was, zijn glimlach was ijl en wankelend. En één keer noemde ik hem Jazdi /…/’  Hilmi begint zijn verhalen altijd met ‘kaan-ja-ma-kaan’, er was eens of er was niet. Is het echt gebeurd of is het verzonnen? Zo vertelt hij Uri ‘verhaal na verhaal, sprookje na sprookje.’

    Sommige uitdrukkingen worden niet vertaald, bijvoorbeeld het zinnetje ‘toeta toeta, chilset al-hadoetha’. De eerste keer komen die woorden uit de mond van Jazdi. Hij zei ‘de dingen /../ die declamerende figuranten in zijn mond hadden gestopt.’ De uitdrukking komt vaak terug, meestal aan het einde van een hoofdstuk.

    Het helen van de wereld

    Grossman zei bij de toekenning van de Erasmusprijs: ‘De wereld waarin we nu leven heeft dringend behoefte aan een krachtig verhaal, de heldere stem van het begrip. Een stem die ons van verdeeldheid naar eenheid leidt, ruimte in ons hart maakt voor andere verhalen, ons leert de ander te begrijpen.’ Hij haalt het thema van de Erasmusprijs aan, ‘Mending a Torn World’. In zijn woorden: ‘Dat is ook een tweeduizend jaar oud Joods begrip. Ik weet niet of Erasmus van Rotterdam het heeft gekend, maar zijn leefwijze en manier van denken waren er zeker op gericht en waren in de geest ervan. Tikoen olam, ‘het helen van de wereld’, beschrijft een essentieel onderdeel van de Joodse identiteit: het streven en de plicht onze wereld te verbeteren; een gevoel van morele verantwoordelijkheid tegenover alle mensen, Joods of niet-Joods; en de zorg voor sociale rechtvaardigheid en voor het milieu.’

    In een recent interview ** zei Grossman o.a.: ‘Neem het conflict tussen ons Israëliërs en de Palestijnen. Al meer dan een eeuw zitten wij vast in onze eigen, versteende verhalen. Die twee versies van de geschiedenis blijven maar op elkaar botsen, zonder enig resultaat. /…/ Dat is wat ik probeer in al mijn boeken te doen: het harde, versteende deel van onze geest masseren en kneden, in de hoop dat er beweging in komt.’

    Geen gemakkelijk boek

    De glimlach van het lam is geen toegankelijk boek. Dat komt vooral door de manier van vertellen. Vier verschillende hoofdpersonen vertellen vanuit hun eigen perspectief. Soms wordt pas na een aantal bladzijden duidelijk wie er aan het woord is. Grossman gebruikt bovendien de ‘stream of consciousness’, een manier van vertellen waarbij het gaat om de ‘stroom’ van gedachten en herinneringen van zijn hoofdpersonen. Van de lezer wordt op die manier veel doorzettingsvermogen gevraagd; de verhaallijnen lopen nogal door elkaar en pas tegen het einde van de roman komen die min of meer samen.  Vooral de liefhebbers van Grossmans romans zullen blij zijn met deze gereviseerde uitgave. De uitgever verdient daarvoor alle lof. Het is alleen spijtig dat de roman geen verantwoording en/of nawoord bevat. Ook een verklarende woordenlijst ontbreekt. Op het omslag staat een citroenboom, de boom waaronder Hilmi zijn sprookjesachtige verhalen vertelt.

    *Meer informatie over Erasmusprijs: https://erasmusprijs.org/prijswinnaars/david-grossman/

    ** Emilia Menkveld, Hoe schrijft de schrijver? Volkskrant, 30 oktober 2020.

     

     

  • Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Sipko Melissens nieuwste roman, Arkadia, heeft als ondertitel ‘Een drieluik’. Het pastorale karakter van de boektitel alleen al doet denken aan het drieluik De tuin der lusten van Jheronimus Bosch, vanwege zijn paradijselijke betekenis. Waar Bosch’ meesterwerk de zondaars waarschuwt voor een martelgang in het eeuwige vuur van de hel, houdt Melissen het gezellig en nostalgisch met een knetterend openhaardje in de huiskamer. Vrijwel nergens wringt het in zijn Gelderse Hof van Eden.  

    Hoofdpersoon Ko Melissen behandelt in omgekeerde chronologie drie van zijn jeugdherinneringen. In deel één bezoekt hij als volwassen student het Friese Woudsend, waar zijn gereformeerde ouders vakantie vieren. Daar zal hij zijn meer dan goede vriend Bor aan hen voorstellen. Deel twee, verreweg het langste hoofdstuk, gaat over de zomervakantie op het Veluwse landgoed Calcaria. Ko is dertien jaar, ontdekt de omgeving en wordt verliefd op botterik Koen. In het derde deel verdrinkt de negenjarige Ko bijna, wanneer hij vlakbij een stuwdam de zee induikt. Omdat first lady Eleanor Roosevelt Ko’s dorp in Zeeland bezoekt, is er geen toezicht bij het water. Het loopt allemaal maar net goed af. Dit is nauwelijks een spoiler, simpelweg omdat het Melissen niet om spanning te doen is.  

    In grote delen van Arkadia herstelt Nederland van de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw gaat gepaard met behoudzucht, gehoorzaamheid, religiositeit en een drang naar eendracht. Het reactionaire Biedermeiersfeertje past hier perfect bij. Biedermeier staat bekend als het belegen  broertje van de Romantiek: er is liefde, maar geen allesverterende. De humor is lollig, zonder wrijving of melancholie. (Kerkelijke jongeren die catechisatie ‘kattenbak’ noemen.) De natuur schittert als creatie van God en haar gevaarlijkste wapenfeit is een regenbuitje. Gevoelens brengen de hoofdpersonen eventjes van hun stuk, waarna koekjes, een straaltje zon of geplukte cantharellen het evenwicht herstellen. Treffend portretteert Ko het calvinistische gezin waar hij deel van uitmaakt, dat precies uitbundig en vrolijk genoeg gaat slapen: ‘Het is een mooie dag geweest, daar is iedereen het over eens.’ Gelukkig maar.

    Idyllisch, maar niet té

    Toeval of niet, Arkadia is Melissens zevende boek. Daarmee lijkt het een rustpunt te markeren in zijn literaire Schepping. Anders gezegd: Arkadia strijkt elk conflict kreukloos glad, als braaf Biedermeier-product. Het is een boek voor de kostelijke, luie zondag. Er worden meer koekjes in gebakken dan in Heel Holland Bakt, net niet schurende grapjes gemaakt zoals vrome christenen plegen te doen en Ko’s seksuele ontbolstering blijft keurig binnen de lijntjes: ‘Bor wist dat angstwekkende heelal terug te brengen tot twee lichamen die in de plastische taal van het Oude Testament tot één vlees werden.’ Alles wat aanvankelijk vragen oproept, legt de schrijver uit. Zelfs de worsteling met het geloof komt tot een hoogtepunt via zoetigheid. Wel een mooie scène, overigens. Melissen schrijft met melasse. 

    Hij mikt op sfeer in Arkadia. De avond, sperziebonen, open velden, ze schemeren allemaal. De Friese meren ontvouwen zich voor Ko als een belofte op een mooie toekomst: ‘Overal waar hij kijkt is groen en blauw, groen van de weilanden, blauw van de lucht en het meer. Op het monotone geluid van de wind na is er stilte zo ver je kunt kijken.’ De Veluwse bospaden naar de hei vindt Ko ‘mooi en overweldigend, vooral als de zon door de bladeren gefilterd wordt, maar na een tijdje benauwen ze me.’ De treffendste sfeertekening komt uit de Zeeuwsche Courant, terugblikkend op het bezoek van Eleanor Roosevelt: ‘”En er was dat typische fijne Zeeuwse licht, dat zee en aarde daar samen produceren: grijs met blauw en donzig wit van wolken.’’ Zó zou ik het toen nooit gezegd kunnen hebben, maar zo heb ik het wel beleefd en gezien.’  

    Het is niet onuitgelegd gebleven 

    De zomerse loomheid doet de lezer geregeld wegdutten. Zelf nadenken hoeft hij niet, want iedere open plek wordt volledig ingevuld met alsof-vergelijkingen en met toelichtingen bij literaire verwijzingen. Wanneer Ko zijn geaardheid onthult, komt Gerard Reves Nader tot U maar liefst vijf keer voorbij. Zelfs het mysterie rondom de titel Arkadia verdampt jammerlijk. Tijdens Ko’s verblijf in de Veluwse villa Calcaria legt de vader van Koen, Ko’s vlam, de naam uit: ‘Calcaria omdat het woord lijkt op Arkadia. (…) Arkadia is een streek in Griekenland die door dichters en schilders wordt voorgesteld als land van onschuld en vrede. Nou jongens, jullie kunnen zelf zien hoe vredig het hier op Calcaria is, alsof we in het paradijs zijn.’ Over knipogen naar het paradijs gesproken: Koen steelt een tomaat uit de naburige moestuin, het enige gewas waar de kinderen absoluut vanaf moesten blijven!  

    Eén van Ko’s ontdekkingen in zijn relatie met Bor luidt dat ‘niet alles gezegd hoeft te worden om duidelijk te zijn’. Met dat besef is het ironisch hoe veel Melissen vertelt, in plaats van laat zien. Bovendien haalt hij grootheden aan als Nabokov, Homerus, Glück, Gorter, Shakespeare en Proust, waardoor de indruk ontstaat dat Arkadia groots en meeslepend zou moeten zijn. Natuurlijk is de Fransman een geschikte autoriteit om aan te refereren in dit nostalgische tripje naar een verloren tijd. Toch maken vooral klein geluk en subtiliteit Arkadia lief, gevoelig en relevant. Ko’s strenggelovige vader, bijvoorbeeld, vraagt na de coming out van zijn zoon onverwacht empathisch: ‘Ben je daardoor ooit ongelukkig geweest?’ Dan wil hij weten: ‘Heeft het je relatie met God verstoord?’ Bij het stellen van die vraag prikt hij zijn stukje appeltaart, in een perfecte driehoek uitgesneden, kapot. Prachtig. 

    Van Holocaust naar holle praat 

    Het kan haast niet anders of dit boek zal menigeen verwarmen. Als de hoogliteraire referenties buiten beschouwing worden gelaten, blijft een suikerzoet boek over. Melissen verwent en verdooft met lieflijke huiskamertaferelen en niet te veel gedoe. Eigenlijk voelt Arkadia als een fotoalbum vol vergeelde kiekjes, inclusief handgeschreven onderschriften. Nergens houdt een idylle beter stand dan in het onbetrouwbare geheugen. Het decor in Arkadia – Friesland, Gelderland en Zeeland – belichaamt voor velen het Nederland zoals het vroeger ‘echt was’. Men vergeet echter dat de jaren ’50 en ’60 vooral de nasleep van een nachtmerrie waren. Eén zin drukt eenvoudig de onttovering na de Holocaust uit: ‘Kale polders zijn niet geschikt voor sprookjes.’  

    In tegenstelling tot dat andere boek van Reve, De avonden, praat Ko’s familie vaak en openlijk over de Tweede Wereldoorlog. Zo vormt de razzia van Putten, vlakbij landgoed Calcaria gelegen, het dieptepunt in de Veluwse geschiedenis. Ruim zeshonderd jongemannen uit de streek werden afgevoerd richting Noord-Duitsland. Een dominee die bij de ouders van Ko op bezoek is, was bij de verzoeningsdienst in Ladelund, anno 1950. ‘Hij houdt de mensen in de kerk voor dat men niet moet blijven staan met verdriet en wraakgevoelens in het hart. (…) En hij wijst op het offer van Christus dat ons niet spreekt van wraak maar van liefde en trouw, voor ons en onze vijanden.’ Makkelijk praten, zou je zeggen. Het hele gezin raakt evenwel geëmotioneerd door deze christelijke genade. En zo zijn we terug bij het stichtelijke sentiment van Biedermeier, dat van de zwartste bladzijde van de vorige eeuw toch nog een bitterzoete ervaring maakt. Lekker, maar wel een beetje ongezond.   

     

     

  • Had je deze al?

    Misschien is Arjen Duinker wel de meest eigenzinnige dichter van Nederland. Sinds zijn eerste gepubliceerde gedichten in 1988 wekt hij de indruk volstrekt voor zijn eigen plezier te schrijven. Hij heeft maling aan stromingen of poëtische conventies, voert personages ten tonele die niemand kan plaatsen behalve hijzelf, en bekommert zich niet om duiding of nagelaten indrukken. Dat toch vele lezers zich heel goed in de gedichten kunnen vinden, bewijzen de vertalingen van zijn bundels in meer dan twintig talen. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in de vrolijkheid die de gedichten oproepen, zonder dat ze komisch of kolderiek zijn. Zijn zinnen, die steevast met een hoofdletter beginnen, zijn kort en krachtig, zijn taalgebruik is net zo duidelijk als de gebeurtenissen die hij beschrijft. In gewone bewoordingen beschrijft Duinker alledaagse dingen, die hij niet mooier maakt dan ze zijn. Ook legt hij geen diepere betekenis in de weergave van zijn observaties; de wereld is wat ze is en daarmee moeten we het doen.

    Hij toont een nuchtere instelling die een optimisme oproept bij de lezer, waarbij zelfs de meest onmogelijke dingen blijmoedig geaccepteerd worden. Dat wil niet zeggen dat Duinkers poëzie eenvoudig is. Ze weerspiegelt de absurditeit van het dagelijkse bestaan, waarbij hij het alledaagse bijzonder weet te verwoorden. De interpretatie is een taak van de lezer, want de dichter lijkt er onverschillig voor te zijn en biedt geen handreikingen om verbanden te leggen. De lezer moet er zelf achter zien te komen wat het voorstelt, als het al iets voorstelt:

    Gelukkig

    Het opperwezen is een meervoud.
    De vaders dood, de moeders dood.
    Gelukkig voor het opperwezen bestaat het niet.
    Ik zwaai naar je, opperwezen, ik zwaai naar je.

    De vrouw die we vergaten, leeft nog.
    Ze kust haar kinderen en de hond.
    Gelukkig voor de vrouw rijdt er een bus.
    Ik zwaai naar je, levende vrouw, ik zwaai.

    De man kijkt uit over de zee.
    Vogels roepen waarschuwingen naar de golven.
    Gelukkig voor de man is de nevel stil.
    Ik zwaai naar je, nevelman, ik zwaai.

    Kijk, kijk, kijk!

    Duinker is bovendien de meester van de herhaling, waarbij hij vaak in de laatste versregels een kleine wijziging aanbrengt die al het voorafgaande in een ander licht zet. Dit effect bereikt hij ook door gebruik te maken van tegenstellingen, paradoxen, omkeringen. Als lezer vraag je je af wat het doel is van de triviale, dagelijkse bezigheden die de dichter beschrijft, maar tegelijk dwingt hij je om na te denken of het leven soms ook anders had kunnen gaan. De gebeurtenissen lijken willekeurig te zijn, in een parallelle wereld zou de afloop helemaal anders kunnen zijn, zoals in een kinderboek waarin je keuzemogelijkheden krijgt voor verschillende verhaallijnen. De keuze is aan de lezer, de dichter geeft slechts opties. Nog eens kijken naar de wereld om je heen, dat is wat Duinker voorschrijft aan de lezer.

    Dat komt het duidelijkst naar voren in vijf gedichten, verspreid over de bundel – een index ontbreekt – die alle de titel ‘Eventueel’ dragen met een oplopend Romeins cijfer, maar ook in het gedicht ‘Vlieg op, man!’:

    Pak de kool,
    Leg hem op de kast,
    Kijk er nog eens naar.
    Jij verandert, de kool verandert.
    Toch noemen we jou jou en de kool de kool.
    Waarom word je zo kwaad?
    Blijf met je handen van me af!
    Zeg ik soms iets ergs?
    Vlieg op, man!
    Ga je vrienden lastig vallen!
    Neem de eerste trein naar het strand,
    Kalmeer en huur een kamer!
    Maak je koffer open,
    Pak de kool,
    Leg hem op de kast
    En kijk er nog eens naar.

    De zee omhelst je!

    Een echt collector’s item

    De postzegelverzamelaar, die voor de titel van de bundel heeft gezorgd, duikt op verschillende plaatsen op in de gedichten. In het gedicht ‘Pracht’ worden tien eigenschappen van een verzameling genoemd, waaronder: ‘Een postzegelverzameling/ Reinigt je ziel, sust je geweten,/ Bereidt je voor op de dood,’. En uit het gedicht ‘Drie brieven’ wordt duidelijk dat een verzamelaar uniek denkt te zijn, de mooiste verzameling ter wereld wil hebben en nooit rust zal kennen, omdat er nog steeds jacht gemaakt moet worden op dat ene ontbrekende exemplaar. Hij is een eenzame figuur: ‘Een verzamelaar vindt het leuk/ Om te praten met andere verzamelaars./ Maar hij verafschuwt ze.’ Hij is een Meester Prikkebeen die tevergeefs achter de steeds ontsnappende vlinder aanjaagt. Zijn verzamelwoede wordt niet gemotiveerd door zijn liefde voor mooie objecten, maar voor het vervolmaken van zijn verzameling. Het streven naar volledigheid lijkt de enige drijfveer.

    De ik-figuur probeert een ‘jeugdige postzegelverzamelaar’, die klaagt over ‘De moeite die ze zich moest getroosten voor iets zeldzaams,/ De onzekerheid’, gerust te stellen met de woorden:

    Ik zei haar dat dingen die niets waard zijn,
    Dikwijls veel geld kosten, en dat onzekerheid
    Fundamenteel is voor onze verzamelingen.

    Voor een dichter die de indruk wekt dat geen enkel woord een bedoeling heeft en geen enkel ding nut of doel, is dit een opmerkelijke uitspraak die een filosofisch inzicht biedt in zijn eigen aard en dichterschap. Want wat is een bundel anders dan een verzameling gedichten, en een gedicht anders dan een verzameling woorden? ‘Het is goed om te blijven zoeken/ Naar het mooiste exemplaar van iets.’

    Duinker ten voeten uit

    In het gedicht ‘Iemand spreekt een zin uit’ zijn vrijwel alle typische motieven van Duinker terug te vinden: de herhaling, de opsomming, de onzekerheid en de mogelijkheid van een parallelle wereld:

    De uitgestrektheid van het heelal,
    Het onzekere van de berekeningen,

    Het zwart van de zwarte gaten,
    De kleine kans dat ik je tegenkom,
    De stilte van de magnetische velden,
    Het lot van de rusteloze deeltjes,
    De kleuren van de theorie,
    De hoogte van de warmtestraling,
    De kritische waarde van de dichtheid,
    De verleden tijd die ons nog rest,
    De vectoren, de vectoren,

    De kans dat ik je tegenkom,
    De kans dat ik je tegenkom.

    Als laatste biedt de bundel een cyclus van dertien Romeins genummerde gedichten, getiteld: ‘Dertien zelfportretten van Philip Akkerman’. Duinker geeft geen uitleg, maar Akkerman blijkt een schilder te zijn die sinds 1981 uitsluitend zelfportretten heeft geschilderd. Het moeten er inmiddels meer dan tienduizend zijn. Duinker voegt er nog dertien aan de verzameling toe. Hij beeldt de schilder af als een voetballer, die in hoge mate twijfelt aan zijn talent op het voetbalveld, maar daar uiteindelijk vrede mee heeft. Voor lezers die helemaal geen verstand hebben van voetbal en er ook absoluut niet in geïnteresseerd zijn, zijn dit gedichten om snel even doorheen te bladeren, omdat er weinig tot niets in staat dat aanspreekt. Metaforen in voetbaljargon zijn aan hen niet besteed. Toch is dat jammer, omdat Akkerman duidelijk zelf een verzamelaar is en zijn aanwezigheid in deze bundel van daaruit verklaard zou kunnen worden. Had Duinker de gedichten geschreven vanuit Akkermans kunstenaarschap of vanuit diens verzamelwoede waar het zelfportretten betreft, dan hadden de gedichten beter aangesloten bij de bundel als geheel. Nu voegt deze cyclus niets toe aan een voor de rest prachtige en evenwichtige bundel. Dat Duinker ervoor gekozen heeft om vanuit het oogpunt van een voetballer te schrijven, zal ongetwijfeld een reden hebben, maar die wordt niet aan de lezer meegedeeld.

    Hieruit blijkt opnieuw de eigenzinnigheid van de dichter, die weigert om ook maar iets uit te leggen. Het enige wat in de buurt komt van een verklaring is een uitspraak van Akkerman op de site van Hollandse meesters in de 21e eeuw waarin hij zegt: ‘Zelfportretten: O.K. Het is cliché, het is te bedacht, het is niet nieuw, het is academisch, het is nageaapt. Maar: IK WIL HET DOEN!” De laatste zin had Duinker zomaar over zijn eigen poëzie hebben kunnen zeggen.