• Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Literair meesterwerk

    De novelle Het graf van de wever van Seumas O’Kelly werd in 1919, een jaar na de dood van de Ierse veelschrijver en journalist, gepubliceerd. O’Kelly wordt wel vergeleken met Samuel Beckett en Flan O’Brien, auteurs die eveneens excentriciteit en ironie hanteerden. In dit geval gaat het om ‘liefde tussen de grafstenen’, woorden van James Joyce die dit vaker voorkomende thema in de Ierse literatuur ook fascinerend vond en na het lezen van The weavers grave een scène in Ulysses invoegde. Het is de basis van dit verhaal dat ‘zwaar is van de dood, van een zich-niet-bewust-zijn, van het oude, het verleden en de aarde, en eindigt met het leven, de liefde, met verwondering jeugd en toekomst.’ Aldus Anne Francis Cavanaugh in het nawoord. Het verhaal oogt simpel, maar is heel gelaagd, zoals haar verhelderende nawoord de lezer helpt om de diepgang nog beter te begrijpen.

    De oude wever Mortimer Hehir is dood en moet begraven worden. Zijn weduwe – de vierde echtgenote al – twee oude mannen, en twee jonge grafdelvers gaan op de dodenakker Cloon na Morav, waar alleen oude families en clans begraven mogen worden, op zoek naar het familiegraf van de wever. Vanuit een alwetend perspectief wordt per hoofdstukje subtiel ingezoomd op steeds een ander personage. Allereerst de begraafplaats, vervolgens de twee oude mannen, die beiden denken te weten waar het graf ligt, en uiteindelijk ook de weduwe.

    Bekvechten

    Spijkerslager Meehaul Lynskey (‘hield van de kleur van de strogeel glanzende punt van een staafje gloeiend ijzer; en wist er een perfecte spijker uit te slaan met een paar rake slagen van een platte hamer’.) beschikt samen met steenbikker Cahir Bowes (‘zijn hoofd tussen zijn schouders gedoken, zijn ogen oplettend en grijs, glinsterend als de bergen stenen die hij in zijn tijd had gebikt voor de wegenbouw’) over kennis van Cloon na Morav. De twee bekvechten erop los, terwijl de weduwe hun geruzie witjes en bedroefd aanhoort en de twee identieke grafdelvers (want een tweeling) ongeduldig afwachten tot ze aan het werk kunnen. De spijkerslager en de steenbikker laten twee verkeerde graven openen, wat de komische tragedie, maar ook de menselijkheid van de beide oude mannen weergeeft. ‘Cahir Bowes, die de verrichtingen nauwlettend gadesloeg, zei: “Ik zat er bijna naast.” Meehaul Lynskey snoof. Hij vroeg: “Waar zat je naast?” “Het graf van de Wever.” “Vergeet niet: de laatste Wever ligt zeven voet diep. En vergeet niet: Alick Finlay ligt minder diep dan Julia Rafferty.” Hij had het nog niet gezegd of er gebeurde iets verschrikkelijks. Plotseling werd het zachte spitten in de aarde onderbroken door het geluid van een spade die hard in aanraking kwam met metaal.”‘ Waarmee Meehaul Lynskey het bij het rechte eind had: ze groeven op de verkeerde plek en er werd een graf onterecht geopend. Natuurlijk vond Cahir Bowes het moeilijk om zijn ongelijk te erkennen. ‘Hij keek naar de grond, zijn blik ging zoekend rond en tergend langzaam hervatte hij het weven van zijn web.’ Hij probeerde weg te komen met zijn fout. En het snoeven en tarten gaat weer vrolijk verder.

    Droom wordt werkelijkheid

    Ten einde raad gaat de weduwe naar een derde oude man, de kuiper Malachi Roohan. Hij zal toch wel weten waar het familiegraf van de wever ligt?
    Mijmerend over haar overleden man loopt ze naar Roohans huis. De kuiper ligt in bed en lijkt op sterven na dood, hij trekt zich aan een koord omhoog. ‘De weduwe zag een merkwaardig gezicht, niet in het minst bleek of gerimpeld, maar blozend met een mahoniekleurig kaal hoofd, […] De weduwe knipperde met haar ogen. Ja, daar was de schim van een man die zich aan een koord omhoogtrok uit de dood. Een omkering van de gebruikelijke gang van zaken. Met dat stuk koord hing de kuiper aan het leven.’

    Net als de steenbikker en de spijkerslager is ook de kuiper verward en ziet hij de weduwe aan voor een eerdere vrouw van de wever. Toch brengt hij haar de juiste boodschap door te beweren dat het leven een droom is, want als je je ogen opendoet, ziet de wereld er anders, misschien wel mooier, uit. Terug op de begraafplaats ziet de weduwe de wereld inderdaad anders, ze merkt nu de natuur op en neemt een verschil tussen de identieke grafdelvers waar. De ene heeft een meer empathische blik in de ogen en onder die blik voelt ze zich jonger. De gevoelens zijn wederzijds, ook de jonge grafdelver ziet de weduwe meer dan bewust staan. Als de steenbikker zich plots de juiste plek van het graf van de wever herinnert, nemen de grafdelvers hun spades en gaan graven. ‘Op vijf voet keek de ene grafdelver in het graf en vervolgens naar de weduwe en zei: “Bent u tevreden?” Even was het stil en toen ze sprak, klonk de stem van de weduwe zacht, maar helder, als die van een jong meisje. Ze zei: “Ik ben tevreden.”’ Waarmee het verhaal is beëindigd en een nieuw begin van liefde is ingeluid tussen de weduwe en de jonge grafdelver.

    Ierse symboliek

    Het graf van de wever is gebaseerd op een feitelijk voorval en door O’Kelly omgewerkt tot een stilistisch samengebalde novelle. Poëtisch en met de subtiele ironie, beeldrijke taal en bijzondere details behoort het tot de beste Ierse verhalen met haar sterke symboliek, zoals Malachi Roohan met zijn koord, wat een zinnebeeld is voor zijn band met de wereld. Evenals de zoektocht naar een graf die een zoektocht naar het leven is; of de doodse trance van de weduwe die verandert naar ontluikende liefde. We gaan van dood naar leven, van droom naar werkelijkheid, bewegingen die sturing geven aan de complexe structuur en het verhaal die extra boeiende lading geven. Het is overigens nu pas, ruim honderd jaar later, dat dit verhaal in uitstekend Nederlands is vertaald door Robert Dorsman. En daarmee is het de zoveelste glanzende ‘motregendruppel’ in het fonds van Zirimiri Press.

     

     

  • Vermakelijk, maar flinterdun

    ‘Je wordt pas een mens als je ouders komen te overlijden.’ Aan deze woorden van zijn ex moet de verteller van Terug op de achterbank denken tegen het einde van een vakantie in Zuid-Frankrijk met zijn ouders, twee opgewekte pensionado’s van in de zeventig. De verteller zelf is tweeënveertig, zijn relatie is kort geleden op de klippen gelopen en hij komt net uit een depressie. Een goedbedoelende vriendin heeft hem aangemoedigd het vakantieaanbod van zijn ouders te accepteren in de overtuiging dat een paar weekjes weg hem goed zal doen. Wanneer hij terugdenkt aan de woorden van zijn ex, die ‘makkelijk praten’ had, want ‘haar ouders waren allebei vroeg gestorven,’ vraagt hij zich af of hij zijn goedzakken van ouders niet gewoonweg moet vermoorden. Dat hij werkelijk iets geks gaat ondernemen geloof je geen seconde meer, want Terug op de achterbank is braaf – heel erg braaf.

    De derde roman van Olivier Willemsen (1980) begint vlot. De stijl is prettig helder, net als de beelden. Zo staat de rode Renault van de vertellers vader ‘als een uitgeklapt Zwitsers zakmes op de oprit’ en zit zijn vaders gehoorapparaat als een ‘garnaalvormig stuk tandvlees boven zijn oor.’ Regelmatig valt er hardop te lachen, vooral wanneer de verteller, die we tot de één na laatste bladzijde kennen volgens zijn koosnaampje ‘Kokindje,’ zeer accuraat de woorden en acties van zijn ouders voorspelt.

    Sneltreinvaart

     Vanaf het eerste moment van hun samenzijn valt het driekoppig gezin terug in hun rollen als moeder, vader en kind en begint een oneindige reeks herkenbare, oer-Hollandse tuttigheid die grappig is, soms zelfs vertederend. Moeder smeert broodjes voor onderweg, vader laadt in zijn eentje de auto in want dat is ‘al decennialang zijn specialisme.’ ’s Avonds wordt er een tv spelletje gekeken en om kwart over negen kondigt moeder aan dat het tijd is voor bed. Liggend in zijn oude kamer, met op de commode het stapeltje reiskleren die hij op advies van zijn moeder heeft klaargelegd, droomt ‘Kokindje’ dat een losgelaten draagbalk hem dreigt te verpletten. Een omineuze droom, denk je dan nog, er staat ons heel wat te wachten!

    Aanvankelijk verzet ‘Kokindje’ zich nog enigszins tegen de betutteling. Zo kijkt hij zijn moeder ‘op zijn volwassenst aan’ wanneer ze voor vertrek vraagt of hij al naar de wc is geweest en vraagt hij zich verzuchtend af of het niet eens tijd wordt dat zijn ouders hem gewoon bij zijn eigen naam gaan noemen. Maar iets zeggen doet hij niet – een gebrek aan verzet dat je als lezer voorlopig nog accepteert. Na vertrek van huis gaat het rap. In een sneltreinvaart schotelt Willemsen de lezer een reeks typische vakantiebezigheden voor, veel tijd om de sfeer op te snuiven of ergens bij stil te staan krijg je niet. Zo wordt deze korte roman jammer genoeg erg schetsmatig, alsof Willemsen goede ideeën had maar geen tijd om ze uit te werken. Dat de vakantie voor de verteller algauw omslaat in een spanningsloze en voorspelbare onderneming is niet erg – dat het spanningsloos en voorspelbaar wordt voor de lezer, is dat wel. Wat niet helpt is dat we nauwelijks iets te weten komen over de ouders, wat ze reduceert tot wandelende clichés van het gelukkige Nederlandse stel op vakantie. De overigen blijven ook typetjes: de tante en oom, toegevoegd, lijkt het, om het geheel een saillant sausje te geven, de ex Anna en de jonge vrouw die hij ontmoet op de camping, het zijn geen van allen personages van vlees en bloed. Allemaal gemiste kansen, want Willemsen kan goed schrijven en komt af en toe met mooie vondsten. ‘Vanaf het terras klinken eetgeluiden; het rustgevende, zomerse getik van messen en vorken op borden.’ Dat rustgevende voel je, dat getik hoor je.

    Gebrek aan contrasten

     Gaandeweg verlies je sympathie voor de verteller, die niet alleen gedwee in alles meegaat, maar zich ook van alles laat aanleunen. Of het nu is dat zijn moeder zijn bammetjes smeert of zijn onderbroeken opraapt, hij doet nauwelijks moeite zelf zijn zaakjes op te knappen. Behalve een zwakke poging ertoe zien we hem nergens worstelen, wel snel opgeven en de boel over zich heen laten komen. Al snel blijkt dat zijn relatie met ex Anna niet heel anders was. ‘Háár huis, háár auto,’ zegt de vriendin die hem de vakantie met zijn ouders aanraadde. ‘Ze deed je was, haalde je op na het tennissen, ze betaalde jullie vakanties (…) – en zo kan ik nog wel even doorgaan.’

    Dit verlies aan sympathie is dodelijk voor het verhaal en had voorkomen kunnen worden als er meer contrast in het geheel had gezeten, als de verteller zich bijvoorbeeld anders had gedragen bij zijn ex en terug was gevallen in de rol van klein kind bij zijn ouders. Dan had het verhaal diepgang gekregen, gelaagdheid, in plaats van meer van hetzelfde. Het dreigt interessant te worden wanneer de verteller aan zijn vader vraagt of hij wel echt een kind wilde. Even veer je op, maar de vader zwemt weg en er wordt niet meer op teruggekomen, alsof Willemsen niet zeker wist wat hij met de scène aan moest. Met een beetje goede wil kun je tussen de regels doorlezen, maar daarvoor is de scène te zwak, te weinig indringend. Datzelfde geldt wanneer de verteller met zijn ouders op bezoek is bij zijn oom en tante. ‘Ik moet hier weg. Het maakt niet uit hoe,’ denkt hij. Je hoopt op een spetterende finale, maar nee: hij staat op, loopt weg ‘richting het meer of zo’ en daarmee is de kous af.

    Wie een boek wil met diepgang, een verhaal waarin op zijn minst de hoofdpersoon een ontwikkeling doormaakt, kan beter verder zoeken. Terug op de achterbank is voor de lezer die zin heeft in een soepel geschreven en vermakelijk vakantieverhaal dat gemakkelijk wegleest naast het zwembad. Bij voorkeur op een camping in Zuid Frankrijk natuurlijk.

     

     

  • Zonder fantasie geen reële toekomst

    Omdat de geschiedenis van lang niet elke bevolkingsgroep gedegen wordt opgetekend, moeten sommigen het doen met schraal anekdotisch materiaal. Met haar essaybundel Zwart en vrouw bewijst Tsitsi Dangarembga (Zimbabwe, 1959) dat dit in het bijzonder geldt voor zwarte, Afrikaanse vrouwen. De persoonlijke verhalen waaruit blijkt dat zij vanaf de Britse kolonisatie tot op heden onderdrukt worden, zijn zo talrijk dat ze de anekdotiek verheffen tot pijnlijke waarheid: ‘We bouwen onze theorie op, op basis van onze eigen ervaring.’ De schrijfster heeft een mentale dekolonisatie voor ogen, waarin het symbool ‘zwarte vrouw’ wordt verheven, vermenselijkt en geheiligd. Dit zal de mens redden, claimt zij zelfs. Haar dekolonisatie is niet geografisch, economisch of staatkundig, want dat heeft het Westen al ‘voltooid’. Dat is haar bij lange na niet genoeg. Hoe Dangarembga’s mentale dekolonisatie dan precies de mensheid van de ondergang moet redden, legt ze sterk en eenvoudig uit. De voormalige onderdrukten bezitten namelijk cruciale kennis over de natuur en verantwoord samenleven, waarvan het mensdom kan profiteren.

    Het valt echter te betreuren hoe warrig haar essays langs legio andere thema’s en ‘ismes’ schuren. Hooguit wekken ze een sfeer van progressiviteit op zonder echt iets nieuws te vertellen of boude beweringen uit te werken. Wanneer je het gevoel hebt een handvol vurige speeches van Dangarembga te lezen die geforceerd in één boek zijn geperst, stuit je op haar nawoord: ‘Ik had nog nooit non-fictie geschreven dat bestemd was voor publicatie. Mijn pogingen daartoe beperkten zich tot lezingen en toespraken.’ Het probleem zit hem dus niet zozeer in de inhoud of de toon, als wel in de gebrekkige samenhang en de onvolledige terzijdes die alleen loyale, slecht ingelezen geestverwanten kritiekloos zullen slikken. Dat de Nederlandse vertaling nogal wat te letterlijke omzettingen uit het Engels bevat (‘prioritering’, ‘supervrouw’, ‘beslissing maken’, ‘imperiale enculturatie’), maakt het er niet beter op. Desondanks is dit boek onmisbaar voor wie zich wil verdiepen in de hedendaagse invloed van kolonialisme. Los van wat minpunten maakt dat Zwart en vrouw tot een belangrijk werk.

    Driedubbel benadeeld

    De boektitel sorteert voor op een ‘intersectionele’ benadering van marginalisering. Dat wil zeggen: allerlei identiteitskenmerken determineren de (positieve of negatieve) loop van ons leven, waaronder geaardheid, geslacht, etniciteit en leeftijd. De zogeheten Zevenvinkjesman van Joris Luyendijk merkt hier het minst van, omdat hij geldt als de westerse standaard. En wie de standaard belichaamt, staat automatisch als een soort Jupiter hoofdschuddend het ‘zeurderige’ gesteggel over identiteit af te keuren. Op zijn best begrijpt hij het gewoon niet, want iedereen krijgt gelijke kansen in een eerlijke, neutrale meritocratie, nietwaar? Toch heeft Dangarembga volkomen gelijk. Zwart en vrouw laat zien hoe de Britten in de 19e eeuw de basis legden voor een koloniaal systeem dat nog altijd doorettert, lang na Mugabes dood. Haar geschiedkundige passages leiden naar de hoopvolle, verleidelijke conclusie dat dekolonisatie dé verlossing voor de mensheid zou kunnen zijn. Maar, zo klinkt het weerwoord, dekolonisatie is toch allang afgerond? Van die utopie laat Dangarembga geen spaan heel.

    Akkoord, heel Europa gaf zijn gewesten zelfbestuur, maar de achterstelling en ontmenselijking duren voort: ‘In het buitensluiten van mensen met melanine riep de wereld ‘‘je mag niet zijn zoals ik, je bent een niet-ik!’’ tegen zwarte mensen. (…) Zo identificeren de mensen met melanine in de wereld van witte mensen zich als een ‘niet-ik.’ Oftewel: de eeuwenlange Europese suprematie heeft bij voormalig gekoloniseerden zelfontkenning veroorzaakt, terwijl het Westen veronderstelt dat de zaak met lauwe excuses wel afgedaan is. Dekolonisatie betekent in Zwart en vrouw: meer beelden, verhalen en artefacten openbaren van hen die nooit gehoord werden, opdat hun negatieve zelfbeeld omslaat. Wat Dangarembga betreft, staat één elitegroep in de frontlinie: ‘Een feministe die zwart en vrouw is in Zimbabwe, leeft in het epicentrum van structureel racisme en een brutaal gemilitariseerd patriarchaat.’ Zwarte aanhangsters van het feminisme strijden op meerdere fronten tegelijk, als underdog bovendien.

    Witheet over witheid

    In feite doet Dangarembga’s oproep tot emancipatie denken aan de Verlichtingsidealen. Ook de rebellie die daaraan voorafging, was aanvankelijk een product van de fantasie: ‘Dekolonisatie als revolutionaire verbeelding’. Nu moeten de voordelen niet alleen lonken voor de witte man, die de schrijfster de ‘favoriete schurk van deze tijd’ noemt. Via persoonlijke verhalen licht ze die eretitel toe. Tijdens haar jeugd in Engeland, nabij Sussex, noemt een witte man haar ‘zwartje’, à la Martin Simek. Haar roman This Mournable Body oogst internationale erkenning, maar: ‘De twee slechtste recensies die ik kreeg waren van witte mannen die schreven voor The Times en The Daily Telegraph.’ Echt interessant zou zijn om uit te leggen waarom hun kritiek kwalijk is, in plaats van een etniciteit te noemen. Daarnaast blijft onduidelijk waarom hun identiteit belangrijker is dan hun mening. Dangarembga’s definitieve doorbraak in de letteren blijft lang uit, hetgeen ze wijt aan het witte, Engelse systeem. Tegelijk veracht ze andere Zimbabwaanse schrijfsters die wel in Engeland floreren. Die zullen hun lof wel afdwingen door hun literatuur te ‘Engels’ te maken, aldus Dangarembga.

    Toch kan het volgens de auteur niet aan haarzelf liggen. Het moet het systeem van witheid zijn. Dit is immers geworteld in de Verlichting, aanstichter van alle kwaad. Talloze academici gingen haar voor om ‘Whiteness’ te onderzoeken en bekritiseren, gegrond en integer. Dangarembga had ook in deze ambitie kunnen slagen, vergaloppeerde zij zich niet aan een misvatting: ‘Witte suprematie en racisme waren een uitvinding van de Verlichting.’ De wenkbrauwen van de lezer reiken tot het plafond als Dangarembga schrijft: ‘de logica van de Verlichting [was] racisme, slavernij, genocide en kolonisatie’. Alsof voor de Verlichting en buiten Europa geen racisme bestond. Alsof de “ontdekkingsreizen” niet in de Middeleeuwen begonnen. Alsof de mensenrechten niet tijdens de Verlichting ontstonden, de basis nota bene voor het abolitionisme. Met deze versimpeling van een complexe kwestie schaart Dangarembga zich helaas niet onder autoriteiten als Gloria Wekker, Toni Morrison en James Baldwin. Eerder tapt zij uit hetzelfde vaatje als Sunny Bergman (‘Racisme is een probleem van witte mensen.’) en Rutger Bregman (‘John Locke investeerde in slaven, dus de Verlichting steunde de slavenhandel.’).

    Echt links: ubuntu

    Blijft Dangarembga niet hangen in frustraties, maar inspireren met de oude overtuigingen en kennis van de Zimbabwaanse cultuur, dan biedt Zwart en vrouw hoop. Het kapitalistische imperialisme heeft zijn waarde verloren, betoogt zij. Maar, zoals apologeten van de vrije markt vaak retorisch wanhopen: wat is het alternatief dan? Dangarembga introduceert een niet door de staat opgelegd socialisme, ubuntu: ‘De uitdrukking is een gangbare groet in Zimbabwe, met als betekenis: als we allemaal goed met elkaar kunnen opschieten en ieder van ons ervoor zorgt dat het goed met de ander gaat, dan gaat het goed met ons allemaal.’ Dus geen onzichtbare hand die met magische marktwerking alle problemen oplost (voor de kapitaalkrachtigsten). Eerder een zichtbare hand die pragmatisch aanreikt wat nodig is. Geen ‘Ik denk, dus ik ben’, maar ‘Ik ben, omdat wij zijn.’

    Laten wij dit als mensheid na, dan vreest Dangarembga de moeder der catastrofes: ‘Niet werken aan gelijkheid in gedachtegang houdt ons op het huidige pad. Er zijn tekenen dat dit pad ons, misschien sneller dan verwacht, naar een plek van pijn brengt die de pijn van de confrontatie met het koloniale ‘niet-ik’ zal overtreffen, een schrikbeeld dat ons allen boven het hoofd hangt.’ De natuur pleegde in het verleden al vele genocides… waarom zou de mensheid de dans ontspringen? Omdat ze hopelijk nét op tijd leert luisteren naar vrouwen als Tsitsi Dangarembga.

     

     

  • Een zeer geslaagde detective voor tieners

    Het eerste hoofdstuk, de klap, Otis die niet alleen aangereden wordt maar ook sterft: het begin van Otis’ Redding is ronduit schokkend. Gelukkig eindigt de flaptekst met hoopvolle woorden: ‘Melvin gaat op onderzoek uit en doet een mysterieuze ontdekking. Misschien kan hij Otis nog redden!’

    Het boek leest als een detective, waarbij de lezer op een slimme manier aan de hand genomen wordt.

    Het is een sterk verhaal, ook voor tieners die anders mogelijk niet tot lezen komen: pakkend, goed leesbaar en met échte emoties en karakterontwikkeling. Een aanrader!

    Lees de recensie op Jong Literair Nederland. 

     

     

     

  • Een overlever zonder huid

    Op 29 april 1995 onthulde het tv-programma Brandpunt dat de gewaardeerde Duitse hoogleraar Germanistiek Hans Schwerte in de oorlog SS-Hauptsturmführer was geweest onder Himmler. Hij had zich in het begin van de oorlog twee jaar in Den Haag bezig gehouden met onder andere rassenleer en genetica. Schwerte had zijn nieuwe carrière na de oorlog kunnen opbouwen omdat hij een verzonnen identiteit had aangenomen. Zijn echte naam was Hans Ernst Schneider. Hij bekende ‘diepe schaamte en rouw’, maar kreeg een storm van kritiek over zich heen en raakte zijn onderscheidingen en pensioen kwijt. Eén van de weinigen die het voor Schwerte opnam was Hans Keilson, de Joodse schrijver en psychiater wiens leven getekend was door de nazi’s: Keilson was naar Nederland gevlucht voor de Jodenvervolging en verloor zijn ouders in Auschwitz.

    Keilson had bewondering voor wat Schwerte had bereikt, maar vooral waardering voor diens eerlijkheid en inzicht in zijn eigen fouten. Hij zei naar aanleiding van deze hetze zelfs: ‘Ik zou niet willen zeggen dat ze nu met deze ex-nazi omgaan zoals ze vroeger met de joden omgingen, maar het komt wel aardig in de buurt’. Wie Hans Keilson tijdens zijn leven heeft gevolgd zal er niet eens van opkijken. Wie nu door middel van de biografie van Jos Versteegen kennis met hem maakt, kan aangekomen bij de beschrijving van deze rel (hoofdstuk 13), Keilsons reactie wel begrijpen. De biograaf heeft daarvóór uitgebreid aandacht besteed aan diens belangrijkste levenshouding: dat haat niet met haat dient te worden beantwoord. In de woorden waarmee Versteegen Keilsons gedachten samenvat: ‘Nieuwe haat tegenover oude haat stellen was een slecht idee, want dat betekende continuering van de cyclus van de haat en dus van de vernietiging’.

    Personage B.

    Keilson (1909 – 2011) huldigde die opvatting al vroeg. Zijn beroemde Tod des Widersachers verscheen voor het eerst in 1959 en een jaar later in het Nederlands als In de ban van de tegenstander. De eerste aanzetten daarvoor schreef Keilson al in 1944. Het boek kreeg pas wereldfaam toen The New York Times er in 2010 een enthousiaste recensie aan wijdde. Keilson was toen honderd jaar en dook ineens in allerlei tv-programma’s op, waaronder DWDD. Blijkbaar was de wereld toen pas op grote schaal toe aan erkenning van zijn belangrijke inzichten.
    In de ban van de tegenstander (dat veel autobiografische elementen bevat) gaat over de verhouding tussen Hitler en de Joden, hoewel de naam Hitler (personage heet in de roman B.), en de woorden ‘nazi’ en ‘Jood’ er niet in voorkomen. Het grondthema van de roman is dat haat een projectie op de tegenstander (zondebok) is van alles wat je van jezelf niet onder ogen wilt zien. Wie dat doet verdraagt zijn gehate kant niet en wil die ook niet weerspiegeld zien in iemand anders.: ‘In hem, de “ander” moet hij zichzelf vernietigen om de waan van zijn eigen grootsheid te redden’.  Vanuit dat inzicht kon Keilson met Schwerte contact leggen in plaats van met hem af te rekenen. Hij wilde doorzien welke krachten ertoe hadden geleid dat zoveel Duitsers Hitler-volgers werden en zijn haat tegen Joden deelden.

    Sequentiële traumatisering

    In de wetenschappelijke kant van Keilson was die gedachte eveneens leidend. Hij legde zich als psychiater/psycho-analyticus toe op hulp aan oorlogsweeskinderen. Een nieuwe aanpak daarin was zijn idee van de ‘sequentiële traumatisering’. Dat ging uit van drie opeenvolgende fases: de bezetting en de Jodenvervolging in Nederland, gevolgd door de deportaties en het verblijf in concentratiekampen of de onderduik en tenslotte de na-oorlogse periode waarin de kinderen werden toegewezen aan een voogd of instelling. Hij heeft veel van die kinderen geholpen door die fases te erkennen, en omdat hij goed kon luisteren. Keilson promoveerde op het onderwerp in 1979 en gaf er tal van lezingen over. Waarbij hij nog wel eens het verwijt kreeg dat die onderzoeken te statistisch waren.
    In de biografie is dat niet te merken. Versteegen verliest zich allerminst in cijfers, maar slaagt erin duidelijk te maken hoe belangrijk het werk van Keilson was en welke problemen de kinderen tegenkwamen na de oorlog. Ze kregen toen te maken met discussies die meer gingen over rechten van ‘onderduikouders’, pleeginstellingen, en de vraag of nieuwe voogden orthodox genoeg waren, dan met de zorg om het verlies van ouders en andere familie in de kampen. Door die voogdijdiscussies kregen die kinderen er nog een trauma bij.

    Blijven houden vanWagner

    Versteegen staat ontegenzeglijk erg sympathiek tegenover Keilson, maar hij verzwijgt niet zijn wat onbeminnelijke kanten zoals zijn jaloezie, zijn niet altijd respectvolle omgang met vrouwen, zijn ijdelheid  en zijn aandeel in de verwijdering tussen zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, Barbara, en zijn zus Hilde. Waardevol in deze biografie zijn de heldere duiding van de diverse boeken en gedichten van Keilson, het zicht op de receptie daarvan in verschillende tijdsperioden, de reikwijdte van zijn therapieën en zijn verhouding tot de Duitse taal en Duitsland dat hem zoveel ellende had bezorgd. Versteegen maakt aannemelijk waarom Keilson bijvoorbeeld van Wagner, bij uitstek de nazi-componist, kon blijven houden.

    Er blijven ook vragen onbeantwoord omdat Versteegen niet teveel wil speculeren. Opvallend is dat hij signaleert dat Keilson zelfs in een ernstige roman als In de ban van de tegenstanders grapjes (‘knipoogjes’, noemt Versteegen ze) kon maken. Zo noemde hij twee katten die er in voorkomen Hützi en Bützi, naar de bijnamen die twee kinderen van een psychiater hadden bij wie hij college had gelopen. Het maakt nieuwsgierig naar het ‘knipoogje’ dat Keilson wellicht maakte toen hij in zijn valse persoonsbewijs in de onderduiktijd de naam Johannes Gerrit van der Linden liet vermelden. Zou hij gedacht kunnen hebben aan de destijds populaire Nederlandse dichter ‘De Schoolmeester’(Gerrit van de Linde) die tevens kostschoolhouder was (Keilson dichtte zelf en gaf sport- en muziekles aan kinderen die hij opving)? Hier stelt Versteegen de vraag niet.

    Hans Keilson – Telkens een nieuw leven doet recht aan een getormenteerd leven van een belangrijk schrijver en psycho-analyticus die de moed had om onder ogen te zien hoe haat gevoed wordt, een echte overlever, maar ook iemand die door alles wat hij geleden had, op zijn eerste vrouw Gertrud  overkwam als  (in haar woorden) ‘een mens zonder huid’.

     

     

  • De hopeloze zoektocht van een existentialist

    Vreemd hoe grote talenten soms vergeten worden. Daarom is het noodzakelijk om af en toe eens te grasduinen in ons literaire verleden en meesterwerken van onder het stof te halen. Uitgeverij Koppernik bracht Het verbrande kind van Stig Dagerman opnieuw uit. Deze Zweed werd bestempeld als een van de grootste Europese schrijvers ooit, maar belandde in de vergeethoek. In de jaren veertig van vorige eeuw debuteerde hij met De Slang, schreef nog enkele korte verhalen en bracht in 1948 zijn meesterwerk Het verbrande kind uit. Daarna bleef het stil rond hem tot zijn zelfmoord op 31-jarige leeftijd in 1954.

    Existentialist pur sang

    Als journalist reisde Dagerman in 1946 door het vernietigde Europa en het zien van al die ellende heeft zeker een grote invloed gehad op zijn werk. Hij is een existentialist pur sang en treedt daarmee in de voetsporen van Sartre en Camus, maar anders dan bij hen straalt uit zijn werk een bodemloze diepte en peilloze leegte. Waar de anderen proberen om die leegte te vullen door zelf doortastende keuzes te maken, falen de personages van Dagerman onherroepelijk. Alles eindigt steeds in hypocrisie, (zelf)bedrog, angst en wanhoop.

    Spel van bedrog en leugens

    Het verbrande kind opent met de begrafenis van een vrouw. Het is de moeder van de 20-jarige Bengt. Hij belandt daardoor in een zeer diepe crisis en krijgt weinig steun van zijn schijnbaar opgeluchte vader. Al gauw wordt duidelijk waarom. Vader heeft al geruime tijd een affaire met een zekere Gun. Het verdriet en de rouw van Bengt slaan om in een blinde woede en haat jegens zijn vader en hij zint op wraak. Zijn vriendin Berit kan geen soelaas brengen. Hij heeft een heel koude relatie met haar en probeert afstand te nemen en te houden. Zijn wraak zal er uiteindelijk in bestaan door zelf een relatie aan te gaan met Gun, de minnares van zijn vader. Zo belandt ook hij in een spel van bedrog en leugens. Uiteindelijk trouwt Bengt toch met Berit, maar een mislukte zelfmoordpoging toont al aan dat het niet zo’n gelukkig huwelijk is. De blijvende zoektocht naar geluk en liefde eindigt steeds in angst en wanhoop.

    Beklemmende sfeer

    Dagerman heeft een aparte stijl. Hij schrijft zeer krachtig proza op een gebalde en afstandelijke manier. Die bijzondere stijl voelt bevreemdend aan en dat is ook de bedoeling. In de openingsscène heeft hij het over de vrouw, de echtgenoot en de zoon, zonder een zweem gevoel. Het begrafenisritueel beschrijft hij zeer koel en de beklemmende sfeer houdt hij de hele tijd aan. Ook in zijn taal probeert hij aan te geven dat het leven leeg, koud en onverschillig is. Bengt probeert op zoek te gaan naar liefde en vriendschap om die leegte te vullen, maar faalt daar faliekant in. Soms lijkt het alsof de leegte draagbaar is, in die luttele momenten dat hij opgaat in de intimiteit met Gun of Berit, maar de leegte vullen lukt niet.

    Het verhaal wordt onderbroken door brieven van Bengt aan zichzelf. Ook hier wordt de lezer geconfronteerd met de hopeloze zoektocht van Bengt. Net als in Camus’ De mythe van Sisyphus kent Bengt korte momenten van geluk, zoals Sisyphus wanneer hij de steen weer ophaalt om naar boven te rollen, alleen zijn ze bij Bengt een stuk korter. Dagermans werk zit daarnaast ook vol met symbolen en motieven. Zo is er de steeds terugkerende rode jurk, het paar schoenen, de hond en vooral de brandende kaars, waaraan ook Bengt zich verbrandt. Net als zijn vader, net als de mensheid is hij evenmin vrij van bedrog en hypocrisie en is hij dus ook ‘verbrand’. Ook in het echte leven geraakt Dagerman niet uit deze existentiële crisis en zal dat dus leiden tot zijn zelfmoord in 1954.

    Het verbrande kind leest aanvankelijk wat stroef door de afstandelijkheid, die herinnert aan de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar anders dan de Bordewijks en Elsschots van toen, slaagt Dagerman erin met zijn afstandelijke stijl bijzondere en diepe emoties op te roepen die raken aan onze meest duistere angsten en twijfels. Het boek zet de na-oorlogse mens een spiegel voor en raakt tot in de kern van de ziel. De diepste zielenroerselen komen er op een ongemakkelijke manier in naar boven en het zet aan tot denken over liefde en haat, hoop en wanhoop, leven en dood. Het verbrande kind is het zeker waard om afgestoft te worden en opnieuw de aandacht te krijgen die het verdient.

     

     

  • ‘Vilein, smerig of genadeloos’

    De lezer die aan het nieuwe boek van de Vlaamse auteur Delphine Lecompte (1978) begint, is geneigd het snel weer weg te leggen. Het slaat je plat door de grofheid en de rauwheid ervan. Maar wie blijft doorlezen in het aaneengeregen relaas, vijfhonderd pagina’s lang, moet erkennen dat hier een schrijfster aan het woord is die het vak tot in de toppen van haar vingers beheerst. Of alle ellende je echt raakt is echter nog maar de vraag, maar de schrijfster lijkt daar ook niet naar op zoek. ‘Ik wil gewoon vilein, smerig of genadeloos mogen zijn,’ zei ze tegen Arjan Visser in het kader van diens rubriek de Tien geboden in Trouw (21 mei jl.).

    Ze spaart zichzelf niet in omschrijvingen als ‘anorectische drankzuchtige wereldvreemde egocentrische bipolaire navelstaarder’ die automutilatiegedrag vertoont om de pijn te verdrijven of aandacht te krijgen. We weten met wie we van doen hebben. Het boek is min of meer chronologisch opgebouwd in vier delen, een Proloog en een Epiloog.

    Vier delen

    Het eerste deel, De vagevuurjaren, gaat over de jeugd van de ik-figuur in De Panne. Met een moeder die op de hak wordt genomen en grootouders waarvan ze houdt. Het tweede deel, De gekkenhuisjaren, speelt in de psychiatrische zorg in Knokke, waarin de ik-figuur is opgenomen met een borderline persoonlijkheidsstoornis en suïcidale gedachten. Zij heeft anorexia en de hoofdpsychiater is ook graatmager. Toch klikt het niet. In het volgende deel, ‘De zuiveljaren’, heeft de ik-figuur tijdelijke baantjes gevonden op verschillende afdelingen van een supermarkt (telkens een stapje lager in de rangorde ervan) en een kantwinkel. Ze wordt telkens ontslagen, onder meer omdat ze nogal eens wat achteroverdrukt. Het vierde deel heeft min of meer de inhoud van een catharsis; Lecompte woont samen met een voormalige vrachtwagenchauffeur en debuteert als dichter en leest hier-en-daar voor uit haar bundels. Hilarisch en humoristisch is een voorleesbeurt in Friesland, een dag nadat bij haar enkele voortanden zijn getrokken en ze de s niet kan uitspreken.

    Sommige hoofdstukken zijn in eerdere versies en fragmenten gepubliceerd op de website Ooteoote en in Humo. Binnen de lange hoofdstukken werkt de auteur veel met tritsen, drietallen. Bijvoorbeeld:
    ‘De discipline zou misschien vuur worden.
    Vuur zou bezetenheid kunnen worden.
    Van bezetenheid was het een korte route naar genialiteit. Of waanzin.’

    Of, eveneens als een blok tekst ingesprongen onder elkaar als een couplet van een gedicht:
    ‘Ik woonde in een badstad en kende de zee op mijn duimpje.
    Maar je kan de zee niet kennen.
    Je moet de zee niet willen kennen.’

    En een derde en laatste voorbeeld:
    ‘De duinen waren veilig, nee niet veilig.
    De duinen waren mystiek, eerlijk en wild.
    Het was een wildheid zonder slechte bedoelingen.’

    Dergelijke tritsen geven het boek een filosofische ondertoon die na alle geraas rustpunten biedt. Ook veel mensen in dit boek hebben hun goede en slechte kanten. Zo is er de pedofiele tuinman (Lecompte is mede bekend geworden doordat ze eerder over pedofilie schreef) die als enige mededogen heeft met een buurvrouw, een bestolen, vereenzaamde Russische gravin: ‘Enkel de pedofiele tuinmaan reageerde fijngevoelig en met mededogen, hij zei: “Ach, och, ocharm”.’

    Sprookjes

    De gravin heeft iets sprookjesachtigs, de pedofiele tuinman is eerder een groteske in de traditie van de Russische literatuur: de ‘gebochelde taxidermist / tulpenkweker / paardengokker / pedofiel.’ Mensen in een wasserette worden omschreven als mensen met ‘scheve neuzen, gebroken aders, nekwratten, bloemkooloren, aangezichtstumoren, etalagebenen en horrelvoeten’. De ik-figuur schrijft dat ze van ze houdt en hun mascotte was, lelijk zoals ze zichzelf omschrijft, met haar ‘abominabele kop’.
    Ze droomt over sprookjesachtige figuren, weggelopen uit de sprookjes die haar oma vroeger voorlas. Bijvoorbeeld van mensen met vleugels. Goed en kwaad, als duivels of als engelen? Of van bomen die orakeltaal uitslaan.

    Autofictie

    Het boek is duidelijk autofictie, want de ene keer heeft de ik-figuur geen wimpers en wenkbrauwen omdat deze bij een brandje dat ze had gesticht zijn weg geschroeid. De andere keer was ze op een dag zonder wenkbrauwen opgestaan en twee weken later waren ook de wimpers verdwenen als had ze de ziekte madarose. De ene keer kan de ik-figuur niet thuis maar wel op kamp goed slapen, maar wanneer ze ‘op zeeklas’ is (vijf dagen met de klas naar zee), kan ze juist de slaap weer níet vatten.

    Het boek wordt afgesloten met een Epiloog die eerder in Humo verscheen. Dit is een realistisch verhaal van Lecompte over het veelvuldige misbruik door een nachtverpleger dat haar als twintigjarige in de inrichting is overkomen en over de vraag waarom #MeToo geen aandacht heeft voor psychiatrische patiënten die dit overkomt. Niet dat ze hen een stem wil geven: ‘Ik kan alleen mijn unieke (niet zo unieke) grimmige banale sinistere verhaal vertellen.’
    Dat verhaal geeft de strijd van de ik-figuur weer en is deels gebaseerd op de strijd die de auteur heeft gehad om uit alle ellende te komen. Als schrijver debuteerde ze met een roman in het Engels (2004) en als dichteres kreeg ze in 2010 de C. Buddingh’-prijs. Dat vraagt niet om medelijden, maar om bewondering. In de verdrietige wetenschap dat ‘de aangename beschaafde hartelijke genereuze zorgeloze persoon’ is vermoord.

     

     

  • Cassante passages van een astrante tante

    Lionel Shriver (1957), de schrijfster die haar naam in een jongensnaam veranderde omdat ze zich een tomboy voelde, werd bekend met de roman We moeten het eens over Kevin hebben. Vorig jaar bracht ze met Tegendraads een non-fictie boek uit. Omdat ze haar aanvankelijk ‘schamele verdiensten als romanschrijver moest aanvullen’ werd Shriver namelijk ook journalist en columnist. Voor Engelse en Amerikaanse media schreef ze columns, essays en opiniestukken over vele onderwerpen: van vriendschap tot gezondheidszorg, belastingen, de dood en overgewicht. Materiaal was er genoeg. Tegendraads leest alsof je mee tolt met een wervelwind. Het keert je hoofd binnenstebuiten en schudt het heen en weer. Eenmaal tot rust gekomen hou je er soms nieuwe percepties aan over.

    Bakken kritiek

    In de inleiding waarschuwt Shriver evenwel de lezers. Ze drukt de hoop uit dat zij nog altijd haar romans zullen lezen indien zij het niet eens zouden zijn met haar standpunten over bijvoorbeeld Brexit, migratie, woke. Shriver vindt echter niet dat ze zich moet verontschuldigen voor haar controversiële stukken. Volgens haar helt de overgrote meerderheid van haar literaire collega’s ver naar links en heeft de letterenwereld ernstig behoefte heeft aan tegenwicht. Voor haar essays en toespraken kreeg Shriver bakken kritiek over zich heen.

    In haar persoonlijke essays is ze op haar best. De brief naar haar jongere zelf, toen zij nog een onbekende arme schrijfster was, is ontroerend en geestig. Ook de stukken over haar broer die aan een eetstoornis stierf en over wat dik zijn betekent in deze maatschappij getuigt van moedige openhartigheid en scherpzinnige ideeën. Het relaas van haar jarenlange verblijf als correspondent in Belfast koppelt het persoonlijke met de politieke situatie en dat is bijzonder interessant. Vriendschappen kunnen eraan stuk gaan. Wat Shriver vertelt over The Troubles in Belfast doet soms denken aan de tijd van corona waarin anti-vaxers ruzie kregen met hun tegenstanders in eenzelfde familie.

    Het is ook boeiend om te lezen hoe haar romans tot stand kwamen: soms licht Shriver namelijk een tipje van de sluier op en ontrafelt ze haar fictie tot non fictie, legt ze fictie als het ware uit. In tijden waarin fictie wordt bedreigd en zich steeds meer moet verantwoorden, is dat een grappige contradictie. Maar Shriver toont het denkproces dat aan fictie voorafgaat, de keuzes die de schrijver moet maken. Het is interessant hoe zij, geboren in een strenge religieuze familie, vertelt hoe ze het juk van godsdienst van zich afgooide en fictie ging schrijven. Hoe verhouden die twee zich eigenlijk tot elkaar?

    Andermans hoed

    Met heldere argumenten en pittige quotes fulmineert Shriver over woke en culturele toe-eigening. Ook een witte man mag volgens haar in de huid kruipen van een zwart tienermeisje. Zelf beschreef Shriver een schietpartij in een school en ‘het spijt haar dat ze het moet zeggen: ze heeft zelf nog nooit zeven kinderen, een leraar en een kantinemedewerker doorzeefd.’

    Nadat een verkleedpartij onder studenten werd beschouwd als ‘een daad van etnisch stereotyperen’, – studenten hadden een mini-sombrero opgezet – pleit Shriver ervoor dat iedereen een sombrero mag opzetten. Je mag andermans hoed opzetten! Is schrijven ook niet in iemands schoenen gaan staan en empathie ontwikkelen?

    Shrivers essays over taal zitten goed in elkaar. Haar betoog om zorg te dragen voor die taal is vurig, gaat verder dan wat kommaneuken. Voorbeelden zijn het essay over de interpunctie en het verkeerd gebruik van de komma of het enkele haakje. Daarin voert ze opnieuw sterke argumenten aan. Shriver is hevig maar blijft de logica bewaren wanneer ze het heeft over de ‘linguïstische verlakkerij’. Zo vindt zij de term ‘cisgender’ geforceerd en niet organisch. ‘Cis’ is Latijn voor ‘aan deze kant van’ tegenover ‘trans’, wat ‘aan de andere kant van’ betekent. ‘Door het gebruik van dit adjectief onderschrijf je de opvatting dat sekse bij de geboorte wordt ‘toegewezen’ en niet erkend wordt als een biologisch gegeven,’ schrijft Shriver. En even later: ‘om entiteiten aan te duiden die zijn wat ze lijken te zijn, zouden we overal ‘cis’ voor kunnen zetten. ‘Cisblauw’ zou betekenen blauw en niet geel. ‘Cisboring’ zou echt saai betekenen en niet stiekem toch amusant.’ Deze redeneringen doen aan de filosoof Peter Sloterdijk denken die ook al wees op de gevaren van rechts én van links, van conservatief én van progressief.

    Wat Shriver vertelt over syntaxis, interpunctie en grammatica gaat ook over een maatschappij. Ze wil de taal en haar grammaticale regels beschermen tegen barbarij en gemakzucht. In het woke-debat en het debat over diversiteit wordt het kind weleens met het badwater weggegooid, telt de wijsheid plots niet meer als die bijvoorbeeld van een witte geprivilegieerde man komt.

    Vast in de bubbel

    Wanneer Shriver zich waagt op politiek terrein lijkt ze soms zelf in een bubbel vast te zitten. Ze herhaalt zichzelf dan met nog een luider woord, zoals in een facebookdiscussie. Het politieke spectrum lijkt haar eigen ideeën plat te drukken en dat is jammer. De argumenten worden minder krachtig. Shriver gaat soms wel heel kort door de bocht. Ze spreekt zichzelf tegen als ze zegt dat je in elk personage mag kruipen. Dat heeft ze blijkbaar met een zekere egocentrische willekeur bedoeld, want sommige van haar standpunten getuigen niet bepaald van empathie en mededogen. Shriver vindt het normatieve jargon van links duiden op bekrompenheid die neigt naar dogma. Haar jargon wordt echter even bekrompen: sceptisch over vaccinaties, migratie, woke, voor Brexit. Het zijn de af te vinken lijstjes van rechts. Het blijft wel interessant dat een dochter van conservatieve religieuzen die zich daarvan wilde losrukken, nu zelf ook neigt naar het conservatieve.

    Gaandeweg ontbreekt er een zekere rust in de teksten. Sommige quotes worden weleens drammerig, Shriver stampvoet als een macha rond en pookt op met veel stof. Sommige zinsneden doen gezwollen aan. Het wordt bijwijlen teveel, zoals in het nochtans hilarische stukje over een bezoek aan het filmfestival van Cannes. Daaraan heeft Shriver een epiloog gebreid die de droge tekst met gevoel voor zelfrelativering teniet doet en de grappen uitmelkt. Het brede scala aan onderwerpen is goed gemonteerd in Tegendraads. Ondanks hier en daar een drammerige passage schreef een pittige tante een boeiend boek dat je in beweging zet.

     

     

  • Kijken met andere ogen

    Hier wacht ik is een prentenboek met tekst van Martine Lejeune en illustraties van Eduard Plancke.

    De teksten van Lejeune, die ook een publicatie voor volwassenen over logica en filosofie van de taal op haar naam heeft staan, zijn op rijm, wat ze goed voorleesbaar maken. De meeste filosofie begint met verwondering over alles om je heen, zo ook in dit prentenboek.

    Het prentenboek van Lejeune en Plancke brengt filosofie naar de wereld van het kind, waarbij Planckes kleurgebruik mooi past bij de dromerige boodschap. Een geslaagd totaalproduct.

    Lees de recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

     

  • Feminisme avant la lettre?

    Jente Posthuma studeerde Frans en Literatuurwetenschap en werkte als journalist voor onder andere De Groene Amsterdammer, NRC Next en De Volkskrant. Haar boek Waar ik liever niet aan denk uit 2020 kreeg lovende recensies. Posthuma kreeg de vraag om oude heksenverhalen uit Overijsselsche sagen uit 1914 te hertalen in modern Nederlands. Het werden er drie, nu gebundeld in dit boek, aangevuld met een essay waarin ze probeert verbindingen te leggen tussen hedendaags feminisme en de heksenvervolgingen in de Middeleeuwen en later.

    Wat is dat toch met heksen? Op het moment dat deze recensie geschreven wordt, legt Susan Smit, ook schrijver en zelfverklaard heks, bloemen op de Dam voor de slachtoffers van de heksenvervolging. Er wordt gepleit voor een nationaal monument. Twee dagen later verschijnt een artikel in de Volkskrant waarin staat dat heksenvervolgingen in Europa zeker aan 16.000 mensen het leven kostten. Het artikel bevat een tijdlijn, een kaart van Europa en een opsomming van de plaatsen in Nederland waar de meeste heksen werden geëxecuteerd. Schiedam, dat begin dit jaar een heksenmonument oprichtte, spant de kroon in Nederland, in Europa is Duitsland kampioen heksenverbranding.

    Stereotype

    Historici hangen twee verschillende theorieën aan over de vervolging van heksen. Een deel stelt dat heksen vaak werden aangewezen als zondebok voor onverklaarbare natuurverschijnselen, anderen beweren dat de kerk heksen verbrandde om ongelovigen te overtuigen, vooral op plekken waar de katholieke kerk botste met de protestantse. Heeft het met de tijdgeest te maken dat we onafhankelijke en sterke vrouwen eren?

    Hoe dan ook, Posthuma beweert in haar boek dat heksen het stereotype waren van zelfstandige vrouwen, of vrouwen die te lelijk, te oud, te knap, te verleidelijk waren. Ze schrijft ‘[…] Vrouwen die lazen. Vrouwen die niet wilden trouwen. Kinderloze vrouwen. Vrouwen die hard praatten. Vrouwen die genoten van seks. Vrouwen die erg aanwezig waren. Vrouwen die zich vaak terugtrokken. Vrouwen die zelden de mis bijwoonden. Vrouwen die altijd de mis bijwoonden. Vrouwen met een bleke huid. Vrouwen met een donkere huid. Vrouwen met veel moedervlekken. Vrouwen die hun intuïtie gebruikten. Vrouwen met een karakter.’ Oftewel: vrouwen voor wie mannen bang waren of die ze niet aan konden. Slimme, onafhankelijke, sterke vrouwen: mannen in de Middeleeuwen gruwden daarvan. Posthuma vindt dat heksen aan een vorm van herwaardering toe zijn. Het waren juist niet de vrouwen die de slechterik waren.

    Drie oude sagen

    De drie sagen die Posthuma in dit boek een moderne versie gaf, zijn ruim inwisselbaar voor allerlei andere verhalen over heksen, kobolden, witte wieven en wat je nog meer hebt. Waarom ze juist voor deze drie koos, is niet helder. Ze lijken willekeurig gekozen. Wat Posthuma ermee doet is ze een modern tintje geven. Heksen zijn vooral slachtoffer in de oude verhalen. Posthuma geeft ze een aantal kenmerken waardoor ze meer voor zichzelf opkomen dan in de oorspronkelijke versies. Mannen zijn de boosdoeners in de drie verhalen en zijn in deze bewerkingen uiteindelijk de onderliggende partij.

    Posthuma brengt een soort doorlopende lijn aan in de verhalen die oorspronkelijk los van elkaar staan. Ze laat daarmee als het ware een vorm van solidariteit ontstaan tussen de als heks aangemerkte vrouwen. En die solidariteit zou je weer kunnen zien als een pre-moderne versie van wat we nu feminisme noemen. De vrouwen worden gerehabiliteerd en dat is mooi, maar de draai die Posthuma eraan geeft, heeft weinig te maken met de oorspronkelijk moralistische lessen die de oude sagen aan de Middeleeuwer mee wilde geven. Van dat moralisme blijft in deze versies weinig over. Posthuma’s prettig leesbare taal sluit daar niet bij aan. Het wordt vaak gemaakt grappig. De verhalen zijn gemakkelijk en leuk om te lezen, en daarmee is er dan ook bijna alles over gezegd. De anekdotische waarde overstijgt niet de boodschap, mocht die er in zitten.

    Essay

    Het essay dat in dit boekje is opgenomen heet ‘Trut’, waarmee Posthuma verwijst naar een columnist en enkele deskundigen en wetenschappers met een mening over de berichten en theorieën die over heksen en heksenvervolgingen de ronde doen. Later nuanceert ze deze benaming overigens weer. ‘Wie ben ik om Elma Drayer een trut te noemen?’ In het essay probeert ze de lading die ze in de verhalen voorzichtig aanbrengt wat door te trekken: vrouwen moeten meer voor zichzelf opkomen, zijn nu nog te vaak slachtoffer en daar kunnen ze en moeten ze zelf wat aan doen: kom op voor jezelf! Ze windt zich, zeer terecht, op over hoe vrouwen sinds mensenheugenis zijn neergezet. Er worden verbindingen gelegd met emancipatie, feminisme en masculiene overheersing, maar wat ze nu eigenlijk wil zeggen over hoe het allemaal wel moet en hoe we daar een rol in kunnen en moeten spelen, is totaal niet duidelijk. Is dat wellicht de achtergrond van de hedendaagse heksenverering of heksenwaardering? Moet de moderne vrouw meer heks zijn? En wat dan met de man?

    In dit essay speelt Posthuma’s vader een rol, wellicht om er wat meer inhoud aan te geven. Hij probeert haar duidelijk te maken dat ze niet boos moet zijn. Over zichzelf zegt hij: ’Boosheid is misschien niet mijn meest voor de hand liggende emotie’, waarop zijn dochter zegt: ‘Wat goed.’ ‘Ja,’ antwoordt hij, ‘maar het is niet zo dat ik me nu ineens bevrijd voel, hoor.’
    Een essay heeft een doel nodig: wat wil ik als schrijver bereiken en duidelijk maken? Dat doel ontbreekt hier.

     

     

  • Geschreven in de emotie van het moment

    Het leven wordt vooraf geleefd, maar achteraf begrepen. Als deze uitspraak van Kierkegaard op iemand van toepassing is dan is het wel op J.J. (Han) Voskuil (1926-2008), de schrijver van onder meer de roman Bij nader inzien (1963) en de zevendelige romancyclus Het Bureau (1996-2000). Aan zijn behoefte het dagelijks leven op schrift vast te leggen, danken we zijn dagboeken. In 126 schriften schreef hij op wat hij meemaakte, bedacht en ervaren had, met het doel zichzelf en de mensen om hem heen te begrijpen en zo meer in evenwicht te raken. Hij had er moeite mee in het moment te leven, had een secundair karakter en verwerkte in zijn dagboeken wat hij niet echt doorleefd had. De vraag is nu: in hoeverre verschillen de dagboeken van de romans? 

    Voskuil schreef zijn dagboeken niet om ze te publiceren, niettemin tikte hij ze na zijn pensioen integraal uit. Hij liet ze daarna aan zijn vrouw Lousje lezen met de opmerking dat zij na zijn dood mocht bepalen wat er met de dagboeken zou gebeuren. Zij vond zijn dagboeken te persoonlijk en knipte er ongeveer 5% uit. Na zijn dood besloot zij om de dagboeken toch in zijn geheel te publiceren, inclusief de door haar verwijderde stukken. Maar toen had ze een probleem, want haar man had de schriften tot 1955 laten vernietigen. Er zijn nu twee kloeke delen in een reeks van zeven verschenen. Deel I Bijna een man beslaat de periode 1939-1955 zonder de door Lousje uitgeknipte delen. In Deel II Capitulatie (1956-1965) zijn de door haar verwijderde passages met gebruikmaking van de schriften weer toegevoegd. 

    In deel I volgen we Han Voskuil in zijn groei naar volwassenheid, de oorlogstijd in Den Haag en zijn studententijd daarna in Amsterdam. Opvallend is dat hij weinig woorden wijdt aan zijn vriendin en latere vrouw Lousje. Ook zijn relaties met andere vrouwen blijven onderbelicht. Waarschijnlijk zijn dat de passages die zijn vrouw verwijderd heeft. Han schrijft over zijn vader en in mindere mater over zijn moeder. Verder over zijn broers die naar zijn idee meer in de lijn van zijn vader lopen, over de boeken die hij leest, de vrienden en vriendinnen die hij ontmoet. Han is niet alleen streng voor zichzelf maar ook voor anderen. Hij sabelt hen in zijn dagboek genadeloos neer. 

    Een verscheurd en onzekere man

    Op 30 maart 1950, schrijft hij een passage die veelzeggend is over de persoon Han Voskuil. Hoe hij zich in de eerste klas van de lagere school bij zijn moeder beklaagde dat niemand met hem wilde spelen. Toen ze heimelijk ging kijken stond hij inderdaad alleen midden op de speelplaats. Hij herinnerde zich niet dat hij ooit moeite heeft gedaan, ook niet in andere situaties, om daar verandering in te brengen. Hij stond vaak alleen, passief, onmachtig tot het aangaan van contact. Ook later op feestjes had hij moeite om spontaan met anderen om te gaan.

    In de dagboeken volgen we het leven van deze passieve, geïsoleerde, soms arrogante jongen en later van de ogenschijnlijk zelfverzekerde maar innerlijk verscheurde en onzekere man. Een kritische en meestal niet gelukkige man. Voskuil verklaart dit door zijn opvoeding waarin hij volgens hem verkeerd is geprogrammeerd. Met name zijn vader, Klaas Voskuil, die hoofredacteur van het Vrije Volk was en fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, is de gebeten hond. Zijn vader was een gedisciplineerd en maatschappelijk betrokken man die de gevoelige zoon enorm onder druk zette door van hem veel te verwachten en te hameren op het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voskuil zocht, zoals alle adolescenten, richting en was daarbij erg kritisch op zichzelf, alsof zijn vader bij alles over zijn rug meekeek.

    Tegenover zijn vader voelde hij zich laf en inferieur. Hij heeft daardoor voortdurend ‘mishagen’ aan zichzelf om het maar eens ouderwets te zeggen. Hij beklaagt zichzelf voortdurend in zelfanalyses: ‘Ik ben me zo overbewust van wat ik zeg en doe, dat ik mezelf in de weg zit. Mijn leven lijkt me waardeloos en zinloos. (…) dat gevoel dringt zich vooral op als een gevoel van eenzaamheid.’ Slechts af en toe bereikt hij een geluksgevoel, bijvoorbeeld als hij alleen in de natuur is, zonder verplichtingen. Zijn natuurbeschrijvingen zijn beeldend en zonder oordeel. Ook als hij een tijdje zonder werk zit, is hij gelukkig, omdat hij de hele dag doet wat hij leuk vindt:Geen geld en geen baan. Alleen gehinderd door mijn vader die me telkens komt opdrijven en door bezoekers waaraan ik geen behoefte heb.’

    Voorwerk voor Het Bureau

    Deel II speelt voornamelijk in de tijd dat hij werkte op het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, het latere P.J. Meertens Instituut in Amsterdam. Hij speculeert in het dagboek al over het schrijven van een roman over dit langdurige werkverband. ‘Een verhaal over het Bureau, gezien als een gesticht of een gevangenis, maar zo overtuigend dat de lezer ziet dat er geen verschil is.’ Hij schreef Het Bureau in de jaren na zijn pensioen, het is een verwerking van zijn werkzame leven op het bureau tot autofictie. Het is interessant na te gaan waarin de dagboeken verschillen van de romans die hij later schreef.

    In Het Bureau neemt hij in alle opzichten meer afstand dan in zijn dagboek. In zijn dagboeken schrijft hij naturel, zonder er een verhaal van te maken. Hij beseft dat dit niet ‘werkt’ voor een lezer, dat zegt hij zelf met zoveel woorden op 24 maart 1964: ‘Ik realiseerde me dat de kracht… zit in de afstand.’ In de roman neemt hij afstand in de tijd en meer afstand van zijn eigen persoon en van andere personen met wie hij werkte en omging. In de roman draait het om een persoon in zijn werkomgeving en is veel uit het dagboek weggelaten, terwijl hij uit zijn geheugen een en ander heeft toegevoegd. In het dagboek komt alles serieus, klagerig en gelijkhebberig over, het is geschreven in de emotie van het moment. Niemand deugt, weinig boeken zijn de moeite waard, liefde en vriendschap zijn een illusie. Hij zet zich vaak alleen tegenover de wereld en aarzelt niet zijn nare trekjes breed uit te meten. De figuur van Maarten Koning in Het Bureau heeft die trekjes ook wel, maar doordat hij deel uitmaakt van een werkgemeenschap van mensen op een bureau, lijkt het allemaal wat minder zwaar. Han Voskuil wekt irritatie op, Maarten Koning lachlust. 

    Van dagboek tot roman

    In de roman gebruikt hij allerlei stilistische trucjes waardoor het verhaal een eenheid wordt. Eén daarvan is de herhaling. Doordat hij de personages telkens op dezelfde wijze met tussenzinnen introduceert en hun stereotype gedragingen en vaste gebaren meegeeft wordt Het Bureau een soap, een herkenbare wereld van eindeloze herhalingen, die de lach opwekt. Hij beschrijft de ander weliswaar stereotype, maar ook bijna liefdevol en herkenbaar. Daardoor wordt de lezer toeschouwer van een wereld rondom Maarten Koning en leeft hij mee met de hoofdpersoon. Koning wordt met zelfspot beschreven door Voskuil. In het dagboek klaagt hij zichzelf aan.
    Het Bureau is een eenheid, waarin Voskuil achteraf verantwoording over zijn leven aflegt. Het dagboek is een ratjetoe van meningen en emoties, afkeuren en voorkeuren, afwijzing en omarming, zodanig veel en heftig dat je af en toe zegt: ‘‘t Is wel goed zo’. De ervaringen stapelen zich op, terwijl hij geen verbinding met zichzelf krijgt. Zoveel inkt en papier gebruikt en toch niet in evenwicht gekomen. Het is schrijnend allemaal.  

    Toch biedt het dagboek veel mooie dingen. Door Voskuil te volgen krijg de lezer een persoonlijk beeld van de oorlogstijd en van de jaren vijftig en zestig. De discussies met vrienden over de maatschappelijke en literaire ontwikkelingen zijn soms interessant en verplaatsen je naar een andere, door het existentialisme gekenmerkte tijd. En niet te vergeten: de fraaie reis- en natuurbeschrijvingen. Voskuil kon als jongen al goed schrijven; hij ziet veel en registreert details. Hij kent als stadsmens de natuur, de verschillende planten en vogels op Ameland bijvoorbeeld als hij daar verblijft. Af en toe heeft hij schitterende observaties. Als jongen van 21 jaar oud schrijft hij op 16 januari 1945 naar aanleiding van de gedragingen tijdens de hongerwinter: ‘Er wordt alleen aan eten gedacht, alleen over eten gepraat, en over het weer nu de brandstof op is en de vorst niet wil wijken. Wie kon vermoeden dat dit dier zo weinig mens en zoveel dier is?’ 

    De dagboeken dienden als grondstof voor het schrijven van Het Bureau waarmee Voskuil zich onsterfelijk heeft gemaakt voor zijn lezers. Zonder de dagboeken was de roman er nooit geweest. Uit de dagboeken komt een treuriger beeld van Voskuil naar voren dan dat van zijn alter ego Maarten Koning in de romans. Door het schrijven van deze roman maakte hij van zijn leven een eenheid. Van enige afstand ontdekte Voskuil wat er misging in zijn leven.