• Over een oude en een nieuwe aarde

    In haar laatste roman Gebied 19 schept Esther Gerritsen, naast de bestaande aarde, eenzelfde planeet met de naam TOI-700d, die zich lichtjaren ver weg in het heelal bevindt. De nieuwe aarde is een replica van de oude, al is alles wat groter. Ongeveer de helft van de bevolking van de oude aarde is hiernaartoe verplaatst. Het regime op de nieuwe aarde probeert te voorkomen, dat de bewoners omkijken naar het verleden en zich bekommeren om de achterblijvers. Het internet wordt er gecontroleerd om de bewoners te beletten zelfstandig informatie te verzamelen. De nieuwe aarde bestaat ten koste van de oude. De oude aarde is voor de nieuwe een ‘backup’, een voorraadkamer van voedsel en grondstoffen.

    Esther Gerritsen werkt deze fantastische constructie uit in een verhaal dat zich concentreert op de lotgevallen van Tomas Boom en zijn vrouw Suzanne, met wie Tomas net getrouwd is. Als hij op de ochtend na de dag van de huwelijksvoltrekking wakker wordt, is zij weg. Al snel komt hij erachter, dat zij van de aardbodem verdwenen is, evenals zijn buren, zijn zoon Parker en zijn moeder. Hij is achtergebleven met de mensen boven de veertig, die op de nieuwe aarde niet nodig zijn. Dat is het begin van een zoektocht naar zijn geliefden, een zoektocht die uiteindelijk op een verrassende manier slaagt.

    Een ander leven

    In deze roman zijn er mensen die zich verzetten tegen de verplaatsing en mensen die zich erbij neerleggen. Die laatsten bevinden zich grotendeels op de nieuwe aarde. Voor degenen die toch nog moeite hebben om de oude aarde te vergeten staan drie wegen open. De eerste mogelijkheid is dat ze zich laten immuniseren voor heimwee, nostalgie en medegevoel met de achtergeblevenen. Via medische experimenten gericht op Gebied 19 in de hersenen, waar iedere eerste indruk aankomt, herinnert voortaan geur, klank noch woord nog aan de oude aarde. De tweede mogelijkheid is jezelf in de vergetelheid te drinken en de derde mogelijkheid is dat er voor de twijfelaar zulke plezierige omstandigheden worden gecreëerd dat er geen enkele reden meer bestaat om terug te verlangen naar de oude aarde en allen die daar op wonen.

    Dat laatste overkomt Tomas. Hij wordt uiteindelijk toch nog naar de nieuwe aarde verplaatst waar men hem tot bestsellerauteur maakt terwijl hij op de oude aarde een marginaal schrijver was. Dat verleidt Tomas echter niet zijn verzet tegen de nieuwe wereld te staken. Hij kan en wil zich niet conformeren aan een wereld waarin mensen hun verleden vergeten en geen medegevoel met anderen hebben.

    In verzet

    Tomas blijft zich hardnekkig verzetten. Hij voelt zich op de nieuwe aarde als iemand op een tuinfeest die zelf net van een begrafenis komt. Tomas wil zich niet neerleggen bij het ontkennen van de ramp die de oude aarde bedreigt en neemt de anderen kwalijk (moeder) of benijdt ze (Parker) dat ze van niets willen weten of van niets weten. Hij weigert de mensen die achtergebleven zijn te vergeten en gaat hen min of meer idealiseren, als echte mensen. En ‘echt’, is een verboden woord op de nieuwe aarde, want dat zou betekenen dat de mensen op de nieuwe aarde ‘nep’ zijn. De meeste mensen negeren zijn protest, of hebben er de pest aan; slechts af en toe vindt hij een medestander die (nog) eenzelfde heimwee heeft. Het nieuwe regime lijkt zijn protesten te tolereren. Hij wordt in de watten gelegd, als schrijver vereerd en zijn boeken lopen als een trein. Tevergeefs. Hij blijft zich verzetten. Dat heeft uiteindelijk consequenties, voor hem en voor zijn hele gezin.

    Wellicht beïnvloed door de covidquarantaine die mensen van elkaar scheidde, probeert Gerritsen via een groot verhaal te onderzoeken wat er gebeurt als mensen uit hun vertrouwde wereld worden gehaald of alleen komen te staan. Al houdt ze zich niet bezig te houden met de technische kant van de constructie. Ze geeft geen enkele aanwijzing hoe de mensen verplaatst worden over lichtjaren afstand of hoe zo’n identieke, maar iets ruimere wereld tot stand is gekomen. Ze gaat er van uit dat de lezer haar hierin gewoon volgt. Als in een kinderboek. Ze geeft geen uitleg hoe die nieuwe aarde een kopie van de oude kan worden. In een interview in Trouw zegt ze: ‘…echt of niet, dat maakt niet uit. Als het maar invoelbaar is geschreven.’

    De nieuwe orde

    Schrijven kan Gerritsen als geen ander. Haar dialogen zijn vlot en lopen soepel, hier en daar gevat. Dat is echter wat anders dan invoelbaar. Gerritsen maakt hele rare sprongen in het verhaal. Waarom Tomas uiteindelijk toch op de nieuwe aarde wordt geplaatst blijft onduidelijk. De roman is een constructie die gebaseerd is op een grabbelton aan invallen en meningen. Halsstarrige hoofdpersoon Tomas laat je koud, ondanks zijn sympathieke weigering zich aan te passen. Helemaal niet invoelbaar is het gebrek aan verwondering bij de mensen die op de nieuwe aarde geplaatst zijn. Alsof ze gedrogeerd zijn accepteren ze de nieuwe wereld als een gegeven. Tomas’ zoon Parker van twaalf jaar verdedigt de nieuwe orde alsof hij hem zelf bedacht heeft. Verder is de verhouding tussen Tomas en Suzanne ook moeilijk te vatten. Ze houden veel van elkaar, maar blijkbaar is de een (Suzanne) erin geslaagd wel volledig op de hoogte te zijn van de komende verplaatsing, terwijl de ander (Tomas) er helemaal niks van wist. Gerritsen heeft hoofdpersonen gecreëerd die een bepaalde houding geïncarneerd hebben, maar het zijn geen mensen van vlees en bloed.

    Het gedachtenexperiment wordt nergens verontrustend en zet niet echt aan tot denken. Daarvoor is het allemaal wat te ongeloofwaardig en zijn de personen te eendimensionaal. De schrijfster is te veel gefascineerd door haar eigen constructie. Toen ze op het idee van deze roman kwam, zei ze tegen zichzelf: ‘Het is dit of niks, je ziet maar waar het schip strandt.’ Wie het boek uitleest en aan het open einde is gekomen weet dat de schrijfster al op een vervolg aan het broeden is en dat het schip, wat haar betreft, nog niet gestrand is.

     

     

  • Nuchtere zelfspot

    De columns van Frits Abrahams over zijn kleinkinderen verschenen tussen 2005 en 2019 in  NRC-Handelsblad en zijn nu gebundeld, 53 stuks in totaal, in een boekje met de titel Toen ze nog klein waren – Kroniek over kleinkinderen. Heel wat grootouders zullen ze herkennend en met een glimlach gelezen hebben. Ondertussen zijn de kleinkinderen jonge tieners en schrijft Abrahams niet meer over ze om ze te beschermen, zegt hij in de epiloog. Maar voor hen, zichzelf en vele lezers zal het fijn zijn dat hij die eerste jaren van zijn grootvaderschap wel vastlegde wat ze zeiden en deden, als voorbode van de mensen die ze nu zijn. Want met zijn verve, trots, vertrouwde zelfspot en milde maatschappijkritiek geeft Frits Abrahams daarmee ook een mooi beeld van een hele generatie.

    De columns zijn gerangschikt volgens een chronologisch groeien door de tijd. In de eerste column wordt de oudste kleinzoon Glenn geboren. Abrahams kijkt er nog onwennig naar, maar hij is vastbesloten er het beste van te maken. Na Glenn komen er nog drie kleinkinderen. Zusje van Glenn, Fay, (zonder e, maar wel afgeleid van Faye Dunaway) en bij een andere dochter komen Hidde en Jens.

    Model-grootouders

    Wat een stel model-grootouders hebben deze kinderen. De blijmoedige opa met zijn licht ironische kijk op de wereld, met zijn opvoedende, bijsturende – al is dat nauwelijks nodig – invloed. Abrahams is een opa die geniet van de lusten, de lasten laat hij graag aan zijn vrouw en de ouders over.

    De kapstok voor iedere column is een kleine of grotere gebeurtenis met een van de kleinkinderen in de hoofdrol. Abrahams weeft daar altijd weer een fijnzinnige beschouwing op de samenleving doorheen, bijvoorbeeld als hij zijn verbazing uit over het gebrek aan mannen op de kraamafdeling wanneer hij en zijn vrouw op kraambezoek gaan bij hun eerste kleinkind. ‘”Hoeveel mannen, afgezien van die ene gynaecoloog, heb je op de kraamafdeling gezien?” vroeg ik mijn vrouw, die deed of ze in vaste dienst was. “Niet één,” zei ze, zonder triomf – die was ze allang voorbij. Zo verschrompelen in het uur U de heren van de schepping als hun penis na de daad.’

    De eerste treinreis van Glenn is voor opa een spannende gebeurtenis. Wat gaat er allemaal om in het hoofdje van kleinzoon? Duidelijk hele andere zaken dan die opa belangrijk acht. ‘Voor Glenn telden alleen de lege rails, die enkele meters verderop evenwijdig met de onze liepen. O die onbegrijpelijke rails. Waarom waren ze daar? Waarom was één paar rails niet voldoende.’

    Zwarte Piet was aardig

    Logeerpartijtje, spelletjes doen, voorlezen, wat opa graag doet, want Glenn liet al weten dat ‘lezen niet mijn favoriete hobby is’. Uitstapjes naar theater, museum of dierentuin, de grootouders staan steeds weer klaar. In Artis bijvoorbeeld was Mawa, een orang-oetanman overleden. ‘Er hing deze morgen een fletse schemer in het apenhuis en opeens kreeg ik de gewaarwording dat ik in een bejaardentehuis rondliep, ook zo’n ruimte waar mensen doelloos en dof op hun einde wachten.’

    Ook Sinterklaas komt aan bod. Het geloven, en niet meer geloven van de oudere kleinkinderen; samen naar een sinterklaasfilm in de bioscoop. En uiteraard kleine prikjes ergernis over de Zwarte Piet-discussie. Abrahams doet dat subtiel naar aanleiding van een herinnering aan een Sinterklaasbijeenkomst in 1981, die circulerend op een geluidsbandje laat horen dat zijn dochter niet wilde zingen voor Sinterklaas. Ze vond het eng, maar Zwarte Piet, die was wel aardig.

    Bezoekjes aan McDonalds, Burgerking en poffertjes eten. Afzwemmen voor de zwemdiploma’s, opa en oma leven mee en genieten met volle teugen van hun jonge nakroost. Dankzij Abrahams’ beschouwende afstandelijkheid en nuchtere humor zijn deze columns een mooie herinnering aan de jeugd die snel voorbij gaat.

     

  • Een wolf op ontdekkingsreis

    Het lukt de Britse prentenboekenauteur Rachel Bright telkens weer om jonge kinderen een levensles te bieden op een manier die tegelijk liefdevol, vrolijk en duidelijk is. Uitgekristalliseerd en doordacht weet ze alle onderdelen van het verhaal toe te spitsen op die ene vaardigheid waarop ze de nadruk wil leggen. In Tweevechtende eekhoorntjes bood ze handvaten om ruzies op te lossen en de bestseller Een leeuw in de muis liet zien hoe je groots kan zijn, zelfs als je klein bent. Ook in Wolfje wil naar huis lukt het haar om een heldere boodschap mee te geven.

    Lees verder op Jong Literair Nederland

     

     

  • ‘Zo oud moest ik worden…’

    Mijn kat springt bliksemsnel naar het touwtje dat ik voor zijn neus laat dansen. Ik trek het niet vlug genoeg omhoog en hij slaat zijn klauwen in mijn duim. Een kleine, maar diepe snee, een stroompje bloed loopt onmiddellijk langs mijn pols. Als ik met mijn duim in mijn mond met mijn andere hand naar de pleisters graai, roep ik haastig naar mijn geschrokken huisgenoten dat het niet de kat zijn schuld is, hij kon er niets aan doen, ik had beter moeten opletten. Waar komt die haast vandaan om hem zonder voorbehoud te beschermen? Ik heb dit eerder meegemaakt, of waarschijnlijker, gelezen. Later die dag weet ik het plotseling: het komt uit een van de verhalen van Gerard Walschap, dat me zo dierbaar is: Het vosken.

    ‘Zo oud moest ik worden en nog altijd niet weten wat liefde is om het van het kleine meisje met het vosken te moeten leren.’ Zo begint het verhaal van Gerard Walschap (1898-1989) dat opgenomen is in de bundel Het kleine meisje en ik uit 1953, die zeven novellen bevat: Moord op het konijntje, Corruptie bij een schildpad, De twee katjes, De rashond, Speelgoed van Sint-Niklaas, Het vosken, De boodschappen voor het consulaat. Vijf van de verhalen handelen over dieren, geschreven voor zijn enige dochter Carla (1932), ‘omdat zij van zeer klein af vertederd hield van al wat leeft en beweegt.’ De novelle Het vosken verscheen al afzonderlijk in 1951 in het decembernummer van De Nieuwe Stem, maandblad voor cultuur en politiek.

    Voor de bijl

    Omdat het Walschaps bedoeling was dat zijn dochtertje zich in de verhalen zou kunnen herkennen, besloot hij om zich te houden bij bestaande personages en gebeurtenissen en zijn verbeelding zo weinig mogelijk te laten spreken.* Dus moet het echt gebeurd zijn: hij loopt met zijn dochter over de vogelmarkt in Antwerpen, zoals ze elke zondag doen, en ineens zien ze daar een man met een klein roodachtig hondje staan. Hoewel ze niet van plan zijn iets te kopen – ze hebben al een kat en een papegaai – maakt de vader een praatje met de man en verneemt dat het geen hond is, maar een vosje. In één enkele alinea doorloopt Walschap dan een scala aan gevoelens: ‘Een diepe afschuw deed ons hem de rug toekeren, een plotse vrees deed ons omkijken om hem in de gaten te houden tot wij weg waren, een hevige nieuwsgierigheid deed ons weer een beetje naderen en een onbegrijpelijke genegenheid deed ons vertederd van hem houden.’

    Er volgt een gesprek van voor- en nadelen van het houden van een vos, waarin de verkoper zijn vosje aanprijst: ‘Meneer, dat kunt ge niet geloven, hoe lief dat beestje is, wat vriendschap ge daar van hebt’. Vier pagina’s lang staat de schrijver in tweestrijd, uitvoerig wordt het verlangen van het hart afgezet tegen de tegenwerpingen van het gezond verstand. Uiteindelijk kopen ze het beestje en lopen in een gelukzalige roes naar huis, waar het grote meisje, de vrouw van de schrijver, hen in een verontwaardigd sermoen weer met beide benen op de grond zet. ‘Ik durfde het klein meisje onder het langdurig onweer zelfs niet aankijken, uit vrees onwillekeurig te glimlachen van vreugde omdat wij het vosken toch maar hadden.’

    Deze opmerking laat zien hoe goed Walschap zowel de rol van het kind als die van de ouder vertolkt. Tegenover zijn vrouw is hij de redelijke en verstandige volwassene, zoals hij dat ook was in het gesprek met de verkoper, maar in zijn hart is hij een kind, dat samenzweert met het kleine meisje om de grotemensenwereld te pareren. Dat deze wisseling van rol vaak in één zin gebeurt, getuigt van het kundige schrijverschap van Walschap.

    Arme Coco

    De kinderlijke vreugde om het vosje slaat al gauw om in volwassen zorgen: hoe lief Reintje ook is, het stelen kan hij niet laten. Er verdwijnen eieren, vlees en melk en een buurman komt klagen over het doodbijten van zijn sierduiven. De vader belooft dat hij de vos voortaan binnen zal houden. De scène levert een gesprek op dat zo levensecht is dat je denkt erbij te staan.

    En dan bijt de vos uit verveling of uit frustratie in een onbewaakt ogenblik de papegaai Coco dood. De verteller kiest in deze situatie de kant van de rede, van de volwassenen, en pleegt daarmee verraad aan de vos, aan het kleine meisje, maar zeker aan het kind in zichzelf: ‘Halt, zei ik kalm, nu hebben wij hem eindelijk op heterdaad betrapt, nu moet hij voelen wat hij misdaan heeft.’ Hij roept de vos bij zich, maar het dier, dat anders ‘op een vingerknip gehoorzaamt’, kruipt onder de kast, geschrokken van de stem die de vader opzet. ‘Daar het nu paedagogisch verkeerd is een vos te laten ondervinden dat hij zich geruime tijd aan een in de wind geslagen bevel kan onttrekken’, jaagt de man hem met de kachelpook onder de kast vandaan, de kamer door. Als hij het dier in een hoek gedreven heeft en het met de pook wil slaan, werpt het kleine meisje zich over de vos heen om hem te beschermen, maar in paniek bijt het beest in haar hand. En dan voltrekt zich het inzicht waarvan sprake is in de eerste zin:

    ‘Duizendmaal had ik gelezen van grote en kleine filosofen wat liefde is en nu zat de liefde daar zelf voor mijn ogen, nu begreep ik ze. Ik begreep dat liefde de zorg en onrust baart die het meisje om het vosken had geleden, ik begreep dat liefde de pijn veroorzaakt van zijn tanden in haar vlees dat toch zo bang van pijn is en ik begreep dat liefde ondanks dat alles de slagen van de stoofhaak opvangt.’

    Kleintjes

    Het meisje draagt de wond in haar hand als een ereteken van het verbod tussen haar en de vos: ‘Het was alsof hij nu meer van haar was, inniger met haar verbonden door zijn misdaad en haar vergiffenis.’ Maar de man wrijft de vos met zijn snuit door het bloed van de papegaai en zet hem daarna buiten. De vos verbergt zich in de tuin en vlucht als het meisje hem eten wil brengen. Ze hebben hem nooit meer gezien.

    Het verhaal zou hiermee een mooi einde vinden, maar Walschap gaat verder: het kleine meisje vraagt hem om een brief aan Reintje te schrijven, dan zal hij wel terugkomen. Deze brief is een van de ontroerendste epistels in de literatuur, kinderlijk eenvoudig, onopgesmukt en vol liefde. De vos mag gerust terugkomen, alles is vergeten en vergeven. En anders moet hij naar Polen of Rusland reizen, waar onbewoonde streken vol vossen zijn bij wie hij zich kan aansluiten. Misschien krijgt hij er ‘vele kleine vosjes, die van geboorte half tam zijn en zich misschien door een brave Pool uit het nest laten nemen en naar huis dragen. Het zou natuurlijk een duizendste geluk zijn, zegt het klein meisje, maar men kan het toch nooit weten, misschien staat nog eens een van de acht of tien kleintjes van Reintje op de vogelmarkt en dan kopen wij het direct.’

    Als Walschap dit bijzondere verhaal geschreven heeft in 1951, dan moet zijn dochter Carla 19 geweest zijn, jong genoeg om zich de episode te herinneren en oud genoeg om de liefde in het verhaal te herkennen. De novelle valt op in het oeuvre van Walschap als een bloem in het asfalt, want zijn bekende romans Houtekiet of Een mens van goede wil behoren op grond van hun inhoud tot het naturalisme van de 19e eeuw, realistisch en bruut als ze zijn. Ze kwamen op de index van verboden boeken terecht, waarvan ze pas in 1966 afgehaald werden.

    Dit verrukkelijke verhaal over de liefde voor een dier en een dochter is ontroerend, zonder valse schaamte, zonder sentimentaliteit. ‘De mensen, die ons eenvoudig verhaal van ons Reintje lezen en hem zelf niet gekend hebben, zullen met onze brief lachen, maar als zij eens heel veel van een dier gehouden hebben, dan niet’, zegt Walschap in zijn slotwoord. Zoals ik van mijn kat hou, denk ik, terwijl ik een nieuwe pleister op mijn duim plak, maar ik ben wat dat betreft ook nog maar een klein meisje.

     

    *Bron: Albert Westerlinck, Gesprekken met Walschap. Tweede deel: Van Soo Moereman tot Het Avondmaal. Heideland – Orbis, Hasselt 1970.

     

     


    Dit is een bijdrage over een boek uit de boekenkast van een van onze recensenten.

     

     

  • Boeiend portret van een hooggeleerde 20e eeuwse neerlandica

    In maart 2022 kwam het boekje Late liefde uit, een portret van Margaretha Schenkeveld, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde. Schrijfster Jannetje Koelewijn leert haar in 1977 kennen als zij zelf als studente Nederlands aan de VU in Amsterdam begint en Schenkeveld daar hoogleraar is. Enkele anekdotes laten zien hoe zij tegen deze geleerde vrouw opkijkt en waardoor zij haar 42 jaar later nog altijd niet durft te benaderen, in dit geval voor een interview over de teloorgang van de universitaire studie Nederlands. Een jaar later komt het toch tot gesprekken: Koelewijn wordt door Schenkeveld bij haar thuis uitgenodigd. Vanaf dat moment zijn die bezoekjes de kapstok waaraan dit geschreven portret in korte hoofdstukjes is opgehangen. Er volgt steeds weer een nieuw element, een nieuwe anekdote, een nieuwe fase. Koelewijn voegt eigen ervaringen en bespiegelingen toe en dit alles levert een gevarieerd, prettig leesbaar en interessant verhaal op.

    Margaretha Schenkeveld is geboren in 1928 in Alkmaar. Ze is een meisje dat al van jongs af aan van geschiedenis en lezen houdt en dat al vanaf de zesde klas, nu groep acht, weet dat ze Nederlands wil gaan studeren. In 1940 gaat ze naar het stedelijk gymnasium, waar ze vanaf de tweede klas Grieks krijgt van Arie Hoekstra, een getrouwde man van 29 jaar oud. Margaretha mag hem graag, wordt verliefd, houdt van hem. Vierendertig jaar later bekennen ze elkaar de liefde, ze trouwen in 1976 en tot Aries overlijden in 1987 zijn ze gelukkig samen. Rondom deze liefde, de toenadering en het samenzijn zijn geen wilde intriges of smachtende jaren beschreven. Het is zoals het is: Margaretha is tot haar 47e alleen geweest en heeft het al die jaren druk met haar studie, haar werk en met de zorg voor haar ouders.

    Voorbije tijd

    Titel en achterflap van het boekje doen vermoeden dat het vooral over de bijzondere liefde(sgeschiedenis) van Schenkeveld en haar Arie Hoekstra gaat. In werkelijkheid is het ook en misschien meer nog een beschrijving van erudiete oude mensen en van dingen die voorbijgaan, onder andere aan de faculteit der letteren en bij de studie Nederlands. Er wordt een beeld geschetst van Schenkevelds achtergrond en omgeving in de vorige eeuw, van het onderwijs en van schuivende panelen in het land van de literatuur. Daarmee is Late liefde niet alleen een droevigstemmend feest der herkenning voor neerlandici opgeleid in de vorige eeuw, maar houdt het hen ook een spiegel voor. Een spiegel niet alleen van ‘neregeb’, begeren naar de goede oude tijd, maar ook één die helpt relativeren en wellicht helpt bij het vooruitkijken.

    Margaretha Schenkeveld is 92 als ze de gesprekken met Koelewijn voert. Ze heeft een rijk leven achter de rug. Als wetenschapper heeft ze bijna alles bereikt wat er te bereiken valt: ze is gepromoveerd, is jarenlang hoogleraar geweest en is geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In haar privéleven is ze nog ruim tien jaar samen geweest met de liefde van haar leven. Wat opvalt is haar milde nuchterheid in het omzien. Dat ouders een stokje staken voor ‘gemengde huwelijken’ vond en vindt ze nog altijd heel normaal.

    Treurig verhaal

    Schenkeveld studeert onder andere af op de 19e eeuwse schrijver Willem de Clercq. Zij houdt erg van het werk van de dichter Leopold, haar Arie hield vooral van Boutens’ gedichten. Deze schrijvers zijn net als Bosboom-Toussaint, Nijhoff, Gorter en de Tachtigers allemaal onder het stof van de tijd verdwenen. En dat is niet het enige wat drastisch veranderd is. Nadat in 1968 de Mammoetwet is ingevoerd en er een vwo-opleiding ontstaat zónder klassieke talen, is een diploma in die talen geen voorwaarde meer voor het volgen van de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde. Dat legt de studie geen windeieren. Honderden studenten per jaar beginnen aan diverse universiteiten in het land aan de studie Nederlands. Er is zelfs een plaatsingslijst. Studeren aan de universiteit wordt later ook toegankelijk gemaakt voor ‘stapelaars’ wat het startniveau van de startende studenten vaak verlaagt.

    De laatste decennia is de studie Nederlands versnipperd en uitgekleed waardoor er inmiddels nog maar weinig eerstejaars studenten zijn. De ene na de andere faculteit sluit, leerstoelen verdwijnen. Als het gaat om veranderingen in het Nederlandse onderwijs, valt wederom Schenkevelds mildheid op. Velen klagen steen en been over de invoering van de Mammoetwet, zij pleitte als lid van de Academische Raad vóór het toelaten van vwo’ers zonder Grieks en Latijn. ‘Doe dat nou maar […] want het is toch niet tegen te houden.’ Koelewijn noteert, vraagt soms door, oordeelt niet expliciet, maar God hoort haar brommen. Over het verdwijnen van de leerstoelen schrijft ze: ‘[Schenkeveld] zuchtte. “Het is zo’n treurig verhaal.”‘

    Schenkeveld is een vrouw die trots zijn op zichzelf ‘aanmatigend’ vindt. Maar het eerste wat ze aan Koelewijn vraagt, is of zij niet trots is op haar opleiding? Waarom noemt zij zichzelf geen neerlandica, maar journalist? Literatuur heeft tegenwoordig geen aanzien meer, daar zijn de beide neerlandici het over eens. Het zij zo. De lezer zal onwillekeurig denken aan rode vlaggen die al gehesen zijn voor de schoolvakken en universitaire studies Frans en Duits. (Universitair) docenten en studenten van deze vakken kunnen hun borst natmaken.

    De schrijver is dood

    Interessant is het dat Schenkeveld in sommige kwesties afstandelijk blijft. Koelewijn vraagt zich dan af ‘hoe eerlijk ze tegenover zichzelf was.’ Wat lees je als je troost zoekt? vraagt Koelewijn haar bijvoorbeeld. Schenkeveld declameert dan Leopolds beroemde ‘peppelgedicht’ waarin hij treurt over een onbereikbare geliefde: ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’. Zij heeft tientallen jaren moeten wachten op de vervulling van haar liefde, maar een verband tussen de keuze voor dit troostgedicht en haar lange wachten wordt door haar zelf niet benoemd.

    Zij wil ook niets weten van een verband tussen leven en werk. ‘[…] de persoon van de schrijver doet er niet toe.’ Het Heilige Adagium van de literatuurbeschouwers van de vorige eeuw is: ‘de schrijver is dood’. Het is daarbij onwetenschappelijk om werk van een schrijver te verklaren vanuit biografische gegevens. Dat zien we terugkomen als Koelewijn met Schenkeveld over haar lezing over poëzie van drie Nederlandse schrijfsters, Betje Wolff, Henriëtte Roland Holst en Ida Gerhardt, spreekt. De lezing gaat over werk waarin deze sterke, zelfstandige vrouwen zichzelf onderzoeken. Wolff spot met de eisen die aan een echtgenote en (huis)vrouw worden gesteld, HR Holst bevraagt haar eigen kinderloze leven, bij Gerhardt speelt een geknechte jeugd een rol. Schenkeveld wil het nadrukkelijk niet hebben over de rol van haar eigen jeugd. En speculeren over de onderlinge relatie tussen Wolff en Deken is ook een niet te betreden gebied.

    Interpretatieruimte

    Heel lang heeft Schenkeveld geen relatie gehad. Er waren enkele geïnteresseerde mannen, die hun belangstelling soms op een ongepaste manier uitten, maar die waren kansloos. Ergens in de jaren vijftig krijgt ze een spontane, ongeplande en eigenlijk ongewenste kus van Arie, als hij haar naar het station brengt na een bezoek aan hem en zijn vrouw. In het hoofdstukje hierna verhaalt Koelewijn van een eigen ervaring. Een vader van een vriendinnetje van haar komt dichtbij. Ze beschrijft dit voorval niet om een overeenkomst in grensoverschrijdend gedrag aan te geven, maar om aan te stippen dat het een gevoel van macht kan geven als iemand je leuk vindt. Maar ze bespreekt dit niet met Schenkeveld en laat daarmee interpretatieruimte aan de lezer.

    Koelewijn vraagt soms door, interpreteert meer of minder tussen de regels door, suggereert zo nu en dan. Late liefde is daardoor een mooi portret geworden van een ruimdenkende vrouw. Liefde voor de lang onbereikbare geliefde, voor letterkunde en voor de persoonlijke omgeving krijgen aandacht.

     

     

  • Verontwaardigde grande dame

    Achtentachtig jaar en de pen nog steeds in de aanslag, dat is Judith Herzberg ten voeten uit. Met de bundel Sneller langzaam bewijst ze eens te meer dat inspiratie en gedrevenheid niet hoeven te lijden onder de ouderdom. Zestig jaren zijn er inmiddels verstreken tussen haar debuut Zeepost (1963) en deze nieuwe bundel, een tijdperk boordevol poëzie, maar ook proza, theater- en filmteksten.

    In die zestig jaar is Herzbergs stijl verfijnder en puntiger geworden, terwijl de haast nonchalante bescheidenheid nog steeds aanwezig is. In een recent interview met de Volkskrant (januari 2023) betoogt ze: ‘Niks van wat ik schrijf is echt waar. Je kunt het niet terugbrengen tot de werkelijkheid. Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’

    Engagement

    Toeval of niet, het engagement piept overal tussen de regels door. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Gêne’

    ‘Vind dit nog steeds veel te vrijblijvend
    rijm, sta me nog even bij help
    de gêne van de hoge woorden
    te vermijden help te helpen
    doen begrijpen.

    Onvrijheid dreigt concreet.
    Mijn overhaaste hartslag
    blijft mij, dus ons, laksheid
    verwijten. Mij, die in de tijd
    herkent wat was, toen
    aan den lijve.’

    De terughoudendheid in de eerste strofe, met het subtiele binnenrijm van de ij-klank (vrijblijvend, rijm, vermijden, begrijpen) slaat in de tweede strofe om in een haast verontwaardigde toon. Het is de ‘concreet dreigende onvrijheid’ die de dichter doet herkennen ‘wat was, toen aan den lijve’. De verwijzing is duidelijk: in de Tweede Wereldoorlog als kind ontsnapt aan het transport naar de vernietigingskampen zat Judith Herzberg vervolgens jarenlang in de onderduik. Ervaringen die hebben geleid tot dichtwerk dat vaak doordrongen is van zaken als vrijheid, rechtvaardigheid en menselijkheid. Iedere vorm van onrecht wordt veroordeeld, aangepakt in goedlopende verzen waarin de betekenis altijd herkenbaar is. Ook als het gaat over iets bescheidens als de gehakte damesschoen weet Herzberg haar afwijzing genuanceerd over het voetlicht te brengen:

    ‘Dames!

    We geven toe
    aan dwang en leer
    de voet, gehoorzaam
    aan de schoen
    laat zich
    in vreemde
    vormen dwingen
    maar toch niet
    álles
    met zich doen.’

    In de ritmische opbouw met korte zinnen toont Herzberg haar poëtisch vernuft. Het zijn de terloopse, alledaagse onderwerpen die ze een podium geeft en op doortastende wijze in een vorm giet. Er zit een soort vanzelfsprekendheid in deze werkwijze, alsof ze iets aanhaalt wat allang gemeengoed is, maar juist door de vorm weer opnieuw onder de aandacht wordt gebracht. En dat op volstrekt originele wijze. De lezer herkent de beschreven situatie maar wordt telkens weer verrast door de invalshoek die de dichter gebruikt. Hier wordt poëzie tot middel gemaakt: een manier om de wereld om ons heen uit te leggen en de schoonheid van de gewoonheid te benadrukken door een unieke taalbeheersing.

    Dronken

    Een avondje met overmatig drankgebruik staat aan de basis van het gedicht ‘Ladderzat’:

    ‘Dat wat ik voor een oogwenk houd
    waarin mij, nu het nét nog gisteravond is
    iets over vorig jaar vanuit de vreemde kast
    wordt toevertrouwd blijkt
    nu het alweer bijna
    morgenochtend wordt
    het kijken van twee ogengrote
    hars tranende kwasten
    in het verse hout.’

    Wakker worden in een vreemde kamer en de wereld in een ander daglicht zien, dat is voor de dichter een nieuwe ervaring die een eerdere herinnering corrigeert. Net als in de meeste gedichten is hier te zien hoe Herzberg, met een minimum aan interpunctie, het enjambement beheerst. De trefzekere regelafbreking zorgt voor een stuwende werking die het gedicht, regel voor regel, naar het verrassende einde duwt. Een einde dat herkenbaar is in vrijwel alle gedichten van Herzberg, het is een uitkomst die de lezer op het goede of juist op het verkeerde been zet.

    Het al eerder genoemde engagement is een opvallend kenmerk in deze sterke bundel. Een betrokkenheid die zich het meest uit in verontwaardiging over misvattingen die volgens Herzberg rechtgezet dienen te worden. Of het nu gaat om bedreigde dieren, een ingelijst schilderij, een weerbarstige dekbedhoes, de dichter lijkt een missie te hebben om grote en kleine zaken aan de kaak te stellen en er haar visie op los te laten.

    Ook de liefde ontkomt niet aan Herzbergs verontwaardiging. Het alom gevierde liefdesgedicht ‘The more loving one’ van W.H. Auden is een volgend doelwit dat aangepakt moet worden. Dat gebeurt in het prachtige ‘Ging hij daar prat op’:

    ‘”If equal affection cannot be
    let the more loving one be me.”
    Ging hij daar prat op of hoe zat dat
    eerlijk en edel leek het me
    niet eens zo lang geleden
    nu denk ik: waarmee laadt hij
    de ander op, degene die
    zo’n grote voorraad
    nog niet heeft opgeslagen
    en dat krijgt opgeplakt:
    “less loving one” moet heten
    alsof het meetbaar was.’

    Zo wordt een hartstochtelijke liefdesverklaring die aanvankelijk ‘eerlijk en edel’ leek, omgezet in een aanklacht tegen de meetbaarheid ervan. En tegelijkertijd een bedekte aanval op het haantjesgedrag van de dichter. Als Judith Herzberg die scherpte, in combinatie met haar verfijnde taalbeheersing, overeind weet te houden, valt er hopelijk nog jarenlang van deze dichter te genieten.

     

     

  • Bid voor een goede oogst, maar blijf schoffelen

    Schrijfster Kim Chakanetsa en illustrator Mayowa Alabi hebben een boek gemaakt dat de enorme veelzijdigheid van dit werelddeel voor kinderen uitlegt in Afrika. Encyclopedie van een wonderbaarlijk continent. De twee weten waar ze het over hebben omdat ze in Afrika geboren zijn, maar ook omdat ze de lacunes in de Europese kennis hebben ervaren.

    […]

    Al meteen doorbreken de twee de eurocentrische kijk op de wereld door als uitgangspunt de kaart te gebruiken van de Afrikaanse Unie (de opvolger van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, de OAE). Ze noemen hun boek een encyclopedie.

    […]

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Het absurde bestaan plakt aan de huid

    Hitte maakt ons loom, landerig en doet alles aan elkaar plakken. Het mat ons af. Ook in de gelijknamige debuutroman van Victor Jestin (Frankrijk, 1994) sjokken de personages maar wat rond, klutsend van de zweetdruppels. Net als in het zuiden van Europa dezer dagen, bedrukt de warmte de vakantiegangers in Hitte op een camping in Normandië. Daar spendeert de zeventienjarige Léonard samen met zijn ouders en zusje twee weken van zijn vakantie. Gezellig spetteren in het zwembad, zou je denken. Dolle pret, toch?

    ‘Oscar is dood omdat ik toekeek toen hij doodging, zonder een vinger uit te steken.’ Met die eerste zin bedelft Jestin elke kans op een feelgoodboekje om in het vliegtuig op weg naar vakantie door te bladeren. Want de morbide lijklucht verspreidt zich meer en meer. Diezelfde nacht nog begraaft Léonard Oscar in het zand. Hij kende de dode slechts van ziens. Maar nu is er geen weg meer terug. De nietsvermoedende campinggangers sjokken voort in de hitte: ‘Zonder te weten bouwden kinderen zandkastelen ter nagedachtenis van Oscar.’

    Onder zijn leeftijdgenoten heerst een ongestoorde seksuele experimenteer- en geldingsdrang. Hitte lijkt amper te verschillen van een typische coming-of-age novelle: Léonard is een outcast, zondert zich af maar weet uiteindelijk wel aan te pappen met een populair meisje. Op dat vlak niets nieuws onder de loden zon. Zelfs het feit dat de voortdurende vervreemding zich voortzet tijdens de seks voelt niet bijster verrassend: ‘We plakten aan elkaar maar waren niet samen.’ Maar Jestin weet dit toch handig om te keren, omdat ook Oscar aan Léonards huid plakte.

    Zelfgeschapen schuldgevoel

    Dat plakkerige gevoel behelst niet een zintuigelijke sensatie, maar is vooral een psychologische kwestie. Léonards gemoedstoestand resoneert enigszins met het concept van ‘il y a’, of ‘er is’, gemunt door de Franse wijsgeer Emmanuel Levinas. Het ‘il y a’ is een zijnswijze, een toestand in de werkelijkheid, waarin er volgens Levinas geen onderscheid meer bestaat tussen de dingen. Alles kleeft aan elkaar. Het is één amorfe en onverschillige brij die op elkaar lijkt, zonder dat er echt iets gebeurt.

    Léonard kleeft zelf aan de werkelijkheid. Hij doet zaken zonder noemenswaardige drijfveren te bezitten: ‘Het leek me logisch dat Oscar moest verdwijnen. Ik dacht er verder niet bij na.’ Toen hij toevallig zag hoe Oscar in de touwen van de schommel zat verstrengeld, kon hij hulp inroepen. Maar vanuit een onverklaarbaar motief maakt Léonard zichzelf heel erg schuldig. En dat zelfgeschapen zwaard van Damocles isoleert hem nog meer van zijn familie en de rest van de camping.

    In die absurde levenshouding van Léonard loert het werk van filosoof-schrijver Albert Camus meermaals om de hoek. Vooral de gelijkenissen met Camus’ bekendste boek, De Vreemdeling, springen in het oog. Daarin wordt de zinloosheid van het bestaan getoond en begaat het hoofdpersonage Meursault de meest doelloze moord uit de literatuur. Zelfs de openingszin van Hitte doet qua directe en koude onverschilligheid niet onder voor de beroemde twee eerste zinnen van De vreemdeling: ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet.’

    Absurde frictie

    Wat misschien wel geweten kan worden is dat er eveneens stilistische gelijkenissen tussen beide auteurs vallen te trekken. Net als die van Camus is Jestins stijl compact en puntig. En zelfs in filosofisch geladen opmerkingen blijft de toon observerend en afstandelijk: ‘De camping had haar eigen wetten. Twee weken vakantie, dat was een heel leven. Je kwam aan zoals je geboren wordt, bleek en alleen. Je ging weer weg zoals je sterft, met een zucht van weemoed en opluchting.’

    Die observerende maar spitse schrijfstijl creëert een contrast tussen de frisse focus van de zinnen en de donkere inhoud. Want onder elke zin sluimert het steeds meer ontbindende lijk van Oscar. Maar door de scherpte waarmee Léonard zijn gedachten en observaties meedeelt, wordt er geen bedompte of sentimentele sfeer geschapen. Opmerkingen als ‘Oscars blauwe handdoek moest over de balustrade hangen, veel te droog’ roepen een zintuiglijk en levendig beeld op. Wat schril afsteekt tegen de lugubere inhoud ervan.

    Die afstandelijke verteltoon laat zelfs plaats voor bijtende humor. Wanneer Léonard zich even tot op de bodem van het zwembad heeft laten zakken, bemerkt hij bij zichzelf dat ‘ik hier kon blijven met een mond vol chloor. Een persoon minder op de camping, geen mens die het merkte.’ Niet alle observaties zijn even geslaagd. Vaak verzwakt de impact van een observatie wanneer het absurde te expliciet naar boven drijft: ‘Snel de leegte vullen die mijn leven zwaar maakte.’ Of wanneer Léonard zeilboten ziet passeren volgt uit het niets: ‘Misschien verdrinkt er iemand.’ Tja, of misschien ook niet, denk je dan spontaan, door de willekeurigheid van die zin.

    Als novelle is Hitte op zijn best wanneer de frictie tussen de spitse zinnen en de walgelijke inhoud ervan de absurdheid van het bestaan voelbaar maakt. Qua narratief blijft het verhaal soms wel steken op het niveau van een typisch coming-of-age scenario. Dat doet geen afbreuk aan het feit dat Hitte niet zou misstaan als een hedendaagse variant van De vreemdeling op de leeslijsten in het middelbaar onderwijs. Al blijft Camus’ meesterwerk tot dusver filosofisch radicaler en vernieuwender. Maar Jestin is nog jong natuurlijk. En veel wijst erop dat we nog niet snel van hem verlost zullen zijn. Misschien betreft dit een debuut van een schrijver die nog veelvuldig aan onze huid zal blijven plakken.

     

  • Verrassend moderne verhalen die de honderd zijn gepasseerd

    De verhalen van de Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield (1988-1923) zijn nagenoeg tijdloos. Toegegeven, af en toe duikt er een feestelijk bal, een bediende of een stoomtrein in op. Vergeleken met haar tijdgenoot James Joyce en zijn verhalenbundel Dubliners, die sterk de stempel van tijd en plaats dragen, wijken deze aspecten in Het tuinfeest en andere verhalen voor de uitbeelding van relaties en het innerlijke leven van de personages. Dit zorgt ervoor dat deze verhalen, honderd jaar na publicatie, nog steeds als relevant aanvoelen.

    In de korte verhalenbundel van Hanna Bervoets, Een modern verlangen die precies honderd jaar later werd gepubliceerd, gebruikt Bervoets een vergelijkbare strategie van focus op het emotionele leven en aangegane relaties. In tegenstelling tot Mansfield is bij Bervoets de setting van veel verhalen honderd jaar in de toekomst geplaatst, bijvoorbeeld in de futuristische setting van een ruimteschip. Het resultaat is echter hetzelfde: de ware aard van menselijke relaties wordt onthuld in zijn universaliteit. De relaties en het gevoelsleven van haar personages worden door Mansfield indirect beschreven. De meeste verhalen worden verteld vanuit een positie buiten het verhaal en scherp gesteld via de personages.

    Gebruik van indirecte rede

    Dit scherp stellen, gecombineerd met een slim gebruik van de vrije, indirecte rede, verschuift echter zo onopvallend dat bij sommige zinnen niet met zekerheid gezegd kan worden wiens perspectief ze weergeven. Bijvoorbeeld in het verhaal ‘Het tuinfeest’ wordt het gevoel van een van de dochters van de burgerlijke familie Sheridan, Jose, als een dekkende laag over de gevoelens van de bedienden gelegd. ‘Jose vond het heerlijk opdrachten aan het personeel te geven en zij vonden het heerlijk haar te gehoorzamen. Ze gaf hun altijd het gevoel dat ze deelnamen aan een drama.’ Maar wie zegt dat het personeel het heerlijk vond om haar te gehoorzamen. Is dat Jose? Het personeel zelf? Beweert Mansfield dit? Op subtiele wijze besteedt de schrijfster hier aandacht aan de klassenverschillen en hoe die doorwerken op het gebied van emoties. De gevoelens van het personeel vallen hier niet te achterhalen, ze worden overweldigd door de opgewonden Jose of kunstgrepen toepassende Mansfield.

    De verhalen ‘De kamenier’, of ‘Het leven van Ma Parker’, worden beschreven vanuit personages uit een sociaal lagere klasse. Zoals de lijfmeid van een groep oudere welgestelde dames, of in het verhaal van Ma Parker, een schoonmaakster bij een intellectueel. Over de schoonmaakster is algemeen bekend dat ze een ‘hard leven’ heeft gehad. Hoe hard en hoe ver haar hardheid reikt op emotioneel gebied, wordt duidelijk na de begrafenis van haar enige geliefde kleinzoon. Zij wordt overmand door rouwgevoelens en staat het zichzelf toe om een keer in haar leven te huilen. Zij bevindt zich echter in het huis waarin ze schoonmaakt en kan niet naar haar jongste dochter die bij haar thuis zit. ‘O was er dan nergens een plekje waar ze zich kon verstoppen en alleen kon zijn en zo lang kon blijven als ze wilde, zonder iemand te storen en zonder dat iemand haar lastigviel?’ Het verlangen om haar emoties te uiten wordt weergegeven in aandoenlijk simpele bewoordingen. Het is het meest aangrijpende en trieste verhaal van de bundel dat eindigt met de woorden: ‘En er was nergens een plekje.’

    Randfiguren en wanhopige mensen

    Veel verhalen gaan over randfiguren, eenzame, oude, of wanhopige mensen. ‘De zeereis’ gaat over Fenella, wiens moeder is gestorven. Zij onderneemt een boottocht met haar oma omdat ze bij haar gaat wonen. Mansfield laat op een bewonderenswaardige manier zien hoe eenzaam Fenella is in het midden van de drukte op een passagiersboot. Hetzelfde gebeurt in ‘De vreemdeling’ bij meneer Hammond – in de menigte op de kaai, wachtend op zijn vrouw die terugkomt van een zeereis voelt hij zich minder eenzaam en op afstand dan toen hij met haar eindelijk alleen is in de hotelkamer, en zij op zijn schoot zit. Juffrouw Brill voelt zich in het gelijknamige verhaal een actrice die samen met alle andere mensen in de Jardines Publiques een toneelstuk opvoert, opgenomen in het interessante, beweeglijke, schitterende leven, totdat de gefluisterde woorden van een jongeman haar duidelijk maken dat ze er volgens hem niet bij hoort. De pijn van buitensluiting die deze woorden bij Juffrouw Brill veroorzaken wordt door Mansfield opnieuw indirect weergegeven: ‘Maar toen ze de deksel erop deed, meende ze iets te horen huilen.’. 

    Sommige kunstgrepen die Mansfield toepast om haar personages weer te geven hebben een lange geschiedenis. De schetsen van het menselijke emotionele leven zijn echter op zich al de moeite waard, afgezien van de uiterst subtiele en kunstzinnige manier waarmee ze de ware materie van deze verhalen presenteert. Dankzij haar verfijnde vertelkunst kom je tijdens het lezen dichter bij de kern van het menselijke leven en bent getuige van zijn innerlijke geheimen.

     

     

  • Romantiek in een nieuwe Ierse donkere jas

    De verre voortijd, de elfde roman van Sebastian Barry (1955), leest als een romantisch schilderij. Geen romantiek met rozen en harten, maar romantiek als in het schilderwerk van Turner en tijdgenoten: veel, zwierig, onheilspellend, kleurig, mysterieus. Er zijn veel details, het zit vol emotie, het is overweldigend, het is een indrukwekkende prestatie en soms is het een beetje veel. Kent u het schilderij van de Friedrich Wandelaar boven de nevelen? Op dat schilderij zien we een man op de rug in een deftige jas die vanaf een rots over zee uitkijkt. De zee is woest en mysterieus, er hangt onheil hangt in de lucht. Dat is het gevoel dat Barry met De verre voortijd weet te geven door beschrijvingen als: ‘Tussen de ophaalplek en de parkeerplaats liet de zon alles weer een dag in de steek, de zee ging op zwart en de eilanden gingen op een nog dieper zwart, zwarter dan zwart, en de hemel oogde geschokt en leeg, alsof hij er niet echt op vertrouwde dat de maan straks opkwam en zijn sterrenlegertje zou komen aanstormen als pelgrims tijdens een hadj.’

    Barry, naast auteur ook dichter en toneelschrijver, heeft voor zijn romans verschillende prijzen gewonnen en is de eerste auteur van wie twee romans (De geheime schrift uit 2008 en Dagen zonder eind uit 2017) Costa Book of the Year zijn geworden. Ook is Barry twee maal genomineerd voor de Man Booker Prize. 

    Heropende zaak

    De verre voortijd speelt in Ierland en gaat over een gepensioneerde politierechercheur, Tom Kettle. Hij is weduwnaar en woont in een kasteel in Dalkey, een wijk aan de kust van Dublin waar hij als einzelgänger leeft. Door zijn ex-collega’s wordt hij benaderd om te helpen bij een cold case. De zaak gaat over de moord op een priester waarbij Tom in de jaren ’70 als rechercheur was betrokken. Zijn collega’s hebben de zaak heropend omdat ze met een dossier bezig zijn over een collega-priester die jonge kinderen in een weeshuis seksueel heeft misbruikt. Ze hebben Toms ervaring nodig om meer bewijs tegen de priester te verzamelen. Ook als Toms buurvrouw hoort dat hij rechercheur is geweest, vraagt ze hem om hulp. Ze heeft te maken met een agressieve ex-man met wie ze problemen heeft over het gezag van hun kind. Hij besluit haar te helpen ondanks hun minimale contact. Aan het eind van de roman is de cold case opgelost en heeft Tom zijn buurvrouw geholpen en is duidelijk wat er is gebeurd, waarom het heel zwaar is voor Tom en waarom hij zo intens betrokken raakte bij deze zaak.

    Wie denkt dat we hier met een klassieke thriller te maken hebben, heeft het mis: de roman bevat alle ingrediënten van een ‘whodunit’, maar de stijl en sfeer is anders, literairder, mysterieuzer. De roman gaat over emotie, trauma, filosofie, leven en dood. Existentiële vragen – Wat is ons doel op aarde? Wat is waarheid? Wat is de dood? – worden niet geschuwd. De cold case dient slechts als kader waarin deze thema’s worden behandeld. Bovendien duurt het maar liefst tot pagina 121 voordat Tom echt bij de zaak wordt betrokken. De pagina’s daarvoor geven een beeld van zijn persoon, zijn manier van denken en handelen, zijn werk, zijn leven en vooral van zijn nostalgische gedachten en herinneringen uit de tijd met zijn gezin.

    Vreemde trekken

    De verre voortijd is een veelomvattende roman waarin grote thema’s aan de orde komen als religie, moord en zelfmoord, (seksueel) misbruik, kolonialisme en onderdrukking, drank- en drugsgebruik, depressies en trauma’s. Dat alles tegen een sombere, verstikkende Ierse achtergrond door de ogen van een getraumatiseerde, depressieve oud-rechercheur. Toms jeugd in een weeshuis en slechte ervaringen in het leger hebben hem getekend voor het leven. Ook zijn vrouw June is beschadigd door het weeshuis waar zij is opgegroeid, wat zelfs uiteindelijk tot haar dood heeft geleid en veel impact heeft gehad op het leven van hun kinderen. Het is onmogelijk om niet met Tom mee te voelen na alle ellende die hij heeft meegemaakt. Passages als ‘[Tom gaat] soms met bus 8 naar de stad, zijn eenzaamheid achterlatend, op zoek naar het volle leven, naar genezing zelfs’, komen binnen. Aan het einde van de roman, als de cold case zaak is opgelost, blijft de lezer achter met een gevoel van leegte en begrip.

    Toch heeft Tom ook een aantal vreemde trekken, waardoor hij niet erg sympathiek overkomt. De eerste maanden in zijn nieuwe woning in Dalkey heeft hij geen woord met zijn buren gewisseld en weet hij zelfs niet wie ze zijn. Als zijn collega’s aan de deur komen, wil Tom ze het liefst wegsturen. En dan is er nog zijn vreemde liefde voor zijn vrouw June, die in eerste instantie prachtig en liefdevol lijkt, maar zich ontwikkelt heeft tot een vreemde obsessie of verafgoding van ‘de enige ziel om wie hij gaf: (…), en haar kussenachtige borst, o, wat was ze warm, ja, een kachel, die krankzinnige schoonheid, het woeste genieten, beter dan welke kermisattractie dan ook, beter zelfs dan elk uitzicht op verlaten zee, die volmaakte vrouw, zijn ideaal, ondanks alle ruzies en tumult en woordenwisselingen, de schoonheid waaraan hij alle andere schoonheden afmat, zijn maatstaf, zijn sjabloon, de eeuwigdurende stralendheid van June’. 

    Onbetrouwbare verteller

    De roman is geschreven vanuit het perspectief van Tom, de lezer zit in zijn hoofd. Hij presenteert zichzelf meermaals als onbetrouwbare verteller. Zo zegt hij een aantal keren dat hij iets is vergeten of niet meer weet, dat hij zich heeft vergist en verward is, wat volgens hem te wijten is aan zijn leeftijd. Hij trekt de waarheid ook meermaals in twijfel ‘Hem was gevraagd in zijn geheugen te graven, alsof een mens dat werkelijk zou kunnen’. Hierdoor dwingt de auteur de lezer om na te denken over het begrip waarheid: bestaat er iets als één waarheid? Ook verwisselt Tom soms fantasie met werkelijkheid en denkt hij dat hij misschien een beroerte heeft gehad. Zinnen als ‘hij vond dat hij moest geloven, zichzelf moest geloven’ in combinatie met existentiële vragen als ‘Wie was hij überhaupt, hij wist het niet. Heette hij eigenlijk wel Kettle? Was dat überhaupt een naam?’, dagen uit om zelf na te denken en niet alles van deze (onbetrouwbare) verteller aan te nemen. 

    Het literaire en zwierige taalgebruik in De verre voortijd kan niet onbenoemd blijven. Alleen al de titel: een verromantisering van het woord ‘het verleden’. Barry’s stijl is uitzonderlijk en theatraal: een aaneenschakeling van gedachten, associaties en beeldspraak, met een rijkdom aan woordgebruik. Zo schrijft hij: ‘De stad lag onder een enorme donkere wolkenbuik, als een kind dat zijn boek onder de dekens las, alleen had de stad erg slecht leeslicht’. Complimenten aan de vertaler Jan Willem Reitsma zijn zeker op zijn plaats, die niet alleen de moeilijke taak had om al deze woordkunsten te vertalen, maar ook de sfeer van de roman wist over te brengen en Barry’s cynische humor te behouden, ‘het was officieel zomer, dus de inwoners van Dalkey deden hun jaarlijkse poging daarin te geloven, en zoals gewoonlijk solde het weer met hun geloof’. Barry’s bijzondere stijl zorgt ervoor dat sommige passages vragen om herlezing om zijn woorden nog eens goed te ‘proeven’ en te laten doordringen. Want hoewel de romantische ‘woordenzee’ soms erg woest is en de beeldenlucht erg dreigend, is De Verre Voortijd een unieke en interessante roman die de lezer bij zal blijven en aan het denken zet.

     

     

     

  • Bruisende binnenwereld

    Ik ben stil van Andie Powers, met illustraties van Betsy Petersen is een verhaal over en voor de introverte persoon die we allemaal in ons hebben. Het boek geeft de lezer een kijkje in de belevingswereld van Emiel. Emiel is van buiten een stil kind maar met een bruisende binnenwereld. Emiel ervaart de wereld om zich heen anders dan de meeste mensen. Hij luistert graag naar zijn omgeving en hoort en ziet van alles.

    […]

    Lees verder op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Toegang tot het levende verleden

    De Amerikaanse journalist Virginia Cowles schreef in 1941 Looking for trouble, waarin ze haar avonturen als verslaggever van oorlogshandelingen vastlegde, van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 tot aan de Battle of Britain in 1940. Het boek verscheen onlangs voor het eerst in een prachtige vertaling getiteld Op oorlogspad van Auke Leistra op de Nederlandse markt.

    Virginia Cowless maakte van 1936 tot 1940 een tocht ‘achter de vlammen aan’ langs alle gewapende conflicten in Europa. Van Spanje, via Tsjechoslowakije, Polen, Finland naar Engeland. Spanje is volgens haar het begin van alle ellende geweest, omdat de overwinnaars van 1918 zich er niet mee bemoeiden en de vrije hand gaven aan Hitler en Mussolini enerzijds en Stalin anderzijds. In Spanje brengt ze beide zijden in de Burgeroorlog van nabij in beeld, zonder te oordelen: ‘Ik schreef over de dingen die ik gezien en gehoord had, maar probeerde ze niet te interpreteren.’ Beide zijden in het Spaanse conflict probeerden haar in hun kamp te trekken en de minder leuke zijden te verbloemen. De Francogezinde persofficier Rosalles, die haar in zijn fraaie bolide langs het front rijdt, zegt telkens: ‘Daar kun je maar beter niet over schrijven’. Bijvoorbeeld over de stad Guernica. Volgens de persofficier werd de stad in de fik gestoken door de Republikeinen; in werkelijkheid, en als zodanig ook door Cowles benoemd, werd de stad door een Duits bombardement vernietigd.

    Dagelijks brood

    Cowles neemt je mee naar het front aan beide kanten en is voor de duvel niet bang: ze wil weten hoe de mensen hier overleven. Of dat nu het front in het warme Spanje is, of in het ijskoude Finland, de gevechten in de loopgraven in Spanje of in de lucht om Groot-Brittannië. Ze neemt je ook mee als ze zelf moet vluchten voor het oorlogsgevaar, in juni 1940 bijvoorbeeld, uit een door de Duitsers bijna veroverd Parijs, dat tot haar stomme verbazing door de autoriteiten zonder slag of stoot aan de invallers wordt prijsgegeven. Haar vlucht is een hartverscheurende tocht, waarbij ze de spanning niet kunstmatig opwekt door een detectivetoontje, maar door gewoon te beschrijven wat ze ziet.

    De schrijfster treft je met scherpe observaties en trefzekere bewoordingen. Ze kan heel subtiel aangeven hoe de mensen met de oorlog omgaan. Bij een bombardement schrijft ze: ‘De enigen die het vertikten om van hun plek te komen waren de vrouwen die in de rij stonden voor een bakkerij. Ik neem aan dat een snelle dood te verkiezen is boven de hongerdood.’ Van deze relativerende en tegelijkertijd ijzingwekkende observaties staan er meer in dit boek. Ze was vooral geïnteresseerd in de menselijke kant van het conflict: ‘De krachten die mensen aanspoorden zulke beproevingen te ondergaan, en de paradoxale mix van heftige en zachte eigenschappen die door het leed werden getriggerd.’

    Persoonlijke observatie en contact

    Cowles is ook een begenadigd biograaf van allerlei toonaangevende figuren in deze vooroorlogse tijd. Zij vertelt geen verhalen uit de tweede hand, maar put uit eigen ervaringen met Chamberlain, Churchill en Mussolini. Ze bezocht bijeenkomsten waar Hitler sprak. Ze ontmoette in Spanje onder meer de journalist Ernest Hemingway en ook Martha Gellhorn, die onterecht veel bekender dan zij is geworden. Zij was in staat om mensen te doorgronden en inzicht te geven in hun beweegredenen, alsof ze hen dagelijks observeerde en bestudeerde. Ze kwam ook tot verrassende opvattingen. De regering Chamberlain sloot volgens haar geen compromis uit angst, maar uit een oprecht geloof in de bereidheid van Duitsland zich een goede buur te betonen. Ze beweert dat Hitler uitgegroeid zou zijn tot een van de machtigste mensen van Europa, als hij gestopt was na de inname van het Sudetengebied in Tsjechoslowakije. Hitler was populair en genoot groot aanzien, al vindt ze dat moeilijk voorstelbaar, gezien de geringe indruk die hij op haar maakte. Ook Mussolini maakte op haar weinig indruk. Ze noemt hem ‘parmantig, een kleine, gedrongen man … hij liep met het hoofd in de nek en de borst naar voren – alsof de helft van zijn lichaam te groot was voor de rest.’

    Het boek is ook interessant door haar observaties van de cultuur van een land, of het nu om Engeland, Frankrijk of om Rusland gaat. Ze introduceert de Sovjet-Unie bijvoorbeeld door middel van de paradox dat er in dit land wel zilvervossenbontjassen voor de rijken te koop zijn, maar dat de gewone man alleen lege schappen aantreft, waar wollen kousen behoren te liggen. Ze ergert zich aan de onzekere, puberale manier waarop de communistische regering zich presenteert als het land dat geen fouten maakt.

    Paustovskij

    Dat brengt ons bij nog een reden waarom dit boek zo de moeite waard is. Lezing nodigt uit tot het maken van een switch naar het heden. Finland als het hedendaagse Oekraïne. Tsjechoslowakije als voorbeeld voor de NAVO om Rusland geen duimbreed te geven. Ze spiegelt ons als het ware voor dat al te grote clementie met de krachten van de duisternis uiteindelijk als een boemerangbom op onze cultuur zal neerdalen. Ook toen was het al lastig om de slagkracht van het Rode Leger in te schatten. In de strijd tegen de Finnen leek dat dit enorme leger qua manschappen materieel weinig voorstelde. Als Frankrijk en Engeland de Finnen niet in de steek hadden gelaten zou het land uiteindelijk niet bezweken zijn.

    Virginia Cowles beschrijft de conflicten van haar tijd als een strijd ‘om genade en gerechtigheid voor de wereld te behouden, en de waardigheid van de mens te behoeden.’ Ze laat zien dat onbuigzaamheid tegenover het kwaad een goede eigenschap is en zweert in dit verband bij Engeland, dat uiteindelijk niet boog, al leek het er in 1938 wel op.

    Haar manier van schrijven lijkt op die van de Russische schrijver Paustovskij. Ze was op het juiste moment op de juiste plaats en geeft de lezer van nu daarmee rechtstreeks toegang tot het levende verleden.