• Hoe blijf je mens?

    ‘Goedemorgen. Ik ben uit Duitsland gevallen, excuseer me, mevrouw en meneer, aber, maar ik heb opdracht verder te leven. Mag ik dat bij u doen?’ Wat een indringende exilroman! Hoe gevoelig en grappig verteld. Uit de jaren dertig van vorige eeuw en zo actueel. Kurt Lehmann (Berlijn, 1908 – Purmerend, 1999) heeft, onder het pseudoniem Konrad Merz, beschreven hoe hij als illegale Duitse Jood naar Nederland vluchtte. Hij behoorde tot de pionier-vluchtelingen, was als het ware een avant-garde emigrant. In het verhaal verkent Winter, een vluchteling, Nederland onbevooroordeeld en onbevangen. Vaak is hij verwonderd, al mist hij Duitsland en zoekt hij het tevergeefs, maar misschien is dat Duitsland voorgoed verdwenen. Zijn generatie is kil geworden door de Eerste Wereldoorlog, stelt Winter. In die oorlog verloor schrijver Merz zelf zijn vader.

    Dit is geen literatuur in de zin van schoolopstel, voorschrift, maskerade, zoals Menno ter Braak terecht aangeeft in zijn recensie die mee werd opgenomen in dit boek. Er is geen sprake van steriel esthetisch gedoe met ‘landschapjes’ van Nederland, er is geen goedkoop sentiment of romantisering. Menno ter Braak vergelijkt Konrad Merz met Heinrich Heine. Beiden laten de belachelijkheid zien van een vaderlandsliefde die zich ‘oprolt als een egel’ of zich ‘hysterisch opblaast’. Beiden tonen, volgens Ter Braak, een openheid naar andere landen ondanks een sterke gevoelsband met het eigen land. Net die openheid en uitwisseling zorgt voor een Europees bewustzijn.

    Van student rechten naar strontschepper

    Even vindt de protagonist steun bij een jeugdvriendin uit Nederland. Hij leert er als een kind woordjes en fietsen. Want het is van begin af aan, als vluchteling moet je het wiel weer uitvinden. Maar ja, er zijn haar man, het kind in haar buik, het heilige gezin. Winter is gauw te veel. Een vluchteling is snel te veel. Al gauw wordt hij zo arm dat hij ‘geen woorden meer heeft’. Ze fluisteren dat hij zelf niet meer weet wat hij wil. Ach, de mensen. Er volgt een strijd om brood, vriendschap, bestaan. Zonder een moment pathos beschrijft Merz – soms zo luchthartig dat het even ontroerend als schokkend is – wat het betekent om steeds minder mens te worden. Met een groot gevoel voor relativiteit en verhoudingen schetst Merz een helder beeld van degradatie, al geraakt de protagonist de verhoudingen evenzeer kwijt. De mensen zien hem niet meer als student maar als een schooier.

    Het verhaal doet soms denken aan het veel recentere Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi. De mensonterende toestanden, de superioriteit van de anderen, vaak absurd en poëtisch verteld.

    Een poos werkt Winter als tuinier in Ilpendam. Hij wordt uithangbordverkoper en slaapt onder het bed van een jeugdvriend. Op een boerderij borstelt hij ‘onze geachte koe’ piekfijn schoon, de koe heet Cleopatra met wie hij gesprekken voert. Koeiendrek schept hij tot een monumentale hoop. De vreemdeling mag het vuile werk doen. Hij lijkt wel de mestkever uit De Vrede van Aristophanes. Anoniem ruimt hij op voor de vrede.

    In scherven

    Het verhaal is samengesteld uit aantekeningen en brieven naar zijn geliefde Ilse en naar zijn moeder. In korte, eenvoudige zinnen zit veel beschouwing. Konrad Merz is een meesterstilist. De stijl doet dadaïstisch aan. Verwarring en nihilisme verheven tot bewuste kunstvorm. Merz gebruikt veel pars pro toto’s. ‘Een regenjas komt het land binnen, zijn ledematen strompelen door de stad.’ Het duidt op het vallen zoals in de titel staat. Het uiteenvallen van een mens, een land. Dissociëren. Alles geraakt in de war. Merz woont buiten zijn land, ver van de liefde, misschien woont hij stilaan buiten zichzelf. Alles ligt in stukken, scherven zoals ook het verhaal uit fragmenten is opgebouwd.

    De relatie met zijn geliefde die in Duitsland is gebleven, wordt troebel. Haar vader vindt zijn toekomstige schoonzoon een landverrader. Ilse wordt beïnvloed door die vader en door de politiek. Het maakt haar steeds naïever. In Nederland ontmoet Winter een vrouw, Cor, de dokter die hem verzorgt. Hij begint van haar te dromen. Liefde als koortsdroom of genezing? Realiteit en fantasie gaan in elkaar over. Hij blijft ook trouw aan zijn Ilse, bloedeerlijk zijn zijn brieven aan haar. Ilse is een metafoor voor het vaderland. Niet het vaderland van Hitler, wel dat van Goethe. Op een keer vraagt Winter het portret van Goethe aan Cor. Het hangt in haar vertrek. Omdat hij ‘daar buiten niets heeft, niets dan eten en werken en slapen. Als een dier.’

    Transformatie

    En dan komt Ilse naar Amsterdam. Winter wachtte wel ‘een jarenlang jaar‘. Winter heeft haar gevraagd of ze zijn moeder nog kon zien. Zo zou hij ‘zijn moeder in Ilses ogen zien’. Tal van zulke poëtische zinnen staan in dit verhaal. In realiteit komt de moeder van de schrijver uiteindelijk om in Auschwitz.
    Als Winter Ilse weer ziet, blijkt alles over. Zij zijn vervreemd van zichzelf, van elkaar. Hun liefde is een illusie geworden. Veranderd, de situatie heeft hen veranderd in een brave gravin en een vuile boerenknecht. Los van die oorlog transformeerde Winter trouwens ook van student tot een volwassene.

    Er is ook nog de nazi, Winters ‘jeugdvijand’ die tevens het land ontvlucht, maar er uiteindelijk naar terugkeert. Ze zijn elkaars uiterste. De mythe en de realiteit. Hun discussie komt tot een hoogtepunt. ‘De resten van ons gevecht keken ons aan’.

    Dit boek vertelt diepgaand over een mentaliteitsgeschiedenis. Hoe blijf je mens? Dat woord komt niet voor in al de hoogdravende woorden die worden uitgeschreeuwd door de politici.  Hoe ontkom je aan de hokjes waarin je tegen je wil wordt ingedeeld? Verrader, asielzoeker, emigrant. Dief. ‘Ja, zo zijn er ook, natuurlijk zit er uitschot tussen ons. Maar waar zit het niet tussen?’

     

     

  • Vluchtig als een herfstblad

    Kaouther Adimi werd in 1986 in Algerije geboren. Ze studeerde moderne literatuur en HRM en woont sinds 2009 in Parijs, waar ze werkt voor L’Oréal. Ze begon met schrijven toen ze studeerde en brak in Nederland door met De boekhandel van Algiers. Kwade wind is haar tweede roman die naar het Nederlands vertaald is.

    Kwade wind heeft als motto het gedicht Herfstlied van Paul Verlaine, waarin de ik-figuur als een vallend blad van hier naar daar wordt meegevoerd door een kwade wind. Het gedicht vertelt eigenlijk in een notendop wat er gebeurt in de levens van de hoofdpersonages van het boek, Tarek en Leïla.

    Een moeder zonder melk

    Het boek begint met een soort proloog, die De schrijver heet. Het verdient aanbeveling om die te herlezen nadat je het boek uit hebt, omdat je die dan op een andere manier leest. Daarna volgt het deel dat Tarek heet, naar één van de hoofdpersonen. Het Algerijnse gehucht El Zahra vormt het stoffige decor waar Saïd en Tarek als pasgeboren baby’s allebei gevoed worden door de moeder van Tarek, omdat de moeder van Saïd geen melk heeft. De moeder van Tarek spreekt nooit, vanwege een trauma dat ze vlak voor de geboorte van Tarek heeft meegemaakt. Als gevolg daarvan groeit Tarek eveneens op als een zwijgzaam kind, terwijl voor Saïd taal als ‘levenslucht’ blijkt te zijn. Hij wordt een meester in het Arabisch. Desondanks worden de twee jongens vrienden en beloven ze elkaar op hun tiende verjaardag om in voor- en tegenspoed bevriend te blijven. Leïla is het buurmeisje van de twee vrienden, zij wordt soms betrokken bij hun spel. Zij wordt op vijftienjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een vriend van haar vader. Het huwelijk is bepaald niet gelukkig en op een dag vlucht Leïla met haar zoontje. Tarek wordt gerekruteerd om in de Tweede Wereldoorlog te gaan vechten met de geallieerden en belooft zichzelf dat hij Leïla’s hand zal vragen als hij de oorlog overleeft.

    Zevenmijlslaarzen

    Inmiddels is het de lezer van Kwade wind duidelijk geworden dat Adimi het prettig vindt om met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van haar personages heen te stappen. In het hoofdstuk dat volgt op de rekrutering van Tarek zijn we namelijk ineens drie jaar verder en constateert Tarek dat hij de oorlog heeft overleefd. Er is geen woord gewijd aan wat hij heeft meegemaakt in die drie jaar of waar hij is geweest. Duidelijk is wel, dat de Algerijnse soldaten het moeilijk hebben (gehad) in Europa. Tarek keert terug naar Algerije en trouwt met Leïla. Saïd schittert door afwezigheid op de bruiloft. Tarek keert weer terug naar zijn oude beroep van herder, totdat hij wederom gaat vechten in een oorlog, ditmaal in de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954 – 1962) tegen Frankrijk.

    Om deze roman beter te begrijpen is enige kennis van de geschiedenis van Algerije noodzakelijk. Na de oorlog keert Tarek niet direct terug naar El Zahra en naar Leïla, maar gaat hij meewerken aan de productie van de bekende film De slag om Algiers van de Italiaanse regisseur Pontecorvo. Vervolgens gaat hij bij gebrek aan werk in Algerije aan de slag als gastarbeider in Parijs. Hij spaart als een bezetene om geld te kunnen sturen aan zijn gezin en keert pas na anderhalf jaar terug bij Leïla, zijn stiefzoon en (inmiddels) vier dochters. Wanneer De slag om Algiers eindelijk ook in Parijs in de bioscoop vertoond wordt, breekt er voor de Algerijnse gastarbeiders daar een zware tijd aan en neemt Tarek een bijzondere beslissing die hij geheimhoudt voor zijn gezin.

    Hij is overigens niet de enige die er geheimen op na houdt. In het tweede deel van het boek, Leïla, komen we er (eindelijk, in beperkte mate en ook weer in vogelvlucht) achter hoe het leven van Leïla is geweest toen Tarek in het buitenland was. Ook zij heeft keuzes gemaakt die zij niet deelt met haar echtgenoot. En dan verschijnt plotseling de eerste roman van hun wederzijdse vriend Saïd, die voor Leïla de aanleiding vormt om haar echtgenoot met grote spoed terug te laten keren uit Europa. Het boek van Saïd zorgt ervoor dat Tarek en Leïla hun leven radicaal omgooien.

    Herfstblad

    De boekhandel van Algiers werd in de pers een ode aan de literatuur genoemd. Kwade wind lijkt er vooral over te gaan dat (het gebrek aan) taal, lezen en boeken een ontwrichtende werking kunnen hebben op mensenlevens. Tarek is degene die zonder taal opgroeit. Zijn moeder spreekt niet, hijzelf is een zwijgzame, hardwerkende man met een spraakgebrek, die als een herfstblad met een kwade wind wordt meegevoerd van Algerije naar allerlei delen van Europa. Saïd groeit juist op in een taalrijke omgeving, kan goed leren, weet de oorlogen te vermijden, lijkt een rustig leven te leiden en wordt uiteindelijk schrijver. Zijn boek zorgt ervoor dat het leven van Tarek en Leïla volledig op zijn kop wordt gezet en Leïla een antipathie tegen boeken ontwikkelt: ‘Toen haar dochters thuiskwamen, kregen ze tot hun verbijstering te horen dat ze geen boeken meer in huis mochten halen. Schriften verdroeg Leïla nog wel, zolang ze die maar niet hoefde te zien. Haar kinderen kregen het verzoek voortaan in de bibliotheek te studeren. Een van haar dochters probeerde tegen te sputteren, maar ze had niets in te brengen. “Geen boeken meer in dit huis. Nooit meer!” schreeuwde Leïla tegen haar.’

    Vraagtekens

    Kwade wind hinkt op drie gedachten, waardoor het boek wat vluchtig aandoet. Ten eerste is er het verhaal van Saïd, Tarek en Leïla. Het is vooral lastig te begrijpen waarom ze elkaar nog vrienden noemen, omdat ze elkaar na hun jeugd nooit meer ontmoeten of schrijven. Hooguit horen ze via via over elkaars levens. Het lijkt erop dat de moedermelk van Tareks moeder de belangrijkste reden voor hun band is. Het is jammer dat er verder weinig aandacht besteed wordt aan de vriendschap tussen de mannen. Het leven van Saïd en de beweegredenen voor zijn boek blijven helaas onderbelicht. Ook over het huwelijk tussen Tarek en Leïla blijven er nog veel vraagtekens, terwijl zo’n huwelijk op afstand juist veel vragen oproept. Ten tweede is er de kwestie van de geschiedenis.

    Kaouther Adimi beschrijft in reuzenstappen wat er gebeurde in Algerije (en deels ook in Europa), grofweg tussen de jaren twintig en de jaren negentig van de vorige eeuw. Dat is behoorlijk ambitieus in een boek van nauwelijks tweehonderdvijftig bladzijden en er zijn dan ook heel wat open plekken die niet ingevuld worden. Ten slotte wordt de vraag opgeworpen in hoeverre taal en literatuur bepalend kunnen zijn voor een mensenleven, maar daar krijgt de lezer niet echt een antwoord op. Het boek blijft op alle fronten te veel aan de oppervlakte. Zowel de personages, de historische context als de rol van taal en literatuur hadden het verdiend om verder uitgediept te worden. Soms kun je van een roman zeggen dat hij beter ingekort had kunnen worden, voor Kwade wind geldt dat zeker niet. Vermoedelijk had Kaouther Adimi in een twee keer zo dikke roman haar punt veel beter kunnen maken. De onderwerpen die zij aansnijdt hadden dat zeker verdiend.

     

     

  • Nagenoeg perfect

    Flapteksten zijn nuttig, zo lang ze zich beperken tot feitelijke informatie over de schrijver en het onderhavige boek. Zo valt er op de achterkant van Nagenoeg van Filip Rogiers te lezen dat dit een debuutbundel is, samengesteld uit gedichten waarvan sommige er meer dan dertig jaar over deden om tot stand te komen. Het merendeel van de gedichten verscheen eerder in Het Liegend Konijn en Poeziëkrant. Ook wordt vermeld dat Rogiers journalist is en een verhalenbundel en een roman geschreven heeft. Maar nadat er ook nog even iets over de inhoud van de bundel wordt verteld, wordt de lezer vervolgens de mogelijkheid ontnomen om zelf een mening te vormen: ‘[…] de vaak gitzwarte en meedogenloos harde inhoud van nagenoeg elk gedicht in deze bundel. Soms lijken Rogiers’ gedichten op in taal gestolde depressies.’ Dit is niet echt een aanbeveling – wie wil er gestolde depressies lezen? – maar het is bovendien niet waar. Nagenoeg elk gedicht? Ja, er staan gedichten in deze bundel die weliswaar somber van teneur zijn, maar er zijn er ook minstens even veel die teder, mijmerend of hoopvol zijn. Wat te denken van het gedicht ‘Vrouw’:

    ‘Soms als sikkel aan mijn hemel staat zij,
    een dwaallicht, een stuk van haar voor mij.

    Toch blijft zij driekwart achter, houdt zij
    van mij, blijft zij vol. En ik in al haar wanen.

    Zij keert altijd weer
    weg naar haar volle staat,
    zij kan niet anders dan kantelen.

    Volta, wassen naar haarzelf,
    naar de vrouw in haar holte.’

    Een gitzwarte, in taal gestolde depressie? Een eerbetoon voor de geliefde is het, liefdevol uitgedrukt in zorgvuldig overwogen klanken die herhaald worden in de diverse strofen. De vergelijking van de vrouw met de schijngestalten van de maan om mysterie en verandering uit te drukken is al eeuwenoud, maar Rogiers heeft ook zichzelf als minnaar het gedicht binnengesmokkeld. Het gedicht staat in de eerste afdeling, Passages getiteld, waarin beschreven wordt hoe alles voorbijgaat: tijd, mensen, relaties. Door middel van foto’s en herinnering probeert de dichter de tijd te laten stollen en te bestendigen.

    In de afdeling Nagenoeg reikt de dichter naar idealen en probeert hij te vervolmaken wat onaf is. Dat hij daar niet helemaal in slaagt, wordt al aangekondigd door de titel van deze afdeling, eveneens de naam van de gehele bundel.

    Bruno volente

    De bundel bestaat uit acht korte afdelingen van nooit meer dan zeven gedichten, vaker hooguit twee of drie. De onderwerpen zijn zeer divers, omdat Rogiers zich laat inspireren door mensen uit de geschiedenis of de huidige media: een uit drie gedichten bestaande afdeling behandelt een televisiedocumentaire over een man die lijdt aan het syndroom van Asperger. In een andere afdeling, Campo de’ Fiori, spreekt Giordano Bruno. In 1600 veroordeelde de Kerk hem tot de brandstapel, omdat hij beweerde dat het heelal oneindig was en de aarde slechts een stip daarin. Dit was volgens het Vaticaan ketters, omdat het bedreigend was voor de gevestigde orde. Rogiers citeert een citaat van Bruno, dat veronderstelt dat zijn rechters meer angst hadden om het vonnis uit te spreken dan Bruno had om het te ondergaan.

    In vijf gedichten van vijf distichons laat Rogiers Bruno het woord voeren tegen de kopstukken van de Katholieke Kerk. Omdat Bruno een wetenschapper is, heeft Rogiers de gedichten een ordelijke en regelmatige indeling gegeven: die beginnen met een gebiedende wijs (‘Wen er maar aan, u daar in het paars’) om aan te tonen dat Bruno zich niets gelegen laat liggen aan de kritiek van de kerk. Vervolgens stort Bruno zijn toorn uit over zijn rechters, die geen wetenschappelijke bewijzen willen aanvaarden. Liever blijven zij halsstarrig geloven in iets wat niet bestaat. Elk gedicht eindigt met een distichon die begint met de woorden ‘Uw Christus’, waarna Bruno ongezouten zijn mening geeft: ‘Uw Christus kus ik liever niet,/ uw klem lik ik eerder dan uw hiel.’ (Het spreken werd Bruno voor straf belet door een ijzeren klem in zijn mond.)

    Rogiers maakt alleen in deze gedichten gebruik van eindrijm en binnenrijm (‘en staak het gemekker over uw verwekker.’), misschien omdat er geen vrije verzen geschreven werden in de 16de en 17de eeuw en hij zo dicht mogelijk bij Bruno zelf probeert te blijven. Het is een mooie cyclus van felle, doordringende gedichten:

    V

    ‘Lik dan, vlam, onheilig vuur, dit
    is niet mijn maar uw laatste uur.

    Liever ben ik vijand dan laffe buur.
    Mijn graf uw straf, uw boek

    een voetnoot bij mijn woorden.
    Feller dan uw toorts zijn de zonnen

    die u sterren waant. Mij wacht
    een verlichte dood, u het duister.

    Uw Christus draag geen kroon,
    in uw hemelrijk staat geen troon.’

    Buitenbeentjes als inspiratiebron

    Een andere afdeling die geïnspireerd is door een historisch persoon – zij het fictief – heet Meid. Hierin staan slechts twee gedichten, geschreven bij de textiele werken van de kunstenares Louise Bourgeois. Hiermee bracht ze een ode aan Eugenie Grandet, de heldin van Honoré de Balzacs gelijknamige roman. In het eerste van de twee gedichten probeert Eugenie een spaarzame, kuise en onderworpen dienstmeid te zijn, zoals haar gierige vader van haar verlangt. In het laatste gedicht heeft de ontluikende liefde voor haar neef haar echter getransformeerd tot het begin van de vrouw die ze zou willen zijn. Haar neef probeert haar te verleiden ‘en verbloemt mij/ van meid tot meisje/ zoals het raam/ het ijs.’

    Ook de reeks De onfatsoenlijken haalt zijn inspiratie elders. Ditmaal resoneert het gelijknamige boek van de journalist Jan Antonissen op de achtergrond. Hij schreef over zijn ontmoetingen in Europa met mensen die “met de nek worden aangekeken, […] het racistisch stemvee van de populisten.” In zes gedichten schetst Rogiers een beeld van deze vaak eenzame, want verfoeide buitenbeentjes die niet passen in de samenleving en die hardnekkig blijven vasthouden aan hun eigen gedachtespinsels.

    III

    ‘Hij heeft het niet begrepen hoe
    de tijden zijn gekeerd. Hij stemt
    op de verkeerden, smaak en rede
    zijn hem vreemd. Hij is te klein,

    te laaggeschoold, de wereld
    draait te snel en is te groot.

    Dat zeggen zij die deugen.
    Wat hij zegt, blijft ongehoord.’

    Flaptekst voor in het closet

    De voorlaatste afdeling is getiteld Closing time. Zo genoemd met het album van Tom Waits in gedachten? Het zou kunnen, want een van de gedichten in deze afdeling draagt als motto ook een paar zinnen uit het lied ‘Jesus alone’ van Nick Cave. De inspiratiebronnen van Rogiers komen van heinde en verre. Ze brachten hem tot het schrijven van intieme en weloverwogen gedichten, die af en toe somber zijn – welke dichter is dat nooit? – maar die toch voornamelijk tederheid laten zien, deernis en een besef dat de wereld groter is dan de eigen gezichtskring. Deze bundel is verrassend veel gevarieerder dan de tekst op de achterkant aankondigt. Lees die daarom niet. Laat de gedichten voor zichzelf spreken.

     

     

  • Een heel mens worden in Nederland

    Met citroeninkt schrijft de jonge Talar uit de gelijknamige roman van Maral Noshad Sharifi haar geheimen op. Meester Hans heeft haar deze tip aan de hand gedaan. Wat ze schrijft is onleesbaar voor anderen tenzij zij weten dát er iets staat en hoe dat zichtbaar te maken. In de roman blijft haar lijstje geheimen ongelezen, ook haar moeder kan het niet lezen. ‘Net zoals ze mij niet kan lezen’, constateert de oudere Talar misnoegd. De lezer van Citroeninkt heeft dan al intens meegeleefd met het schrijnende verhaal van vluchtelinge Talar en haar gezin.

    Lees verder op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Terechte herdruk boeiende biografie Andreas Burnier

    De biografie over leven en werk van Andreas Burnier Andreas Burnier Metselaar van de wereld geschreven door Elisabeth Lockhorn kwam in oktober 2015 voor het eerst uit. Na diverse herdrukken in datzelfde jaar en in 2016 is er in september 2022 weer een herdruk verschenen, gelijktijdig met Elk boek is een gevaar, een bloemlezing in de privédomeinreeks van niet eerder gepubliceerde teksten van Burnier, samengesteld door Ronith Palache. De biografie van Lockhorn is bij de eerste verschijning in 2015 enthousiast ontvangen en overwegend positief gerecenseerd. Ze is veelomvattend, goed geschreven en nog altijd actueel en boeiend. Burniers turbulente leven en haar literaire en wetenschappelijke werk worden uitgebreid en onderbouwd beschreven. Alleen in haar beschrijving van Burniers ‘gender’ valt op Lockhorns interpretatie iets aan te merken.

    Velen zullen Andreas Burnier, pseudoniem van Catharina Irma Dessaur, ze gebruikt haar hele leven haar onderduikvoornaam ‘Ronnie’, kennen als de schrijfster die vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw diverse romans schreef. Een tevreden lach was haar debuut, Het jongensuur uit 1969 is misschien haar bekendste werk, want heel toegankelijk, dun en onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Burniers werk is authentiek en eigenzinnig. Ze schrijft openlijk over homoseksualiteit en is heel uitgesproken over ‘seksefascisme’. Lockhorn laat in de bespreking van de romans overtuigend zien dat ze allemaal wortelen in de realiteit van Dessaurs leven. In Het jongensuur is dat onmiskenbaar haar onderduikverleden en haar besef, al van jongs af aan, dat een mens maar beter een jongetje of man kan zijn om vrijheden te hebben, kansen te maken, serieus te worden genomen in het leven. Er is in de biografie ook veel aandacht voor de ontvangst van het literaire werk en recensies van meerdere toentertijd gevestigde recensenten.

    Tijd vooruit

    Burnier/Dessaur blijkt een vrouw die haar tijd ver vooruit was. Ook als intellectueel en wetenschapper, filosofe en criminologe, is ze van hoog niveau, origineel, doordacht en spraakmakend. Ze wordt hoogleraar criminologie in Nijmegen waar ze regelmatig weerstand oproept door afwijkende standpunten. Ze jaagt feministen tegen zich in het harnas door kritisch te zijn over abortus, toont zich een fel tegenstander van euthanasie in de tijd waarin Nederland rijp lijkt voor legalisatie en vergelijkt deze ontwikkelingen met nazi-praktijken. Lockhorn beschrijft deze gebeurtenissen inzichtelijk, duidt de tijdgeest en laat de nuances zien die tegenstanders toen niet altijd zagen.

    Kinderen of kennis

    Nuances zijn er natuurlijk door Burniers levensgeschiedenis. Ze is Joodse, geboren in 1931 en dus negen jaar jong als de oorlog begint. Van 1942 tot aan het eind van de oorlog brengt ze door op zestien verschillende onderduikadressen. Ze is voor de onderduik gescheiden van haar ouders. Volgens haar ouders ‘begreep [ze] dat heel goed’, Lockhorn laat een andere kant zien. Ze haalt een personage uit een toneelstuk van Herzberg aan dat zegt ‘Jullie hadden me mee moeten nemen. Doodgaan is niet erg – losgelaten worden, dat is erg’. Dit ‘loslaten’ blijkt structureel in de familie en werkt intergenerationeel door. Burnier en haar man krijgen twee kinderen. Zij scheiden kort na de geboorte van dochter Ingeborg en als vader Emanuel kort daarna naar Duitsland vertrekt, brengt moeder Burnier de kinderen onder in een pleeggezin. Lockhorn gaat niet uitgebreid in op de relatie tussen moeder en kinderen, omdat de laatsten niet mee wilden werken en zij hun afstand wil respecteren, zoals ze in een vraaggesprek heeft aangegeven. Ze beschrijft wel hoe Burnier opleeft door de scheiding en doordat ze weer gaat studeren en werken. In de eerdergenoemde bundel van Palache, Elk boek is een gevaar, zegt Burnier in 1997, reflecterend op die periode: ‘Mijn hele leven heb ik alleen maar gezocht naar kennis, kennis die mij zou bevrijden. […] Alleen kennis zou mij kunnen verlossen uit de koker van de wereld waarin wij moeten leven.’

    Metselaar

    In haar zoektocht in het leven heeft de mens en professional Dessaur en de schrijfster Burnier vele wegen bewandeld. Lockhorn beschrijft uitgebreid Burniers korte christelijke toewijding, haar heilig geloof in de antroposofie en later haar weg naar belijdend Jodendom. Op wetenschappelijk gebied gaat zij eerst en vooral van puur rationeel positivistische wetenschapstheorieën uit en evolueert ze later naar bredere ethische uitgangspunten. Burnier was een rebel en een ‘lone wolf’. Ze zocht en vond zielsverwanten in ‘herenclubjes’ zoals Castrum Peregrini waarin filosofische en literaire onderwerpen besproken werden in een sfeer van kunst, vrijheid en vriendschap en later in de door haar zelf geïnitieerde cultureel-spirituele Platoclub. Lockhorn geeft veel aandacht aan de duiding, inhoud en impact van deze clubjes, al was het alleen al omdat ze Burniers idiosyncrasie illustreren: als een metselaar onophoudelijk bouwend aan een nieuw wereldbeeld voor zichzelf.

    In november 2015 schreef hoogleraar Marc van Oostendorp op de site van het online tijdschrift Neerlandistiek dat de biografie ‘teleurstellend’ is, omdat de lezer geen grip krijgt op loopbaan, literaire werk en leven van Burnier. Hij meent dat er ‘geen poging wordt gedaan een echte ontwikkeling in het oeuvre te schetsen, of een karakterisering te geven van haar schrijverschap [of] zelfs haar stijl’. Hiermee wordt de biografie echt tekortgedaan. Lockhorn gebruikt regelmatig citaten uit Burniers werk waarmee ze haar vaak ironische, hyperbolische, soms provocatieve stijl illustreert. Ze stipt meerdere keren overeenkomsten met Reves stijl aan en ook een overeenkomstig belang voor de ‘homosuele’ lezer. In de reacties op Burniers werk kiest Lockhorn voor uitgesproken recensenten, zoals de lucide beoordelingen van Hans Warren en doorwrochte en scherpe analyses van Maarten ’t Hart. ‘Dit boek is inderdaad anders dan alle andere boeken van Burnier’, zegt Lockhorn over De trein naar Tarascon, waarna ze aangeeft wat er anders is en hoe dit te duiden. De stenen voor het metselwerk van de biografielezer zijn overvloedig aangedragen en zelfs hier en daar wat cement.

    Mensgender

    Op een ander vlak moet er wel een kritische noot gekraakt worden. Lockhorn diagnosticeert Burnier bij herhaling en nadrukkelijk als een ‘transgender avant la lettre’. Ze maakt hier een denkfout. Er zijn veel vrouwen die niet in de vrouwenmal passen en er niet in wíllen. Die zich prettiger voelen als ‘one of the guys’ dan met de meisjes bij het nagellakschap van de Hema, prettiger als hockeyster in korte broek dan met een rokje, die ongelukkig worden in damesgezelschap. Zij bevinden zich niet in een verkeerd lichaam, maar in een beperkte wereld. De prachtige biografie van Jeanne Bieruma Oosting beschrijft nog zo’n vrouw die zich niet wenst te conformeren, Mariken Heitman legt het in haar roman Wormmaan ‘nog één keer’ uit, Anjet Daanje lijkt ook een lichtend voorbeeld: dergelijke vrouwen als transgender neerzetten is niet juist.

    Veelzeggend is in dit verband Maarten ’t Harts reactie op Burniers essay De zwembadmentaliteit waarin hij aangeeft dat er andersom ook jongens zijn die niet in de jongensmal passen en ‘dat hij er zelf vanaf zijn vierde jaar naar verlangd heeft een meisje te zijn’. Lockhorn merkt op dat het bijna lijkt alsof hij ‘een wedstrijd aangaat met Andreas Burnier wie het meest heeft ‘geleden’. Je zou ook kunnen zien dat hij Burniers betoog weliswaar eenzijdig vindt, maar wel ondersteunt en dat zijn invalshoek een breder inzicht biedt. Het valt Lockhorn niet euvel te duiden. De wokebeweging sliep nog toen zij met haar biografie bezig was en zelfs de dames van Fixdit, het schrijverscollectief dat het seksisme in de literatuur wil ‘fiksen’, die Burniers werk enthousiast aandacht geven en Lockhorn geïnterviewd hebben, stellen hierover geen enkele kritische vraag.

    Burnier was in denken, gedrag en durf haar tijd vooruit, dat heeft de biografie overtuigend laten zien. Ze heeft met haar werk en leven velen geïnspireerd en gesteund door te zijn wie ze was: een mensgender.

     

    Lees hier ook de recensie uit april 2016 door Evert Woutersen over dit boek. 

     

     

  • Glasheldere gedichten voor een groot publiek

    Bij Anna van der Laan kwam eind jaren negentig de poëzie in haar leven. Startpunt was een cursus aan de Groninger Schrijversschool. Met andere dichters richtte ze de Werkgroep Poëzie WP99 op. De werkgroep bleek een motor, ze publiceerden samen diverse bundels. Brief van een lichtmatroos is Van der Laans eerste eigen bundel gedichten.

    Als rechtgeaarde poëzieliefhebber kan er voor mij niet genoeg aandacht besteed worden aan de allerindividueelste expressie van het allerindividueelste woord. Want wie bepaalt uiteindelijk wat goede poëzie is, of wat slechte of wat mindere? Vooropgesteld: alle poëzie is waardevol, elke poëtische uiting zinvol, belangrijk en elke dichter een held. Toch kan er wel sprake zijn van kwaliteitsverschil. Zie bijvoorbeeld alle poëzie op de sociale media. Rupi Kaur heeft wat dat betreft veel losgemaakt met haar tegeltjeswijsheden in poëzievorm: twee of drie regels met veel wit op een pagina en je hebt weer een gedicht. Met andere woorden: je kunt elke al dan niet particuliere gedachte op papier (of digitaal) zetten zodat het lijkt alsof het poëzie is.

    Aan de andere kant bestaan er steeds meer creatieve vormen van omgaan met taal, zoals spoken word, muurgedichten, en nog veel meer. Google eens op Kila van der Starre of Jeroen Dera, twee voorvechters voor poëzie die heel veel ideeën hebben om bijvoorbeeld poëzie aan de man te brengen in het onderwijs en daarmee meer mensen aan het schrijven te krijgen. Dera schreef het zeer lezenswaardige Poëzie als alternatief. Van der Starre en Dera schreven met anderen ook twee boeken met briljante ideeën over het ontdekken van poëzie: Woorden temmen.

    Voorwoord

    Deze bundel van Anna van der Laan is prachtig uit- en vormgegeven, echt een pareltje. Van der Laan schrijft al dan niet prettige, vaak particuliere gedachten op zoals zaken uit haar dagelijks leven, wat ze ziet, meemaakt, wat haar bezighoudt en opvalt. Vraag is of dat belangrijk voor lezers is. En is dat dan een criterium of de gedichten belangrijk of goed zijn of niet?

    Waarom een voorwoord in zo’n mooie bundel vol glasheldere poëzie? Een inleiding waarin Ronald Ohlsen zo maar drie willekeurige gedichten gaat uitleggen? De meerwaarde daarvan is volledig duister. Of is hij bang dat de lezer de gedichten van Van der Laan niet op de juiste manier kan duiden of ze als te gemakkelijk of te licht opzij schuift en niet serieus neemt? Van der Laan is duidelijk in haar gedichten. En als dat niet zo zou zijn, is het aan de lezer er het zijne of hare van te denken, te vinden en te voelen.

    Zeven afdelingen

    De bundel is verdeeld in zeven afdelingen, met elk eigen thematiek. De eerste is gevuld met tedere herinneringen over geliefden(broer, hond, geliefde) en de plaats die ze vaak na jaren innemen. Ze zijn inleefbaar en invoelbaar zonder dat ze sentimenteel zijn.
    In de tweede afdeling geeft de dichter een dichterlijke ode aan een aantal favorieten in haar leven: de boot, Istanboel. In de derde gaat het over herinneringen aan huizen, een moeder. Er komt zelfs een gevild (!) konijn voor. In de vierde en vijfde staan oma, dood en liefde centraal. In afdeling zes verbondenheid met een prachtig gedicht over het afstuderen van haar zoon, gebrandschilderd in een raam van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur: ‘Verbondenheid wordt er niet begraven/maar hergebruikt.’
    Met name in deze afdeling staan nogal wat vrijblijvende gedichten over sneeuw, de nacht, een jonge dode vogel.

    Maar dan dit moois:

    ‘Waarom is je gezicht zo gekreukt
    ben je wel gelukkig en heb je
    vandaag nog gelachen?

    Mijd de geijkte paden
    je bedrijft dan geen zonde

    Wees een jager tussen tijgers
    maak een wandeling in de kou
    je bloesje open.’

    In de laatste drie afdelingen nog meer vrijblijvende gedichten: mooi, maar wel een beetje algemeen, cliché. En in de allerlaatste enkele gedichten in een totaal afwijkende vorm van alle andere in deze bundel. Mooi, maar het is onduidelijk waarom ze opeens kiest voor deze vorm. Is het een volgende stap in haar ontwikkeling?

    In deze bundel geeft Van der Laan aan wat een dichter is of wat ze wil zijn:

    ‘Omdat ik zo nodig een dichter wil zijn
    zou ik haar het liefst elke dag aan mijn tafel
    hebben zodat zij mij de woorden die er niet zijn.

    [ ….]

    Een bericht in de ochtendkrant, een regel uit
    een boek, draken hangend op wolkenbanken
    inheemse vogels kwetterend voor stoplicht.

    Dan schudt de dichter in mij zich op.’

    Complimenten

    Deze dichter schrijft over haar scherpe observaties en vindt daar vaak mooie en beeldende taal voor. Haar thematiek en motieven zijn glashelder. Het is publiekspoëzie, leesbaar en herkenbaar voor veel mensen. Niet altijd wereldschokkend, geen wereldveranderende inzichten, maar wel erg  lezenswaardig en meestal de moeite waard. En in die zin voldoet ze in ieder geval aan het criterium dat er meer poëzie door meer mensen gelezen zou kunnen worden en draagt ze bij aan het belang en de verspreiding ervan. Complimenten aan de uitgever: alles (omslag, lettertype, bladspiegel) is prachtig. Jammer van dat voorwoord en dat ‘gevilt’ konijn.

     

  • Over waarom kunst niet overbodig is

    ‘Veranderen de mensen de tijden of veranderen de tijden de mensen?’ Het is een vraag die één van de hoofdpersonages van De bleke baron van Anna Vercammen stelt. Deze Felka richt zich tot het andere hoofdpersonage, Felix, met wie ze muziekoptredens verzorgt. Of is het hoofdpersonage van dit boek eerder de titelfiguur? Deze bleke baron zelf zal vinden van wel. Hij heerst over de onderwaterstaat en heeft zijn eigen persoonlijke mythologie (met eenhoorns en kabouters) ontwikkeld. Hij is het type autoritaire heerser dat we tegenwoordig zo goed kennen, ook in Europa of vlak daarbuiten (Orbán, Poetin, Erdoğan).

    Lees verder op Jong Literair Nederland

     

     

  • Listen en lagen van een Afrikaanse dynastie

    De diepst verborgen herinnering van de mens van Mohamed Mbougar Sarr uit 2021 gaat over de zoektocht naar de in 1938 verschenen debuutroman van de Senegalese schrijver T.C. Elimane. De titel daarvan is ‘Het labyrint der onmenselijkheid’. In het begin vertelt Sarr – eveneens Senegalees – hoe zijn hoofdpersoon het vergeten boek op het spoor komt en het er met een collega-schrijver over heeft. Ze zijn er beiden diep van onder de indruk en naar aanleiding ervan bespreken ze de ‘aangename, soms vernederende ambiguïteiten van onze positie als Afrikaanse (of van origine Afrikaanse) schrijvers in de Franse literaire wereld’. Ze realiseren zich hoe ‘we onze pijlen [richtten] op onze voorgangers, de vorige generaties Afrikaanse auteurs, die we verantwoordelijk hielden voor het onheil dat ons trof: het gevoel dat we niet in staat waren of het recht niet hadden (dat kwam op hetzelfde neer) te vertellen wat onze afkomst was (…) en dat sommigen van onze voorgangers zich hadden overgegeven aan gedienstig, van negerfolklore doorspekt exotisme’.
    De schok die ze ervoeren was de radicaal andere zienswijze die het boek van T.C. Elimane bood.

    Elimane heeft nooit bestaan. Zijn ‘Het labyrint der onmenselijkheid’ evenmin. Maar het boek dat de schok teweeg bracht wel degelijk. Sarr baseerde zijn roman op De onvermijdelijkheid van geweld waarmee de Malinese schrijver Yambo Ouologuem (1940 – 2017) in 1968 in Frankrijk debuteerde en de verwikkelingen rond dat boek in de jaren na de verschijning ervan. De roman geeft inderdaad een schokkend beeld van de Afrikaanse geschiedenis, die wemelt van geweld en machtsmisbruik. Bovendien was Ouologuem één van die auteurs ‘in de Franse literaire wereld’ die wars was van het ‘gedienstig, van negerfolklore doorspekt exotisme’.

    Eenling tussen de haaien

    Toen De onvermijdelijkheid van geweld in 1968 in het Frans verscheen werd het lovend ontvangen, culminerend in de toekenning van de Prix Renaudot. Maar binnen een paar jaar werd de auteur beschuldigd van plagiaat. Schrijver Graham Greene trof in de roman passages aan uit zijn It’s a Battlefield en spande een proces aan dat hij won. Hij was de enige niet die met een dergelijke beschuldiging kwam. Voor Ouologuem was de kwestie aanleiding om zich vanuit Parijs, waar hij woonde, terug te trekken in zijn geboorteland. Hij wilde niets meer met het westen te maken hebben al verschenen nog wel twee mindere romans van zijn hand onder pseudoniem.
    In het Nawoord bij de nu verschenen eerste Nederlandse vertaling van De onvermijdelijkheid van geweldschrijft de Leidse docent Afrikaanse literatuur Vamba Sherif: ‘Zijn latere zwijgen onderstreept de pijn en de radeloosheid waarmee hij tot aan zijn dood in 2017 te maken moet hebben gehad. Hij was een eenling, geworpen in een zee van haaien die hem niet waardeerden voor wat hij was: een groot schrijver. Zwijgen en zich terugtrekken was voor hem daarom de enige optie’.

    Harde hand

    De onvermijdelijkheid van geweld is niet geschikt voor tere zielen. Ouologuem beschrijft een geschiedenis van het fictieve Nakem – misschien het best te vergelijken met Mali – dat gekoloniseerd werd door de Fransen (‘de Flençèssi’). De roman bestrijkt in hoofdzaak de koloniale periode, maar die wordt in het eerste hoofdstuk voorafgegaan door een kort overzicht van de mythische oorsprong van het Rijk vanaf 1202 toen de dynastie van de Saïfs begon. Eind 19de eeuw veranderde alles: ‘Het rijk werd tot vrede gebracht en opgesplitst in verschillende geografische zones, die de Europeanen onder elkaar verdeelden. Blij onthaalden de Afrikanen, gered van de slavernij, de witte man, die, hoopten ze, hun de wreedheid van de even machtige als vervaarlijk georganiseerde Saïf zou doen vergeten’.
    De bedoelde telg van de Saïf-dynastie is Saïf ben Isaac El Héït die, ‘vervuld van ongenoegen, met geurige mond en eloquente tong de energie van het fanatieke volk probeerde te mobiliseren tegen de indringer’. Dat deed deze Saïf met harde hand door gruwelijke moordpartijen, seksuele uitspattingen en geraffineerde manipulatie van de Flençèssi. Zijn wij gewend slavenhandel en vernedering te zien als een uitwas van het kolonialisme, Ouologuem laat zien dat de excessen onder eigen heersers van Afrikaanse stammen al veel eerder aan de orde van de dag waren en na de komst van de ‘witte mannen’ gewoon doorgingen, maar op een doortraptere manier: ‘Deze koloniserende mogendheden kwamen al te laat, want de kolonialist die hier, samen met de adellijke aristocratie, sinds lang gevestigd was, was niemand minder dan de Saïf, en de Europese veroveraar speelde hem – zonder het te weten! – in de kaart’.

    Liefdesverhaal

    Ouologuem beschrijft niet alleen de wreedheid van Saïf, maar ook de naïviteit van het Westen, dat Afrika graag wil zien door een romantische bril. Een fraaie illustratie daarvan biedt de komst van een Duitse etnoloog, Fritz Shrobenius en zijn gezin, naar Nakem. Toen Saïf ervan hoorde dat deze man erop uit was bewijzen, zoals maskers, te verzamelen om zijn idee te onderbouwen dat het Afrikaanse leven pure kunst was, werd hij (Shrobenius) door Saïf compleet in de watten gelegd. Én bedrogen. De etnoloog wilde ‘een Afrikaanse wereld (…) laten herleven die met de werkelijke geen enkele overeenkomst meer had’. Die kon hij krijgen van Saïf. Deze liet in allerijl honderden kilo’s maskers vervaardigen en begraven in het drasland om ze vervolgens door Shrobenius te laten ‘ontdekken’. Die sleet ze voor goudgeld aan verzamelaars. ‘Die maskers, drie jaar oud, droegen het gewicht van vier eeuwen beschaving, werd er gezegd’.

    Bijzonder treffend laat Ouologuem een vertederende kennismaking van de twee geliefden Kassoumi en Tambira fel contrasteren met de wreedheden die hij debiteert om die des te meer te laten uitkomen. Het verhaal van het jonge stel doet erg denken aan het verloop van de romance tussen Saïdjah en Adinda in Max Havelaar. Ook dat verhaal versterkt de wreedheid van de uitbuiting. In De onvermijdelijkheid van geweldeindigt het allemaal nog gruwelijker.

    Aspisadder

    Saïf is een ongelooflijk sluwe man die zijn gezag weet te handhaven door list en bedrog en door de Fransen het gevoel te geven dat hij het beste met hen voor heeft. Daar komen nogal wat moorden aan te pas waarbij hij steeds schone handen weet te houden. Hij heeft zo zijn personeel om de vuile klusjes op te laten knappen. Die maken daarbij vaak gebruik van gif van de aspisadder dat op allerlei geniepige manieren wordt ingezet zonder dat op de daders maar enige verdenking valt.
    Hoezeer de machtsverhouding tussen Saïf en de Fransen (ook de koloniale bestuurders sterven soms op raadselachtige wijze) een balanceeract is blijkt in het slothoofdstuk waarin de Franse deken Henry met Saïf aan een schaakbord zit waar zich tussen de twee een spannende dialoog ontwikkelt waarin Henry zijn opponent Saïf in verlegenheid brengt door hem op een subtiele manier te laten merken dat hij alles weet van aspisaddergif….

    Wat goed dat Uitgeverij Jurgen Maas Nederland 55 jaar na de eerste verschijning alsnog met deze roman kennis laat maken. Wie Sarr al las dringt er nog dieper mee door in diens De diepst verborgen herinnering van de mens.

     

     

  • Hij is niet hier, hij is niet daar… hij is naar Armorica

    Een boek dat zowel bankhangers als backpackers verblijdt, verschijnt zelden. Satori in Parijs (1966) krijgt het voor elkaar. In deze roman combineert Jack Kerouac traagheid en verstrooiing met reislust en soul searching. Het is het schriftelijke evenbeeld van slow tv als Verborgen verleden en Rail away, maar ook een intercontinentale zoektocht van een man naar ‘zichzelf’. De Amerikaanse auteur met Frans-Canadese ouders duikt in de familiegeschiedenis van zijn Bretonse voorgeslacht. Tien dagen trekt hij voor de reis uit. Tijdens de Parijs-Bretonse odyssee stuit hij op een man met dezelfde achternaam: Lebris de Kervoac. Toeval en trein leiden de Amerikaan echter terug naar Parijs: ‘een plek waar je ’s nachts echt kan rondwandelen om te vinden wat je niet zoekt.’ Langzaamaan verandert Jack in het archetype van de lachwekkend verdwaalde toerist. Satori in Parijs leest als pure satire.

    Het Japanse woord ‘satori’ betekent ‘begrijpen’. Volgens zenboeddhisten wordt dit consequent verkeerd vertaald als ‘plotselinge verlichting’ van lijden. Vooral niet-ingewijde westerlingen verwarren de term nogal eens met de vervulling van hun verlangens. Ook Kerouac begaat deze mispeer, nota bene op pagina één. Dit heeft verstrekkende gevolgen; vanaf het begin is zijn onderneming tot mislukken gedoemd. Wie zichzelf verdooft, verblindt zijn zintuigen. Dat doet hij zoals auteurs in Parijs al deden rond het fin de siècle: zuipend, zwervend en zwelgend. Continu bevraagt Kerouac daarbij het eigen schrijverschap, zijn onzekerheid op het papier morsend. Logischerwijs verdwijnt het aanvankelijke doel naar de achtergrond. Jack wil terug naar Amerika: ‘Ik had al heimwee. (…) naar Tampa, Florida, ben ‘k net zo klaar als de dikste koteletten in de goeie oude Winn Dixie-supermarkt, lieve God!’ Misschien zeggen onze wortels helemaal niet zo veel over onze identiteit.

    The (not very) quiet American

    Henry de Montherlant, Kerouacs inspirator tot de Franse reis, schreef ooit het boek De eenzame reiziger is een duivel. Hierop vormt Jack geen uitzondering. Over het Parijse pension waar hij uitcheckt, zegt hij: ‘Er werd me niet in alle toonaarden gesmeekt om nog eens terug te komen.’ Voor de toerismebranche is hij een gruwel: hij heeft luidruchtige seks in zijn kamer, brabbelt met dubbele tong na een dozijn cognacjes tegen wildvreemden én veroorzaakt een vliegtuigvertraging. Vlak voor opstijgen moet hij namelijk echt even plassen in de vertrekhal. Want ja… al die drankjes, hè? Toch lacht de lezer in zijn vuistje. Terwijl Jack zijn koffer het toestel in ziet kruipen, wordt de drinkebroer de toegang ontzegd.

    Ook in de trein, waar hij dan maar mee naar Brest rijdt, laat Jack zich gelden. Wanneer de conducteur de halte Saint Brieuc aankondigt, corrigeert de Amerikaan zijn uitspraak vier keer met: ‘Saint Brieuck!’ In Brest slaat de Bretonse nuchterheid hem eindelijk in het gezicht. Jack denkt goede sier te maken door in plaatselijk dialect een caféuitbater te verbluffen: ‘‘Daar is het toilet, eerste rechts.’ ‘La Poizette, hè?’ schreeuw ik. Hij kijkt me aan met die blik van: ‘Ga naar de wc en hou je bek.’’

    Niettemin leidt Kerouacs talige obsessie tot boeiende terzijdes, vooral bij de herkomst van zijn achternaam. Dan wendt hij zich ineens tot de lezer: ‘Zeg je dat ik een snob ben? – Ik wilde alleen maar uitzoeken waarom mijn familie haar naam nooit heeft veranderd en zou daar wellicht op een verhaal stuiten, dat ik zou kunnen herleiden naar de bron in Cornwall, Wales, en Ierland en misschien Schotland om er helemaal zeker van te zijn, en dan op naar Canada, naar de stad bij de rivier St. Lawrence waar, zoals ik heb gehoord, een Seigneurie was en dus kan ik daar gaan wonen (samen met mijn krombenige Frans-Canadese verwanten die dezelfde naam dragen) en nooit belasting betalen!

    Held met deuren op slot

    Inderdaad blijkt Kerouac zo Amerikaans als een Colt.45. Hij bezit nog geen duizendste vezel van de Breton die hij in zichzelf hoopte te ontdekken. Zoals hij zelf zegt: ‘lafhartig en verwaterd door twee eeuwen Canada en Amerika.’ Tijdens een nachtelijke omzwerving in Brest ontloopt hij de enge ‘apaches’ in de steegjes. Achteraf kan hij er smakelijk om lachen: ‘Wat makkelijk om daar grapjes over te maken terwijl ik dit op 6000 kilometer afstand opschrijf, veilig thuis in het oude Florida met de deuren op slot.’ Noemt hij zichzelf hier een toetsenbordterrorist avant la lettre? ‘Kortom, deze bevreesde en vernederde stomkop brulboei schurkenschurker afstammeling van de mens.’ Kerouac speelt met zijn zelftwijfel door zijn schrijfstijl navenant te laten weifelen. Geregeld vertraagt hij het ritme met gedachtespinsels tussen haakjes, liggende strepen, komma’s, vragen, of alles tegelijk:

    ‘Glorie, immer, maar voorbij, we maken een praatje – (Opnieuw, beste Amerikanen uit mijn geboorteland, in morsig Frans, in deze context vergelijkbaar met het Engels dat in Essex wordt gesproken): – Ik: – ‘‘Ah, sieur, shite, nog een cognac.’’ ‘‘Astu, mighty.’’ (Een woordspeling op matey, maat, en laat me je nog één vraag stellen, lezer: – Waar anders dan in een boek kun je terug om op te pikken wat je hebt gemist?)’ Wat de schrijver ons in elk geval laat missen, is duidelijkheid. Nagenoeg elke zin zou immers ironisch opgevat kunnen worden.

    ‘Waarom het uithoudingsvermogen van de lezer op de proef stellen?’ Omdat Kerouac daar zin in heeft. Net als in tirades, die niet te serieus moeten worden gelezen. Toch? Zo bezoekt Kerouac zijn uitgever in Parijs. In de blikken van alle daar aanwezige vrouwen leest hij slechts één ding: minachting. Hij verwoordt als het ware hun gedachtes, waar het zuur vanaf spat: ‘Kerouac? Ik kan tien keer zo goed schrijven als die beatnik-maniak en dat zal ik bewijzen met dit manuscript hier getiteld Silence au Lips over hoe Renard de foyer in loopt terwijl hij een sigaret opsteekt en weigert de trieste vormeloze glimlach te zien van de plotloze lesbische heldin wier vader net is overleden terwijl hij probeerde een eland te verkrachten in de slag van Cuckamonga.’ In dit lichtvoetige boek vallen zulke passages vol vitriool flink uit de toon. Maar soit, het anti-woke-gezeur schijnt tegenwoordig goed te scoren. Gooi het eruit, Jack!

    Saters beleven geen ‘satori’

    Kerouac wijdt zijn leven te zeer aan Bacchus om een zuivere ‘satori’ te beleven. Voortdurend zit hij achter vrouwen aan en bezat hij zich. Hij leeft, kortom, als een sater, die de roes der verdoving wil ervaren: ‘Mijn manieren, soms abominabel, kunnen charmant zijn. Met het klimmen der jaren werd ik een zuiplap. Waarom? Omdat ik van de extase van de ziel hou. Ik ben een wrak. Maar ik hou van de liefde.’ Met ‘satori’ heeft dit alles bitter weinig te maken. Wel wordt met het wassende alcoholgebruik zijn zoektocht lastiger en lastiger te voltooien. Het antwoord over zijn toch wat schrale herkomst staat in het nawoord van Pauline Bock. Dat Kerouac deze teleurstellende ontdekking nooit heeft gedaan, is mogelijk de belangrijkste bestaansreden voor Satori in Parijs. Wie weet dat hij aan het einde van zijn weg geen klomp goud vindt maar een ordinaire querulant, begint niet eens aan zijn queeste. En dan te bedenken dat Kerouac oprecht geloofde van Bretonse adel af te stammen. Noblesse oblige. Adelheid verplicht, maar daarvoor is dit boek te licht.

     

  • Mauk: Een reflectie op een leven vol waan(zin)

    Jan Vantoortelbooms roman Mauk biedt een intieme kijk in het leven van Mauk die op zijn sterfbed aangeeft dat hij ‘dit wat men zo voldaan het leven noemt, had overgeslagen, als ik daartoe de kans had gekregen.’ Op dit sterfbed komen alle herinneringen samen en vormen een beeld van een getroebleerde jeugd en de naweeën hiervan in een volledig leven.

    Het verleden van Mauk ontvouwt zich op diens sterfbed in een reeks gedachten en herinneringen die zijn leven zijn geweest. Deze herinneringen lopen door elkaar heen en beslaan verschillende episodes: het heden waarin hij op zijn sterfbed wordt verzorgd door Jenny, de dochter van zijn vroegere geheime geliefde Carla. Daarnaast zijn er de angstige momenten uit zijn jeugd. Ze zijn getekend door de schaduw van zijn vader, een man die Mauk en diens moeder regelmatig fysiek mishandelt, met wonden en gebroken botten als gevolg. Deze momenten krijgen vorm in de fantasierijke context van de enige gemeenschappelijke factor die Mauk en zijn vader deelden: een fascinatie voor het Wilde Westen. En ten derde is er de periode waarin Mauk relatief gelukkig was, toen hij het huis van zijn nonkel Konrad opknapte en een bestaan voor zichzelf opbouwde als schrijver van brieven voor mensen in het dorp, en hij een geheime relatie had met zijn geliefde Carla.

    Zelfbescherming door dissociatie

    Mauk is een verhaal over zelfbescherming door dissociatie, een verkenning van hoe een geest kan vluchten naar een wereld van waan om aan de werkelijkheid te ontkomen. In de context van de verbeeldingsrijke wereld van het ‘Wilde Westen’, brengt Vantoortelboom de relaties tussen Mauk, zijn vader en zijn denkbeeldige, beschermende broer Henri samen. Het ‘recht van de sterkste’ dat in het ‘Westen’ geldt, weerspiegelt treffend Mauks dynamiek met zijn tirannieke vader, waarbij ‘Henri’ zich opwerpt als beschermer en rebel en deze zo het beeld wordt van Mauks innerlijke verzet en zijn zoektocht naar bevrijding. Dit ‘Westen’ wordt de arena waarin Mauks innerlijke demonen hun eigen toneel krijgen en waar de grens tussen realiteit en waan vervaagt.

    Henri wordt hierdoor niet alleen de personificatie van Mauks wil zich te verzetten, maar ook de katalysator van zijn dissociatie. Naarmate hij dieper in zijn zelfgecreëerde Westen duikt, verliest hij de grip op de realiteit en krijgt hij last van episodes die hij ‘dwalingen’ noemt. Bijvoorbeeld wanneer hij tijdens zo’n dwaling plotseling bij zijn tante Lora verschijnt. Tijdens dit bezoek wordt duidelijk dat Mauk ook als kind al episodes had waarbij hij de grip op de realiteit verloor en de woede van Henri het overnam. Mauks tante zegt: ‘Het spijt me zo dat ik je niet kon houden. Henri bedreigde mijn kinderen. Hij sloeg ze en schopte ze als ze ook maar iets te dicht bij hem kwamen.’

    Terugkerende thema’s door de tijd heen

    Vantoortelboom weeft de verhaallijn behendig door de verschillende tijdsperioden in Mauks leven, waardoor bepaalde relaties en oorzaken geïmpliceerd worden, maar nooit expliciet worden benoemd. Dit noopt de lezer om zelf de puzzelstukjes in elkaar te laten vallen en zo een beeld te vormen van hoe de gebeurtenissen hebben geleid tot het heden van Mauk op zijn sterfbed.

    Mauks worsteling met de realiteit wordt verder verdiept door zijn innige band met het huis van nonkel Konrad, en ook de band van Mauks moeder met nonkel Konrad is een terugkerend thema. Konrads huis fungeert als een tastbare getuige van Mauks verlangen naar herstel en wederopbouw, zowel van de fysieke omgeving als van zijn eigen innerlijke wereld. De metamorfose van het huis, van een vervallen ruïne tot een symbool voor standvastigheid, weerspiegelt Mauks zoektocht naar rust en een solide basis. Het huis vormt de wortels van Mauks volwassen bestaan en is de plek waar hij uiteindelijk ook zijn eigen verhaal op papier zet. Een verhaal dat hij bewaart in het bovenste hoekje van zijn boekenkast, gebonden in een zelfgemaakte kaft van berkenplankjes.

    Vantoortelbooms beeldende beschrijvingen zijn doorspekt met heldere, doeltreffende en soms verrassend poëtische zinnen, zoals: ‘De vredigheid die me nu alweer lang heeft verlaten, huisde in ons samenspel, de vrouw bij wie ik mijn verbeelding niet nodig had, bij wie ik kon bestaan in de vrijheid van alle donkerte.’
    Deze beschrijvingen sluiten volledig aan bij Mauks aanleg voor het schrijverschap. Zo ontstaat het vermoeden dat met het lezen van Mauk de lezer het verhaal uit het in berkenplanken gebonden boek in handen heeft.

    Verkenning van de verbeelding

    De grens tussen realiteit en verbeelding is in Mauk altijd duidelijk maar daarom niet minder immersief. Als lezer word je volledig meegenomen in de belevingswereld van Mauk, zelfs wanneer deze de realiteit overstijgt.

    Door deze schrijfwijze weet Vantoortelboom Mauks sobere bestaan kundig door te laten klinken in het vertelde maar ook in het onvertelde. Het verlangen naar menselijk contact sijpelt niet alleen door in Mauks ‘relatie’ met Henri, maar ook in het leven van zijn moeder en haar relatie met Konrad. Met het beschrijven van deze relaties snijdt Vantoortelboom thema’s als mishandeling, eenzaamheid, isolatie, compassie en vergeving aan en laat hij zien hoe gedragingen iemand voor het leven kunnen tekenen. Mauk is een boek dat fijn wegleest maar dat je niet makkelijk weglegt of vergeet.

     

  • Mierenneuker als compliment

    De zweetvoetenman verscheen al in 2017, werd een jaar later onder andere genomineerd voor de Woutertje Pietserseprijs en won de Zilveren Griffel en de Prijs voor het Best Verzorgde Boek uit 2017. Momenteel ligt de achtste druk in de winkel.
    […]
    Nu geldt nog steeds wat in 2017 opging: het is een bijzonder kinderboek over een ingewikkelde materie die met een opmerkelijke lichtvoetigheid wordt gepresenteerd. De zweetvoetenman staat vol spannende verhalen die tot in allerlei aspecten worden uitgeplozen. Dat gebeurt soms  aan de hand van vragen van een denkbeeldige lezer, een soort personificatie van de publieke opinie die geneigd is tot snelle oordelen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Vechten voor vrijheid en gelijkheid

    In Vrouw en vrijheid reikt Jolande Withuis feministisch gedachtegoed aan dat niet nieuw is maar wel steeds weer opgerakeld moet worden, vanwege onder andere bewegingen als MeToo, het Rooms gezinsdenken in Polen en Hongarije, de opkomst van anti-abortuspartijen in Italië en Amerika, Andrew Tate als influencer, de moederhartbeweging en corpsballen met seksistisch gebral. Withuis legt met scherpe pen uit waarom vrouwen tot in lengte van dagen zullen moeten blijven vechten voor hun vrijheid en gelijkheid.

    In dit pamflet trekt de sociologe en feministe ten strijde tegen identiteits- en diversiteitsdenken, intersectionaliteit, woke en boerka’s. Aan de hand van legio persoonlijke en historische voorbeelden stelt ze dat ‘echt mannelijke’ en ‘echt vrouwelijke’ eigenschappen niet bestaan. ‘Anatomie is geen noodlot. Vrouwen kunnen pas vrij zijn als ze de moed hebben onvrouwelijk te zijn.’ De kern van haar betoog is dat de oorzaken van sekseverschillen bij historische, culturele en politieke verschijnselen liggen.

    Wat is feminisme eigenlijk?

    Volgens Withuis streven feministen ernaar de maatschappelijke betekenis van het biologische geslachtsverschil op te heffen. ‘Beide seksen zijn gewoon mensen. Mensen zonder commentaren […] zei Wilhelmina Drucker aan het einde van de negentiende eeuw’. En Withuis noemt andere voorvechtsters van het feminisme die het vrouwelijk versus onvrouwelijk benoemden: Mary Wollstonecraft schreef in de 18e eeuw al over  vrouwenrechten, evenals Betty Friedan, Amerikaans feministe, sociaal activiste en publiciste halverwege de vorige eeuw en Simone de Beauvoir, die in 1949 De tweede sekse opende met de woorden: ‘Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt vrouw.’

    Withuis buigt zich over de begripsvervaging tussen sekse en gender en stelt dat de behoefte om van geslacht te veranderen onder meer ontstaat onder druk van de maatschappij. ‘Niettemin vermoed ik dat de behoefte een jongen te zijn onder jonge meisjes wel eens geringer zou kunnen zijn als zij niet meenden te moeten voldoen aan de vereisten van wat een geslaagd meisje is, of een ‘echte’ vrouw. […] zie het bombardement aan make-up en modetips dat via influencers en sociale media over hen wordt uitgestort; zie de grofheid waarmee vrouwen worden afgemaakt die daarvan afwijken.’

    Zonder borsten geen vrouw

    Uit eigen ervaring spreekt Jolande Withuis over de sociale druk die vrouwen ervaren als ze ten gevolge van borstkanker een borst moeten missen. Een vrouw met één borst is geen schoonheidsideaal, dus laten de meesten zich een reconstructie of prothese aanmeten, wat vaak een pijnlijke en moeizame weg is. ‘Seksisme in schaapskleren,’ noemt Withuis dat. ‘Want ik ben zonder borst nog dezelfde als met.’

    Dat vrouwen werken is in Nederland nog altijd minder gangbaar dan in landen om ons heen. Zelfs Wim Kok vond in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat vrouwen na hun veertigste niet meer zouden hoeven te werken. Terwijl volgens Withuis juist een vrouw die werkt sociale contacten heeft, zich kan ontplooien en zich gelijkwaardig kan voelen.

    Als biografe van Prinses Juliana, de verzetsman Pim Boellaard en de kunstenares Jeanne Biruma Oosting, sprak Jolande Withuis in 2018 in de Huizingalezing over het belang van de  biografie van een individu, met als titel: Leve het Leven, vrijheid en de biografie. Haar tekst is beknopt weergegeven in dit boek en gaat in op de aanpak van het schrijven van een biografie. Interessant te weten is dat de biografie eigenlijk pas sinds de jaren negentig in opmars is. De biografie onderstreept de waarde van individueel leven, terwijl daarvoor socialistische en confessionele groeperingen afkeer toonden van individuele levens. ‘Omdat we voordien gevangenzaten in een dwangbuis van religieuze en politieke zuilen en ideologieën – in collectivisme dus!’ Het individu was nog niet bevrijd.

    Brieven

    In het boek zijn een paar brieven opgenomen met prangende vragen, waarop ze uiteraard geen antwoord krijgt. Aan Ana Pauker (1908 -1960) bijvoorbeeld, een Roemeense communiste en activiste, vraagt ze of ze spijt heeft. Jolande bewonderde haar in haar jeugd, maar liet haar later van haar voetstuk vallen, juist omdat ze het communisme trouw bleef. De tweede brief is gericht aan Simone de Beauvoir (1908- 1986). Een brief waarin ze de Franse feministe wil eren en bedanken voor haar feminisme en onafhankelijk denken. In haar brief aan Ayaan Hirsi Ali (1969) spreekt Withuis zich uit over de schandelijke behandeling die deze dappere vrouw gehad heeft. Ze is ronduit weggepest ‘en niet alleen omdat ze antisemitisme, het antidemocratische karakter en de vrouwenhaat van de islam aan de kaak stelde die de Nederlandse intelligentsia decennialang had overdekt. Het was bovenal omdat ze dat deed als vrouw – erger nog een beeldschone vrouw.’

    Diversiteitsdenken

    Uiteindelijk maakt Withuis zich zorgen over het diversiteitsstreven, woke en intersectionalisme in de huidige maatschappij. Begrippen die steeds meer het taalgebruik binnendringen, maar lang niet altijd wordt de vrijheid van het individu ermee bedoelt. Het gaat meestal om groepen en dan is ‘tribalisme nabij’. Black lives matter, woke groepen, vrouwen, LGBT worden met gemak onder de noemer minderheden geschaard en dat is slecht nieuws voor het feminisme. ‘Vrouwen vormen geen minderheidsgroep maar de helft van de samenleving.’

    Niet iedereen zal het eens zijn met de schrijfster en hoewel ze heel toegankelijk en zelfs met lichte ironie schrijft, is Vrouw en vrijheid niet altijd gemakkelijke kost. Wel is het een belangrijk boek om door vrouwen en mannen gelezen te worden om de dialoog gaande te houden, misstanden en denkfouten te benoemen en seksueel geweld naar buiten te brengen. Het is noodzakelijk om elkaar bewust te maken van discriminatie in al zijn facetten en zodoende ieder individu vrijheid te gunnen, betoogt Withuis.