• Barea timmert aan de weg

    In de prachtige serie Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland is dit jaar de indrukwekkende autobiografische roman De weg (La ruta) van Arturo Barea (1897-1957) verschenen. Hierin beschrijft hij de Spaanse aanwezigheid in Marokko die het voorspel tot de Spaanse Burgeroorlog zal vormen. De tekst is al eens eerder vertaald en in 1948 uitgegeven. Dit boek is echter onvindbaar (zelfs de Koninklijke Bibliotheek beschikt niet over een exemplaar), maar gelukkig is er nu een uitstekende vertaling van Mia Buursma. Hub Hermans schreef het verhelderende nawoord. Het register, dat ten onrechte wordt aangeduid als noten, zorgt – net als het kaartje achterin het boek – voor de noodzakelijke achtergrondinformatie.

    Barea is van eenvoudige komaf. Na de dood van zijn vader zorgt zijn moeder voor vier jonge kinderen door als wasvrouw kleren te wassen in de door Madrid stromende rivier de Manzanares. Een oom en tante betalen zijn schoolopleiding. Hij verlaat de school op 13-jarige leeftijd en gaat voor een hongerloontje bij een bank werken. Hij vervult zijn verplichte militaire dienst in Marokko waar hij zich opwerkt tot sergeant. Hij begint te schrijven, houdt een dagboek bij en publiceert enkele gedichten. Na de machtsovername van Francisco Franco vlucht Barea naar Engeland en publiceert zijn boeken in het Engels en in het Spaans voor de Latijns-Amerikaanse markt. Het zal tot na het einde van de dictatuur van Franco duren voor zijn boeken – met groot succes – in Spanje worden uitgebracht.

    Een Afrikaanse kolonie voor Spanje

    Spanje is na de Eerste Wereldoorlog zijn positie van wereldmacht kwijtgeraakt: de Latijns-Amerikaanse kolonies zijn onafhankelijk geworden, terwijl de nieuwe koloniale machten (Britten, Fransen, Portugezen, Belgen en Italianen) volop begonnen zijn met hun verovering van Afrika. Spanje houdt daarom vast aan de Rif in het huidige Marokko, waar de bevolking maar niet wil snappen dat zij gekoloniseerd worden voor hun eigen bestwil en dat hun land niet van hen is, maar van Spanje – de klassieke leugen van elke kolonisator.

    Wanneer Spanje niet eens een kolonie kan domineren aan de overkant van het water op nauwelijks 14 kilometer van zijn eigen kustlijn, dreigt het zijn internationale geloofwaardigheid helemaal kwijt te raken. Daarom worden tienduizenden soldaten naar de Rif gestuurd. Het zijn analfabete boerenzonen, grotendeels afkomstig uit kleine dorpen gelegen in het Spaanse binnenland, waar de armoede soms nog groter is dan in de Rif. De situatie in Spanje is zo slecht dat voor velen vrijwillig in dienst blijven na de dienstplicht de enige kans is op een vast inkomen en – als ze het overleven – op een klein pensioen.

    Koloniale corruptie

    Het behoort tot de taak van sergeant Barea een weg te tekenen en toe te zien op de aanleg ervan in bezet gebied. Vandaar de titel van het boek. Hij ontdekt al snel dat het Spaanse leger door en door corrupt is. Er wordt geld gevraagd voor meer arbeiders dan er daadwerkelijk zijn, officieren steken de niet-uitbetaalde soldij in eigen zak en worden zo slapend rijk. Barea moet alles netjes verwerken in de boekhouding: zolang er een door een meerdere ondertekend bonnetje bestaat, hoeft hij zich nergens druk over te maken.

    Met veel empathie beschrijft Barea de dagelijkse ontberingen van de soldaten: hoe ze bedorven voedsel moeten eten (‘met paprika gekookte bonen vol wormen’) of honger moeten leiden, hoe ze moeten slapen in lekke tenten en hoe de luizen vrij spel hebben in hun ongewassen uniformen. Sommigen gaan naar de prostituees die syfilis hebben, in de hoop besmet te raken: dan mogen ze – samen met de zwaargewonden – terug naar Spanje. Wie echter een bevel weigert op het slagveld riskeert de doodstraf met de kogel. Eén van de hogere officieren is Francisco Franco die krediet heeft bij de soldaten omdat hij één van de weinige hogere officieren is die aan de frontlijn zijn leven riskeert.

    Riffijns verzetsleider Abd El-krim El Khattabi dwingt Spanje in 1923 tot de terugtocht. Dit is de andere koloniale mogendheden een doorn in het oog en Frankrijk helpt Spanje uit de nood. Franco, ondertussen de jongste generaal ooit in het Spaanse leger, onderwerpt met Franse hulp opnieuw de Rif: de Riffijnen worden gruwelijk afgeslacht. Hij doet dat met zijn leger dat hij in 1936 zal inzetten voor een staatsgreep tegen de democratisch verkozen regering in eigen land. Zijn dictatuur zal tot aan zijn dood in 1975 duren.

    Seksuele moraal

    Barea mag thuis herstellen van een levensbedreigende tyfus-infectie. Hij ontdekt dat de Spanjaarden geen weet hebben van de gruwelen die hun landgenoten in de Rif aanrichten en van de ontberingen van de Spaanse soldaten. Wanneer hij na zijn diensttijd uit Marokko terugkeert (met achterlating van zijn vriendin en hond) is hij een overtuigd antikoloniaal en denkt hij ook kritisch na over de seksuele moraal van zijn vaderland waar gearrangeerde huwelijken nog steeds de norm zijn. Gehuwde koppels die zich na de wittebroodsweken als geliefden gedragen, worden met wantrouwen bekeken; dat hoort niet. Mannen moeten hun vrouwen niet lastigvallen, kunnen er beter een vriendin op nahouden of naar de bordelen gaan; vrouwen hebben geen andere taken dan kinderen baren en het huishouden verzorgen.

    Anti-oorlogsboek

    Barea was erbij in de Rif en kan er uit de eerste hand over schrijven. Aan het slot van het boek denkt hij terug aan de aanleg van de weg in de Rif waar een blinde man gedesoriënteerd raakt omdat zijn hobbelige, maar vertrouwde pad verdwenen is. Er ligt nu immers een nieuw aangelegde vlakke weg. Hij vervloekt die weg die volgens hem volgezogen is met bloed. Barea realiseert zich dat de vooruitgang in Spanje betekent dat ook daar veel nieuwe wegen zullen worden aangelegd en vreest dat hierbij evenveel bloed verspild zal worden. Zo laat hij zien hoe de gebeurtenissen in Marokko parallel lopen aan die in Spanje. Hij doet dat zonder zichzelf te sparen. Zijn eerlijkheid overtuigt en maakt het eerste deel van zijn boek tot één van de beste anti-oorlogsverhalen die ooit geschreven zijn, en het tweede deel tot een vileine afrekening met de patriarchale, Spaanse maatschappij.

  • Verhalen die achterblijven op je netvlies

    Van die dagen is Amanda Maxwells tweede bundel met twaalf korte verhalen. De Nieuw-Zeelandse schrijfster woont in Australië en die ‘kiwi’ en ‘down under’ sfeer is voelbaar in haar verhalen. Maxwell beschrijft haar personages met veel oog voor detail en een heldere stijl, die onherroepelijk nabeelden oplevert. Tussen de regels door komen het verlangen en ongemak van de heel diverse protagonisten naar boven. De verhalen ogen realistisch maar kantelen verschillende keren naar licht bizarre of raadselachtige situaties.

    Zoals in Moriati’s muze. Een jonge vrouw denkt dat ze stiekem is geschilderd door de grote, zeer bewonderde kunstenaar Moriati. In een tussenzinnetje wordt gesuggereerd dat de man dood zou zijn, wat de plot meteen op scherp zet. Het schilderij dat hij van de vrouw maakte, staat op een goede dag in de bushalte waar ze onbewust poseerde. Zij neemt het mee naar huis en samen met haar vriendje denkt ze er veel geld voor te vangen. Ze kopen alvast een dure sportauto. De ex van het vriendje is de vertelster. Ze is jaloers en wil ook op een schilderij van Mortiati staan. In hetzelfde bushokje trekt ze haar kleren uit en gaat in de vrieskou naakt poseren in de hoop dat de schilder haar ziet.

    Ook Denkbeeldig kaarten met Jeremy neigt naar het bizarre, tragikomische. Een stel is in de nacht op weg naar de bergen om een aanhanger sneeuw te halen, zodat een groepje (terminaal) zieke kinderen er op de parkeerplaats voor het ziekenhuis nog een keer mee kan spelen. De jongen en het meisje vallen op elkaar, maar die verlangens worden niet uitgesproken, integendeel over de zaken die hen werkelijk bezighouden zeggen ze niets. Tijdens de rit verschijnen er vreemde tekens onderweg, een dode koeienkop en schreeuwende eksters, die het verhaal dat als een droom afloopt een horrortintje geven.

    De bunker speelt op een legerbasis nabij Singapore, waar tal van families wonen. Wanneer de ouders naar de begrafenis van de generaal gaan, blijven twee meisjes van 10 en 13 alleen thuis met de Chinese huishoudster. De drie buurjongens zijn ook alleen thuis, ze lokken de meisjes mee een bunker in, wat tamelijk dramatische en gewelddadige gevolgen heeft.

    In Trampolinedagen keert Ella in gedachten terug naar haar jeugd, toen ze met haar zusje altijd op de trampoline te vinden was, maar nu. ‘… was er mos gegroeid op het stiksel langs de randen van de trampolinemat.’ Ze was hem vergeten, ‘de winterse regen had zijn bestaan uitgewist.’ Om dat oude gevoel te herbeleven gaat ze er weer op, ze springt als vroeger, maar dat loopt slecht voor haar af.

    Personages met zelfspot

    Verlangen is het voornaamste thema in deze bundel. Verlangen om erbij te horen, verlangen naar een verloren jeugd, verlangen om geslaagd te zijn, of gezien te worden door de persoon die je heimelijk bewondert, zoals in Ik ken jou, maar jij kent mij niet. De naamloze ik denkt dat ze de beste vriendin is van Mae, een wereldberoemd en beeldschoon topmodel, die beschermd door bodyguards door het leven gaat. Terwijl de ik te dik en eenzaam thuis op de bank zit, weet ze, of hoopt ze dat Mae haar ziet staan. Als Mae het uitmaakt met haar vriend heeft ze haar vriendin nodig om bij uit te huilen. Eindelijk kan de ik er voor Mae zijn. ‘Ik zeulde net mijn dikke reet van William Street op in de richting van het Coca-Colareclamebord toen ze belde.’ Het contrast tussen beide vriendinnen kan niet groter zijn en gaandeweg wordt de ik-verteller steeds onbetrouwbaarder.

    In Wat valt er te snappen gaat het om drie tieners. Zus schildert niet onverdienstelijk, ze maakt kunst, waar haar tweelingbroer Louie niets van moet hebben. Hij steekt behoorlijk grof de draak met haar. Tot haar vriendin komt voor wie hij als een blok valt. Natuurlijk zal hij dat niet laten merken. ‘Maar eerlijk is eerlijk, bij hoge uitzondering, en altijd onbedoeld, doet ze (Zus) iets wat echt indruk op je maakt en dan ben je eigenlijk best trots op haar en heb je bijna zin om haar een vriendschappelijk, ouderwets schouderklopje te geven. Bijvoorbeeld als ze een nieuwe vriendin blijkt te hebben die knap is en tieten heeft.’

    Het goede van dit verhaal is dat het in de je-vorm en onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd is geschreven vanuit het perspectief van het pesterige broertje. ‘Er is niets leukers dan tegenover je kwaadaardige tweelingzus aan de keukentafel te gaan zitten en een van haar tubes acrylverf uit te knijpen alsof het tandpasta is. “Hé, hou daarmee op,” zal ze janken.’
    Vervolgens ontstaat een cynische ruzie waarin het onvermogen van de broer om aardig te doen en zijn bewondering voor zijn zusje te tonen er vanaf druipt. Dat hij uiteindelijk zelf ook ‘kunst’ maakt wil hij niet geloven.

    Maxwell beschrijft het onvermogen van de pubers en jong volwassenen haarfijn, ze verstaat de kunst om grote, moeilijke gevoelens heel klein te beschrijven, of ze helemaal niet te beschrijven, maar te laten zien met onderkoelde humor, tragikomische details en zelfspot van haar personages. Van die dagen is uitstekend vertaald door Ariane Schluter, Maxwells krachtige verhalen met soms schrijnende situaties die achterblijven op je netvlies komen ook in het Nederlands tot leven.

     

     

     

  • Als er geen vrouwelijke rolmodellen zijn, dan zal ik er een zijn

    In 1943 verschijnt Uitgenodigd, de eerste roman van Simone de Beauvoir. Het is ‘een existentiële filosofie in romanvorm, als een soort aanvulling op Sartres Het zijn en het niets,’ schrijft Caroline Bernard (pseudoniem van Tania Schlie) in de biografische roman over Simone de Beauvoir De vrouw van Montparnasse. In Café de Flore, hun stamcafé, bestelt Sartre om de uitgave te vieren champagne, die vanwege de oorlog helemaal niet te krijgen is. Het wordt slechte jenever.

    ‘”Op de vrijheid,” zei Sartre en hij proostte op haar’. Vrijheid werd voor Simone het sleutelwoord. Voor Sartre gold alleen persoonlijke vrijheid. In Het zijn en het niets had hij maar een paar bladzijden over de ethiek van vrijheid geschreven en al tijdens het schrijven van zijn werk had Simone herhaaldelijk over deze definitie met hem gesproken. Volgens haar was de ander ‘meer dan een object, meer dan een obstakel op de weg naar de eigen vrijheid. (…) “U denkt te kort door de bocht Sartre. U vergeet het ethische aspect dat in elke relatie moet bestaan.”’

    Geen traditionele vrouwenrol

    Het is een van de voorbeelden waaruit blijkt dat De Beauvoir en Sartre als filosofen en schrijvers absoluut gelijkwaardig waren in hun manier van denken en discussiëren. Zij publiceerden niets zonder het aan elkaars bevindingen te hebben getoetst. Maar veel van hun lezers vulden haar in als een aanhangsel van hem. Voor mannen, concludeert De Beauvoir als ze nadenkt over wat De tweede sekse (1949) zal worden, is een vrouw ‘de ander’.  

    Caroline Bernard (Hamburg, 1961, pseudoniem van Tania Schlie), laat De vrouw van Montparnasse – Simone de Beauvoir en haar zoektocht naar liefde en waarheid, in 1924 beginnen (en eindigen in 1946). Simone is dan zestien jaar en heeft vaak onenigheid met haar vader, wiens bewondering voor haar intelligentie is omgeslagen in afwijzing. Hij ziet haar graag in de traditionele vrouwenrol, maar Simone verzet zich daartegen. Ze leest, wil leren en weten, schrijven. ‘Alles interesseerde haar, niets was veilig voor haar honger naar kennis en haar nieuwsgierigheid,’ schrijft Bernard. Omdat haar vader zijn fortuin had verloren wist Simone dat ze haar eigen geld zou moeten verdienen. Voordat ze dat kon als schrijfster zou ze als lerares gaan werken. Ze volgt verschillende opleidingen, onder andere aan de Sorbonne Grieks, Latijn, wiskunde, literatuur en filosofie. 

    Om haar uiterlijk geeft ze niets, maar romantische gevoelens zijn haar niet vreemd. Haar vriendin Zaza is verliefd op Maurice Merlau-Ponty, haar nieuwe vriendin Stépha kleedt zich uit in haar bijzijn en slaapt zelfs met vriend Fernando, vrijheden die Simones mond ‘doen openvallen van verbazing’. Zelf hoopt ze te trouwen met haar neef Jacques, die haar geregeld verdedigt tegenover haar vader. Maar als hij als dienstplichtige naar Algerije vertrekt, is er bij hun afscheid niets dat die hoop rechtvaardigt. 

    Studeren

    Simone mag studeren aan de École Normale, waar ze een van de eerste vrouwelijke studenten is. In januari 1929 gaat ze als lerares in opleiding een paar weken lesgeven aan het Lycée Janson de Sailly, waar alleen jongens worden toegelaten. De leerlingen lachen om haar: ze is te jong en een vrouw. ‘Sommige jongens maakten haar duidelijk dat ze niet wilden dat een vrouw hun vertelde wat ze moesten doen. Simone haalde haar schouders op en legde strenge straffen op.’

    Op de Sorbonne komt ze via haar goede vriend Maheu in aanraking met Paul Nizan en Jean-Paul Sartre. Ze voelt zich door Sartre geïntimideerd, al hebben ze nog nooit met elkaar gepraat. Hij heeft de reputatie veel geliefden te hebben en ze slecht te behandelen, maar Simone kon ‘ergens niet geloven dat hij net zo was als de anderen, die vonden dat vrouwen niet op de universiteit thuishoorden, die begonnen te lachen en gekke gezichten trokken als een van de weinige vrouwelijke studenten een presentatie hield.’ 

    Levendig beschrijft Bernard hoe in de collegezaal de eerste blikken worden gewisseld tussen Sartre en Simone en er briefjes heen en weer gaan. Een paar maanden later vraagt Sartre of Simone hen ‘die ingewikkelde Leibniz uitlegt’ over wie haar proefschrift gaat. Ze stemt in en vindt het leuk om ‘intellectueel met hem te concurreren’. Sartre zag haar voor wie ze was, waardeerde haar om haar intellect. ‘Ik heb u nodig om mijn gedachten te ordenen,’ zegt hij, ook al had hij ‘een intellectueel zelfvertrouwen dat zij miste’. Sartre leerde haar dat ze een ‘eigen persoon’ was, terwijl zij nog ‘al haar ontmoetingen en ervaringen aan Jacques relateerde’. Ze komt tot de conclusie dat in de filosofie en de boeken die ze zelf zou gaan schrijven geen plaats voor Jacques was. Ze is dan 21 jaar.

    Niet een maar twee

    Aangemoedigd door Stépha gaat Simone op eigen initiatief met Sartre naar bed. ‘Ze had er geen idee van gehad dat er nog een ander niveau van verbinding mogelijk was dan het intellectuele.’ Ze worden onafscheidelijk, hun gesprek houdt nooit op, ook niet in het bijzijn van vrienden. Sartre maakt haar wel duidelijk dat hun liefde niet vanzelfsprekend is. Ze moeten die altijd op de proef blijven stellen. Huwelijk en monogamie verwerpt hij, zo wist Simone, die door Sartre ‘Castor’ wordt genoemd. Ze beseft dat zij niet een zijn maar twee. Ze realiseert zich ook dat ze geen vrouwelijke rolmodellen heeft om zich aan te spiegelen, terwijl er voor mannen talloze zijn. Aan haar zus schrijft ze: ‘Ik zal een genie worden. En als er geen vrouwelijke rolmodellen zijn, dan zal ik er een zijn.’  

    Sartre stelt voor een stel te zijn, waarin hij alleen met Simone een stabiele relatie heeft, met andere vrouwen losse. ‘We vertellen elkaar alles. Ook als er anderen zijn.’ Het pact betekent dat ook Simone vrij is, ze hoeft niet te kiezen. Alles wat ze schrijven laten ze elkaar lezen en becommentariëren. De periode waarin ze beiden buiten Parijs lesgeven, schrijven ze elkaar dagelijks lange brieven. Weer terug haalt Simone Olga, een oud-leerlinge naar Parijs, Olga’s zus Wanda volgt. Sartre en Simone onderhouden hen en noemen hen ‘hun kleine familie’. 

    Ze hebben allemaal relaties met elkaar, Sartre met Olga en Wanda, Simone met Olga en Sartre. Bost, een goede vriend, krijgt een serieuze relatie met Olga. Dat weerhoudt Simone er niet van ook een langdurige relatie met hem te beginnen, maar Olga mag dat niet weten. Eerlijkheid bestond alleen tussen Simone en Sartre. Deze driehoeksverhoudingen, de worstelingen met jaloezie, de leugens, het uitgaan, de hele vriendenkring om hen heen, zal Simone later uitgebreid beschrijven in Uitgenodigd.

    Maar er zijn nog meer ‘anderen’. Volgens Bernard schaamt Simone zich voor Sartres haantjesgedrag. ‘Verleiding was een deel van hem. “Het gaat niet om mij of u,” zegt Simone. “We zijn één ding vergeten in ons pact: dat anderen eronder lijden en er een hoge prijs voor betalen.”’ 

    Simone regelt hun beider financiën, organiseert alles rondom hun beider verplichtingen, zorgt voor ‘de familie’, houdt uit de gratie geraakte vrouwen en journalisten bij Sartre weg. Ondertussen leest ze alles wat ze vinden kan over de rol van de vrouw. ‘Het waren de mannen die zichzelf als het eerste geslacht zagen (…). Alles wat niet mannelijk was, werd als minderwaardig beschouwd, als een afwijking.’ 

    Ontwikkeling als vrouw

    Café de Flore is hun werkplek, ’s avonds gaan ze uit. Tijdens de oorlog zijn Simone en Sartre gescheiden. Als later, in het bevrijde Parijs, Simone in een café wordt aangesproken door een man die vindt dat politiek voor mannen is en dat naïviteit vrouwen aantrekkelijk maakt, dient ze hem ‘van binnen ziedend’ van repliek. ‘(…) ”Maar je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt.” Sartre keek op en plotseling wist Simone dat ze de zin had gevonden die de essentie van haar toekomstige boek omvatte.’ In 1949 verschijnt het existentialistische De tweede sekse. ‘Het zou de ogen van vrouwen openen,’ schrijft Bernard.

    Hier, in 1946, laat zij de biografie van De Beauvoir eindigen, ook al volgen er nog twee pagina’s in 1951. Bernard legt de nadruk op De Beauvoirs ontwikkeling als vrouw. Haar politieke bewustwording komt nauwelijks aan bod, net zomin als de reizen die ze toen al met Sartre maakte en haar filosofische artikelen en essays. Het boek is geschreven in een ongecompliceerde stijl, die in het begin wat gemakkelijk aandoet. Eenmaal daaraan gewend, leest het plezierig weg. Caroline Bernard heeft ruim twintig boeken geraadpleegd en citeert uit de memoires van De Beauvoir, al is niet duidelijk welke citaten dat zijn. Dat is niet erg, het boek is boeiend genoeg en de vele details maken de gebeurtenissen  inzichtelijk en levendig, alsof je erbij bent.

    Simone de Beauvoir wordt niet meer gezien als de vrouw van. Ook uit Bernards boek blijkt dat zij een groot schrijfster is van romans waarin de filosofische existentiële vrijheid verweven is met het verhaal, een groot denker die met haar leefwijze haar ideeën onderstreepte. Haar boeken zijn nog steeds verkrijgbaar, ook over denken, existentialisme en ouder worden. Als onderwerp is zij tegenwoordig eveneens geliefd. Deze progressieve, krachtige vrouw is een voorbeeld voor velen, of ze nu over haar lezen of over haar schrijven.

    De auteur

    Tania Schlie/Caroline Bernard (Hamburg, 1961) studeerde Germanistik und Politik in Hamburg en Parijs. In het Nationaal Archief in Parijs deed ze onderzoek voor haar masterscriptie. Ze werkte tien jaar bij een uitgever, waarna ze zelf begon te schrijven: liefdesromans met vrouwen als hoofdpersoon. Ze publiceerde ook Schrijvende koppels, waarin naast Jean-Paul Sartre & Simone de Beauvoir, ook F. Scott & Zelda Fitzgerald, Martha Gelhorn & Ernest Hemingway, Elsa Morante & Alberto Moravia, Sylvia Plath & Ted Hughes, Siri Hustvedt & Paul Auster, Jessica Durlacher & Leon de Winter, Nicole Krauss & Jonathan Safran Foer figureren. De vrouwen van die koppels zijn zelf begaafde schrijvers maar fungeren ook, of misschien vooral, als muze voor hun echtgenoot. Als Caroline Bernard schrijft Schlie over buitengewone vrouwen in de kunst zoals Simone de Beauvoir, Frida Kahlo, Alma Mahler. De Beauvoir fascineerde haar al toen ze als au pair ongelukkig was in Parijs en uiteindelijk vond ze via haar de moed om te gaan schrijven. Sinds 2021 maakt ze ook podcasts over en met kunstenaars. 

     

     

  • Verhalen van Oegandese kindsoldaten

    Eén van de vertellers in de roman Wij, aanmaakhout is Miriam. Ze ontmoet in een Oegandees opvangcentrum vrouwen die ooit zijn ontvoerd door het Lord’s Resistance Army (LRA) van Joseph Kony (tegen hem loopt al sinds 2005 een arrestatiebevel), en weer een normaal leven proberen op te bouwen. Eén van die vrouwen is Maggie die haar vertelt dat er bezoek is geweest van een Canadese academica: ‘De vrouw was niet geïnteresseerd in de meest plastische getuigenissen, maar ze wilde weten wat er was gebeurd, waar en wanneer. Wie deed wat? Wie nam beslissingen? Hoe waren de structuren van het Verzetsleger van de Heer? Hoe functioneerde het? Maggie pijnigde haar hersenen om zich haar eigen verhaal te herinneren. De vrouwen vroegen elkaar wat ze zich herinnerden en bespraken onderling de impact die die gebeurtenissen en die tijd nog steeds op hun leven had’.

    Na het vertrek van de academica bleven de vrouwen hun verhalen vertellen en vastleggen. De naam van de academica wordt in de roman niet genoemd, maar uit het dankwoord van de schrijfster, Otoniya J. Okot Bitek, blijkt dat het gaat om de Canadese onderzoekster Erin Baines. Zij is hoofddocent aan de Universiteit van British Columbia en gespecialiseerd in gedwongen ontheemding en gewapende conflicten. Ze is tevens medeoprichtster van het Justice and Reconciliation Project (JRP) in Gulu in het noorden van Oeganda. Okot Bitek, geboren in Kenia maar in Oeganda opgegroeid, ontmoette Baines in 2005 tijdens de zogenaamde GuluWalk. Die was georganiseerd door Amnesty International om aandacht te vragen voor de Oegandezen die slachtoffer waren van de op dat moment al negentien jaar durende oorlog tussen de regering en de LRA.

    Overleveringen

    Okot Bitek is dichteres. Met Wij, aanmaakhout schreef ze haar eerste roman. Die is gebaseerd op de vele verhalen (‘ododo’) van uit het LRA gevluchte vrouwelijke kindsoldaten zoals de al genoemde Miriam en Maggie. Ze heeft al die geschiedenissen op een indrukwekkende en poëtische manier vormgegeven om daarmee recht te doen aan wat ododo voor het Acholivolk, waartoe de meeste vrouwen behoren, óók zijn: lessen voor de toekomst in hun verteltraditie die aansluit bij vaak al generaties lang vertelde verhalen. Okot Bitek laat die overleveringen daarom voorafgaan aan haar eigen weergave van wat de vrouwen vertelden over hun ontvoering door de LRA, die hen had gekidnapt op scholen of in hun dorpen. Die overleveringen gaan bijvoorbeeld over een aap die de Katvis die hem op wil eten te slim af is, iets soortgelijks over de Rattenvanger van Kitgum en over een verslindende Reus die achter een haas aan zit.

    De schrijfster gebruikt niet de namen van de meisjes die gedwongen werden als kindsoldaat te vechten. Bovendien heeft zij de herinneringen niet één op één naverteld maar het materiaal gebruikt om er haar eigen weefsel van te maken.

    Haanvrouw

    De fictieve vrouwen door wier ogen wordt teruggekeken op hoe de jonge tieners van school of uit hun dorp werden ontvoerd, in het LRA werden misbruikt en wisten te ontsnappen, zijn Miriam, Helen, Maggie, Josephine, Susannah en Lucy. De schrijfster geeft elk van hen haar eigen verteltrant. Maar enkele stijlfiguren van Okot Bitek zelf keren veelvuldig terug. Ze kiest bijvoorbeeld voor opsommingen die het effect hebben dat wat de meisjes overkwam bij de lezer extra binnenkomt: de voortdurende herhaling van vernederingen, aanrandingen en ontberingen. Zo bestaat het hoofdstuk ‘Gemurmel’ louter uit korte zinnen waarin de meisjes voor elkaar een naam bedachten en tegelijk de ware namen probeerden te verhullen.

    Vaak gebruikt de schrijfster zinnen repetitief. Zo beginnen liefst zeven achtereenvolgende teksten over Susannah met dezelfde zin in nauwelijks verschillende variaties: ‘Er was eens een haanvrouw. Ze werd Twon-ne genoemd’. Na de zevende keer heeft de lezer een schrijnend beeld van haar belevenissen, van opvoeding tot en met de terugkeer in haar dorp.

    De buik van de reus

    Want laat duidelijk zijn dat de meisjes – inmiddels begin twintigers – niet altijd met begrip ontvangen werden in hun oorspronkelijke gemeenschap. Veel van hen hadden uit verkrachtingen geboren kinderen bij zich. Zoals Miriam vertelt: ‘Ik houd Helen voor dat ze niet moet leven alsof iedereen weet wat ons is overkomen. En zelfs als ze het denken te weten, weten ze er niets van. Ze weten alleen wat hun verteld is. Ze weten alleen wat ze zich denken voor te kunnen stellen. Ze kunnen onmogelijk weten wat er is gebeurd. Wij zijn het die de buik van de reus [verwijzing naar de legende van de Reus en de Haas] kennen’.

    De titel van de roman, Wij, aanmaakhout, komt uit het relaas van Maggie. Zij vertelt hoe ze van haar oma leerde koken: hoe je brandhout moest sprokkelen: welk hout geschikt was om lang te branden en wat alleen als aanmaakhout was te gebruiken. Dat waren de meisjes in het LRA: aanmaakhout, ‘gebruikt om het vuur op gang te krijgen’.

     

     

  • Kiezen is verdwijnen

    Het is even wennen voor lezers die het liefst een boek van kaft tot kaft lezen. In het nieuwste deel van het Ministerie van Oplossingen van Sanne Rooseboom kies je zélf het verloop van het avontuur en spring je kriskras door het boek heen. Van bladzijde 15 naar hoofdstuk 74 om vervolgens naar hoofdstuk 58 te gaan. Of maak je een andere keuze en lees je het 34e hoofdstuk? In Het Ministerie van Oplossingen en de verdwijning van mevrouw Vis maakt de lezer dat zelf wel uit! 

    Ontvoerd of weggelopen?
    Het zevende deel in de populaire serie van het Ministerie van Oplossingen draait om de verdwijning van mevrouw Vis, de oprichter van het ministerie. De leden van het ministerie gaan aan de slag om dit mysterie op te lossen. Is mevrouw Vis bijvoorbeeld ontvoerd of is ze zelf weggelopen?

    […]

    Rooseboom voegt met het avontuur over de verdwijning van mevrouw Vis een interessant deel toe aan haar populaire boekenserie.

    Leeftijd: 9+

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.nl

  • Een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject

    In zijn imposante boek De tijd, de waarheid & de geschiedenis belooft emeritus hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy ons via de ondertitel dat hij gaat uitleggen ‘hoe onze wereld in elkaar zit’. Daar hebben we wel 45 euro en flink wat leestijd voor over (het boek telt 684 bladzijden, waarvan ruim tweehonderd met voetnoten en register, dat scheelt weer). Is het die investering waard? Ja, en een beetje nee.

    De voorkant van het boek toont een schilderij van Francisco Goya, La Verdad, el Tiempo y la Historia. We zien een oude man met een zandloper: Vadertje Tijd. Dan zijn er twee halfblote jonge vrouwen, van wie de een ‘ons ernstig aankijkt’ en ‘vol in het licht treedt’. Zij staat voor de Waarheid. De andere vrouw is in een boek aan het schrijven: de Geschiedenis. Met ontkleed bovenlijf, want de geschiedenis ‘verdraagt geen verhulling’. Ieder voor zich, legt De Rooy uit, zijn het dimensies van de manieren waarop we het leven, de wereld en onszelf proberen te begrijpen. Maar ze hangen ook nauw samen. Het onderzoek naar die samenhang leidde tot het ontstaan van dit boek.

    Titel en ondertitel getuigen van ambitie. Is het werkelijk mogelijk in een kleine zevenhonderd bladzijden uit te leggen ‘hoe onze wereld in elkaar zit’? Natuurlijk niet, en dat weet De Rooy ook heel goed. We moeten dan ook geen hecht doortimmerde wetenschappelijke verhandeling verwachten, maar ‘een zwerftocht door het verleden’, inclusief een ‘blik in het het historisch atelier, mijn werkkamer’. Overal stapeltjes boeken, printjes van artikelen, krantenknipsels ‘en wat niet al’. Ze zijn terug te vinden in de voetnoten, maar, geeft De Rooy toe, ‘verschillende keren stuitte ik op ongedachte verbanden, intrigerende verhalen die te leuk waren om niet te vertellen’. Het zijn juist die zijstappen die De tijd, de waarheid & de geschiedenis ondanks de hoge inzet tot een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject maken. Overigens haast De Rooy ons te bezweren dat hij niet maar ‘wat [ging] aanrommelen’. Hij blijft een wetenschapper – zie de overvloed aan voetnoten en bronnen.

    Badinerende en relativerende terzijdes

    Wat het boek óók luchtig houdt, zijn de badinerende, relativerende terzijdes die soms opduiken. In het deel over De tijd vergelijkt hij het verhaal over een kloosterling die honderd jaar slapend in het paradijs doorbracht met het sprookje over Doornroosje: ‘Zeker, de verschillen zijn groot, de monnik verbleef in het paradijs, maar onbekommerd slapen in een paleis heeft ook wel wat.’ Over de werking van atoomklokken, met een afwijking van minder dan een seconde per 3,7 miljard jaar: ‘Echt snappen doe ik dit niet, maar het klinkt behoorlijk nauwkeurig.’ Over het gezegde hora ruit, tempus fluit (het uur vliedt heen, de tijd vloeit weg): ‘Ik zag deze spreuk voor het eerst in een apotheek in Amersfoort op de muur boven de antieke medicijnpotten staan, wat in die context toch licht ongerust stemde, want het is vooral een aankondiging van de dood.’ Bij een onderzoekje naar koekoeksklokken kwam De Rooy ‘overigens ook tegen – het slaat nergens op, maar is te leuk om weg te laten – …’.

    Voor wie is dit boek eigenlijk bedoeld? Aan het begin van het deel De waarheid, kondigt De Rooy aan dat hij vooral aandacht zal geven aan de theologie in plaats van de filosofie. ‘Trouwens, gewone mensen hebben op het laatstgenoemde terrein ook niet veel te zoeken.’ Ah, daar hebben we dus de doelgroep te pakken. Komt de ‘gewone’ lezer aan zijn trekken? Wel als die genoegen neemt en plezier beleeft aan een indrukwekkende hoeveelheid wetenschappelijke feiten, inzichten, meningen en anekdoten. Zo geeft het deel De tijd een mooi overzicht van de verschillende manieren waarop je tegen het verschijnsel ‘tijd’ aan kunt kijken; hoe de mens probeert er grip op te krijgen, hoe de tijd te vangen is in klokwijzers, agenda’s en kalenders, hoe relatieve en absolute tijd zich met elkaar verhouden. Uiteindelijk komt er geen duidelijk antwoord op de vraag wat tijd nu precies is, maar dat is ook onmogelijk. Kerkvader Augustinus schreef immers al: ‘Wanneer iemand het mij vraagt, weet ik het; wanneer ik het iemand, op zijn vraag, zou willen uitleggen, weet ik het niet.’

    Op alle terreinen thuis

    Zo geeft ook het deel over De waarheid meer dan honderdvijftig bladzijden lang een breed uitwaaierend uitzicht op de eeuwige spanning tussen wat werkelijk waar is en alles wat die waarheid ontkent, verloochent of bestrijdt. Terwijl het uiteraard al lastig genoeg, zo niet onmogelijk is om zeker te weten wat ‘werkelijk waar’ is. Aan bod komen de Bijbel (‘waar ben ik aan begonnen?’), het geloof en in samenhang daarmee hekserij en Jodenvervolging; de evolutietheorie en religie; de verwarrende werking van het brein; de ontwikkeling van de moderne wetenschap; de vlucht in theosofie en esoterie en vanzelfsprekend ook de oorzaken en gevolgen van complottheorieën. De Rooy voelt zich op al deze terreinen thuis, maar is nog steeds op de hand van de ‘gewone’ lezer.

    Anders wordt dit in het deel De geschiedenis, de thuishaven van de schrijver. Hier gaat de historicus zeer uitgebreid in op de geschiedenis van de geschiedwetenschap, met een eindeloos exposé van stromingen, richtingen, opvattingen en controversen. Dit gedeelte is voor oningewijde ‘gewone mensen’ amper te volgen en hoe dan ook totaal niet interessant. Ook omdat hier de gemoedelijke kanttekeningen, verhelderende voorbeelden, treffende citaten en verluchtende bijkomstigheden van de eerste twee delen ontbreken. Het wordt weer boeiend als de geschiedenis van samenzweringstheorieën ter sprake komt, met een voor de hand liggende doorkijk naar de wereld van nu. Maar dan rijst de vraag of dit onderwerp niet bij De waarheid hoort, waar het trouwens ook al aan de orde is geweest.

    Aan de rijke, bijna overvloedige inhoud van De tijd, de waarheid & de geschiedenis kan in dit bescheiden bestek geen recht gedaan worden. De Rooy neemt een onwaarschijnlijke hoeveelheid hooi op zijn vork waar hij voor het overgrote deel op een bewonderenswaardige manier raad mee weet. Dat gewone mensen hem niet altijd in zijn hoge vlucht kunnen volgen, moeten we dan maar op de koop toe nemen.

     

     

  • Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    In Het inferno van Slauerhoff reconstrueert Luuk Imhann een cruciale en pijnlijke periode uit het leven van Jan Jacob Slauerhoff (1898–1936): de tijd na de doodgeboorte van zijn zoon in 1932. Dit verlies ontwricht niet alleen zijn huwelijk, maar ook zijn verhouding tot zijn werk en zijn plaats in de wereld. In een poging aan zijn verdriet te ontsnappen vertrekt Slauerhoff uit Nederland en laat hij zijn vrouw Darja achter. Hij vestigt zich als arts in het Marokkaanse Tanger, toen een neutrale, internationale zone. Zijn vlucht is zowel een poging het onbegrijpelijke verlies te doorgronden als een manier om zijn schuldgevoel en gemis met zich mee te dragen. De roman volgt hoe deze emoties zijn denken en handelen voortdurend kleuren.

    Tanger vormt in het boek een dynamisch decor vol contrasten. De stad is druk, chaotisch en onvoorspelbaar; veel culturen en vluchtelingen maken de omgeving levendig én belastend voor iemand die midden in een rouwproces zit. Slauerhoff vindt er zowel afstand als overprikkeling. De anonimiteit van Tanger biedt hem ruimte om te observeren en reflecteren, terwijl de drukte hem confronteert met een wereld die ongehinderd doorgaat. In zijn medische praktijk krijgt hij te maken met patiënten en passanten die elk hun eigen verhaal en problemen hebben. Zo wordt de stad een spiegel van zijn innerlijke onrust.

    Een etmaal dat uitzet

    Hoewel het verhaal zich in slechts één dag afspeelt, weet Imhann deze vierentwintig uur te rekken tot een volledig universum. De opeenvolging van incidenten, ontmoetingen en gedachten maakt de tijd onwezenlijk intens. De Nederlandse consul Eduard vat het kernachtig samen: ‘Wat een puinhoop is alles in amper vierentwintig uur geworden.’ Die opmerking geeft aan hoe snel het leven kan kantelen en hoe overweldigend een enkele dag kan aanvoelen wanneer emoties, professionele verplichtingen en onvoorspelbare gebeurtenissen door elkaar lopen.

    Slauerhoff beweegt zich door dit etmaal met een vermoeidheid die hem fysiek en mentaal parten speelt. Terwijl hij patiënten behandelt, door de stad loopt en gesprekken voert, wordt hij telkens teruggetrokken naar zijn verlies. De roman geeft de lezer toegang tot deze innerlijke bewegingen door de gesprekken die Slauerhoff in gedachten met Darja voert. Deze stille dialogen laten zien hoe schuld, verlangen en gemis een constante rol spelen. De afstand tussen beiden wordt voelbaar, niet alleen in fysieke zin, maar vooral doordat hun gedeelde verdriet hen in stilte uit elkaar drijft.

    Literatuur als laag bovenop de werkelijkheid

    Een belangrijk onderdeel van Imhanns aanpak is het citeren van originele teksten en gedichten van Slauerhoff. Door poëziefragmenten en literaire verwijzingen toe te voegen, plaatst hij Slauerhoffs emoties in een bredere culturele en historische context. De hoofdpersoon verschijnt hierdoor ook als schrijver, iemand die zijn ervaringen voortdurend door een literaire lens bekijkt. Deze intertekstualiteit verrijkt de roman en benadrukt hoe nauw persoonlijk leven en literair denken voor Slauerhoff verweven waren.

    De verwijzingen naar het interbellum — de periode tussen de twee wereldoorlogen, waarin grote culturele verschuivingen plaatsvonden — maken duidelijk hoe Slauerhoff in zijn tijd stond. Het geeft inzicht in zijn psychologische profiel en laat zien hoe zijn gedachten, angsten en verlangens passen binnen de intellectuele sfeer van die jaren. Door literatuur en biografie te combineren, ontstaat een roman waarin kunst en leven elkaar voortdurend beïnvloeden.

    Tanger als arena van confrontaties

    De stad Tanger speelt in de roman een cruciale rol als plaats waar Slauerhoff niet langer kan ontsnappen aan zichzelf. De onverwachte en soms bizarre situaties waarin zijn patiënten belanden, de ontmoetingen met avonturiers, vluchtelingen en excentrieke figuren, en de onafgebroken beweging van de stad confronteren hem voortdurend met zijn onzekerheden. De chaos en diversiteit van Tanger weerspiegelen de fragmentatie die hij van binnen voelt, terwijl het ritme van de stad – het rumoer van markten, de geuren van specerijen, de stroom van mensen en voertuigen – hem voortdurend herinnert aan een wereld die ongehinderd doorgaat. In deze constante wisselwerking tussen overprikkeling en persoonlijke reflectie ontstaat een spanning die de roman voortstuwt en die Slauerhoff dwingt zijn verdriet, schuldgevoel en onzekerheden onder ogen te zien, zonder ooit de kans op ontsnapping te bieden.

    Ritme en helderheid in stijl

    Imhann schrijft in een stijl die tegelijk rijk en helder is. Zijn taal heeft ritme en blijft toegankelijk. Poëtische passages worden afgewisseld met scherpe observaties. Imhann structureert de veelheid aan gebeurtenissen zorgvuldig zodat de lezer niet overweldigd raakt en wordt meegenomen in een gelaagd verhaal.

    Het ritme van de roman wordt bepaald door de afwisseling tussen actie en reflectie. Slauerhoffs gedachten, herinneringen en emoties vormen de rode draad die de opeenvolgende scènes met elkaar verbindt. Zo ontstaat een manier van vertellen waarin de buitenwereld dienstbaar is aan de ontwikkeling van het personage.

    Een mens in rouw in een wereld die doorgaat

    Het verlies van zijn zoon vormt de kern van het verhaal. Het beïnvloedt hoe Slauerhoff naar de mensen om hem heen kijkt, hoe hij zijn werk doet en welke keuzes hij maakt. Imhann laat zien dat rouw geen afgesloten fase is maar een toestand die permanent alles doordringt; een lens waardoor de wereld wordt bekeken, en die de betekenis van dagelijkse gebeurtenissen verandert.

    Het inferno van Slauerhoff is een portret van iemand die tracht om te gaan met een verlies dat te groot is om eenvoudig te verwerken. Door literatuur, geschiedenis en emoties met elkaar te verbinden, creëert Imhann een rijk en overtuigend geheel. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in psychologische romans of interbellum-literatuur, en voor liefhebbers van de grote dichter Slauerhoff, biedt dit boek een diepgaande en meeslepende ervaring.

     

     

  • Gebreken en frustraties van een journalist

    In De allemansvriend is de hoofdpersoon een journalist die veel raakvlakken heeft met schrijver Arjan Visser. De journalist schrijft het boek in opdracht van een ander. Dat onthult hij in het laatste hoofdstuk, zoals dat gewoon is bij een whodunnit. ‘Het zou niet de zoveelste biografie van een of andere mediapersoonlijkheid worden, maar een serieus en beslissend boek zijn, een eerherstel, niet alleen voor (…) maar ook voor mij. Ik zou schoon schip maken, mezelf tonen, met al mijn gebreken.’ Volgens het alter ego van Arjan Visser schreef het boek zichzelf: ‘Ik wist alles al, ik had het allemaal gezien, gehoord of meegemaakt. Het moest alleen nog in de juiste vorm gegoten worden.’ En dat werd een boek dat twee hoofdlijnen kent: een fictief verhaal over een broederstrijd en een autofictief verhaal over een journalist.

    De journalist krijgt een aanbod dat hij niet kan weigeren. Of hij de doodgewaande vastgoedman Jack Kaptein wil interviewen. Jack is gepikeerd over een interview in Trouw met zijn broer William. Hij wil zijn eigen visie op de zaken geven in een interview waarover hij zelf de regie wil voeren. Daar heeft hij 75000 euro voor over.  William en Jack Kaptein zijn fictieve personages. Hun vader is in het verleden om het leven gekomen. Ze geven elkaar daarvan de schuld. De broers hebben een gereformeerde opvoeding genoten. Voor William is het gereformeerd zijn de basis van waaruit hij anderen en dus ook zijn broer graag vertelt hoe ze leven moeten. Jack heeft onder de opvoeding van zijn ouders geleden. William en Jack zijn een soort Kaïn en Abel. De oudere William voelt zich als Kaïn door zijn vader miskent. De jongere Jack doet als Abel alles wat God en zijn vader verboden heeft. Beiden blijken anders te zijn dan het beeld dat ze van elkaar schetsen.

    Integere interviewer verkoopt zichzelf

    De journalist gaat met Jack in zee en reist naar Marrakesh waar Jack zich schuilhoudt. Het interview wordt gecomponeerd en geplaatst, hij ontvangt zijn geld en koopt een huisje in Normandië en een nieuwe motorfiets. Enerzijds schaamt hij zich voor het te grabbel gooien van zijn goede naam als integere interviewer. Aan de andere kant zegt hij: ‘Waar is wat werkt’, zich daarmee een kind van deze tijd tonend. In het slothoofdstuk komen we te weten hoe de vork betreffende het overlijden van vader Kaptein precies in de steel zit. Daar wordt ook een en ander onthuld omtrent de familie Kaptein. De journalist besluit het boek te schrijven om een onterecht gestrafte recht te doen. Dat personage komt min of meer als een deus ex machina uit de lucht vallen.

    In de context van dit verhaal komen we alles te weten over de gebreken en frustraties van de journalist. Hij schrijft voor het dagblad Trouw op regelmatige basis een veel gelezen en -besproken interview waarin de Bijbelse Tien Geboden het vaste kader vormen. Die interviews worden gehouden met min of meer bekende Nederlanders. In deze roman relativeert de journalist zijn eigen vak. Volgens hem stelt het vak van interviewer niets voor: ‘Ik was bedreven geraakt in mijn vak doordat ik keer op keer de kans had gekregen mezelf te verbeteren. Op die manier had ik ook een uitstekend fietsenmaker kunnen worden.’ Hij krijgt er af en toe genoeg van de ‘aangever te zijn van dit soort derderangs clowns.’ Het werk is ook steeds minder spannend voor hem: ‘Vroeger was ik nerveus voor het gesprek, de laatste jaren maakte ik me vooral zorgen om de kwaliteit van de geluidsopname.’ De journalist heeft veel moeite om met zijn werk in zijn onderhoud te voorzien en moet soebatten en slijmen om een artikel te mogen schrijven voor glossy tijdschriften. En dan wordt de relatie met zijn vrouw ook steeds saaier, zij raken langzaam van elkaar verwijderd.

    Bekende Nederlanders passeren de revue

    Allerlei bekende Nederlanders die de journalist interviewt of met wie hij als romanschrijver te maken heeft, passeren de revue. Lale Gül en Frènk van der Linden, in wie ‘een zekere ijdelheid’ schuilt, komen langs. Ook uitgeefster Tilly Hermans, de schrijver Marieke Lucas Rijneveld en vele anderen voert hij ten tonele. Zo introduceert hij Marieke Lucas Rijneveld: ‘Na succesvol te zijn gedebuteerd als dichter wilde ze nu haar geluk als romancier beproeven.’ Alsof je een curriculum vitae van haar leest. Je vraagt je af waarom hij juist deze bekende personen in zijn roman opvoert. Hebben ze iets met de plot van het boek te maken? Zijn ze evenals de journalist vroom opgevoed en hebben ze daar ook afstand van genomen?

    Het autofictieve in deze roman komt niet verder dan een caleidoscopisch beeld van personen en gebeurtenissen. Het is niet veel meer dan aapjes kijken. De roman stoot niet door tot een diepere laag in het leven van de journalist, al willen de vele mea culpa’s en de opsomming van minder leuke eigenschappen ons dat wel doen geloven. Meer dan een veredeld RTL Boulevard is het niet. ‘La vie est autre que ce qu’on écrit’ vermeldt Visser als motto, maar hij geeft op geen enkele manier in de roman aan waar dat autre zich dan wel in uit. Visser brengt zaken te berde, maar doet er vervolgens niet veel mee. Wil hij daarmee uitdrukking geven dat de allemansvriend niet in staat is tot enige diepgang?

    Een aardige observatie

    Cabaretier Theo Maassen boort een beetje dieper in de ziel van de journalist. In het gesprek met hem wordt hij confidentieel over de relatieproblemen met zijn vrouw. Theo doet daar wat schamper over en noemt hem een ‘gereformeerde eikel’. Volgens Theo doet de journalist laatdunkend over zijn journalistieke werk omdat hij zichzelf diep van binnen een grote zondaar voelt. Een zondaar die alle mensen die hij interviewt ‘absolutie’ verleent, omdat hij weet dat hij zelf nog een veel grotere zondaar is. Een aardige observatie. De journalist neemt deze echter voor kennisgeving aan getuige zijn reactie: ‘Ha…Ja, misschien.’ Ze gaan vervolgens samen stappen en worden lekker dronken.

    De passages met Maassen laten echter wel zien dat Visser een goed stilist is. Bijvoorbeeld: ‘Theo’s arm kwam als een afgebroken herfsttak op mijn schouder terecht.’ Jammer dat het plot zo eenvoudig is en de autofictie zo oppervlakkig.

     

     

  • De kiem van De wand

    De Oostenrijkse Marlen Haushofer (1920-1970) is bij het grote publiek vooral bekend geworden vanwege haar weergaloze roman De wand (1963). Haar debuutroman uit 1955, Een handvol leven, is onlangs ook in het Nederlands vertaald (door Anne Folkertsma), met een nawoord van Charlotte Remarque. Zij ziet in Een handvol leven al een kiem van De wand, in die zin dat in beide romans sprake is van een vrouwelijk hoofdpersonage dat zich afzondert. Ze heeft daarmee zeker een punt.

    In Een handvol leven keert een vrouw met de naam Betty Russel terug naar het huis waar ze ooit gewoond heeft. De huidige bewoners hebben het te koop gezet en zij is een geïnteresseerde koper, die van ver komt. Ze heeft iets bekends voor de verkopers, maar ze kunnen niet helemaal thuisbrengen wat dat bekende precies is. Betty biedt zonder omwegen de vraagprijs voor het huis en blijft vanwege praktische redenen overnachten in het huis dat binnenkort het hare zal zijn. In haar oude kamer vindt ze een doos met ansichtkaarten en foto’s. Aan de hand van die spullen wordt via allerlei flashbacks duidelijk wie deze Betty in werkelijkheid is en hoe ze tot de keuze is gekomen om het leven dat ze vroeger in dit huis leidde achter zich te laten.

    IJzig koud klooster

    Het leven van Betty begint met een beschrijving van de jonge Lieserl, die op haar vijfde naar familie op het platteland werd gestuurd omdat haar moeder zou gaan bevallen. Het eenzelvige meisje leeft in een wat magisch realistische fantasiewereld en is enorm onder de indruk van een slager die een koe komt slachten. Later heet hetzelfde meisje Elisabeth en zit ze intern op een school bij de nonnen. In het klooster is het vaak ijzig koud (Elisabeth zal de rest van haar leven een afkeer van kou houden) en de nonnen verwijten het nieuwsgierige meisje dat dol is op lezen dat ze een schepsel boordevol fouten is. ‘Ze wist niet precies wat ze had misdaan, maar dat voortdurende schuldgevoel maakte haar ellendig. Een tijdlang probeerde ze zich ervan te bevrijden door zo vaak mogelijk te biechten. Dat zorgde echter slechts even voor verlichting.’

    Na verloop van tijd begint ze bepaalde situaties uit de weg te gaan om conflicten te vermijden. Ze sluit een soort vriendschap met twee andere meisjes, de vrolijke en vriendelijke Käthe en de broodmagere Margot, die godsdienstwaanzinnig wordt en met wie het uiteindelijk slecht afloopt. De driehoeksverhouding tussen de meisjes kost Elisabeth veel energie, ook omdat Margot haar voor zichzelf wil opeisen.

    Vreemdgaan uit pure verveling

    Ook wanneer ze ouder wordt, is het voor Elisabeth moeilijk om zich tot anderen te verhouden. Ze verlooft zich, verbreekt die verloving, trouwt uiteindelijk met Anton (Toni) Pfluger en krijgt een zoon. Ze voelt weinig liefde of waardering voor haar echtgenoot en voelt zich überhaupt ontheemd in het leven: ‘Met het stille cynisme van een vrouw observeerde ze hoe de ene helft van de mensheid stiekem maar onverstoorbaar alles saboteerde wat de andere helft buitengewoon belangrijk vond. Toch wilde ze ook in geen geval in een vrouwenwereld leven, waar nut en verstand regeerden en waar dan wel geen enorme oorlogen of honger waren, maar er ook niets meer te lachen viel.’

    Uit pure verveling begint Elisabeth een verhouding met een zakenpartner van Toni, een man die ze eigenlijk niet eens aantrekkelijk vindt. Na een jaar en drie maanden maakt ze een eind aan de relatie. Ze kijkt naar zichzelf in de spiegel terwijl ze huilt en dan gebeurt er iets bijzonders: Ze voelde een heel onpersoonlijk medelijden met die huilende vrouw en fluisterde iets troostrijks terwijl ze haar tranen droogde. Tegelijkertijd stond achter haar een derde Elisabeth, zij keek bijna een beetje geamuseerd naar de huilende vrouw en dacht: maak er niet zo’n drama van, lieverds.’

    Wanneer ze begint te fantaseren over de dood van haar echtgenoot, kind en minnaar, beseft Elisabeth dat er echt iets moet veranderen in haar leven en neemt ze een ingrijpende beslissing: ze verdwijnt en haar naasten wanen haar dood.

    Stroef personage

    Maar hoe boeiend deze levensloop ook is, het personage Lieserl/Elisabeth/Betty blijft opvallend op afstand. Ze is stroef en eenzelvig, waardoor je moeilijk met haar gedachten en gevoelens kunt meebewegen. In De wand is de eenzaamheid van het hoofdpersonage beter invoelbaar, alhoewel Een handvol leven qua opbouw zeker ook mooie vondsten heeft. Alhoewel sommige delen van het leven van Elisabeth uitgebreid uit de doeken worden gedaan, blijft de periode tussen haar ingrijpende beslissing en de terugkeer naar het huis dat ze ooit verliet in nevelen gehuld. Haushofer laat deze periode bewust onvermeld; dat levert spanning op, maar voelt ook onbevredigend. Wanneer je haar biografie bestudeert, valt op dat ook zij worstelde met zingeving en de geringe invloed die vrouwen indertijd hadden op hun eigen leven. In die zin is Een handvol leven dan ook zeker een feministisch boek te noemen.

    Al met al is het debuut van Marlen Haushofer vooral interessant om te lezen voor wie heeft genoten van De wand. De thematiek van eenzaamheid, het gevoel van de zinloosheid van het leven en de machteloosheid die iemand kan voelen ten aanzien van het bestaan worden fraai beschreven. Het taalgebruik is rijk en beeldend en veel zinnen nodigen uit om nogmaals gelezen te worden. Een handvol leven is geen meesterwerk à la De wand, maar een intrigerend en thematisch rijk debuut dat veel verraadt over Haushofers latere kracht.

     

  • Gedichten die ertoe doen

    Allard Schröder (1946) is bekend als auteur van essays en proza zoals de romans Grover en vooral De hydrograaf, waarvoor hij in 2002 de AKO-literatuurprijs ontving. Toch debuteerde hij in 2011 op 65-jarige leeftijd als dichter met de bundel Het meisje met de afstandsbediening, die tot stand kwam door een keuze te maken uit een verzameling poëzie die hij gedurende 35 jaar geschreven had. En in 2024 verscheen zijn tweede bundel, Lichtvang getiteld. Het zou zomaar kunnen dat deze bundel ook ontstaan is door een keuze uit de gedichten die Schröder in de tussenliggende dertien jaar heeft geschreven, want de opgenomen gedichten zijn zeer uiteenlopend van zowel vorm als inhoud, maar niet van kwaliteit, die blijft constant hoog.

    Het zijn gedichten van iemand die veel gezien en geleefd heeft en die daardoor wijs genoeg is om zich niet druk te maken om wat een ander van hem vindt. Schröder is geen moderne dichter en stoort zich niet aan poëtische conventies of modetrends. Er is moed voor nodig om zo volstrekt eigenzinnig te dichten, zonder acht te slaan op wat de tijdgeest voorschrijft of wat je populair maakt. De gedichten lijken puur te zijn geschreven voor eigen genoegen, als een weergave van de dingen die de dichter overpeinsd heeft en waarvoor hij nu en na veel schaven een passende formulering heeft gevonden. Daarbij mengt hij heden, verleden en toekomst dooreen tot een tijdloze wereld waarin realiteit en fantasie in elkaar overlopen. Nooit worden de gedichten zwaar, maar ook zijn ze nooit zonder betekenis. De dichter zoekt het in de lichtheid van het bestaan, zoals de titel van de bundel al aangeeft. Hij zoekt het in de romantiek van het leven, de sprookjeskant:

    ‘Ergens daartussen, tussen dag en nacht,
    vind je mij in het vale licht, oud schemerkind, al jaren
    bezig met zijn zoveelste ademtocht, daar leef ik
    in de zachte grijzen, te midden van stemmen nog zachter
    dan grijs – geen god of demon die zich daar laat horen.
    Dit is mijn rode uur, dat van licht nog even fonkelend
    spiegelt in onverschillig glas, voor het zijn dood smeult.’

    Het licht is overal 

    Het licht gaat altijd met de dichter mee. Het vergezelt hem op zijn reis door de klassieke oudheid in het gedicht ‘In Beneventum in het voorjaar van 268 van onze jaartelling’, dat een eerbetoon is aan de Griekse dichter Kavafis die over het verleden schreef alsof het nog steeds een levende realiteit was. Zo maakt Schröder ook geen onderscheid tussen oude en moderne poëzie: zijn werkterrein bestrijkt alle eeuwen. Dat is ook te merken aan de mythologische elementen waarover hij dicht: eenhoorns, griffioenen en nimfen bevolken zijn gedichten alsof ze echt bestaan. En de oude Griekse goden lijken nooit verdwenen te zijn. Rozenvingerige godinnen, najaden en silenen kondigen hun terugkomst aan. ‘Alles wordt nieuw, overal straalt groot licht / en zingt het weer, want de goden zijn teruggekomen. […] – de goden zijn weer onder ons // en alles is weer, zoals het hoort te zijn.’ De schikgodinnen bepalen het noodlot van de mens, zoals in het mooie gedicht dat begint met de versregel: ‘Een vrouw komt naar buiten, zet de handen in de zij.’

    ‘De vrouw strekt lachend de armen uit, zachte
    armen met kuiltjes, die kinderen hebben gewiegd;
    ze kruist ze over de borst en sluit de ogen.
    Dit is de dag der dagen, hiervoor wilde ze geboren zijn.’

    De draad van de tijd

    Ondertussen zitten onder een oude boom drie oude vrouwen, die ‘de draad van de vrouw [hebben] opgepakt en meegeweven.’ De vrouw heeft er geen besef van dat haar dood al voorbestemd is, maar de dichter aanvaardt dat gegeven zonder dat het afschrikwekkend is, het hoort er gewoon bij. ‘Intussen staat zij daar en zingt met gesloten ogen./ Haar stem snelt de wereld in, omdat het die dag is.’

    Naast Kavafis lijkt Schröder ook te verwijzen naar een andere grote dichter, Czeslaw Miłosz, als hij in het gedicht ‘Dat’ zegt: ‘Dat ik nu het onmogelijke moet doen:/ voorzichtig de wereld optillen/ en haar dan omkeren zodat we/ haar eindelijk van onderen kunnen zien.’ In het gedicht ‘De zin’ zegt Miłosz in de vertaling van Gerard Rasch: ‘Eenmaal dood zal ik de voering van de wereld zien./ De achterkant […]’.

    Er zijn meer verwijzingen naar de literatuur te vinden: versregels van bijvoorbeeld Goethe, Homerus, Willem Kloos, zitten in de gedichten verborgen. Ze leggen getuigenis af van wat in de poëzie van waarde is voor Schröder, van wat blijft, ook als al het andere verdwenen is.

    Leef je leven

    Het verleden wordt door de dichter niet alleen aangeduid door middel van de klassieke oudheid, maar ook door zijn herinneringen aan zijn jeugd, in het besef dat de tijd voorbij gaat en dat we ouder worden, maar bij hem hoeft dat niet per se een nadeel te zijn. Een lichte melancholie over de vergankelijkheid is hem niet vreemd, maar echt zwaar wordt het nooit, omdat de dichter met milde zelfspot in alles naar het licht zoekt. Leef je leven, zoek het licht, want eens zal alles voorbij zijn, lijkt de dichter te willen vertellen. De gedichten lijken door een gelukkig mens te zijn geschreven.

    Toch is de dood nooit ver weg, maar de dichter ziet die niet met angst tegemoet, omdat hij als  heiden zich opgenomen weet in de kringloop van het leven, waar elk einde steeds weer een nieuw begin betekent:

    ‘Uiteindelijk zal ik een herfstblad zijn
    en rood en bedachtzaam wikkend en wegend
    uit de hemel komen zweven
    om me voorzichtig neer te vlijen
    op wat me al is voorgegaan om ermee tot humus te vergaan
    voor wie na ons komt.

    Mooi einde.’

    Een einde van een mooi leven, ‘een leven als een zoete bries op een zomerdag.’ Deze gedichten doen ertoe. Zelfs als alles donker wordt, zal er ergens nog licht schijnen, zeggen ze.
    Schröder heeft dat licht gevangen in deze indrukwekkende en troostrijke bundel.

     

     

  • Tobben op papier

    ‘Waar gaan die boeken van jou over?’
    ‘Over mijn buren in Japan en Nieuw-Zeeland.’
    ‘Is dat interessant? Ik heb alleen saaie buren. Wil iemand dat lezen?’
    ‘Ik had ook alleen maar saaie buren.’
    ‘Waarom worden ze dan uitgegeven? Niemand wil toch over zijn saaie buren lezen?’
    ‘Ik denk dat mijn lezers zelf ook saai zijn. Zo kunnen ze met een lange omweg over zichzelf lezen.’

    Autobiografisch dagboek

    Met De resten van een mens komt de lezer weer terug in de wereld van Detlev van Heest. In De verzopen katten en de Hollander (2010) schrijft hij over zijn belevenissen in Japan, in Pleun (2010) over die in Nieuw-Zeeland. Deze romans hebben de vorm van een dagboek; met data en jaaraanduidingen. Met Parkeren in Hilversum (2024) is hij terug in Nederland. Ook dit boek heeft ‘roman’ onder de titel staan. Tussendoor verscheen nog Het verdronken land. Terug naar Japan (2011). Hier geen ‘roman’ onder de titel, maar wel een motto ontleend aan De Avonden van Gerard Reve: ‘Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is toevallig.’

    Bij De resten van een mens geen ‘roman’ onder de titel en geen tijdsaanduidingen. Wel een motto: ‘Wer nicht lügen kann, weiß nicht was Wahrheit ist ‘ (Nietzsche). Uit de tekst is af te leiden dat het boek speelt in de jaren na de dood van Han Voskuil (2008). Sporadisch zijn er verwijzingen naar actuele gebeurtenissen, zoals de begrafenis van Michael Jackson in 2009 en het jaar waarin Sven Kramer door zijn coach Gerard Kempers de verkeerde baan in werd gestuurd tijdens de Olympische Spelen in Vancouver (2010). Grappig in dit verband is dat wat we op bladzijde 145 lezen we over parkeercontroleur Detlev: ‘Volgens mijn vrienden heb ik ook de verkeerde baan genomen.’ Het boek bevat meerdere van zulke kapstokjes in de tijd.

    Van Heests nieuwe boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij hij observeert en noteert. Het is knap hoe hij verslagen maakt van de bezoeken die hij aflegt. De nadruk ligt op de dialogen die hij met veel precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond.
    De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar, de moeder van de in 1984 vermoorde Sandra van Raalten. Tussendoor bezoekt hij Lousje Voskuil in Amsterdam en zijn familie in Duitsland.

    Parkeercontroleur

    De resten van een mens bevat talloze uitvoerige beschrijvingen van Detlevs werk als parkeercontroleur. Bij het uitschrijven van bonnen wordt hij soms bedreigd met de dood. De discussies met de bekeurden zijn soms hilarisch om te lezen. Detlev komt meerdere malen in conflict met zijn managers over de vaak in zijn ogen belachelijke regeltjes en voorschriften, bijvoorbeeld over de kleur van zijn riem die hij bij zijn uniform moet dragen. Het ziekteverzuim ligt boven de 40 procent, volgens Detlev een gevolg van slecht management. Hij heeft daarover ook brieven geschreven aan de directie in Den Haag. Dat wordt hem niet in dank afgenomen. Bovendien neemt hij het op voor zijn collega’s Youssef, Bercolo en Farouk die door hun gebrekkige kennis van het Nederlands niet alles volgens de regels doen, omdat ze de instructies niet goed of verkeerd begrijpen. Farouk komt zelfs in een psychiatrische kliniek terecht waar Detlev hem meerdere keren opzoekt, tegen de wens van het management in. Detlev helpt zijn collega’s o.a. met het opstellen van bezwaarschriften. Na een zoveelste akkefietje schiet Detlev uit zijn slof en noemt een van zijn managers een ‘kapo.’ Zij moeten dan nog wel opzoeken wat dat betekent, maar uiteindelijk slagen zij erin hem over te laten plaatsen naar Noordwijk.

    Emma Paulides

    Emma is na de moord op haar dochter in Zaandam naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev, vertelt ze over haar dochter Sandra van Raalten die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Dit is de paskamermoord in Zaandam in 1984. In 2002 schreef Emma een brief aan de minister van Justitie of er in deze zaak gebruik was gemaakt van nieuwe DNA-technieken. De zaak werd heropend en kon een paar jaar later definitief worden afgesloten. Maar niet voor Emma: in de gesprekken met Detlev komt zij telkens terug op de moord op Sandra. Emma staat op de omslag van het boek afgebeeld met poes Klaasje. De aquarel is gemaakt door Pita Snoeck.

    Literaire verwijzingen

    De herinneringen aan Han Voskuil en Detlevs bezoeken aan diens vrouw Lousje doen authentiek aan. Hij helpt de weduwe van Voskuil met het laten verschijnen van de boeken Binnen de huid (2009) en De Buurman (2012). In het voorwoord van dit laatste boek is Lousje Detlev ‘onuitsprekelijk dankbaar’ voor zijn ‘onnavolgbare’ steun en het gereedmaken van het manuscript voor publicatie.
    Momenteel verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen. Detlev is een van de bezorgers daarvan (samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen).

    Aftakeling

    De titel De resten van een mens slaat op de aftakeling van mens én dier. Lousje wordt steeds vergeetachtiger en ook haar kat is ziek. Als Detlev bij Lousje langsgaat, hebben ze het af en toe ook over Frida. Die ziet er uit als een héél oud vrouwtje met een bochel. Voor de insiders: Frida Vogels komt als Henriette Fagel voor in Han Voskuils Bij nader inzien(1963). De boeken van Voskuil, Vogels en Van Heest zijn soms nauw met elkaar verweven.
    Aan het einde van het boek kan Emma Paulides niet meer thuis wonen. Zij komt uiteindelijk in een verpleeghuis in Zaandam terecht. Detlev helpt haar met het laten uitkomen van haar laatste wil: zij wil samen met het stoffelijk overschot van haar dochter gecremeerd worden. Na zijn overplaatsing naar Noordwijk schrijft Van Heest: ‘De golven vloeien uit over de voetstappen. De wind zuigt zich tussen hemel en aarde, die hier woest en ledig is. Morgen is het voorbij.’

    Dagboek of fictie

    In een interview (NRC 24 juli 2025) zegt Van Heest over de manier waarop hij Emma Paulides in het boek opvoert: ‘Ik heb bij al die andere mensen, inclusief mezelf, natuurlijk fictie bedreven. Je laat opmerkingen weg en voegt opmerkingen toe, je verandert de namen van mensen, noem maar op, maar Emma heb ik zo natuurgetrouw mogelijk willen opvoeren. De anderen spreken gepolijst, maar zij spreekt juist verbrokkeld, onsamenhangend, ze komt steeds weer op hetzelfde punt uit, namelijk op die dochter die ze is kwijtgeraakt.’ Dit sluit aan op de opdracht die voorin het boek staat: ‘ter nagedachtenis van Emma en Sandra.’

    Saai

    Op een paar plaatsen in het boek laat Detlev zich uit over het schrijversvak: ‘Als we ergens over schrijven, blijven we er over doormeieren, omdat we niets anders kunnen verzinnen. We melken een onderwerp helemaal uit.’ Een familielid zegt: ‘Dat is een extra belasting, al dat geschrijf. Dat is tobben op papier.’

    De kwalificaties ‘saai’, ‘doormeieren’ en ‘tobben op papier’ kunnen ironisch opgevat worden. Voor de boeken van Van Heest moet je als lezer een lange adem hebben. De nauwkeurige verslaglegging van op het eerste gezicht wellicht saaie gebeurtenissen levert een interessant boek op. Deze dikke paperback op dundrukpapier valt soepel open en is mede daardoor prettig leesbaar. Als lezer breng je veel tijd door in de wereld van Van Heest. Dat is geen straf: De resten van een mens blijkt een vermakelijk boek. Met weemoed en een ‘boekenkater’ neem je afscheid van zijn wereld.

     

     

  • Tussen twee werelden

    Rita Törnqvist-Verschuur (1935) gaat al ruim een halve eeuw mee op het Nederlandse literaire toneel als kinderboekenschrijfster, vertaalster en romanschrijfster. Als meisjes stoer zijn is haar laatste bijdrage aan haar omvangrijke oeuvre.

    Dit boek mag een memoir genoemd worden waarin Verschuur op haar niet altijd gemakkelijke leven terugkijkt. Ze schrijft haar verhaal chronologisch in de ik-vorm en in fragmenten, soms van een halve bladzijde.

    In al haar werk heeft ze altijd uit haar eigen leven geput, waaronder ervaringen als kind in de oorlog, op haar achtste verlaten worden door haar moeder, leren omgaan met een stiefmoeder die ze ‘moeder’ moet noemen, halfbroertjes en -zusjes krijgen. Haar vader die haar meeneemt naar Zweden, waar ze nieuwe vriendinnen maakt en wat haar liefde voor de Zweedse taal aanwakkert. Ze gaat Zweeds en Oudgrieks studeren in Amsterdam, om dat af te ronden met Scandinavische talen in Uppsala en haar doctoraal weer in Amsterdam te halen. In Zweden verpandt ze haar hart aan de liefde; ze ontmoet de vader van haar drie kinderen, de literatuurwetenschapper Egil Törnqvist. En Astrid Lindgren. Ze omarmt haar nieuwe thuisland, maar uiteindelijk hoort ze nooit ergens bij.

    Vertaalster

    In Als meisjes stoer zijn beschrijft Verschuur haar ontmoetingen met Zweedse schrijvers en dichters, met wie ze bevriend raakt en die ze wel naar het Nederlands wil vertalen. Tegen een vriendin zegt ze: ”Er zijn twee dichters Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer, die me elk een kersverse poëziebundel hebben gegeven en daar zijn gedichten bij die maar door mijn hoofd blijven spoken.” “Zou je daar iets mee willen doen?” vraagt de vriendin en ze antwoordt: “Terwijl ik luiers sta te wassen verschijnen er af en toe flarden in het Nederlands, precies op het ritme van het Zweeds, en die onthoud ik dan. Tijdens wandelingen met mijn zoontje komen er soms hele zinnen, en die krabbel ik op een papiertje als we pauzeren in de speeltuin.”

    Ze vertaalt tientallen boeken van Astrid Lindgren, en tal van Zweedse schrijvers en dichters, zoals August Strindberg, Torgny Lindgren, Per Olaf Enquist en de Noor Knut Hamsun. En omgekeerd introduceert ze Jan Wolkers bij het Zweedse publiek: ze vertaalt Turks Fruit in het Zweeds. Aanvankelijk zag ze het niet zitten. ‘Eerlijk gezegd zit ik hier toch wel wat tegenaan te hikken, want dit boek staat bol van de vrouwonvriendelijke seks.’ Maar na een bezoek van een stijve overbuurman, die haar ziet als de vrouw van, krijgt ze er wel zin in en ‘Na hevige aandrang van Wolkers bezwijk ik voor Turks Fruit.’
    Toch kriebelt er ook iets anders: ze wil haar eigen verhalen publiceren. Haar eerste kinderboek verschijnt in 1976, het begin van een lange reeks waar ze ook diverse prijzen mee won.

    Het leeuwendeel van haar kinderboeken is fictie, die ze publiceerde onder de naam Rita Törnqvist. Na 1993 begon ze haar herinneringen op te schrijven onder haar meisjesnaam Rita Verschuur. Een overlap met eerder gepubliceerd werk is er niet, daarom publiceert ze Als meisjes stoer zijn nu als Rita Törnqvist-Verschuur.

    Verschuur beschrijft veel boeiende ontmoetingen die ze gedurende haar leven had met schrijvers en mensen van faam, ze citeert soms een gesprek, overgenomen uit haar dagboek, of een inzicht dat haar is bijgebleven. Zo was daar in haar jeugd haar tekenleraar Anton Pieck. ‘De meeste leraren draaien gewoon hun lesje af, maar er zijn er een paar die hun best voor ons doen. Eén daarvan is Anton Pieck. Hij heeft borstelige wenkbrauwen boven bruine ogen, die diep in zijn gezicht liggen en vriendelijk staan. Toch is hij heel beroemd, want je ziet overal op kaarten en kalenders zijn vrolijke tekeningen, meestal wintertaferelen (…) moeder haalt er haar neus voor op, maar ik kruip er juist helemaal in.’

    Veel later in haar leven wordt Gerhard Durlacher, holocaust overlevende, een goede vriend die haar de weg wijst naar de roman Black dogs van Ian Mc Ewan. Het boek opent haar de ogen voor de gevaren die er zijn als je naïef of vol vertrouwen in het leven staat, vooral in de omgang met mannen.

    Rode draad

    Als meisjes stoer zijn is niet zomaar een terugblik op een boeiend leven, het hoofdthema is de man-vrouw verhouding en grensoverschrijdend gedrag. De kleine Rita werd geconfronteerd met een ‘oom’ die het nodig vond om zijn tong in haar mond te stoppen bij een zogenaamd goed gemeende nachtzoen. Ze had een onbestemd gevoel bij het mannelijke bezoek in haar moeders huis als ze daar wel eens logeerde, ze verbrak haar verloving met Ernst omdat ze haar gevoelens voor hem wantrouwde om vervolgens naar Zweden te vluchten.

    Hoe een onveilige jeugd het verloop van je leven bepaalt is niet alleen voor een meisje een terugkerend thema. Zo beschrijft ze hoe zij met een vriendinnetje een jongen uit haar klas een regenworm liet eten. ‘(…) Dan houden we een regenworm onder zijn neus en zeggen dat hij die op moet eten. Dat wil hij niet. Pas als we hem een lafaard noemen en een moederskindje, slikt hij de wurm in één keer door.’ Die gebeurtenis vervult haar met schaamte en de herinnering blijft de rest van haar leven aanwezig.

    Na tien jaar in Zweden te hebben gewoond, verhuisde Törnqvist met haar gezin terug naar Nederland. Haar man kreeg een interessante baan en zij werd gezien als de vrouw van, in Zweden was ze onafhankelijker. Bovendien was ze moeder en kon ze haar schrijverij ternauwernood combineren met de huishoudelijke taken. In die tijd had ze een heel nare aanrandingservaring in het Spanderswoud in Bussum, die als een rode draad door haar leven en het boek blijft lopen en de aanleiding is van haar behoefte om ervaringen met grensoverschrijdend gedrag van mannen te noteren. Jaren later toen ze gescheiden was, waren er mannen die vriendschap wilden, waarbij soms ook grenzen werden overschreden. Het waren #metoo gebeurtenissen nog voor het woord bestond.

    Maar er zijn ook positieve ervaringen. Als ze met haar dochter diep in de Zweedse bossen loopt krijgen ze een lift van twee Oost-Europese mannen in een jeep. Haar dochter is een stuk minder naïef en waarschuwt haar moeder niet te openhartig te zijn, maar het loopt goed af. Dat vrouwen, jong of oud, altijd op hun qui-vive moeten zijn en dat meisjes al jong geconfronteerd worden met de seksuele macht van de man is de rode draad in dit boek, en heel actueel. Tijdens een kinderboekencongres in Columbia ziet Törnqvist tienermeisjes op een muurtje zitten wachten tot er een wordt opgepikt door een kerel die haar meeneemt naar een hotelkamer. Het raakt haar diep en ze voelt zich schuldig dat ze het meisje geen geld gaf, zodat ze die avond gewoon naar huis had kunnen gaan. Al betwijfelt Törnqvist of het kind niet toch weer terug naar haar muurtje was gegaan.

     Tijdsbeeld

    Haar oude dag geniet ze in Bergen. Ze wandelt door de duinen en ontmoet veel bekenden, en ze reist veel. Onder meer naar haar zoon in Amerika, waar ze is tijdens de aanslagen van 9/11, later naar Oekraïne, nog voor de Russische inval. Of met haar kleindochter naar Florence. Wanneer er borstkanker bij haar wordt geconstateerd doet ze een stapje terug, maar ze wijst de hormoontherapie af – tot ongenoegen van de specialist. Ze leeft nu in bonustijd. Dit proces beschrijft ze indringend in haar boekje Met wortel en tak, dat in 2014 verscheen.

    Als meisjes stoer zijn is een relaas van een boeiend leven van bijna een eeuw, een tijdsbeeld met veranderende inzichten en een inventarisatie van Törnqvists ‘belevenissen met het raadsel Man’.